|
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 1996-1997, 1997-1998,
25 282.
Handelingen II 1997-1998, blz. 1664-1665.
Kamerstukken I 1997-1998, 25 282 (114, 114a, 114b en 114c).
Handelingen I 1997-1998, zie vergaderingen d.d. 22 en 23 december 1997.
MEMORIE
VAN TOELICHTING
WET
van 24 december 1997, Stb. 1997, 768, houdende het onder de
werkingssfeer van de wettelijke werknemersverzekeringen brengen van het
overheidspersoneel (Wet overheidspersoneel onder de
werknemersverzekeringen). Inwerkingtreding OOW en fase 1: 1 januari
1998 (Stb. 1997, 769), zie artikel
94. Inwerkingtreding fase 2: 1 januari 2001 (Stb.
1999, 354); fase 3 is afgesteld (Stb.
2000, 255 en Stb. 2002, 343).
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen,
saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het overheidspersoneel onder de werkingssfeer van de
wettelijke werknemersverzekeringen te brengen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK
1
Overgang
naar de werknemersverzekeringen
§ 1.
Begripsomschrijvingen
Art. 1.
In dit hoofdstuk en de
daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. AMAR: het Algemeen
militair ambtenarenreglement, zoals dat luidde op de dag voorafgaande
aan de datum waarop deze wet van toepassing wordt;
b. Amp-wet: de Algemene
militaire pensioenwet;
c. ARAR: het Algemeen
Rijksambtenarenreglement, zoals dat luidde op de dag voorafgaande aan
de datum waarop deze wet van toepassing wordt;
d. beroepsmilitair: de
beroepsmilitair in de zin van de Amp-wet;
e. bezoldiging of
uitkering in geval van ziekte: bezoldiging in geval van ziekte tijdens het
dienstverband als bedoeld in artikel 39 van het ARAR
of een overeenkomstige
bepaling van een soortgelijke regeling, alsmede bezoldiging of uitkering
wegens ziekte na beëindiging van het dienstverband als bedoeld in artikel 42
van het ARAR
of een overeenkomstige bepaling van een
soortgelijke regeling, anders dan een WAO-conforme uitkering;
f. deeltijdfactor: de
breuk waarvan de noemer wordt gevormd door het bedrag van het salaris
dat in het toepasselijke systeem zou gelden bij volledige werktijd, zo
nodig vastgesteld op grond van functiewaardering, en de teller door het
bedrag van het feitelijk genoten salaris;
g. dienstverband: het
dienstverband van de overheidswerknemer die door een
overheidswerkgever is aangesteld of in dienst is genomen op arbeidsovereenkomst naar
burgerlijk recht;
h. FAOP: het Fonds
arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel, bedoeld in artikel 21 van
de Wet
FVP/ABP;
i. Landelijk instituut
sociale verzekeringen: het Landelijk instituut sociale
verzekeringen, genoemd in
hoofdstuk 4 van de Osv 1997;
j. Osv 1997: de
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997;
k. overheidswerkgever:
1º. het orgaan van een
publiekrechtelijk lichaam dan wel het privaatrechtelijk lichaam dat de overheidswerknemer rechtstreeks ten laste van
dat lichaam bezoldigt of
beloont; en
2º. Onze Minister van
Defensie in relatie tot de in artikel 2, tweede lid, onderdeel f, van de
WPA uitgezonderde personen;
l. overheidswerknemer:
1º. de
overheidswerknemer in de zin van artikel 2 van de WPA, jonger dan 65 jaar; en
2º. de beroepsmilitair;
en
3º. degene die door de
Koning in dienst is genomen om bij de Koninklijke Hofhouding
werkzaam te zijn en die uit dien hoofde onder de Pensioenregeling van de
Stichting tot verzorging van de pensioenen van het personeel van de
Koninklijke Hofhouding van het Huis van Oranje-Nassau valt, jonger dan
65 jaar;
m. pensioen ter zake van
arbeidsongeschiktheid: een pensioen ter zake van arbeidsongeschiktheid
als bedoeld in artikel E 6, eerste lid, van de Amp-wet, in voorkomend
geval verhoogd met een invaliditeitsverhoging als bedoeld in artikel E
7, eerste lid, van die wet;
n. pensioengrondslag: de
op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 1 van
deze wet geldende pensioengrondslag waarnaar het pensioen ter zake van
arbeidsongeschiktheid dan wel de invaliditeitsverhoging is berekend;
o. Wet TBA: de Wet
terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen;
p. uitkering
overeenkomstig de normen van de WAO: een uitkering overeenkomstig de normen
van de WAO als bedoeld in artikel 121 van het AMAR;
q. uitkering ter zake van
arbeidsongeschiktheid: een WAO-conforme uitkering, een pensioen
ter zake van arbeidsongeschiktheid, een uitkering overeenkomstig de normen
van de WAO of een uitkering op grond van de WAO;
r. wachtgeld: een
wachtgeld in de zin van het Rijkswachtgeldbesluit
1959, zoals dat luidde op
de dag voorafgaande aan de datum waarop de WW ingevolge deze wet op
de betreffende overheidswerknemer of gewezen
overheidswerknemer van toepassing wordt, of een soortgelijke uitkering van een
overheidswerknemer op grond van ontslag of werkloosheid alsmede een
wachtgeld of daarmee gelijkgestelde uitkering in de zin van de Amp-wet,
met uitzondering van een uitkering in verband met functioneel leeftijdsontslag of vrijwillig vervroegd uittreden;
s. WAO: de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
t. WAO-conforme
uitkering: de met overeenkomstige toepassing van de WAO toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in artikel 32,
eerste lid, van de WPA;
u. Wet FVP/ABP: de Wet
financiële voorzieningen privatisering ABP;
v. WPA: de Wet
privatisering ABP, zoals die wet luidde op de dag voorafgaande aan het
tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet;
w. WW: de Werkloosheidswet;
x. ZW: de Ziektewet.
§ 2.
Ziekte
Afdeling 1.
Overheidswerknemers uitgezonderd beroepsmilitairen
Art. 2.
Deze afdeling is van
toepassing op overheidswerknemers en de in deze afdeling bedoelde gewezen
overheidswerknemers, uitgezonderd beroepsmilitairen en
gewezen beroepsmilitairen.
Art. 3.
-1. Voor de vaststelling
van het recht op ziekengeld op grond van de ZW, alsmede voor de toelating
tot de vrijwillige verzekering op grond van de ZW, worden de volgende
personen, vanaf de dag van aanvang van hun dienstverband tot de
datum waarop de ZW ingevolge deze wet op hen van toepassing wordt,
aangemerkt als verplicht verzekerd op grond van de ZW:
a. de
overheidswerknemers, voor zover niet bedoeld in onderdeel b of c;
b. de overheidswerknemers
en gewezen overheidswerknemers die op de dag voorafgaande aan
de vorenbedoelde datum uit hoofde van hun dienstverband als
overheidswerknemer onderscheidenlijk voormalige dienstverband als gewezen
overheidswerknemer recht hebben op:
1º. bezoldiging of
uitkering in geval van ziekte waarvan de uitkeringsduur niet
verstrijkt op die datum;
2º. een uitkering ter
zake van arbeidsongeschiktheid die zou hebben doorgelopen op of opnieuw
zou zijn ingegaan met ingang van die datum indien deze wet niet in
werking zou zijn getreden; of
3º. een wachtgeld
waarvan de uitkeringsduur niet verstrijkt op die datum;
c. de overheidswerknemers
wier dienstverband eindigt met ingang van de vorenbedoelde datum en
die op grond daarvan met ingang van die datum een recht
verkrijgen op een wachtgeld dan wel een uitkering op grond van de WW.
-2. Aan het eerste lid
kunnen geen rechten worden ontleend over tijdvakken die gelegen
zijn vóór de datum waarop de ZW ingevolge deze wet van toepassing wordt.
Art. 4.
-1. Recht op ziekengeld op
grond van de ZW heeft:
a. met ingang van de
datum waarop de ZW ingevolge deze wet van toepassing wordt op de
betrokken overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer, voor zover de betrokkene op die datum nog niet onafgebroken 52 weken
ongeschikt is tot werken wegens ziekte:
1º. de
overheidswerknemer die op de dag voorafgaande aan die datum uit hoofde van zijn
dienstverband als overheidswerknemer recht heeft op bezoldiging of uitkering
in geval van ziekte waarvan de uitkeringsduur niet op die datum verstrijkt,
op grond van:
(1). in verband met of
in aansluiting op zwangerschaps- of bevallingsverlof; of
(2). ongeschiktheid tot
werken wegens ziekte in verband met een orgaandonatie;
2º. de
overheidswerknemer of de gewezen overheidswerknemer die op de dag voorafgaande aan
die datum uit hoofde van zijn dienstverband als overheidswerknemer
onderscheidenlijk voormalige dienstverband als gewezen
overheidswerknemer recht heeft op:
(1). een wachtgeld
waarvan de uitkeringsduur niet op die datum verstrijkt en die op die
datum ongeschikt is tot werken wegens ziekte; of
(2). bezoldiging of
uitkering in geval van ziekte waarvan de uitkeringsduur niet op
die datum verstrijkt en die in een situatie verkeert overeenkomstig artikel
29b, eerste lid, van de ZW;
3º. de gewezen
overheidswerknemer die op de dag voorafgaande aan die datum uit hoofde van
zijn voormalige dienstverband als gewezen overheidswerknemer recht
heeft op bezoldiging of uitkering in geval van ziekte waarvan de
uitkeringsduur niet op die datum verstrijkt;
b. met ingang van het
tijdstip waarop het dienstverband van de betrokkene wordt
beëindigd, voor zover de betrokkene op dat tijdstip nog niet onafgebroken 52
weken ongeschikt is tot werken wegens ziekte: de gewezen
overheidswerknemer wiens dienstverband wordt beëindigd op een op of na de datum
waarop de ZW ingevolge deze wet op hem van toepassing wordt gelegen
tijdstip en die op de dag voorafgaande aan die datum uit hoofde van zijn
voormalige dienstverband als gewezen overheidswerknemer recht
heeft op bezoldiging of uitkering in geval van ziekte waarvan de
uitkeringsduur niet op die datum verstrijkt;
c. met ingang van de
datum waarop de ZW ingevolge deze wet op hem van toepassing wordt: de overheidswerknemer of de gewezen overheidswerknemer
die op de dag
voorafgaande aan die datum geen wachtgeld geniet en evenmin
bezoldiging of uitkering in geval van ziekte ontvangt, maar die op die datum uit
hoofde van zijn dienstverband recht zou verkrijgen op een
uitkering op grond van de WW en die niet op de dag voorafgaande aan die
datum maar die wel op die datum ongeschikt is tot werken wegens ziekte;
d. met ingang van de
eerste dag van de ongeschiktheid tot werken wegens ziekte doch niet
eerder dan vanaf de datum waarop de ZW ingevolge deze wet van
toepassing wordt op de betrokken overheidswerknemer of gewezen
overheidswerknemer, voor zover de betrokkene op die datum nog niet
onafgebroken 52 weken ongeschikt is tot werken wegens ziekte, te rekenen
vanaf de eerste dag van die ongeschiktheid en die ongeschiktheid is
ontstaan binnen vier weken na het tijdstip van beëindiging van:
1º. zijn dienstverband:
de gewezen overheidswerknemer wiens dienstverband is
geëindigd in de maand voorafgaande aan de datum waarop de ZW ingevolge
deze wet op hem van toepassing wordt en die op grond van die
beëindiging geen recht op wachtgeld en evenmin op bezoldiging of uitkering
in geval van ziekte heeft; of
2º. zijn recht op
wachtgeld: de overheidswerknemer of de gewezen overheidswerknemer wiens
recht op wachtgeld wegens het verstrijken van de ter zake geldende
uitkeringsduur is geëindigd in de maand voorafgaande aan de datum
waarop de ZW ingevolge deze wet op hem van toepassing wordt.
-2. Een op grond van het
eerste lid toegekend recht op ziekengeld op grond van de ZW wordt
toegekend voor de duur van 52 weken van ongeschiktheid tot
werken, verminderd met de periode beginnende met de eerste dag van de
ongeschiktheid tot werken wegens ziekte tot en met de dag voorafgaande aan
de datum waarop de ZW ingevolge deze wet van toepassing wordt op
de betrokken overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer. Voor
zover er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 29a, vijfde
lid, van de ZW, geldt in afwijking van de eerste volzin de termijn van
zestien weken,
bedoeld in dat vijfde lid.
-3. Voor het bepalen van
de in het eerste en het tweede lid bedoelde periode van 52
onderscheidenlijk zestien weken worden perioden van arbeidsongeschiktheid
samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken
opvolgen.
-4. Voor het bepalen van
de in het eerste en het tweede lid bedoelde periode van 52
onderscheidenlijk zestien weken worden steeds perioden in aanmerking
genomen
gedurende welke aanspraak bestaat op bezoldiging of uitkering in geval van
ziekte.
Art. 5.
-1. Voor de vaststelling
van de hoogte van het ziekengeld op grond van de ZW, bedoeld in
artikel 4, eerste lid, geldt als dagloon in de zin van
die wet de door het getal 261
gedeelde, naar een jaarbedrag herleide bezoldiging
overeenkomstig het Bezoldigingsbesluit
Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, al dan niet onder
toepassing van artikel 47, eerste lid, van het ARAR
of daarmee
vergelijkbare regelingen, zoals dit besluit luidde respectievelijk deze
regelingen luidden op de dag voorafgaande aan de datum waarop de ZW ingevolge deze wet van toepassing wordt op de
betrokken
overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer, waarnaar de bezoldiging
of uitkering in geval van ziekte van de in artikel 4, eerste lid, bedoelde
overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer wordt berekend op die
dag, vermeerderd met de vakantie-uitkering voor zover betrokkene
geen recht heeft op onverminderde doorbetaling van bedoelde vakantie-uitkering.
-2. Voor de vaststelling
van de hoogte van het ziekengeld op grond van de ZW voor de
overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer die op grond van artikel
31,
eerste of tweede lid, recht heeft verkregen op een uitkering op grond van de
WW, geldt als dagloon in de zin van de ZW het met toepassing van
artikel 33 vastgestelde dagloon.
-3. Indien het recht op
bezoldiging of uitkering in geval van ziekte is toegekend uit een
deeltijdbetrekking, geldt in afwijking van het eerste en tweede lid als dagloon
het bedrag dat overeenkomstig deze leden wordt verkregen en vervolgens
is vermenigvuldigd met de deeltijdfactor.
-4. Artikel 9, eerste lid,
van de Coördinatiewet Sociale Verzekering is van toepassing op het eerste
en het derde lid.
Afdeling 2.
Beroepsmilitairen
Art. 6.
Deze afdeling is van
toepassing op de beroepsmilitairen en de in deze afdeling bedoelde gewezen
beroepsmilitairen.
Art. 7.
-1. Voor de vaststelling
van het recht op ziekengeld op grond van de ZW, alsmede voor de toelating
tot de vrijwillige verzekering op grond van de ZW, worden de volgende
personen, vanaf de dag van aanvang van hun dienstverband tot de
datum waarop de ZW ingevolge deze wet op hen van toepassing wordt,
aangemerkt als verplicht verzekerd op grond van de ZW:
a. de beroepsmilitairen,
voor zover niet bedoeld in onderdeel b of c;
b. de beroepsmilitairen
en gewezen beroepsmilitairen die op de dag voorafgaande aan de
vorenbedoelde datum uit hoofde van hun dienstverband als beroepsmilitair
onderscheidenlijk voormalige dienstverband als gewezen
beroepsmilitair recht hebben op:
1º. bezoldiging of
uitkering in geval van ziekte waarvan de uitkeringsduur niet
verstrijkt op die datum;
2º. een uitkering ter
zake van arbeidsongeschiktheid die zou hebben doorgelopen op of opnieuw
zou zijn ingegaan met ingang van die datum indien deze wet niet in
werking zou zijn getreden; of
3º. een wachtgeld
waarvan de uitkeringsduur niet verstrijkt op die datum;
c. de beroepsmilitairen
wier dienstverband eindigt met ingang van de vorenbedoelde datum en
die op grond daarvan met ingang van die datum een recht verkrijgen op
een wachtgeld dan wel een uitkering op grond van de WW.
-2. Aan het eerste lid
kunnen geen rechten worden ontleend over tijdvakken die gelegen
zijn vóór de datum waarop de ZW ingevolge deze wet van toepassing wordt.
Art. 8.
-1. Recht op ziekengeld op
grond van de ZW heeft:
a. met ingang van de
datum waarop de ZW ingevolge deze wet op de betrokken beroepsmilitair
of gewezen beroepsmilitair van toepassing wordt, voor zover de
betrokkene op die datum nog niet onafgebroken 52 weken ongeschikt is tot
werken wegens ziekte:
1º. de beroepsmilitair
die op de dag voorafgaande aan die datum uit hoofde van zijn
dienstverband als beroepsmilitair recht heeft op bezoldiging of uitkering
in geval van ziekte waarvan de uitkeringsduur niet op die datum verstrijkt, op
grond van:
(1). in verband met of
in aansluiting op zwangerschaps- of bevallingsverlof; of
(2). ongeschiktheid tot
werken wegens ziekte in verband met een orgaandonatie;
2º. de beroepsmilitair
of de gewezen beroepsmilitair die op de dag voorafgaande aan die
datum uit hoofde van zijn dienstverband als beroepsmilitair
onderscheidenlijk voormalige dienstverband als gewezen beroepsmilitair recht
heeft op:
(1). een wachtgeld
waarvan de uitkeringsduur niet op die datum verstrijkt en die op die
datum ongeschikt is tot werken wegens ziekte; of
(2). bezoldiging of
uitkering in geval van ziekte waarvan de uitkeringsduur niet op
die datum verstrijkt en die in een situatie verkeert als bedoeld in artikel
29b, eerste lid, van de ZW;
3º. de gewezen
beroepsmilitair die op de dag voorafgaande aan die datum uit hoofde van zijn
voormalige dienstverband als gewezen beroepsmilitair recht
heeft op bezoldiging of uitkering in geval van ziekte waarvan de uitkeringsduur
niet op die datum verstrijkt;
b. met ingang van het
tijdstip waarop het dienstverband van de betrokkene wordt
beëindigd, voor zover de betrokkene op dat tijdstip nog niet onafgebroken 52
weken ongeschikt is tot werken wegens ziekte: de gewezen beroepsmilitair
wiens dienstverband wordt beëindigd op een op of na de datum waarop de
ZW ingevolge deze wet op hem van toepassing wordt gelegen tijdstip en
die op de dag voorafgaande aan die datum uit hoofde van zijn
voormalige dienstverband als gewezen beroepsmilitair recht heeft op
bezoldiging of uitkering in geval van ziekte waarvan de uitkeringsduur niet op
die datum verstrijkt;
c. met ingang van de
datum waarop de ZW ingevolge deze wet op hem van toepassing wordt: de beroepsmilitair of de gewezen beroepsmilitair
die op de dag
voorafgaande aan die datum geen wachtgeld geniet en evenmin bezoldiging of
uitkering in geval van ziekte ontvangt, maar die op die datum uit hoofde van
zijn dienstverband recht verkrijgt op een uitkering op grond van de WW en die niet op de dag voorafgaande aan die datum maar die wel op
die datum ongeschikt is tot werken wegens ziekte;
d. met ingang van de
eerste dag van de ongeschiktheid tot werken wegens ziekte doch niet
eerder dan vanaf de datum waarop de ZW ingevolge deze wet van
toepassing wordt op de betrokken beroepsmilitair of gewezen beroepsmilitair,
voor zover de betrokkene op die datum nog
niet onafgebroken 52
weken ongeschikt is tot werken wegens ziekte, te rekenen vanaf de eerste
dag van die ongeschiktheid en die ongeschiktheid is ontstaan binnen vier weken na het tijdstip van beëindiging
van:
1º. zijn dienstverband:
de gewezen beroepsmilitair wiens dienstverband is geëindigd in de maand
voorafgaande aan de datum waarop de ZW ingevolge deze wet op hem
van toepassing wordt en die op grond van die beëindiging geen recht
op wachtgeld en evenmin op bezoldiging of uitkering in geval van
ziekte heeft; of
2º. zijn recht op
wachtgeld: de beroepsmilitair of de gewezen beroepsmilitair wiens recht op wachtgeld
wegens het verstrijken van de ter zake geldende uitkeringsduur
is geëindigd in de maand voorafgaande aan de datum waarop de ZW
ingevolge deze wet op hem van toepassing wordt.
-2. Een op grond van het
eerste lid toegekend recht op ziekengeld op grond van de ZW wordt
toegekend voor de duur van 52 weken van ongeschiktheid tot
werken, verminderd met de periode beginnende met de eerste dag van de
ongeschiktheid tot werken wegens ziekte tot en met de dag voorafgaande aan
de datum waarop de ZW ingevolge deze wet van toepassing wordt op
de betrokken beroepsmilitair of gewezen beroepsmilitair. Voor
zover er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 29a, vijfde lid,
van de ZW, geldt in afwijking van de eerste volzin de termijn van
zestien weken,
bedoeld in dat vijfde lid.
-3. Voor het bepalen van
de in het eerste en het tweede lid bedoelde periode van 52
onderscheidenlijk zestien weken worden perioden van arbeidsongeschiktheid
samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken
opvolgen.
-4. Voor het bepalen van
de in het eerste en het tweede lid bedoelde periode van 52
onderscheidenlijk zestien weken worden steeds perioden in aanmerking
genomen
gedurende welke aanspraak bestaat op bezoldiging of uitkering in geval van
ziekte.
Art. 9.
-1. Voor de vaststelling
van de hoogte van het ziekengeld op grond van de ZW, bedoeld in
artikel 8, eerste lid, geldt als dagloon in de zin van
die wet de door het getal 261
gedeelde, naar een jaarbedrag herleide bezoldiging
overeenkomstig het Inkomstenbesluit
militairen, zoals dat besluit luidde op de dag
voorafgaande aan de datum waarop de ZW ingevolge deze wet van
toepassing wordt op de betrokken beroepsmilitair of gewezen
beroepsmilitair, waarnaar de bezoldiging of uitkering in geval van ziekte van de in
artikel 8, eerste lid, bedoelde beroepsmilitair of gewezen beroepsmilitair
wordt berekend op die dag, vermeerderd met de vakantie-uitkering voor
zover betrokkene geen recht heeft op onverminderde doorbetaling van bedoelde
vakantie-uitkering.
-2. Voor de vaststelling
van de hoogte van het ziekengeld op grond van de ZW voor de
beroepsmilitair of gewezen beroepsmilitair die op grond van artikel
31, eerste of
tweede lid, recht heeft verkregen op een uitkering op grond van de WW, geldt
als dagloon in de zin van de ZW het met toepassing van artikel 33 vastgestelde dagloon.
-3. Artikel 9, eerste lid,
van de Coördinatiewet Sociale Verzekering is van toepassing op het eerste
lid.
Afdeling 3.
Risicowering ziekte
Art. 10.
-1. Artikel 44, eerste
lid, onderdeel a, van de ZW is niet van toepassing op de overheidswerknemers
en de gewezen overheidswerknemers, bedoeld in artikel 4, en
de beroepsmilitairen en de gewezen beroepsmilitairen, bedoeld in artikel
8,
noch op de overheidswerknemers en gewezen
overheidswerknemers, bedoeld in artikel 3, eerste lid, en de beroepsmilitairen en
gewezen beroepsmilitairen, bedoeld in artikel 7, eerste lid, die op de dag
voorafgaande aan de datum waarop ingevolge deze wet de ZW
op hen van toepassing wordt, ongeschikt zijn tot werken
wegens ziekte, behoudens
ingeval de eerstgenoemde bepaling reeds van toepassing of van
overeenkomstige toepassing was op de betrokkene op de dag voorafgaande aan
de datum waarop de ZW ingevolge deze wet van toepassing wordt op
de betrokkene.
-2. Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan, tezamen met Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Onze Minister van
Defensie, nadere en, zo
nodig, tijdelijk afwijkende regels stellen met betrekking tot het eerste
lid.
§ 3.
Arbeidsongeschiktheid
Afdeling 1.
Overheidswerknemers uitgezonderd beroepsmilitairen
Art. 11.
Deze afdeling is van
toepassing op overheidswerknemers en de in deze afdeling bedoelde gewezen
overheidswerknemers, uitgezonderd beroepsmilitairen en
gewezen beroepsmilitairen.
Art. 12.
-1. Voor de vaststelling
van het recht op uitkering op grond van de WAO, alsmede voor de toelating
tot de vrijwillige verzekering op grond van de WAO, worden, vanaf de dag
van aanvang van hun dienstverband tot het tijdstip van aanvang van
fase 1 van deze wet, aangemerkt als verplicht verzekerd op grond van de
WAO:
a. overheidswerknemers,
voor zover niet bedoeld in onderdeel b, c of e;
b. overheidswerknemers en
gewezen overheidswerknemers die op de dag voorafgaande aan het vorenbedoelde tijdstip recht hebben op een
WAO-conforme uitkering
die zou hebben doorgelopen op of opnieuw zou zijn ingegaan met ingang
van dat tijdstip indien deze wet niet in werking zou zijn getreden;
c. overheidswerknemers en
gewezen overheidswerknemers aan wie op de dag voorafgaande aan
het vorenbedoelde tijdstip bij wijze van voorschot een
WAO-conforme uitkering wordt betaald en die op of na dat tijdstip met
terugwerkende kracht tot en met de dag voorafgaande aan dat tijdstip recht
verkrijgen op een WAO-conforme uitkering die zou hebben doorgelopen op of opnieuw
zou zijn ingegaan met ingang van dat tijdstip indien deze wet niet in
werking zou zijn getreden;
d. overheidswerknemers en
gewezen overheidswerknemers die uit hoofde van hun
dienstverband als overheidswerknemer onderscheidenlijk voormalige dienstverband
als gewezen overheidswerknemer recht hebben op een wachtgeld;
e. overheidswerknemers en
gewezen overheidswerknemers die in verband met
omstandigheden als bedoeld in artikel 20, eerste lid, onderdeel a,
b, c of d,
van de WW op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van
fase 1 van deze wet uit hoofde van hun dienstverband als overheidswerknemer
onderscheidenlijk voormalige dienstverband als gewezen
overheidswerknemer geen wachtgeld genieten;
f. gewezen
overheidswerknemers die niet op het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet,
maar wel op de dag voorafgaande aan dat tijdstip, een
dienstverband hebben; en
g. de gewezen
overheidswerknemers, voor zover niet bedoeld in onderdeel b, c,
d,
e of f,
die recht zouden hebben op ziekengeld op grond van de ZW
door de
inwerkingtreding van artikel 4 van deze wet indien dat artikel reeds van
toepassing zou zijn vanaf het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet.
-2. Aan het eerste lid
kunnen geen rechten worden ontleend over tijdvakken die gelegen
zijn vóór het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet.
Art. 13.
-1. De overheidswerknemers
en gewezen overheidswerknemers, bedoeld in artikel 12,
eerste lid, onderdeel b, hebben vanaf het tijdstip van aanvang van fase 1 van
deze wet recht op een uitkering op grond van de WAO.
-2. De overheidswerknemers
en gewezen overheidswerknemers, bedoeld in artikel 12,
eerste lid, onderdeel c, hebben vanaf het tijdstip van aanvang van fase 1 van
deze wet recht op een uitkering op grond van de WAO indien aan hen op of
na dat tijdstip met terugwerkende kracht tot en met de dag voorafgaande
aan dat tijdstip een recht op een WAO-conforme uitkering
wordt toegekend. Totdat de laatstbedoelde toekenning heeft plaatsgevonden, wordt aan hen een voorlopige uitkering
op grond van de WAO
betaald. Indien bij de vaststelling van het recht op een WAO-uitkering blijkt
dat deze voorlopige uitkering ten onrechte is uitbetaald of op een te
hoog bedrag was vastgesteld, wordt het te veel betaalde niet
teruggevorderd.
-3. Voor de toepassing van
de artikelen 21a, 21b,
34 juncto 36 en
61 van de WAO
en de artikelen 29
en 29b van de ZW wordt de datum waarop de in
artikel 12, eerste
lid, onderdeel b, bedoelde WAO-conforme uitkering ingevolge artikel 37,
negende lid, 39, zevende lid, 40, 41, 42, zesde lid, of 43, zesde lid, van de
WPA is ingegaan, aangemerkt als de datum waarop het in het eerste of het
tweede lid bedoelde recht op een uitkering op grond van de WAO is
ingegaan.
Art. 14.
-1. Voor de vaststelling
van de hoogte van de uitkering op grond van de WAO, bedoeld in
artikel 13, eerste of tweede lid, geldt als dagloon in de zin van
die wet het
dagloon waarnaar de WAO-conforme uitkering van de in artikel
12, eerste
lid, onderdeel b of c, bedoelde overheidswerknemer of gewezen
overheidswerknemer op grond van artikel 32 van de WPA
is berekend op de dag
voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet.
-2. Voor de vaststelling
van de hoogte van de uitkering op grond van de WAO, bedoeld in artikel
13, eerste of tweede lid, geldt als vervolgdagloon in de zin van die wet
het
vervolgdagloon waarnaar de WAO-conforme uitkering van de in
artikel 12, eerste lid, onderdeel b of c, bedoelde overheidswerknemer of
gewezen overheidswerknemer op grond van artikel 32 van de WPA
is
berekend op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 1
van deze wet.
-3. Artikel 9, eerste lid,
van de Coördinatiewet Sociale Verzekering is van toepassing op het eerste
en het tweede lid.
-4. Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan, tezamen met Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Onze Minister van
Defensie, nadere en, zo
nodig, tijdelijk afwijkende regels stellen met betrekking tot het eerste
tot en met het derde lid.
Art. 15.
-1. Voor de vaststelling
van de hoogte van de uitkering op grond van de WAO
voor de in artikel 4,
eerste lid, bedoelde overheidswerknemers en gewezen overheidswerknemers geldt als dagloon in de zin van
die wet het met toepassing van
artikel 5, eerste en tweede lid, vastgestelde dagloon.
-2. Voor de vaststelling
van de hoogte van de uitkering op grond van de WAO voor de
overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer die op grond van artikel
31,
eerste of tweede lid, recht heeft verkregen op een uitkering op grond van de
WW, geldt als dagloon in de zin van de WAO het met toepassing van
het tweede lid vastgestelde dagloon.
Art. 16.
Voor de eerste
vaststelling van het recht op uitkering op grond van de WAO, bedoeld in
artikel 13, eerste of tweede lid, van de in artikel
12, eerste lid, onderdeel b
of c, bedoelde overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer is de
door het FAOP met overeenkomstige toepassing van de WAO ten
aanzien van betrokkene vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid
in het kader van de WAO-conforme uitkering, zoals die geldt op de dag
voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet,
bepalend.
Art. 17.
-1. Voor de vaststelling
van de hoogte van de voorlopige uitkering op grond van de WAO, bedoeld
in artikel 13, tweede lid, tweede volzin, ten aanzien van de in
artikel 12, eerste lid, onderdeel c, bedoelde overheidswerknemer of gewezen
overheidswerknemer, geldt:
a. als dagloon het
dagloon waarnaar die WAO-conforme uitkering op grond van artikel 32 van
de WPA is berekend op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang
van fase 1 van deze wet;
b. als vervolgdagloon het
vervolgdagloon waarnaar die WAO-conforme uitkering op grond van
artikel 32 van de WPA
is berekend op de dag voorafgaande aan het
tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet.
-2. Voor de vaststelling
van de voorlopige uitkering op grond van de WAO, bedoeld in artikel
13, tweede lid, tweede volzin, ten aanzien van de in artikel
12, eerste
lid, onderdeel c, bedoelde overheidswerknemer of gewezen
overheidswerknemer is de door het FAOP met overeenkomstige toepassing van de WAO ten
aanzien van betrokkene vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid
in het kader van de bij wijze van voorschot betaalde WAO-conforme
uitkering, zoals die geldt op de dag voorafgaande aan het tijdstip van
aanvang van fase 1 van deze wet, bepalend.
-3. Voor de toepassing van
hoofdstuk IV van de WAO worden de voorlopige uitkeringen op
grond van de WAO, bedoeld in artikel 13, tweede lid, tweede
volzin, aangemerkt als uitkeringen op grond van de WAO als bedoeld in
artikel 76d, eerste lid, onderdeel a, van die
wet.
-4. Het op grond van
artikel 13, tweede lid, tweede volzin, betaalde bedrag aan voorlopige
uitkeringen wordt verrekend met het bedrag van de uitkering op grond van
de WAO, bedoeld in artikel 13, tweede lid, eerste volzin.
Art. 18.
-1. Indien de WAO-conforme
uitkering met overeenkomstige toepassing van artikel 46a
van de WAO
op grond van artikel 32 van de WPA
is verhoogd, wordt de
uitkering op grond van de WAO, bedoeld in artikel 13, eerste of tweede lid,
eerste volzin, dan wel de voorlopige uitkering op grond van de WAO, bedoeld
in artikel 13, tweede lid, tweede volzin, vastgesteld met
inachtneming van die verhoging.
-2. Het eerste lid is van
toepassing op de betrokkene zolang hij recht zou hebben gehad op de in dat
lid bedoelde verhoging als artikel 46a
van de WAO
op grond van artikel
32, eerste lid, van de WPA
op hem nog van overeenkomstige
toepassing zou zijn geweest op het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet.
Art. 19.
De Wet TBA wordt toegepast op
een ingevolge artikel 13, eerste of tweede lid, toegekende uitkering
op grond van de WAO, met inachtneming van het volgende:
a. de datum van ingang
van de in artikel 12, eerste lid, onderdeel b of c, bedoelde WAO-conforme
uitkering geldt als de datum van ingang van de uitkering op grond van de
WAO;
b. artikel XVI van de
Wet TBA
is van toepassing op de overheidswerknemer of gewezen
overheidswerknemer op wie op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van
fase 1 van deze wet artikel XX dan wel XXIV van de
Wet TBA van toepassing
was, met dien verstande dat artikel 18, zesde lid, van de WAO
niet van
toepassing is;
c. de artikelen XVII tot
en met XIX van de Wet TBA zijn van toepassing op de overheidswerknemer of
gewezen overheidswerknemer op wie op de dag voorafgaande aan het
tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet de artikelen XXI tot en met
XXIII dan wel XXV tot en met XXVII van de
Wet TBA van toepassing waren.
Art. 20.
-1. Voorzieningen,
vergoedingen of toelagen die zijn toegekend op grond van artikel 32 van
de WPA met overeenkomstige toepassing van de artikelen 57, 57a en 58
van de AAW, worden met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 1
van deze wet voortgezet als voorzieningen, vergoedingen en toelagen
op grond van artikel 65, 65a
of
65b van de WAO.
-2. Een loonsuppletie, een
loonkostensubsidie, een reïntegratie-uitkering of een opleiding of
scholing die is toegekend op grond van artikel 32 van de WPA
met
overeenkomstige toepassing van artikel 60, 62,
63 of 64 van de WAO, wordt met ingang
van het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet voortgezet als
een loonsuppletie, een loonkostensubsidie, een reïntegratie-uitkering
of een opleiding of scholing op grond van artikel
60, 62, 63 of
64 van de
WAO.
Afdeling 2.
Beroepsmilitairen
Art. 21.
Deze afdeling is van
toepassing op beroepsmilitairen en de in deze afdeling bedoelde gewezen beroepsmilitairen.
Art. 22.
-1. Voor de vaststelling
van het recht op uitkering op grond van de WAO, alsmede voor de toelating
tot de vrijwillige verzekering op grond van de WAO, worden, vanaf de dag
van aanvang van hun dienstverband tot aan het tijdstip van aanvang
van fase 1 van deze wet, aangemerkt als verplicht verzekerd op grond van de
WAO:
a. beroepsmilitairen,
voor zover niet bedoeld in onderdeel b of e;
b. beroepsmilitairen die
op de dag voorafgaande aan het vorenbedoelde tijdstip uit hoofde van
hun dienstverband als beroepsmilitair recht hebben op
bezoldiging of uitkering in geval van ziekte, welk recht niet zou zijn geëindigd
op dat tijdstip indien fase 1 van deze wet niet in werking zou zijn
getreden;
c. gewezen
beroepsmilitairen die op de dag voorafgaande aan het vorenbedoelde tijdstip
uit hoofde van hun voormalige dienstverband als gewezen
overheidswerknemer recht hebben op een pensioen ter zake van arbeidsongeschiktheid,
welk recht niet zou zijn geëindigd op dat tijdstip indien fase 1 van deze
wet niet in werking zou zijn getreden;
d. gewezen
beroepsmilitairen die op de dag voorafgaande aan het vorenbedoelde tijdstip
uit hoofde van hun voormalige dienstverband als gewezen
overheidswerknemer recht hebben op een uitkering overeenkomstig de normen van de WAO,
welk recht niet zou zijn geëindigd op dat tijdstip indien fase 1
van deze wet niet in werking zou zijn getreden; en
e. beroepsmilitairen en
gewezen beroepsmilitairen die op de dag voorafgaande aan het
vorenbedoelde tijdstip uit hoofde van hun dienstverband als
beroepsmilitair onderscheidenlijk voormalige dienstverband als gewezen beroepsmilitair recht hebben op een wachtgeld,
welk recht niet zou zijn
geëindigd op dat tijdstip indien fase 1 van deze wet niet in werking zou
zijn getreden.
-2. Aan het eerste lid
kunnen geen rechten worden ontleend over tijdvakken die gelegen
zijn voor het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet.
Art. 23.
-1. De beroepsmilitair,
bedoeld in artikel 22, eerste lid, onderdeel b, die op het tijdstip van
aanvang van fase 1 van deze wet 52 weken of langer arbeidsongeschikt is in
de zin van de WAO, de gewezen beroepsmilitair, bedoeld in
artikel 22,
eerste lid, onderdeel c, en de gewezen beroepsmilitair, bedoeld in
artikel 22,
eerste lid, onderdeel d, hebben vanaf dat tijdstip recht op een
uitkering op grond van de WAO.
-2. Voor de toepassing van
de artikelen 21a, 21b,
34 juncto 36 en
61 van de WAO
en de artikelen 29
en 29b van de ZW wordt:
a. ten aanzien van de
beroepsmilitair, bedoeld in artikel 22, eerste lid, onderdeel b, de datum
waarop de periode van 52 weken arbeidsongeschiktheid is of geacht wordt te
zijn verstreken; of
b. ten aanzien van de
gewezen beroepsmilitair, bedoeld in artikel 22, eerste lid, onderdeel c,
de datum van ingang van het recht op een pensioen ter zake van
arbeidsongeschiktheid; of
c. ten aanzien van de
gewezen beroepsmilitair, bedoeld in artikel 22, eerste lid, onderdeel d,
de datum van ingang van het recht op een uitkering overeenkomstig
de normen van de WAO;
aangemerkt als de datum
van ingang van het in het eerste lid bedoelde recht op een uitkering op
grond van de WAO.
Art. 24.
-1. Voor de vaststelling
van de hoogte van de uitkering op grond van de WAO, bedoeld in
artikel 23, eerste lid, voor de in artikel
22, eerste lid, onderdeel b, bedoelde
beroepsmilitair die op het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet 52
weken of langer arbeidsongeschikt is in de zin van de WAO, geldt als dagloon
respectievelijk vervolgdagloon in de zin van die
wet de door het getal
261 gedeelde, naar een jaarbedrag herleide pensioengrondslag,
bedoeld in artikel F 6 van de Amp-wet, respectievelijk
vervolguitkeringsgrondslag, bedoeld in artikel F 6a van de
Amp-wet, die voor betrokkene zou zijn
vastgesteld indien betrokkene op de dag voorafgaande aan de
vorenbedoelde datum zou zijn ontslagen met recht op een pensioen ter zake
van arbeidsongeschiktheid.
-2. Voor de vaststelling
van de hoogte van de uitkering ingevolge de WAO, bedoeld in artikel
23, eerste lid, voor de in artikel 22, eerste lid, onderdeel c, bedoelde
gewezen beroepsmilitair geldt als dagloon respectievelijk vervolgdagloon in de zin van
die wet de voor betrokkene
geldende, door het getal
261 gedeelde, naar een jaarbedrag herleide pensioengrondslag, in
voorkomend geval verhoogd met het percentage van de toeslag, bedoeld
in artikel F 7a van de Amp-wet, respectievelijk de voor betrokkene geldende,
door het getal 261 gedeelde, naar een jaarbedrag herleide
vervolguitkeringsgrondslag, bedoeld in artikel F 6a van de
Amp-wet, en in
voorkomend geval aangepast met het percentage waarmee het salaris, dat
overeenkomt met de aangepaste pensioengrondslag, op grond van artikel 34
van de Wet
FVP/ABP is aangepast.
-3. Voor de vaststelling
van de hoogte van de uitkering ingevolge de WAO, bedoeld in artikel
23, eerste lid, voor de in artikel 22, eerste lid, onderdeel d, bedoelde
gewezen beroepsmilitair geldt als dagloon respectievelijk vervolgdagloon in de zin van
die wet de naar een
jaarbedrag herleide en
door 261 gedeelde berekeningsgrondslag van de uitkering overeenkomstig
de normen van de WAO zoals die geldt op de dag voorafgaande aan het
tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet, aangepast op de voet van
het AMAR, zoals dat luidde op die dag, respectievelijk de voor betrokkene
geldende, door het getal 261 gedeelde, naar een jaarbedrag herleide
vervolguitkeringsgrondslag, bedoeld in artikel F 6a van de
Amp-wet.
-4. Artikel 9, eerste lid,
van de Coördinatiewet Sociale Verzekering is van toepassing op het eerste
tot en met het derde lid.
-5. Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan, tezamen met Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Onze Minister van
Defensie, nadere en, zo
nodig, tijdelijk afwijkende regels stellen met betrekking tot het eerste
tot en met het vierde lid.
Art. 25.
-1. Voor de vaststelling
van de hoogte van de uitkering op grond van de WAO
voor de in artikel 8,
eerste lid, bedoelde beroepsmilitairen en gewezen beroepsmilitairen geldt als dagloon in de zin van de WAO het met toepassing van
artikel 9, eerste lid, vastgestelde dagloon.
-2. Voor de vaststelling
van de hoogte van de uitkering op grond van de WAO voor de
beroepsmilitair of gewezen beroepsmilitair die op grond van artikel
31, eerste of
tweede lid, recht heeft verkregen op een uitkering op grond van de WW, geldt
als dagloon in de zin van de WAO het met toepassing van artikel 33 vastgestelde dagloon.
Art. 26.
-1. Voor de eerste
vaststelling van het recht op uitkering ingevolge de WAO, bedoeld in
artikel 23, eerste lid, voor de in artikel
22, eerste lid, onderdeel b, bedoelde
beroepsmilitair die op het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet 52
weken of langer arbeidsongeschikt is in de zin van de WAO, is de door Onze Minister van
Defensie vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid,
bedoeld in artikel E 6 van de Amp-wet, bepalend.
-2. Ten aanzien van de in
artikel 22, eerste lid, onderdeel b, bedoelde beroepsmilitair die op
het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet 52 weken of langer
arbeidsongeschikt is in de zin van de WAO, ten aanzien van wie op de dag
voorafgaande aan die datum de mate van arbeidsongeschiktheid, bedoeld in artikel E 6
van de Amp-wet, nog niet is vastgesteld, wordt de
mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO voor de eerste
vaststelling van het recht op uitkering ingevolge de WAO, bedoeld in artikel
23, eerste lid, vastgesteld binnen een termijn van drie maanden na de
vorenbedoelde datum.
-3. Voor de eerste
vaststelling van het recht op uitkering ingevolge de WAO, bedoeld in artikel
23, eerste lid, voor de in artikel 22, eerste lid, onderdeel c, bedoelde
gewezen beroepsmilitair is de door Onze Minister van Defensie vastgestelde
mate van arbeidsongeschiktheid, bedoeld in artikel E 6 van de Amp-wet, bepalend.
-4. Voor de eerste
vaststelling van het recht op uitkering ingevolge de WAO, bedoeld in artikel
23, eerste lid, voor de in artikel 22, eerste lid, onderdeel d, bedoelde
gewezen beroepsmilitair is de mate van arbeidsongeschiktheid, waarnaar zijn uitkering
overeenkomstig de normen van de WAO is berekend, bepalend.
Art. 27.
De Wet TBA wordt toegepast op
een ingevolge artikel 23, eerste lid, toegekende uitkering op
grond van de WAO, met inachtneming van het volgende:
a. de datum van ingang
van het in artikel 22, eerste lid, onderdeel c, bedoelde pensioen ter
zake van arbeidsongeschiktheid, dan wel van de in artikel
22, eerste lid,
onderdeel d, bedoelde uitkering overeenkomstig de normen van de WAO, geldt
als de datum van ingang van het recht op die uitkering op grond van de
WAO;
b. artikel XVI van de
Wet TBA is van overeenkomstige toepassing op de beroepsmilitair of
gewezen beroepsmilitair op wie op de dag voorafgaande aan het tijdstip van
aanvang van fase 1 van deze wet artikel XXIV van de
Wet TBA van toepassing
was, met dien verstande dat artikel 18, zesde lid, van de WAO
niet van
toepassing is;
c. de artikelen XVII tot
en met XIX van de Wet TBA zijn van overeenkomstige toepassing op de
beroepsmilitair of gewezen beroepsmilitair op wie op de dag voorafgaande aan het
tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet de artikelen XXV tot en met
XXVII van de Wet TBA van toepassing waren.
Art. 28.
-1. Voorzieningen,
vergoedingen of toelagen die zijn toegekend op grond van artikel X 5 van
de Amp-wet met overeenkomstige toepassing van de artikelen 57, 57a
en 58 van de AAW, worden met ingang van het tijdstip van aanvang van
fase 1 van deze wet voortgezet als voorzieningen, vergoedingen en toelagen
op grond van artikel 65, 65a
of
65b van de WAO.
-2. Een loonsuppletie, een
loonkostensubsidie, een reïntegratie-uitkering of een opleiding of
scholing die is toegekend op grond van artikel X 6 van de Amp-wet met
overeenkomstige toepassing van artikel 60, 62,
63 of 64 van de WAO, wordt met
ingang van het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet voortgezet
als een loonsuppletie, een loonkostensubsidie, een
reïntegratie-uitkering of een opleiding of scholing op grond van artikel
60, 62, 63 of
64 van de WAO.
Afdeling 3.
Risicowering arbeidsongeschiktheid
Art. 29.
-1. De artikelen
18,
tweede tot en met vierde lid, en 30, eerste lid, onderdeel a, van de
WAO zijn niet van toepassing op de overheidswerknemers en de gewezen
overheidswerknemers, bedoeld in artikel 13, en de beroepsmilitairen
en de gewezen beroepsmilitairen, bedoeld in artikel 23, alsmede op de overheidswerknemers en gewezen overheidswerknemers,
bedoeld in artikel 12,
eerste lid, en de beroepsmilitairen en gewezen
beroepsmilitairen, bedoeld in artikel 22, eerste lid, die op de dag voorafgaande
aan het
tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet ongeschikt zijn tot
werken wegens ziekte, behoudens ingeval één of meer van de genoemde
bepalingen reeds van toepassing of van overeenkomstige toepassing was op de
betrokkene op de dag voorafgaande aan de datum waarop de WAO
ingevolge deze wet van toepassing wordt op de betrokkene.
-2. Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan, tezamen met Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Onze Minister van
Defensie, nadere en, zo
nodig, tijdelijk afwijkende regels stellen met betrekking tot het eerste
lid.
§ 4.
Werkloosheid
Art. 30.
-1. Met ingang van de
datum waarop de WW ingevolge deze wet van toepassing wordt op de overheidswerknemer wordt, vanaf de dag van
aanvang van het
betreffende dienstverband, voor de vaststelling van het recht op uitkering op
grond van de WW, alsmede voor de toelating tot de vrijwillige verzekering
op grond van de WW, aangemerkt als een dienstbetrekking als
bedoeld in artikel 3 van de WW:
a. het dienstverband van
de overheidswerknemer;
b. het voormalige
dienstverband van de gewezen overheidswerknemer die op de dag
voorafgaande aan bedoelde datum uit hoofde van zijn voormalige dienstverband
als gewezen overheidswerknemer in het genot is van:
1º. bezoldiging of
uitkering in geval van ziekte;
2º. een uitkering ter
zake van arbeidsongeschiktheid; of
3º. een wachtgeld;
c. het voormalige
dienstverband van de gewezen overheidswerknemer die in verband met
omstandigheden als bedoeld in artikel 20, eerste lid, onderdeel a,
b, c of d,
van de WW op de dag voorafgaande aan bedoelde datum geen wachtgeld uit
hoofde van zijn voormalige dienstverband als gewezen
overheidswerknemer geniet; en
d. het voormalige
dienstverband van de gewezen overheidswerknemer die niet op bedoelde
datum, maar wel op de dag voorafgaande aan die datum, een dienstverband
heeft.
-2. Aan het eerste lid
kunnen geen rechten worden ontleend over tijdvakken die gelegen
zijn vóór de datum waarop de WW ingevolge deze wet van toepassing wordt.
Art. 31.
-1. De gewezen
overheidswerknemer, bedoeld in artikel 30, eerste lid, onderdeel b, onder
3º,
heeft vanaf het tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet recht op een
uitkering op grond van de WW, indien zijn dienstverband op het
moment van ingang van zijn recht op wachtgeld aangemerkt zou zijn als dienstbetrekking in de zin van de WW, indien de
WW van toepassing zou
zijn geweest op de dag waarop het recht op wachtgeld ontstond en
dat recht op een uitkering op grond van de WW zou voortduren na vorenbedoeld tijdstip.
-2. De gewezen
overheidswerknemer, bedoeld in artikel 30, eerste lid, onderdeel c, heeft recht
op een uitkering op grond van de WW vanaf de eerste dag waarop dit
recht na het tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet zou zijn
ontstaan of zou herleven, indien zijn dienstverband aangemerkt zou zijn als
dienstbetrekking in de zin van de WW, indien de WW van toepassing zou
zijn geweest op de dag waarop het recht op wachtgeld ontstond.
-3. De gewezen
overheidswerknemer, bedoeld in artikel 30, eerste lid, onderdeel d, heeft recht
op een uitkering op grond van de WW vanaf de dag waarop dit recht zou
zijn ontstaan indien zijn dienstverband aangemerkt zou zijn als
dienstbetrekking in de zin van de WW.
-4. De in het eerste
onderscheidenlijk het tweede lid bedoelde gewezen overheidswerknemer heeft
vanaf het tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet,
onderscheidenlijk vanaf de in het tweede lid bedoelde dag, recht op een kortdurende
uitkering op grond van de WW indien zijn dienstverband op het moment van ingang
van zijn recht op kortdurende uitkering ingevolge het Besluit
werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel, het Werkloosheidsbesluit
beroepsmilitairen bepaalde tijd, het Werkloosheidsbesluit
defensiepersoneel of een met die besluiten vergelijkbare regeling
aangemerkt zou zijn als dienstbetrekking in de zin van de WW en dat recht
op een kortdurende uitkering op grond van de WW zou voortduren na het
tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet onderscheidenlijk vanaf
de in het tweede lid bedoelde dag.
Art. 32.
-1. Voor de vaststelling
van de duur van de uitkering op grond van de WW, bedoeld in
artikel 31, eerste, tweede of vierde lid, wordt het recht op uitkering op grond van de
WW geacht te zijn aangevangen op het moment waarop het in
artikel 30, eerste lid, onderdeel b, onder 3º, bedoelde
wachtgeld is
aangevangen.
-2. Voor de vaststelling
van de duur van de uitkering op grond van de WW, bedoeld in artikel
31, eerste of tweede lid, wordt, voor de toepassing van de artikelen
42, 43, 48, 49 en
50 van de WW, de overheidswerknemer geacht te hebben voldaan
aan artikel 17 van de WW, met dien verstande dat er ten aanzien van de
toepassing van artikel 17, onderdeel b, onder 1º, van de
WW van uitgegaan
wordt dat hij in de bedoelde periode in ten minste vijf kalenderjaren
loon heeft ontvangen over 52 of meer dagen per jaar.
-3. Voor de vaststelling
van de duur van de kortdurende uitkering op grond van de WW, bedoeld
in artikel 31, vierde lid, geldt de duur van het recht op kortdurende
uitkering, zoals die is vastgesteld ingevolge het Besluit
werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel, het Werkloosheidsbesluit
beroepsmilitairen bepaalde tijd, het Werkloosheidsbesluit defensiepersoneel of een
met die besluiten vergelijkbare regeling.
-4. De resterende duur van
de uitkering op grond van de WW, bedoeld in artikel 31, op het
tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet wordt bepaald door op de
krachtens het eerste tot en met derde lid vast te stellen duur van de
uitkering in mindering te brengen de tot dat tijdstip verstreken duur van het
wachtgeld.
-5. De resterende duur van
de uitkering op grond van de WW, bedoeld in het vierde lid, bedraagt
niet meer dan de duur van het wachtgeld waarop de betrokkene recht had
op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 3 van
deze wet en zoals dat zou hebben doorgelopen na dat tijdstip of zou
hebben herleefd vanaf de in artikel 31, tweede lid, bedoelde
dag indien deze
wet niet zou hebben gegolden.
Art. 33.
-1. Voor de berekening van
de uitkering op grond van artikel 31, eerste, tweede of vierde lid,
geldt als dagloon de naar een jaarbedrag herleide berekeningsgrondslag
waarnaar het wachtgeld is berekend op de dag voorafgaande aan het
tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet, gedeeld door het getal
261.
-2. Indien het recht op
wachtgeld is toegekend uit een deeltijdbetrekking, geldt in afwijking van
het eerste lid als dagloon het bedrag dat overeenkomstig dat lid wordt verkregen
en vervolgens is vermenigvuldigd met de deeltijdfactor.
-3. Het dagloon van de
overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer die op het in artikel
32,
eerste lid, bedoelde moment een uitkering op grond van de WAO
gedurende de loondervingsfase naar een arbeidsongeschiktheid van
minder dan 80% ontvangt, dan wel, indien het bepaalde in artikel
25, 28, 30 of
33 van de WAO op hem niet van toepassing was, zou
ontvangen, of een naar aard en strekking daarmee overeenkomende uitkering
ontvangt of zou ontvangen, is gelijk aan het dagloon berekend volgens
artikel 14 of artikel 24, dan wel, indien artikel 14 of
artikel 24 op hem
niet van toepassing is, berekend volgens de bij of krachtens de WAO gestelde
regels. Het met toepassing van de eerste volzin berekende dagloon
wordt evenredig verlaagd door dat dagloon te vermenigvuldigen met een
breuk waarvan de teller wordt gevormd door het verschil tussen 100
en het midden van de arbeidsongeschiktheidsklasse waarin betrokkene is
ingedeeld en de noemer door het getal 100.
-4. Het dagloon van de
overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer die op het in artikel
32,
eerste lid, bedoelde moment een uitkering op grond van de
WAO gedurende de vervolgfase naar een arbeidsongeschiktheid van
minder dan 80% ontvangt, dan wel, indien het bepaalde in artikel
25, 28, 30 of
33 van de WAO op hem niet van toepassing was, zou
ontvangen, of een naar aard en strekking daarmee overeenkomende uitkering
ontvangt of zou ontvangen, is gelijk aan het vervolgdagloon berekend
volgens artikel 14 of artikel 24, dan wel, indien
artikel 14 of artikel 24
op hem niet van toepassing is, berekend volgens de bij of krachtens de WAO
gestelde regels. Het met toepassing van de eerste volzin berekende dagloon
wordt evenredig verlaagd door dat dagloon te vermenigvuldigen met een
breuk waarvan de teller wordt gevormd door het verschil tussen 100
en het midden van de arbeidsongeschiktheidsklasse waarin betrokkene is
ingedeeld en de noemer door het getal 100.
-5. Indien de in het derde
of het vierde lid bedoelde overheidswerknemer of gewezen
overheidswerknemer op een tijdstip na de dagloonberekening
overeenkomstig dat lid, op grond van de WAO wordt ingedeeld in een andere
arbeidsongeschiktheidsklasse dan die welke bij de evenredige verlaging
is gehanteerd, wordt het krachtens de eerste volzin van het
desbetreffende lid berekende dagloon, in afwijking van de tweede volzin van het
desbetreffende lid, evenredig verlaagd door dat dagloon te
vermenigvuldigen met een breuk waarvan de teller wordt gevormd door het verschil
tussen 100 en het midden van de nieuwe arbeidsongeschiktheidsklasse
en de noemer door het getal 100.
-6. De hoogte van de
uitkering op grond van de WW, bedoeld in het eerste tot en met het
vijfde lid, bedraagt niet meer dan de hoogte van het wachtgeld waarop de
betrokkene recht had op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang
van fase 3 van deze wet en zoals dat zou hebben doorgelopen of zou hebben
herleefd vanaf de in artikel 31, tweede lid, bedoelde
dag indien deze
wet niet zou hebben gegolden.
-7. Artikel 9, eerste lid,
van de Coördinatiewet Sociale Verzekering is van toepassing op het eerste
tot en met het zesde lid.
Art. 34.
De in deze paragraaf
bedoelde overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer die
het einde van de voor hem geldende duur van de uitkering op grond van
de WW heeft bereikt, wordt voor de toepassing van de
Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
geacht te hebben voldaan aan het bepaalde in artikel
2, eerste lid,
onderdeel a, onder 3º, onderdeel b, onder
3º, en onderdeel
c, onder 3º,
van die wet.
§ 5.
De
uitvoering
Art. 35.
-1. De overheidswerknemer
of de gewezen overheidswerknemer, bedoeld in artikel 3,
12,
20 of 30, dan wel de beroepsmilitair of de gewezen beroepsmilitair,
bedoeld in artikel 7, 22 of 28, is verzekerd bij het
Landelijk instituut sociale verzekeringen.
-2. Bij het Landelijk
instituut sociale verzekeringen wordt, onder bijvoeging van alle
relevante stukken die vereist zijn voor de uitvoering van deze wet, aangemeld:
1º. door of namens een
overheidswerkgever, een overheidswerknemer of gewezen
overheidswerknemer als bedoeld in artikel 3, eerste lid,
artikel 12, eerste lid, onderdeel
a, d of f, dan wel artikel 30, eerste lid;
2º. door of namens het
bestuur van het FAOP, een overheidswerknemer of gewezen
overheidswerknemer als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel b of
c, of
artikel 20;
3º. door of namens Onze Minister van
Defensie, een beroepsmilitair of gewezen beroepsmilitair
als bedoeld in artikel 7, eerste lid, artikel
22, eerste lid, artikel 28 of
artikel 30 dan wel, met het oog op de toepassing van artikel
26, tweede
lid, een gewezen beroepsmilitair als bedoeld in artikel
22, eerste lid,
onderdeel b.
-3. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen kan voorschriften stellen met betrekking tot:
a. de door de
overheidswerkgevers en het FAOP te leveren gegevens ten behoeve van de
toepassing van dit hoofdstuk;
b. het tijdstip waarop de
in onderdeel a bedoelde gegevens uiterlijk moeten zijn aangeleverd
bij het Landelijk instituut sociale verzekeringen.
Art. 36.
-1. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen stelt ambtshalve van iedere overheidswerknemer
of gewezen overheidswerknemer als bedoeld in artikel 4, eerste lid,
onderdeel a, b of c, artikel 13, eerste of tweede lid, of
artikel 31, eerste
lid, en van iedere beroepsmilitair of gewezen beroepsmilitair als
bedoeld in artikel 8, eerste lid, of artikel
23, eerste lid, het recht op uitkering of
voorziening vast met inachtneming van de artikelen 3 tot en met 34
en artikel 41.
-2. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen stelt op schriftelijke aanvraag van iedere
overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer als bedoeld in artikel
4,
eerste lid, onderdeel d, artikel 8, eerste lid, onderdeel d, of
artikel 31, tweede of derde lid, het recht op uitkering als daar bedoeld vast met
inachtneming van de artikelen 3 tot en met 34 en artikel
41.
-3. Bij de in het eerste
en het tweede lid bedoelde vaststelling wordt geen rekening gehouden
met feiten, omstandigheden en gedragingen, niet zijnde een
activiteit als bedoeld in het vijfde lid, die zich hebben voorgedaan op enig moment
vóór het tijdstip waarop fase 1, 2 of 3 van deze wet op betrokkene
van toepassing wordt en die op bedoeld moment van invloed zouden zijn
geweest op de uitkering op grond van de WW, de ZW of de
WAO, de
voorziening, vergoeding of toelage op grond van de WAO of de loonsuppletie,
de reïntegratie-uitkering of de opleiding of scholing op grond van de
WAO, indien één of meer van die wetten op betrokkene van toepassing
zouden zijn geweest, maar die niet van invloed waren of zouden zijn
geweest op een op de dag voorafgaande aan vorenbedoeld tijdstip
bestaand recht als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b of
c, artikel 7, eerste lid, onderdeel b of c,
artikel 12, eerste lid, onderdeel
b of c, artikel 22, eerste lid, onderdeel b, c of d, of
artikel 30, eerste lid, onderdeel
b.
-4. Zo nodig in afwijking
van het derde lid wordt bij de in het eerste en het tweede lid bedoelde
vaststelling een sanctie die op de dag voorafgaande aan het tijdstip waarop
fase 1, 2 of 3 van deze wet op betrokkene van toepassing wordt, ten
aanzien van een bestaand recht als bedoeld in artikel 3, eerste lid,
onderdeel b of c, artikel 7, eerste lid, onderdeel b of
c, artikel 12, eerste lid,
onderdeel b of c, artikel 22, eerste lid, onderdeel b,
c of d, of artikel 30,
eerste lid, onderdeel b, op betrokkene wordt toegepast en die na dat tijdstip
nog zou worden toegepast indien deze wet niet zou hebben gegolden,
onverkort toegepast op de uitkering op grond van de WW, de ZW, of de WAO, de
voorziening, vergoeding of toelage op grond van de WAO of de
loonsuppletie, de reïntegratie-uitkering of de opleiding of scholing op grond van
de WAO.
-5. Op of na het tijdstip
waarop fase 1, 2 of 3 van deze wet op betrokkene van toepassing wordt,
wordt een activiteit van de betrokkene waarin door het bevoegd gezag in het
kader van een bestaand recht als bedoeld in artikel 3, eerste lid,
onderdeel b of c, artikel 7, eerste lid, onderdeel b of
c, artikel 12, eerste lid,
onderdeel b of c, artikel 22, eerste lid, onderdeel b,
c of d, of artikel 30,
eerste lid, onderdeel b, is toegestemd, niet getoetst aan de voorwaarden die voor
die activiteit ingevolge de WW, de ZW of de WAO gelden of, indien die
wetten op hem van toepassing zouden zijn geweest, zouden hebben
gegolden. In afwijking van de eerste volzin wordt de gegeven
toestemming vanaf het tijdstip waarop fase 1, 2 of 3 van deze wet op
betrokkene van toepassing wordt, niet in aanmerking genomen indien
voortzetting van de betreffende activiteit zozeer afwijkend is van de
systematiek van de WW, de ZW of de WAO dat die voortzetting een normale
uitvoering van die wetten in de weg zou staan.
Art. 37.
De overheidswerkgever aan
wie vóór het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet ter zake
van een overheidswerknemer of een gewezen overheidswerknemer dan
wel een beroepsmilitair of een gewezen beroepsmilitair een
loonkostensubsidie is toegekend overeenkomstig artikel 62 van de WAO,
waarvan de duur niet eindigt vóór bedoeld tijdstip, wordt door het Landelijk instituut sociale
verzekeringen, met inachtneming van artikel
20, tweede
lid, of artikel 28, tweede lid, met ingang van dat tijdstip in
aanmerking gebracht voor een loonkostensubsidie, bedoeld in artikel 62 van de
WAO.
Art. 38.
Een stimuleringsuitkering
als bedoeld in artikel XIII, eerste lid, van de
Wet TBA van een
overheidswerknemer of een gewezen overheidswerknemer als bedoeld in artikel
12, eerste lid, onderdeel b of c, dan wel een beroepsmilitair als
bedoeld in artikel 22, eerste lid, onderdeel b, of een gewezen beroepsmilitair
als bedoeld in artikel 22, eerste lid, onderdeel c, d of e, die herleeft,
wordt betaald door het Landelijk instituut sociale
verzekeringen en komt ten
laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds, bedoeld in artikel 72 van
de WAO.
Art.
39.
Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan tezamen met Onze
Minister van Binnenlandse Zaken nadere en, zo nodig, tijdelijk afwijkende regels stellen
met betrekking tot de artikelen 35 tot en met 38.
Art. 40.
-1. Tot en met de dag
waarop het dienstverband van de betrokkene eindigt, geschiedt de
uitbetaling van de uitkering op grond van de WAO, bedoeld in
artikel 13,
eerste of tweede lid, door tussenkomst van de overheidswerkgever die
aan de betrokkene bezoldiging of uitkering in geval van ziekte is
verschuldigd, indien de WAO-conforme uitkering, bedoeld in artikel
12,
eerste lid, onderdeel b of c, op de dag voorafgaande aan het tijdstip van
aanvang van fase 1 van deze wet met toepassing van artikel 47, eerste lid,
van de WPA door tussenkomst van de overheidswerkgever werd uitbetaald.
-2. Het eerste lid is niet
van toepassing indien de betrokkene uit hoofde van twee of meer
dienstverbanden recht heeft op een uitkering op grond van de WAO.
-3. De toepassing van het
eerste lid eindigt ingeval:
a. het dienstverband
wordt beëindigd; dan wel
b. de betrokkene volledig
voor de voor hem in het kader van de vaststelling van de
arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO vastgestelde verdiencapaciteit wordt
herplaatst in andere of aangepaste arbeid zonder dat sprake is van
beëindiging van het dienstverband; dan wel
c. de betrokkene het Landelijk instituut sociale
verzekeringen verzoekt de uitkering op grond van
de WAO rechtstreeks aan hemzelf of een derde uit te betalen.
Art. 41.
-1. Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid stelt tezamen met Onze
Minister van Binnenlandse Zaken en Onze Minister van
Defensie nadere regels ten aanzien
van de betrokkene die als overheidswerknemer op het tijdstip waarop
fase 1, 2 of 3 van deze wet op hem van toepassing wordt, tegelijkertijd
recht heeft op twee of meer van de navolgende uitkeringen of
voorzieningen dan wel een combinatie daarvan:
a. twee of meer van de
navolgende rechten in verband met ongeschiktheid tot werken
wegens ziekte:
1º. bezoldiging of
uitkering in geval van ziekte;
2º. een ziekengeld op
grond van de ZW;
b. twee of meer van de
navolgende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen:
1º. een WAO-conforme
uitkering;
2º. een pensioen ter
zake van arbeidsongeschiktheid;
3º. een uitkering op
grond van de WAO;
4º. één of meer
uitkeringen overeenkomstig de normen van de WAO in de zin van het AMAR;
5º. een uitkering ter zake van arbeidsongeschiktheid op grond van een wettelijke regeling van
de Nederlandse Antillen, Aruba of een vreemde mogendheid;
c. twee of meer van de
navolgende werkloosheidsuitkeringen:
1º. één of meer
wachtgelden;
2º. één of meer
uitkeringen op grond van de WW;
d. twee of meer
loonsuppleties op grond van dan wel overeenkomstig artikel 60 van de WAO;
e. twee of meer
reïntegratie-uitkeringen op grond van dan wel overeenkomstig artikel 63
van de WAO.
Deze nadere regels
kunnen, zo nodig, tijdelijk van de artikelen 3 tot en met
38, de ZW, de WAO, de
WW, de Coördinatiewet Sociale Verzekering en de
Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 afwijken met betrekking tot de wijze waarop het
in artikel 4, eerste lid, of artikel 8, eerste lid, bedoelde ziekengeld op
grond van de ZW, de in artikel 13, eerste of tweede lid, of
artikel 23, eerste lid, bedoelde uitkering op grond van de WAO, dan wel de in
artikel 20, tweede lid, of artikel 28, tweede lid, bedoelde loonsuppletie of
reïntegratie-uitkering op grond van de WAO, dan wel de in artikel
31,
eerste, tweede of derde lid, bedoelde uitkering op grond van de WW, wordt
vastgesteld.
-2. De in het eerste lid
bedoelde regels hebben in ieder geval betrekking op de bepaling van:
a. de datum waarop het in
artikel 4, eerste lid, of artikel 8, eerste lid, bedoelde recht op een
ziekengeld op grond van de ZW, het in artikel 13, eerste of tweede lid, of
artikel 23, eerste lid, bedoelde recht op een uitkering op grond van de
WAO, het in artikel 20, tweede lid, of artikel
28, tweede lid, bedoelde
recht op een loonsuppletie of een reïntegratie-uitkering op grond van de WAO, dan
wel het in artikel 31, eerste, tweede of derde lid, bedoelde
recht op een uitkering op grond van de WW, van de betrokkene ingaat;
b. de mate van
arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO;
c. het dagloon in de zin
van de WAO, dan wel in de zin van de WW;
d. de uitvoeringsinstelling
die de in onderdeel a bedoelde werkzaamheden verricht;
e. de kostenverdeling,
met inbegrip van de uitvoeringskosten, ter zake van de in onderdeel a
bedoelde rechten.
-3. De in het eerste lid
bedoelde regels hebben tot doel te bereiken dat een hoogte en een duur
van het ingevolge deze wet aan de betrokkene toe te kennen ziekengeld op
grond van de ZW, uitkering op grond van de WAO, loonsuppletie of
reïntegratie-uitkering op grond van de WAO, dan wel uitkering op grond
van de WW, wordt vastgesteld die ten minste evenredig is aan de
hoogte en duur van het met de betreffende werknemersverzekering
overeenkomende deel van het wachtgeld, de uitkering of de
voorziening waarop de betrokkene in zijn hoedanigheid als
overheidswerknemer dan wel gewezen overheidswerknemer recht had op de dag voorafgaande aan
de datum waarop de betreffende werknemersverzekering ingevolge deze wet op
hem
van toepassing werd.
Art. 42.
-1. Vanaf het tijdstip van
aanvang van fase 1 van deze wet treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen in de plaats van het FAOP wat betreft de
overeenkomstige toepassing van de WAO, bedoeld in artikel 32, eerste lid, juncto
artikel 46, tweede lid, van de WPA, alsmede wat betreft de toepassing van de
AAW,
bedoeld in artikel 8 van de AAW.
-2. Onze Minister van
Defensie verricht handelingen met betrekking tot de toepassing van de
Amp-wet zoals die wet luidde op de dag voorafgaande aan het tijdstip van
aanvang van fase 1 van deze wet, voor zover het de toepassing van de
Amp-wet tot dat tijdstip betreft.
-3. De overheidswerkgever
verricht handelingen op grond van een regeling met betrekking
tot bezoldiging of uitkering in geval van ziekte dan wel wachtgeld zoals
bedoelde regeling luidde op de dag voorafgaande aan het tijdstip van
aanvang van fase 3 van deze wet, voor zover het de toepassing van bedoelde
regeling tot dat tijdstip betreft.
-4. Onze Minister van
Defensie en de overheidswerkgever doen mededeling aan het
Landelijk instituut sociale verzekeringen van handelingen als bedoeld
in het tweede onderscheidenlijk het derde lid. De artikelen 36 tot en met
39 zijn van overeenkomstige toepassing.
-5. Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan tezamen met Onze
Minister van Binnenlandse Zaken nadere en, zo nodig, tijdelijk afwijkende regels stellen
met betrekking tot het eerste tot en met het vierde lid.
§ 6.
Overige
bepalingen
Art. 43.
-1. Indien de
overheidswerknemer of de gewezen overheidswerknemer, bedoeld in artikel
4, dan
wel de beroepsmilitair of de gewezen beroepsmilitair, bedoeld in artikel
8,
ingevolge de op hem van toepassing zijnde rechtspositieregeling
recht heeft op bezoldiging of uitkering in geval van ziekte en tegelijkertijd
ter zake van hetzelfde dienstverband recht heeft op ziekengeld op grond van
de ZW, wordt het eerstbedoelde recht verminderd met het
ziekengeld.
-2. Zolang de
overheidswerknemer of de gewezen overheidswerknemer, bedoeld in artikel
31,
ingevolge de op hem van toepassing zijnde rechtspositieregeling
recht heeft op een wachtgeld en tegelijkertijd recht heeft op een uitkering op
grond van de WW, wordt het eerstbedoelde recht verminderd met de
uitkering op grond van de WW. De eerste volzin vindt geen toepassing in
het geval de uitkering op grond van de WW wordt genoten ter zake
van een dienstverband dat ter hand is genomen vóór de dag waarop het
ontslag, ter zake waarvan hem het wachtgeld is toegekend, hem is
aangezegd of door hem is aangevraagd, tenzij dat dienstverband ter hand is
genomen gedurende non-activiteit, vakantie of verlof onmiddellijk
voorafgaande aan bedoeld ontslag.
-3. Indien de in het
tweede lid bedoelde overheidswerknemer of gewezen
overheidswerknemer ingevolge de op hem van toepassing zijnde
rechtspositieregeling welke is gefixeerd op een datum gelegen vóór het tijdstip
van
aanvang fase 3, wat betreft zijn wachtgeld niet behoeft te voldoen aan de
verplichting te solliciteren of aan de verplichting als
werkzoekende ingeschreven te zijn bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie,
is hij, zolang hij recht heeft op dat wachtgeld, vrijgesteld
van de verplichting, bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel b, onder
1º,
van de WW en van de verplichting, bedoeld in
artikel
26, eerste lid,
onderdeel d, van die wet.
-4. Het eerste tot en met
het derde lid zijn uitsluitend van toepassing indien in de op
betrokkene van toepassing zijnde rechtspositieregeling geen bepalingen zijn
opgenomen ter zake van de in die leden bedoelde samenloop van rechten.
Art. 44.
-1. Het FAOP draagt met
ingang van het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet een deel van
zijn in artikel 21d, eerste volzin, van de Wet
FVP/ABP bedoelde
aanwezige vermogen over aan het Arbeidsongeschiktheidsfonds,
bedoeld in artikel 72 van de WAO.
-2. Het in het eerste lid
bedoelde deel van het vermogen bestaat uit:
a. een bedrag dat het
resultaat is van een breuk waarvan de teller wordt gevormd door het
aanwezige vermogen van het Arbeidsongeschiktheidsfonds,
bedoeld in artikel 72 van de WAO, vermenigvuldigd met de lasten van het
FAOP, bedoeld in artikel
21a van
de Wet
FVP/ABP, en de
noemer door de lasten van het Arbeidsongeschiktheidsfonds,
bedoeld in artikel 76, derde lid, van de WAO; en
b. een bedrag ter dekking
van de uitgaven op grond van artikel 42, eerste lid, met inbegrip
van de uitvoeringskosten van het Landelijk instituut sociale
verzekeringen ter zake van de toepassing van artikel 42, eerste lid.
-3. De toepassing van het
eerste lid geldt de aldaar genoemde aanwezige vermogens en
lasten op de dag voorafgaand aan het tijdstip van aanvang van fase 1
van deze wet.
-4. Onder "artikel 72 van
de WAO" en "artikel
76, derde lid, van de
WAO" in het tweede lid,
onderdeel a, genoemd, wordt verstaan de artikelen 72 en
76, derde
lid, van de WAO zoals dat artikel en dat artikellid luidden op de dag
voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet.
-5. Bij algemene maatregel
van bestuur op voordracht van Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid, in overeenstemming met Onze
Minister van Binnenlandse Zaken, worden regels gesteld met betrekking tot het eerste
en het tweede lid.
-6. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister van
Binnenlandse Zaken worden regels gesteld met betrekking tot liquidatie
van het FAOP.
Art. 45.
-1. Onverminderd het
bepaalde in deze wet zijn de ZW, de WAO en de
WW, alsmede de op die
wetten berustende bepalingen, van toepassing op het in dit hoofdstuk
bedoelde recht op uitkering op grond van die wetten, op het in aanmerking
brengen voor voorzieningen, vergoedingen of toelagen op grond van
artikel 20, eerste lid, of artikel 28, eerste lid, en op het in aanmerking brengen
voor loonsuppleties, loonkostensubsidies, opleiding of scholing of
reïntegratie-uitkeringen op grond van artikel 20, tweede lid, of
artikel 28, tweede lid.
-2. Besluiten of
uitkeringen op grond van onderscheidenlijk artikel 4, eerste lid,
artikel 8,
eerste lid, artikel 13, eerste of tweede lid, artikel
23, eerste lid, of artikel 31
worden beschouwd als besluiten of uitkeringen op grond van de verplichte
verzekering krachtens de ZW, de WAO onderscheidenlijk de WW.
-3. Voorzieningen,
toelagen of vergoedingen op grond van artikel 20, eerste lid, of
artikel 28, eerste lid, worden beschouwd als voorzieningen, toelagen of vergoedingen
op grond van de verplichte verzekering krachtens de WAO.
-4. Loonsuppleties,
loonkostensubsidies, opleiding of scholing of reïntegratie-uitkeringen
op grond van artikel 20, tweede lid, of artikel
28, tweede lid, worden
beschouwd als loonsuppleties, loonkostensubsidies, opleiding of scholing of
reïntegratie-uitkeringen op grond van de verplichte verzekering
krachtens de WAO.
Art.
46.
Bij algemene maatregel
van bestuur op voordracht van Onze
Minister van Binnenlandse Zaken, in overeenstemming met Onze Minister of Onze
Ministers wie het mede
aangaat, kunnen ter uitvoering van dit hoofdstuk nadere en, zo nodig,
tijdelijk afwijkende regels worden gesteld.
HOOFDSTUK
2
Wijziging
van wetten op het terrein van de sociale zekerheid alsmede van de Wet
arbeid gehandicapte werknemers en de Wet voorzieningen gehandicapten
Art. 47.
[MvT]
De Ziektewet wordt met
ingang van het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet als volgt
gewijzigd:
A.
[MvT]
Artikel 6, eerste lid,
onderdeel a, komt te luiden:
a. degene, bedoeld in
artikel 2, onderdeel a, van de Ambtenarenwet;.
B.
[MvT]
Na artikel 8a wordt
een artikel ingevoegd, luidende:
Art. 8b.
-1. Tot een bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur, op voordracht van Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid tezamen met Onze
Minister van Binnenlandse Zaken, te bepalen tijdstip:
a. wordt niet als
dienstbetrekking beschouwd de arbeidsverhouding van de
overheidswerknemer, bedoeld in artikel 1, onderdeel l, van de Wet overheidspersoneel onder
de werknemersverzekeringen; alsmede
b. is artikel 8a niet van
toepassing op degene die uitsluitend uit hoofde van één of meer
arbeidsverhoudingen als overheidswerknemer, dan wel uitsluitend uit hoofde
van één of meer voormalige arbeidsverhoudingen als gewezen
overheidswerknemer, een uitkering ontvangt op grond van de verplichte verzekering op
grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
-2. Het in het eerste lid
bedoelde tijdstip kan voor groepen van overheidswerknemers als
bedoeld in onderdeel a van dat lid, alsmede voor groepen van
overheidswerknemers en gewezen overheidswerknemers met recht op een
uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
als bedoeld in onderdeel b van dat lid, verschillend worden
vastgesteld.
-3. Bij of krachtens de
algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, kunnen nadere
en, zo nodig, tijdelijk van deze wet afwijkende regels worden gesteld.
C. [MvT]
Artikel 29, eerste
lid, komt te luiden:
-1. Behoudens de artikelen 29a en 29b
wordt geen ziekengeld uitgekeerd, indien de verzekerde:
a. uit hoofde van de
dienstbetrekking krachtens welke hij de arbeid behoort te verrichten,
recht heeft op loon als bedoeld in artikel 629 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel indien het recht op loon door toepassing van het derde,
vierde, vijfde of achtste lid van dat artikel geheel of gedeeltelijk
ontbreekt;
b. bij verhindering
wegens ziekte om zijn dienst te verrichten of zijn ambt te vervullen recht
heeft op bezoldiging als bedoeld in de zin van het Bezoldigingsbesluit
Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, dan wel van hetgeen daarmee
overeenkomt, dan wel indien het recht op die bezoldiging op grond van een reden
overeenkomstig artikel 629, derde, vierde, vijfde of achtste lid, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek geheel of gedeeltelijk ontbreekt.
D.
[MvT]
Na artikel 89 worden
twee nieuwe artikelen ingevoegd, luidende:
Art. 90.
[MvT]
Het ontwerp van een
algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8b
wordt bekendgemaakt in de Staatscourant.
Art. 91.
[MvT]
Een voordracht tot een
algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8b
wordt niet
gedaan dan nadat twee maanden na de in artikel 90 bedoelde mededeling zijn
verstreken. Gelijktijdig met de mededeling wordt het ontwerp aan de
beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. Binnen 30 dagen na de
overlegging kan door één der kamers of ten minste een vijfde van het
grondwettelijk aantal leden van één der kamers de wens te kennen worden
gegeven dat het in de maatregel geregelde onderwerp bij wet wordt
geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo
spoedig mogelijk ingediend.
Art. 48.
[MvT]
De Ziektewet wordt met
ingang het tijdstip van aanvang van fase 2 van deze wet als volgt
gewijzigd:
A. [MvT]
Na artikel 60 wordt
een nieuw artikel ingevoegd, luidende:
Art. 60a.
-1. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat artikel 60
tot een daarbij vast te stellen tijdstip niet van toepassing is op de
financiering van de uitgaven op grond van deze wet ten aanzien van
overheidswerknemers en gewezen overheidswerknemers als bedoeld in de Wet
overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen die verplicht verzekerd
zijn op grond van deze wet.
-2. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot de financiering van de uitgaven op grond van deze wet ten
aanzien van overheidswerknemers en gewezen overheidswerknemers als
bedoeld in de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen
die verplicht verzekerd zijn op grond van deze wet.
B.
[MvT]
In de artikelen 90 en
91 wordt telkens de zinsnede "een algemene maatregel van bestuur als
bedoeld in artikel 8b" vervangen door: een algemene maatregel van
bestuur als bedoeld in artikel 8b of artikel 60a.
Art. 49.
[MvT]
De Ziektewet wordt met
ingang van het tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet als volgt
gewijzigd:
A.
[MvT]
Artikel 8b vervalt.
B.
[MvT]
In de artikelen 90 en
91 wordt telkens de zinsnede "een algemene maatregel van bestuur als
bedoeld in artikel 8b of artikel 60a" vervangen door: een algemene
maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 60a.
Art. 50.
[MvT]
De Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
wordt met ingang van het tijdstip van aanvang
van fase 1 van deze wet als volgt gewijzigd:
A.
[MvT]
Artikel 6, eerste lid,
onderdeel a, komt te luiden:
a. degene, bedoeld in
artikel 2, onderdeel a, van de Ambtenarenwet;.
B.
In artikel 43b wordt
na "Burgerlijk
Wetboek" toegevoegd: , dan wel op bezoldiging ingevolge
artikel XV, tweede lid, vierde volzin, van de Wet terugdringing
ziekteverzuim.
C.
[MvT]
Artikel 62, eerste
lid, onderdeel a, wordt als volgt gewijzigd:
1. De zinsnede "een
privaatrechtelijke dienstbetrekking" wordt vervangen door: een
dienstbetrekking.
2. De zinsnede "of het
Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel,
bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Wet
financiële voorzieningen privatisering ABP," vervalt.
Art. 51.
[MvT]
De Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
wordt met ingang van het tijdstip van aanvang
van fase 3 van deze wet als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 7 wordt als
volgt gewijzigd:
1. Onderdeel d vervalt en
onderdeel e wordt verletterd tot onderdeel d.
2. In het nieuwe
onderdeel d wordt de zinsnede ", van de Wet
Werkloosheidsvoorziening of van een regeling als bedoeld in onderdeel d" vervangen door: of
van de Wet
Werkloosheidsvoorziening.
B. [MvT]
Artikel 10, eerste
lid, komt te luiden:
-1. Als werkgever wordt
beschouwd in de gevallen, bedoeld in artikel 7, onderdeel:
a: het Landelijk instituut sociale
verzekeringen;
b: de laatste werkgever;
c: het gemeentebestuur
dat de uitkering uitbetaalt;
d: degene die door Onze
Minister als werkgever wordt aangewezen.
C. [MvT]
In artikel 13, vierde
lid, vervalt de zinsnede "of krachtens een regeling als bedoeld in
artikel 7, onderdeel d,".
D. [MvT]
In artikel 66, vierde
lid, wordt de zinsnede "artikel 7,
onderdeel d en e" vervangen door:
artikel 7, onderdeel d.
Art. 52.
[MvT]
De Werkloosheidswet wordt
met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet
als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 7 wordt
vervangen door:
Art. 7.
-1. Tot een bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur, op voordracht van Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid tezamen met Onze
Minister van Binnenlandse Zaken, te bepalen tijdstip wordt niet als
dienstbetrekking beschouwd de arbeidsverhouding van de overheidswerknemer,
bedoeld in artikel 1, onderdeel l, van de Wet overheidspersoneel onder
de werknemersverzekeringen.
-2. Het in het eerste lid
bedoelde tijdstip kan voor groepen van overheidswerknemers
verschillend worden vastgesteld.
-3. Bij of krachtens de
algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, kunnen nadere
en, zo nodig, van deze wet afwijkende regels worden gesteld.
B.
[MvT]
Artikel 17b, eerste
lid, komt te luiden:
-1. Voor de toepassing van
artikel 17, onderdeel b, onder 1º, worden met dagen waarover loon is
ontvangen, gelijkgesteld:
a. dagen waarover een
persoon recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of een toelage ontvangt op
grond van artikel 58, eerste of derde lid, van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, die al dan niet vermeerderd met een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
70% of meer bedraagt van het dagloon waarnaar zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn
berekend, dan wel een
uitkering ontvangt die naar aard en strekking daarmee overeenkomt;
b. dagen waarover een
persoon een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk III van de
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen,
berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van ten minste 80% of een toelage op grond van dat
hoofdstuk, die al dan niet vermeerderd met de arbeidsongeschiktheidsuitkering
70% of meer bedraagt van het dagloon waarnaar de
arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn berekend.
Art. 53.
[MvT]
Met ingang van het
tijdstip van aanvang van fase 2 van deze wet wordt na artikel 97 van de Werkloosheidswet
een nieuw artikel ingevoegd, luidende:
Art. 97a.
-1. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat dit hoofdstuk
tot een daarbij vast te stellen tijdstip van overeenkomstige
toepassing is op de financiering van de uitgaven ter zake van een wachtgeld
als bedoeld in artikel 1, onderdeel r, van de Wet overheidspersoneel onder
de werknemersverzekeringen.
-2. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen regels en nadere regels worden
gesteld met betrekking tot het eerste lid.
-3. Bij de toepassing van
het tweede lid hebben de in dat lid bedoelde regels in ieder geval
betrekking op:
a. de vaststelling van
het deel van de uitgaven dat betrekking heeft op wachtgelden als bedoeld
in artikel 1, onderdeel r, van de Wet overheidspersoneel onder de
werknemersverzekeringen waarop dit hoofdstuk van overeenkomstige
toepassing is;
b. de premie die
noodzakelijk is voor de financiering van de uitgaven, bedoeld in onderdeel
a.
Art. 54.
[MvT]
De Werkloosheidswet wordt
met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet
als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 7 vervalt.
B. [MvT]
In artikel 17b, zesde
lid, vervalt onderdeel a en worden de onderdelen b en c
verletterd tot onderdelen a en b.
C. [MvT]
In artikel 45, vierde
lid, vervalt de zinsnede "dan wel een uitkering ontvangt die naar aard en
strekking daarmee overeenkomt op grond van een regeling voor de
persoon, bedoeld in artikel 7, eerste lid,".
D. [MvT]
De artikelen 125 en
126 vervallen.
Art. 55.
[MvT]
In artikel 10, eerste
lid, van de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid wordt met
ingang van het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet de zinsnede
"een lichaam als bedoeld in artikel A 1, onderdeel d, van die wet" vervangen
door: een lichaam als bedoeld in artikel A 1, onderdeel c, van die wet.
Art. 56.
[MvT]
Met ingang van het
tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet vervalt artikel 10 van de
Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid.
Art. 57.
[MvT]
Artikel 2 van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers wordt met ingang van het tijdstip van aanvang van
fase 1 van deze wet als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid,
onderdeel c, onder 4º, komt te luiden:
4º. recht heeft op
uitkering op grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet,
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de
Liquidatiewet
ongevallenwetten of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
militairen, berekend naar
een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%;.
2. Het derde, het vierde
en het vijfde lid vervallen.
Art. 58.
[MvT]
De Wet arbeid
gehandicapte werknemers wordt met ingang van het tijdstip van aanvang van
fase 1 van deze wet als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 1 wordt als
volgt gewijzigd:
1. Onderdeel b komt te
luiden:
b. gehandicapte
werknemer: een werknemer:
1º. aan wie een
arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend krachtens de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet of de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
2º. aan wie een
arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens artikel 5 van de
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen is toegekend en die
geheel of gedeeltelijk
arbeidsongeschikt is in de zin van die wet;
3º. voor wie, met
toepassing van artikel 57, eerste lid, of artikel 57a van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet dan wel met toepassing van een
door Onze
Minister, na
overleg met Onze Minister wie het mede aangaat, met genoemde bepalingen
gelijkgestelde regeling, een voorziening binnen het bedrijf is
getroffen en die zonder die voorziening niet in staat is zijn arbeid te
verrichten;
4º. die tengevolge van
ziekte of gebreken duidelijke belemmeringen ondervindt bij het
verkrijgen of verrichten van arbeid, dan wel door bijzondere maatregelen of
voorzieningen in staat is gesteld arbeid te verkrijgen of te verrichten, voor zover bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur
aangewezen;.
2. Onderdeel g vervalt.
B. [MvT]
Artikel 6 wordt als
volgt gewijzigd:
1. In het tweede lid
vervalt de zinsnede "of het Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering
overheidspersoneel".
2. In het derde lid
vervalt de zinsnede "en het Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering
overheidspersoneel".
C. [MvT]
Artikel 8 komt te
luiden:
Art. 8.
-1. Indien de
arbeidsprestatie van een werknemer in een bepaalde functie tengevolge van
ziekte of gebreken duidelijk minder is dan de arbeidsprestatie die in
de desbetreffende functie als normaal wordt beschouwd, vermindert het Landelijk instituut sociale
verzekeringen op verzoek van de betrokken
werkgever of werknemer de hoogte van de aanspraak op een
geldelijke beloning voor de verrichte arbeid naar evenredigheid, zo nodig
in afwijking van hetgeen bij of krachtens de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag is bepaald.
-2. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de
termijn waarbinnen een beschikking op aanvraag ingevolge dit artikel
dient te worden gegeven. Deze algemene maatregel van bestuur vervalt met
ingang van 1 januari 1999.
-3. In afwijking van
artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht beslist het
Landelijk instituut sociale verzekeringen binnen dertien weken na
ontvangst van het bezwaarschrift.
D. [MvT]
In artikel 10,
onderdeel b, vervalt de zinsnede "of het Algemeen burgerlijk
pensioenfonds".
E. [MvT]
Artikel 11 wordt als
volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te
luiden:
-1. De vaststelling en de
invordering van de krachtens artikel 5, eerste lid, verschuldigde
geldelijke bijdrage, alsmede de vaststelling en de uitbetaling van de
krachtens artikel 5, tweede lid, verschuldigde geldelijke tegemoetkoming, geschiedt
door het Landelijk instituut sociale
verzekeringen.
2. Het tweede lid
vervalt, onder vernummering van het derde en vierde lid tot tweede en derde
lid.
F. [MvT]
Artikel 16 wordt als
volgt gewijzigd:
1. In het tweede lid
wordt de zinsnede "en het Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel
hebben" vervangen door: heeft.
2. In het derde lid
vervalt de zinsnede "en het Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering
overheidspersoneel".
Art. 59.
[MvT]
Artikel 10 van de Wet
voorzieningen gehandicapten komt met ingang van het tijdstip van
aanvang van fase 1 van deze wet als volgt te luiden:
Art. 10.
Onze Minister van Defensie is bevoegd uit eigen beweging en desgevraagd verplicht,
kosteloos, uit de door of namens hem gevoerde administratie aan de
gemeentebesturen die gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de
uitvoering van deze wet.
Art. 60.
[MvT]
In artikel 6, eerste lid,
onderdeel r, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering wordt met
ingang van het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet de puntkomma
vervangen door een komma en wordt een zinsnede toegevoegd,
luidende: dan wel ter zake van één van de volgende publiekrechtelijke
ziektekostenverzekeringen: het Instituut Zorgverzekering
Ambtenaren Nederland, de Interprovinciale ziektekostenregeling 1988 of het
Besluit
geneeskundige verzorging politie 1994;.
Art. 61.
[MvT]
Met ingang van het
tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet vervalt paragraaf 6 van hoofdstuk
4 van de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997.
Art. 62.
[MvT]
-1. Met ingang van het
tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet wordt in artikel
XV,
tweede lid, van de Wet terugdringing ziekteverzuim na de derde volzin een
volzin toegevoegd, luidende: Indien de werkgever de aangifte overeenkomstig
artikel 38, eerste lid, van de Ziektewet later doet dan op grond van
artikel
85 van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen
overeenkomstig het eerstgenoemde artikel is voorgeschreven, wordt het
in de eerste volzin bedoelde tijdvak met de duur van de vertraging
verlengd.
-2. In artikel XV van de
Wet terugdringing ziekteverzuim vervalt met ingang van het tijdstip
van aanvang van fase 2 van deze wet het zevende lid, onder vernummering
van het achtste tot en met dertiende lid tot zevende tot en met
twaalfde lid.
-3. Artikel XV van de
Wet
terugdringing ziekteverzuim is niet van toepassing op de
overheidswerknemer die op of na het tijdstip van aanvang van fase 2 van
deze wet recht verkrijgt op een uitkering op grond van de Ziektewet.
Art. 63.
[MvT]
De artikelen XX tot en
met XXVII van de Wet terugdringing beroep op de
arbeidsongeschiktheidsregelingen vervallen met ingang van het tijdstip van aanvang van
fase 1 van deze wet.
Art. 64.
[MvT]
Met ingang van het
tijdstip van aanvang van fase 2 van deze wet, bedoeld in artikel
53,
wordt de Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria
voor de overheidswerknemers, bedoeld in artikel 1, onderdeel l,
en de gewezen overheidswerknemers op wie de WW
van
toepassing wordt, als volgt gelezen:
A. [MvT]
In artikel 1,
onderdeel a, wordt na "Wet
privatisering ABP"
toegevoegd: , invaliditeitspensioen,
bedoeld in de Spoorwegpensioenwet of de Algemene burgerlijke
pensioenwet.
B. [MvT]
Artikel 1, onderdeel b,
wordt als volgt gelezen:
b. werkloze persoon: de
persoon, bedoeld in artikel 2;.
C. [MvT]
Artikel 2, tweede lid,
wordt als volgt gelezen:
-2. Deze wet en de daarop
berustende bepalingen zijn mede van toepassing op de persoon,
bedoeld in artikel XX, XXI,
XXIV of XXV van de
Wet terugdringing beroep
op de arbeidsongeschiktheidsregelingen, zoals die wet luidde op de dag
vóór inwerkingtreding van de Wet overheidspersoneel onder de
werknemersverzekeringen, en die op 31 december 1986 de leeftijd van 35
jaar had bereikt en:
a. die door de toepassing
of overeenkomstige toepassing van artikel 18 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering zijn recht op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering
verliest, dan wel voor een lagere arbeidsongeschiktheidsuitkering
in aanmerking komt; of
b. wiens recht op
pensioen door toepassing van artikel E 6 van de Algemene militaire
pensioenwet op een lagere mate van arbeidsongeschiktheid wordt gebaseerd.
D. [MvT]
Artikel 2, derde lid,
wordt als volgt gelezen:
-3. Deze wet en de daarop
berustende bepalingen zijn mede van toepassing op de persoon
die op 1 augustus 1993 de leeftijd van 45 jaar had bereikt en die op 31
juli 1993 recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering of een herplaatsingstoelage of
herplaatsingswachtgeld op
grond van de Spoorwegpensioenwet of de Algemene burgerlijke
pensioenwet en die vanaf 1 augustus 1993 door de toepassing van artikel 5
van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, artikel F 7 van de
Spoorwegpensioenwet, artikel F 8a van de Algemene burgerlijke pensioenwet,
artikel E 6 van de Algemene militaire pensioenwet of de
toepassing of overeenkomstige toepassing van artikel 18 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, zoals deze artikelen voor deze
persoon na de inwerkingtreding van de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen zijn blijven
luiden, zijn recht op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering verliest of heeft verloren dan wel voor een
lagere arbeidsongeschiktheidsuitkering in aanmerking komt of is gekomen.
E. [MvT]
In artikel 9, eerste
tot en met het derde lid, wordt "artikel 2, eerste of derde lid" vervangen
door: artikel 2, eerste, tweede of derde lid.
F. [MvT]
In artikel 9, zesde
tot en met het achtste lid, wordt "artikel
2, tweede lid" vervangen door:
artikel 2, tweede of derde lid.
G. [MvT]
Onder vernummering van
het negende en tiende lid van artikel 9 tot het elfde en twaalfde lid
worden in dat artikel een nieuw negende en tiende lid ingevoegd,
luidende:
-9. Het dagloon dat ten
grondslag ligt aan de uitkering van de werkloze persoon aan wie op de
dag vóór de toepassing, bedoeld in artikel 2, derde lid, een
invaliditeitspensioen wordt uitbetaald op grond van de Algemene burgerlijke
pensioenwet of de Spoorwegpensioenwet, is gelijk aan de door 261 gedeelde
berekeningsgrondslag waarnaar dat pensioen was berekend. Indien op
het in de eerste volzin bedoelde pensioen ingevolge artikel F 9a
van de Algemene burgerlijke pensioenwet of artikel F 7a van de Spoorwegpensioenwet een toeslag was verleend, wordt voor
de vaststelling van het
dagloon het bedrag van de berekeningsgrondslag verhoogd met die toeslag.
Artikel 15 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering is van toepassing op het
dagloon, bedoeld in dit lid.
-10. Indien het recht op
invaliditeitspensioen is toegekend uit een deeltijdbetrekking, geldt
in afwijking van het negende lid als dagloon het bedrag dat overeenkomstig
dat lid wordt verkregen en vervolgens is vermenigvuldigd met de
deeltijdfactor.
H. [MvT]
In het nieuwe twaalfde
lid van artikel 9 wordt "het negende lid" vervangen door: het elfde
lid.
Art. 65.
De Tijdelijke wet
beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria wordt met ingang van het
tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet, bedoeld in artikel
54, als volgt gewijzigd:
A.
Artikel 1 wordt als
volgt gewijzigd:
1. In onderdeel a, wordt
na "Wet
privatisering ABP" toegevoegd: , invaliditeitspensioen,
bedoeld in de Spoorwegpensioenwet of de Algemene burgerlijke
pensioenwet.
2. Onderdeel b komt te
luiden:
b. werkloze persoon: de
persoon, bedoeld in artikel 2;.
B.
Artikel 2 wordt als
volgt gewijzigd:
1. Het tweede lid komt te
luiden:
-2. Deze wet en de daarop
berustende bepalingen zijn mede van toepassing op de persoon,
bedoeld in artikel XX, XXI,
XXIV of XXV van de
Wet terugdringing beroep
op de arbeidsongeschiktheidsregelingen, zoals die wet luidde op de dag
vóór inwerkingtreding van de Wet overheidspersoneel onder de
werknemersverzekeringen, en die op 31 december 1986 de leeftijd van 35
jaar had bereikt en:
a. die door de toepassing
of overeenkomstige toepassing van artikel 18 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering zijn recht op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering
verliest, dan wel voor een lagere arbeidsongeschiktheidsuitkering
in aanmerking komt; of
b. wiens recht op
pensioen door toepassing van artikel E 6 van de Algemene militaire
pensioenwet op een lagere mate van arbeidsongeschiktheid wordt gebaseerd.
2. Het derde lid komt te
luiden:
-3. Deze wet en de daarop
berustende bepalingen zijn mede van toepassing op de persoon
die op 1 augustus 1993 de leeftijd van 45 jaar had bereikt en die op 31
juli 1993 recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering of een
herplaatsingstoelage of herplaatsingswachtgeld op grond van de
Spoorwegpensioenwet of de Algemene burgerlijke pensioenwet en die vanaf 1 augustus
1993 door de toepassing van artikel 5 van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, artikel F 7 van de Spoorwegpensioenwet, artikel F
8a van de
Algemene burgerlijke pensioenwet, artikel E 6 van de
Algemene militaire pensioenwet of de toepassing of overeenkomstige
toepassing van artikel 18 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, zoals deze artikelen voor
deze persoon na de inwerkingtreding van de
Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen zijn blijven luiden, zijn
recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering verliest of heeft verloren dan wel voor
een lagere
arbeidsongeschiktheidsuitkering in aanmerking komt of is gekomen.
C.
Artikel 9 wordt als
volgt gewijzigd:
1. In het eerste tot en
met het derde lid wordt "artikel 2, eerste of derde lid" vervangen door:
artikel 2, eerste, tweede of derde lid.
2. In het zesde tot en
met het achtste lid wordt "artikel 2, tweede lid" vervangen door:
artikel 2, tweede of derde lid.
3. Onder vernummering van
het negende en tiende lid tot het elfde en twaalfde lid worden een
nieuw negende en tiende lid ingevoegd, luidende:
-9. Het dagloon dat ten
grondslag ligt aan de uitkering van de werkloze persoon aan wie op de
dag vóór de toepassing, bedoeld in artikel 2, derde lid, een
invaliditeitspensioen wordt uitbetaald op grond van de Algemene burgerlijke
pensioenwet of de Spoorwegpensioenwet, is gelijk aan de door 261 gedeelde
berekeningsgrondslag waarnaar dat pensioen was berekend. Indien op
het in de eerste volzin bedoelde pensioen ingevolge artikel F 9a
van de Algemene burgerlijke pensioenwet of artikel F 7a van de Spoorwegpensioenwet een toeslag was verleend, wordt voor
de vaststelling van het
dagloon het bedrag van de berekeningsgrondslag verhoogd met die toeslag.
Artikel 15 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering is van toepassing op het
dagloon, bedoeld in dit lid.
-10. Indien het recht op
invaliditeitspensioen is toegekend uit een deeltijdbetrekking, geldt
in afwijking van het negende lid als dagloon het bedrag dat overeenkomstig
dat lid wordt verkregen en vervolgens is vermenigvuldigd met de
deeltijdfactor.
4. In het nieuwe twaalfde
lid wordt "het negende lid" vervangen door: het elfde lid.
Art. 66.
[MvT]
De Wet
premiedifferentiatie en marktwerking bij
arbeidsongeschiktheidsverzekeringen wordt met ingang van het
tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet als
volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel II komt te
luiden:
Art. II.
-1. Onder de uitkeringen,
bedoeld in artikel 76d, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, worden mede
verstaan:
a. de op grond van
artikel 13, eerste of tweede lid, eerste volzin, van de Wet overheidspersoneel
onder de werknemersverzekeringen toegekende uitkeringen;
b. de op grond van
artikel 13, tweede lid, tweede volzin, van de Wet overheidspersoneel onder
de werknemersverzekeringen bij wijze van voorschot toegekende
uitkeringen;
c. de op grond van
artikel 23, eerste lid, van de Wet overheidspersoneel onder de
werknemersverzekeringen toegekende uitkeringen.
-2. Onder de
uitvoeringskosten, bedoeld in artikel 76d, eerste lid, onderdeel b, van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, worden mede verstaan de
kosten die zijn verbonden aan de uitvoering van de artikelen
13,
eerste en tweede lid, en 23, eerste lid, van de Wet overheidspersoneel onder
de werknemersverzekeringen.
-3. Onder de
loonsuppletie, bedoeld in artikel 76d, eerste lid, onderdeel c, van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, wordt mede verstaan de in
artikel 20, tweede lid, van de Wet overheidspersoneel onder de
werknemersverzekeringen of artikel 28, tweede lid, van die wet bedoelde loonsuppletie.
-4. Onder de
loonkostensubsidie, bedoeld in artikel 76d, eerste lid, onderdeel
d, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, wordt mede verstaan de in
artikel 20, tweede lid, van de Wet overheidspersoneel onder de
werknemersverzekeringen of artikel 28, tweede lid, van die wet bedoelde loonkostensubsidie.
-5. Onder de kosten van
opleiding of scholing, bedoeld in artikel 76d, eerste lid, onderdeel
e,
van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, worden mede verstaan de
kosten van een opleiding of scholing als bedoeld in artikel
20,
tweede lid, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen
of artikel 28, tweede lid, van die wet.
-6. Onder de
voorzieningen, bedoeld in artikel 76d, eerste lid, onderdeel f, van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, worden mede verstaan de in
artikel 20, tweede lid, van de Wet overheidspersoneel onder de
werknemersverzekeringen of artikel 28, tweede lid, van die wet bedoelde voorzieningen.
-7. Onder de vergoedingen,
bedoeld in artikel 76d, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, worden mede
verstaan de in artikel 20, tweede lid, van de Wet overheidspersoneel onder de
werknemersverzekeringen of artikel 28, tweede lid, van die wet bedoelde vergoedingen.
-8. Onder de toelagen en
vergoedingen, bedoeld in artikel 76d, eerste lid, onderdeel h, van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, worden mede verstaan de
in artikel 20, tweede lid, van de Wet overheidspersoneel onder de
werknemersverzekeringen of artikel 28, tweede lid, van die wet bedoelde toelagen en vergoedingen.
B. [MvT]
De artikelen III tot
en met VI vervallen.
C. [MvT]
Artikel VII wordt als
volgt gewijzigd:
1. Telkens vervallen de
woorden "en pensioenen".
2. De zinsnede "in
artikel 21a van de Wet
privatisering ABP en in artikel IV van deze
wet,"
vervalt.
Art. 67.
[MvT]
De Invoeringswet nieuwe
en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen wordt met ingang van het
tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel VIII wordt als
volgt gewijzigd:
1. Het tweede tot en met
het vijfde lid vervallen.
2. Het zesde lid wordt
vernummerd tot tweede lid.
B. [MvT]
De artikelen XLVII tot
en met LI vervallen.
HOOFDSTUK
3
Wijziging
van andere wetten
Art. 68.
[MvT]
De Wet
financiële voorzieningen privatisering ABP wordt met ingang van het tijdstip van
aanvang van fase 1 van deze wet als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 1, onderdeel
j en s, vervallen.
B. [MvT]
De artikelen 21 tot en
met 27 en het daarboven geplaatste opschrift "§ 4. Het FAOP en
de financiering daarvan" vervallen.
C. [MvT]
Artikel 28 wordt als
volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid,
onderdeel b, onder 3º, komt als volgt te luiden:
3º. degene die
voorzitter of lid van een waterschap is, of van een ander publiekrechtelijk
lichaam, en als zodanig geen werknemer is in de zin van de Ziektewet
en de Werkloosheidswet.
2. In het tweede lid,
onderdeel a, onder 3º, wordt de zinsnede "de artikelen 30 en 31" vervangen
door: artikel 31.
3. In het tweede lid
vervalt onderdeel b.
4. In het derde lid
worden de woorden "een WAO-conforme uitkering" vervangen
door: een
WAO-uitkering.
5. In het vierde lid
vervalt onder 1º, onder vernummering van onder 2º en 3º tot onder 1º en
2º.
D. [MvT]
Artikel 29 wordt als
volgt gewijzigd:
1. Voor het eerste lid
vervalt de aanduiding "-1." en wordt het woord "inhoudingen" vervangen
door: inhouding.
2. Het tweede lid
vervalt.
E. [MvT]
Artikel 30 vervalt.
F. [MvT]
Artikel 31, eerste
lid, komt te luiden:
-1. De werkgever houdt op
het loon van de werknemer een inhouding inzake werkloosheid in
ter grootte van een percentage van de heffingsgrondslag dat overeenkomt met het
premiedeel dat op grond van artikel 86, eerste lid, van de
Werkloosheidswet
wordt vastgesteld door het Landelijk instituut sociale
verzekeringen, voor zover dat premiedeel ten laste wordt gebracht van
de werknemer in de zin van die wet.
G. [MvT]
Artikel 32a vervalt.
H. [MvT]
Artikel 32b vervalt.
I. [MvT]
De artikelen 44 tot en
met 49 en 51 en het daarboven geplaatste opschrift "§ 8.
Nadere bepalingen inzake het FAOP" vervallen.
Art. 69.
[MvT]
Artikel 28, eerste lid,
onderdeel b, van de Wet
financiële voorzieningen privatisering ABP komt
met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 2 van deze wet als volgt
te luiden:
b. werknemer: voor zover
geen werknemer in de zin van de Ziektewet en de
Werkloosheidswet:
1º. de
overheidswerknemer in de zin van de Wet
privatisering ABP;
2º. de militair
ambtenaar, bedoeld in artikel 1, eerste en tweede lid, van de Militaire
Ambtenarenwet 1931, tenzij hij aanspraak heeft op zakgeld of voor eerste oefening
onder de wapenen is;
3º. degene die
voorzitter of lid van een waterschap is, of van een ander publiekrechtelijk
lichaam;
4º. degene die behoort
tot het personeel van de Koninklijke Hofhouding, bedoeld in
artikel 1, onderdeel b, van de Wet
gevolgen privatisering ABP voor het personeel van de Koninklijke
Hofhouding.
Art. 70.
[MvT]
Met ingang van het
tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet wordt de Wet
financiële voorzieningen privatisering ABP als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 28 en het
daarboven geplaatste opschrift "§ 5. De inhoudingen op het loon"
vervalt.
B. [MvT]
Artikel 29 vervalt.
C. [MvT]
Artikel 31 vervalt.
Art. 71.
[MvT]
De Wet
privatisering ABP wordt met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 1 van
deze wet als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Van artikel 1 vervalt
onderdeel j.
B. [MvT]
De artikelen 32 tot en
met 45 en het daarboven geplaatste opschrift "§ 9. De
arbeidsongeschiktheidsverzekering van overheidswerknemers"
vervallen.
C. [MvT]
De artikelen 46 tot en
met 53 en het daarboven geplaatste opschrift "§ 10. Nadere
bepalingen inzake de uitvoering van de arbeidsongeschiktheidsverzekering
van overheidswerknemers" vervallen.
D. [MvT]
Artikel 57 vervalt.
E. [MvT]
Artikel 59 vervalt.
F. [MvT]
Artikel 60 vervalt.
G. [MvT]
Artikel 64 vervalt.
H. [MvT]
Artikel 67 vervalt.
I. [MvT]
Artikel 76 vervalt.
Art. 72.
[MvT]
In de bijlage bij de
Beroepswet wordt met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 1 van
deze wet bij onderdeel C ingevoegd:
20b. Wet overheidspersoneel onder
de werknemersverzekeringen.
Art. 73.
[MvT]
De Algemene militaire
pensioenwet wordt met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 1
van deze wet als volgt gewijzigd:
A.
[MvT
+ bis]
Artikel A 6, eerste
lid, onderdeel a, komt te luiden:
a. Het
arbeidsongeschiktheidspensioen en het aanvullend diensttijdpensioen, bedoeld in artikel E 6,
het verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen, bedoeld in artikel E 6a
en artikel E 3, vierde lid en artikel E 4, tweede lid, alsmede de
herplaatsingstoelage, bedoeld in artikel E 6b;.
B.
[MvT
+ bis]
Aan artikel D 1 wordt
een nieuw lid toegevoegd, luidende:
-8. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat ook andere
tijd dan genoemd in de voorgaande leden geheel of gedeeltelijk wordt
gelijkgesteld met voor pensioen geldige diensttijd.
C.
[MvT
+ bis]
In artikel E 2 vervalt
het tweede lid alsmede de aanduiding "-1." voor het eerste lid.
D.
[MvT
+ bis]
Artikel E 2a wordt
gewijzigd als volgt:
1. In het eerste lid
wordt de zinsnede "en artikel E 2, eerste lid, onderdeel c," vervangen door: en
artikel E 2, onderdeel c,.
2. Aan het eerste lid
wordt, na vervanging van de punt door een komma, toegevoegd: en
artikel E 6a.
3. In het tweede lid
wordt de zinsnede "en artikel E 2, eerste lid, onderdeel b;" vervangen door: en
artikel E 2, onderdeel b;.
4. Na het tweede lid
wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:
-3. Voor de toepassing van
artikel E 3, vierde lid, artikel E 4, tweede lid, artikel E 6 en artikel E
6a wordt verstaan onder:
a. arbeidsongeschiktheid:
de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, dan wel de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen;
b.
arbeidsongeschiktheidsuitkering: een uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, dan wel de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, vermeerderd
met de vakantie-uitkering.
E.
[MvT
+ bis]
Aan artikel E 3 worden
twee nieuwe leden toegevoegd, luidende:
-4. De reservist aan wie
als zodanig ontslag is verleend en die arbeidsongeschikt is, heeft met ingang van
de dag waarop het ontslag ter zake van ziekten of gebreken
is verleend, dan wel de dag waarop het recht uit anderen hoofde ontstaat,
recht op een verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen indien en voor zolang hij
aanspraak heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
en indien sprake is van arbeidsongeschiktheid met dienstverband als
bedoeld in artikel E 11a.
-5. De reservist, bedoeld
in het vierde lid, heeft van de eerste dag van de maand waarin de leeftijd
van 65 jaar is of, in geval van eerder overlijden, zou zijn bereikt, indien
voor hem op dat tijdstip ten minste vijf voor pensioen geldige
dienstjaren kunnen worden aangewezen, recht op een pensioen overeenkomstig
het bepaalde in artikel E 1, onderdeel a, artikel E 6, vierde lid, artikel F 3
en artikel F 7, behoudens het zevende lid van dat artikel.
F.
[MvT
+ bis]
Artikel E 4 wordt
gewijzigd als volgt:
1. Voor de tekst van
artikel E 4 wordt de aanduiding "-1." geplaatst.
2. Na het eerste lid
worden twee nieuwe leden toegevoegd, luidende:
-2. De dienstplichtige
aan wie als zodanig ontslag is verleend en die arbeidsongeschikt is,
heeft met ingang van de dag waarop het ontslag ter zake van ziekten of
gebreken is verleend, dan wel de dag waarop het recht uit anderen hoofde
ontstaat, recht op een verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen indien en
voor zolang hij aanspraak heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
en indien sprake is van arbeidsongeschiktheid met dienstverband als
bedoeld in artikel E 11a.
-3. De dienstplichtige,
bedoeld in het tweede lid, heeft van de eerste dag van de maand waarin de
leeftijd van 65 jaar is of, in geval van eerder overlijden, zou zijn
bereikt, indien op dat tijdstip ten minste vijf voor pensioen geldige
dienstjaren kunnen worden aangewezen, recht op een pensioen overeenkomstig
het bepaalde in artikel E 1, onderdeel a, artikel E 6, vierde lid, en artikel F
7, behoudens het zevende lid van dat artikel.
G.
[MvT]
In artikel E 5 wordt
de zinsnede "of artikel E 4" vervangen door: artikel E 4, eerste en
tweede lid,.
H.
[MvT
+ bis]
Artikel E 6 wordt
gewijzigd als volgt:
1. Het eerste tot en met
achtste lid worden vervangen door:
-1. De beroepsmilitair,
bedoeld in de artikelen E 1, onderdeel b en c, en E 2, onderdeel c, die
arbeidsongeschikt is, heeft, indien en voor zolang hij aanspraak heeft op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering, indien een arbeidsongeschiktheid is
vastgesteld:
a. van 80% of meer, recht
op een arbeidsongeschiktheidspensioen met met ingang van de dag
waarop het ontslag ter zake van ziekten of gebreken is verleend, dan
wel de dag waarop het recht uit anderen hoofde ontstaat;
b. tussen 15 en 80%,
recht op een arbeidsongeschiktheidspensioen met ingang van de dag waarop
de aanspraak op een uitkering krachtens de Suppletieregeling
defensiepersoneel is beëindigd.
-2. Het
arbeidsongeschiktheidspensioen van de gepensioneerde beroepsmilitair die de
leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt en op wie het eerste lid niet van
toepassing is, is tot de eerste dag van de maand waarin hij die leeftijd
bereikt, het in artikel E 2a, eerste lid, bedoelde pensioen, met
inachtneming van het tweede lid van dat artikel.
-3. Het
arbeidsongeschiktheidspensioen van degene op wie het eerste lid van toepassing is, is
het in artikel E 2a, eerste lid, bedoelde pensioen, met inachtneming van het
tweede lid van dat artikel, indien de som van die bedragen hoger is dan
de som van de arbeidsongeschiktheidsuitkering en het arbeidsongeschiktheidspensioen.
2. Het negende tot en met
twaalfde lid worden vernummerd tot vierde tot en met zevende lid.
3. In het tot vierde lid
vernummerde negende lid wordt de zinsnede "of artikel E 2, eerste lid,
onderdeel c," vervangen door: of artikel E 2, onderdeel c,.
4. In het tot vijfde lid
vernummerde tiende lid wordt de zinsnede "of artikel E 2, eerste lid,
onderdeel c," vervangen door: of artikel E 2, onderdeel c,.
I.
[MvT
+ bis]
Na artikel E 6 worden
twee nieuwe artikelen ingevoegd, luidende:
Art. E 6a.
[MvT]
In afwijking van artikel
E 6, eerste lid, heeft de beroepsmilitair bij arbeidsongeschiktheid met
dienstverband als bedoeld in artikel E 11a recht op een
arbeidsongeschiktheidspensioen met ingang van de dag waarop het ontslag ter
zake van ziekten of gebreken is verleend, dan wel de dag waarop het recht
uit anderen hoofde ontstaat en heeft betrokkene daarnaast recht op een
verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen, indien het totaal van de
bedragen van:
a. de
arbeidsongeschiktheidsuitkering;
b. het arbeidsongeschiktheidspensioen, bedoeld in artikel E 6;
c. een pensioen als
bedoeld in artikel E 2 of artikel E 3, eerste lid, dat op dezelfde dag is ingegaan
als het pensioen, bedoeld onder b;
d. in een voorkomend
geval, de tropenverhoging, bedoeld in artikel E 10; en
e. in een voorkomend
geval, de uitkering krachtens de Suppletieregeling defensiepersoneel;
lager is dan het
percentage van de pensioengrondslag, bedoeld in artikel F 6a, dan wel F
6c.
Art. E 6b.
[MvT]
-1. Recht op een
herplaatsingstoelage heeft de beroepsmilitair, bedoeld in artikel E 6, die:
a. wordt herplaatst in één of meer andere dienstbetrekkingen; en
b. niet volledig
arbeidsongeschikt is; en
c. zijn resterende
verdiencapaciteit volledig benut.
-2. De
herplaatsingstoelage eindigt:
a. met het einde van de
maand waarin betrokkene is overleden; of
b. met ingang van de
eerste dag van de maand waarin de betrokkene de leeftijd van 65 jaar
bereikt; of
c. met ingang van de
eerste dag van de maand volgende op die waarin niet meer wordt voldaan
aan de in het eerste lid genoemde voorwaarden.
J.
[MvT
+ bis]
Artikel E 7 wordt
gewijzigd als volgt:
1. Het eerste lid komt te
luiden:
-1. De beroepsmilitair,
bedoeld in de artikelen E 1, onderdeel b en c, en E 2, onderdeel c, alsmede de
reservist die recht heeft op een pensioen als bedoeld in artikel E 3, eerste
lid, onderdeel c, onder 1º, hebben bij invaliditeit met dienstverband als bedoeld
in artikel E 11, zonder dat voor hen uit hoofde van die invaliditeit
recht op een pensioen krachtens deze regeling of een vroegere militaire
pensioenwet bestaat ter zake van een eerder ontslag, recht op een
invaliditeitsverhoging. Met ingang van de eerste dag van de maand waarin de
beroepsmilitair de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, heeft hij recht op een in
de vorige volzin bedoelde invaliditeitsverhoging naar de berekeningswijze,
bedoeld in artikel F 7, eerste lid, onderdeel b.
2. In het tweede lid ,
onderdeel a, wordt de zinsnede "en artikel E 4, onderdeel a," vervangen door: en
artikel E 4, eerste lid, onderdeel a,.
3. In het tweede lid,
onderdeel b, wordt de zinsnede "en artikel E 4, onderdeel b," vervangen door: en
artikel E 4, eerste lid, onderdeel b.
4. Het derde en vierde
lid vervallen.
K.
[MvT]
Na artikel E 9 wordt
een artikel ingevoegd, luidende:
Art. E 9a.
-1. De militair aan wie
als zodanig op of na 1 januari 1998 ontslag is verleend en die recht
heeft op een pensioen ter zake van een invaliditeit met dienstverband, heeft
behalve op dat pensioen recht op een bijzondere invaliditeitsverhoging,
indien de invaliditeit:
a. ten minste 60 doch
minder dan 80 percent bedraagt en daling van dit percentage beneden 60
voor de toekomst niet aannemelijk wordt geacht;
b. ten minste 40 doch
minder dan 60 percent bedraagt en daling van dit percentage beneden 40
voor de toekomst niet aannemelijk wordt geacht;
c. ten minste 20 doch
minder dan 40 percent bedraagt en daling van dit percentage beneden 20
voor de toekomst niet aannemelijk wordt geacht.
-2. Het recht op een
bijzondere invaliditeitsverhoging als bedoeld in het eerste lid bestaat niet
of gaat verloren indien de militair recht heeft op een bijzondere
invaliditeitsverhoging als bedoeld in artikel E 8 dan wel artikel E 9.
L.
[MvT
+ bis]
Artikel E 11 komt te
luiden:
Art. E 11.
-1. Voor de toepassing van
dit hoofdstuk wordt onder invaliditeit met dienstverband verstaan:
een invaliditeit van ten minste 10 percent tengevolge van:
a. verwonding, ziekten of gebreken welke zijn veroorzaakt door de uitoefening van de
militaire dienst in geval van buitengewone of daarmee vergelijkbare
omstandigheden;
b. ziekten of gebreken
welke het gevolg zijn van verrichtingen of vermoeienissen aan de
uitoefening van de militaire dienst in geval van buitengewone of daarmee
vergelijkbare omstandigheden verbonden, dan wel welke tot uiting zijn
gekomen onder overwegende invloed van die verrichtingen of
vermoeienissen; of
c. ziekten of gebreken
welke zijn ontstaan, tot uiting zijn gekomen of verergerd mede door
inwerking van bijzondere, zeer nadelige invloeden waaraan de
beroepsmilitair in verband met de uitoefening van de militaire dienst in geval van
buitengewone of daarmee vergelijkbare omstandigheden is blootgesteld geweest.
-2. Onder uitoefening van
de militaire dienst wordt verstaan:
a. de uitvoering van
expliciet of impliciet gegeven dienstopdrachten of dienstbevelen;
b. het verrichten van
handelingen of activiteiten in het kader van algemene of bijzondere
dienstverrichtingen; of
c. activiteiten die
gezien het daaraan verbonden dienstbelang als uitoefening van die
dienst aangemerkt kunnen worden.
-3. Onder buitengewone of
daarmee vergelijkbare omstandigheden wordt verstaan:
a. een
uitzonderingstoestand in de zin van artikel 103 van de
Grondwet;
b. de deelname aan
operaties ter bevordering of handhaving van de internationale
rechtsorde;
c. het onder
oorlogsnabootsende omstandigheden in praktijk brengen van theoretisch
onderwezen bekwaamheden teneinde aldus de bedrevenheid in het uitvoeren van
oorlogstaken te verwerven, op te voeren of te onderhouden, voor
zover sprake is van een verhoogd risico;
d. de verlening van
bijstand, zoals onder meer bedoeld in artikel 71 Wetboek
van Militair Strafrecht, de artikelen 58, 59 of 60 van de Politiewet
1993 en artikel 146,
tweede lid, van het Wetboek
van Strafvordering, voor zover sprake is van
een verhoogd risico; of
e. afzonderlijk door Onze
Minister te bepalen gevallen die bijzonder van aard zijn en waarbij een
verhoogd risico aanwezig is;
één en ander doordat ten
aanzien van de onderdelen c en e de normaal gebruikelijke veiligheidsmaatregelen ter bescherming van de gezondheid
geheel of gedeeltelijk
door of namens de regionale bevelhebbers der Koninklijke Marine, de
commandant van het Korps Mariniers, de bevelhebber der Land- of
der Luchtstrijdkrachten, dan wel de commandant der
Koninklijke marechaussee, buiten werking zijn gesteld.
-4. Voor elke verwonding,
ziekte of gebrek wordt afzonderlijk vastgesteld of sprake is van
invaliditeit met dienstverband.
-5. Indien voor een
bepaalde verwonding, ziekte of gebrek invaliditeit met dienstverband is
vastgesteld, betekent dit dat voor die aandoening, indien die aandoening
leidt tot arbeidsongeschiktheid en die arbeidsongeschiktheid in overwegende mate zijn
oorzaak vindt in de invaliditeit met dienstverband,
eveneens sprake is van arbeidsongeschiktheid met dienstverband als bedoeld
in artikel E 6a.
-6. De militair wordt
geacht de ziekten of gebreken, bedoeld in het eerste lid, te hebben opgelopen
gedurende het tijdvak van de werkelijke dienst waarin de feiten of
omstandigheden zich hebben voorgedaan welke aanleiding hebben gegeven
tot het aannemen van verband tussen de bij hem bestaande ziekten of
gebreken en de uitoefening van de militaire dienst.
-7. Onze Minister kan met
betrekking tot dit artikel nadere en, zo nodig, afwijkende regels
stellen.
M. [MvT
+ bis]
Na artikel E 11 wordt
een nieuw artikel ingevoegd, luidende:
Art. E 11a.
-1. Voor de toepassing van
dit hoofdstuk wordt onder arbeidsongeschiktheid met dienstverband
verstaan: een arbeidsongeschiktheid tengevolge van ziekten
of gebreken die in overwegende mate hun oorzaak vinden in de aard
van de aan de militair opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere
omstandigheden waaronder zij moesten worden verricht en niet
aan zijn schuld of onvoorzichtigheid zijn te wijten.
-2. Indien ingevolge het
eerste lid voor een bepaalde ziekte of gebrek arbeidsongeschiktheid met
dienstverband is aangenomen, dan geldt dit eveneens voor een
arbeidsongeschiktheid tengevolge van een andere ziekte of gebrek waarvoor
dat verband niet kan worden aangenomen.
-3. Onze Minister kan met
betrekking tot dit artikel nadere en, zo nodig, afwijkende regelen
stellen.
N. [MvT
+ bis]
In artikel F 1, tweede
lid, onderdeel b, wordt de zinsnede "ingevolge artikel F 6, vierde lid,
eerste volzin" vervangen door: ingevolge artikel F
6g, eerste lid.
O. [MvT]
Artikel F 3 wordt
gewijzigd als volgt:
1. In het vijfde lid
wordt de zinsnede "bedoeld in de artikelen E 1 en E 2, eerste lid, onderdeel
b of c,"
vervangen door: bedoeld in de artikelen E 1 en E 2, onderdeel b of c.
2. Aan het elfde lid
wordt een nieuwe zin toegevoegd, luidende:
Genoemd zesde en achtste
lid vinden evenmin toepassing indien op grond van het bepaalde in
artikel F 7, tweede lid, onderdeel b, te rekenen vanaf de eerste dag van
de maand waarin de betrokkene 65 jaar wordt, recht op
invaliditeitsverhoging dan wel invaliditeitspensioen bestaat.
P. [MvT
+ bis]
Na artikel F 4 wordt
een nieuw artikel ingevoegd, luidende:
Art. F 4a.
-1. Het verhoogd
arbeidsongeschiktheidspensioen voor de reservist en de dienstplichtige
bedraagt bij volledige arbeidsongeschiktheid het bedrag dat nodig is om de
arbeidsongeschiktheidsuitkering aan te vullen tot 90,02% van de
berekeningsgrondslag, overeenkomstig het bepaalde in artikel F 7, behoudens
het zevende lid van dat artikel.
-2. In afwijking van het
eerste lid bedraagt het verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen
bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid het bedrag dat nodig is
om de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan te vullen tot het in het
derde lid genoemde percentage van de berekeningsgrondslag, vastgesteld met
overeenkomstige toepassing van artikel F 7, behoudens het zevende lid
van dat artikel.
-3. Het in het tweede lid
bedoelde percentage bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van:
a. 65 tot 80%: 73,31%;
b. 55 tot 65%: 56,59%;
c. 45 tot 55%: 45,01%;
d. 35 tot 45%: 34,08%;
e. 25 tot 35%: 22,5%;
f. 15 tot 25%: 15%.
Q. [MvT
+ bis]
De artikelen F 6 tot
en met F 6j worden vervangen door de artikelen F 6 tot en met F 6f,
luidende:
Art. F 6. [MvT]
-1. Tenzij de toepassing
van artikel F 3 zou leiden tot een hoger pensioenbedrag, bedraagt
het arbeidsongeschiktheidspensioen bij volledige
arbeidsongeschiktheid het bedrag dat nodig is om de arbeidsongeschiktheidsuitkering
aan te vullen tot 70% van de pensioengrondslag.
-2. In afwijking van het
eerste lid bedraagt het arbeidsongeschiktheidspensioen voor de daar bedoelde
beroepsmilitair:
a. na afloop van de in
artikel 21a van de WAO
bedoelde periode, het bedrag dat nodig is om de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan te vullen
tot 65% van de pensioengrondslag indien deze beroepsmilitair de keuze heeft gemaakt om af te
zien van de individuele bijverzekering tegen de gevolgen van de verlaging
van zijn arbeidsongeschiktheidspensioen in de periode, bedoeld in
artikel 21b van de WAO; of
b. het bedrag dat nodig
is om de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan te vullen tot 75% van de
pensioengrondslag indien deze beroepsmilitair
op het tijdstip van
ingang van het arbeidsongeschiktheidspensioen, anders dan in aansluiting
op een uitkering krachtens de Suppletieregeling defensiepersoneel, 55
jaar of ouder is.
-3. In afwijking van het
eerste en het tweede lid en met inachtneming van het vierde en vijfde
lid bedraagt het arbeidsongeschiktheidspensioen bij volledige
arbeidsongeschiktheid van de beroepsmilitair die in een althans voorlopig
blijvende toestand van hulpbehoevendheid verkeert, waardoor hij geregeld
oppassing en verzorging nodig heeft, het bedrag dat nodig is om de
arbeidsongeschiktheidsuitkering aan te vullen tot 100% van de pensioengrondslag.
Eén en ander voor zolang de hulpbehoevendheid duurt, doch uiterlijk tot
de eerste dag van de maand waarin de betrokkene de leeftijd
van 65 jaar bereikt.
-4. Voor de toepassing van
het derde lid is de pensioengrondslag maximaal het bedrag van 261-maal het in het eerste lid van artikel 9 van de
Coördinatiewet
Sociale Verzekering bedoelde maximumdagloon.
-5. Het derde lid is niet
van toepassing indien de betrokkene in een inrichting is opgenomen
en de kosten van verblijf ten laste van een verzekering inzake
ziektekosten komen.
Art. F 6a. [MvT]
Het verhoogd
arbeidsongeschiktheidspensioen bij volledige arbeidsongeschiktheid bedraagt het bedrag dat
nodig is om de pensioenen en uitkeringen, bedoeld in
artikel E 6a, aan te vullen tot 90,02% van de pensioengrondslag.
Art. F 6b. [MvT]
-1. Het
arbeidsongeschiktheidspensioen bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid is het bedrag dat nodig
is om de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan te vullen tot:
a. het in het tweede lid
genoemde percentage van de pensioengrondslag; of
b. het in het derde lid
genoemde percentage van de pensioengrondslag, dat geldt na
afloop van de in artikel 21a van de
WAO
bedoelde periode, indien de
beroepsmilitair de keuze heeft gemaakt om af te zien van de individuele
bijverzekering tegen de gevolgen van de verlaging van zijn
arbeidsongeschiktheidspensioen in de periode, bedoeld in artikel 21b
van de WAO.
-2. Het in het eerste lid,
onderdeel a, bedoelde percentage bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid
van;
a. 65 tot 80%: 50,75%;
b. 55 tot 65%: 42%;
c. 45 tot 55%: 35%;
d. 35 tot 45%: 28%;
e. 25 tot 35%: 21%;
f. 15 tot 25%: 14%.
-3. Het in het eerste lid,
onderdeel b, bedoelde percentage bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid
van:
a. 65 tot 80%: 47,25%;
b. 55 tot 65%: 39%;
c. 45 tot 55%: 32,5%;
d. 35 tot 45%: 26%;
e. 25 tot 35%: 19,5%;
f. 15 tot 25%: 13 %.
Art. F 6c. [MvT]
-1. Het verhoogd
arbeidsongeschiktheidspensioen bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid
bedraagt het bedrag dat nodig is om de pensioenen en
uitkeringen, bedoeld in artikel E 6a, aan te vullen tot het in het tweede lid
genoemde
percentage van de pensioengrondslag.
-2. Het in het eerste lid
bedoelde percentage bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van:
a. 65 tot 80%: 73,31%;
b. 55 tot 65%: 56,59%;
c. 45 tot 55%: 45,01%;
d. 35 tot 45%: 34,08%;
e. 25 tot 35%: 22,5%;
f. 15 tot 25%: 15%.
Art. F 6d. [MvT]
Onze Minister stelt
nadere regels met betrekking tot de wijze en het tijdstip waarop de
beroepsmilitair de in de artikelen F 6 en F 6b bedoelde keuze, die eenmalig is,
kenbaar dient te maken.
Art. F 6e. [MvT]
-1. Indien het
arbeidsongeschiktheidspensioen, het verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen,
in voorkomend geval verhoogd met invaliditeitsverhoging en
vermeerderd met de arbeidsongeschiktheidsuitkering en met de daarvoor in
aanmerking komende inkomsten uit of in verband met arbeid en
uitkering ingevolge een ontslaguitkeringsregeling, per maand minder bedraagt
dan het minimumloon, wordt dat pensioen uiterlijk tot de eerste
dag van de maand waarin betrokkene de leeftijd van 65 jaar bereikt, verhoogd
tot het bedrag van het minimumloon.
-2. De in het eerste lid
genoemde verhoging bedraagt niet meer dan het verschil tussen enerzijds
het totaal van het arbeidsongeschiktheidspensioen dan wel het verhoogd
arbeidsongeschiktheidspensioen, in voorkomend geval verhoogd
met de invaliditeitsverhoging, zonder de in het eerste lid genoemde
verhoging, en de arbeidsongeschiktheidsuitkering en anderzijds de
pensioengrondslag waarnaar het is berekend, en bedraagt tevens niet
meer dan 30% van het minimumloon.
-3. Het in het eerste lid
bedoelde arbeidsongeschiktheidspensioen, verhoogd
arbeidsongeschiktheidspensioen dan wel de invaliditeitsverhoging is het pensioen na
toepassing van de artikelen F 6 tot en met F 6c, dan wel de
invaliditeitsverhoging na toepassing van artikel F 7.
-4. De voor de toepassing
van het eerste lid in aanmerking te nemen inkomsten uit of in
verband met arbeid zijn de inkomsten, bedoeld in artikel V 4.
-5. De voor de toepassing
van het eerste lid in aanmerking te nemen uitkering ingevolge een ontslaguitkeringsregeling is de ontslaguitkering
ter zake van hetzelfde
ontslag als waaraan het recht op arbeidsongeschiktheidspensioen dan wel verhoogd
arbeidsongeschiktheidspensioen wordt ontleend.
Art. F 6f. [MvT]
-1. De herplaatsingstoelage, bedoeld in artikel E 6b, bedraagt het nadelig
verschil tussen enerzijds
de pensioengrondslag en anderzijds het totaal van de daarmee
overeenkomende inkomsten uit de nieuwe dienstbetrekking, de
arbeidsongeschiktheidsuitkering, het arbeidsongeschiktheidspensioen dan wel het
verhoogd
arbeidsongeschiktheidspensioen.
-2. Bij herplaatsing in
een dienstbetrekking op grond waarvan de gewezen beroepsmilitair
deelnemer is krachtens het pensioenreglement van de Stichting
Pensioenfonds ABP, wordt bij de toepassing van het eerste lid als inkomsten
uit de nieuwe dienstbetrekking aangemerkt het inkomen in de nieuwe
dienstbetrekking, bedoeld in artikel 3.1 van het vorengenoemde
pensioenreglement.
-3. Bij herplaatsing in
een dienstbetrekking op grond waarvan de gewezen beroepsmilitair
geen deelnemer is krachtens het in het tweede lid genoemde
pensioenreglement, wordt bij de toepassing van het eerste lid als inkomsten uit de
nieuwe dienstbetrekking aangemerkt het inkomen dat wordt vastgesteld
zoveel mogelijk met overeenkomstige toepassing van artikel 3.1 van het
pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.
-4. De loonsuppletie,
bedoeld in artikel 60 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, wordt gerekend tot de in
het eerste lid bedoelde inkomsten uit de nieuwe
dienstbetrekking.
R. [MvT]
Artikel F 6k wordt
gewijzigd als volgt:
1. Artikel F 6k wordt
vernummerd tot artikel F 6g.
2. In het eerste lid van
het tot artikel F 6g vernummerde artikel F 6k wordt de zinsnede
"bedoeld in artikel E 6, negende
lid," vervangen
door "bedoeld in artikel E 6,
vierde lid," en vervalt de tweede volzin.
3. In het tweede lid van
het tot artikel F 6g vernummerde artikel F 6k wordt de zinsnede
"bedoeld in artikel E 6, tweede
lid" vervangen door: bedoeld in artikel E 6,
eerste lid.
S. [MvT]
Artikel F 6l wordt
gewijzigd als volgt:
1. Artikel F 6l wordt
vernummerd tot artikel F 6h.
2. In het tot artikel F 6h vernummerde artikel F
6l wordt de zinsnede "de artikelen F 6 tot en met
F 6k" vervangen door: de artikelen F6 tot en met F
6g.
T. [MvT
+ bis]
Na artikel F 6h wordt
een nieuw artikel ingevoegd, luidende:
Art. F 6i.
Indien het niveau van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering een algemene neerwaartse wijziging
ondergaat, wordt deze neerwaartse wijziging, behoudens indien in het
sectoroverleg Defensie sociale partners anders overeenkomen binnen zes
maanden na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin de
maatregel is gepubliceerd, op overeenkomstige wijze ten aanzien van het
arbeidsongeschiktheidspensioen en het verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen doorgevoerd vanaf de in het
Staatsblad vermelde datum
van inwerkingtreding van bedoelde maatregel, doch niet
eerder dan zes maanden na de datum van uitgifte van het Staatsblad.
U. [MvT
+ bis]
Artikel F 7 wordt
gewijzigd als volgt:
1. Het eerste lid komt te
luiden:
-1. De
invaliditeitsverhoging, bedoeld in artikel E 7, eerste lid, is gelijk aan het
bedrag
overeenkomende met zoveel percent van de berekeningsgrondslag als het voor de
gepensioneerde vastgestelde percentage van de invaliditeit met
dienstverband, bedoeld in artikel E 11, bedraagt, in voorkomend geval
verminderd met de som van de bedragen van:
a. indien het een
invaliditeitsverhoging als bedoeld in artikel E 7, eerste lid, eerste volzin,
betreft:
1º. de
arbeidsongeschiktheidsuitkering;
2º. het
arbeidsongeschiktheidspensioen, bedoeld in artikel E 6, dan wel het verhoogd
arbeidsongeschiktheidspensioen, bedoeld in artikel E 6a;
3º. het pensioen,
bedoeld in artikel E 3, eerste lid, onderdeel c, onder 1º;
4º. in een voorkomend
geval, de tropenverhoging, bedoeld in artikel E 10; en
5º. in een voorkomend
geval, de uitkering krachtens de Suppletieregeling defensiepersoneel;
b. indien het een
invaliditeitsverhoging als bedoeld in artikel E 7, eerste lid, tweede volzin,
betreft:
1º. het pensioen,
bedoeld in artikel E 6, tweede lid;
2º. het pensioen,
bedoeld in artikel E 6, vierde lid; en
3º. de onder a, onder 3º en 4º, bedoelde bedragen.
2. Het tweede lid,
onderdeel b, komt te luiden:
b. het
invaliditeitspensioen, bedoeld in artikel E 7, tweede lid, onderdeel b, gelijk aan het
bedrag
overeenkomende met zoveel percent van de berekeningsgrondslag als
het voor hem vastgestelde percentage van de invaliditeit met
dienstverband, bedoeld in artikel E 11, bedraagt, in voorkomend geval
verminderd met de som van de bedragen van:
1º. de
arbeidsongeschiktheidsuitkering; en
2º. het verhoogd
arbeidsongeschiktheidspensioen, bedoeld in artikel E 3, vierde lid, dan
wel
artikel E 4, tweede lid;
3º. het pensioen,
bedoeld in artikel E 3, vijfde lid, dan wel artikel E 4, derde lid.
3. In het derde lid
vervallen de tweede en derde volzin.
4. In het vijftiende lid
wordt de zinsnede "ingevolge de leden zestien tot en met
negentien"
vervangen door: ingevolge het zestiende tot en met achttiende lid.
5. In het zestiende lid
wordt de zinsnede "artikel E 4, onderdeel
b," vervangen door: artikel E
4, eerste lid, onderdeel b.
6. In het achttiende lid
wordt "waarin artikel V 4 toepassing heeft
gevonden" vervangen
door "waarin artikel V 4a toepassing heeft gevonden" en wordt
"dat
ingevolge artikel V 4 voor vermindering in aanmerking komt" vervangen door: dat ingevolge artikel V
4a voor
vermindering in
aanmerking komt.
7. Het negentiende lid
vervalt.
8. Het twintigste lid
wordt vernummerd tot negentiende lid.
V. [MvT]
Aan artikel F 8 wordt
een nieuw lid toegevoegd, luidende:
-3. Indien sprake is van
een ontslag dat is gelegen op of na 1 januari 1998, bedraagt de
bijzondere invaliditeitsverhoging, bedoeld in artikel E 8, 30 percent van de
berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel F 7.
W. [MvT]
Artikel F 9a wordt
vervangen door:
Art. F 9a.
-1. De bijzondere
invaliditeitsverhoging, bedoeld in artikel E 9a, eerste lid, onderdeel
a, bedraagt 20
percent van de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel F 7.
-2. De bijzondere
invaliditeitsverhoging, bedoeld in artikel E 9a, eerste lid, onderdeel
b, bedraagt 10
percent van de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel F 7.
-3. De bijzondere
invaliditeitsverhoging, bedoeld in artikel E 9a, eerste lid, onderdeel
c, bedraagt 5
percent van de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel F 7.
X. [MvT]
Artikel F 10b wordt
gewijzigd als volgt:
1. In het vijfde lid
wordt de zinsnede "als bedoeld in artikel E 6, negende
lid," vervangen
door: als bedoeld in artikel E 6, vierde lid,.
2. In het zesde lid wordt
de zinsnede "als bedoeld in artikel E 6, negende
lid," vervangen
door: als bedoeld in artikel E 6, vierde lid,.
Y. [MvT]
In artikel F 11 wordt
de zinsnede "Het pensioen ter zake van arbeidsongeschiktheid, de
eventuele aanvulling, het aanvullend diensttijdpensioen, bedoeld in artikel E
6,"
vervangen door: Het arbeidsongeschiktheidspensioen
en het aanvullend diensttijdpensioen, bedoeld in artikel E 6,
het verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen, bedoeld in artikel E 3,
vierde lid, artikel E 4, tweede lid, en artikel E 6a,.
Z. [MvT
+ bis]
Na artikel F 13 wordt
een nieuw artikel ingevoegd, luidende:
Art. F 14.
Onze Minister kan een
maatregel, dan wel een boete opgelegd ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering,
op zoveel mogelijk
overeenkomstige wijze
opleggen ten aanzien van een arbeidsongeschiktheidspensioen,
een verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen, in voorkomend geval verhoogd met een invaliditeitsverhoging.
AA. [MvT]
In artikel J 1,
vierde lid, onderdeel b, wordt de zinsnede "pensioen ter zake van
arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel E 6," vervangen door:
arbeidsongeschiktheidsuitkering en arbeidsongeschiktheidspensioen als bedoeld in artikel E
6, dan wel verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen als bedoeld in artikel E
6a,.
BB. [MvT]
Aan artikel K 2 wordt
een lid toegevoegd, luidende:
-3. Ten aanzien van de
beroepsmilitair, bedoeld in het eerste lid, voor wie de beslissing tot
handhaving in militaire dienst is genomen op of na 1 januari 1998 zijn de
artikelen E 9a, F 8, derde lid, en F 9a van overeenkomstige toepassing.
CC. [MvT]
In artikel K 3, zesde
lid, wordt de zinsnede "de artikelen F
7a en F 9a" vervangen door: de
artikelen F 7a en F 6e.
DD. [MvT]
Artikel R 2 wordt
gewijzigd als volgt:
1. Het eerste lid,
onderdeel a, wordt vervangen door:
a. het ouderdomspensioen,
bedoeld in deze wet, en het pensioen van nagelaten betrekkingen,
bedoeld in artikel 28 van de Wet privatisering ABP; alsmede.
2. In het derde lid wordt "overeenkomstig artikel F
6c, tweede
lid," vervangen door:
overeenkomstig artikel F 6b, eerste lid, onderdeel b,.
EE. [MvT]
In artikel S 2 wordt
de zinsnede "alsmede
- behoudens in de gevallen, bedoeld in
artikel F 6h, tweede lid - omtrent de toekenning, wijziging of intrekking
van het pensioen ter zake van arbeidsongeschiktheid, bedoeld in artikel E
6,"
vervangen door: alsmede omtrent de toekenning, wijziging
of intrekking van het arbeidsongeschiktheidspensioen, bedoeld in artikel E 6,
dan wel het verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen, bedoeld in artikel E
6a,.
FF. [MvT]
In artikel T 5,
eerste lid, wordt de zinsnede "krachtens artikel E 2, eerste lid, onderdeel
c, of
krachtens artikel E 5, een pensioen ter zake van arbeidsongeschiktheid als
bedoeld in artikel E 6," vervangen door: krachtens artikel E 2,
onderdeel c, of krachtens artikel E 5, een arbeidsongeschiktheidspensioen als bedoeld in artikel E
6, dan wel een verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen
als bedoeld in artikel E 6a,.
GG. [MvT]
In artikel U 1,
tweede lid, wordt de zinsnede "krachtens artikel E 2, eerste lid, onderdeel
c,"
vervangen door: krachtens artikel E 2, onderdeel c,.
HH. [MvT
+ bis]
Artikel U 3 komt te
luiden:
Art. U 3.
-1. Voor de toepassing van
dit artikel wordt onder pensioen verstaan:
a. het
arbeidsongeschiktheidspensioen, bedoeld in artikel E 6;
b. het verhoogd
arbeidsongeschiktheidspensioen, bedoeld in artikel E 6a;
c. de
invaliditeitsverhoging en het invaliditeitspensioen, bedoeld in artikel E 7;
d. de bijzondere
invaliditeitsverhoging, bedoeld in artikel E 8 en E 9.
-2. Voor de toepassing van
dit artikel wordt onder toelage verstaan: de herplaatsingstoelage,
bedoeld in artikel E 6b.
-3. Onze Minister beslist
over de toekenning van een pensioen of een toelage op schriftelijk
verzoek door of namens betrokkene. De bescheiden die Onze Minister nodig
acht voor de behandeling van de aanvraag dienen te worden
overgelegd.
-4. Onze Minister is
bevoegd ambtshalve een pensioen of een toelage toe te kennen.
-5. Het pensioen of de
toelage gaat in op de dag waarop het recht daarop ontstaat, met dien
verstande dat het niet vroeger ingaat dan één jaar vóór de eerste dag
van de maand waarin het verzoek werd ingediend of waarin door Onze
Minister ambtshalve toekenning plaatsvond.
II. [MvT
+ bis]
Artikel V 4 komt te
luiden:
Art. V 4.
-1. Indien de gewezen
militair die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidspensioen of een verhoogd
arbeidsongeschiktheidspensioen inkomsten uit of in
verband met arbeid heeft, wordt het arbeidsongeschiktheidspensioen
of het verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen verminderd met het bedrag
waarmee de som van het arbeidsongeschiktheidspensioen,
het verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen, de arbeidsongeschiktheidsuitkering en de inkomsten uit of in
verband met arbeid het
bedrag van de pensioengrondslag overschrijdt.
-2. Het eerste lid is niet
van toepassing indien de inkomsten uit of in verband met arbeid langer
dan twee jaren vóór het intreden van de arbeidsongeschiktheid
werden genoten en de omvang van de arbeid niet is toegenomen.
-3. Indien ten aanzien van
de in het eerste lid bedoelde gewezen militair een invaliditeit met
dienstverband is vastgesteld, mag door toepassing van dat lid de
pensioensom niet dalen beneden een bedrag gelijk aan zoveel percent van de
berekeningsgrondslag waarnaar de invaliditeitsverhoging is of zou zijn
berekend,
als het percentage van de invaliditeit met dienstverband
beloopt.
-4. Het eerste tot en met
het derde lid worden toegepast uiterlijk tot de eerste dag van de maand
waarin de gewezen militair de leeftijd van 65 jaar bereikt.
-5. De gewezen militair
voor wie naast een pensioen krachtens artikel E 1, onderdeel b, of artikel
E 2, onderdeel c, met welk pensioen diensttijd als bedoeld in artikel D 1,
eerste lid, onderdeel a, onder 2º
en 4º, is vergolden, recht op een invaliditeitspensioen
krachtens artikel E 3, tweede lid, of artikel E 4, eerste lid, bestaat,
heeft slechts recht op betaling van dat invaliditeitspensioen voor zoveel dat meer
bedraagt dan eerder bedoeld pensioen.
-6. Onze Minister kan met
betrekking tot het eerste tot en met het vijfde lid nadere en, zo nodig,
aanvullende of afwijkende regels stellen.
JJ. [MvT
+ bis]
Artikel V 4a komt te
luiden:
Art. V 4a.
-1. Artikel V 4 is niet
van toepassing op de gepensioneerde militair die aanspraak heeft op:
a. een pensioen ter zake
van ziekte of gebreken krachtens een vroegere militaire pensioenwet;
b. een pensioen ingevolge
artikel E 3, eerste lid, onderdeel c, onder 1º, dan wel op een
invaliditeitspensioen ingevolge artikel E 3, tweede lid, of artikel E 4, eerste lid.
-2. Indien de
gepensioneerde militair, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of
b,
aanspraak heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, wordt die arbeidsongeschiktheidsuitkering
in mindering gebracht op het pensioen, de invaliditeitsverhoging
of het invaliditeitspensioen, bedoeld in het eerste lid. Bedoelde
vermindering blijft achterwege indien de arbeidsongeschiktheid op grond waarvan de
arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering is toegekend
door duidelijk geheel
andere ziekten of gebreken is veroorzaakt dan die tot de aanspraak op dat
pensioen, die invaliditeitsverhoging of dat invaliditeitspensioen hebben geleid.
-3. Bij een vermindering
ingevolge het tweede lid blijft van het pensioen, de invaliditeitsverhoging
of het invaliditeitspensioen waarop reeds aanspraak bestond
onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip waarop de arbeidsongeschiktheid,
bedoeld in het tweede lid, tweede volzin, is ingetreden of naar het
oordeel van Onze Minister in redelijkheid geacht kan worden te zijn
ingetreden, een bedrag buiten de vermindering gelijk aan zoveel percent van de
berekeningsgrondslag waarnaar de invaliditeitsverhoging is
of zou zijn berekend, als het percentage van de invaliditeit met
dienstverband beloopt.
-4. Het tweede en het
derde lid zijn van overeenkomstige toepassing, indien aanspraak bestaat
op:
a. ziekengeld als bedoeld
in de Ziektewet;
b. een uitkering ter zake
van arbeidsongeschiktheid krachtens een wettelijke regeling van
de Nederlandse Antillen, Aruba of een vreemde mogendheid;
c. een door Onze Minister
aangewezen uitkering welke naar aard en strekking overeenkomt met
een uitkering als bedoeld in onderdeel a of b.
-5. Indien de
gepensioneerde militair, bedoeld in het eerste lid, inkomsten geniet uit of
in verband met arbeid, de daaraan verbonden werkzaamheden niet een
kennelijk tijdelijk karakter hebben en de som van het bedrag van het
pensioen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en de inkomsten omgerekend op
jaarbasis de grondslag waarnaar het pensioen is berekend,
overschrijdt, wordt het bedrag van die overschrijding voor
zoveel mogelijk in mindering gebracht op het pensioen, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel a. De eerste volzin lijdt uitzondering voor zover
het betreft inkomsten uit of in verband met arbeid verricht of
uitgeoefend gelijktijdig met de uitoefening van de betrekking uit hoofde
waarvan recht op pensioen is ontstaan, dan wel uit of in verband met de voor
die arbeid in de plaats gekomen werkzaamheden. Een uit hoofde van
hetzelfde ontslag naast het pensioen toegekend wachtgeld wordt voor de
toepassing van dit lid niet tot de inkomsten uit of in verband met arbeid
gerekend.
-6. Indien ten aanzien van
de in het eerste lid bedoelde gepensioneerde militair een invaliditeit
met dienstverband is vastgesteld, mag door toepassing van het vijfde
lid de pensioensom niet dalen beneden een bedrag gelijk aan zoveel
percent van de berekeningsgrondslag waarnaar de invaliditeitsverhoging
is of zou zijn berekend, als het percentage van de invaliditeit met
dienstverband beloopt.
-7. Het eerste tot en met
het zesde lid worden toegepast uiterlijk tot de eerste dag van de maand
waarin de gewezen militair de leeftijd van 65 jaar bereikt.
-8. De ontslagen militair
voor wie naast een pensioen krachtens artikel E 1, onderdeel b, of artikel
E 2, onderdeel c, met welk pensioen diensttijd als bedoeld in artikel D 1,
eerste lid, onderdeel a, onder 2º en 4º, is vergolden, recht op een invaliditeitspensioen
krachtens artikel E 3, tweede lid, of artikel E 4, eerste lid, bestaat,
heeft slechts recht op betaling van dat invaliditeitspensioen voor zoveel dat meer
bedraagt dan eerder bedoeld pensioen.
-9. Bij de toepassing van
dit artikel dient zoveel mogelijk rekening te worden gehouden met het
overgangsrecht behorende bij artikel V 4,
zoals dat gold op de dag
voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 1 van de Wet
overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen, bedoeld in artikel 50 van
die wet.
-10. Onze Minister kan met
betrekking tot het eerste tot en met het negende lid nadere en, zo
nodig, aanvullende of afwijkende regels stellen.
KK. [MvT]
In artikel X 4 wordt
de zinsnede "een pensioen, een pensioen ter zake van
arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel E 6 eventueel verhoogd met een
aanvulling als bedoeld in het zesde lid van dat artikel of een hoger zodanig
pensioen of aanvulling" vervangen door: een arbeidsongeschiktheidspensioen
als bedoeld in artikel E 6 of een verhoogd
arbeidsongeschiktheidspensioen als bedoeld in artikel E 6a.
LL. [MvT]
In artikel Y 17,
eerste lid, wordt artikel "V
4" vervangen door: V
4a.
MM. [MvT]
In artikel Y 22,
vijfde lid, wordt de zinsnede "artikel F
6k, tweede
lid," vervangen door:
artikel F 6g, tweede lid,.
NN. [MvT]
In artikel Z 9 wordt
de zinsnede "de artikelen D 5, zesde lid, en E 2, eerste lid, onderdeel
c, en F 6a, eerste lid" vervangen door: de artikelen D 5, zesde lid, artikel E 2,
onderdeel c, artikel F 6, tweede lid, en artikel F 6b, tweede lid.
Art. 74.
[MvT]
-1. De bepalingen van de
Algemene militaire pensioenwet, behoudens artikel V 4, en de
bepalingen van de vroegere militaire pensioenwetten in de zin van de Algemene
militaire pensioenwet zoals deze van toepassing waren op de dag
voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet blijven, in
afwijking van afdeling 2, van toepassing ten aanzien van:
a. degene die op die dag
aanspraak heeft of nadien verkrijgt op een pensioen uit hoofde van
ziekte of gebreken ingevolge een vroegere militaire pensioenwet in
de zin van de Algemene militaire pensioenwet; of
b. de reservist en de
dienstplichtige, bedoeld in de artikelen E 3 en E 4 van de Algemene militaire
pensioenwet, voor wie op die dag reeds een invaliditeit met
dienstverband is vastgesteld ingevolge artikel E 11 van die wet, dan wel de
invaliditeit is terug te voeren op een tijdvak waarin de ziekten of gebreken zijn
ontstaan, gelegen vóór die datum, met dien verstande dat in
voorkomend geval artikel E 9a van die wet, zoals dat luidt op het tijdstip van
aanvang van fase 1 van deze wet, van toepassing is.
-2. Artikel E 11 van de
Algemene militaire pensioenwet, zoals dat artikel luidde op de dag
voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet, blijft van
toepassing voor de vaststelling van invaliditeit met dienstverband van
verwondingen, ziekten of gebreken die het gevolg zijn van een gebeurtenis welke
plaatsvond op een vóór die datum gelegen tijdstip.
-3. Indien het bepaalde in
het tweede lid leidt tot een vaststelling van invaliditeit met
dienstverband, dan wordt onder invaliditeit met dienstverband verstaan hetgeen is
bepaald in artikel E 11 van de Algemene militaire pensioenwet,
zoals dat artikel is komen te luiden met ingang van het tijdstip van aanvang
van fase 1 van deze wet.
-4. De gewezen
beroepsmilitair, bedoeld in artikel
22, eerste lid, onderdeel c, die op de
dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet recht
heeft op een pensioen ter zake van arbeidsongeschiktheid ingevolge artikel E 6 van
de Algemene militaire pensioenwet, in
voorkomend geval verhoogd met een invaliditeitsverhoging als bedoeld in artikel E
7, eerste lid, van die wet, heeft recht op een arbeidsongeschiktheidspensioen ingevolge artikel E 6 van die wet, in
voorkomend geval verhoogd
met een invaliditeitsverhoging als bedoeld in artikel E 7, eerste
lid, van die wet, zoals die artikelen met ingang van de vorenbedoelde datum zijn
komen te luiden.
-5. Indien de som van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering en het arbeidsongeschiktheidspensioen,
in voorkomend geval verhoogd met een invaliditeitsverhoging
als bedoeld in artikel E 7, eerste lid, van de Algemene militaire
pensioenwet, van de in het vierde lid bedoelde gewezen beroepsmilitair
lager is dan het bedrag van het pensioen ter zake van
arbeidsongeschiktheid, in voorkomend geval verhoogd met een invaliditeitsverhoging
als bedoeld in artikel E 7, eerste lid, van die wet, waarop hij recht had op
de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet,
wordt het arbeidsongeschiktheidspensioen dan wel de
invaliditeitsverhoging aangevuld tot het bedrag van het pensioen ter zake van
arbeidsongeschiktheid dan wel de invaliditeitsverhoging zoals dat op de
vorenbedoelde dag gold, voor zolang de mate van arbeidsongeschiktheid dan
wel de mate van invaliditeit niet wijzigt.
-6. De invaliditeit met
dienstverband ten aanzien van de gewezen beroepsmilitair, bedoeld
in het vierde lid, wordt geacht te zijn vastgesteld ingevolge artikel E 11
van de Algemene militaire pensioenwet, zoals dat artikel is komen te
luiden met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet.
-7. Onze Minister van
Defensie stelt ambtshalve van iedere gewezen beroepsmilitair als
bedoeld in het vierde lid het recht op een arbeidsongeschiktheidspensioen
dan wel een invaliditeitsverhoging vast met inachtneming van het
vijfde en het zesde lid.
Art. 75.
[MvT]
In artikel 3, vijfde lid,
van de Ziekenfondswet wordt met ingang van het tijdstip van aanvang van
fase 1 van deze wet de zinsnede "een arbeidsverhouding als bedoeld in het eerste
lid, onderdeel a en b, van artikel 6 van de Ziektewet" vervangen
door: een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel
6, eerste lid, onderdeel
a, van de Ziektewet dan wel artikel 8b
van die wet.
Art. 76.
[MvT]
De Ziekenfondswet wordt
met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 2 van deze wet als
volgt gewijzigd:
A. [MvT]
In artikel 3, vierde
lid, onderdeel a,
a. tweede gedachtestreepje, wordt achter de zinsnede
"(Stb. 1977, 492)" toegevoegd: niet
zijnde de uitkering van een overheidswerknemer in de zin van artikel
1,
onderdeel l, van de Wet overheidspersoneel onder de
werknemersverzekeringen
of van een gewezen overheidswerknemer, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%;
b. vierde gedachtestreepje, wordt achter de zinsnede
"hoofdstuk IV
van die wet" toegevoegd:
niet zijnde de uitkering van een overheidswerknemer in de zin van artikel
1,
onderdeel l, van de Wet overheidspersoneel onder de
werknemersverzekeringen of van een gewezen overheidswerknemer.
B. [MvT]
In artikel 3 wordt na
het negende lid een nieuw lid ingevoegd, luidende:
-10. Onze Minister kan, in
overeenstemming met Onze
Minister van Binnenlandse Zaken,
categorieën van personen behorende tot de in het eerste lid, onderdeel
a,
bedoelde personen aanwijzen die, indien zij de wens daartoe te kennen
geven, niet verzekerd zijn ingevolge deze wet. Onze Minister kan regels
stellen met betrekking tot de eerste volzin.
Art. 77.
[MvT]
Met ingang van het
tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet wordt de Wet Stichting USZO
ingetrokken.
Art. 78.
Aan artikel 46d,
onderdeel g, van de Wet
op de ondernemingsraden wordt na de laatste
volzin een volzin toegevoegd, luidende: De heffing wordt met
toepassing van artikel 90, vijfde en zesde lid, van de Wet overheidspersoneel
onder de werknemersverzekeringen geïnd door het Landelijk instituut sociale
verzekeringen, genoemd in hoofdstuk 4 van de
Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997.
HOOFDSTUK
4
Overige en
slotbepalingen
Art. 79.
-1. Op verzoek van Onze
Minister van Binnenlandse Zaken verstrekt een organisatie die één of
meer uitkeringsregelingen ter zake van ziekte, ontslag of werkloosheid
van overheidswerknemers of gewezen overheidswerknemers uitvoert, kosteloos alle
statische informatie die zij wenselijk acht in verband met zijn bestuurlijke verantwoordelijkheid voor het
overheidspersoneelsbeleid.
-2. Onze Minister van
Binnenlandse Zaken kan regels stellen omtrent de verstrekking van de
statistische informatie, bedoeld in het eerste lid.
Art. 80.
-1. Het sociaal-fiscaal
nummer kan in een persoonsregistratie worden opgenomen en bij het
verstrekken van gegevens daaruit worden gebruikt door een organisatie die
één of meer uitkeringsregelingen ter zake van ziekte, ontslag of
werkloosheid van overheidswerknemers of gewezen overheidswerknemers
uitvoert. Onder sociaal-fiscaal nummer wordt hier verstaan het nummer,
bedoeld in artikel 47b, derde lid, van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen.
-2. De organisatie die één
of meer uitkeringsregelingen ter zake van ziekte, ontslag of
werkloosheid van overheidswerknemers of gewezen overheidswerknemers
uitvoert, gebruikt het sociaal-fiscaal nummer slechts:
a. in het verkeer met de
persoon op wie het nummer betrekking heeft;
b. in contacten met de
personen en instanties, voor zover deze zelf gemachtigd zijn tot het
opnemen van het sociaal-fiscaal nummer in een persoonsregistratie.
-3. Ten behoeve van
wetenschappelijk onderzoek of statistiek, dan wel op grond van een dwingende
en gewichtige reden, kan desgevraagd een sociaal-fiscaal nummer
aan een derde worden verstrekt voor zover de persoonlijke levenssfeer
van de geregistreerde daardoor niet onevenredig wordt geschaad.
Art. 81.
De Algemene Rekenkamer
heeft met betrekking tot de uitkeringsregelingen ter zake van ziekte,
ontslag en werkloosheid ten aanzien van een organisatie die één
of meer uitkeringsregelingen ter zake van ziekte, ontslag of werkloosheid
van overheidswerknemers of gewezen overheidswerknemers uitvoert, de in artikel
59 van de Comptabiliteitswet vermelde bevoegdheden.
Art. 82.
Het Landelijk instituut sociale verzekeringen
en de uitvoeringsinstellingen verstrekken op verzoek
aan een organisatie die één of meer uitkeringsregelingen ter
zake van ziekte, ontslag of werkloosheid van overheidswerknemers of
gewezen overheidswerknemers uitvoert, kosteloos alle gegevens
en inlichtingen die de betreffende organisatie nodig acht voor de
uitvoering van de desbetreffende uitkeringsregeling.
Art. 83.
Met ingang van het
tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet, bedoeld in artikel
54,
komen de artikelen 79, 80, 81 en
82 te vervallen.
Art. 84.
-1. Op verzoek van Onze
Minister van Binnenlandse Zaken verstrekt een organisatie die één of
meer bovenwettelijke regelingen ter zake van ziekte, arbeidsongeschiktheid,
ontslag of werkloosheid van overheidswerknemers of gewezen
overheidswerknemers uitvoert, kosteloos alle statische informatie die zij wenselijk acht in verband met zijn bestuurlijke verantwoordelijkheid voor
het overheidspersoneelsbeleid.
-2. Onze Minister van
Binnenlandse Zaken kan regels stellen omtrent de verstrekking van de
statistische informatie, bedoeld in het eerste lid.
Art. 85.
-1. Tot de datum waarop de ZW
ingevolge deze wet op de betrokken overheidswerknemer of
gewezen overheidswerknemer van toepassing wordt, is voor de
toepassing van artikel 71a, eerste lid, van de WAO,
artikel 38, eerste lid,
van de ZW van overeenkomstige toepassing.
-2. Indien op de dag
voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet sprake is
van een bezoldiging of uitkering in geval van ziekte als bedoeld in
artikel 1, onderdeel e, die aangevangen is vóór de datum die gelegen is
dertien weken vóór genoemd tijdstip, geschiedt de in artikel 71a
van de WAO juncto
artikel 38, eerste lid,
van de ZW
bedoelde melding vóór de eerste dag van de
maand
volgende op de maand waarin genoemd tijdstip is gelegen.
Art. 86.
Artikel 38, eerste lid,
onderdeel g, van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 is
niet van toepassing op een overheidswerkgever als bedoeld in artikel
1,
onderdeel k, of een overheidswerknemer als bedoeld in artikel
1, onderdeel
l,
tot het tijdstip waarop ingevolge deze wet de ZW
op hem van
toepassing wordt.
Art. 87.
-1. Onverminderd artikel
38, eerste lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 heeft
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, bedoeld in artikel
30,
eerste lid, van die wet, met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 1
van deze wet tot taak uitvoering te geven aan hoofdstuk 1 van de Wet
overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen.
-2. De werkzaamheden met
betrekking tot de voorbereiding en uitvoering van de
besluiten van het Landelijk instituut sociale verzekeringen krachtens hoofdstuk 1 van
de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen
behoren tot de in artikel 39, eerste lid, van de
Organisatiewet sociale
verzekeringen 1997 bedoelde werkzaamheden.
Art. 88.
-1. Voor de toepassing van
dit artikel wordt verstaan onder:
a. overheidswerknemer:
1º. de
overheidswerknemer in de zin van artikel 2 van de Wet
privatisering ABP jonger dan 65 jaar;
en
2º. de beroepsmilitair;
en
3º. degene die door de
Koning in dienst is genomen om bij de Koninklijke Hofhouding
werkzaam te zijn en die uit dien hoofde onder de Pensioenregeling van de
Stichting tot verzorging van de pensioenen van het personeel van de
Koninklijke Hofhouding van het Huis van Oranje-Nassau valt, jonger dan
65 jaar;
b. Landelijk instituut sociale
verzekeringen: het Landelijk instituut sociale
verzekeringen,
genoemd in hoofdstuk 4 van de Osv
1997;
c. Osv 1997: de
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997;
d. USZO: de rechtspersoon
die met toepassing van artikel 59, eerste lid, van de
Osv 1997 is erkend
als de Uitvoeringsinstelling Sociale Zekerheid voor Overheid en
onderwijs.
-2. Indien door het
Landelijk instituut sociale verzekeringen de administratieovereenkomst
die het met betrekking tot de uitvoering van de WAO
voor overheidswerknemers met USZO heeft gesloten,
wordt opgezegd in de periode vanaf het tijdstip van
aanvang van fase 1 van deze wet tot een bij ministeriële regeling
van Onze
Minister van Binnenlandse Zaken, in overeenstemming met Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
vast te stellen datum,
kunnen de uit die opzegging voortvloeiende kosten, overeenkomstig de
bij of krachtens artikel 70 van de Invoeringswet
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 gestelde regels, als uitvoeringskosten ten
laste van de in dat artikel bedoelde fondsen worden gebracht.
-3. Indien op enig moment
het financieringsregime van de ZW of de WW
op de overheidswerknemers van toepassing wordt
en door het Landelijk
instituut sociale verzekeringen wordt na dat moment de
administratieovereenkomst die het met betrekking tot de uitvoering van de betreffende
regeling voor overheidswerknemers met USZO heeft gesloten, opgezegd, dan
wordt het tweede lid overeenkomstig toegepast, tenzij de in het tweede
lid bedoelde bij de in dat lid bedoelde ministeriële regeling vast te stellen
datum op dat moment reeds is gepasseerd.
Art. 89.
-1. Met ingang van het
tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet tot en met de dag
voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 2 van deze wet, bedoeld in
artikel 53, komt de premie op grond van de WW, bedoeld
in de artikelen 85, derde lid, en 86 van de WW, over de
uitkering op grond van de WAO van een overheidswerknemer als bedoeld in
artikel 1,
onderdeel l, of een gewezen overheidswerknemer, in afwijking van artikel
92, onderdeel a en b, van de WW, niet ten gunste van het
wachtgeldfonds, bedoeld in artikel 102 van die
wet, of het Algemeen
Werkloosheidsfonds, bedoeld in artikel 103 van
die wet, maar van het
Arbeidsongeschiktheidsfonds, bedoeld in artikel 72 van de WAO. De eerste volzin is slechts van
toepassing indien de
werkzaamheden met betrekking tot de in die volzin bedoelde uitkering
worden verricht door een rechtspersoon die de in artikel
41, eerste
lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 bedoelde werkzaamheden
uitsluitend verricht voor één of meer sectoren of sectoronderdelen
waarbij geen andere dan overheidswerkgevers als bedoeld in artikel
1,
onderdeel k, zijn aangesloten.
-2. Ingeval het Landelijk instituut sociale
verzekeringen, genoemd in hoofdstuk 4 van de
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997, of een uitvoeringsinstelling als
bedoeld in artikel 41, derde lid, van die
wet de aan een overheidswerknemer als bedoeld in artikel
1, onderdeel
l, toegekende uitkering op
grond van de WAO, bedoeld in artikel
10,
eerste of tweede lid, van die wet, aan een overheidswerkgever
als bedoeld in artikel 1, onderdeel k, betaalt met het oogmerk die uitkering
door diens tussenkomst te doen uitbetalen:
a. wordt, in afwijking
van artikel 10, derde lid, van de WAO,
voor zover dat lid betrekking heeft op de premie op grond van de
artikelen 85, derde lid, en 86 van de WW, de
bedoelde uitkering niet vermeerderd met de daarover door de
werkgever verschuldigde premie op grond van de WW en wordt
die uitkering verminderd met het door de overheidswerknemer of
gewezen overheidswerknemer verschuldigde deel van de premie op grond
van die wet;
b. treedt, in afwijking
van artikel 10, derde lid, van de WAO,
voor zover dat lid betrekking heeft op de premie op grond van de
artikelen 85, derde lid, en 86 van de WW, de
overheidswerkgever niet in de plaats van het Landelijk instituut
sociale verzekeringen of de uitvoeringsinstelling;
c. wordt, zo nodig in
afwijking van artikel 28 van de Wet
financiële voorzieningen privatisering ABP, voor de inhouding inzake werkloosheid, bedoeld in artikel 31 van
de Wet
financiële voorzieningen privatisering ABP, onder loon verstaan
de op de WAO-uitkering aanvullende bezoldiging.
-3. Het eerste en het
tweede lid gelden uitsluitend voor uitkeringen op grond van de WAO die betrekking hebben op de
periode tot aan het tijdstip van aanvang van fase 2 van deze wet, bedoeld
in artikel 53.
Art. 90.
-1. Het bedrag dat de
overheidswerkgever, bedoeld in artikel 1, onderdeel k, moet betalen
aan het Landelijk instituut sociale
verzekeringen, genoemd in hoofdstuk 4
van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997, in verband met de
door hem verschuldigde premie, bedoeld in artikel 76a
van de WAO, wordt verminderd met het door
het Landelijk instituut sociale verzekeringen overeenkomstig het tweede
lid vastgestelde, ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds, bedoeld in
artikel 72 van de
WAO komende
bedrag dat bedoeld is om de over uitkeringen op
grond van de WAO van overheidswerknemers
als bedoeld in artikel 1, onderdeel l, en gewezen
overheidswerknemers verschuldigde premies op grond van de WW
ten
gunste te laten komen van de overheidswerkgevers. De in de eerste volzin
bedoelde vermindering vindt plaats zo spoedig mogelijk na het
in het tweede lid bedoelde, betreffende kalenderjaar.
-2. Het in het eerste lid bedoelde te verminderen bedrag wordt berekend door de uitkomst
van een breuk waarvan:
a. de teller wordt
gevormd door het totaal van de in een kalenderjaar verschuldigde premies op
grond van de artikelen 85, derde lid, en 86 van de WW
over
het totaal van de in het betreffende kalenderjaar uitbetaalde uitkeringen
op grond van de WAO van overheidswerknemers
als bedoeld in artikel 1, onderdeel l, en gewezen
overheidswerknemers, onder aftrek van:
1º. een bij
ministeriële regeling op voordracht van Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid, in overeenstemming met Onze
Minister van Binnenlandse Zaken, vastgesteld bedrag dat volgens een bij die ministeriële
regeling te bepalen verdeling wordt afgedragen aan de wachtgeldfondsen, bedoeld
in artikel 102 van de WW, of het Algemeen
werkloosheidsfonds, bedoeld in artikel 103 van de WW; en
2º. de door het
Landelijk instituut sociale verzekeringen vastgestelde uitvoeringskosten van de
toepassing van artikel 89 en het eerste lid; en
b. de noemer wordt
gevormd door de som van de voor het totaal van de overheidswerkgevers
vastgestelde premieloon voor de heffing van de in het eerste lid
bedoelde premie in het betreffende kalenderjaar gedeeld door het premieloon voor
de heffing van de in het eerste lid bedoelde premie van de betreffende overheidswerkgever in dat kalenderjaar.
-3. Het bedrag dat de
overheidswerkgever, bedoeld in artikel 1, onderdeel k, moet betalen
aan het Landelijk instituut sociale verzekeringen, genoemd in
hoofdstuk 4 van de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997, in verband met de
door hem verschuldigde premie, bedoeld in artikel 76a
van de WAO, wordt verminderd met het door
het Landelijk instituut sociale verzekeringen overeenkomstig het vierde
lid vastgestelde, ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds, bedoeld in
artikel 72 van de
WAO, komende
bedrag dat bedoeld is om het na de in
artikel 44,
zesde lid, bedoelde liquidatie van het Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering
overheidspersoneel resterende vermogen van dat fonds
ten gunste te laten komen van de overheidswerkgevers.
-4. Het in het derde lid bedoelde te verminderen bedrag wordt volgens bij of krachtens de
algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 44, zesde lid, te stellen
regels vastgesteld. De in het derde lid bedoelde vermindering vindt niet
eerder plaats dan nadat de in artikel 44, zesde lid, bedoelde liquidatie van
het Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel is
afgerond en vindt, zoveel mogelijk, plaats in de maand na de maand waarin
de bedoelde liquidatie is afgerond.
-5. Het bedrag dat de
overheidswerkgever, bedoeld in artikel 1, onderdeel k, moet betalen
aan het Landelijk instituut sociale verzekeringen, genoemd in hoofdstuk 4
van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997, in verband met de
door hem verschuldigde premie, bedoeld in artikel 76a
van de WAO, wordt vermeerderd met het door
het Landelijk instituut sociale verzekeringen overeenkomstig het zesde
lid vastgestelde bedrag.
-6. Het in het vijfde lid bedoelde te vermeerderen bedrag is het door de overheidswerkgever
verschuldigde, overeenkomstig het Besluit
heffing scholing en vorming ondernemingsraadsleden bij de overheid door het Landelijk instituut
sociale verzekeringen vastgestelde bedrag van de in dat besluit bedoelde heffing.
-7. De in het derde lid
bedoelde vermindering en de in het vijfde lid bedoelde vermeerdering
vervallen met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 2 van
deze wet, bedoeld in artikel 53.
Art. 91.
-1. In afwijking van
artikel 41, eerste en tweede lid, van de Organisatiewet sociale
verzekeringen 1997 laat het Landelijk instituut sociale
verzekeringen,
genoemd in hoofdstuk 4 van die
wet, de in die leden bedoelde werkzaamheden per sector of sectoronderdeel waartoe
overheidswerkgevers
behoren, gedurende een overgangsperiode, op grond van schriftelijke
overeenkomsten als bedoeld in artikel 43 van
die wet, verrichten door twee
rechtspersonen die op grond van artikel 59 van
die wet zijn erkend, met
het oog op een goede overgang van de werkzaamheden van de ene
naar de andere rechtspersoon.
-2. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen kan zijn bevoegdheid tot het nemen van besluiten
in de zin van de Algemene wet bestuursrecht gedurende een
overgangsperiode als bedoeld in het eerste lid mandateren aan twee
uitvoeringsinstellingen per sector of sectoronderdeel als bedoeld in dat lid.
-3. Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid stelt, in overeenstemming met Onze
Minister van Binnenlandse Zaken, de datum vast waarop de in het
eerste en het tweede lid bedoelde overgangsperiode eindigt.
Art. 92.
-1. Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan, in overeenstemming met Onze
Minister van Binnenlandse Zaken, regels stellen waarbij in geval
van samenloop van een uitkering op grond van de WW
en
een mede uit hoofde van een dienstbetrekking als overheidswerknemer
dan wel voormalige dienstbetrekking als gewezen
overheidswerknemer toegekende uitkering op grond van de WAO, zo nodig in afwijking van de artikelen 99 en
100 van
de WW en de daarop berustende bepalingen, een
uitvoeringsinstelling wordt aangewezen die ten aanzien van de werknemer
werkzaamheden als bedoeld in artikel 41 van de
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997, voor zover die betrekking
hebben op de uitkering op
grond van de WW, verricht.
-2. Dit artikel en de
daarop berustende bepalingen vervallen met ingang van het tijdstip van
aanvang van fase 3 van deze wet, bedoeld in artikel 54.
Art. 93.
Deze wet wordt aangehaald
als: Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen.
Art. 94.
-1. Deze wet treedt in
werking met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.¹
-2. Bij koninklijk besluit
wordt bepaald met ingang van welk tijdstip de fase 1 van deze wet, de
fase 2 van deze wet en de fase 3 van deze wet aanvangen.¹
-3. Het in het eerste en
tweede lid bedoelde tijdstip kan voor de verschillende artikelen,
onderdelen of subonderdelen daarvan alsmede voor groepen van
overheidswerknemers en gewezen overheidswerknemers verschillend worden
vastgesteld.
-4. In afwijking van het
eerste en tweede lid treden de artikelen 35 tot en met 42 in werking met
ingang van 1 oktober 1997. Indien het Staatsblad waarin deze wet wordt
geplaatst, wordt uitgegeven na 30 september 1997, treden de in de eerste
volzin genoemde artikelen in werking met ingang van de dag na de datum
van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst en
werken zij terug tot en met 1 oktober 1997.
1. Bij Besluit
van 24 december 1997, Stb. 1997, 769, is het tijdstip van
inwerkingtreding alsmede het tijdstip van aanvang van fase 1 bepaald op 1
januari 1998; bij Besluit van 17 juli 1999, Stb.
1999, 354, is het tijdstip van aanvang van fase 2 en 3 bepaald op 1
januari 2001; bij Besluit van 6 juni 2000, Stb.
2000, 255, is het Besluit van 17 juli 1999 gewijzigd en is het
tijdstip van inwerkingtreding van fase 3 bepaald op 1 januari 2003; bij Besluit
van 13 juni 2002, Stb. 2002, 343, is het Besluit van 17 juli
1999 nogmaals gewijzigd en is fase 3 afgesteld.
Lasten en bevelen dat
deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de
nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te Het Oude Loo,
24 december 1997
BEATRIX
De Minister van
Binnenlandse Zaken,
H.F. Dijkstal
De Staatssecretaris van
Defensie,
J.C. Gmelich Meijling
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave
De Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers
Uitgegeven de dertigste
december 1997
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|
|