|
rblz.|1|
Kamerstukken II
1995-1996, 24 772
Wijziging
van de Algemene bijstandswet
in verband met de preventie en bestrijding van armoede en van sociale
uitsluiting
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Doelstellingen |
| 3 |
Verhoging
effectiviteit bijzondere bijstand door categoriale verlening van bijzondere
bijstand |
| 4 |
Afstemming bijzondere
bijstand en voorliggende voorzieningen |
| 5 |
Kinderopvang voor
alleenstaande ouders met Abw |
| 6 |
Herinvoering centrale
vrijlatingsregeling |
| 7 |
Wijziging van artikel
134 |
| 8 |
Financiële aspecten |
| 9 |
Gevolgen voor vrouwen |
|
xArtikelsgewijs |
| xx |
Artikelen
I t/m IV |
Algemeen
1.
Inleiding
In
de kabinetsnota "De andere kant van Nederland", over preventie en
bestrijding van stille armoede en sociale uitsluiting, wordt
geconstateerd dat ook in Nederland armoede voorkomt, ondanks het
uitgebreide stelsel van sociale voorzieningen
en een adequaat niveau van het sociaal minimum
(Kamerstukken II 1995-1996, 24 515, nrs. 1-2). Als er geen
uitzicht bestaat op
verandering in de leefsituatie, op werk of inkomensverbetering, bestaat een
reële kans
op materiële armoede.
Voor preventie en
bestrijding van armoede en sociale uitsluiting zijn inspanningen op velerlei
terreinen en verschillende niveaus nodig. Het is daarbij de taak van het
Rijk om voorwaarden te scheppen in de vorm van regelgeving en financiën.
Gemeenten hebben tot taak het beschikbare instrumentarium, dat
veelal is gedecentraliseerd, op een effectieve wijze in te zetten.
Voor zover het de taak van
de rijksoverheid betreft, is het gewenst de knelpunten op het gebied
van de regelgeving te verbeteren. In het kader van de armoedebestrijding
acht het kabinet het van belang de effectiviteit van de bijzondere
bijstand te verbeteren, omdat bijzondere bijstand bij uitstek het instrument is
waarmee financiële problemen gericht kunnen worden aangepakt. De
bijzondere bijstand biedt gemeenten de mogelijkheid
financiële steun te verlenen aan personen die door bijzondere omstandigheden
met noodzakelijke bestaanskosten worden geconfronteerd waarin
zijn of haar inkomen niet voorziet. Zowel de bijzondere bijstand als
het gemeentelijk minimabeleid bieden echter slechts ruimte voor financiële
hulpverlening op individuele basis. In de eerder genoemde
kabinetsnota is daarom een verruiming aangekondigd van de mogelijkheden van
gemeenten tot het verlenen van bijzondere bijstand. Eenzelfde verruiming op het terrein van gemeentelijk minimabeleid
is beoogd met de
inmiddels aan gemeenten gezonden circulaire Verruiming voor
gemeentelijk inkomensondersteuningsbeleid. Hiermee wordt een belangrijk
knelpunt met betrekking tot de bijzonderebijstandverlening en
het gemeentelijk
minimabeleid opgelost.
rblz.|2|
Tegelijkertijd
wil het kabinet stimulansen voor het verwerven van een zelfstandige
bestaansvoorziening vergroten voor twee categorieën die in een
specifieke situatie verkeren, waardoor hun mogelijkheden uit de bijstand
te komen uitgebreid worden. De eerste betreft alleenstaande ouders met
kinderen die een bijstandsuitkering ontvangen. Door hun
verantwoordelijkheid voor de zorg van de kinderen is een op hun situatie
toegeruste maatregel voorwaarde voor het vergroten van kansen op
uitstroom. Vandaar dat in de nota is aangekondigd dat er een
subsidieregeling tot stand komt voor kinderopvangfaciliteiten ten
behoeve van deze categorie. Gebleken is dat de kinderopvangcapaciteit, met name de
buitenschoolse opvang, ontoereikend is en dat deze groep
bijstandsafhankelijken met deze maatregel op een verantwoorde manier
toegang krijgt tot kinderopvangfaciliteiten.
Daarnaast wordt voor
bijstandsgerechtigden die ontheven zijn van een arbeidsverplichting een
stimulans ingebouwd betaald werk te verrichten, door het herinvoeren van
een centrale vrijlatingsbepaling. Hiermee wil het kabinet
bewerkstelligen dat degene die vanuit de regelgeving geen
arbeidsverplichting heeft, maar uit eigen initiatief een deeltijdbaan
aanvaardt, beloond wordt.
Deze maatregelen vragen
een aanpassing van de Algemene bijstandswet (Abw).
Met het wetsvoorstel
wordt beoogd een aantal zaken te regelen die hieronder worden genoemd.
a. Verhoging van de effectiviteit van de bijzondere bijstand door gemeenten de mogelijkheid te bieden categoriaal bijzondere
bijstand te
verlenen.
b. Verduidelijking van de afstemming tussen de bijzondere bijstand en
voorliggende voorzieningen.
c. Een wettelijke basis creëren voor een subsidieregeling voor kinderopvang om de
inschakeling van alleenstaande ouders met een bijstandsuitkering te
bevorderen.
d. Herinvoering van een
vrijlatingsregeling van inkomsten uit arbeid voor
uitkeringsgerechtigden die centraal zijn ontheven van de
arbeidsverplichting.
Tevens wordt een aantal
wijzigingen van meer technische aard voorgesteld.
2. Doelstellingen
Het kabinet is van mening
dat de lokale overheid het meest is toegerust om de problematiek van
armoede en sociale uitsluiting te lijf te gaan. Vandaar dat de
rijksoverheid met de wetswijziging een bijdrage wil leveren om
beleidsintensiveringen van de lokale overheid verder te stimuleren. Gezocht is
naar mogelijkheden de beleidsruimte van gemeenten zodanig te
vergroten dat belemmeringen in de regelgeving voor de verlening van
bijzondere bijstand en ten aanzien van het gemeentelijk
inkomensondersteuningsbeleid worden weggenomen, terwijl tevens de
mogelijkheden om de arbeidsparticipatie te stimuleren, worden uitgebreid.
3. Verhoging
effectiviteit bijzondere bijstand door categoriale verlening van bijzondere
bijstand
In het onderhavige
wetsvoorstel wordt geregeld dat gemeenten de bevoegdheid krijgen om
bijzondere bijstand categoriaal te verstrekken. Naast de toekenning van
bijzondere bijstand op grond van een individuele toetsing kan categoriale
bijzondere bijstand worden verleend voor uit bijzondere omstandigheden
voortvloeiende noodzakelijke kosten van het rblz.|3|
bestaan, die naar het
oordeel van burgemeester en wethouders niet uit de normuitkering of uit de
aanwezige draagkracht kunnen worden bestreden. Door een dergelijke
regeling kan een gelijk welvaartsniveau worden bereikt met burgers die
deze kosten niet hebben.
Aanleiding voor deze
verruiming van de gemeentelijke beleidsruimte vormden signalen uit de
werkgroep Gemeentelijk minimabeleid dat gemeenten de huidige
ruimte op het terrein van bijzondere bijstand en het gemeentelijk minimabeleid
te beperkt vinden. Ook in situaties waarbij bijzondere omstandigheden aanwijsbaar voorkomen bij groepen
burgers
dient momenteel een
individuele toetsing plaats te vinden. Daarnaast laat de evaluatie van de
bijzondere bijstand zien dat sommige gemeenten onvoldoende gebruik maken
van de mogelijkheden tot een individualiserende toepassing van de
verlening van bijzondere bijstand.
Een categoriale
toekenning van bijzondere bijstand voor groepen die in dezelfde bijzondere
omstandigheden verkeren, biedt meer mogelijkheden tot een efficiënte
uitvoering, hetgeen kan bijdragen aan een verhoging van de kwaliteit van de
dienstverlening van de sociale dienst. Bovendien biedt deze verruiming
mogelijkheden voor een meer samenhangend beleid, gericht op het
bestrijden van gemeenschappelijke problemen binnen een doelgroep. Zo
kunnen categorieën minima via gerichte maatregelen in één keer
worden bereikt. Verder kan ook een vermindering van het niet-gebruik
worden bewerkstelligd. Het vastleggen in lokale beleidsregels van de
criteria die categoriale bijzonderebijstandverlening
mogelijk maken, leidt tot
meer duidelijkheid over eventuele rechten. Een verruiming van de
gemeentelijke beleidsruimte op dit terrein past tevens bij de ontwikkeling naar
meer verantwoordelijkheden en bevoegdheden voor gemeenten in het
kader van het decentralisatiebeleid.
De toepassing van
categoriale bijzonderebijstandverlening
dient te voldoen aan een aantal
randvoorwaarden, welke in de kabinetsnota "De andere kant van
Nederland"
(Kamerstukken II 1995-1996, 24 515, nrs. 1-2) zijn aangegeven.
Ten eerste blijft de
doelgroep onafhankelijk van de bron van het inkomen, zodat de
categoriale voorziening niet alleen toegankelijk is voor uitkeringsgerechtigden,
maar ook voor degenen met een inkomen uit arbeid. Hiermee wordt
voorkomen dat nieuwe elementen worden toegevoegd aan de
armoedeval. Ten aanzien van degenen met een hoger inkomen wordt een
afgrenzing van de doelgroep bereikt op dezelfde wijze als bij de
bijzonderebijstandverlening
op grond van een individuele toetsing: door de
toepassing van de door de gemeente
vast te stellen draagkrachtcriteria voor
de verlening van bijzondere bijstand.
Ten tweede is op grond
van artikel 17 van de Abw
(bijzondere)bijstandverlening
alleen
mogelijk voor zover geen recht bestaat op een tegemoetkoming uit een
voorliggende voorziening.
Ten derde zal, uit het
oogpunt van rechtsgelijkheid middels een individualiserende
toepassing van de wet, de voorziening eveneens beschikbaar moeten zijn
voor degene die niet tot de doelgroep behoort, maar die voor het overige
in vergelijkbare omstandigheden verkeert.
Ten vierde dienen de
tegemoetkomingen betrekking te hebben op het bestrijden van kosten;
ongerichte inkomenssuppleties zijn niet toegestaan. Het gaat erom dat
gemeenten groepen personen die in dezelfde omstandigheid verkeren
als categorie benoemen die in aanmerking komen voor verlening van
bijzondere bijstand. De bijstand wordt verleend omdat de
categorie in de regel met bepaalde noodzakelijke kosten wordt
geconfronteerd die niet uit het eigen inkomen kunnen worden bestreden.
Criteria met betrekking tot de vaststelling van de doelgroep en de
uitvoering worden door de gemeenten zelf vastgesteld.
rblz.|4|
4. Afstemming bijzondere
bijstand en voorliggende voorzieningen
Uit het
evaluatieonderzoek naar de praktijk van de bijzonderebijstandverlening
is gebleken dat in de verhouding tussen de bijzondere bijstand
en voorliggende
voorzieningen problemen zijn ontstaan over de vraag hoe moet worden omgegaan
met noodzakelijke kosten die door voorliggende voorzieningen worden uitgesloten van vergoeding. Gebleken is dat
de huidige bepaling van
artikel 17, tweede lid - het recht op bijstand strekt zich niet uit tot kosten
die uitdrukkelijk buiten de werkingssfeer van een voorliggende voorziening
zijn gelaten - onvoldoende houvast biedt en tot verschillende
interpretaties leidt in de praktijk. Gemeenten kunnen het verbod op door
voorliggende voorzieningen uitgesloten kosten op verschillende wijzen
interpreteren.
Gemeenten kunnen kiezen
voor een interpretatie waarbij het recht op bijstand wordt bepaald
door datgene wat door de voorliggende voorziening uitdrukkelijk
wel wordt opgenomen in het voorzieningenpakket. Alles wat daarbuiten valt,
wordt geacht niet noodzakelijk te zijn en niet voor bijstand in
aanmerking te komen. Daarmee worden kosten die door het vakdepartement
als noodzakelijk worden beschouwd, maar om andere dan inhoudelijke
redenen uit de vergoedingensfeer zijn weggelaten, eveneens geacht niet voor
bijstand in aanmerking te komen.
Deze interpretatie van de
wet sluit niet aan bij de filosofie van de Abw
waarin voor noodzakelijke
bestaanskosten een gerechtvaardigd beroep op de bijstand kan worden
gedaan indien daar op een andere manier niet in kan worden voorzien. Deze
redenering houdt in dat de noodzaak van een voorziening uitgangspunt
vormt voor de Abw.
Het kabinet acht het niet
gewenst dat de wettekst ook interpretaties toestaat die tot gevolg
hebben dat voor de bestrijding van noodzakelijke kosten geen bijzondere
bijstand kan worden verleend door gemeenten. De werkingssfeer van de
voorliggende voorziening dient zo geïnterpreteerd te worden dat bijstand
mogelijk is voor noodzakelijke bestaanskosten die het gevolg zijn van
bijzondere omstandigheden, waarbij regels en beslissingen ten aanzien
van het bepalen van de noodzaak niet worden doorkruist.
De noodzaak van een
dergelijke wijziging komt ook tot uitdrukking in het feit dat er een
gegroeide praktijk bestaat van bijzonderebijstandverlening
voor noodzakelijke kosten die door de voorliggende voorziening zijn
uitgesloten van vergoeding, zoals de verlening van bijzondere bijstand voor
brilmonturen. Hier vormt eveneens niet de vergoeding van de kosten
het uitgangspunt, maar de noodzaak van de voorziening, zoals in de
systematiek van de bijzonderebijstandverlening beoogd is.
Om dit knelpunt in de
afstemming tussen de bijzondere bijstand en voorliggende
voorzieningen weg te nemen, stelt het kabinet voor de wettekst in
overeenstemming te brengen met de filosofie van de Abw, zoals hierboven
omschreven. Voor kosten die uit het pakket van een voorliggende voorziening
worden verwijderd op grond van beperking van de reikwijdte van de
voorliggende voorziening, terwijl de noodzakelijkheid van de kosten niet in het
geding is, is bijzondere bijstand op zijn plaats. Gevolg van deze
afstemming tussen de Abw en voorliggende voorzieningen is dat als het gaat om
noodzakelijke kosten waarvoor geen passende en toereikende
voorliggende voorziening bestaat en die naar het oordeel van
burgemeester en wethouders niet uit het norminkomen bestreden kunnen worden,
bijzondere bijstand verleend dient te worden. Het gaat om noodzakelijke
bestaanskosten tengevolge van bijzondere omstandigheden waarvoor
geen passende en toereikende voorliggende voorziening (meer)
bestaat. Aangezien het vakdepartement in dit geval de
rblz.|5|
beslissing neemt over de
noodzaak van de voorziening, terwijl de kosten van de voorziening niet
of niet geheel vergoed worden, zal dat departement de gemeenten financieel
tegemoet komen, omdat de gemeenten belast zijn met de
verstrekking van de bijzondere bijstand. De wijze van compensatie van gemeenten
via het gemeentefonds van de effecten op de bijzondere bijstand
uit hoofde van rijksbeleid vindt plaats conform de afspraken in het bestuursakkoord
d.d. 12 april 1995 tussen het Rijk en de Vereniging van Nederlandse
Gemeenten.
5. Kinderopvang voor
alleenstaande ouders met Abw
Gebleken is in de
praktijk dat bij het ontwikkelen van de trajectplannen voor alleenstaande ouders
naar werk en scholing de opvang van kinderen een probleem vormt,
aangezien er geen andere partner aanwezig is die de zorg van de kinderen kan
overnemen.
Het aantal
kinderopvangplaatsen is weliswaar de afgelopen jaren sterk gegroeid dankzij de
stimuleringsmaatregel van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport die per 1 januari 1996 is gedecentraliseerd. Desondanks is er nog een
tekort met name voor deze doelgroep en specifiek voor buitenschoolse opvang.
Met de inwerkingtreding
van de Abw en de eerder genoemde kabinetsnota is een sterk
accent komen te liggen op uitstroom. Daardoor is te verwachten dat de
behoefte van de gemeente
aan kinderopvangplaatsen voor deze groep in het
kader van hun uitstroombeleid zal toenemen.
Het kabinet heeft
besloten om dit knelpunt aan te pakken, zodat de gemeente niet langer
gehinderd wordt in haar uitstroombeleid door gebrek aan specifiek voor
deze doelgroep geschikte kinderopvangplaatsen. Tevens heeft het kabinet
besloten gemeenten de mogelijkheid te bieden om - indien zij
dit strikt noodzakelijk achten - de regeling eveneens open te stellen voor
alleenstaande ouders die een inkomen op grond van de socialezekerheidswetten ontvangen waarvan de hoogte de bijstandsnorm voor een alleenstaande ouder niet te boven gaat, zoals
bijvoorbeeld de Werkloosheidswet, Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, Algemene
nabestaandenwet, Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen of
de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers.
De regeling die op basis
van de wet wordt getroffen, heeft tot doel gemeenten de mogelijkheid
te bieden om kinderopvangcapaciteit in te kopen bij derden dan wel
zelf daarin te voorzien. De gemeenten krijgen daartoe vanaf 1996
structureel de beschikking over een budget van ƒ85 mln dat besteed moet worden
aan kinderopvang ter bevordering van de inschakeling in de arbeid
en ter bevordering van het streven naar een zelfstandige
bestaansvoorziening van alleenstaande ouders met een bijstandsuitkering. Het
kabinet heeft besloten, gelet op de acute problemen, de
mogelijkheid voor inkoop van kinderopvang in 1996 al te openen door een
tijdelijke regeling op basis van de begroting van het ministerie van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid in het leven te roepen [zie Regeling
kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 1996 tot
en met Regeling kinderopvang en buitenschoolse
opvang alleenstaande ouders en uiteindelijk de Wet
kinderopvang, red.].
Het gaat dus om het
scheppen van extra plaatsen bovenop het bestaande kinderopvangaanbod waarvan de financiering reeds op andere wijze is gewaarborgd.
Hetzij via het eigen budget van gemeenten, hetzij uit door bedrijven
gefinancierde plaatsen. Als uit anderen hoofde vergoedingen voor kosten
van kinderopvang in welke vorm dan ook kunnen worden verkregen,
kan de subsidieregeling kinderopvang in principe slechts kosten
vergoeden voor zover zij niet elders voor vergoeding in aanmerking
kunnen worden gebracht. Echter, vooral in die rblz.|6|
gevallen waar de zojuist
uit de Abw uitgestroomde alleenstaande ouder niet veel meer verdient
dan het uitkeringsbedrag, is het ongewenst dat dit stukje teniet wordt
gedaan door de ouderbijdrage voor kinderopvang die aan de alleenstaande
ouder via de nieuwe werkgever in rekening wordt gebracht.
De regeling is
terughoudend in de voorwaardenstelling ten aanzien van de wijze van
kinderopvang, gelet op het doel en de doelgroep waarvoor zij in het leven is geroepen.
Het is immers de bedoeling dat de opvang aansluit bij het maatwerk
dat afgesproken wordt met betrokken bijstandsgerechtigde en dat kan variëren tussen de reguliere opvang wegens het aanvaarden van een
fulltimebaan, tot de kinderopvang gedurende een aantal uren in de week.
In de regeling die bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur zal
worden getroffen, is rekening gehouden met een evaluatie en een
monitoring. Deze beogen inzicht te verwerven in de aard en de omvang van de
inzet voor de doelgroep, in het bijzonder de uitbreiding van de capaciteit in de vorm van buitenschoolse opvang.
De subsidieregeling
kinderopvang van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid sluit
aan bij de kwaliteitseisen van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport. Per 1 januari 1996 zijn kwaliteitsvoorschriften kinderopvang in een
algemene maatregel van bestuur vervat die door gemeenten
in ieder geval in de gemeentelijke verordening moeten worden opgenomen
en die de kwaliteit betreffen van gesubsidieerde kindercentra en
gastouderopvang.
6. Herinvoering centrale
vrijlatingsregeling
Tot 1 oktober 1994
bestond een centraal genormeerde vrijlatingsregeling voor inkomsten uit arbeid
op grond waarvan een bepaald percentage werd
vrijgelaten tot een maximumbedrag van 15% van de bijstandsnorm. Omdat
de regeling voor verschillende groepen verschillend uitpakte, is
met ingang van genoemde datum de oude vrijlatingsregeling
gedecentraliseerd. Daartoe zijn gelden overgeheveld naar het Fonds Sociale
Vernieuwing. Sindsdien worden alle inkomsten verrekend, maar kan een
eenmalige of periodieke premie worden verstrekt voor het
aanvaarden van voltijd- of deeltijdarbeid. Ook kan een premie worden verstrekt
als een noodzakelijk geachte scholing voor de inschakeling in de arbeid
of opleiding is voltooid. Gemeenten kunnen de middelen die als gevolg
van de decentralisatie tot hun beschikking zijn ook projectmatig inzetten
bij toeleidingstrajecten.
Dit zogeheten incentivebeleid dat de gemeenten kunnen voeren, is echter onvoldoende
toegesneden op het armoedevraagstuk. Doorgaans zal het incentivebudget
worden ingezet voor degenen die nog een kans maken op de arbeidsmarkt,
veelal mensen die door de wetgever niet zijn vrijgesteld van de (arbeids-)verplichtingen.
Het kabinet acht het van belang dat degene die
vanuit de regelgeving geen arbeidsverplichting heeft, maar uit eigen
initiatief een deeltijdbaan aanvaardt, hieraan een inkomensvooruitgang
ontleent. Daartoe wordt voor deze categorie de centrale vrijlating van
inkomsten uit arbeid opnieuw ingevoerd. Dat zijn oudere werklozen van 57,5
jaar of ouder (Regeling vrijstelling
verplichtingen Abw (Stcrt. 1995, 83)) en alleenstaande ouders met kinderen onder de vijf
jaar (artikel 107, tweede lid). Anderen die om individuele redenen door
de gemeente tijdelijk zijn ontheven van (arbeids-)verplichtingen
vallen niet onder deze vrijlatingsregeling. Zij
hebben immers juist ontheffing van de arbeidsverplichtingen, omdat men daaraan niet
kan voldoen. Blijkt dan wel sprake te zijn van werkaanvaarding, dan zou het voor de hand liggen om
de ontheffing in te
trekken. Daarmee behoort zo’n belanghebbende weer rblz.|7|
tot de groep met
arbeidsverplichtingen, waarop het gemeentelijk incentivebeleid is gericht. Bovendien blijft op deze belanghebbende het
arbeidsmarktinstrumentarium
van toepassing. Zelfs als de ontheffing gehandhaafd blijft,
ondanks het aanvaarden van werk, ligt het in de rede om het gemeentelijk
incentivebeleid van toepassing te laten zijn. Immers, de individuele redenen
kunnen zeer divers zijn, zodat juist met het incentivebeleid door de
gemeente maatwerk kan worden geleverd.
De nieuwe centrale
vrijlating kent de volgende systematiek. Aan de voet worden inkomsten uit
kleine deeltijdbanen tot een maximum van ƒ150,- geheel vrijgelaten.
Hiermee wordt een naadloze aansluiting met het armoedebeleid
bewerkstelligd. Inkomsten tot het aangegeven bedrag leiden immers volledig
tot een verbetering van de inkomenspositie. Neemt het uit arbeid
verworven inkomen een meer substantieel karakter aan, dan wordt 50% van
deze meerinkomsten boven de eerder genoemde ƒ150,- vrijgelaten,
met dien verstande dat het maximaal vrij te laten bedrag niet meer is dan
ƒ275,- per maand.
De genoemde bedragen
worden samen met de bijstandsnormen geïndexeerd.
7. Wijziging van artikel
134
De toepassing van het
beginsel van evenredige toerekening per uitkeringsgerechtigde per
maand in een geautomatiseerd "actief" bestand, zoals neergelegd
in het huidige artikel 134, geeft aanleiding tot een relatief bewerkelijke
operationele uitvoering.
In het bijzonder gelet op
het belang ervan voor de uitvoeringsorganisatie wordt een aanmerkelijke
vereenvoudiging in de toepassing van het beginsel van
evenredige toerekening gerealiseerd door de toerekening niet meer per
uitkeringsgerechtigde per maand, maar per gemeente
per
verantwoordingsjaar toe te passen. Dit leidt zowel tot lagere in- en
uitvoeringskosten als tot vereenvoudiging van het toezicht.
Vanaf 1999, wanneer de
gemeenten financieel verantwoordelijk zijn voor de toeslagverlening,
kan de wetswijziging voor een individuele gemeente per saldo zowel
tot hogere als tot lagere rijksvergoeding leiden. Dit hangt per gemeente af
van het samenstel van het gemeentelijk toeslagenbeleid, de
opbouw van het bestand van uitkeringsgerechtigden en de inkomsten en
ontvangsten die uitkeringsgerechtigden voor zichzelf dan wel voor de gemeente
genereren.
Daarnaast worden alle
ontvangsten die betrekking hebben op verleende algemene bijstand in het invoeringsjaar ook onder de nieuwe systematiek
gebracht. Dit betekent
dat een deel van deze ontvangsten aan de gemeenten toevallen,
terwijl die anders aan het Rijk zouden toekomen. Op landelijk niveau zullen
al deze effecten elkaar naar verwachting opheffen.
Uit de
Invoeringswet
herinrichting Algemene Bijstandswet vloeit voort dat vanaf aanvang 1996
bepaalde eisen worden gesteld aan de registratie en verantwoording van
verleende bijstandsnormen en toeslagen. Het is derhalve noodzakelijk met
terugwerkende kracht tot 1 januari 1996 de vereenvoudigde toepassing
van de evenredige toerekening te realiseren. Hoewel inwerkingtreding
met terugwerkende kracht in het algemeen, omwille van
rechtszekerheid en gewekte verwachtingen, niet wenselijk is, wordt het in dit geval om
de volgende redenen aanvaardbaar geacht.
Het voorstel is vanuit
gemeentelijke kring voorgesteld en in samenspraak met Vereniging van Nederlandse
Gemeenten en de Vereniging van directeuren van
overheidsorganen voor sociale arbeid (Divosa) nader uitgewerkt. De
gemeentebesturen zijn op 8 november 1995 met een circulaire voor
inwerkingtreding van de Abw inhoudelijk geïnformeerd over de voorgenomen
vereenvoudiging, zodat hiermee bij de inrichting rblz.|8|
van hun administratie
rekening kon worden gehouden. Er zijn geen directe noch indirecte
belangen van burgers, in het bijzonder van (potentiële)
uitkeringsgerechtigden, in het geding. De wetswijziging zal gedurende het
overgangstijdvak tot 1999 geen gevolgen hebben voor de rijksvergoeding.
8.
Financiële aspecten
Het kabinet heeft
besloten de mogelijkheden voor gemeenten voor de verlening van bijzondere
bijstand te verruimen. Bij de decentralisatie van de bijzondere bijstand in
1991 zijn de daarmee gemoeide rijksgelden, verhoogd met een extra
bedrag van ƒ100 mln, overgeheveld naar het gemeentefonds. Met de
extra middelen werd beoogd gemeenten de mogelijkheid te bieden
hun bijzonderebijstandsbeleid te intensiveren. Geconstateerd moet worden
dat landelijk gezien de gemeenten in de afgelopen jaren minder
hebben besteed aan bijzondere bijstand dan overeenkomt met de gelden
die destijds aan het gemeentefonds zijn toegevoegd. De
intensivering is (nog) niet volledig gerealiseerd. De bevoegdheid om bijzondere
bijstand ook categoriaal te verstrekken, kan worden opgevat als een
verdere intensivering van de bijzonderebijstandverlening,
hetgeen als zodanig past binnen de doelstelling van de decentralisatie van de
bijzondere bijstand. Om onder meer na te gaan in welke mate de
intensivering tot stand komt, zal de ontwikkeling van de uitgaven en de
beleidsoverwegingen die daaraan ten grondslag liggen in het kader van de
bijzondere bijstand en de armoedebestrijding worden gemonitored.
Ten aanzien van de
afstemming van de bijzondere bijstand met de voorliggende
voorzieningen geldt in het algemeen de gedragsregel dat indien een departement
besluit om te korten op bepaalde voorzieningen, waardoor een extra beroep
dreigt te ontstaan op de bijzondere bijstand, dit departement gehouden
is om via het gemeentefonds compensatie te leveren voor de stijging
van de bijzonderebijstandslasten. Gezien het feit dat de bijzonderebijstandslasten geheel ten laste komen van
gemeenten en de met de uitvoering
van de bijzondere bijstand gemoeide financieringsmiddelen
deel uitmaken van de algemene uitkering uit het gemeentefonds, valt de
wijze waarop de compensatie van het gemeentefonds in voorvermelde gevallen
moet plaatsvinden onder de afspraken in het bestuursakkoord
tussen het Rijk en de Vereniging van Nederlandse
Gemeenten d.d. 12 april
1995. Dit houdt in dat de effecten op de bijzondere bijstand uit
hoofde van rijksbeleid vallen onder het specifieke compensatieregime.
Het voorstel tot
bevordering van participatie van alleenstaande ouders door middel van het
scheppen van ruimere mogelijkheden tot kinderopvang zal naar verwachting
leiden tot een aanvaarding van werk door betrokkenen en dientengevolge tot een structurele en meetbare vermindering van het
beroep op bijstand. Voor de financiering van de subsidieregeling voor
kinderopvang is structureel een bedrag van ƒ85 mln beschikbaar, dat gezien
de verwachte structurele vermindering van het beroep op bijstand kan
worden gedekt uit de budgettaire ruimte die daardoor binnen de
bijstandsuitgaven ontstaat.
Met betrekking tot de
voorgestelde verruiming van de vrijlatingsbepaling voor Abw-gerechtigden die
ontheven zijn van (arbeids-)verplichtingen wordt
ervan uitgegaan dat de stopzetting van de oude vrijlatingsregeling tot
ontmoediging heeft geleid van (het melden van) bijverdiensten, zodat per
saldo geen sprake zal behoeven te zijn van budgettaire derving.
rblz.|9|
9. Gevolgen voor vrouwen
De voorgestelde
wijzigingen in de Abw hebben met uitzondering van de mogelijkheid tot
kinderopvang geen specifieke gevolgen voor vrouwen.
In
het wetsvoorstel wordt
een wettelijke basis geboden voor de mogelijkheid voor gemeenten om kinderopvangplaatsen in te kopen. Deze regeling beoogt de
integratie van alleenstaande ouders in het arbeidsproces te bevorderen. Drempels
die de zelfstandige bestaansvoorziening bemoeilijken, dienen te worden weggehaald. Een belangrijke drempel is
het ontbreken van
voldoende kinderopvang. Hoewel de kinderopvangplaatsen niet alleen voor vrouwen
zijn bedoeld, is vanuit de bijstandsopbouw duidelijk dat alleenstaande ouders veelal vrouwen zijn. Teneinde
ook voor hen de
arbeidsmogelijkheden te verbeteren, wordt in de Abw
aan gemeenten de bedoelde
wettelijke basis en het budget geboden.
Uiteraard heeft ook de
voorgestelde vrijlatingsregeling voor alleenstaande ouders met kinderen die
jonger zijn dan 5 jaar eveneens voor vrouwen een prima
stimulans. Zij kunnen immers een vrijlating genieten van maximaal ƒ275,-
netto per maand.
Artikelsgewijs
Artikel
1
Onderdeel A
[zie art. I, onderdeel D,
van de wet, red.]
Evenals onder de huidige
wet geldt als uitgangspunt nog steeds dat de Abw
geen functie heeft
wanneer binnen de voorliggende regeling een bewuste beslissing is
genomen over de noodzakelijkheid van een voorziening in het
algemeen of in een specifieke situatie: indien op het betrokken beleidsterrein
op grond van een dergelijk noodzakelijkheidsoordeel de keuze is gemaakt om
één of meer kostensoorten niet in de voorziening op te nemen
of om de voorziening in een bepaalde concrete situatie niet
noodzakelijk te achten, dan dient de Abw zich bij die keuze aan te sluiten en komt
men ten aanzien van die kosten niet voor bijstandverlening in aanmerking. Het is
evenwel ook denkbaar dat men op het betrokken beleidsterrein
op zichzelf genomen de noodzakelijkheid van een voorziening wel
onderschrijft, maar dat om andere redenen, bijvoorbeeld budgettaire, niet tot
hulpverlening of tot (volledige) vergoeding ervan wordt overgegaan. Alsdan
kan de Abw uitkomst bieden, aangenomen dat de hulpvraag valt binnen
de normale parameters van de Abw, namelijk dat er sprake is van
noodzakelijke kosten van bestaan en die kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden
voldaan uit de
bijstandsnorm en de aanwezige draagkracht. De gewijzigde tekst van het tweede lid
en het schrappen van het derde lid beogen beter dan de thans geldende
tekst het voorgaande tot uitdrukking te brengen.
Onderdeel B [zie
art. I, onderdeel E, van de
wet, red.]
Ingevolge de definitie
van artikel 6, onderdeel b, is bijzondere bijstand de bijstand die wordt
verstrekt indien bijzondere omstandigheden in het individuele geval leiden
tot noodzakelijke kosten van bestaan waarin de algemene bijstand niet
voorziet en die de aanwezige draagkracht te boven gaan. Hierin ligt
besloten dat door burgemeester en wethouders steeds moet worden nagegaan of
de kosten tot de noodzakelijke bestaanskosten kunnen worden gerekend,
of die kosten in het voorliggende individuele geval ook daadwerkelijk
noodzakelijk zijn en of ze ook daadwerkelijk gemaakt zijn. In het
thans voorgestelde systeem behoeft van deze trits rblz.|10|
uitsluitend nog het
eerste te worden nagegaan, mits de betrokken belanghebbende behoort
tot een categorie van personen waarvan aannemelijk is dat die
zich in de regel in bijzondere omstandigheden bevindt die leiden tot
bepaalde noodzakelijke kosten van bestaan waarin de algemene bijstand niet
voorziet en die de aanwezige daadkracht te boven gaan. Deze
afwijking van de definitie van bijzondere bijstand is in de redactie van de nieuwe
bepaling van artikel 39, tweede lid, tot uitdrukking gebracht.
Een categoriale
toekenning van bijzondere bijstand voor groepen die in dezelfde bijzondere
omstandigheden verkeren, biedt meer mogelijkheden tot een efficiënte
uitvoering, hetgeen kan bijdragen aan een verhoging van de kwaliteit van de
dienstverlening van de sociale dienst. De verruiming van de mogelijkheid tot verlening van bijzondere bijstand is
juist bedoeld om bij
bepaalde door de gemeente
aan te wijzen categorieën bijstand te
verlenen en zo deze groepen via gerichte maatregelen in één keer
te bereiken.
Dergelijke personen
hebben recht op bijzondere bijstand. Het is daarbij om het even of het beroep
op de door de gemeenten gecreëerde voorzieningen wordt
gedaan door Abw-uitkeringsgerechtigden, andere uitkeringsgerechtigden of
door personen met een andersoortig inkomen, bijvoorbeeld looninkomen,
die in eenzelfde situatie verkeren. Immers evenals bij de verlening
van reguliere aanvullende, op individuele grondslag verleende
algemene of bijzondere bijstand ligt in het gehele systeem van de wet
- zoals met name tot uitdrukking komend in de artikelen
7, eerste lid, 39, eerste lid, en 40, eerste lid
- besloten dat de bron van het primaire inkomen
niet ter zake doet. Een keuze van een gemeente voor een doelgroep voor
de toepassing van categoriale bijstand die bijvoorbeeld onderscheid
zou maken tussen Abw-uitkeringsgerechtigden enerzijds en
loontrekkenden anderzijds zou dan ook wegens strijdigheid met dat systeem niet
toegestaan zijn. Het feit van deze strijdigheid met het systeem van de Abw acht
het kabinet zodanig evident dat een (nadere) wettelijke explicitering
hieromtrent niet nodig wordt geacht.
Onderdeel C [zie
art. I, onderdeel F, van de
wet, red.]
De vrijlating van
arbeidsinkomsten geldt voor een aantal nader aangeduide categorieën
van ontvangers van algemene bijstand voor wie één of meer van de (arbeids-)verplichtingen
ingevolge artikel 113, eerste lid, niet gelden. Het
gaat daarbij om de categorie van personen voor wie die verplichtingen niet
gelden op grond van de wet zelve - namelijk artikel 107 ten aanzien van de ouder
met één of meer kinderen jonger dan vijf jaar - en, in de tweede plaats,
om de categorie die van die verplichtingen is vrijgesteld op grond van
de ministeriële regeling ex artikel 113, vierde
lid [zie Regeling vrijstelling verplichtingen Abw,
red.]. Dit laatste is thans het
geval voor degenen die ouder zijn dan 57,5 jaar (Stcrt. 1995, 83). De
vrijlating geldt derhalve niet voor personen die op de individuele gronden van
artikel 107, eerste lid, zijn vrijgesteld van de meergenoemde (arbeids-)verplichtingen.
Voor de redenen hiervoor zij verwezen naar het
algemene deel van deze toelichting. Voorts is het van belang dat men zich
realiseert dat de vrijlating evenmin geldt voor degenen die (nog) geen
algemene bijstand ontvangen. Het is immers geenszins de bedoeling om
de bijstandsnorm aan de hand waarvan voor aanvragers van algemene
bijstand beoordeeld wordt of men recht op uitkering heeft (zie
artikel 26) met een bedrag van maximaal ƒ275,- te verhogen. Om deze reden
ook is in de redactie van de vrijlatingsbepaling gekozen voor opneming van
een zinsnede dat de belanghebbende "algemene bijstand
ontvangt".
In
artikel 43, tweede lid,
onderdeel j, Abw is bepaald dat een uitkering in verband met geleden
immateriële geleden schade niet tot de middelen van de belanghebbende
wordt gerekend, voor zover dat, gelet op de aard rblz.|11|
en de hoogte van die
uitkering, uit een oogpunt van bijstandverlening verantwoord is.
In het verleden hebben
verschillende malen rampen plaatsgevonden, waarna aan de getroffenen
een uitkering is toegekend die het karakter heeft van smartengeld. Te
denken valt hierbij aan de SLM-vliegramp in Suriname in 1989, de
stormramp van 25 januari 1990, de Martinair-vliegramp in Faro van eind 1992 en
de watersnood van begin 1994 en 1995 in Limburg en
Gelderland. Het is niet uitgesloten dat dergelijke incidenten zich ook in de
toekomst zullen voordoen. Daarnaast kunnen er ook andere gronden zijn
voor het toekennen van een immateriële schadevergoeding. In dat
kader kan worden gedacht aan de silicosevergoeding aan ex-mijnwerkers en aan
de tegemoetkoming aan hemofiliepatiënten,
die door bloedproducten zijn besmet met het HIV-virus.
Uit een oogpunt van
rechtszekerheid is het gewenst dat de minister de bevoegdheid krijgt in dit
soort gevallen te bepalen dat dergelijke immateriële
schadevergoedingen niet tot de middelen van de belanghebbende worden gerekend en
daardoor bij de bijstandverlening buiten beschouwing blijven. Hiertoe wordt het vierde lid van
artikel 43
aangepast.
Onderdeel D [zie
art. I, onderdeel G, van de
wet, red.]
Door het nieuwe onderdeel
l van artikel 43, tweede lid, toe te voegen aan de hier reeds
vermelde opsomming wordt bereikt dat ook het bedrag van de vrijgelaten
arbeidsinkomsten valt onder de hier geregelde indexering, zijnde de
indexering overeenkomstig de wijzigingen in het nettominimumloon zonder
de daarin begrepen aanspraak op vakantietoeslag.
Onderdeel E [zie
art. I, onderdeel H, van de
wet, red.]
Deze wijziging beoogt
geen inhoudelijke veranderingen tot stand te brengen, doch slechts een
redactionele verduidelijking. De thans geldende tekst van artikel
65,
vierde en vijfde lid, zou namelijk onbedoeld de suggestie kunnen wekken
dat de plicht van burgemeester en wethouders om de identiteit vast te
stellen zich uitstrekt over een grotere groep belanghebbenden dan de
groep die per saldo verplicht is een document ter inzage te
verstrekken. Dit wordt veroorzaakt doordat in de omschrijving van de plicht die ter
zake op burgemeester en wethouders rust een beperking tot de
laatstgenoemde groep ontbreekt. Dit euvel kan worden ondervangen door de
volgorde van de leden om te keren en in het nieuwe vijfde lid uitdrukkelijk
een beperking tot een "belanghebbende op wie de verplichting, bedoeld in
het vierde lid, rust" op te nemen.
Onderdeel F [zie
art. I, onderdeel I, van de
wet, red.]
In aansluiting op hetgeen
hierover in het algemene deel van deze memorie is gezegd nog het
volgende. In het in te voegen artikel 115a
gaat het om kinderopvang ten
behoeve van alleenstaande ouders die:
a. algemene bijstand
ontvangen en:
1º. arbeid verrichten; of
2º. ten aanzien van wie
het volgen van scholing of een opleiding noodzakelijk wordt geacht
voor de inschakeling in de arbeid; dan wel
b. geen algemene bijstand
meer ontvangen wegens het verrichten van arbeid, waarbij naar het
oordeel van burgemeester en wethouders het bekostigen van de
kinderopvang nog steeds noodzakelijk is om die arbeid te kunnen blijven
verrichten.
De onder 1º en 2º genoemde doelgroepen betreft dus de
alleenstaande ouder die uitstroomt naar werk en (nog) een rblz.|12|
aanvullende uitkering behoeft of het betreft de alleenstaande ouder waarvan is vastgesteld
dat een bepaalde opleiding of scholing noodzakelijk is als voortraject voor
de arbeidsbemiddeling. Voor de doelgroep is de zorg voor de kinderen
een belemmering om te gaan werken of om scholing/opleiding te
volgen. De gemeente
bepaalt welke scholing of opleiding noodzakelijk
wordt geacht. De Arbeidsvoorzieningsorganisatie heeft daarbij een
adviserende rol.
De uitbreiding met de
laatstgenoemde groep is noodzakelijk, omdat anders de verwezenlijking
van één van de redenen waarom de bevordering van
kinderopvangmogelijkheden gewenst is, namelijk ouders in staat stellen om betaald werk
te aanvaarden, er onmiddellijk toe zou kunnen leiden dat men het recht
op bijstand verliest en dat men daarmee tevens niet langer tot de hier
beoogde doelgroep zou behoren met alle negatieve gevolgen van dien voor de
mogelijkheden om de zojuist verworven betaalde arbeid te continueren.
Het tweede lid bevat een
hardheidsclausule. Met de in het eerste lid bedoelde
bijstandsuitkering wordt gelijkgesteld een uitkering ingevolge enige socialezekerheidswet. Voorwaarde voor de gelijkstelling is wel dat burgemeester en
wethouders in het betreffende geval van oordeel zijn dat het ontbreken van de
bekostiging van kinderopvang zou leiden tot onbillijkheden van
overwegende aard.
De zinsnede "ten aanzien
van de betreffende ouder"
impliceert dat zogenoemde categoriale
gelijkstellingen in het kader van deze subsidieregeling niet toelaatbaar zijn.
Het derde lid bevat een
anticumulatie- of samenloopregeling voor het geval uit anderen hoofde vergoedingen voor de kosten van kinderopvang
in welke vorm dan ook
kunnen worden verkregen. De onderhavige regeling heeft ten
opzichte van dergelijke voorliggende voorzieningen en regelingen een complementair karakter: opvangkosten worden derhalve
slechts in aanmerking
genomen voor zover artikel 17 dat toelaat en zij niet elders voor vergoeding in
aanmerking kunnen worden gebracht.
Een aantal elementen in
de omschrijving van het begrip kinderopvang behoeft een nadere
toelichting. De omschrijving is grotendeels ontleend aan de omschrijving die
gehanteerd wordt in het kader van de Welzijnswet
1994 en het daarop
gebaseerde Tijdelijk besluit kwaliteitsregels kinderopvang. Het element "in georganiseerd
verband" beoogt tot uitdrukking te brengen
dat het incidenteel oppassen op een kind van een ander - bijvoorbeeld in het
geval een kind voor enkele uren bij een buurvrouw wordt ondergebracht - nog niet tot kinderopvang in de hier bedoelde zin wordt gerekend. Een
zekere regelmaat, bestendigheid en organisatiegraad in die activiteit is wel
een vereiste. Dat het moet gaan om een activiteit die tegen vergoeding moet
plaatsvinden, is eveneens ontleend aan het eerder vermelde kader. Dit
ligt ook hier in de rede, omdat wanneer er - zoals hier - kostenvergoedingen vanwege het Rijk aan
gemeenten kunnen worden verstrekt, de
activiteiten die daarmee bekostigd worden zelf veelal ook niet kosteloos zullen
zijn.
Onderdeel G [zie
art. I, onderdeel J, van de
wet, red.]
In het eerste en tweede
lid worden wijzigingen ongedaan gemaakt die uit hoofde van de Wet van
25 april 1996 tot wijziging van socialezekerheidswetten in
verband met de nadere vaststelling van een stelsel van administratieve
sancties, alsook tot wijziging van de daarin vervatte regels tot terugvordering
van ten onrechte betaalde uitkeringen en de invordering daarvan [Wet
boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid, red.]
(Stb. 1996, 248) in artikel 134, eerste lid, waren aangebracht. De oorspronkelijke
wijzigingen beoogden een verduidelijking aan te brengen in die zin dat
de ten laste van de gemeente
gebleven kosten van bijstand mede
inhouden een saldering met de door de gemeente ontvangen boeten. Deze
verduidelijking was echter bij diezelfde rblz.|13|
gelegenheid aangebracht
in artikel 134, derde lid, zodat tevens was geregeld welk deel van de
ontvangen boeten de ten laste van de gemeente gebleven kosten
van algemene bijstand respectievelijk bijstand ter voorziening in de
behoefte aan bedrijfskapitaal bepaalt.
In het derde lid wordt de
toepassing van het beginsel van evenredige toerekening gewijzigd
door deze niet meer per uitkeringsgerechtigde per maand, maar voor alle
uitkeringsgerechtigden van een gemeente
tezamen per verantwoordingsjaar
achteraf te laten plaatsvinden.
In relatie tot de aan te
vragen rijksvergoeding wordt gedurende het verantwoordingsjaar ervan afgezien inkomsten, sancties en ontvangsten naar
landelijke
bijstandsnorm en gemeentelijke toeslag toe te rekenen. De inkomsten en sancties
worden uiteraard wel verwerkt in de omvang van de uitkering aan de cliënt. Evenzo geldt dat de ontvangsten op
cliëntniveau in de
debiteurenadministratie worden verwerkt.
Na afloop van het
verantwoordingsjaar wordt, op basis van het in dat jaar verleende totaalbedrag aan
nettobijstandsnormen respectievelijk -toeslagen - netto wil
zeggen niet aangepast voor brutering, sancties of inkomsten - per
gemeente een jaarverhouding bepaald tussen bijstandsnorm en toeslag.
De gegevens die aan de jaaropgave en aan de gemeentelijke
jaarverhouding bijstandsnorm/toeslag ten grondslag liggen, zijn dezelfde. De
gemeentelijke jaarverhouding bijstandsnorm/toeslag is object van toezicht via
de accountantscontrole.
De gemeentelijke
jaarverhouding bijstandsnorm/toeslag bepaalt de evenredige toerekening
naar bijstandsnorm en toeslag van de op dat jaar betrekking hebbende:
- gesommeerde inkomsten
en sancties van cliënten;
- gesommeerde
definitieve bruteringen (onder andere loonheffing) van de uitkeringen; en
- alle in dat jaar
feitelijk door de gemeente genoten ontvangsten (dit is inclusief opgelegde
boeten), voor zover die betrekking hebben op algemene bijstand die is
verleend in 1996 of later. Deze ontvangsten kunnen betrekking hebben
op:
* uitkeringen verleend op
basis van de Abw;
* uitkeringen in 1996
verleend op basis van de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet
zowel van vóór de herbeoordeling als van na de herbeoordeling;
laatstgenoemde betreft de garantie-uitkering ex artikel
5, vierde lid,
het aanvullende deel op bijstandsnorm en toeslag tezamen en de per 1
januari 1996 gedecentraliseerde woonkostentoeslag en aanvullende bijzondere
bijstand voor jongeren, die in het kader van het overgangsrecht over 1996
nog voor rijksvergoeding in aanmerking komen;
*
overbruggingsuitkeringen in verband met de verschuiving van de betaaldatum, zoals die
worden verleend op basis van de Regeling
overbruggingsuitkering Abw.
Ontvangsten in verband
met vóór 1996 verleende algemene bijstand vallen niet onder de
evenredige toerekening, maar worden voor het volle bedrag gesaldeerd in de
ten laste van de gemeente
gebleven kosten van algemene bijstand.
Deze wijziging heeft
vanaf het verantwoordingsjaar 1999, wanneer de toeslagen niet meer voor rijksvergoeding in aanmerking komen, gevolgen
voor de
voorschotdeclaratie. Eerst na afloop van het betreffende verantwoordingsjaar is de
gemeentelijke jaarverhouding bijstandsnorm/toeslag
bekend, die het deel van inkomsten, sancties, bruteringen en
ontvangsten bepaalt dat
van belang is voor de rijksvergoeding. Ter ondervanging van dit euvel kan bij de voorlopige toerekening in de voorschotdeclaraties
worden volstaan met een voorlopige verhouding bijstandsnorm/toeslag.
Daartoe kan gedurende het gehele jaar bijvoorbeeld rblz.|14|
gebruik worden
gemaakt van de definitieve jaarverhouding van het voorafgaande jaar. Voor
de voorlopige brutering wordt gebruik gemaakt van het lineaire
bijstandspercentagetarief. Verschillen uit hoofde van onder meer definitieve
brutering en definitieve vaststelling van de jaarverhouding kunnen,
bij of voorafgaand aan de indiening van de jaaropgave, door
indiening van een aanvullende declaratie over het vierde kwartaal worden
gecorrigeerd.
De bepaling in de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet
aangaande de
rijksvergoeding voor de vakantietoeslag 1998/1999 blijft onveranderd. Dat houdt in
dat kosten van de vakantietoeslag over 1998, die normaliter in juni
1999 aan de cliënten wordt uitbetaald, ten volle in aanmerking komen voor
rijksvergoeding. Daarentegen vallen de kosten van de vakantietoeslag,
die op 1999 betrekking hebben en gelijktijdig met de hiervoor bedoelde
reservering over 1998 in juni 1999 aan de cliënten worden uitbetaald,
onder
de nieuwe systematiek, zodat daarvan alleen het bijstandsnormdeel voor
rijksvergoeding in aanmerking komt.
In aanvulling op het
algemene deel van deze memorie van toelichting zij nog het volgende
opgemerkt.
Artikel II
Onderdeel A [zie
art. II, onderdeel E, van de
wet, red.]
Sedert de totstandkoming
van de Algemene wet bestuursrecht is het vanuit een oogpunt van
eenduidige terminologie wenselijk om schriftelijke beslissingen van
bestuursorganen die tevens publiekrechtelijke rechtshandelingen
inhouden - en zoals die hier aan de orde zijn - aan te duiden als "besluiten"
in plaats van beslissingen. Hiermee wordt dan tevens de redactie van
dit artikel in overeenstemming gebracht met die in het parallelle artikel
117, eerste lid, van de Abw, zoals dat artikel luidt sedert de
inwerkingtreding van de Wet van 21 december 1995 tot nadere wijziging van een
aantal socialezekerheidswetten [technische
verbeteringen in verband met de wetten TAV, TBA en TZ, alsmede enige
andere wijzigingen, red.] (Stb. 1995, 691).
Onderdeel B [zie
art. II, onderdeel F, van de
wet, red.]
Dit onderdeel betreft de
correctie van een technische onvolkomenheid. Bij de totstandkoming van
de Wet tegemoetkoming studiekosten is in
één van de slotartikelen,
namelijk artikel 89 regelende een wijziging van de
Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
(Ioaw), abusievelijk geen rekening gehouden met een eerdere hernummering
van de Ioaw en werd een wijziging van een niet (meer) bestaand artikel
36a Ioaw opgenomen. De wijziging had moeten zien op het (hernummerde)
artikel 45 van die
wet. Eén en ander
wordt hier rechtgezet.
Artikel III
Onderdelen A en
B [zie art.
III, onderdeel E en F, van de
wet, red.]
Voor een toelichting op
deze onderdelen zij verwezen naar hetgeen hierboven vermeld is bij
de onderdelen A en B van artikel
II [zie artikel II,
onderdeel E en F, van de
wet, red.].
Artikel IV
De inwerkingtreding van
de wet wordt aan de Kroon overgelaten, echter met één uitzondering. Dat betreft de wijziging als vervat in artikel I, onderdeel
G [zie artikel
I, onderdeel J, van de wet, red.], dat met
terugwerkende kracht tot en met 1 januari 1997 in werking dient te treden.
Deze terugwerkende kracht is niet bezwaarlijk: de wijziging heeft geen
betrekking op rechten en plichten van burgers en zij rblz.|15|
raakt slechts aan de financiële verrekening van bepaalde posten tussen Rijk en
gemeenten.
Daarenboven is de terugwerkende kracht hier zelfs gewenst: het behelst een
vereenvoudiging in het financiële verkeer tussen Rijk en gemeenten en een
terugdringing van de administratieve lasten ter zake, waar met name de
gemeenten baat bij hebben. Eén en ander komt het meest tot zijn recht
indien bij de verwerking van de administratieve gegevens ook
daadwerkelijk kan worden uitgegaan van het nieuwe systeem met ingang van 1
januari 1997. Om deze redenen is deze wijziging ook al ruim vóór deze datum aangekondigd bij de gemeenten.
Zie onder meer de ministeriële circulaire aan de gemeentebesturen van 8 november 1995, nr.
BZ/UB/3380/I.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
|