|
Parlementaire behandeling:
Kamerstukken II 1996-1997, 25
122.
Handelingen II 1996-1997, blz. 6737-6749, 6967-6968.
Kamerstukken I 1996-1997, 25 122 (310); 1997-1998, 25 122 (2, 2a, 2b,
2c, 2d).
Handelingen I 1997-1998, blz. 301-312, 335-344, 388-402.
MEMORIE
VAN TOELICHTING
WET van 4 december 1997, Stb.
1997, 760, houdende regeling voor de totstandkoming van een gemeentelijk
werkfonds voor voorzieningen ter bevordering van de toetreding tot het
arbeidsproces van langdurig werklozen en jongeren (Wet inschakeling
werkzoekenden). Inwerkingtreding: 1 januari 1998 (Stb. 1997,
805). Vervallen met ingang van 1 januari 2004 (artikel
2, eerste lid, IWwb).
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is dat personen die reeds langdurig werkloos zijn en daarbij
meestal aangewezen zijn op een uitkering gestimuleerd worden aan
activiteiten deel te nemen, waardoor toetreding tot het arbeidsproces
wordt bevorderd en sociale uitsluiting wordt voorkomen, dat op
gemeentelijk niveau de zorg daarvoor vorm kan krijgen via een
gemeentelijk werkfonds, waardoor het aanbieden van werk en het traject
van de toeleiding daartoe kan worden gecombineerd en dat jongeren
bijzondere aandacht en begeleiding verdienen;
Zo is het, dat Wij, de Raad
van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben
goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK
1
Inleidende
bepalingen
Art. 1.
Begripsbepalingen
-1. In deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b.
Arbeidsvoorzieningsorganisatie: de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, bedoeld in de
Arbeidsvoorzieningswet 1996;
c. uitvoeringsinstantie: de rechtspersoon die krachtens de Organisatiewet sociale
verzekeringen 1997 is belast met de uitvoering van de socialeverzekeringswetten;
d. uitkeringsgerechtigde: de persoon die een uitkering ontvangt op grond van de
Algemene bijstandswet, de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere
en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de Werkloosheidswet, de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen, de
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Toeslagenwet, de
Tijdelijke
wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria,
de Algemene nabestaandenwet of op grond van een
regeling die met deze wetten naar aard en strekking
overeenstemt;
e. langdurig werkloze: de
persoon die langer dan twaalf maanden zonder onderbreking als werkloos werkzoekende staat ingeschreven bij de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie;
f. jongere: de persoon
jonger dan 23 jaar die recht heeft op een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet of op een andere
vergelijkbare
inkomensvoorziening, dan wel als werkloos werkzoekende staat ingeschreven bij de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie;
g. dienstbetrekking: een
dienstbetrekking met de gemeente als bedoeld in
artikel 4;
h. werknemer: degene die een
dienstbetrekking heeft;
i. onderneming: de
onderneming, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Wet
op de ondernemingsraden;
j. de in de onderneming
werkzame personen: degenen die daaronder in artikel 1, tweede en
derde lid, van de Wet
op de ondernemingsraden worden verstaan.
-2. In afwijking van het
eerste lid, onderdeel e en f, wordt niet als langdurig werkloze of
jongere aangemerkt de persoon die onderwijs of een beroepsopleiding volgt
als bedoeld in hoofdstuk II van de Wet
op de studiefinanciering of in
hoofdstuk III van de Wet tegemoetkoming
studiekosten.
-3. Bij ministeriële
regeling worden regels gesteld voor de gelijkstelling van personen met langdurig
werklozen en voor de vaststelling van de periode van inschrijving als
werkloos werkzoekende.
HOOFDSTUK
2
De
voorzieningen
§ 1.
Algemene bepalingen
voor de voorzieningen
Art. 2.
Algemene
gemeentelijke zorgplicht
De gemeente draagt zorg voor
voorzieningen voor in de gemeente woonachtige langdurig werklozen, uitkeringsgerechtigden en
jongeren,
die sociale activering en
een zelfstandige bestaansvoorziening bevorderen en die kunnen leiden tot
inschakeling in het arbeidsproces.
Art. 3.
Sociale
activering, kinderopvang, scholing en andere stimuleringsactiviteiten
-1. De gemeente kan ter
uitvoering van artikel 2 aan of ten behoeve van de persoon, bedoeld in dat
artikel, een subsidie verstrekken dan wel dienstverlening inkopen
waardoor deze persoon:
a. in staat wordt gesteld
deel te nemen aan activiteiten die bijdragen tot sociale activering, inschakeling in de arbeid en scholing; of
b. gestimuleerd wordt in
aansluiting op een dienstbetrekking of in plaats van een recht op
uitkering een overeenkomst tot het verrichten van arbeid te sluiten of
werkzaamheden als zelfstandige te gaan verrichten.
-2. Het gemeentebestuur stelt
voor het verstrekken van subsidie aan de persoon, bedoeld in het
eerste lid, bij verordening regels vast.
-3. De gemeente kan ten
behoeve van personen als bedoeld in artikel 2, voor zover deze alleenstaande ouder zijn, kinderopvang realiseren.
-4. Onder kinderopvang wordt
verstaan: het in georganiseerd verband tegen vergoeding verzorgen
en opvoeden van kinderen in de leeftijd van 0 tot en met de leeftijd van
einde basisschool, door anderen dan de eigen ouder, pleeg- of stiefouder
op uren dat deze ouder zelf hiervoor niet beschikbaar is wegens het
deelnemen aan activiteiten en werkzaamheden als bedoeld in dit
hoofdstuk.
-5. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld voor de voorzieningen op grond van dit artikel met betrekking tot:
a. de relatie tot het recht
op een uitkering;
b. de verhouding tot andere
vergelijkbare voorzieningen;
c. de voorwaarden waaronder
deze worden verstrekt;
d. beperking van de
doelgroep.
-6. Een krachtens het vijfde
lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur treedt niet eerder
in werking dan acht weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad
waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan
aan de beide kamers der Staten-Generaal.
Art. 4.
De
dienstbetrekking
-1. De gemeente kan ter
uitvoering van artikel 2 aan langdurig werklozen en jongeren een dienstbetrekking aanbieden krachtens arbeidsovereenkomst
als bedoeld in artikel 610,
eerste lid, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek. Op deze
arbeidsovereenkomst zijn de bepalingen van titel 10 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing.
-2. De gemeente stelt de
werknemer voor het verrichten van arbeid ter beschikking aan een onderneming. De
terbeschikkingstelling wordt
vastgelegd in een
schriftelijke overeenkomst, waarin in ieder geval de aard en duur van de door de
werknemer te verrichten werkzaamheden, de plaats waar de werkzaamheden
worden verricht, een voorrangspositie bij werving en selectie ten
opzichte van niet in de onderneming werkzame personen en de begeleiding
van de werknemer worden geregeld.
-3. Ter uitvoering van
artikel 2 voorziet de gemeente mede in activiteiten die voorbereiden tot de
dienstbetrekking en bijdragen aan het vergroten van de gewenste
kwalificaties voor die dienstbetrekking.
-4. De werknemer kan in het
kader van de dienstbetrekking in plaats van arbeid te verrichten, deelnemen aan scholing die bijdraagt aan het
vergroten van de kans op
arbeid anders dan op grond van deze wet, voor zover in de dienstbetrekking
ten minste 19 uur per week arbeid wordt verricht.
-5. Bij ministeriële
regeling wordt in overeenstemming met Onze Minister van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschappen bepaald onder welke voorwaarden de werknemer bij
een werkgever de beroepspraktijkvorming van de beroepsbegeleidende
leerweg op grond van de Wet
educatie en beroepsonderwijs kan volgen
in combinatie met de dienstbetrekking.
-6. Indien het aan de
werknemer is te wijten dat de aangeboden werkzaamheden niet worden verricht, is de gemeente geheel of gedeeltelijk
geen loon verschuldigd.
-7. Onverminderd de
bepalingen van titel 10 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek wordt de dienstbetrekking opgezegd, indien de
werknemer:
a. een aanbod tot passende
arbeid in een arbeidsverhouding anders dan een dienstbetrekking
heeft geweigerd te aanvaarden;
b. onderwijs of een
beroepsopleiding gaat volgen als bedoeld in hoofdstuk II van de Wet
op de studiefinanciering of in hoofdstuk III van de Wet tegemoetkoming
studiekosten.
Art. 5.
Subsidie aan een
werkgever
-1. De gemeente kan ter
uitvoering van artikel 2 subsidie verstrekken aan werkgevers die met langdurig
werklozen of jongeren een arbeidsovereenkomst sluiten om hen in de
gelegenheid te stellen werkervaring op te doen.
-2. De gemeente schakelt de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie of derden in bij het bemiddelen naar arbeidsovereenkomsten als bedoeld in het eerste
lid.
-3. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld voor de
hoogte van het subsidiebedrag en de duur van en de voorwaarden voor de
subsidieverstrekking.
Art. 6.
Tegengaan
verdringing en concurrentieverstoring
-1. De gemeente stelt de
werknemer slechts ter beschikking om arbeid te verrichten, indien:
a. blijkens een
schriftelijke verklaring van de inlener het aantal werknemers dat een dienstbetrekking heeft als bedoeld in
artikel 4,
werkzaam in de onderneming
van de inlener niet meer bedraagt dan een bij algemene maatregel van
bestuur te bepalen percentage van het totaal aantal in die onderneming
werkzame personen, met dien verstande dat in de onderneming in ieder geval één werknemer is toegelaten;
b. bij de onderneming van de
inlener in de periode van zes maanden voorafgaand aan de datum van de aanvang van de terbeschikkingstelling
niet één of meer
overeenkomsten of aanstellingen tot het verrichten van vergelijkbare arbeid zijn
beëindigd op grond van bedrijfseconomische redenen, voor zover nodig na
verkregen toestemming van de Regionaal Directeur voor de
Arbeidsvoorziening, dan wel een aanvraag voor een ontslagvergunning om
bedrijfseconomische redenen in behandeling is;
c. in de onderneming van de
inlener de ondernemer met de ondernemingsraad, bedoeld in de Wet
op de ondernemingsraden, dan wel met een bij of krachtens andere
wetten geregelde of in de onderneming functionerende
personeelsvertegenwoordiging is overeengekomen dat werknemers als bedoeld in
deze wet worden ingeleend.
-2. De gemeente bedingt voor
de door de werknemer te verrichten arbeid een zodanige vergoeding dat de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden
beïnvloed.
-3. Voor tengevolge van de
arbeid van de werknemer of van de persoon, bedoeld in artikel
5, geleverde goederen en diensten worden vergoedingen bedongen die
de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord beïnvloeden.
-4. Het gemeentebestuur stelt
na overleg met vertegenwoordigers van representatieve organisaties van werkgevers en
van werknemers in de regio waarin de gemeente
gelegen is regels vast voor de beoordeling van klachten over
overtreding van het tweede en derde lid.
Art. 7.
Samenwerking met
de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en uitvoeringsinstanties
-1. De gemeente werkt samen
met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en de uitvoeringsinstanties
om de voorzieningen, bedoeld in deze wet, af te stemmen op de
reïntegratiemaatregelen en taken die op grond van wetten worden uitgevoerd
door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en de uitvoeringsinstanties.
-2. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden regels gesteld voor de uitvoering
van het eerste lid, die in ieder geval betrekking hebben op:
a. de samenwerking tussen de
gemeente en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie bij de uitvoering van de op
grond van deze wet aan de gemeente en de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie opgedragen taken;
b. de bepaling van de
mogelijkheden tot vermindering van de afstand tot de arbeidsmarkt door middel van de noodzakelijke dienstverlening van
de gemeente op grond van
deze wet en van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie op grond van
Arbeidsvoorzieningswet 1996 als voorbereiding op het besluit van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie op grond van artikel 12;
c. de procedures van
bezwaar, indien een belanghebbende beroep instelt tegen een besluit,
dat betrekking heeft op onderdeel b;
d. de wijze waarop
geschillen die rijzen in het kader van de samenwerking, bedoeld in onderdeel
a,
worden beslecht.
Art. 8.
Aanwijzing
rechtspersoon voor uitvoering
Het gemeentebestuur kan een
rechtspersoon aanwijzen ten behoeve van de uitvoering van deze
wet. Het gemeentebestuur regelt in het aanwijzingsbesluit de inhoud
van de rechtsbetrekking tussen de gemeente en de betrokken
rechtspersoon.
§ 2.
Voorzieningen voor
jongeren
Art. 9.
Sluitende
benadering leidend tot dienstbetrekking
-1. De gemeente en de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie stellen voor iedere
jongere van wie een aanvraag voor een door de gemeente te
verstrekken uitkering in
behandeling is genomen of die is ingeschreven als werkloos werkzoekende,
gezamenlijk een traject vast gericht op de inschakeling in het
arbeidsproces.
-2. De gemeente biedt ter
uitvoering van het eerste lid uiterlijk binnen één jaar na de datum van ingang van de uitkering of na de datum van
inschrijving als werkloos
werkzoekende een dienstbetrekking aan, tenzij andere voorzieningen gericht
op het vergroten van de mogelijkheden tot inschakeling in het
arbeidsproces meer aangewezen zijn en deze andere voorzieningen ten minste
19
uur per week in beslag nemen.
-3. De periode van één jaar,
bedoeld in het tweede lid, wordt vastgesteld overeenkomstig de periode van inschrijving als werkloos werkzoekende,
bedoeld in artikel 1.
-4. Het tweede lid is niet
van toepassing indien de jongere arbeid verricht, anders dan in een dienstbetrekking, met een arbeidsduur van ten
minste 19 uur per week.
Art. 10.
Jongere
geïndiceerd voor de sociale werkvoorziening
-1. Artikel 9 is niet van toepassing indien de jongere op grond van de Wet sociale werkvoorziening
is geïndiceerd voor het verrichten van arbeid onder aangepaste
omstandigheden.
-2. In dat geval biedt de gemeente
een dienstbetrekking aan waarbij arbeid wordt verricht onder aangepaste omstandigheden als bedoeld in
de Wet sociale
werkvoorziening. Artikel 6, eerste lid, is dan niet van toepassing.
Art. 11.
Bijzondere
bepaling voor opzegging dienstbetrekking met jongere
Onverminderd de bepalingen
van titel 10 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek en artikel
4, zevende lid, wordt de dienstbetrekking, bedoeld in
artikel 9, opgezegd, indien
de jongere:
a. de leeftijd van 23 jaar
bereikt;
b. weigert deel te nemen aan
de op grond van artikel 9 vastgestelde activiteiten.
§ 3.
Voorzieningen voor
langdurig werklozen
Art. 12.
Taak
Arbeidsvoorzieningsorganisatie bij selectie langdurig werklozen
-1. Slechts met een
verklaring van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
komen langdurig werklozen
die 23 jaar of ouder zijn in aanmerking voor de voorzieningen, bedoeld in
de artikelen 4 en 5.
-2. De verklaring, bedoeld in
het eerste lid, is een besluit inhoudende dat de afstand tot de arbeidsmarkt van een langdurig werkloze zodanig is
dat:
a. voor toeleiding naar de
arbeidsmarkt intensieve arbeidsinpassingstrajecten noodzakelijk zijn en dat de
voorzieningen op grond van deze wet daarvoor het meest in
aanmerking komen; of
b. deze gelet op de situatie
op de arbeidsmarkt en van betrokkene onoverbrugbaar is en dat
slechts de voorzieningen op grond van deze wet aangewezen zijn.
-3. De werknemer, bedoeld in
de Wet sociale werkvoorziening, die op grond van een herindicatiebeschikking als bedoeld in
die wet niet langer
tot de doelgroep voor die
wet behoort, kan zonder de verklaring van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie,
bedoeld in het eerste lid, in aanmerking komen voor de voorzieningen,
bedoeld in dat lid.
-4. Voor de uitvoering van de
taak van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, bedoeld in het eerste lid, zijn de regels op grond van
artikel 7,
tweede lid, van toepassing.
Art. 13.
Bijzondere
bepalingen voor dienstbetrekking met langdurig werklozen
-1. De dienstbetrekking met
de langdurig werkloze van 23 jaar of ouder wordt aangegaan voor de duur
van twee jaar.
-2. Na afloop van de
dienstbetrekking, bedoeld in het eerste lid, kan de gemeente
slechts een nieuwe
dienstbetrekking met de langdurig werkloze aangaan met een verklaring
van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie als bedoeld in
artikel 12,
eerste en tweede lid.
HOOFDSTUK
3
Subsidie
aan de gemeente
Art. 14.
Subsidieverstrekking en hoogte subsidie
-1. Het Rijk verstrekt aan de gemeente
overeenkomstig dit hoofdstuk een subsidie voor de uitvoering van hoofdstuk
2.
-2. De hoogte van de subsidie
wordt bepaald door:
a. het basisbedrag per
persoon die in aanmerking komt voor de voorzieningen, bedoeld in de artikelen 4 en
5;
b. een vast bedrag voor te
realiseren dienstbetrekkingen voor aanvullende financiering, rekening houdend met de afstand tot de arbeidsmarkt,
uitvoeringskosten,
loonontwikkelingen en loonkosten;
c. een vast bedrag voor de
voorzieningen, bedoeld in artikel 3, en de activiteiten ten behoeve van
de inschakeling in het arbeidsproces.
-3. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden regels gesteld voor de opbouw van
het subsidiebedrag, een subsidieplafond en de besteding van de subsidie, die op onderdelen beperkt kan worden tot bepaalde gemeenten of tot
een bepaald bedrag.
Art. 15.
Vereisten
subsidieverstrekking
-1. Voor de
subsidieverstrekking bedraagt de arbeidsduur van de dienstbetrekking 32 uur per
week, tenzij op grond van bij de werknemer gelegen factoren een langere
of kortere arbeidsduur dan 32 uur gerechtvaardigd is.
-2. Om de dienstbetrekking
voor subsidie in aanmerking te laten komen, wordt in de dienstbetrekking bij de toepassing van de
artikelen 9 en 13,
eerste lid, aan de
werknemer, met uitzondering van die bedoeld in artikel 12, tweede lid, niet meer
loon betaald dan het bedrag dat gezien de leeftijd van de werknemer en
de overeengekomen arbeidsduur, in de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, voor hem als minimumloon geldt, tenzij daarvan op
grond van bij ministeriële regeling te bepalen omstandigheden kan worden
afgeweken.
-3. Bij algemene maatregel
van bestuur worden regels gesteld voor het loon dat bij de toepassing
van artikel 13, tweede lid, aan de werknemer wordt betaald om de
dienstbetrekking voor subsidie in aanmerking te laten komen.
-4. Niet voor subsidie komt
in aanmerking de dienstbetrekking waarin in een aaneengesloten periode van drie maanden of langer geen arbeid
wordt verricht, omdat geen
werkzaamheden beschikbaar zijn gesteld, tenzij de gemeente
kan aantonen dat de werknemer door ziekte of arbeidsongeschiktheid in die
periode verhinderd was arbeid te verrichten, dat de gemeente tengevolge
daarvan loon was verschuldigd en in verband daarmee een
reïntegratieplan is opgesteld voor herintreding van de werknemer in het
arbeidsproces.
Art. 16.
Verlening
basisbedragen
-1. Onze Minister verleent de gemeente
per kalenderkwartaal de basisbedragen, bedoeld in
artikel 14, tweede lid, onderdeel a, aan de hand van een opgave van de
gemeente.
-2. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld voor de
verlening van basisbedragen, de wijze en het tijdstip van declareren,
alsmede voor de door het gemeentebestuur te verstrekken gegevens.
Art. 17.
Verlening vast
subsidiebedrag
-1. Onze Minister
verleent
vóór 1 oktober van ieder jaar de subsidie, bedoeld in artikel
14,
tweede lid, onderdeel b en c, waarop de gemeente
het daarop volgende jaar
recht heeft.
-2. Bij algemene maatregel
van bestuur worden regels gesteld voor de criteria op basis waarvan de totale subsidie over de gemeenten wordt
verdeeld en voor de wijze
waarop rekening wordt gehouden met de vastgestelde subsidie over
voorafgaande jaren.
-3. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld voor de
betaling van de subsidie.
-4. Een wijziging van de
krachtens het tweede lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur treedt
niet eerder in werking dan acht weken na de datum van uitgifte van het
Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld
mededeling gedaan aan de beide kamers der Staten-Generaal.
Art. 18.
Vaststelling
subsidie
-1. Na afloop van het jaar
stelt Onze Minister de subsidie vast, mede op basis van het aantal gerealiseerde dienstbetrekkingen en arbeidsovereenkomsten
als bedoeld in artikel 5.
-2. De vastgestelde subsidie
kan van de verleende subsidie afwijken:
a. voor zover de arbeidsduur
van de dienstbetrekkingen waarmee bij de subsidieverlening
rekening is gehouden niet gerechtvaardigd afwijkt van 32 uur per week;
b. indien het loon in de
dienstbetrekkingen niet voldoet aan de vereisten van artikel
15,
tweede en derde lid;
c. indien artikel 15, vierde
lid, van toepassing is;
d. indien het
gemeentebestuur niet heeft voldaan aan de bij of krachtens deze wet gestelde
verplichtingen;
e. indien de besteding van
de subsidie anderszins heeft plaatsgevonden in strijd met deze wet.
-3. Verlies van het
ingezetenschap in de gemeente heeft geen invloed op de toepassing van het eerste
lid, zolang de dienstbetrekking voortduurt.
-4. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld voor
de subsidievaststelling en de gevolgen daarvan voor de
subsidieverlening voor de komende jaren.
HOOFDSTUK
4
Uitvoering,
toezicht en informatie
Art. 19.
Administratie
ten behoeve van de uitvoering
-1. Het gemeentebestuur voert
ten behoeve van een getrouwe weergave van de uitvoering van deze wet en een effectief uitvoeringsproces een
zodanige administratie dat
een juiste, volledige en tijdige vastlegging is gewaarborgd van de besluiten
inzake de uitvoering van hoofdstuk 2 en van de hierop betrekking
hebbende bescheiden.
-2. De administratie van de gemeente
wordt zodanig ingericht en gevoerd dat alle van belang
zijnde vastleggingen en bewijsstukken ten behoeve van het
besluitvormings-, uitvoerings-, controle- en verantwoordingsproces
zichtbaar en controleerbaar zijn vastgelegd, de samenhang tussen de vastleggingen en bescheiden daaruit blijkt en de
specificatie per persoon,
voor zover nodig voor de vaststelling van de subsidie, kan worden
vastgesteld.
Art. 20.
Toezicht
-1. Onze Minister
is belast
met het toezicht op de uitvoering van deze wet door de gemeente.
-2. Onze Minister kan een
gemeentebestuur aanwijzingen geven met betrekking tot de uitvoering
van deze wet door dat gemeentebestuur. Hij treedt daarbij niet in
individuele gevallen.
-3. Het gemeentebestuur en de
krachtens artikel 8 aangewezen rechtspersoon verlenen Onze
Minister inzage in de administratie, voor zover Onze Minister dit
noodzakelijk acht voor de uitvoering van zijn taak.
Art. 21.
Informatieverplichtingen
-1. Het gemeentebestuur en de
krachtens artikel 8 aangewezen rechtspersoon verstrekken desgevraagd aan
Onze Minister kosteloos alle
inlichtingen die hij nodig
heeft voor de informatievoorziening, de beleidsvorming, de
uitoefening van het toezicht of het vaststellen van de subsidie, waaronder de
verklaring van de accountant, bedoeld in artikel 213, tweede lid, van de
Gemeentewet.
-2. Bij ministeriële
regeling kunnen regels worden gesteld voor de inhoud, de wijze van
verstrekken en het tijdstip van het verstrekken van de inlichtingen, voor de in het
eerste lid bedoelde verklaring en het onderzoek dat resulteert in
deze verklaring.
Art. 22.
Gegevensverwerking
-1. Andere gemeentebesturen,
de krachtens artikel 8 aangewezen rechtspersonen, de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
en de uitvoeringsinstanties
zijn bevoegd uit eigen
beweging en verplicht op verzoek, kosteloos, aan het
gemeentebestuur en de krachtens artikel 8 aangewezen rechtspersoon alle gegevens
en inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering
van
deze wet.
-2. Het gemeentebestuur en de
krachtens artikel 8 aangewezen rechtspersoon zijn bevoegd
uit eigen beweging en verplicht op verzoek uit de administratie aangelegd
voor de uitvoering van deze wet aan bestuursorganen kosteloos de
gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de bij of krachtens wet aan deze bestuursorganen opgedragen
taken.
-3. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen voor de toepassing van het eerste en tweede lid nadere regels worden gesteld.
-4. Een ieder verstrekt
desgevraagd aan het gemeentebestuur en de krachtens artikel 8
aangewezen rechtspersoon kosteloos alle gegevens en inlichtingen die
noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet ten opzichte van hemzelf, hem in
wiens dienst dan wel ten behoeve van wie hij werkt of gewerkt heeft
of hem die in zijn dienst dan wel te zijnen behoeve werkt of gewerkt
heeft.
-5. Het gemeentebestuur en de
krachtens artikel 8 aangewezen rechtspersoon kunnen het sociaal-fiscaal nummer, bedoeld in artikel
47b,
derde lid, van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen, opnemen in een persoonsregistratie
aangelegd voor de uitvoering van deze wet en daarvan gebruik maken
indien dat nodig is voor de uitvoering van deze wet of voor de uitvoering
van andere wetten waarbij gebruik wordt gemaakt van dat
sociaal-fiscaal nummer.
HOOFDSTUK
5
Overgangsbepalingen
Art. 23.
Overgang uit
Jeugdwerkgarantiewet
-1. De dienstbetrekking met
de jongere die op de dag voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van deze
wet bestaat krachtens hoofdstuk
V van de Jeugdwerkgarantiewet, zoals die luidde tot die datum, en die na die datum
voortbestaat, wordt met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze
wet aangemerkt als de dienstbetrekking, bedoeld in artikel 9 van
deze wet, met een wekelijkse arbeidsduur gelijk aan die welke krachtens die
Jeugdwerkgarantiewet was overeengekomen, met dien verstande dat:
a. in afwijking van artikel 11 de dienstbetrekking van de
jongere die op de datum van inwerkingtreding van deze wet 21 jaar of ouder is, eindigt
twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wet;
b. deze dienstbetrekking
niet in aanmerking wordt genomen bij de toepassing van artikel
6,
eerste lid, onderdeel a.
-2. Indien de jongere in het
kader van de dienstbetrekking op grond van de Jeugdwerkgarantiewet, zoals die luidde tot de datum van inwerkingtreding
van deze wet, scholing
volgt, worden, in afwijking van artikel 4, vierde lid, alle
scholingsuren voor de duur van de scholing beschouwd als arbeidsuren.
-3. De
voorbereidingsovereenkomsten met de jongere die op de dag voorafgaande aan de datum
van inwerkingtreding van deze wet bestaan krachtens hoofdstuk Va van
de Jeugdwerkgarantiewet, zoals die luidde tot die datum, eindigen met
ingang van de datum van inwerkingtreding van deze wet, met dien verstande
dat de jongere die op de datum van inwerkingtreding van deze
wet jonger is dan 18 jaar, tot aan de dag dat hij de leeftijd van 18 jaar
bereikt een vergoeding ontvangt als bedoeld in artikel 16d van de
Jeugdwerkgarantiewet, zoals dat artikel luidde tot de datum van inwerkingtreding
van deze wet.
-4. Voor de jongere van 21
jaar of ouder die op de datum van inwerkingtreding van deze wet als werkloos
werkzoekende staat ingeschreven bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
en die geen dienstbetrekking heeft krachtens hoofdstuk V van de
Jeugdwerkgarantiewet, zoals die luidde tot die datum, dan wel met wie
geen voorbereidingsovereenkomst is aangegaan krachtens
hoofdstuk Va van die Jeugdwerkgarantiewet, is artikel 9 niet van
toepassing.
Art. 24.
Overgang uit
banenpool
-1. De arbeidsovereenkomst
met de banenpool, bedoeld in de Rijksbijdrageregeling banenpools, zoals deze
regeling luidde tot de datum van inwerkingtreding van deze
wet, die op de dag voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van
deze wet bestaat en na die datum voortbestaat, wordt met ingang van de
datum van inwerkingtreding van deze wet aangemerkt als
dienstbetrekking op grond van deze wet met een wekelijkse arbeidsduur die
gelijk is aan die met de banenpool was overeengekomen, met dien
verstande dat:
a. artikel 13 niet van
toepassing is;
b. gedurende de eerste twee
jaar van de dienstbetrekking, gerekend vanaf de datum van aanvang van de arbeidsovereenkomst met de
banenpool, artikel 15, tweede
lid, van toepassing is en bij een dienstbetrekking met een duur van meer dan
twee jaar, gerekend vanaf de datum van aanvang van de
arbeidsovereenkomst met de banenpool, artikel 15, derde lid, van toepassing
is;
c. deze dienstbetrekking
niet in aanmerking wordt genomen bij de toepassing van artikel
6,
eerste lid, onderdeel a.
-2. Indien de werknemer in
het kader van de arbeidsovereenkomst met de banenpool, bedoeld in het eerste lid, scholing volgt, worden alle
scholingsuren, in afwijking
van artikel 4, vierde lid, voor de duur van de scholing beschouwd als
arbeidsuren.
-3. Indien overeenkomstig het
eerste lid artikel 15, tweede lid, van toepassing is, wordt het
voor de werknemer geldende minimumloon verhoogd met een
bedrag dat
onder aftrek van de op het loon in te houden loonbelasting en
premies ingevolge de socialeverzekeringswetten leidt tot een
nettoloon
dat
gelijk is aan het nettoloon dat aan de werknemer in de
arbeidsovereenkomst met de banenpool werd betaald. Deze toeslag wordt
uitsluitend voor de toepassing van artikel 31, tweede lid, onderdeel c, van de
Wet op de
loonbelasting 1964 aangemerkt als uitkering van
publiekrechtelijke aard en blijft buiten beschouwing bij op het inkomen van de werknemer
afgestemde publiekrechtelijke uitkeringen of verstrekkingen.
-4. De tweede volzin van het
derde lid is van overeenkomstige toepassing indien in
aansluiting op een arbeidsovereenkomst met de banenpool of een
dienstbetrekking als bedoeld in het eerste lid een arbeidsovereenkomst wordt
aangegaan of een ambtelijke aanstelling wordt verkregen waarvoor op grond van een algemeen verbindend
voorschrift is bepaald dat
het aanvangsloon het voor de werknemer geldende minimumloon is en
dit loon op overeenkomstige wijze als in de eerste volzin van het derde
lid wordt verhoogd.
Art. 25.
Toepassing recht
van vóór datum van inwerkingtreding
Het recht zoals dat
voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van deze wet gold, blijft
van toepassing:
a. voor de vergoedingen van
het Rijk aan de gemeenten over tijdvakken voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van deze wet op grond
van de Jeugdwerkgarantiewet,
zoals die luidde tot de datum van inwerkingtreding van deze
wet, de Rijksbijdrageregeling banenpools en andere regelingen
betreffende subsidies aan gemeenten, zoals deze regelingen luidden tot de
datum van inwerkingtreding van deze wet en die zijn ingetrokken in verband
met de inwerkingtreding van deze wet;
b. ten aanzien van de
mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen tegen een
besluit dat is genomen op grond van de bij onderdeel a genoemde wet of
regelingen;
c. voor de behandeling van
het bezwaar en beroep dat vóór de datum van de inwerkingtreding van deze wet is gemaakt respectievelijk ingesteld
tegen een besluit dat is
genomen op grond van de bij onderdeel a genoemde wet of regelingen.
HOOFDSTUK
6
Wijziging
in andere wetten
Art. 26.
Wijziging
Algemene bijstandswet [MvT]
De Algemene bijstandswet wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 14, vierde lid,
vervalt, onder vernummering van het vijfde lid tot vierde lid.
B. [MvT]
De tweede volzin van artikel 36, tweede lid, vervalt.
C. [MvT]
Artikel 111, derde lid,
vervalt, onder vernummering van het vierde lid tot derde lid.
D. [MvT]
In artikel 113, eerste lid,
worden de onderdelen e, f, en g vervangen door twee onderdelen,
luidende:
e. mee te werken aan een
onderzoek naar de geschiktheid voor scholing of opleiding en aan
een scholing of opleiding die noodzakelijk wordt geacht;
f. beschikbaar te zijn voor
de voorzieningen van de Wet inschakeling werkzoekenden, mee te werken aan het verkrijgen van die voorzieningen,
daarvan gebruik te maken en
daartoe op een aangegeven tijd en plaats te verschijnen.
E. [MvT]
Indien het bij koninklijke
boodschap van 13 juni 1996 ingediende voorstel van wet houdende wijziging van de
Algemene bijstandswet in
verband met de preventie en
bestrijding van armoede en sociale uitsluiting (Kamerstukken 24
772) tot wet is verheven en in werking is getreden, vervalt artikel 115a.
Art. 27.
Wijziging Ioaw [MvT]
De Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 20, derde lid,
vervalt, onder vernummering van het vierde tot en met zevende lid tot derde
tot en met zesde lid.
B. [MvT]
In artikel 35, eerste lid,
worden de onderdelen e, f, en g vervangen door twee onderdelen, luidende:
e. mee te werken aan een
onderzoek naar de geschiktheid voor scholing of opleiding en aan
een scholing of opleiding die noodzakelijk wordt geacht;
f. beschikbaar te zijn voor
de voorzieningen van de Wet inschakeling
werkzoekenden, mee te werken aan het verkrijgen van die voorzieningen,
daarvan gebruik te maken en
daartoe op een aangegeven tijd en plaats te verschijnen.
Art. 28.
Wijziging Ioaz [MvT]
De Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen wordt
als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 20, vierde lid,
vervalt, onder vernummering van het vijfde tot en met zevende lid tot vierde
tot en met zesde lid.
B. [MvT]
In artikel 35, eerste lid,
worden de onderdelen e, f, en g vervangen door twee onderdelen, luidende:
e. mee te werken aan een
onderzoek naar de geschiktheid voor scholing of opleiding en aan
een scholing of opleiding die noodzakelijk wordt geacht;
f. beschikbaar te zijn voor
de voorzieningen van de Wet inschakeling
werkzoekenden, mee te werken aan het verkrijgen van die voorzieningen,
daarvan gebruik te maken en
daartoe op een aangegeven tijd en plaats te verschijnen.
Art. 29.
Wijziging
Werkloosheidswet [MvT]
De Werkloosheidswet wordt
als volgt gewijzigd.
A. [MvT]
Artikel 19a vervalt.
B. [MvT]
Artikel 26, eerste lid,
onderdeel f, wordt vervangen door:
f. mee te werken aan een
scholing of opleiding die noodzakelijk wordt geacht voor zijn
inschakeling in de arbeid dan wel aan andere aangewezen activiteiten die daarvoor
bevorderlijk zijn, beschikbaar te zijn voor de voorzieningen van de Wet inschakeling
werkzoekenden en mee te werken aan het verkrijgen
van die voorzieningen.
C. [MvT]
Artikel 73 komt te luiden:
Art. 73.
-1. Het Landelijk instituut
sociale verzekeringen heeft mede tot taak de werknemers die recht op uitkering hebben op grond van hoofdstuk IIa en
IIb in aanmerking te laten
komen voor de voorzieningen op grond van de Wet inschakeling
werkzoekenden.
-2. Het Landelijk instituut
sociale verzekeringen en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
stellen voor iedere werknemer jonger dan 23 jaar die recht op
uitkering heeft op grond van hoofdstuk IIa
en
IIb gezamenlijk een traject vast
gericht op de inschakeling in het arbeidsproces.
D. [MvT]
Na artikel 93a wordt een
artikel ingevoegd, luidende:
Art. 93b.
-1. Het Landelijk instituut
sociale verzekeringen stelt jaarlijks, ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds, een budget vast voor vergoedingen
aan de gemeenten voor de
voorzieningen op grond van de Wet inschakeling
werkzoekenden
waarvoor die gemeenten werknemers woonachtig in die gemeenten
die recht op uitkering hebben op grond van hoofdstuk
IIa en IIb in aanmerking hebben laten komen.
-2. Het Landelijk instituut
sociale verzekeringen vermeldt in het plan van werkzaamheden, bedoeld in
artikel 38, vierde lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997,
de inhoud van de overeenkomsten die dit instituut en de
uitvoeringsinstellingen ter uitvoering van artikel
73, eerste lid, met gemeentebesturen
hebben gesloten over het aanbod van voorzieningen op grond van
de Wet inschakeling werkzoekenden.
Art. 30.
Wijziging
Algemene Kinderbijslagwet [MvT]
Artikel 7 van de Algemene
Kinderbijslagwet wordt als volgt gewijzigd:
1. Het zesde lid vervalt,
onder vernummering van het zevende lid tot zesde lid.
2. Het achtste lid wordt
vernummerd tot zevende lid en komt te luiden:
-7. Het kind, bedoeld in
onderdeel c, wordt niet als werkloos aangemerkt indien het een vergoeding
ontvangt op grond van artikel 23, derde lid, van de Wet inschakeling
werkzoekenden.
3. Onder vernummering van
het negende en tiende lid tot achtste en negende lid komt het
negende lid te luiden:
-9. Een in het tweede lid,
onderdeel c, bedoeld kind wordt voor het recht op kinderbijslag meegerekend
zolang het werkloos is.
4. Het elfde en het twaalfde
lid worden vernummerd tot tiende en elfde lid.
Art. 31.
Wijziging
Beroepswet [MvT]
In de bijlage bij de Beroepswet, onderdeel
C, komt onderdeel 27 te luiden:
27. Wet inschakeling
werkzoekenden.
Art. 32.
Wijziging Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag [MvT]
Aan artikel 2, derde lid,
van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag wordt, onder vervanging van
de punt door een komma, de zinsnede toegevoegd: met uitzondering
van de dienstbetrekking, bedoeld in de Wet inschakeling werkzoekenden.
Art. 33.
Wijziging Wet op
de loonvorming [MvT]
Aan artikel 2, derde lid,
van de Wet op de
loonvorming wordt, onder vervanging van de punt door
een komma, de zinsnede toegevoegd: en de Wet inschakeling
werkzoekenden.
Art. 34.
Wijziging
Ambtenarenwet [MvT]
Aan artikel 134, derde lid,
van de Ambtenarenwet wordt, onder vervanging van de punt door
een komma, de zinsnede toegevoegd: en de Wet inschakeling
werkzoekenden.
Art. 35.
Wijziging Wet
vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de
volksverzekeringen [MvT]
Artikel 35 van de Wet
vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen
wordt als volgt gewijzigd:
1. Het tweede en derde lid
worden vervangen door een nieuw lid, luidende:
-2. De vermindering langdurig
werklozen is voor de werknemer die op de datum van inwerkingtreding van de Wet inschakeling werkzoekenden
een dienstbetrekking als
bedoeld in artikel 4 van die wet heeft, gedurende ten hoogste 48 maanden
gerekend vanaf de datum van inwerkingtreding van die wet van toepassing.
2. Het vierde lid wordt
vernummerd tot derde lid.
Art. 36.
Wijziging van de
Arbeidsvoorzieningswet 1996 [MvT]
In artikel 7 van de
Arbeidsvoorzieningswet 1996 vervallen de zinsneden: "of vijfde", en telkens
"of vierde".
HOOFDSTUK
7
Slotbepalingen
Art. 37.
Evaluatie
Onze Minister zendt na drie
jaar na inwerkingtreding van deze wet en vervolgens telkens na vier
jaar aan de Staten-Generaal een verslag van de doeltreffendheid en
doelmatigheid van deze wet.
Art. 38.
Intrekking Jeugdwerkgarantiewet, banenpoolregeling en aanverwante regelingen
De Jeugdwerkgarantiewet, de
Rijksbijdrageregeling banenpools en de Tijdelijke subsidieregeling bevordering uitstroom banenpools en
Jeugdwerkgarantiewet worden
ingetrokken.
Art. 39.
Tijdstip
inwerkingtreding
De artikelen van deze wet
treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat
voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan
worden vastgesteld.¹
1. Bij Besluit
van 24 december 1997, Stb. 1997, 805, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 januari 1998, red.
Art. 40.
Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald
als: Wet inschakeling werkzoekenden.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst
en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
4 december 1997
BEATRIX
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
Uitgegeven de negenentwintigste
december 1997
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|
|