|
rblz.|1|
Kamerstukken II
1997-1998, 25 687
Wijziging
van de Ziekenfondswet
in verband met aanpassing van de gronden voor de ziekenfondsverzekering
(herstructurering Ziekenfondswet)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Situering van het
wetsvoorstel |
| 3 |
Achtergrond van de
voorgestelde maatregelen |
| 4 |
Gevolgen in aantallen
verzekerden en financiële gevolgen |
|
xArtikelsgewijs |
| xx |
Artikelen
I t/m VI |
Algemeen
1.
Inleiding
Dit
voorstel van wet strekt ertoe de navolgende maatregelen in de
ziekenfondsverzekering te realiseren:
a. Het waarborgen dat ieder die ziekenfondsverzekerd is bij het bereiken
van de 65-jarige leeftijd daarna ziekenfondsverzekerd blijft ("blijf
zitten waar je zit").
Met deze maatregel wordt een einde gemaakt aan de in brede kring als
onrechtvaardig ervaren situatie die was ontstaan na de inwerkingtreding
van de Wet-Van Otterloo, waarbij mensen die langdurig
ziekenfondsverzekerd zijn geweest, na het bereiken van de
pensioengerechtigde leeftijd aangewezen raken op een voor hen veelal
relatief dure particuliere ziektekostenverzekering.
b. Het openen van de mogelijkheid voor particulier verzekerden van 65
jaar of ouder om op vrijwillige basis toe te treden tot de
ziekenfondsverzekering. Voorwaarde daarbij is dat
het belastbaar gezinsinkomen lager is dan ƒ38 300,- per
jaar (opting-in 65+).
In beginsel blijven
personen die bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd particulier verzekerd
zijn nadien aangewezen op die verzekeringsvorm. Een uitzondering wordt
gemaakt voor personen met een laag belastbaar gezinsinkomen. Dezen
krijgen de mogelijkheid om op hun verzoek onder de ziekenfondsverzekering
te worden gebracht.
c. Het verbreden van het
inkomensbegrip dat voor toetsing aan de onder punt b bedoelde
inkomensgrens wordt gehanteerd. Daardoor zullen ook inkomsten uit
onder meer vermogen en lijfrente gaan meetellen (verbreed
inkomensbegrip).
Onder de
Wet-Van Otterloo
werd voor de beoordeling van de verzekeringsplicht van
personen van 65 jaar of ouder alleen rekening gehouden met inkomen uit
of in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven. Ander
inkomen zoals rente of termijnen van lijfrenten rblz.|2|
bleven buiten
beschouwing. Hierdoor kon het voorkomen dat personen met een hoog belastbaar
inkomen ziekenfondsverzekerd werden (ook wel aangeduid als de
miljonairsproblematiek). Door het te hanteren verbrede inkomensbegrip zal dit
niet langer mogelijk zijn.
d. Het permanent maken
van de tijdelijke uitzondering en ontheffingsmogelijkheid van de ziekenfondsverzekering voor bepaalde categorieën
voormalig particulier
verzekerde uitkeringsgerechtigden jonger dan 65 jaar (opting-out 65-).
De tijdelijke
uitzonderingen en ontheffingsmogelijkheid van de ziekenfondsverzekering
die bij de inwerkingtreding van de Wet op de toegang tot
ziektekostenverzekeringen (Wtz) in het leven werden geroepen ten aanzien van
deelnemers aan publiekrechtelijke ziektekostenregelingen en bepaalde categorieën
voormalig particulier verzekerde uitkeringsgerechtigden
jonger dan 65 jaar krijgen hiermee een permanent karakter.
e. Het openen van een eenmalige ontheffingsmogelijkheid van de ziekenfondsverzekering
voor een bepaalde categorie voormalig particulier verzekerde personen van
65 jaar of ouder (opting-out 65+).
Door de werking van de
Wet-Van Otterloo zijn er personen van 65 jaar of ouder verplicht
overgegaan vanuit de particuliere verzekering naar de ziekenfondsverzekering.
Voor een aantal van deze personen was deze overgang financieel
onvoordelig, omdat zij van hun voormalige werkgever een tegemoetkoming
ontvingen in hun ziektekosten voor zolang zij particulier verzekerd
waren. Deze personen krijgen een mogelijkheid om op hun verzoek van de
ziekenfondsverzekering te worden ontheven.
2. Situering van het
wetsvoorstel
Dit wetsvoorstel maakt
onderdeel uit van een pakket van maatregelen tot herstructurering van
de ziekenfondsverzekering. Deze maatregelen zijn voornamelijk gericht op
het verbeteren van de verzekeringspositie van personen van 65 jaar of
ouder. Dit pakket van maatregelen werd bij brief van 17 september 1996
aangekondigd aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal
(Kamerstukken II 1996-1997, 25 027, nr. 1); een kopie van de brief werd gezonden aan
de Eerste Kamer.
Als eerste stap is een
wet in werking getreden waarmee de inkomensgrens voor de
ziekenfondsverzekering voor AOW-gerechtigden per 1 januari 1997 en per 1
juli 1997 fors werd verhoogd. Daardoor konden meer ouderen
ziekenfondsverzekerd worden. Aanvankelijk ging de regering uit van een
raming van circa 200 000 betrokkenen. Op grond van de thans ter beschikking
staande gegevens moet rekening worden gehouden met de
mogelijkheid dat dit getal lager uitvalt.
Vervolgens trad op 1
augustus 1997 een wijziging van de Ziekenfondswet in werking
waardoor nieuwe studenten (WSF-gerechtigden) van
wie de ouders ziekenfondsverzekerd zijn niet meer gratis medeverzekerd kunnen zijn bij hun ouders. Zij moeten vanaf 1
augustus 1997 een
particuliere ziektekostenverzekering sluiten. Voor de kosten daarvan krijgen
zij in het kader van de Wet
op de studiefinanciering een tegemoetkoming.
Degenen die al eerder met hun studie waren begonnen en die
medeverzekerd zijn, kunnen dat blijven voor de rest van hun studie. Uiteindelijk
zullen na verloop van vier jaar ongeveer 185 000 mensen minder van de
gratis medeverzekering gebruik maken.
Het thans voorliggende
voorstel van wet vormt het sluitstuk van de herstructurering van de ziekenfondsverzekering die werd aangekondigd in
de eerder vermelde
beleidsbrief van 17 september 1996.
rblz.|3|
Deze herstructurering van
de ziekenfondsverzekering zal niet het laatste woord zijn bij de
discussie over de vormgeving van het stelsel van ziektekostenverzekeringen.
De regering heeft het voornemen daarover in het najaar van 1997
afzonderlijk een nota aan de Tweede Kamer voor te leggen. De regering heeft
niet willen wachten op de uitkomst daarvan om de verzekeringspositie
van ouderen te verbeteren, gezien het belang dat zij daaraan hecht.
3. Achtergrond van de
voorgestelde maatregelen
De Wtz
Tot de tweede helft van
de zeventiger jaren bestond er binnen het Nederlandse stelsel van ziektekostenverzekeringen een redelijke mate van
premiesolidariteit. Zowel
in de sector van de sociale ziektekostenverzekering als op de particuliere
ziektekostenverzekeringsmarkt betaalden jonge, gezonde mensen een
meer dan kostendekkende premie, waardoor de premielast voor de
ouderen en de mensen met een ziekte of gebrek binnen redelijke grenzen
kon blijven. Aan deze situatie kwam een einde toen er op de markt van
de particuliere ziektekostenverzekeraars een concurrentiestrijd
ontbrandde. Verzekeraars dongen naar de gunst van jonge, gezonde mensen die
werden gelokt met steeds scherper geprijsde aanbiedingen. Het
slachtoffer van deze ontwikkeling werden de groepen particulier verzekerden
die voor de verzekeraars niet zo interessant waren, omdat zij door leeftijd,
ziekte of gebrek een verhoogd ziekterisico vormden. Deze mensen
werden in toenemende omvang geconfronteerd met bepaalde
risico-uitsluitingen of aanzienlijke verhoging van hun premie.
Het wegvallen van de
premiesolidariteit binnen de particuliere verzekeringsmarkt had ook
een ontwrichtende invloed op de sociale ziektekostenverzekering
en dan met name op de destijds binnen de Ziekenfondswet geregelde
bejaarden- en vrijwillige ziekenfondsverzekering. In het bijzonder vanuit
de vrijwillige ziekenfondsverzekering werden namelijk grote
groepen van jonge en gezonde verzekerden weggelokt door de
gunstige aanbiedingen van de particuliere ziektekostenverzekeraars.
Tegelijkertijd was er sprake van een omgekeerde beweging,
omdat mensen die in de particuliere verzekeringsmarkt werden geconfronteerd met
forse premieverhogingen of risico-uitsluitingen hun heil zochten bij de
bejaarden- of de vrijwillige ziekenfondsverzekering.
Daar werden zij niet met risico-uitsluitingen geconfronteerd en lag de premie door inkomensafhankelijke premiereductieregelingen
op een verhoudingsgewijs
veel gunstiger niveau. Door de verplichte acceptatie die
voor de bejaarden- en vrijwillige ziekenfondsverzekering gold, was het niet
mogelijk de toestroom van slechte risico’s vanuit de particuliere
verzekeringsmarkt te stuiten. Het resultaat van dit alles was een situatie
waarbij jonge en gezonde mensen zich voor een koopje konden verzekeren
op de particuliere verzekeringsmarkt, terwijl ouderen en mensen met een
ziekte of gebrek massaal toetraden tot de bejaarden- en de
vrijwillige ziekenfondsverzekering. Als resultaat daarvan was een steeds groeiende
rijksbijdrage voor deze verzekeringen noodzakelijk.
Aanvankelijk poogde de
particuliere verzekeringsmarkt nog de gevolgen van deze ontwikkeling te verzachten door middel van een vrijwillige
bijdrage aan de snel
stijgende kosten van met name de vrijwillige ziekenfondsverzekering.
Als gevolg van interne verdeeldheid binnen de particuliere ziektekostenverzekeringsmarkt kon deze bijdrageregeling al
spoedig niet meer worden
voortgezet. Voor het toenmalige kabinet vormde dit de doorslag om
met wettelijke maatregelen het doorbroken evenwicht tussen de
verschillende verzekeringssectoren te herstellen.
Voor wat betreft de
verzekering van ouderen kwam dit op het volgende rblz.|4|
neer. Aanvaard werd dat
als gevolg van de onevenwichtigheden binnen de particuliere
ziektekostenverzekeringssector een oververtegenwoordiging van ouderen in de
ziekenfondsverzekering was ontstaan. Om de financieel nadelige effecten hiervan op de ziekenfondsverzekering
enigszins te compenseren,
werd in de Wet medefinanciering oververtegenwoordiging oudere
ziekenfondsverzekerden (Wet MOOZ) geregeld dat vanuit de particuliere ziektekostenverzekering een financiële bijdrage werd
gegeven voor de extra
kosten die in de ziekenfondsverzekering ontstonden als gevolg van
de extra instroom van verzekerden van 65 jaar of ouder. Voor wat
betreft de toekomstige situatie werd het uitgangspunt vastgelegd dat zowel de
sociale verzekeringssector als de particuliere verzekeringssector zelf
voor een adequate opvang moesten zorgdragen voor degene die als
verzekerde binnen de desbetreffende sector de 65-jarige leeftijd zou bereiken. Aan de mogelijkheid voor ouderen om van
de particuliere
verzekering naar de ziekenfondsverzekering of van de ziekenfondsverzekering
naar de particuliere verzekering over te stappen, werd een eind gemaakt.
Hiertoe werd de Ziekenfondswet opnieuw vormgegeven. De
bejaarden- en de vrijwillige ziekenfondsverzekering werden afgeschaft en er
werd bepaald dat een bestaande verplichte ziekenfondsverzekering
bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd wordt voortgezet. Degenen die
bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd particulier verzekerd
zijn, blijven op een verzekering binnen die sector aangewezen.
Eén en ander werd vormgegeven bij de op 1 april 1986 in werking getreden
Wtz, waarin
tevens regels werden gesteld om zeker te stellen dat mensen die
bijvoorbeeld door overschrijding van de Zfw-loongrens op de particuliere
verzekeringsmarkt aangewezen raakten, daar op hun verzoek verzekerd konden
worden op een standaardpakketpolis, waarvan de dekking in grote
trekken overeenkomt met het ziekenfondspakket. De mogelijkheid werd daarbij
geopend dat zo nodig van overheidswege een maximum kon worden
gesteld aan de premie die voor een standaardpakketpolis in rekening werd
gebracht. Eventuele tekorten die aldus ontstonden op de
exploitatie van zodanige polissen werden gecompenseerd vanuit een hiertoe
ingestelde omslagregeling, waarvoor alle particulier verzekerden
een opslag op hun verzekeringspremie verschuldigd zijn.
Een belangrijk punt in
het vernieuwde stelsel, waarbij iedere verzekeringssector zijn
eigen ouderen moest opvangen, werd gevormd door de premie die door
deze categorie van verzekerden verschuldigd is. Door de goeddeels
procentuele premie die in de ziekenfondsverzekering verschuldigd is, ontstond
voor de ouderen die daarin verzekerd waren een rechtstreekse relatie
tussen de hoogte van hun inkomen en het bedrag dat zij voor hun
ziektekostenverzekering moesten betalen. In de particuliere sector daarentegen bleef
de situatie bestaan dat mensen die na hun pensionering aanzienlijk
in inkomen achteruit gingen, werden geconfronteerd met een verhoudingsgewijs
hoge premie. Om dit effect te verzachten, zegden de
particuliere ziektekostenverzekeraars toe een zekere bandbreedte in hun
premiestelling te zullen bewerkstelligen. Daardoor zou de premie van oudere
verzekerden wat omlaag kunnen, terwijl de jongere verzekerden daarentegen wat meer premie moesten gaan
betalen.
Ondanks herhaalde
aanmaningen door toenmalige kabinetten, daarin gesteund door het
parlement, kwam dit beoogde bandbreedtesysteem maar niet van de grond.
Uiteindelijk moesten de particuliere verzekeraars erkennen dat onderlinge
onenigheid het hun onmogelijk maakte een dergelijk systeem te
realiseren. Het parlement bracht zijn teleurstelling daarover tot uiting door
een tussentijdse wijziging van de Wtz aan te grijpen om door middel
van het zogenoemde amendement-Lansink (Kamerstukken II 1988-1989,
20 702, nr. 15) alle ouderen binnen de particuliere rblz.|5|
verzekeringsmarkt
de mogelijkheid te bieden een standaardpakketpolis af te sluiten.
Tegelijkertijd werd de premie voor een dergelijke standaardpakketpolis voor
ouderen vastgesteld op een voor deze groep niet-kostendekkend
niveau. Het exploitatietekort op deze polissen werd omgeslagen over alle
particulier verzekerden door middel van de Wtz-omslagregeling.
De initiatiefwet-Van
Otterloo
Alle getroffen
maatregelen ten spijt bleef de situatie voortbestaan dat aan ouderen in de
particuliere markt een premie in rekening werd gebracht die zeker in
verhouding tot de premie voor ouderen in de ziekenfondsverzekering
voor velen hoog was ten opzichte van hun inkomenspositie.
Een fundamentele
oplossing voor deze problematiek werd geboden door de voorgenomen
wijziging van het stelsel van ziektekostenverzekering, die sedert het
verschijnen van de nota Verandering Verzekerd (Kamerstukken II 1987-1988,
19 945, nr. 28) door achtereenvolgende kabinetten in het
vooruitzicht werd gesteld. Als gevolg van uiteenlopende maatschappelijke en
politieke visies is het evenwel niet gekomen tot realisering van de
voornemens in dat verband. Met het oog hierop oordeelde het parlement
het nodig een oplossing te vinden voor die categorieën van personen
voor wie de premie voor een particuliere ziektekostenverzekering
onevenredig zwaar is geworden in relatie tot hun inkomen. De
initiatiefwet-Van Otterloo (Kamerstukken II 1992-1993, 23 090) voorziet
erin dat de AOW-uitkering rechtsgrond werd voor ziekenfondsverzekering. Voorwaarde daarbij is dat
inkomen uit of in verband met dienstbetrekking lager is dan een bepaalde inkomensgrens. Sedert 1 juli
1997 is deze grens
gesteld op ƒ38 300,-.
Resterende problematiek
Op 22 juni 1995 is door
de Ziekenfondsraad zijn rapport uitgebracht over de evaluatie van de
Wet-Van Otterloo (publicatienummer 1995/669). De Ziekenfondsraad
constateert dat de Wet-Van Otterloo een oplossing heeft gebracht voor AOW-gerechtigden voor wie de premie van een particuliere
ziektekostenverzekering onevenredig zwaar was geworden in relatie tot hun inkomen.
Niettemin moet worden geconstateerd dat de Wet-Van Otterloo op een
drietal, kleinere, gebieden nieuwe problemen heeft veroorzaakt. Het betreft
het verschijnsel dat door de Wet-Van Otterloo ook AOW-gerechtigden
ziekenfondsverzekerd zijn geworden die gezien hun financiële positie niet
behoren tot de groep ouderen voor wie de wijziging van de ziekenfondsregelgeving bestemd was. Dit verschijnsel werd in
populaire zin ook wel
aangeduid met de uitdrukking "de miljonairs in het
ziekenfonds". Voorts is
de situatie ontstaan dat mensen die langdurig ziekenfondsverzekerde
waren, bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd gedwongen worden over te
stappen naar de particuliere verzekering. Anderzijds zijn er mensen
die tot hun volle tevredenheid particulier verzekerd zijn, die nu
door de wet worden gedwongen bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd
over te stappen naar de ziekenfondsverzekering.
Het verschijnsel van de
"miljonairs in het
ziekenfonds" doet zich voor
omdat voor de vraag of
iemand ziekenfondsverzekerde kan zijn alleen gekeken wordt naar
inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven. Inkomen uit
vermogen, zoals rente of termijnen van lijfrenten tellen hierbij
niet mee. Datzelfde geldt voor wat betreft de premieheffing, die vindt
alleen maar plaats over het inkomen uit arbeid of vroegere arbeid.
In dit verband is op 8
januari 1997 het EIM [Economisch Instituut voor het Midden- en
Kleinbedrijf, red.] gevraagd te adviseren over de vraag of het in het
algemeen mogelijk is om voor ouderen een fiscaal rblz.|6|
inkomensbegrip te
hanteren voor de verzekerings- en premieheffingsgrondslag ingevolge de
ziekenfondsverzekering. Het EIM bracht rapport uit op 21 maart 1997. Het
EIM heeft onder meer het departement van Financiën en de huidige
uitvoeringsorganen (Sociale Verzekeringsbank, pensioenfondsen en de
ziekenfondsen) bij het onderzoek betrokken.
De bevindingen van het
EIM wijzen uit dat een systeem waarbij het belastbaar inkomen
bepalend is voor de verzekeringsplicht en de premieheffingsgrondslag
in de ziekenfondsverzekering technisch uitvoerbaar is. Tevens
kan dit zodanig worden vormgegeven dat op macroniveau de verdeling
van het aantal verzekerden over de onderscheiden verzekeringssectoren
ongeveer gelijk blijft en dat de totale premieopbrengst eveneens
ongeveer gelijk blijft. Op individueel niveau echter leidt een zodanig
systeem tot wijzigingen van de verzekeringssituatie en de koopkracht die op
grond van de thans beschikbare gegevens niet
voorspelbaar zijn. Over en weer zal er sprake zijn van aanzienlijke
verschuivingen.
Regeringsstandpunt
Gegeven de onvoorspelbare
situatie op individueel niveau heeft de regering het niet
aangewezen geacht thans reeds een voorstel te ontwikkelen waarbij het
belastbaar inkomen grondslag wordt voor de verzekering en de
premieheffing ingevolge de Ziekenfondswet. Nader
onderzoek omtrent de
gevolgen voor wat betreft het veranderen van verzekerdenpopulaties en
de koopkracht is hiervoor geboden.
Met betrekking tot de
situatie waarbij mensen bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd tegen
hun zin in uit de ziekenfondsverzekering worden gedwongen, heeft de Ziekenfondsraad
in zijn eerder genoemd evaluatierapport over de Wet-Van Otterloo
een mogelijke oplossingsrichting aangegeven, die op korte termijn zou kunnen worden gerealiseerd.
Deze oplossingsrichting
gaat uit van de gedachte dat het uitgangspunt van de Wtz wordt
hersteld. Dit betekent dat mensen die bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd
ziekenfondsverzekerde zijn ook daarna ziekenfondsverzekerde
blijven. Wie bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd particulier
tegen ziektekosten is verzekerd, blijft ook daarna aangewezen op een
particuliere verzekering.
De Raad constateert dat
aldus de solidariteit tussen jong en oud in de onderscheiden
verzekeringsvormen weer wordt hersteld.
De Raad constateert
evenwel ook dat onverkorte toepassing van dit uitgangspunt tot gevolg
heeft dat een aantal personen die aangewezen blijven op een
particuliere ziektekostenverzekering, door een daling in het inkomen bij het bereiken
van de 65-jarige leeftijd een relatief groot deel van hun inkomen aan
premie voor een particuliere ziektekostenverzekering moet besteden.
De
Raad schetst twee
mogelijkheden om dit probleem op te lossen. Eén van de mogelijkheden zou
zijn het probleem binnen de particuliere ziektekostenverzekeringsmarkt
zelf op te lossen. Daarbij zou vooral gedacht kunnen worden aan
de invoering van een premiebandbreedtemodel of een
premiereductieregeling, zoals die eerder al door de verzekeraars als
alternatief voor de Wet-Van Otterloo werd gesuggereerd. Als andere mogelijke
oplossingsrichting wordt aangegeven het onder nader te stellen
voorwaarden mogelijk te maken dat personen die bij het bereiken van de 65-jarige
leeftijd particulier tegen ziektekosten waren verzekerd, nadien alsnog
tot de ziekenfondsverzekering kunnen worden toegelaten. De nader te
stellen voorwaarden zouden onder meer betrekking moeten hebben
op de hoogte en de samenstelling van het inkomen.
rblz.|7|
De
regering heeft zich beraden op de door de Ziekenfondsraad
genoemde
oplossingsmogelijkheden. Geconstateerd werd dat in het verleden voor de
problemen van een AOW-gerechtigde van wie het inkomen dusdanig laag is
dat het voor een groot deel besteed moet worden aan de premie voor
een particuliere ziektekostenverzekering binnen de particuliere
verzekeringsmarkt geen bevredigende oplossing tot stand is gekomen. De door
de particuliere verzekeraars in dit kader gedane voorstellen zijn
door het parlement niet geaccepteerd. Dit heeft er uiteindelijk mede toe
geleid dat het parlement het initiatief heeft genomen tot de Wet-Van
Otterloo.
De regering acht het derhalve meer opportuun te kiezen voor de door de
Ziekenfondsraad genoemde tweede mogelijkheid. Daarbij gaat voor
ziekenfondsverzekerden bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd in alle gevallen
het "blijf-zitten-waar-je-zitbeginsel" gelden.
Particulier
verzekerden blijven na het bereiken van de 65-jarige leeftijd in beginsel aangewezen op de
particuliere verzekering; slechts in het geval dat betrokkenen kunnen
aantonen dat zij een zeer laag gezinsinkomen hebben, kunnen zij op
eigen verzoek worden toegelaten tot de ziekenfondsverzekering.
Met de voorgestelde nieuwe structuur van de ziekenfondsverzekering
beoogt de regering de voordelen van de Wtz-constructie en de Van-Otterloo-constructie te combineren, zonder dat de onvolkomenheden die
aan die constructies verbonden waren zich nog kunnen voordoen. De
regering is van opvatting dat deze nieuwe structuur in overeenstemming is met
het sociale karakter van de ziekenfondsverzekering en nochtans niet in de
weg staat aan de mogelijkheid voor de particuliere verzekering
om binnen de eigen sector zelf een oplossing tot stand te brengen voor de
gesignaleerde problematiek.
Uitwerking van het "blijf-zitten-waar-je-zitbeginsel"
Met de invoering van het
voorgestelde "blijf-zitten-waar-je-zitbeginsel"
wordt ten aanzien van ziekenfondsverzekerden de situatie hersteld zoals die gold vóór de
inwerkingtreding van de Wet-Van Otterloo. Dat wil zeggen dat degenen die
bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd in de ziekenfondsverzekering
zijn opgenomen daar nadien in verzekerd blijven, ongeacht de ontwikkeling
van hun inkomen. Daarbij geldt een referte-eis, waarbij de voorwaarde is
gesteld dat de betrokkenen in de periode tussen het 60ste en 65ste jaar ten
minste drie jaren al dan niet aaneengesloten ziekenfondsverzekerde
zijn geweest. Deze referte-eis is opgenomen om misbruik te voorkomen
door mensen die vlak vóór het bereiken van de 65-jarige leeftijd nog
snel even een klein baantje nemen met het oogmerk om daarmee levenslang ziekenfondsverzekerde te worden. Deze
referte-eis bestond ook
reeds in de situatie zoals die gold vóór de inwerkingtreding van de
Wet-Van Otterloo.
Uitwerking van de "opt-in-mogelijkheid"
voor oudere particulier verzekerden
Met de invoering van de
voorgestelde "opt-in-constructie" wordt het
mogelijk gemaakt dat
particulier verzekerden van 65 jaar of ouder op hun eigen verzoek
ziekenfondsverzekerde kunnen worden. Voorwaarde is dat het inkomen zich bevindt
op een dusdanig niveau dat het in maatschappelijk opzicht aanvaardbaar wordt geacht dat betrokkenen worden
opgenomen in een sociale
ziektekostenverzekering in plaats van aangewezen te zijn op een
particuliere ziektekostenverzekering. Voor het bepalen van de hoogte van
de inkomensgrens die geldt voor de "opt-in-
mogelijkheid" heeft de
regering zich laten leiden door het niveau waarop de thans geldende
inkomensgrens voor de ziekenfondsverzekering van personen van 65 jaar of
ouder zich bevindt. Deze grens is sedert 1 juli 1997 gesteld op een
bedrag van ƒ38 300,-. De hoogte van deze grens rblz.|8|
wordt ieder jaar
aangepast overeenkomstig het indexeringsmechanisme dat geldt voor de
loongrens voor ziekenfondsverzekerden jonger dan 65 jaar.
Voor de vraag welk
inkomensbegrip dient te worden gehanteerd bij de toepassing van de "opt-in-constructie"
heeft de regering het volgende overwogen. Om een
voldoende maatschappelijk draagvlak te creëren voor het opnemen in een
sociale ziektekostenverzekering van groepen van personen die nimmer
hebben bijgedragen aan de solidariteit binnen die verzekering, is het een
voorwaarde dat zonder twijfel vaststaat dat betrokkenen niet over
inkomensbestanddelen beschikken die buiten beschouwing blijven bij
de beoordeling van de toetreding tot de sociale verzekering. Het tot op
heden in de ziekenfondsverzekering gebruikelijke inkomensbegrip is in dit
verband niet voldoende aanvaardbaar, omdat daarbij uitsluitend wordt
gekeken naar inkomen uit arbeid of uit vroegere arbeid, verricht in
dienstbetrekking. Personen die bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd
particulier verzekerd zijn, zijn voor wat betreft hun inkomen in een aantal
gevallen niet of niet uitsluitend aangewezen op pensioenen die zijn
opgebouwd met arbeid in dienstbetrekking. Niet zelden is er bij deze
categorie van personen sprake van rente-inkomsten of inkomsten uit
lijfrenten. De regering acht het aangewezen alle zodanige inkomensbestanddelen in
aanmerking te nemen bij de toepassing van de "opt-in-constructie".
Daarom is gekozen voor de toepassing van het begrip "belastbaar
gezinsinkomen". Hieronder wordt verstaan het
gezamenlijke belastbare
inkomen in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 van de potentiële
ziekenfondsverzekerde en zijn eventuele partner. Inhoudelijk
wordt hiermee aangesloten aan het ter zake van de solidariteitsverzekering
gestelde in het rapport "Het
ziekenfonds, waar ligt de grens?" van het
Sociaal en Cultureel Planbureau, uitgegeven februari 1997.
Permanente uitzondering
en ontheffingsmogelijkheid voor uitkeringsgerechtigden
jonger dan 65 jaar
Bij de
invoering van de Wtz werd in algemene zin geregeld dat personen jonger dan 65
jaar die in het genot werden gesteld van een bepaalde
socialezekerheidsuitkering of een pensioen verzekerd werden ingevolge de
Ziekenfondswet. Een uitzondering werd gemaakt voor
degenen die deelnemers
waren aan een publiekrechtelijke ziektekostenregeling voor ambtenaren. Deze
uitzondering kreeg een tijdelijk karakter in afwachting van de
besluitvorming omtrent de ziektekostenverzekering van ambtenaren en de plaats
daarvan binnen het totale stelsel van ziektekostenverzekering.
Voorts werd de
mogelijkheid geopend voor rechthebbenden op een langlopende
socialezekerheidsuitkering om op hun verzoek van de ziekenfondsverzekering te
worden ontheven.
Ook deze
ontheffingsmogelijkheid kreeg een tijdelijk karakter in afwachting van verdere
besluitvorming over de toekomstige vormgeving van het stelsel van
ziektekostenverzekering. De tijdelijke regelingen hadden aanvankelijk
betrekking op een uitzonderingspositie met een looptijd van drie jaar.
Inmiddels heeft er drie keer een verlenging plaatsgevonden, waardoor
de tijdelijke uitzonderingssituaties een duur van twaalf jaar hebben
gekregen.
Overeenkomstig het rapport van de Ziekenfondsraad
van 24 april 1997 (publicatienummer
1997/745b) wordt thans voorgesteld om het tijdelijke karakter van de
uitzonderingen en de ontheffingsmogelijkheid permanent te maken. Daarbij zal aan
personen die eerder van de ontheffingsmogelijkheid gebruik hebben
gemaakt
de gelegenheid worden geboden om na afloop van de
laatstgeldende tijdelijke ontheffingstermijn alsnog toe te treden tot de
ziekenfondsverzekering (spijtoptantenregeling).
rblz.|9|
Eenmalige
ontheffingsmogelijkheid voor voormalig particulier verzekerden van 65 jaar
of ouder
Door de inwerkingtreding
van de Wet-Van Otterloo zijn personen die bij het bereiken van de
65-jarige leeftijd particulier verzekerd waren en een inkomen uit of in verband
met het verrichten van arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven hadden van
minder dan ƒ38 300,-, van rechtswege ziekenfondsverzekerd
geworden. Dit effect van de Wet-Van Otterloo, waardoor een bepaalde
categorie particulier verzekerden bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd
overging naar de ziekenfondsverzekering, heeft in algemene zin het beoogde
doel gediend om ouderen met een relatief laag inkomen onder te brengen
in de ziekenfondsverzekering, waar zij een premie verschuldigd zijn
die grotendeels gerelateerd is aan hun inkomen. Vastgesteld moet echter
worden dat er zich onder deze categorie van ouderen personen bevinden die financieel beter af zouden zijn geweest wanneer zij op de
particuliere markt verzekerd zouden zijn gebleven. Die situatie doet zich onder
meer voor wanneer zij in verband met een particuliere verzekering
door hun voormalige werkgever een soms aanzienlijke financiële
tegemoetkoming ontvangen in de kosten die zij in verband met ziekte maken.
Een voorbeeld in dit verband is de regeling voor overheidspersoneel,
de zogenoemde Zvo-regeling. Deze regeling is tot op heden zodanig
gunstig dat voormalig overheidspersoneel er aanzienlijk op achteruit
gaat wanneer zij onder de ziekenfondsverzekering worden gebracht. In het
particuliere bedrijfsleven gelden soms eveneens gunstige regelingen.
Vóór de
inwerkingtreding van de Wet-Van Otterloo zou deze categorie van personen aangewezen
gebleven zijn op de particuliere verzekering. Na de inwerkingtreding
van het onderhavige voorstel van wet zullen mensen die in een
vergelijkbare situatie verkeren ook aangewezen blijven op de particuliere
verzekeringsmarkt met dien verstande dat zij de mogelijkheid zullen
hebben om toelating te vragen tot de ziekenfondsverzekering wanneer hun belastbaar
inkomen lager is dan voormeld bedrag. Tegen deze achtergrond wordt voorgesteld de categorie van
personen die in de
periode tussen de inwerkingtreding van de Wet-Van Otterloo (1 juli 1994) en
de inwerkingtreding van het voorliggende voorstel van wet van rechtswege ziekenfondsverzekerd is geworden, in de
gelegenheid te stellen om
de ziekenfondsverzekering te verlaten zodat zij weer een particuliere
ziektekostenverzekering kunnen afsluiten om daarmee als voorheen een
beroep te kunnen doen op de financiële tegemoetkomingsregeling
van hun voormalige werkgever. Niet zeker is dat in alle gevallen de
voormalige particuliere verzekeraar de betrokkenen zal opnemen onder
dezelfde voorwaarden als die welke voorheen ten aanzien van hen golden.
Niettemin is op grond van de Wtz
zeker gesteld dat alle betrokkenen
binnen de particuliere verzekeringssector een verzekering zullen kunnen
sluiten indien zij de ziekenfondsverzekering wensen te verlaten.
Uiteraard kunnen zij, indien zij zulks wensen, ook hun ziekenfondsverzekering
laten voortduren.
4. Gevolgen in aantallen
verzekerden en financiële gevolgen
Effecten op aantallen
verzekerden
Het voorliggende
voorstel van wet houdt weliswaar een belangrijke wijziging in van de
structuur van de ziekenfondsverzekering, maar veroorzaakt in zichzelf
geen significante wijzigingen in de totale verdeling van de verzekerden over
de onderscheiden verzekeringssegmenten. Zo veroorzaakt de invoering
van het "blijf-zitten-waar-je-zitbeginsel"
op
individueel niveau
uiteraard wel gevolgen, omdat personen niet meer van de particuliere
verzekeringssector naar de ziekenfondssector overgaan of andersom. In totaal leidt
de voorgestelde maatregel er echter per definitie rblz.|10|
toe dat er geen
wijzigingen optreden in de aantallen onderscheiden categorieën van
verzekerden.
Op basis van cijfers van
de Ziekenfondsraad blijkt dat het aantal ziekenfondsverzekerden
van 65 jaar of ouder als percentage van het totaal aantal 65-plussers in
Nederland langzaam daalt. Ingrepen in de Ziekenfondswet
zoals de Wet-Van Otterloo en de verhoging van de inkomensgrens op 1
januari en 1 juli 1997 hebben geleid tot een verhoging van het aantal
verzekerden van 65 jaar of ouder in de Ziekenfondswet. Het
wetsvoorstel herstructurering Ziekenfondswet
herstelt de situatie
zoals deze bestond vóór de Wet-Van Otterloo ("blijf
zitten waar je zit") met
één uitzondering de "opt-in-mogelijkheid" voor
particulier verzekerden van 65 jaar of ouder op eigen verzoek ziekenfondsverzekerde
te kunnen worden. Zonder
deze "opt-in-mogelijkheid" zou het
aantal
ziekenfondsverzekerde ouderen als percentage van het totaal aantal ouderen in Nederland weer
langzaam gaan dalen. Inclusief deze "opt-in-mogelijkheid" voor ouderen
blijft het aantal ziekenfondsverzekerde 65-plussers als
percentage van het totaal aantal 65-plussers globaal gelijk. Met andere woorden, het
"blijf-zitten-waar-je-zitprincipe"
aangevuld met
de "opt-in-mogelijkheid"
voor particulier verzekerden van 65 jaar of ouder zal vrijwel geen
invloed hebben op de Ziekenfondswet, Wet MOOZ en Wtz.
In de Wet herstructurering Ziekenfondswet wordt eveneens de
mogelijkheid geopend voor
65-plussers die door de Wet-Van Otterloo verplicht verzekerd zijn
geworden om terug te keren naar de particuliere verzekering.
Waarschijnlijk zullen circa 60 000 personen van deze eenmalige
ontheffingsmogelijkheid voor voormalig particulier verzekerden van 65 jaar of
ouder
gebruik maken. Dit heeft dus een eenmalig significant effect op de
Ziekenfondswet (circa ƒ340 mln minder lasten voor de Ziekenfondswet), de
Wtz (de Wtz-omslagbijdrage stijgt met circa
ƒ45,-) en de Wet MOOZ (de
MOOZ-omslagbijdrage daalt met circa ƒ50,-).
Ten slotte is er nog de
uitzondering en ontheffingsmogelijkheid voor uitkeringsgerechtigden
jonger dan 65 jaar. Deze regeling bestaat nu reeds, maar is tijdelijk en moet
steeds weer bij algemene maatregel van bestuur worden verlengd. In het
wetsvoorstel wordt de regeling permanent gemaakt. Met andere
woorden, deze maatregel heeft geen effect op de Ziekenfondswet, Wet MOOZ en
Wtz.
Koopkrachteffecten
De koopkrachteffecten
tengevolge van dit voorstel van wet zijn afhankelijk van de
polisvoorwaarden in de particuliere ziektekostenverzekeringsmarkt en de eventuele
werkgeversbijdragen in de ziektekostenverzekeringen.
In het geval van postactieve ambtenaren is bij brief van 7 april 1997 (Kamerstukken
I 1996-1997,
25 062, nr. 110c) aan de Eerste Kamer der Staten-Generaal gemeld
dat het koopkrachtnadeel dat ontstond doordat betrokkenen verplicht
werden vanuit de particuliere verzekering over te gaan naar de ziekenfondsverzekering, voor een alleenstaande ruim
ƒ1000,- per jaar kan
bedragen en voor een echtpaar ruim ƒ2000,-.
Het onderhavige
wetsvoorstel biedt deze groep van personen de mogelijkheid om de
ziekenfondsverzekering te beëindigen en een particuliere
ziektekostenverzekering af te sluiten. Daardoor kunnen zij dit koopkrachtnadeel weer
ongedaan maken. Of hiervan ook daadwerkelijk sprake zal zijn, is
afhankelijk van de vraag of zij ook weer aanspraak kunnen maken op de
financiële tegemoetkomingsregeling van hun voormalige werkgever.
rblz.|11|
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel
I, onderdeel A
Het begrip
"verplichte
verzekering" waaraan tot op heden in
artikel 2
wordt gerefereerd, stamt
uit de tijd waarin de ziekenfondsverzekering naast een verplichte
verzekering tevens een bejaardenverzekering en een vrijwillige verzekering
kende. Na de opheffing van de bejaardenverzekering en de vrijwillige
verzekering op 1 april 1986 was er feitelijk geen noodzaak meer om de
overblijvende verzekeringsvorm aan te duiden als een verplichte
verzekering. Dit geldt te meer omdat deze aanduiding onjuist is gezien het
feit dat de Ziekenfondswet niet een verplichting tot
verzekering oplegt, maar
de omstandigheden aangeeft die, wanneer zij zich voordoen, grond
vormen voor de uit de wet voortvloeiende verzekering. De ziekenfondsverzekering
is derhalve geen verplichte verzekering, maar een verzekering van
rechtswege.
De notie van verplichte
verzekering is daarom geschrapt in artikel 2
(artikel I, onderdeel B).
In samenhang hiermee is in artikel 1 een definitie opgenomen van het begrip
verzekerde (artikel I, onderdeel A, onder 1).
Tevens wordt in de
definitiebepalingen voorzien in een tot op heden ontbrekende omschrijving
van het begrip particuliere ziektekostenverzekering. Aangesloten is bij de
omschrijving van het begrip overeenkomsten van
ziektekostenverzekering zoals opgenomen in artikel 1, onderdeel a, van de
Wet medefinanciering
oververtegenwoordiging oudere ziekenfondsverzekerden (artikel I, onderdeel
A,
onder 2).
Artikelen I,
onderdeel C
en D, en
VI
In deze bepaling is de
uitwerking opgenomen van het in het algemeen deel van de memorie van
toelichting aangegeven voornemen om ziekenfondsverzekerden
vanaf de eerste dag van de maand waarin zij de 65-jarige leeftijd zullen
bereiken op zelfstandige titel (dus niet als medeverzekerde) verzekerd
te laten blijven ingevolge de Ziekenfondswet. Als beoordelingsmoment is
gekozen de laatste dag van de maand voorafgaande aan de maand
waarin de 65-jarige leeftijd wordt bereikt. Dit is gedaan omdat het recht
op een aantal socialeverzekeringsuitkeringen - waaraan verzekering
ingevolge de Ziekenfondswet gekoppeld is - op die datum eindigt.
De formulering van het "blijf-zitten-waar-je-zitbeginsel"
in het nieuwe
artikel 3, eerste lid,
onderdeel c, van de Ziekenfondswet is zodanig gekozen
dat deze bepaling alleen
van toepassing is op personen die vanaf de inwerkingtreding van deze
wet de 65 jarige leeftijd zullen bereiken. Hiermee wordt voorkomen
dat deze bepaling een verzekeringsgrondslag zal bieden aan personen
die op enig moment in het verleden aan de thans omschreven voorwaarden
hebben voldaan, maar sedertdien door wettelijke wijzigingen de ziekenfondsverzekering hebben moeten verlaten.
Van deze gelegenheid is
gebruik gemaakt om het basisartikel met betrekking tot het
ontstaan van verzekering ingevolge de Ziekenfondswet opnieuw te structureren
(artikel I, onderdeel C, onder 1, 2 en 3, en artikel VI). Aldus ontstaat de
volgende volgorde:
a. werknemers;
b. uitkeringsgerechtigden jonger dan 65 jaar;
c. personen van 65 jaar
en ouder;
d. bij algemene maatregel
van bestuur aan te wijzen overige categorieën.
Met betrekking
tot onder a
(werknemers), b (uitkeringsgerechtigden jonger dan 65 jaar), d (bij
algemene maatregel van bestuur aan te wijzen overige categorieën) is geen
inhoudelijke wijziging van de verzekeringssituatie aan de orde.
rblz.|12|
Met
de in artikel I, onderdeel C, onder 4, opgenomen bepaling is vastgelegd dat aan de
voortzetting van de verzekering van personen die de leeftijd van 65 jaar
bereiken het vereiste wordt verbonden dat binnen een periode van vijf
jaar gelegen vóór het bereiken van de leeftijd van 65 jaar gedurende drie jaar
al dan niet onafgebroken sprake moet zijn geweest van verzekering
ingevolge de Ziekenfondswet. Door aldus voor de
beoordeling van de
verzekeringssituatie na het bereiken van de 65-jarige leeftijd de
verzekeringssituatie van betrokkenen voorafgaande aan bedoeld tijdstip over
een wat langere periode in aanmerking te nemen, wordt recht gedaan
aan de positie van betrokkenen in relatie tot hun verzekeringsverleden.
Omdat deze referte-eis
tot problemen zou kunnen leiden bij personen die kort vóór het
bereiken van de 65-jarige leeftijd uitkeringsgerechtigd en daardoor
ziekenfondsverzekerde zijn geworden, is de mogelijkheid geopend om deze eis op
bepaalde categorieën van personen niet van toepassing te verklaren.
Aldus wordt ten aanzien
van personen die ziekenfondsverzekerde zijn wanneer zij de 65-jarige
leeftijd bereiken het "blijf-zitten-waar-je-zitbeginsel"
hersteld
zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van de Wet-Van Otterloo.
In samenhang met het
vervangen van de ziekenfondsverzekering van rechtswege voor AOW-gerechtigden met een inkomen onder een gestelde inkomensgrens zoals dat
gold onder het regime van de Wet-Van Otterloo door het nieuwe "blijf-zitten-waar-je-zitregime"
komt de indexeringsbepaling
voor vorenbedoelde inkomensgrens, zoals die was opgenomen in artikel
3b (oud) van
de Ziekenfondswet, te vervallen. Op deze plaats wordt thans een nieuw
artikel 3b ingevoegd op de inhoud waarvan hierna wordt ingegaan
(artikel
I, onderdeel D).
Artikelen I, onderdeel
D, IV en V
De onderhavige bepaling
strekt ertoe zowel de bestaande tijdelijke uitzonderingssituatie
voor deelnemers aan een publiekrechtelijke ziektekostenregeling als
de bestaande tijdelijke mogelijkheid tot ontheffing van de
ziekenfondsverzekering voor uitkeringsgerechtigden een permanent karakter te
geven. Daartoe wordt deze bepaling structureel opgenomen in de Ziekenfondswet
(artikel I, onderdeel D) en geschrapt in de Wet op de toegang tot
ziektekostenverzekeringen. Van deze wijzigingen in laatstgenoemde wet
wordt gebruik gemaakt voor het gelijktijdig schrappen van
verschillende overgangsbepalingen die inmiddels zijn uitgewerkt (artikel
IV).
De thans lopende
ontheffingen, die zijn verleend ingevolge artikel 16 van de Wet op de toegang
tot ziektekostenverzekeringen lopen, af op 1 april 1998. Om te
voorkomen dat al degenen die van deze ontheffingsmogelijkheid gebruik hebben gemaakt en
voortgezet ontheven wensen te worden van de ziekenfondsverzekering, zich opnieuw tot het ziekenfonds
zouden moeten wenden om
een ontheffing te vragen, is een overgangsbepaling opgenomen op grond
waarvan de eerder verleende ontheffing wordt gecontinueerd (artikel
V). Daarbij wordt erin voorzien dat degenen die juist wensen dat aan
hun ontheffing een einde komt weer onder de ziekenfondsverzekering
kunnen komen wanneer zij dat kenbaar maken bij een ziekenfonds. Zij
dienen dat te doen binnen vier maanden na de afloop de thans lopende
ontheffing. Zij worden dan ziekenfondsverzekerd met ingang van 1 april 1998.
Met deze regeling wordt aangesloten bij de eerdere zogenaamde
spijtoptantenregelingen, bij de eerdere verlengingen van de tijdelijke uitzonderingssituaties van artikel 16 van de
Wtz.
rblz.|13|
Artikel I, onderdeel E
Met deze bepaling wordt
het mogelijk gemaakt dat iemand die bij of na het bereiken van de
65-jarige leeftijd particulier verzekerd is, op zijn verzoek wordt toegelaten
tot de ziekenfondsverzekering. Door het opnemen van een
definitiebepaling ter zake van de betekenis van de particuliere
ziektekostenverzekering is in dit verband duidelijk gemaakt dat niet beoogd wordt de
onderhavige mogelijkheid om toe te treden tot de ziekenfondsverzekering
te openen voor personen die bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd
deelnemer zijn aan een publiekrechtelijke ziektekostenregeling voor
ambtenaren, de gemeenschappelijke regeling Zorgverzekering
Ambtenaren Nederland, de Interprovinciale Ziektekostenregeling 1988 en het
Besluit
geneeskundige verzorging politie 1994 (IZA, IZR, DGVP). Deze personen
blijven ook na het bereiken van de 65-jarige leeftijd aangewezen op
zodanige publiekrechtelijke ziektekostenregeling.
Deze toelating vindt
plaats wanneer degene die zich daartoe aanmeldt aan twee voorwaarden
voldoet.
De eerste voorwaarde is
dat hij zich aanmeldt bij een ziekenfonds. Deze aanmelding kan
plaatsvinden op ieder tijdstip gelegen na het bereiken van de 65 jarige leeftijd. De
wijze waarop de aanmelding dient plaats te vinden, is geregeld in het reeds
bestaande artikel 5 van de Ziekenfondswet.
De tweede voorwaarde voor
toelating is dat het belastbaar gezinsinkomen van een gegadigde niet
hoger is dan ƒ38 300,-. De hoogte van de gestelde inkomensgrens
wordt op dezelfde wijze geïndexeerd als de loongrens die geldt voor
de ziekenfondsverzekering van werknemers.
Ten aanzien van degene
die is toegelaten tot de verzekering gelden alle rechten en verplichtingen
van de ziekenfondsverzekering. Dit houdt onder meer in dat de betrokkene
verplicht is tot premiebetaling en dat het hem niet vrij staat om de
verzekering naar eigen goeddunken te beëindigen.
Artikel I, onderdeel F
Evenals het geval was
voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet-Van Otterloo wordt de medeverzekering ingevolge de
Ziekenfondswet beperkt tot personen die
jonger zijn dan 65 jaar. Vanaf het bereiken van die leeftijd krijgt men
immers een zelfstandige titel voor ziekenfondsverzekering wanneer men bij het
bereiken van de 65-jarige leeftijd reeds ziekenfondsverzekerd was.
Deze bepaling heeft tevens tot gevolg dat personen die bij het
bereiken van de 65-jarige leeftijd niet behoorden tot de kring van verzekerden
ingevolge de Ziekenfondswet daar nadien niet meer door middel van
medeverzekering toe kunnen gaan behoren. Hiermee wordt recht
gedaan aan het uitgangspunt dat men bij het bereiken van de 65-jarige
leeftijd zoveel mogelijk voor de rest van zijn leven aangewezen blijft
op de dan op betrokkene van toepassing zijnde verzekeringsvorm. Eén en
ander onverminderd de hiervoor vermelde beperkte mogelijkheid om
bij een gering gezinsinkomen tot de ziekenfondsverzekering te
worden toegelaten.
Artikel I, onderdeel H
Deze bepaling strekt
ertoe om zowel op personen van 65 jaar of ouder die ziekenfondsverzekerd
blijven op grond van het nieuwe artikel 3, eerste lid, onderdeel c, ("blijf
zitten waar je zit") als op personen die zijn
toegelaten tot de
ziekenfondsverzekering ingevolge het nieuwe artikel 3c
("opt-in"
particulier verzekerden van 65 jaar of ouder) een analoog premieregime van toepassing te doen
zijn als het geval was voor personen van 65 jaar of ouder die
ziekenfondsverzekerd waren ingevolge artikel 3, eerste lid, onderdeel c, zoals dit luidde
op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze
wet (de Van-Otterloo-verzekerden). Met betrekking tot laatstbedoelde categorie zij vermeld dat
het inkomen dat de grondslag vormt rblz.|14|
voor de premieheffing
niet gelijk is aan het inkomen dat in aanmerking wordt genomen voor de
toetsing aan de inkomensgrens. Als premieheffingsgrondslag
geldt de AOW-uitkering, inclusief
vakantie-uitkering en overige inkomsten uit
en in verband met het verrichten van arbeid in het bedrijfs-
en beroepsleven. Voor de toetsing aan de inkomensgrens geldt het
belastbare inkomen, zoals bedoeld in de artikelen 3 en 48 van de
Wet op de inkomstenbelasting. Inkomen uit vermogen en termijnen van
lijfrenten worden hier onder meer in begrepen. De regering
heeft in dit verband nog de vraag onder ogen gezien of het wenselijk
is dat voor deze laatste categorie het belastbaar inkomen tevens als
premieheffingsgrondslag zou moeten gelden. Indien hiertoe zou zijn besloten,
zouden er voor personen van 65 jaar of ouder twee verschillende
premieregimes van toepassing zijn, te weten een regime voor de categorie
"blijf
zitten waar je zit", waarvoor het AOW- en
bedrijfspensioen premieheffingsgrondslag is, en een regime voor personen die na de
65-jarige leeftijd tot de ziekenfondsverzekering toetreden, waarbij het
belastbaar inkomen premieheffingsgrondslag is. Dit onderscheid in
premieheffingsgrondslagen acht de regering uit het oogpunt van gelijke
behandeling niet wenselijk.
Artikelen II en
III
Voorgesteld wordt de
categorie van personen die in de periode tussen de inwerkingtreding van
de Wet-Van Otterloo (1 juli 1994) en de inwerkingtreding van het voorliggende
voorstel van wet van rechtswege ziekenfondsverzekerd is
geworden in de gelegenheid te stellen om de ziekenfondsverzekering te
verlaten zodat zij weer een particuliere ziektekostenverzekering
kunnen afsluiten om daarmee als voorheen een beroep te kunnen doen op
de financiële tegemoetkomingsregeling van hun voormalige werkgever (artikel
III).
Voor personen die geen
gebruik maken van de hiervoor omschreven mogelijkheid om de ziekenfondsverzekering te verlaten, is het noodzakelijk
een nieuwe grond voor
ziekenfondsverzekering te creëren voor het voortzetten van de
ziekenfondsverzekering. Zulks omdat de aanvankelijke grond voor ziekenfondsverzekering die was opgenomen in
artikel 3, eerste lid, onderdeel c, (oud) van
de Ziekenfondswet komt te vervallen (artikel
II).
De Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave
|