|
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 1995-1996, 1996-1997, 24
772.
Handelingen II 1996-1997, blz. 2277-2317, 2516-2528, 2643, 2645.
Kamerstukken I 1996-1997, 24 772 (101, 101a, 101b, 101c).
Handelingen I 1996-1997, zie vergadering d.d. 29 april 1997.
MEMORIE
VAN TOELICHTING
WET van 2 mei 1997, Stb.
1997, 193, tot wijziging van de Algemene bijstandswet in verband met de
preventie en bestrijding van armoede en van sociale uitsluiting.
Inwerkingtreding: 1 juli 1997 (Stb. 1997, 194),
zie ook artikel IV.
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Algemene bijstandswet
te wijzigen om actiever dan thans het geval is armoede en
sociale uitsluiting in ons land te kunnen voorkomen en te bestrijden,
alsook om enkele meer technische wijzigingen aan te brengen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Art. I.
[MvT]
De Algemene bijstandswet wordt gewijzigd als volgt:
A.
In artikel 14, eerste lid,
zoals dat na de inwerkingtreding van de Wet van 25 april 1996, Stb.
1996, 248
(Wet
boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid) komt te
luiden, wordt "artikel 65, derde lid, of vijfde lid," vervangen door:
artikel 65, derde of vierde lid,.
B.
Aan artikel 14, tweede lid,
zoals dat na de inwerkingtreding van de Wet van 25 april 1996, Stb.
1996, 248
(Wet
boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid) komt te luiden, wordt een zin toegevoegd, luidende:
Van het opleggen
van een maatregel wordt in elk geval afgezien indien elke vorm van
verwijtbaarheid ontbreekt.
C.
Aan artikel 14a, tweede lid,
zoals dat na de inwerkingtreding van de Wet van 25 april 1996, Stb.
1996, 248
(Wet
boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid) komt te luiden, wordt een zin toegevoegd, luidende:
Van het opleggen
van een boete wordt in elk geval afgezien indien elke vorm van
verwijtbaarheid ontbreekt.
D. [MvT]
Artikel 17 wordt gewijzigd
als volgt:
1. Het tweede lid wordt
vervangen door:
-2. Het recht op bijstand
strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als
niet noodzakelijk worden aangemerkt.
2. Het derde lid vervalt,
onder vernummering van het vierde en vijfde lid tot derde en vierde lid.
3. In het nieuwe derde lid
wordt "eerste, tweede en derde lid" vervangen door: eerste en
tweede lid.
E. [MvT]
In artikel 39 wordt, onder
vernummering van het tweede lid tot derde lid, een nieuw tweede lid ingevoegd, luidende:
-2. In afwijking van artikel 6, onderdeel b, kan bijzondere bijstand ook aan een
persoon behorend
tot een bepaalde categorie worden verleend, zonder dat behoeft te worden
nagegaan of ten aanzien van die persoon de hierna bedoelde kosten ook
daadwerkelijk noodzakelijk zijn of gemaakt zijn, indien ten aanzien van
de categorie waartoe hij behoort aannemelijk is dat die zich in
bijzondere omstandigheden bevindt die leiden tot bepaalde noodzakelijke
kosten van bestaan waarin de algemene bijstand niet voorziet en die de
aanwezige draagkracht te boven gaan.
F. [MvT]
Artikel 43 wordt gewijzigd
als volgt:
1. Aan het tweede lid worden,
onder vervanging van de punt aan het slot door een puntkomma, twee nieuwe onderdelen toegevoegd, luidende:
l. inkomsten uit arbeid tot ƒ150,00 per maand, alsmede de helft van het meerdere tot een maximum van
in totaal ƒ275,00 per maand, beide voor zover hij algemene bijstand
ontvangt en behoort tot een categorie van personen voor wie één of
meer van de verplichtingen, bedoeld in artikel 113, eerste lid, niet gelden
op grond van het bepaalde bij of krachtens de artikelen
107, tweede lid,
of 113, vierde lid;
m. inkomsten uit arbeid tot ƒ150,00 per maand, alsmede de helft van het meerdere tot een maximum van
in totaal ƒ275,00 per maand, beide voor zover hij algemene bijstand
ontvangt en hij behoort tot een categorie van personen die overeenkomstig
een verordening van het gemeentebestuur om redenen van medische of
sociale aard is aangewezen op het verrichten van arbeid in
deeltijd.
2. Het vierde lid wordt
vervangen door:
-4. Onze Minister kan regels
stellen omtrent gevallen waarin:
a. het tweede lid, onderdeel
i of m, niet van toepassing is;
b. een uitkering als bedoeld
in het tweede lid, onderdeel j, niet tot de middelen van de belanghebbende gerekend wordt.
G. [MvT]
In artikel 56, tweede lid,
wordt de zinsnede "onderdeel h en i" vervangen door:
onderdeel
h, i, l en m.
H. [MvT]
Artikel 65, vierde en vijfde
lid, wordt vervangen door:
-4. De belanghebbende is
voorts verplicht aan burgemeester en wethouders desgevraagd een document als bedoeld in artikel 1 van de
Wet op de
identificatieplicht terstond ter inzage te verstrekken, voor zover dit redelijkerwijs
nodig is
voor de uitvoering van deze wet.
-5. Burgemeester en
wethouders stellen bij de uitvoering van deze wet ten aanzien van een belanghebbende op wie de verplichting, bedoeld in
het vierde lid, rust, de
identiteit vast aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de
Wet op de
identificatieplicht en nemen de aard en het nummer daarvan op in
de administratie.
I. [MvT]
Na artikel 115 wordt een
artikel ingevoegd, luidende:
Art. 115a.
-1. Onze Minister kan,
volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels,
ten laste van ’s Rijks kas op aanvraag aan gemeenten uitkeringen
verstrekken als tegemoetkoming in de door deze te maken kosten voor het
realiseren van kinderopvang ten behoeve van alleenstaande ouders die:
a. algemene bijstand
ontvangen en:
1º. arbeid verrichten; of
2º. ten aanzien van wie het
volgen van scholing of een opleiding noodzakelijk wordt geacht
voor de inschakeling in de arbeid; dan wel
b. geen algemene bijstand
meer ontvangen wegens het verrichten van arbeid, waarbij naar het oordeel van burgemeester en wethouders het
bekostigen van de
kinderopvang nog steeds noodzakelijk is om die arbeid te kunnen blijven
verrichten.
-2. Met algemene bijstand,
als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a en b, wordt gelijkgesteld een uitkering ingevolge enige
socialezekerheidswet
waarvan de hoogte de
bijstandsnorm voor een alleenstaande ouder niet te boven gaat indien naar
het oordeel van burgemeester en wethouders het ontbreken van de
bekostiging van kinderopvang ten aanzien van de betreffende alleenstaande
ouder zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard.
-3. Geen uitkering wordt
verleend ten aanzien van kosten als bedoeld in het eerste lid voor zover
die uit anderen hoofde worden vergoed.
-4. Onder kinderopvang wordt
in dit artikel verstaan: het in georganiseerd verband tegen vergoeding verzorgen en opvoeden van kinderen in
de leeftijd van 0 tot en met
einde basisschoolleeftijd door anderen dan de eigen ouders, pleeg- of
stiefouders op uren dat deze zelf hiervoor niet beschikbaar zijn wegens het
verrichten van één van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid.
J. [MvT]
Artikel 134 wordt gewijzigd
als volgt:
1. In het eerste lid,
onderdeel a, vervalt de zinsnede "de bedragen die de gemeente in verband
hiermee ontvangt door de toepassing van artikel 14a, alsmede".
2. Het eerste lid, onderdeel b, wordt vervangen door:
b. bijstand ter voorziening
in de behoefte aan bedrijfskapitaal.
3. Het derde lid wordt
vervangen door:
-3. Voor de vaststelling van
de in het eerste en tweede lid bedoelde ten laste van de gemeente gebleven kosten van algemene bijstand wordt de
verhouding berekend tussen
het totaal van de in hoofdstuk IV, afdeling
1, paragraaf 2 en 3, bedoelde
bijstandsnormen en het totaal aan toeslagen op grond van
artikel 33.
Vervolgens worden in de aldus berekende verhouding op de voormelde bijstandsnormen in mindering gebracht het
totaal van de verlagingen
van de uitkeringen op grond van artikel 14, het totaal van de bedragen die
de gemeente ontvangt door toepassing van artikel 14a, de in
aanmerking genomen inkomsten van alle belanghebbenden gezamenlijk, alsmede alle
ontvangsten van de gemeente in verband met de verlening van
algemene bijstand, voor zover die bijstand is verleend in 1996 of in
een later jaar.
Art.
II. [MvT]
De Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers wordt
gewijzigd als volgt:
A.
Artikel 13, vierde en vijfde
lid, wordt vervangen door:
-4. De belanghebbende is
voorts verplicht aan burgemeester en wethouders desgevraagd een document als bedoeld in artikel 1 van de
Wet op de
identificatieplicht terstond ter inzage te verstrekken, voor zover dit redelijkerwijs nodig is
voor de uitvoering van deze wet.
-5. Burgemeester en
wethouders stellen bij de uitvoering van deze wet ten aanzien van een belanghebbende op wie de verplichting, bedoeld in
het vierde lid, rust, de
identiteit vast aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de
Wet op de
identificatieplicht en nemen de aard en het nummer daarvan op in
de administratie.
B.
In artikel 20, vierde lid,
zoals dat na de inwerkingtreding van de Wet van 25 april 1996, Stb.
1996, 248
(Wet
boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid) komt te
luiden, wordt "artikel 13, derde of vijfde lid," vervangen door: artikel 13,
derde of vierde lid,.
C.
Aan artikel 20, vijfde lid,
zoals dat na de inwerkingtreding van de Wet van 25 april 1996, Stb.
1996, 248
(Wet
boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid) komt te luiden, wordt een zin toegevoegd, luidende:
Van het opleggen
van een maatregel wordt in elk geval afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
D.
Aan artikel 20a, tweede lid,
zoals dat na de inwerkingtreding van de Wet van 25 april 1996, Stb.
1996, 248
(Wet
boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid) komt te luiden, wordt een zin toegevoegd, luidende:
Van het opleggen
van een boete wordt in elk geval afgezien indien elke vorm van
verwijtbaarheid ontbreekt.
E. [MvT]
In artikel 41, eerste lid,
onderdeel a, wordt "beslissingen" vervangen door: besluiten.
F. [MvT]
Artikel 45, eerste lid,
onderdeel g, wordt vervangen door:
g. de Informatie Beheer
Groep betreffende de toepassing van de Wet
op de studiefinanciering, de
Wet tegemoetkoming studiekosten en de Wet
op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;.
Art.
III. [MvT]
De Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen wordt
gewijzigd als volgt:
A.
Artikel 13, vierde en vijfde
lid, wordt vervangen door:
-4. De belanghebbende is
voorts verplicht aan burgemeester en wethouders desgevraagd een document als bedoeld in artikel 1 van de
Wet op de
identificatieplicht terstond ter inzage te verstrekken, voor zover dit redelijkerwijs nodig is
voor de uitvoering van deze wet.
-5. Burgemeester en
wethouders stellen bij de uitvoering van deze wet ten aanzien van een belanghebbende op wie de verplichting, bedoeld in
het vierde lid, rust, de
identiteit vast aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de
Wet op de
identificatieplicht en nemen de aard en het nummer daarvan op in
de administratie.
B.
In artikel 20, eerste lid,
zoals dat na de inwerkingtreding van de Wet van 25 april 1996, Stb.
1996, 248
(Wet
boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid) komt te
luiden, wordt "artikel 13, derde of vijfde lid," vervangen door: artikel 13,
derde of vierde lid,.
C.
Aan artikel 20, vijfde lid,
zoals dat na de inwerkingtreding van de Wet van 25 april 1996, Stb.
1996, 248
(Wet
boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid) komt te luiden, wordt een zin toegevoegd, luidende:
Van het opleggen
van een maatregel wordt in elk geval afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
D.
Aan artikel 20a, tweede lid,
zoals dat na de inwerkingtreding van de Wet van 25 april 1996, Stb.
1996, 248
(Wet
boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid) komt te luiden, wordt een zin toegevoegd, luidende:
Van het opleggen
van een boete wordt in elk geval afgezien indien elke vorm van
verwijtbaarheid ontbreekt.
E. [MvT]
In artikel 41, eerste lid,
onderdeel a, wordt "beslissingen" vervangen door: besluiten.
F. [MvT]
Artikel 45, eerste lid,
onderdeel g, wordt vervangen door:
g. de Informatie Beheer
Groep betreffende de toepassing van de Wet
op de studiefinanciering, de
Wet tegemoetkoming studiekosten en de Wet
op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;.
Art.
IV. [MvT]
-1. Behoudens artikel I,
onderdeel J, treedt deze wet in werking met ingang van een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.¹
-2. Artikel I, onderdeel J,
van deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het
Staatsblad waarin zij wordt
geplaatst en werkt voor wat
betreft de onderdelen 1 en 2 terug tot en met 1 januari 1997 en voor wat
betreft onderdeel 3 tot en met 1 januari 1996.
1. Bij Besluit van 2 mei 1997, Stb. 1997, 194,
is het tijdstip van inwerkingtreding bepaald op 1 juli 1997, met uitzondering
artikel I, onderdeel
F en G, dat in werking treedt met ingang van 1 oktober 1997,
red.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst
en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
2 mei 1997
BEATRIX
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
Uitgegeven de zesde
mei 1997
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|
|