|
rblz.|1|
Kamerstukken II
1995-1996, 24 419
Wijziging
van de artikelen 3a en 15 van de
Ziekenfondswet
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Indexering Zfw-loongrens voor werknemers |
| 2 |
Wijziging van artikel
15, tweede lid, van de Ziekenfondswet |
|
xArtikelsgewijs |
| xx |
Artikelen
I t/m III |
Algemeen
1.
Indexering Zfw-loongrens voor werknemers
In
het huidige artikel 3a van de Ziekenfondswet
(Zfw) is bepaald dat het
bedrag van de loongrens, bedoeld in artikel 3 van de Zfw, jaarlijks
wordt aangepast aan de hand van de mutatie in het indexcijfer der lonen.
In het tweede lid van
artikel 3a van de Zfw
is vastgelegd dat in een algemene maatregel van
bestuur wordt bepaald wat te verstaan is onder het indexcijfer der lonen
en tevens welke looncomponenten bij de loongrensaanpassing
buiten beschouwing blijven.
In het Besluit
maatstaf aanpassingsmechanismen 1985 is geregeld dat onder indexcijfer der
lonen wordt verstaan het indexcijfer van regelingslonen per week en per maand
(inclusief spaarloon, vakantietoeslag en andere uitkeringen) van
volwassen werknemers in het particulier bedrijf, zoals dat op basis van
het jaar 1980 wordt berekend door het Centraal Bureau voor de Statistiek
(CBS).
Schoning van
looncomponenten bij de loonindexering - die in een aantal socialezekerheidswetten werd
toegepast - had betrekking op beloningscomponenten
waarvan het ongewenst werd bevonden dat deze de ontwikkeling van
minimumloon en sociale uitkeringen zouden beïnvloeden. Het
hanteren van de geschoonde loonindex is voor de aanpassing van de Ziekenfondswetloongrens ingevoerd met ingang van
1 januari 1981.
Ten aanzien van de
herziening van het
minimumloon en uitkeringen in het kader van de sociale
zekerheid is met de komst van de Wet koppeling met
afwijkingsmogelijkheid gekozen voor een ander indexeringssysteem (Wet van 14 november 1991
tot wijziging van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag en
van een aantal socialezekerheidswetten, houdende vaststelling van
een stelsel van koppeling van minimumloon en uitkeringen aan de
loonontwikkeling met de mogelijkheid tot afwijking (Stb. 1991,
624)). Een gevolg
daarvan is geweest dat in de regelen met betrekking tot bedoeld minimumloon
en de uitkeringen de bepalingen zijn komen te vervallen waarin was
geregeld welke componenten bij de herziening van minimumloon en
uitkeringen buiten beschouwing werden gelaten. Het rblz.|2|
CBS, dat de bedoelde
componenten berekende, is met die berekening vervolgens gestopt.
Met betrekking tot de
vraag welk indexcijfer een stabiele ontwikkeling van het Zfw-verzekerdenbestand
kan waarborgen en de vraag of de componentenanalyse, zoals
die door het CBS werd berekend, nodig is, dan wel dat met de
indexcijfers van regelingslonen - zonder componentenanalyse (dus
zonder schoning) - kan worden volstaan, is advies gevraagd aan de
Ziekenfondsraad (ZFR).
In zijn advies van 27
januari 1994 (VERZ/2463/94) wijst de ZFR er op dat, kijkend naar de
ontwikkelingen in de afgelopen vijf jaar, de effecten van het hanteren van de
schoning zeer minimaal zijn geweest. De ZFR adviseert dan ook om in
het vervolg - dat wil zeggen met inbegrip van de loongrensaanpassing per 1
januari 1994 - bij de berekening van de Zfw-loongrens en het
maximumpremiedagloon uit te gaan van het ongeschoonde indexcijfer.
Dit advies is opgevolgd. In verband hiermee wordt de redactie van
artikel 3a, tweede lid, van de Zfw
aangepast.
Met betrekking tot de te
hanteren indexcijferreeks worden in het advies van de ZFR
twee reeksen genoemd. Het betreft de reeksen:
a. "Regelingslonen van
volwassen werknemers in particuliere bedrijven, inclusief
vakantietoeslag en andere bijzondere uitkeringen", lonen per week en per
maand, basis 1990=100.
b. "Regelingslonen van
volwassen werknemers in particuliere bedrijven, exclusief
vakantietoeslag en andere bijzondere uitkeringen", lonen per week en per
maand, basis 1990=100.
Allereerst constateert de
ZFR dat het wenselijk is bij de jaarlijkse herziening van de Zfw-loongrens,
evenals in het verleden, zoveel mogelijk aan te sluiten
bij de omschrijving van het begrip "overeengekomen vast loon". De genoemde
reeksen sluiten beide niet volledig aan bij dat begrip.
Tot op heden wordt de
onder a bedoelde reeks - derhalve lonen inclusief vakantietoeslag
en andere bijzondere uitkeringen - toegepast. Een relatieve meerderheid
van de ZFR is van oordeel dat deze (onder a bedoelde reeks) ook in de
toekomst zou dienen te worden gehanteerd. Deze reeks omvat immers
ten minste alle looncomponenten die behoren tot het begrip "overeengekomen vast
loon", waardoor deze reeks het meest aansluit bij de
bedoeling van de wetgever. Daarbij heeft dit deel van de ZFR overwogen dat
toepassing van die reeks tot op heden niet tot bijzondere problemen
heeft geleid. Weliswaar zou toepassing van deze reeks mogelijk tot enige
vervuiling kunnen leiden, omdat deze reeks ook elementen bevat die niet
gerekend worden tot het begrip "overeengekomen vast loon", maar de
praktijk tot op heden heeft uitgewezen dat deze vervuiling niet van
dien aard is dat gekozen zou moeten worden voor een indexcijferreeks
waarin niet alle vaste looncomponenten zijn opgenomen.
Daarenboven wijst dit
deel van de ZFR erop dat keuze voor de reeks, bedoeld onder b (lonen,
exclusief vakantietoeslag en andere bijzondere uitkeringen), nadelige
consequenties kan hebben. Toepassing van die reeks zou leiden tot een
minder snelle stijging van de Zfw-loongrens,
waardoor er een geringere toename zal zijn van het deel van de bevolking
dat ziekenfondsverzekerd
is. Die geringere toename zal zich manifesteren in een beperking van de
instroom in de ziekenfondsverzekering van gunstige risico’s die
de maximale premie betalen, waardoor uiteindelijk een opwaartse druk op de
procentuele premie zal ontstaan. Deze geringere toename zal er
voorts toe leiden dat de door alle particulier verzekerden verschuldigde
omslagbijdrage op grond van de Wet medefinanciering
oververtegenwoordiging oudere ziekenfondsverzekerden (Wet MOOZ) zal stijgen,
respectievelijk langer dan voorzien geheven moet worden,
aldus dit deel van de ZFR.
rblz.|3|
Een relatieve minderheid
van de ZFR opteert voor toepassing van de onder b bedoelde
indexcijferreeks, te weten de reeks exclusief vakantietoeslag en andere bijzondere
uitkeringen. De voornaamste reden voor deze keuze wordt door die
minderheid gevonden in de omstandigheid dat de verwachting bestaat dat in de toekomst in sterkere mate gebruik zal
worden gemaakt van de
mogelijkheid om zogenoemde bijzondere uitkeringen
(winstdelingsuitkeringen en dergelijke) te doen. Het zou hier verschuivingen betreffen van
tot het "vaste" loon behorende beloningen naar veelal incidentele
betalingen, die niet gerekend worden tot het begrip "overeengekomen vast
loon". Dit deel van de Raad vreest juist een te sterke toename van het
aandeel van de ziekenfondsverzekerden in de totale Nederlandse bevolking indien de reeks, bedoeld onder
a, zou worden toegepast.
Analyse en beoordeling
van de twee op dit punt in het advies van de ZFR
voorkomende
opvattingen heeft geleid tot keuze voor het meerderheidsstandpunt,
dat wil zeggen voor continuering van de toepassing van de reeks
regelingslonen (...) inclusief vakantietoeslag en andere bijzondere
uitkeringen. Deze reeks wordt immers allang toegepast, zonder dat
deze toepassing op enigerlei wijze een indicatie heeft gegeven van de door
de minderheid der ZFR verwachte ontwikkelingen.
Waar door de minderheid
van de ZFR op basis van verwachtingen wordt gevreesd voor een
sterkere toename van het aandeel van ziekenfondsverzekerden in
de Nederlandse bevolking moet worden geconstateerd dat uit het
overzicht, dat als bijlage 1 is gevoegd bij het advies van de ZFR
(Overzicht loongrens, Nederlandse bevolking, aantal Zfw-verzekerden absoluut
en in procenten van de Nederlandse bevolking, periodes 1941-1964 en 1965-heden) en waaruit blijkt dat het aandeel van ziekenfondsverzekerden in de Nederlandse bevolking van 1986 tot
heden heeft gevarieerd
van 61% tot 61,5%, nog geenszins van een dergelijke ontwikkeling
blijkt.
Ten aanzien van het
aandeel van ziekenfondsverzekerden in de Nederlandse bevolking
heeft de regering met name ook aandacht gegeven aan de
overwegingen van de ZFR onder paragraaf 4.2 (en bijlage 2) van het advies. Het
betreft hier verplichtingen die voortvloeien uit door Nederland gesloten
normverdragen op het terrein van de sociale zekerheid. Met name het
Verdrag betreffende minimumnormen van sociale zekerheid
(Verdrag nr. 102, aangenomen door de Internationale Arbeidsconferentie in
haar 35ste zitting) en de Europese code inzake sociale zekerheid
(herzien) bevatten minimumnormen betrekking hebbend op de kring van
te beschermen personen en het gedekte risico waaraan de wetgeving van
de verdragsluitende staten moet voldoen.
Nederland voldoet (krap)
aan slechts één norm van de - overigens thans nog niet
geratificeerde - herziene code indien tot de "beschermende"
verzekeringen niet
alleen de ziekenfondsverzekering wordt gerekend, maar tevens de
publiekrechtelijke ziektekostenregelingen voor ambtenaren en de verzekering ingevolge de Wet op de toegang tot
ziektekostenverzekeringen (standaard(pakket)polissen). Tegen deze achtergrond bezien mag in
ieder geval niet het risico worden gelopen dat het aandeel van ziekenfondsverzekerden in de Nederlandse bevolking in
de komende jaren daalt.
Om bovenstaande redenen
geeft de regering de voorkeur aan continuering van de toepassing van de indexcijferreeks regelingslonen
inclusief vakantietoeslag
en andere bijzondere uitkeringen in de aanpassingssystematiek
van de Zfw-loongrens.
Van de gelegenheid is
gebruik gemaakt om een wijziging voor te stellen in artikel
3a, derde lid,
van de Zfw. In dit artikellid is thans bepaald dat het
rblz.|4|
bedrag van de loongrens
naar boven wordt afgerond op een veelvoud van ƒ50,-. In zijn
bovengenoemd advies heeft de ZFR voorgesteld het bedoelde bedrag van
ƒ50,-
te verhogen naar ƒ100,-, gelet op de verhouding tussen de
hoogte van het loongrensbedrag - een bedrag dat tussen 1 januari 1968 en
1 januari 1994 is gestegen van ƒ13 200,- naar ƒ58 100,-
- en het
daardoor relatief gezien gering geworden bedrag van ƒ50,-. Het
advies van de ZFR op dit punt is overgenomen.
2. Wijziging van artikel
15, tweede lid, van de Ziekenfondswet
In artikel
15, tweede
lid, van de Zfw
is thans geregeld dat bij algemene maatregel van bestuur
wordt bepaald welk deel van de procentuele premie, bedoeld in het
eerste lid van dat artikel, door de werkgever en welk deel door de
werknemer is verschuldigd. Vereenvoudiging van die procedure is wenselijk,
aangezien de Ziekenfondsraad eerst in de tweede helft van de maand
november van ieder jaar adviseert over de hoogte van de procentuele premie van
zeevarenden en de verdeling daarvan over werkgevers en werknemers.
De procedure tot vaststelling van de benodigde algemene
maatregel van bestuur, die op 1 januari daaropvolgend in werking dient te zijn,
kan eerst worden gestart nadat de ZFR advies heeft uitgebracht.
Vaststelling van de
verdeling van de procentuele ziekenfondspremie bij ministeriële regeling,
zoals nu voorgesteld, maakt het mogelijk de premiepercentages voor
werkgevers en werknemers eerder bekend te maken, hetgeen de
uitvoeringspraktijk ten goede zal komen. Bij dit voorstel is mede
overwogen dat de vaststelling van de procentuele premie, bedoeld in
artikel 15, eerste lid, van de Zfw, sedert 1 januari 1991
eveneens geschiedt bij ministeriële regeling.
Over dit voornemen heeft
de ZFR advies uitgebracht op 24 februari 1994 (VERZ/5516/94). De ZFR
meent dat de vaststelling van de premieverdeling, gegeven het uitgangspunt
van evenredige verdeling van de totale premielast over
werkgevers en werknemers, in wezen een technische exercitie is. De ZFR ziet
vanuit zijn taak en verantwoordelijkheid inzake het functioneren van het
wettelijke stelsel van ziektekostenverzekeringen geen bezwaren tegen het
voorstel.
Artikelsgewijs
Artikelen I, onderdeel A,
onder 1, eerste volzin, II en
III
In
artikel 3a, tweede
lid, van de Zfw
is thans geregeld dat bij algemene maatregel van bestuur
wordt bepaald wat onder indexcijfer der lonen wordt verstaan en voorts
welke componenten van het procentuele verschil, bedoeld in het
eerste lid, bij de herziening van de Zfw-loongrens
buiten beschouwing
blijven. Dit is vervolgens geregeld in het Besluit
maatstaf aanpassingsmechanismen 1985.
In artikel I, onderdeel
A, onder 1, wordt een nieuw tweede lid van artikel
3a van de Zfw
voorgesteld. In de eerste volzin van dat artikellid wordt (rechtstreeks) bepaald
wat onder indexcijfer der lonen wordt verstaan, te weten het indexcijfer der
regelingslonen per week en per maand van volwassen werknemers in
particuliere bedrijven inclusief vakantietoeslag en andere bijzondere
uitkeringen, zoals dat op basis van het jaar 1990 wordt berekend door het
CBS. De aanduiding van componenten van het procentuele verschil,
bedoeld in het eerste lid, die bij de herziening van de loongrens buiten
beschouwing blijven, komt in het thans voorgestelde artikel
3a, tweede lid,
van de Zfw
niet meer voor, nu ervoor is gekozen de schoning voor de bedoelde
componenten achterwege te laten. Het Besluit maatstaf aanpassingsmechanismen 1985 heeft hiermee zijn feitelijke
werking verloren.
rblz.|5|
Bij de herziening van de Zfw-loongrens voor het jaar 1994
(Ministeriële Regeling van 27 oktober 1993, Stcrt. 1993, 207) is voor het eerst gebruik gemaakt van de
CBS-index
die is gebaseerd op 1990=100. Bij die aanpassing is het
procentuele verschil gehanteerd tussen enerzijds het indexcijfer van 31 juli
1993, op basis van 1990=100, en anderzijds het indexcijfer van 31 juli
1992, op basis van 1990=100, en niet, zoals artikel
3a, eerste lid, van de Zfw
voorschrijft, het indexcijfer dat bij de laatste herziening is gehanteerd.
Artikel II van het onderhavige wetsvoorstel beoogt hieraan wettelijke
grondslag te verschaffen.
Gelet op het feit dat het
vervallen van de componentenschoning en het hanteren van de
indexcijferreeks op basis van 1990=100 in de praktijk al wordt toegepast met
ingang van de loongrensaanpassing ultimo 1993 voor het jaar 1994, is in
artikel III van het onderhavige wetsvoorstel aan de artikelen I, onderdeel A,
onder 1, eerste volzin, en II terugwerkende kracht
toegekend tot en met 1
oktober 1993. Voor de uitvoeringspraktijk, de verzekerden en de
werkgevers zal de voorgestelde wijziging en de daaraan toegekende
terugwerkende kracht geen nadelig effect sorteren, omdat reeds bij de
herziening van de loongrens voor het jaar 1994 met de bedoelde wijziging is
rekening gehouden.
Artikel I, onderdeel A,
onder 1, tweede volzin
Om te voorkomen dat over
enkele jaren artikel 3a van de Zfw
wederom zal moeten worden
gewijzigd indien het CBS overstapt van de index op basis van 1990=100 naar
de index op basis van 2000=100, wordt voorgesteld aan artikel
3a, tweede
lid, een tweede volzin toe te voegen. Daarin wordt geregeld dat bij
ministeriële regeling het jaartal op basis waarvan
het CBS de indexering van
de regelingslonen berekent, kan worden gewijzigd. Tevens wordt
in die tweede volzin de toekomstige overgangsproblematiek geregeld, zoals die ten
aanzien van de wijziging in 1993 van het basisjaar is geregeld
in artikel II van dit
wetsvoorstel.
Artikel I,
onderdeel A,
onder 2, en B
Deze artikelonderdelen
zijn reeds toegelicht in het algemene deel van deze memorie van
toelichting (paragraaf 1, slot, en paragraaf
2).
Artikel I, onderdeel C
De voorgestelde wijziging
van artikel 93a, eerste lid, van de
Zfw, welk
artikel een voorschrift
behelst inzake het doen van voordrachten tot het vaststellen van algemene
maatregelen van bestuur in het kader van de Zfw, vloeit voort uit de
in artikel I, onderdeel B, voorgestelde wijziging
van artikel 15, tweede
lid, van de Zfw.
De Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
R.L.O. Linschoten
|
|