|
rblz.|1|
Kamerstukken II
1997-1998, 25 641
Nadere
wijziging van een aantal socialezekerheidswetten
en enige andere wetten, houdende
wijziging/intrekking van de Wet
Werkloosheidsvoorziening, eenvormige
definiëring van de term gezamenlijke huishouding en technische alsmede
enige andere wijzigingen (Veegwet SZW 1997)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Wijziging/intrekking
WWV |
| 3 |
Gezamenlijke
huishouding |
|
xArtikelsgewijs |
| Hoofdstuk
I. Wijziging Wet
Werkloosheidsvoorziening en daarmee verband houdende wijzigingen
in andere wetten |
| x |
Artikelen
I t/m XIV |
| Hoofdstuk
II. Intrekking Wet
Werkloosheidsvoorziening en daarmee verband houdende wijziging
van de Beroepswet |
| x |
Artikelen
XV en XVI |
| Hoofdstuk
III. Gezamenlijke huishouding |
| x |
Artikelen
XVII t/m XXXII |
| Hoofdstuk
IV. Andere wijzigingen |
| x |
Artikelen
XXXIII t/m LXXI |
| Hoofdstuk
V. Slotbepalingen |
| xx |
Artikel
LXXII |
Algemeen
1.
Inleiding
Bij Wet van 21
december 1995, Stb. 1995, 691, tot nadere wijziging van een
aantal socialezekerheidswetten
(technische verbeteringen in verband met de wetten
TAV, TBA en TZ, alsmede enige andere wijzigingen), hierna te noemen
de Veegwet 1996, zijn knelpunten en misverstanden opgelost die zijn
ontstaan door de grote wetgevende operaties die in, met name, de jaren
1993, 1994 en 1995 hun beslag hebben gekregen. In dat verband ging het
met name om de Wet van 26 februari 1992, Stb. 1992, 82, houdende
wijziging van de Ziektewet, de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, het Burgerlijk
Wetboek en enkele andere wetten, alsmede een regeling voor het
overheidspersoneel in verband met maatregelen ter vermindering van het
ziekteverzuim, beperking van langdurige arbeidsongeschiktheid en
bevordering van de arbeidsmarktkansen van arbeidsongeschikten,
herschikking van bevoegdheden in de Ziektewet, alsmede enkele technische
aanpassingen (terugdringing
arbeidsongeschiktheidsvolume), de Wet terugdringing beroep op de
arbeidsongeschiktheidsregelingen (Wet TBA), de Wet terugdringing ziekteverzuim
(Wet TZ) en de Wet van 22 december 1994, Stb. 1994, 955, houdende
wijziging van de Werkloosheidswet en enkele
andere wetten (aanscherping referte-eisen WW), hierna te noemen de Wet
aanscherping referte-eisen WW).
Sindsdien is er weer een aantal wetten tot stand gekomen die ingrijpende
wijzigingen hebben aangebracht in de socialezekerheidswetgeving.
Ik wijs daarbij met name op de Wet uitbreiding loondoorbetalingsplicht bij ziekte
(Wulbz), de Wet van 25 april 1996, Stb. 1996, 248, tot wijziging
van de socialezekerheidswetten in verband met de nadere vaststelling van
een stelsel van administratieve sancties, alsook tot wijziging van de
daarin vervatte regels tot terugvordering van ten onrechte betaalde
uitkeringen en de invordering daarvan, verder te noemen de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering
sociale zekerheid, en de Algemene nabestaandenwet
(Anw). Daarnaast zijn er ook allerlei andere wetten wier invoering
doorwerkt in de socialezekerheidswetten, zoals de rblz.|2|
Vaststellingswet titel 7.10 Burgerlijk Wetboek (Arbeidsovereenkomst) en
de Invoeringswet
Arbeidsvoorzieningswet 1996.
Met
name het - gedeeltelijk - gelijktijdig naast elkaar lopen van
wetgevingstrajecten heeft een aantal technische onjuistheden en
misverstanden veroorzaakt. Daarnaast is door het feit dat de
daadwerkelijke uitvoering van een aantal wetten inmiddels - geheel of
gedeeltelijk - ter hand is genomen een aantal technische onvolkomenheden
naar voren gekomen. Deze onvolkomenheden zijn door het toenmalige
Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming (Tica) en de Sociale Verzekeringsbank
(SVB) naar voren gebracht.
Er is voor gekozen om, in navolging van de Veegwet
1996, de wijzigingen, die op wetsniveau noodzakelijk zijn om
vorenbedoelde knelpunten op te lossen, middels één wet tot stand te
brengen. Bedoelde wijzigingen zijn opgenomen in hoofdstuk IV
van het wetsvoorstel.
Daarnaast is van de gelegenheid gebruik gemaakt
om in dit wetsvoorstel ook enkele andere
wijzigingen onder te brengen. Enerzijds is dit de wijziging en de
intrekking op een later tijdstip van de Wet
Werkloosheidsvoorziening (WWV) en daarmee verband houdende
wijzigingen in andere wetten. Anderzijds is dit een aanpassing van de
bepalingen inzake het voeren van een gezamenlijke huishouding in de socialeverzekeringswetten.
Deze wijzigingen zijn opgenomen in respectievelijk de hoofdstukken I,
II en III.
Zoals aangegeven, zijn de hier voorgestelde wijzigingen overwegend
technisch van aard. Zij doorkruisen dan ook niet de evaluatie die in het
kader van de Wet boeten,
maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid zal
plaatsvinden.
De
opbouw van deze memorie is als volgt. In de hoofdstukken 2
en 3 wordt kort ingegaan op de inhoud van
respectievelijk de hoofdstukken I,
II en III.
Tot slot volgt de
artikelsgewijze toelichting op dit
wetsvoorstel.
2.
Wijziging/intrekking WWV
In artikel
3, eerste lid, van de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid
(IWS) is bepaald dat vanaf 1 januari 1987 geen nieuw recht op WWV-uitkering
kan ontstaan. Wel is in artikel 5 van de IWS
voorzien in het voortbestaan van het recht op WWV-uitkering voor (een
deel van) de personen die op 31 december 1986 recht hadden op
WWV-uitkering. Voorts is in artikel
5, tweede lid, onderdeel a, van de IWS
voorzien in de mogelijkheid van herleving van de WWV-uitkering die op
die datum was onderbroken door werkaanvaarding of door een omstandigheid
als bedoeld in artikel 13, eerste lid, of 14, eerste lid, van de WWV.
Vorenbedoelde herleving kon slechts plaatsvinden indien de omstandigheid
die tot de onderbreking van het recht op WWV-uitkering had geleid vóór
1 januari 1989 ophield te bestaan. Indien betrokkene op 31 december 1986
geen recht op WWV-uitkering had omdat dat niet was ontstaan omdat zijn
werkgever het loon onverminderd doorbetaalde, kon dat recht ingevolge artikel
5, tweede lid, onderdeel b, van de IWS
nadien alsnog ontstaan. In de in
artikel 5, tweede lid, onderdeel b,
van de IWS bedoelde situatie kan geen recht
op WWV-uitkering meer ontstaan vanaf 1 juli 1987.
In
verband met de aanpassing van de WWV
aan de Derde EG-richtlijn inzake gelijke behandeling van mannen en
vrouwen in de sociale zekerheid (Richtlijn nr. 79/7/EEG van de Raad van
de Europese Gemeenschappen van 19 december 1978 betreffende de
geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling
van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (PbEG 79 L
6)) kwam per 23 december 1984 de tot dan toe bestaande kostwinnerseis in
de WWV te rblz.|3|
vervallen. Ondanks de beperkende bepalingen in de
IWS bleef het wel mogelijk om vroegere, door
het vervallen van de kostwinnerseis ontstane, rechten op WWV-uitkering
na 1 januari 1987 geldend te maken. Bij de Wet van 6 juni 1991, Stb.
1991, 318, die op 1 juli 1991 in werking trad, is deze mogelijkheid met
ingang van 1 januari 1992 beëindigd, zodat uiterlijk op 31 december
1991 nog een vroeger recht op WWV-uitkering geldend gemaakt kon worden.
Als gevolg hiervan vindt thans nog slechts in enkele gevallen, met name
bij toekenningen met terugwerkende kracht na een uitspraak van de
beroepsrechter, een nabetaling plaats. Ook ontvangen de gemeenten
in een aantal gevallen van uitkeringsgerechtigden nog WWV-gelden terug
als gevolg van terugvordering van destijds ten onrechte of tot een te
hoog bedrag verstrekte uitkeringen.
Nu de WWV praktisch is uitgewerkt, kan het
merendeel van de bepalingen van de WWV gevoeglijk vervallen. Artikel I
strekt hiertoe. Op grond van
artikel LXXII
treedt dit artikel in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin de Veegwet SZW 1997
wordt geplaatst.
Met het oog op een goede financiële
afwikkeling blijven de hoofdstukken VII en VIII van de WWV
voorlopig nog van kracht. Dit houdt verband met het feit dat de
gemeenten nog een titel nodig hebben om de eventuele uitgaven
(uitkeringen) en inkomsten (uit terugvordering) en de daaraan verbonden
uitvoeringskosten met het Rijk te kunnen verrekenen. Op grond van
artikel 40 van de WWV
vergoedt het Rijk namelijk aan de gemeenten uitvoerings- en
uitkeringskosten verbonden aan deze wet. Het van kracht blijven van
hoofdstuk VII van de WWV
biedt hiertoe de mogelijkheid.
Het handhaven van de inlichtingenplicht,
neergelegd in hoofdstuk VIII van de WWV,
wordt wenselijk geacht met het oog op die gevallen waarin nog
terugvordering plaatsvindt.
Voorts is in artikel XV
van het wetsvoorstel al voorzien in de
intrekking van de WWV. Op grond van
artikel LXXII treedt dit artikel in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip. Dit omdat thans niet vaststaat op welk
moment de laatste nabetalingen plaatsvinden c.q. in welk jaar alle nog
openstaande bedragen ter zake van terugvordering zijn betaald.
3.
Gezamenlijke huishouding
In de
socialeverzekeringswetten zijn op dit moment reeds bepalingen
opgenomen waarin twee personen die ongehuwd zijn ingeval zij een
gezamenlijke huishouding voeren toch als gehuwd worden aangemerkt. Kort
gezegd wordt in deze wetten (met ingang van 1 januari 1997) mede als
echtgenoot aangemerkt niet-gehuwde personen van verschillend of gelijk
geslacht die duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren, tenzij tussen
deze personen een bloedverwantschap in de eerste graad bestaat. Van een
gezamenlijke huishouding is slechts sprake indien twee ongehuwde
personen gezamenlijk voorzien in huisvesting en bovendien beiden een
bijdrage leveren in de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze
in elkaars verzorging voorzien.
Op
het terrein van de wetgeving inzake leefvormen zijn op dit moment
diverse ontwikkelingen gaande.
Ten eerste zijn nieuwe aanwijzingen voor de
regelgeving vastgesteld tot harmonisatie van de wettelijke bepalingen
over ongehuwd samenlevenden ter verbetering van de uitvoerbaarheid en
handhaving daarvan. Deze aanwijzingen vinden hun oorsprong in het
rapport van een interdepartementale werkgroep over harmonisatie van
leefvormbepalingen in de regelgeving (Kabinetsstandpunt van 14 augustus
1996, Kamerstukken II 1995-1996, 22 700, nr. 21). Het advies van de
werkgroep en de daarop gebaseerde aanwijzingen voor de regelgeving
sluiten inhoudelijk grotendeels aan bij hetgeen reeds is vastgelegd in
de in 1996 in rblz.|4|
werking getreden Algemene
bijstandswet (Abw) en in de Anw. Deze
nieuwe aanwijzingen voor de regelgeving nopen tot aanpassing van de socialeverzekeringswetten.
Op één punt wijkt de tekst van de in dit hoofdstuk opgenomen
bepalingen af van die zoals opgenomen in de aanwijzingen: personen die
hetzelfde woonverblijf hebben en die bij een uitvoeringsorgaan op grond
van een registratie worden aangemerkt als personen die een gezamenlijke
huishouding voeren, worden, zonder mogelijkheid van verweer, geacht ook
voor de toepassing van andere wetten een gezamenlijke huishouding te
voeren.
Deze uitzondering is noodzakelijk om te
voorkomen dat personen zich afhankelijk van te behalen voordelen ten
behoeve van de ene socialeverzekeringswet wel en de andere niet als
gezamenlijke huishouding laten registreren (het zogenaamde regelwinkelen).
Een
tweede ontwikkeling is de voorgenomen wijziging van het Burgerlijk
Wetboek (BW) en van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met opneming daarin van
bepalingen voor de registratie van een samenleving (Kamerstukken II
1993-1994, 23 761). Kort samengevat wordt in dit
wetsvoorstel de samenleving van personen die hun samenleving hebben
laten registreren bij de burgerlijk stand op een groot aantal punten
gelijkgesteld met het huwelijk. De inwerkingtreding van dit wetsvoorstel
noopt ook tot aanpassing van alle socialeverzekeringswetten
op dit punt. De wijzigingen voortvloeiende uit dit wetsvoorstel zullen
bij separate interdepartementale aanpassingswet (die thans nog in
voorbereiding is) in de diverse socialeverzekeringswetten worden
ingevoerd [zie Aanpassingswet
geregistreerd partnerschap, red.].
In verband hiermee, alsmede in verband met de
aanpassing van de bepalingen die betrekking hebben op het voeren van een
gezamenlijke huishouding, heeft een heroverweging plaatsgevonden met
betrekking tot de vraag op welke plaats in een wet de definiëring van
geregistreerd partnerschap en gezamenlijke huishouding nu dient te
worden opgenomen. Dit was tot op heden in de diverse
socialeverzekeringswetten niet op eenduidige wijze geregeld. In een
aantal wetten is de definitie van gezamenlijke huishouding in de
bepaling inzake de overlijdensuitkering opgenomen, terwijl in andere
wetten hiertoe een definitiebepaling is opgenomen in één van de eerste
artikelen van de wet.
In de aanpassingen van de
socialeverzekeringswetten in dit hoofdstuk is gekozen voor de laatste
aanpak. Het opnemen van definities aan het begin van de wet omtrent
geregistreerd partnerschap respectievelijk het voeren van een
gezamenlijke huishouding zal de duidelijkheid omtrent de reikwijdte van
een wet ten goede komen. Gelet op de directe samenhang tussen de eerder
genoemde aanpassingswet in verband met het geregistreerd partnerschap en
de aanpassingen in verband met het voeren van een gezamenlijke
huishouding, met name in verband met vernummeringen in artikelleden die
dit tot gevolg heeft, is er in deze wet voor
gekozen de wijzigingen in wetten die zien op het voeren van een
gezamenlijke huishouding in één hoofdstuk bij elkaar te behandelen.
Ten
slotte wordt in dit hoofdstuk van de gelegenheid gebruik gemaakt op
identieke wijze te voorzien in de mogelijkheid tot het instellen van
beroep in cassatie tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep
met betrekking tot (kort samengevat) het al dan niet aanmerken van
situaties als het voeren van een gezamenlijke huishouding. Tot op heden
bestond deze mogelijkheid slechts in een beperkt aantal wetten
(bijvoorbeeld Toeslagenwet (TW) en
Algemene Ouderdomswet (AOW)).
rblz.|5|
Artikelsgewijze
toelichting
Hoofdstuk
I. Wijziging Wet Werkloosheidsvoorziening en daarmee verband houdende
wijzigingen in andere wetten
Artikel I
Voor
een toelichting op dit artikel wordt verwezen naar hoofdstuk 2
van het algemeen deel van de toelichting.
Artikelen II tot en met
XII
In
deze artikelen worden verwijzingen naar de WWV
die in andere wetten voorkomen, geschrapt.
Artikel XIII
Dit
artikel voorziet in een wijziging van de Wet tot wijziging van het Wetboek
van Strafrecht en andere wetten met het oog op
de opneming in het
Wetboek van Strafrecht
van eenvormige strafbepalingen inzake het verstrekken van onware gegevens
en het nalaten te voldoen aan wettelijke verplichtingen om tijdig gegevens
te verstrekken (concentratie
strafbaarstelling frauduleuze gedragingen) indien deze in werking
treedt. De aanpassing van de WWV,
neergelegd in artikel XII van die
wet, is dan, gelet op de wijziging van de WWV bij artikel I
van deze
wet, niet meer nodig.
Artikel XIV
In
artikel 5 van
hoofdstuk 9 van het op 18 juni 1997 ingediende voorstel van wet tot
aanpassing van wetgeving aan de invoering van het geregistreerd
partnerschap in Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek (Aanpassingswet
geregistreerd partnerschap) (Kamerstukken II 1996-1997, 25 407)
wordt de WWV
gewijzigd. Indien de Aanpassingswet geregistreerd partnerschap op
hetzelfde tijdstip of op een later moment tot wet wordt verheven dan deze
veegwet, is deze wijziging van de WWV niet opportuun meer. Dit
artikel voorziet daarom in de intrekking van dat artikel van de
Aanpassingswet geregistreerd partnerschap.
Hoofdstuk
II. Intrekking Wet Werkloosheidsvoorziening en daarmee verband houdende
wijziging van de Beroepswet
Artikel XV
Voor
een toelichting op dit artikel wordt verwezen naar hoofdstuk 2
van het algemeen deel van de toelichting.
Artikel XVI
In
verband met eventuele lopende beroepszaken komt de vermelding van de WWV
in onderdeel C
van de bijlage bij de Beroepswet te
vervallen tegelijk met de intrekking van de WWV. Eén en ander is
geregeld in artikel
LXXII, eerste lid.
rblz.|6|
Hoofdstuk
III. Gezamenlijke huishouding
Artikelen XVII tot en met
XXXII
Voor een toelichting op de in deze artikelen opgenomen wijzigingen wordt
verwezen naar
hoofdstuk 3 van het algemeen deel van de toelichting.
De artikelen XVII,
onderdeel A tot en met C, XVIII, onderdeel A tot en met
C, XIX, onderdeel A
en B, XX, onderdeel
A, XXI, XXII, onderdeel
A, XXIII, onderdeel A tot
en met C, XXIV, onderdeel A en B,
XXVIII, onderdeel A, XXX,
onderdeel A tot en met C, en XXXI, onderdeel A
en
B, betreffen de wijzigingen met betrekking
tot het al dan niet aanmerken als gehuwd van personen die een
gezamenlijke huishouding voeren dan wel de aanpassingen van de daarop
betrekking hebbende bepalingen.
De
artikelen XVII,
onderdeel D, XVIII, onderdeel D, XIX, onderdeel
C, XX, onderdeel B, XXII,
onderdeel B, XXIII, onderdeel D, XXIV, onderdeel
C, XXV tot en met XXVII,
XXVIII, onderdeel B, XXX, onderdeel D,
en
XXXI, onderdeel C, voorzien in het
instellen van beroep in cassatie tegen uitspraken van de
Centrale Raad van Beroep met betrekking tot de hiervoor vermelde
bepalingen inzake gezamenlijke huishouding.
De
wijziging die door
artikel XXVIII, onderdeel A, onder 1, in de Wet voorzieningen
gehandicapten wordt aangebracht, kan in bepaalde
samenwoningssituaties ertoe leiden dat, gezien het gezinsinkomen, een
hogere eigen bijdrage wordt gevraagd. In het geval dat voor een bepaalde
voorziening een inkomensgrens wordt gehanteerd (bijvoorbeeld voor een
vervoersvoorziening), kan de wijziging tot gevolg hebben dat de cliënt
met zijn gezinsinkomen boven die grens uitkomt en daardoor het recht op
de voorziening verliest. De in artikel XXIX
opgenomen overgangsbepaling verzacht de negatieve financiële gevolgen
van de wijziging enigszins door betrokkenen minimaal één jaar
(afhankelijk van de publicatie van deze wet)
de tijd te geven zich op de nieuwe situatie in te stellen.
Indien
artikel II van de
Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen
in werking treedt vóór
deze veegwet, komt op grond van artikel XXXII
artikel XIX (Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW)) te vervallen, omdat bij artikel II
van genoemde
invoeringswet de AAW wordt ingetrokken.
Hoofdstuk
IV. Andere wijzigingen
Artikel XXXIII
(Ziektewet)
Onderdeel A, onder 1
In
artikel 29, eerste lid, van de Ziektewet
(ZW), zoals dit lid ingaande 1 maart 1996 bij de
Wulbz
is komen te luiden, is bepaald dat in beginsel geen recht op ziekengeld
bestaat indien recht bestaat op loon als bedoeld in artikel 1638c
van
Boek 7a
(thans artikel 629 van Boek
7) van het BW. Uitzondering hierop vormen de artikelen 29a ZW
(zwangerschap en bevalling) en
29b ZW
(herintredende uitkeringsgerechtigden op grond van de
AAW
en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)). Ten onrechte is hierbij niet
genoemd artikel 29, tweede lid, onderdeel e,
van de
ZW. Op grond van dit onderdeel komt ook de
orgaandonor, hoewel hij recht heeft op loon, in aanmerking voor
ziekengeld. Deze omissie wordt hierbij met terugwerkende kracht tot en met
1 maart 1996 hersteld.
rblz.|7|
Onderdeel A, onder 2
Op
grond van
artikel 29, tweede lid, onderdeel d,
heeft degene die op grond van artikel 7 van
de ZW (werkloze) als werknemer wordt beschouwd
recht op ziekengeld vanaf de eerste dag van de ongeschiktheid tot
werken. In dit onderdeel had ook artikel 8a
van de ZW (WAO-uitkeringsgerechtigde)
behoren te worden genoemd, voor zover er sprake is van een
reïntegratie-uitkering op grond van artikel 63
van de
WAO (proefplaatsing). Uit
artikel 21 volgt namelijk dat een persoon op proefplaatsing - die
overigens geen recht heeft op loondoorbetaling op grond van het BW
- recht heeft op ziekengelduitkering. Voor deze gevallen kan echter
formeel de datum van ingang en de hoogte van het ziekengeld niet worden
vastgesteld, omdat een daartoe strekkende bepaling in artikel
29, tweede lid, ontbreekt.
De op dit punt aangebrachte wijziging strekt
ertoe voor deze personen de datum van ingang van het ziekengeld vast te
stellen. Uit het zesde lid van artikel 29
van de ZW vloeit vervolgens voort dat de hoogte
van de ZW-uitkering 70% van het dagloon is. Wel
zullen in verband hiermee de door de minister
vast te stellen dagloonregels nog dienen te worden aangepast, teneinde
voor deze personen de hoogte van het dagloon te kunnen bepalen. Deze
wijziging dient eveneens terugwerkende kracht te krijgen tot en met 1
maart 1996, zijnde de datum waarop de
Wulbz in werking is getreden.
Onderdeel A, onder 3
Vóór de inwerkingtreding per 1 maart 1996 van de Wulbz
werden voor het toepassen van de wachtdagen tijdvakken van ongeschiktheid
tot werken samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder
dan vier weken opvolgden. Bij een nieuwe uitval binnen vier weken na het
einde van een vorige ziekteperiode werden de wachtdagen dan ook slechts
eenmaal in aanmerking genomen. Een dergelijke bepaling komt sindsdien wel
voor in artikel 1638c van Boek
7a van het Burgerlijk (thans artikel 629 van Boek
7), doch ontbreekt in artikel 29 ZW,
zoals dit bij de Wulbz is komen te luiden. Zonder nadere voorziening zou
dit betekenen dat bij iedere uitval, dus ook bij uitval binnen vier weken
na het einde van een vorige ziekteperiode, een nieuwe wachtperiode geldt.
Dit is uiteraard niet de bedoeling. In verband hiermee is aan deze
wijziging terugwerkende kracht verleend tot en met 1 maart 1996.
Onderdelen B
en
C
Bij
de
Wet afschaffing
malus en bevordering reïntegratie (Wet Amber) is verzuimd de
anticumulatieregeling op grond van de ZW aan te
passen aan de bij
die wet ingevoerde artikelen 29a/32a
[29a en 32a, red.] van de
AAW
en 39a/43a
[39a en 43a,
red.] van de WAO. Het gevolg van het
uitblijven van deze aanpassing was dat in geval van toepassing van
genoemde artikelen in de
AAW
en de
WAO samenloop kon ontstaan van ziekengeld met
AAW/WAO-uitkering. Beide uitkeringen konden dan ongekort worden
uitbetaald. Aangezien een dergelijke ongekorte betaling van uitkeringen in
deze situaties duidelijk niet voor de hand ligt, is in onderdeel B
in artikel 32 van de ZW
een anticumulatieregeling opgenomen in geval van toepassing van de
artikelen 29a van de AAW
en 39a van de WAO
en in een nieuw artikel 32a
van de ZW in geval van toepassing van de
artikelen 32a van de AAW
en 43a
van de WAO.
rblz.|8|
Onderdeel D
en
artikelen XXXIV, onderdeel K,
XXXV, onderdeel
K, XXXVI, onderdeel J,
XXXVII, onderdeel E, XXXVIII, onderdeel D,
XXXIX, onderdeel G, XL,
onderdeel I, XLIII, onderdeel E,
XLIV, onderdeel
B, XLV, onderdeel C,
LVIII,
onderdeel E, en LIX, onderdeel D
Voor
wat betreft wijziging van de Abw, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
(Ioaw) en de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
(Ioaz) betreft het een formalisering van een reeds bestaande praktijk die
gebaseerd is op de Circulaire van de
Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 30 september 1992 (nr. AUB/14
218). In deze circulaire is voor de gemeenten
bepaald dat zij de beleidsvrijheid hebben om bij geringe bedragen niet tot
terugvordering in rechte over te gaan. In de brief van 27 november 1995
aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 1995-1996, 23 909, nr. 24) heeft het
kabinet medegedeeld dat voornoemde circulaire ook na invoering van de Wet
boeten, maatregelen,
terug- en invordering sociale zekerheid zijn rechtskracht zal
behouden. Het kabinet kiest ervoor om dit nu wettelijk vast te leggen.
Met de Wet boeten, maatregelen, terug- en
invordering sociale zekerheid zijn de terugvorderingsbepalingen in de
sociale zekerheid geharmoniseerd. Het kabinet kiest ervoor de harmonisatie
van de terugvorderingsbepalingen in de socialezekerheidswetten
te handhaven. In het verlengde van de wijziging in de Abw, de Ioaw en de
Ioaz worden ook de socialeverzekeringswetten
overeenkomstig aangepast.
Onderdeel E
Bij
artikel III,
onderdeel A, van de Wet van 20 december 1995, Stb.
1995, 696, tot wijziging van de
Algemene Ouderdomswet en enkele andere wetten is artikel 35
van de
ZW met ingang van 1 januari 1997 in zijn geheel
vervangen. Bij de verwijzingen naar artikel 29 ZW
in de nieuwe tekst van artikel 35, tweede en
zevende lid, was nog geen rekening gehouden met de wijzigingen in artikel
29 van de ZW, zoals dit artikel bij de Wulbz
is komen te luiden. Dit onderdeel strekt daartoe.
Onderdelen F, onder
1, en G, onder 1
Voorgesteld wordt de termijn voor melding van ziekte/herstel te verruimen
van twee dagen tot vier dagen. De situatie is veranderd sinds de termijn
van twee dagen voor melding van arbeidsongeschiktheid en herstel werd
ingevoerd in de ZW. Toen ging de communicatie
direct van werkgever naar bedrijfsvereniging. Met het invoeren van de
loondoorbetalingsplicht van de werkgever tijdens ziekte, en de verplichte
aansluiting bij een arbodienst, kiezen met name kleinere werkgevers er
vaak voor de administratie in verband met verzuimgevallen via de
arbodienst te laten lopen. Het resultaat is dat de termijn van twee dagen
thans vaak te krap is.
Onderdeel
F, onder 2
Op
grond van
artikel 29, tweede lid, onderdeel c,
wordt aan een verzekerde wiens dienstbetrekking binnen het tijdvak van
52 weken van ongeschiktheid tot werken eindigt ziekengeld uitgekeerd
vanaf de eerste dag van ongeschiktheid tot werken na het einde van die
dienstbetrekking. In artikel
38, tweede lid, is bepaald dat die werkgever bij het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) aangifte doet van de ongeschiktheid van een
dergelijke verzekerde op de laatste dag voordat de dienstbetrekking
eindigt. In deze gevallen bestaat er in de wet
voor de werkgever geen prikkel tot tijdige ziekmelding. In verband
hiermee wordt in dit rblz.|9|
onderdeel voorgesteld om ook deze werkgever, indien hij die verplichting
tot ziekmelding niet of niet behoorlijk is nagekomen, een boete op te
leggen.
Voor wat betreft de boete die een werkgever op
grond van artikel 38, vierde lid, van de
ZW opgelegd kan krijgen, wordt het systeem van
vaste boetes verlaten. Gebleken is dat in de praktijk onvoldoende
rekening kan worden gehouden met de mate van verwijtbaarheid en de ernst
van het verzuim in individuele gevallen. De toevoeging van de zinsnede
"ten hoogste" schept in deze meer beleidsruimte voor de
uitvoering.
Voorts is de laatste volzin van het vierde lid
van artikel 38 van de
ZW aangepast aan de vernummering van leden van
dat artikel bij de Invoeringswet
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 (IOsv 1997).
Onderdeel
G, onder 2
In
artikel
38a van de ZW is de ziek- en
hersteldmelding geregeld van verzekerden die aanspraak maken op
ziekengeld.
Op grond van het tweede lid van dat artikel is
de werkgever, na een door hem ontvangen ziekmelding van een verzekerde,
verplicht zo spoedig mogelijk, doch in elk geval niet later dan op de
vierde dag van de ongeschiktheid tot werken, de eerste werkdag waarop
die verzekerde wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van zijn
arbeid aan het Lisv te melden.
Wanneer de werkgever deze termijn voor
ziekmelding overschrijdt, heeft dit voor die werkgever geen gevolgen. In
deze gevallen bestaat er in de wet
voor de werkgever geen prikkel tot tijdige ziekmelding. In verband
hiermee is in het nieuwe derde lid van artikel 38a ZW
bepaald dat als de werkgever jegens wie de werknemer aanspraak heeft op
loondoorbetaling tijdens ziekte die melding op een later tijdstip doet,
het ziekengeld niet eerder ingaat dan met ingang van de datum van die
melding. Gedurende de periode waarover als gevolg van de latere
ziekmelding door de werkgever geen ziekengeld wordt betaald, kan het
door hem te betalen loon dan niet worden verminderd met het bedrag van
het ziekengeld. Voor de verzekerde heeft deze bepaling geen gevolgen.
Deze heeft, ongeacht of de werkgever de melding tijdig doet, immers
recht op loondoorbetaling.
In
het nieuwe vierde en vijfde lid van artikel 38a ZW
is de hersteldmelding geregeld. Tot nu toe lag de verplichting tot
hersteldmelding uitsluitend bij de verzekerde, ook in die gevallen
waarin de werkgever de verzekerde bij het
Lisv had ziek gemeld. Voor de gevallen
waarin de verzekerde geen werkgever (meer) heeft, is het vanzelfsprekend
dat de verplichting tot hersteldmelding bij de verzekerde ligt. In de
gevallen waarin de verzekerde die aanspraak heeft op ziekengeld wel een
werkgever heeft (zwangere, herintredende AAW/WAO-er,
orgaandonor), ligt het meer voor de hand dat de werkgever die de
ziekmelding heeft gedaan ook de hersteldmelding verzorgt. Gelet hierop
is voor de wijze van hersteldmelding aangesloten bij de bepalingen die
op grond van het eerste en tweede lid van
artikel 38a gelden voor de ziekmelding. Het Lisv heeft er
belang bij dat niet langer uitkering wordt verstrekt dan noodzakelijk
is. In verband hiermee wordt op grond van het zesde lid van artikel 38a
van de ZW bij niet-tijdige hersteldmelding
door de werkgever jegens wie de werknemer geen aanspraak heeft op
loondoorbetaling tijdens ziekte, aan hem een boete van ten hoogste
ƒ1000,- opgelegd. Dit is in lijn met de boete die de werkgever op grond
van artikel 38, vierde lid, van de ZW
krijgt opgelegd indien hij de aldaar bedoelde verplichting tot
hersteldmelding niet of niet behoorlijk is nagekomen.
rblz.|10|
Onderdeel
H, onder 1
Op
grond van
artikel 45, eerste lid, onderdeel d,
weigert het Lisv
het ziekengeld geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend, indien de
verzekerde het in artikel
38a, eerste en derde lid (na de wijziging in onderdeel G,
vierde lid), neergelegde voorschrift inzake ziek- en hersteldmelding niet
heeft opgevolgd. Ter zake van de late ziekmelding ligt een maatregel voor
de hand. Ter zake van een te late hersteldmelding is echter geen maatregel
mogelijk. Een maatregel kan immers pas opgelegd worden vanaf het moment
waarop de overtreding is begaan. Vanaf dat moment bestaat er echter geen
recht meer op ziekengeld, waardoor een maatregel als bovenbedoeld niet
toepasbaar is. In verband hiermee wordt in onderdeel d de
verwijzing naar het derde lid van artikel 38a
geschrapt.
Onderdeel
H, onder 2
Op grond
van
artikel 45, eerste lid, onderdeel e,
weigert het Lisv
het ziekengeld geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend, indien een
verzekerde zich niet houdt aan de hem op grond van artikel 30
opgelegde verplichtingen. Deze sanctie kan echter vervallen, omdat in artikel 30
bij het zonder deugdelijke grond weigeren van passende arbeid een korting van
het ziekengeld is geregeld. Zo tevens een maatregel zou worden opgelegd, dan
betekent dat voor de verzekerde feitelijk een dubbele sanctie. In verband
hiermee wordt in onderdeel e de verwijzing naar artikel 30
geschrapt.
Onderdelen H, onder
3, en I, en artikelen
XXXIV, onderdeel A en C,
XXXV,
onderdeel B en D,
XXXVI,
onderdeel F, onder 2, en G,
XXXVII,
onderdeel B
en C, XXXVIII,
onderdeel A en B,
XXXIX,
onderdeel D, onder
2, en E, XL,
onderdeel E en F,
LVIII,
onderdeel B en C,
en LIX,
onderdeel B en C
In
het Boetebesluit [zie Boetebesluit socialezekerheidswetten,
red.] en het Maatregelenbesluit [Maatregelenbesluit Tica,
zie Maatregelenbesluit UWV, red.]
van het
Lisv is geregeld dat het opleggen van een
boete of maatregel achterwege dient te blijven indien ten aanzien van de
overtreding van het betreffende voorschrift geen verwijt kan worden
gemaakt. Naar het oordeel van het College van toezicht sociale
verzekeringen (Ctsv) is die bepaling in strijd met de wettelijke
bepalingen waarin is voorgeschreven dat het enkele feit dat het
voorschrift is overtreden, gevolgd dient ter worden door het opleggen
van een boete of maatregel. In de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale
zekerheid is een relatie aangebracht tussen de hoogte van de boete
of maatregel en de mate van verwijtbaarheid. Indien de verwijtbaarheid
ontbreekt, zou de sanctie naar mijn mening tot nul gereduceerd moeten
worden. Deze opvatting is destijds - met betrekking tot de boete - ook
weergegeven in de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II
1994-1995, 23 909, nr. 7). Daarbij is onder meer gesteld dat een boete
alleen mag worden opgelegd indien de belanghebbende de voor hem geldende
informatieverplichting heeft geschonden en hem daarvan verwijt kan
worden gemaakt. De opvatting van het Ctsv dat voornoemde bepaling in de
hiervoor aangehaalde besluiten contra legem is, is voor discussie
vatbaar. Om echter buiten twijfel te stellen dat geen boete of maatregel
kan worden opgelegd indien ten aanzien van de overtreding van het
betreffende voorschrift geen verwijt kan worden gemaakt, is dit in de
onderscheiden bepalingen in de socialeverzekeringswetgeving
inzake boeten en maatregelen met zoveel woorden neergelegd. Hierbij is
aangesloten bij de wijzigingen die op dit punt reeds zijn voorgesteld in
de
artikelen 14 en 14a van de Abw
bij het voorstel van wet tot wijziging van de
Algemene bijstandswet in verband met de preventie en bestrijding van
armoede en van sociale uitsluiting (Kamerstukken I, 24 772, nr.
101).
rblz.|11|
Onderdeel
J en artikelen
XXXIV, onderdeel D, onder 1, XXXV, onderdeel E, onder
1, XXXVII,
onderdeel D, XXXVIII, onderdeel C,
XXXIX, onderdeel
F, XL, onderdeel G,
LVIII,
onderdeel D, en LXX
Met
de wijziging van bovenstaande artikelen wordt erin voorzien dat bij de
tenuitvoerlegging van een boete- of terugvorderingsbeschikking voor in het
buitenland wonenden het bijzondere regime voor de vaststelling van de
beslagvrije voet van artikel 475e van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing is.
In artikel LVIII,
onderdeel D, wordt een wijziging aangebracht in artikel
54, negende lid, van de WAZ. In artikel XXII, onderdeel
O, van het bij koninklijke boodschap van 21 juni 1997 ingediende
voorstel van wet (Aanpassingswet
nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen; Kamerstukken II
1996-1997, 25 415) wordt het negende lid van artikel 54
van de
WAZ gewijzigd in achtste lid. Artikel LXX
voorziet in een aanpassing van
artikel
LVIII, onderdeel D, aan deze vernummering.
Onderdeel K
Op
grond van een aantal
socialeverzekeringswetten kan de uitkering bij wege van voorschot
betaalbaar worden gesteld. Tot op heden ontbrak in de ZW
een dergelijke voorschotbepaling. Dit onderdeel strekt ertoe ook mogelijk
te maken dat het ziekengeld bij wege van voorschot betaalbaar wordt
gesteld indien onzekerheid bestaat over het recht op of de hoogte van het
ziekengeld of de hoogte van het te betalen bedrag aan ziekengeld. Het is
echter niet de bedoeling dat ook een voorschot wordt verleend in geval van
twijfel over de vraag of een betrokkene recht heeft op loon of onder de
"vangnetvoorziening" valt. Dit zou niet aansluiten bij de
gedachte achter
Wulbz om in gevallen waarin onzekerheid
bestaat over het recht op loondoorbetaling tijdens ziekte, geen
voorschotbevoegdheid te geven. In verband hiermee is in het tweede lid van
het voorgestelde artikel 47a
van de ZW bepaald dat het Lisv
in die gevallen geen voorschot betaalt.
In de AAW
en de WAO is geregeld dat de
arbeidsongeschiktheidsuitkering kan worden opgeschort of geschorst indien
het Lisv van oordeel is of vermoedt dat tot intrekking of verlaging van de
uitkering moet worden overgegaan. Ook de
Werkloosheidswet (WW) en de TW kennen een
schorsings- en opschortingsbevoegdheid. In de ZW is nog geen expliciete
bepaling opgenomen om de uitbetaling van een eenmaal toegekend ziekengeld
te schorsen indien onduidelijk is of (nog) recht bestaat op ziekengeld.
Een dergelijke bepaling wordt sinds de
totstandkoming van de Wulbz ook in de ZW wenselijk geacht, nu na
toekenning van ziekengeld twijfels kunnen ontstaan over de vraag of de
betrokkene in plaats van ziekengeld aanspraak heeft op loon jegens zijn
werkgever. Ingevolge de Wet boeten, maatregelen en terug- en
invordering sociale zekerheid wordt de uitkering ingetrokken indien
onder meer door het niet nakomen van de inlichtingenverplichting niet kan
worden vastgesteld of nog recht op uitkering bestaat of dat anderszins ten
onrechte of tot een te hoog bedrag ziekengeld is toegekend. Met een
schorsings- en opschortingsbevoegdheid kan worden voorkomen dat, in
afwachting van het bekend worden van voldoende gegevens om tot een
definitieve beslissing te komen, de uitkering onnodig wordt doorbetaald en
derhalve moet worden teruggevorderd. Hoewel op grond van jurisprudentie
ook zonder expliciete bepaling stopzetting van betaling mogelijk is, gelet
op het karakter van daguitkering van het ziekengeld, wordt een heldere
wettelijke basis wenselijk geacht. Eén en ander is geregeld in het derde
lid van het voorgestelde artikel 47a
van de ZW.
rblz.|12|
Onderdeel L
Bij
artikel IV, onderdeel R, van de Wulbz
is onder meer het derde lid van artikel 64
van de
ZW komen te vervallen, terwijl voorts bij
artikel XVI, onderdeel C [artikel XVII, onderdeel C, red.],
van het
huidige wetsvoorstel het zesde lid van dat artikel komt te
vervallen. In verband hiermee dient nog een vernummering plaats te vinden
van het vierde en vijfde lid tot derde en vierde lid.
Onderdeel M
Bij
artikel I, onderdeel P, van de Veegwet
1996 is in artikel 70 ZW
bepaald dat het ziekengeld van de vrijwillig verzekerde die geen aanspraak
kan maken op betaling van loon wordt uitgekeerd vanaf de derde dag van de
ongeschiktheid tot werken. Hoewel dit niet met zoveel woorden in de tekst
van
artikel 70 ZW tot uiting komt, wordt met
het aldaar gebezigde begrip "loon" gedoeld op loon uit een
arbeidsovereenkomst, derhalve op loon als bedoeld in artikel 629 van Boek
7 van het BW en niet op het loonbegrip zoals dat in artikel 14 ZW
is gedefinieerd. Dit moge onder meer blijken uit de memorie van
toelichting, waarbij is gesteld dat door die wijziging voor vrijwillig
verzekerden die een aanspraak op loon hadden (waarbij onder meer werd
gedacht aan de directeuren-grootaandeelhouders van een besloten
vennootschap) een wachtperiode van zes onderscheidenlijk twee weken kwam
te gelden zoals ook sinds de inwerkingtreding van de Wet TZ
in het kader van de verplichte verzekering gold. Deze bedoeling kan ook
worden afgeleid uit de Wulbz, waarbij in
artikel XLI, onderdeel C, deze wijziging is voorgesteld in artikel 70
ZW, voor het geval de Veegwet
1996 later in werking zou treden dan de Wulbz. Daarbij is verzuimd
eenzelfde wijziging in artikel 70
ZW aan te brengen voor het geval de Veegwet
1996 eerder in werking zou treden dan de Wulbz. In verband hiermee
wordt voorgesteld in artikel 70
ZW thans uitdrukkelijk te vermelden dat het gaat
om loon als bedoeld in artikel 629 van Boek
7 van het BW.
Onderdeel N
Met
de introductie van een nieuw derde lid in artikel 87a ZW
wordt uitwerking gegeven aan een toezegging gedaan door mijn
ambtsvoorganger bij de behandeling van het wetsvoorstel Wulbz
in de Eerste Kamer (zie hiervoor ook de Kamerstukken II 1995-1996, 24
439, nr. 22, blz. 2 en 3). Bij die gelegenheid is aangegeven dat de ZW
zal worden verduidelijkt op het punt van de opzegging van "Wulbz-verzekeringen"
door de werkgever, in de uitzonderlijke situatie dat - bij wijze van
noodvoorziening - de (vangnet-)ZW voor al zijn personeel, vanaf de
eerste ziektedag, van kracht wordt.
Ingevolge artikel 87a
ZW kan bij algemene maatregel van bestuur worden
bepaald dat in afwijking van de hoofdregel van loondoorbetaling bij
ziekte, ziekengeld op de voet van de (vangnet-)ZW wordt uitgekeerd aan
werknemers van bij die algemene maatregel van bestuur aan te wijzen
werkgevers. Materieel komt dit neer op herinvoering van de ZW voor de
desbetreffende werkgevers en werknemers. Voor werkgevers die onder de
reikwijdte van deze noodmaatregel zouden komen te vallen, bestaat geen
enkele noodzaak (meer) voor het continueren van een particuliere
verzekering tegen het risico van loondoorbetaling bij ziekte: hierin
wordt dan immers voorzien door de ZW. Het is wenselijk dat een werkgever
in dat geval een eventuele "Wulbz-verzekering" op korte
termijn en zo nodig eenzijdig kan beëindigen, teneinde geen situatie
van "dubbele verzekering" te laten ontstaan of onnodig te
laten voortbestaan. Het nieuwe derde lid van
artikel 87a voorziet daarin. Op grond van dit artikellid kan
de werkgever desgewenst de verzekeringsovereenkomst opzeggen met ingang
van de dag waarop de noodmaatregel van kracht rblz.|13|
wordt. Dit betekent dat eventuele opzegbepalingen in de
verzekeringsovereenkomst die voorzien in een langere opzegtermijn in het
specifieke geval van de bedoelde noodmaatregel door artikel 87a,
derde lid, opzij worden gezet. Door de opzegging vervalt de plicht tot
premiebetaling (werkgever) en vanzelfsprekend ook de verplichting tot
vergoeding van de loonschade (verzekeraar). De eventuele vooruitbetaalde
premie dient door de verzekeraar tijdsevenredig te worden terugbetaald.
Artikel XXXIV
(Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering)
Onderdelen B
en
D, onder
2, en artikelen
XXXV, onderdeel C en
E, onder
2, en XL, onderdeel D
Per 1
augustus 1996 is de
Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale
zekerheid in werking getreden. Gebleken is dat in een aantal
socialezekerheidswetten de kring van personen aan wie een boete kan
worden opgelegd niet geheel overeenkomt met de kring van personen op wie
de inlichtingenverplichting betrekking heeft.
Bij de AOW, de Anw
en de TW kan, bij niet nakomen of niet
behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting door de belanghebbende
of zijn wettelijke vertegenwoordiger, een boete behalve aan de
belanghebbende (en zijn echtgenoot) ook aan de wettelijke
vertegenwoordiger worden opgelegd.
Bij de WAO en de AAW
heeft de wettelijke vertegenwoordiger van de belanghebbende wel een
inlichtingenplicht, terwijl aan die vertegenwoordiger geen boete kan
worden opgelegd. In verband hiermee wordt in laatstgenoemde wetten bepaald
dat ook aan een wettelijke vertegenwoordiger een boete kan worden
opgelegd.
Het uitgangspunt dat de kring van personen op wie
de inlichtingenverplichting betrekking heeft en aan wie een boete kan
worden opgelegd, per wet met elkaar dient overeen te komen, lijdt
uitzondering ten aanzien van de instelling waaraan de uitkering wordt
uitbetaald. Deze instellingen hebben wel een inlichtingenverplichting,
maar daaraan kan geen boete worden opgelegd. Hiervoor is destijds bewust
gekozen. In de Algemene Kinderbijslagwet (AKW)
ontbreekt bij de bepaling die de inlichtingenverplichting regelt (artikel
15) echter abusievelijk de instelling waaraan de kinderbijslag
wordt betaald. Onderdeel D van artikel XL
strekt ertoe ook de instelling waaraan kinderbijslag wordt betaald onder
de inlichtingenverplichting te brengen.
Onderdeel E
en
artikelen XXXV, onderdeel F,
LVIII, onderdeel
A, en LIX, onderdeel A
In
het achtste lid van de artikelen 34 van de WAO,
35 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen (WAZ) en 28 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten (Wajong) en het zevende lid van artikel 24 van de AAW
wordt aan het Lisv de bevoegdheid gegeven
om ambtshalve een uitkering toe te kennen of voort te zetten. Voorwaarde
is wel dat het tot een kennelijk hardheid zou leiden indien het derde
lid (bij de WAZ en
Wajong het vierde lid) zou worden toegepast.
In het derde lid (bij de WAZ en Wajong het
vierde lid) is bepaald dat indien een belanghebbende voor een uitkering
in aanmerking wil komen, hij binnen negen maanden na aanvang van de
arbeidsongeschiktheid een aanvraag voor een uitkering moet doen of,
indien hij wil dat de uitkering wordt voortgezet, deze aanvraag moet
doen binnen drie maanden vóór het verstrijken van een tijdvak als
bedoeld in het eerste lid.
Met
name ten aanzien van psychotische en schizofrene mensen kan zich de
situatie voordoen dat de betrokkene geen uitkering aanvraagt of weigert
een uitkering aan te vragen. Dit kan onder meer het gevolg zijn rblz.|14|
van het feit dat de betrokkene zijn ziekte ontkent. Met name voor
degenen die de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, en dus meerderjarig
zijn, kan deze opstelling ertoe leiden dat zij niet of niet meer voor
een uitkering op grond van deze wet in aanmerking kunnen komen. Immers
deze personen hebben in eerste instantie geen wettelijk
vertegenwoordiger die de aanvraag voor hen kan doen.
Het niet (willen) aanvragen van de uitkering of
voortzetting van de uitkering door de betrokkene is te beschouwen als
het gevolg van de ziekte waaraan de betrokkene lijdt.
Het zou niet terecht zijn indien deze personen
hierdoor niet in aanmerking zouden kunnen komen voor een uitkering op
grond van deze wet. Onder meer met het oog op deze groep is in het
achtste lid van deze artikelen aan het Lisv
de bevoegdheid gegeven om ambtshalve een uitkering toe te kennen dan wel
ambtshalve voort te zetten.
Alvorens te besluiten tot een ambtshalve toekenning van een uitkering op
grond van de Wajong
dient door het Lisv wel te kunnen worden
vastgesteld dat de ziekte van de betrokkene zich heeft geopenbaard voordat
men de leeftijd van 17 jaar heeft bereikt, dan wel in de periode dat de
betrokkene als studerende zoals gedefinieerd in artikel 5
van
die wet kon worden aangemerkt.
Voorts is het de bevoegdheid van het Lisv om te
bepalen in welke andere situaties een uitkering ambtshalve kan worden
toegekend. Daarbij dient het Lisv evenwel altijd te toetsen of toepassing
van het derde lid (bij de WAZ
en Wajong het vierde lid) zou leiden tot een kennelijke hardheid.
Onderdeel F, onder
1, en artikel LXI, eerste lid
Artikel 40
van de
WAO bepaalt dat indien ter zake van toeneming
van de arbeidsongeschiktheid herziening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering alsmede toekenning van
ZW-uitkering heeft plaatsgevonden, het WAO-dagloon,
na 52 weken van ongeschiktheid tot werken, opnieuw wordt vastgesteld, mits
dit tot een hoger dagloon of vervolgdagloon leidt. Een nieuwe
dagloonvaststelling moet ook mogelijk zijn indien de werkgever op grond
van artikel 1638c, eerste lid, van Boek
7a van het BW (vanaf 1 april 1997 artikel 629 van Boek
7 van het BW) bij ziekte gedurende 52 weken het loon heeft
doorbetaald. Bij de totstandkoming van de Wulbz
is de aanpassing van
artikel 40 van de WAO op dit punt
abusievelijk achterwege gebleven. Deze wijziging werkt terug tot en met 1
april 1997, zijnde de datum waarop de Vaststellingswet titel 7.10
Burgerlijk Wetboek (Arbeidsovereenkomst) in werking is getreden, en
indirect (via artikel
LXI, eerste lid) tot en met 1 maart 1996 (datum inwerkingtreding van
de Wulbz).
Onderdeel F, onder 2
Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel Amber
heeft het kabinet toegezegd om regels te stellen op grond van artikel 40,
vierde lid, WAO. Op grond van deze regels kan
aan de WAO-uitkeringsgerechtigde wiens
uitkering is gebaseerd op het WAO-vervolgdagloon, bij toegenomen
arbeidsongeschiktheid opnieuw een loondervingsuitkering worden
toegekend, mits betrokkene op het moment van de toename van de
arbeidsongeschiktheid WAO-verzekerde werkzaamheden verrichtte.
De
achterliggende gedachte bij de mogelijkheid om regels te stellen was de
volgende. Bij de
WAO geldt het principe van één uitkering per
uitkeringsgerechtigde. Dit impliceert dat zolang de betrokkene
arbeidsongeschikt blijft (ook al is het maar 15-25%), hij geen nieuw
recht op een loondervingsuitkering kan krijgen, ook niet indien hij zijn
resterende verdiencapaciteit benut. Indien betrokkenes gedeeltelijke
WAO-uitkering rblz.|15|
inmiddels naar het WAO-vervolgdagloon wordt berekend, ontstaat bij
toename van de arbeidsongeschiktheid derhalve slechts recht op
herziening van de uitkering op basis van het vervolgdagloon, waarbij
voor de berekening van de hoogte van dit vervolgdagloon de leeftijd op
de eerste WAO-dag bepalend blijft. In het geval van
uitkeringsgerechtigden die hun nog bestaande resterende
verdiencapaciteit waarmaken en geruime tijd na de toekenning van de
WAO-uitkering toegenomen arbeidsongeschikt raken, is dit een onbillijke
consequentie, aangezien vergelijkbare niet-uitkeringsgerechtigde
personen die op latere leeftijd (opnieuw) arbeidsongeschikt raken gelet
op artikel 21a
WAO
mogelijk recht hebben op een langere loondervingsuitkering dan
voornoemde groep personen. Het ligt derhalve in de rede om ook ten
aanzien van laatstgenoemde groep personen de leeftijd op moment van
toename van de arbeidsongeschiktheid bepalend te laten zijn voor de
vraag of alsnog gedurende een bepaalde periode recht op een
loondervingsuitkering bestaat.
Bij nader inzien is besloten het vorenstaande
niet neer te leggen in een ministeriële regeling op grond van artikel 40,
vierde lid, van de WAO, maar om één en ander
in
de wet zelf vast te leggen. Om de uitkeringsrechten van voornoemde
groepen met elkaar in overeenstemming te brengen, wordt, mede gelet op
het advies van de toenmalige Sociale Verzekeringsraad over de
Wet TBA, de volgende regeling voorgesteld met betrekking tot de hier
bedoelde groep personen die tijdens het ontvangen van een
WAO-vervolguitkering WAO-verzekerde werkzaamheden verricht en vervolgens
toegenomen arbeidsongeschikt wordt.
Op grond van het voorgestelde nieuwe derde lid
ontstaat, indien de leeftijd op moment van toename van de
arbeidsongeschiktheid recht zou geven op een langere
loondervingsuitkering dan de loondervingsuitkering die betrokkene reeds
heeft genoten, voor het restant van die duur alsnog recht op een
loondervingsuitkering. Uiteraard mits betrokkene op het moment van de
toename van de arbeidsongeschiktheid WAO-verzekerde werkzaamheden
verrichtte. Teneinde te voorkomen dat de lopende vervolguitkering en de
nieuwe loondervingsuitkering onverkort naast elkaar kunnen worden
genoten, is bepaald dat tijdens de duur van die loondervingsuitkering
geen recht op vervolguitkering bestaat. Ook voor het berekenen van de
aansluitende vervolguitkering wordt ingevolge het voorgestelde vierde
lid uitgegaan van het laatstgenoten dagloon, alsmede van de leeftijd op
het moment van toename van de arbeidsongeschiktheid.
De inhoud van het oude derde lid is thans
opgenomen in het voorgestelde vijfde lid.
Onderdeel G
en
artikelen XXXV, onderdeel H,
en
LXI, tweede lid
Verhoging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAO
en AAW
vindt op aanvraag of ambtshalve plaats. Op grond van artikel
41, tweede lid, van de WAO en artikel 30,
tweede lid, van de AAW
vindt verhoging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering ter zake van
toeneming van de arbeidsongeschiktheid in elk geval ambtshalve plaats als
de betrokkene aansluitend aan het ziekengeld voor een hogere
arbeidsongeschiktheidsuitkering in aanmerking komt. Het is wenselijk dat
in ieder geval ook ambtshalve verhoging kan plaatsvinden na afloop van het
tijdvak van 52 weken ongeschiktheid tot werken waarover de werkgever op
grond van artikel 1638c, eerste lid, van Boek
7a van het BW (vanaf 1 april 1997 artikel 629 van Boek
7 van het BW) bij ziekte het loon heeft doorbetaald. De bij deze
onderdelen in artikel 41 van de WAO
en 30 van de AAW
aangebrachte wijzigingen strekken hiertoe. Ook deze wijzigingen werken
terug tot en met 1 april 1997, zijnde de datum waarop de Vaststellingswet
titel 7.10 Burgerlijk Wetboek (Arbeidsovereenkomst) in rblz.|16|
werking is getreden, en indirect (via artikel LXI,
tweede lid) tot en met 1 maart 1996 (datum inwerkingtreding van de Wulbz).
Onderdeel H
en
artikel
XXXV, onderdeel I
Bij
artikel XLV, vierde lid, van de Veegwet
1996 is een nieuw artikel 43b
in de WAO opgenomen.
Bij de Wulbz is
eveneens een artikel 43b in de WAO
opgenomen. In dit onderdeel wordt het bij de Wulbz tot stand gekomen artikel 43b
vernummerd tot artikel 43c. In
laatstgenoemd artikel komt nog een verwijzing voor naar artikel 1638c,
eerste lid, tweede zin, van Boek
7a van het BW, evenals in artikel 32b van de AAW.
Bij de Vaststellingswet titel 7.10 Burgerlijk
Wetboek (Arbeidsovereenkomst) zijn de afdelingen 1 tot en met 5a
van de zevende titel A van Boek
7a van het BW vervangen door een nieuwe titel
Arbeidsovereenkomst, die de tiende titel vormt van
Boek 7 van het BW.
Daarmee is per 1 april 1997 onder meer artikel 1638c
van het BW
vervangen door artikel 629 van
Boek 7 van het BW.
In verband hiermee is de verwijzing in het tot artikel 43c
vernummerde artikel
43b van de WAO en in het in onderdeel I van artikel XXXV
opgenomen artikel 32b van de AAW
met terugwerkende kracht tot en met 1 april 1997 aangepast.
In het nieuwe artikel 43c
WAO is na
"arbeidsongeschiktheidsuitkering" de zinsnede ingevoegd
"onderscheidenlijk de verhoging van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering in geval van herziening van die uitkering
op grond van de artikelen
38 en 39a". Hiermee wordt
bereikt dat de verhoging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond
van genoemde artikelen na vier of na 52 weken bij te late ziekmelding
eerst wordt uitbetaald na het verstrijken van een tijdvak dat gelijk is
aan het tijdvak dat de werkgever te laat was met de ziekmelding.
Onderdeel I
en
artikel
XXXV, onderdeel G
Bij
de
Wet Amber is in artikel 29a, eerste
lid, AAW
bepaald dat ter zake van toeneming van arbeidsongeschiktheid die intreedt
binnen vijf jaar na de datum van toekenning of herziening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering en die voortkomt uit dezelfde oorzaak als
de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan uitkering wordt genoten,
herziening van de uitkering plaatsvindt zodra de toegenomen
arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd. Op grond van
het tweede lid van dat artikel worden voor het bepalen van genoemde
periode van vier weken perioden van toegenomen arbeidsongeschiktheid
samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan één
maand opvolgen. Dit spoort niet met de wijziging van de termijn van één
maand in een termijn van vier weken die bij de Veegwet
1996 in de artikelen 28 en 29
AAW
tot stand is gekomen. Hetzelfde geldt voor de termijn van één maand,
genoemd in artikel 32a AAW
en de artikelen 44, tweede lid, en
47, eerste lid, WAO.
In verband hiermee wordt voorgesteld de termijn van één maand, genoemd
in de artikelen 44, tweede lid, en 47,
eerste lid,
WAO en 29a en 32a AAW,
te wijziging in een termijn van vier weken. Voor de goede orde wordt nog
opgemerkt dat de termijn van één maand, genoemd in de artikelen 39a,
tweede lid, en 43a, tweede lid, van
de WAO, reeds bij de
Wet premiedifferentiatie en
marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen is gewijzigd
in een termijn van vier weken.
Onderdeel J
en
artikel XXXV, onderdeel J
Op
grond van
artikel
39a van de WAO en 29a van
de AAW
wordt een arbeidsongeschiktheidsuitkering herzien met een termijn van vier
weken na een toekenning of herziening ter zake van toeneming van de
arbeidsongeschiktheid die intreedt binnen vijf jaar na de datum van
toekenning of rblz.|17|
herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering en die voortkomt uit
dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan uitkering
wordt genoten. Deze artikelen voorzien niet in een dergelijke termijn van
vier weken in de situatie van toeneming van de arbeidsongeschiktheid bij
degene wiens uitkering, na een eerdere intrekking, is heropend.
Afhankelijk van de individuele situatie kan een herzieningstermijn van 52
weken gelden.
Ook in de artikelen 38,
derde lid, en 39, eerste lid, onderdeel c,
van de
WAO en 28, derde lid, en 29, eerste lid,
onderdeel c, van de AAW
zijn bepaalde situaties neergelegd waarin herziening in verband met
toegenomen arbeidsongeschiktheid plaatsvindt na een eerdere herziening. In
de artikelen 48, tweede lid, van de WAO
en 39, tweede lid, van de AAW
is geregeld dat, voor de toepassing van die artikelen, met herziening van
de arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens afneming van de
arbeidsongeschiktheid wordt gelijkgesteld intrekking van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering. Aldus gelden de in de artikelen 38
en 39 van de
WAO en 28 en 29 van de AAW
geldende herzieningstermijnen (vier weken respectievelijk onmiddellijke
herziening) ook in bepaalde situaties van toeneming van
arbeidsongeschiktheid na een eerdere intrekking van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering. Het is gewenst om deze gelijkstelling ook
te laten gelden voor de toepassing van de artikelen 39a
van de
WAO en 29a van de AAW.
Aldus wordt bereikt dat, als een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt
ingetrokken en vervolgens heropend, een herzieningstermijn geldt van vier
weken als er toeneming van de arbeidsongeschiktheid intreedt binnen vijf
jaar na de intrekking en de toeneming voortkomt uit dezelfde oorzaak als
de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan uitkering wordt genoten.
Onderdeel
L, onder 1
In
artikel
71a, eerste lid, van de WAO is aan
de werkgever de verplichting opgelegd om, tegelijk met de aangifte van
arbeidsongeschiktheid, bedoeld in artikel
38, eerste lid, van de ZW, aan het Lisv
een reïntegratieplan over te leggen ten behoeve van de herintreding van
de werknemer in het arbeidsproces.
Dit plan bestaat uit een voorlopig en een
volledig reïntegratieplan en eventueel noodzakelijke vervolgplannen. Van
een voorlopig plan is sprake wanneer de werkgever/arbodienst verwacht dat
de werknemer uiterlijk vier maanden vóór het einde van de wachttijd WAO
volledig zal hervatten bij de eigen werkgever. De werkgever krijgt dan
uitstel voor het indienen van een volledig reïntegratieplan. In de
overige gevallen wordt een volledig reïntegratieplan ingediend.
Op grond van het eerste lid formuleert het Lisv
minimumeisen waaraan deze reïntegratieplannen moeten voldoen, hetgeen is
gebeurd met het Besluit minimumeisen reïntegratieplan [zie Besluit minimumeisen
reïntegratieplan 1997, red.]. Vanwege de in dit besluit
opgenomen bepalingen inzake deze plannen wordt het wenselijk geacht met
zoveel woorden in de
wet neer te leggen dat het Lisv regels stelt inzake het voorlopige
en het volledige reïntegratieplan en eventueel noodzakelijke
vervolgplannen.
Onderdeel
L, onder 2
Het
thans geldende
artikel 71a van de WAO ziet
uitsluitend op werknemers die geen recht hebben op ziekengeld, omdat zij
jegens de werkgever aanspraak hebben op doorbetaling van loon tijdens
ziekte. In artikel 71a
van de WAO is echter geen reïntegratieplan
verplicht gesteld voor werknemers die ondanks dat zij jegens de
werkgever aanspraak hebben op doorbetaling van loon tijdens ziekte, toch
recht hebben op ziekengeld. Hiertoe behoren vrouwen die in aansluiting
op het bevallingsverlof wegens klachten verband houdende met de
zwangerschap of de rblz.|18|
bevalling aanspraak maken op ziekengeld, herintredende AAW/WAO-ers
en orgaandonoren. Aangezien deze personen ook een arbeidsovereenkomst
met de werkgever hebben, berust op die werkgever ook ten aanzien van hen
primair de reïntegratieplicht. Weliswaar is in het model
ziekengeldreglement [zie Ziekengeldreglement
1997 en vervolgens Ziekengeldreglement
2004, red.] van het Lisv een
regeling opgenomen die voorziet in het overleggen van een
reïntegratieplan voor deze personen, maar op het niet nakomen van deze
verplichtingen is het wettelijk sanctiekader niet van toepassing.
Teneinde te voorkomen dat er een verschil in behandeling is van de
verplichtingen van de werkgever voor twee groepen werknemers ten aanzien
van wie hij een gelijke reïntegratieverplichting heeft, wordt in het
tweede en derde lid van artikel 71a
met betrekking tot deze personen door middel van een verwijzing naar het
begrip werkgever als bedoeld in artikel 38a,
derde lid, [van de ZW, red.] een regeling
opgenomen inzake indiening van een reïntegratieplan nadat de
ongeschiktheid van die personen dertien weken heeft geduurd
respectievelijk nadat de ongeschiktheid van de vrouw in aansluiting op
het bevallingsverlof dertien weken heeft geduurd.
Voor de goede orde wordt opgemerkt dat de
verplichting tot het overleggen van een reïntegratieplan niet geldt
voor werkgevers die een met een arbeidsovereenkomst gelijkgestelde
arbeidsverhouding hebben met een werknemer. Deze werkgevers hebben ten
aanzien van hen in geval van ziekte geen loondoorbetalingsplicht. Voor
deze werknemers is indiening van een reïntegratieplan niet nodig, omdat
niet gezegd kan worden dat zij een verzuimbegeleidingstaak hebben ten
aanzien van die werknemers.
Onderdeel
L, onder 3
Evenals in
artikel 38, vierde lid, van de ZW
wordt ook hier het systeem van vaste boetes verlaten. Gebleken is dat in
de praktijk onvoldoende rekening kan worden gehouden met de mate van
verwijtbaarheid en de ernst van het verzuim in individuele gevallen. De
toevoeging van de zinsnede "ten hoogste" schept in deze meer
beleidsruimte voor de uitvoering.
Onderdeel
L, onder 4
De
laatste volzin van het tot zevende lid vernummerde vijfde lid van artikel 71a
van de WAO is aangepast aan de vernummering van
leden van dat artikel bij de IOsv
1997.
Onderdeel M
Op
grond van
artikel 81, eerste lid, onderdeel a,
van de WAO is het
Lisv verplicht tot de vrijwillige
verzekering toe te laten degene wiens verplichte verzekering is
geëindigd en te wiens aanzien op grond van gebleken omstandigheden
redelijkerwijze valt aan te nemen dat onderbreking van die verplichte
verzekering van korte duur zal zijn, dan wel dat het zijn bedoeling is
bij geboden gelegenheid opnieuw een dienstbetrekking aan te gaan. In dat
artikelonderdeel wordt de zinsnede "dan wel dat het zijn bedoeling
is bij geboden gelegenheid opnieuw een dienstbetrekking aan te
gaan" vervangen door: dan wel die beschikbaar is om arbeid te
aanvaarden als bedoeld in
artikel 16, eerste lid, onderdeel b, van de Werkloosheidswet.
Met deze wijziging wordt beoogd duidelijk te maken dat een ieder aan wie
een
WW-uitkering wordt geweigerd, maar die wel
beschikbaar is voor de arbeidsmarkt, tot de vrijwillige WAO-verzekering
wordt toegelaten. Hiermee wordt een tijdens de behandeling van het
voorstel van Wet
boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale
zekerheid rblz.|19|
op 23 april 1996 in de Eerste Kamer toegezegde wijziging van artikel 81
van de WAO (Handelingen I, 23 909, EK 30, blz.
5018) gerealiseerd.
Artikel XXXV
(Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet)
Onderdeel A
Bij
de
Wet boeten,
maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid is in de in
artikel IV, onderdeel A, van die wet
opgenomen wijziging van artikel 6, achtste lid, van de AAW
de zinsnede "42 of
44 van de Ziektewet"
abusievelijk vervangen door "42, 44
en
45 van de Ziektewet".
Dit had moeten zijn: 42, 44
of
45 van de Ziektewet.
Deze fout wordt in dit onderdeel hersteld.
Artikel XXXVI
(Werkloosheidswet)
Onderdeel A
Bij
de Wet aanscherping referte-eisen WW is in artikel 17b,
zesde lid, onderdeel c, van de
WW een verwijzing opgenomen naar artikel 9,
vierde en vijfde lid, van de
Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV). Ten onrechte is daarbij
geen rekening gehouden met de Wet invoering franchise Zfw-premie, waarbij
in verband met de invoeging van een nieuw vierde lid (inmiddels is bij de
Wet van 20 december 1995, Stb. 1995, 686, tot wijziging van de
Coördinatiewet Sociale Verzekering en de Werkloosheidswet
(franchise Werkloosheidswet) het vierde lid
vervangen) het bestaande vierde en vijfde lid [van artikel 9,
red.] van de CSV zijn gewijzigd in
vijfde en zesde lid. Deze omissie wordt hierbij hersteld.
Onderdelen
B, C, D, onder
1, H, I,
M, N,
Q, onder 2, en R
Deze
onderdelen bevatten aanpassingen van verschillende artikelen van de WW,
die verband houden met de invoering van de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 (Osv 1997).
Onderdeel
D, onder 2
Op
grond van
artikel 25
van de WW is de werknemer verplicht aan het Lisv
op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en
omstandigheden mee te delen waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn
dat zij van invloed kunnen zijn op de uitkering.
Bij een strikt formele toepassing van de
wettelijke bepalingen dient een uitkeringsgerechtigde ook aan deze
inlichtingenverplichting te voldoen indien er sprake is van een blijvende
gehele weigering van de WW-uitkering. In de
memorie van antwoord op het voorstel van Wet
boeten,
maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid
(Kamerstukken I 1995-1996, 23 909, nr. 114b) is onder meer gesteld dat
hoewel degene van wie de uitkering blijvend geheel wordt geweigerd onder
het regime van de wet blijft vallen, het opleggen van een boete niet aan
de orde zal zijn in situaties waarin de uitkering blijvend geheel
geweigerd is omdat de inlichtingenplicht (mededeling doen van alle feiten
en omstandigheden waarvan het de betrokkene redelijkerwijs duidelijk moet
zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de uitkeringsvaststelling)
nauwelijks inhoud zal hebben.
Gelet op het feit dat de inlichtingenplicht
enerzijds formeel van toepassing blijft in de situatie van een blijvend
gehele weigering, doch anderzijds geen enkel doel dient, is het ongewenst
dat een eventuele boeteoplegging theoretisch mogelijk blijft. In verband
hiermee is in subonderdeel 2 van dit onderdeel vastgelegd dat iemand wiens
uitkering blijvend geheel is geweigerd niet hoeft te voldoen aan de
inlichtingenplicht.
rblz.|20|
Onderdeel E
en
artikelen XLIII, onderdeel G,
XLIV, onderdeel
C, en XLV, onderdeel D
Op
grond van de artikelen
26, eerste lid, onderdeel d, van de WW,
113, eerste lid, onderdeel
b, van de Abw en 35,
eerste lid, onderdeel b, van de
Ioaw en Ioaz is
de uitkeringsgerechtigde verplicht zich als werkzoekende bij de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie in te laten schrijven en die
inschrijving tijdig te doen verlengen. Met ingang van 1 september 1995
is echter artikel 61 van de Arbeidsvoorzieningswet (thans artikel 69 van
de Arbeidsvoorzieningswet 1996) gewijzigd, met als gevolg dat
vreemdelingen die niet meer beschikken over een geldig
verblijfsdocument, maar wel met instemming van
Justitie in Nederland verblijven, niet het recht hebben zich als
werkzoekende door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie te laten registreren
(en in het verlengde daarvan: te laten bemiddelen). Aan de verplichting
op grond van de WW, Abw, Ioaw
en Ioaz
om zich als werkzoekende te laten inschrijven, kan dus niet worden
voldaan door voornoemde vreemdelingen. Het niet nakomen van voornoemde
verplichting kan evenwel niet worden bestraft middels een maatregel,
omdat dit betrokkene niet kan worden verweten. Door middel van de
hierbij voorgestelde onderdelen wordt de afstemming tussen de WW, Abw,
Ioaw en Ioaz enerzijds en de Arbeidsvoorzieningswet 1996 anderzijds
verbeterd. De verplichting om zich bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
te laten registreren, wordt gekoppeld aan het in artikel 69 van
Arbeidsvoorzieningswet 1996 vervatte recht op registratie.
Onderdeel
F, onder 1
De
situatie kan zich voordoen dat de werknemer - buiten zijn schuld -
werkloos dreigt te raken en, voordat de werkloosheid daadwerkelijk is
ingetreden, nalaat aangeboden passende arbeid te aanvaarden of door
eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt, met welke arbeid de
werkloosheid niet of in mindere mate zou intreden. Zonder de in artikel 27
van de WW in te voegen zinsnede kan in die
situatie geen maatregel worden opgelegd. Dit levert een onwenselijk
verschil op met de situatie waarin de werknemer die reeds een recht op WW-uitkering
heeft dezelfde overtreding begaat. In die situatie dient immers de
WW-uitkering blijvend geheel te worden geweigerd over het aantal uren
waarover het recht op uitkering zou zijn beëindigd indien de werknemer
de betreffende arbeid zou hebben aanvaard of verkregen.
Onderdeel K
In de
socialezekerheidswetten is een bepaling opgenomen die voorziet in
een bevoegdheid van de uitvoeringsinstanties om de uitkering die op grond
van de in die wetten opgenomen bepalingen inzake het zonder machtiging
uitbetalen van de uitkering aan derden, aan een inrichting of gemeente
werd uitbetaald, na het overlijden van de betrokkene tot en met de laatste
dag van de maand waarin het overlijden plaatsvond uit te betalen aan die
inrichting of gemeente. Bij de Veegwet
1996 is in de WW
een artikel van gelijke strekking ingevoegd, te weten artikel 39a.
In de Wet van 21 december
1995, Stb. 1995, 696, tot wijziging van de Algemene Ouderdomswet en
enkele andere wetten is vastgelegd dat deze bepalingen met ingang
van 1 januari 1997 komen te vervallen. Daarbij is verzuimd het in de
Veegwet 1996 opgenomen artikel 39a
WW eveneens te laten vervallen. Onderdeel K
strekt hiertoe.
rblz.|21|
Onderdeel L
De
situatie kan zich voordoen dat een recht op WW-uitkering
ontstaat of herleeft dat samen met een reeds bestaand recht op
WW-uitkering een groter aantal uren omvat dan de werknemer (ooit) heeft
gewerkt. In de WW zijn verschillende bepalingen opgenomen die
bewerkstelligen dat die rechten dan worden gemaximeerd: de
artikelen 20, eerste lid, onderdeel
c, 52b, derde lid, 52c
en 52d, derde lid, van de WW.
Deze bepalingen voorzien niet in een maximering in de situatie dat eerst
een kortdurende uitkering ontstaat en vervolgens een loongerelateerde
uitkering of vervolguitkering herleeft en beide rechten samen zijn
berekend naar meer uren dan de betrokkene heeft gewerkt. Het thans
voorgestelde vierde lid van artikel 52d
van de WW voorziet wel in een maximering in
laatstgenoemde situatie.
Onderdelen O, onder 1
en
2, en Q, onder
2, en artikel LXI,
derde, vijfde
en
zevende lid
In
artikel 89 van de WW
is geregeld wat ten gunste van een wachtgeldfonds en in
artikel 90 wat ten laste van een
wachtgeldfonds komt.
Zo is in artikel 90,
eerste lid, onderdeel g, bepaald dat de kosten van een second
opinion over het bestaan van ongeschiktheid tot werken als bedoeld in artikel
38, eerste lid, onderdeel g, van de Osv 1997
ten laste van het wachtgeldfonds komen. Het Lisv
kan voor dit onderzoek op grond van artikel
40, tweede lid, van laatstgenoemde wet aan
de werkgever of werknemer die heeft verzocht dit onderzoek in te stellen
kosten in rekening brengen. Niet is echter geregeld dat de bijdrage in die
kosten die door de werkgever of werknemer wordt betaald ten gunste van het
wachtgeldfonds komt. De wijziging van onderdeel O, onder 1,
strekt hiertoe. Deze wijziging werkt terug tot en met 1 maart 1997, zijnde
de datum waarop de Osv 1997
in werking is getreden, en indirect (via artikel
LXI, derde lid) tot en met 1 maart 1996 (datum inwerkingtreding van artikel VIII, onderdeel
C, van de Wulbz).
Bij de op 1 augustus 1996 in werking getreden Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering
sociale zekerheid is bepaald dat de opbrengst van de boete die
wordt opgelegd op grond van artikel 45a
van de
ZW ten gunste wordt gebracht van de reserves ex artikel 63
van de ZW. Deze bepaling is onjuist nu dat
artikel per 1 maart 1996 bij de inwerkingtreding van de Wulbz
is vervallen. Door het toenmalige Tica is aan de bedrijfsverenigingen
geadviseerd de opbrengst van de boete ex artikel 45a
van de ZW
ten goede te laten komen aan het wachtgeldfonds. Logischer is echter om
boeten die verband houden met ziekengelduitkeringen die ten laste van het
Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf) komen, zoals ziekengeld ter zake van
zwangerschap en bevalling, herintredende AAW/WAO-ers
en orgaandonoren, eveneens ten laste van het AWf te doen komen. De in onderdeel O, onder
2, en in onderdeel Q, onder 2,
neergelegde wijziging van artikel 89
onderscheidenlijk 92 van de WW
strekken hiertoe. Aan deze wijziging wordt terugwerkende kracht verleend
tot en met 1 maart 1997, zijnde de datum waarop de Osv 1997 in werking is
getreden, en indirect (via artikel LXI, vijfde
en zevende lid) tot en met 1 augustus
1996.
Onderdeel P
en
artikel LXI, zesde lid
Er
bestaat enige onduidelijkheid over de wijze van financiering van
uitvoeringskosten die het gevolg zijn van de Wulbz.
In het kader van de ZW
moet het Lisv (tot 1 maart 1997 de
bedrijfsverenigingen) beperkte activiteiten verrichten voor werknemers
voor wie de werkgever een loondoorbetalingsplicht heeft op grond van
artikel 1638c, eerste lid, van Boek
7a van het BW (vanaf 1 april 1997 artikel 629 van Boek
7 van het BW). Dit betreft onder meer het geven van toestemming aan
een rblz.|22|
werkgever voor het bieden van passend werk aan een zieke werknemer bij een
andere werkgever en in voorkomende gevallen het opleggen van een boete als
bedoeld in
artikel 38, vierde lid, van de ZW (niet of
niet behoorlijk nakomen van de verplichting tot hersteldmelding) en het
verrichten van werkzaamheden in het kader van artikel 39
van de
ZW (sancties bij inadequate verzuimbegeleiding).
Aangezien het hier om een bedrijfstakafhankelijk risico gaat, wordt
voorgesteld de uitvoeringskosten van het Lisv/de bedrijfsverenigingen voor
de zogenaamde loondoorbetalingsgevallen ten laste van het wachtgeldfonds
te brengen. Dit onderdeel strekt daartoe. Deze wijziging werkt terug tot
en met 1 april 1997, zijnde de datum waarop de Vaststellingswet titel 7.10
Burgerlijk Wetboek (Arbeidsovereenkomst) in werking is getreden, en
indirect (via artikel LXI, zesde
lid) tot en met 1 maart 1996 (datum inwerkingtreding van de Wulbz).
Onderdeel
Q, onder 1
Bij
de op 1 augustus 1996 in werking getreden Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering
sociale zekerheid is in de in artikel I, onderdeel
N, opgenomen wijziging van
artikel 92 van de WW een zinsnede in
onderdeel c van laatstgenoemd artikel vervangen. Deze wijziging
kan echter niet worden geëffectueerd, aangezien bij artikel V, onderdeel F,
van de
Wulbz, onder verlettering van onderdeel c
tot onderdeel d, een nieuw onderdeel c aan
artikel
92 van de WW is toegevoegd. In verband
hiermee wordt in
subonderdeel 1 van dit onderdeel
voorgesteld de bij de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering
sociale zekerheid opgenomen wijziging van artikel
92, onderdeel c, van de WW thans met
terugwerkende kracht tot en met 1 augustus 1996 op te nemen in onderdeel
d van dat artikel.
Artikel XXXIX
(Algemene
nabestaandenwet)
Onderdelen A
en D, onder
1
De
wijzigingen in
artikel 1, onderdeel c en d,
en het eerste lid van
artikel 38 hebben betrekking op de invoering
van de Osv 1997, waarbij is verzuimd de
Anw op deze punten aan te passen.
Onderdeel B
Door
de bestaande redactie van artikel 22, tweede
lid, van de
Anw wordt voor het recht op en de hoogte van de
halfwezenuitkering het begrip "nabestaande" nader gedefinieerd.
Personen die geen nabestaanden zijn in de zin van hoofdstuk 1
zijn niettemin toch nabestaanden voor het recht op halfwezenuitkering
indien er sprake is van ouderschap ten aanzien van de halfwees of zorg
dragen voor een halfwees als ware men ouder. De toepassing van dit begrip
"nabestaande" is echter ten onrechte louter beperkt tot de
toepassing van hoofdstuk 3, afdeling 1,
paragrafen 3 en 4, van de Anw.
Daarmee omvat deze omschrijving bijvoorbeeld niet de met dat recht
samenhangende rechten en verplichtingen, zoals de verplichting tot het
verstrekken van alle voor het recht op halfwezenuitkering relevante
informatie. Met de voorgestelde gewijzigde redactie van artikel 22,
tweede lid, Anw wordt bereikt dat de personen
die op grond van dat artikellid recht op halfwezenuitkering hebben tevens
de rechten en verplichtingen, verbonden aan dat recht, hebben.
rblz.|23|
Onderdeel H
en
artikel
LII
Bij
de
Overgangswet verzorgingshuizen is de Anw
op enige punten foutief gewijzigd. Bij het op 2 oktober 1996 in werking
getreden artikel 46 van de
Overgangswet verzorgingshuizen heeft
abusievelijk een wijziging plaatsgevonden van
artikel 57, eerste lid, van de Anw. Deze
wijziging had echter niet in het eerste lid maar in het tweede lid
plaats dienen te vinden. In de in onderdeel H
voorgestelde wijziging van de Anw is met
terugwerkende kracht tot 2 oktober 1996 de oude tekst van artikel 57,
eerste lid, hersteld en is de beoogde wijziging, als gevolg van de
inwerkingtreding van de Overgangswet verzorgingshuizen, van artikel 57
van de Anw
in het tweede lid verwerkt. Tevens is het begrip pensioen dat op deze
wijze abusievelijk in de Anw terecht is gekomen, vervangen. Voor alle
duidelijkheid zijn beide leden in hun geheel vervangen. Ook in het - nog
niet in werking getreden - artikel 68 van
de Overgangswet verzorgingshuizen is een
wijziging aangebracht in artikel 57, eerste
lid, van de Anw. Deze wijziging had eveneens in
het tweede lid plaats dienen te vinden. In artikel LII
wordt deze fout hersteld.
Artikel XL
(Algemene
Kinderbijslagwet)
Onderdelen A
en
J
In
het tweede lid van
artikel 1 van de AKW wordt bepaald
wanneer iemand voor de toepassing van die wet
als gehuwd of als echtgenoot wordt aangemerkt. Deze bepaling kan
gevoeglijk vervallen, omdat dit voor de toepassing van die wet niet
relevant is. In de wet komen de termen
"gehuwd" en "echtgenoot" immers niet voor.
Onderdeel A strekt hiertoe.
Artikel 31, eerste lid, van de AKW
dient aan het vervallen van het tweede lid van
artikel 1 te worden aangepast (onderdeel J).
Onderdeel B
Zowel
artikel 7, tweede lid, onderdeel b,
als het derde lid, onderdeel a, onder iiº, van de
AKW
hebben betrekking op, kort gezegd, zieke kinderen. De criteria hiervoor
zijn echter thans niet identiek, terwijl geen onderscheid wordt beoogd.
Dit onderdeel strekt ertoe die criteria wel gelijk te stellen in beide
genoemde artikelleden.
Onderdeel C
De
verwijzing in
artikel 11, derde lid, van de AKW
naar de overige artikelen of artikelleden zijn niet meer juist. De kosten
van onderhoud en het eigen inkomen zijn niet langer geregeld in artikel 10,
doch in
artikel 9 van die wet.
Dit onderdeel strekt ertoe het derde lid van artikel 11
van de
AKW aan de gewijzigde bepalingen aan te passen.
Onderdeel H
Ingevolge
artikel 20 van de AKW
kunnen, indien voor hetzelfde kind kinderbijslag
kan worden betaald ingevolge de AKW en
ingevolge een rechtens geldende regeling in een ander land, bij
ministeriële regeling nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld
ter voorkoming van dubbele kinderbijslag.
In dit onderdeel wordt het mogelijk gemaakt ook
nadere en zo nodig afwijkende regels te stellen indien voor hetzelfde kind
kinderbijslag kan worden betaald ingevolge een regeling van een
volkenrechtelijke organisatie. Ter toelichting diene het volgende.
In Nederland zijn 20 volkenrechtelijke
organisaties gevestigd. Het personeel in dienst van deze organisaties is
niet verzekerd voor de rblz.|24|
Nederlandse sociale verzekeringen. Ook de gezinsleden zijn op grond van
artikel 13 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden
volksverzekeringen 1989 [zie Besluit uitbreiding en beperking
kring verzekerden volksverzekeringen 1999, red.] in beginsel
niet verzekerd. Echter, wanneer een gezinslid in Nederland arbeid verricht
of een Nederlandse socialeverzekeringsuitkering ontvangt, is dit gezinslid
op grond van genoemd artikel 13 wel verzekerd en kan dan aanspraak maken
op Nederlandse kinderbijslag voor een kind. De partner heeft, indien deze
voor de volkenrechtelijke organisatie werkt, echter ook recht op
kinderbijslag voor dat kind van die volkenrechtelijke organisatie. Door
een regeling van een volkenrechtelijke organisatie met zoveel woorden in artikel 20
van de
AKW op te nemen, kan middels een ministeriële
regeling in die gevallen samenloop van kinderbijslaguitkeringen worden
voorkomen.
Artikel XLI
(Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid)
De
kopjesregeling, neergelegd in de artikelen 24
en 48 van de
IWS, heeft tot doel te voorkomen dat
uitkeringen op grond van de socialeverzekeringswetten
(WW, AAW
en WAO) op nettobasis lager zijn dan het
relevante sociaal
minimum. Uitgaande van deze doelstelling wordt in bepaalde situaties
de bruto-uitkering verhoogd (met een kopje). Het relevante sociaal
minimum is afgeleid van de bedragen die worden gehanteerd in het kader
van de Abw.
Op een tweetal punten wordt, mede naar
aanleiding van een eind 1994 door de voormalige Sociale Verzekeringsraad
uitgebracht advies, de kopjesregeling aangepast. Dit betreft:
1. De afbakening van de doelgroep
De
huidige omschrijving van de doelgroep ("die voor de toepassing van
de Toeslagenwet niet als gehuwd wordt
aangemerkt") is te ruim. Er zijn namelijk groepen werknemers die
thans - in tegenstelling tot de bedoeling van de regeling - recht hebben
op de verhoging met een kopje. Binnen de groep werknemers die voor de
toepassing van de TW niet als gehuwd worden
aangemerkt, hebben met name werknemers die een kind in belangrijke mate
verzorgen (volgens de criteria voor de AKW), of
werknemers die een gezamenlijke huishouding voeren met een bloedverwant
in de eerste graad, in bepaalde situaties thans recht op een verhoging
van hun uitkering als zij vanwege de tariefgroepindeling voor de
loonbelasting, door de hogere belastingvrije som, zonder kopje reeds een
netto-uitkering hebben die hoger ligt dan het relevante sociaal
minimum. Het kabinet is van mening dat aanscherping van de
formulering van de doelgroep wenselijk is, teneinde genoemde werknemers
van het recht op toepassing van de kopjesregeling uit te sluiten.
In onderdeel A,
onder 1, en onderdeel B (de artikelen 24,
eerste lid, en
48, eerste lid, van de IWS)
wordt de formulering van de doelgroep daartoe aangescherpt. De oude
formulering bevat te weinig nuances om deze groepen werknemers uit te
sluiten. De nieuwe formulering sluit groepen werknemers die in
tegenstelling tot de bedoeling van de kopjesregeling nu recht hebben op
een verhoging van hun uitkering uitdrukkelijk uit, door een relatie te
leggen tussen de doelgroep van de kopjesregeling en tariefgroep 2 voor
de heffing van de loonbelasting.
2. De toepassing van de kopjesregeling
indien de werknemer meer dan één recht op WW-uitkering heeft
Artikel
24, tweede lid, van de IWS bepaalt dat
het recht op verhoging van de uitkering moet worden beoordeeld per
uitkeringsrecht. Dit brengt mee dat ingevolge de WW
voor ieder uitkeringsrecht een (eigen) dagloon wordt vastgesteld,
hetgeen betekent dat per uitkeringsrecht een toetsing voor de
kopjesregeling plaats moet vinden. Dit kan betekenen dat een rblz.|25|
WW-uitkeringsgerechtigde meer dan één recht op toepassing van de
kopjesregeling heeft. Dit is een niet-bedoelde toepassing van de
kopjesregeling, omdat het tot gevolg heeft dat een dubbele verhoging
wordt toegekend, die tweemaal zo hoog is als het beoogde garantiebedrag.
Het moge duidelijk zijn dat een dergelijke toepassing zich duidelijk
niet verdraagt met de bedoeling van de regeling. Het kabinet is van
mening dat de kopjesregeling op een zodanige wijze moet worden aangepast
dat bij de toepassing daarvan het volledige uitkeringsbedrag WW wordt
betrokken.
Hiertoe is in onderdeel
A, onder 2, artikel 24, tweede lid, van
de IWS aangepast.
Artikel XLII
(Coördinatiewet Sociale Verzekering)
Onderdeel A
Bij
de stelselherziening sociale zekerheid is ingaande 1 januari 1987 in de CSV
Onze Minister (van Sociale Zaken en Volksgezondheid) gewijzigd in Onze Minister (van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid). De primaire bevoegdheid tot het
vaststellen van de maximumpremiegrens Ziekenfondswet
dient echter bij de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
(VWS) te berusten. Met betrekking tot artikel 9,
tweede lid,
CSV is daarom "Onze Minister"
vervangen door "de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport". In verband met de onderlinge afstemming van grondslagen voor
de premieheffing wordt deze bevoegdheid van de Minister van VWS
uitgeoefend in overeenstemming met Onze
Minister.
Onderdeel B
In
dit onderdeel wordt
artikel 15a, eerste lid, van de CSV
aangepast aan de Osv
1997. Ingevolge
artikel LXXII, derde lid, werkt dit onderdeel terug tot en met 1
maart 1997, zijnde de datum waarop de Osv 1997 in werking is getreden.
Artikel XLIII
(Algemene
bijstandswet)
Onderdeel A
Bij
de inwerkingtreding van de Anw is in artikel 1
van de
Abw abusievelijk een verwijzing naar
wezenpensioen op grond van de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW) blijven
staan. Dit artikel strekt ertoe deze term aan te passen aan de Anw.
Onderdeel B
In dit
onderdeel wordt
artikel 14f van de Abw
aangepast aan de Osv
1997. Ingevolge artikel LXXII, derde
lid, werkt dit onderdeel terug tot en met 1 juli 1997, zijnde de datum waarop artikel IX
van de Wet boeten, maatregelen en terug- en
invordering sociale zekerheid in werking is getreden.
Onderdeel C
en de
artikelen XLIV, onderdeel A
(Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers), XLV, onderdeel A
(Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen) en
LXIII (Wet
inkomensvoorziening kunstenaars)
Per 1
januari 1996 is voor de toepassing van de Abw
niet meer de gemeente
aangewezen waar de belanghebbende zich bevindt, maar de gemeente waar de
belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in titel rblz.|26|
3 van Boek 1 van
het BW. De woonplaats bevindt zich daar waar de belanghebbende zijn
woonstede heeft; ontbreekt de woonstede, dan geldt de plaats van het
werkelijk verblijf (artikel 10, eerste lid, van Boek
1 van het BW).
Ingevolge artikel 12 van Boek
1 van het BW hebben de minderjarige, de ondercuratele- of
onderbewindgestelde een afgeleide woonplaats. Zo volgt de minderjarige de
woonplaats van hem die het gezag over hem uitoefent en de
ondercuratelegestelde de woonplaats van de curator. Wanneer iemands
goederen onder bewind staan, volgt hij voor alles wat de uitoefening van
het bewind betreft de woonplaats van de bewindvoerder.
Uitgangspunt van de Abw is dat de hoogte van de
bijstand op lokaal niveau wordt afgestemd en het ligt dan ook voor de hand
dat dit ook geldt voor minderjarigen en voor personen die onder bewind of
curatele staan. De onderhavige wijziging beoogt ten aanzien van de Abw, de Ioaw,
de Ioaz
en het voorstel van Wet inkomensvoorziening kunstenaars
(Kamerstukken II 1996-1997, 25 053) de in titel 3 van Boek
1 van het BW opgenomen "afgeleidewoonplaatsbepalingen" niet
meer te laten gelden.
Ingevolge artikel
LXXII, derde lid, werkt de wijziging van de Wet inkomensvoorziening
kunstenaars terug tot en met de datum waarop het betreffende wetsvoorstel
in werking is getreden.
Onderdeel D
In dit
onderdeel wordt
artikel 75 van de Abw aangepast aan
de Osv 1997. Ingevolge
artikel LXXII, derde lid, werkt dit
onderdeel terug tot en met 1 maart 1997, zijnde de datum waarop de Osv 1997 in
werking is getreden.
Onderdeel I
en de
artikelen XLIV, onderdeel E
(Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers), en XLV, onderdeel F
(Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen)
Bij
de inwerkingtreding van de Invoeringswet
Arbeidsvoorzieningswet 1996 per 1 januari 1997 zijn de artikelen 137a
van de Abw, 59a
van de Ioaw en 59a
van de Ioaz ingevoegd. Deze artikelen hebben
tot doel de effectiviteit van de (publieke) arbeidsbemiddeling van
moeilijk plaatsbare uitkeringsgerechtigden te bevorderen door gemeenten
de taak en de middelen te geven om voor deze doelgroep scholing en
bemiddeling in te kopen. Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid stelt hiertoe ten laste van ’s
Rijks schatkist aan gemeenten extra geld beschikbaar. Vooralsnog is het
beschikbare budget alleen bedoeld voor inkoop bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
De in onderdeel I
en de
artikelen XLIV, onderdeel E, en XLV, onderdeel
F, voorgestelde bepalingen maken het in de eerste plaats mogelijk
dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur termijnen kunnen
worden gesteld waarbinnen de diensten en de bijzondere inspanningen, die
door de betrokken gemeente bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie worden
ingekocht, moeten zijn verleend. Voortschrijdend inzicht met betrekking
tot een beheersbare financiële verantwoording en afwikkeling van de
jaarlijkse uitkering aan de gemeenten heeft tevens geleid tot de
onderkenning dat een meer omlijnd regime wenselijk is voor de
financiële afwikkeling. Het wordt wenselijk geacht een horizon aan te
brengen aan de duur van de uitvoering van de contractueel ingekochte
dienstverlening en aan de financiële verantwoording daarover. Zonder
deze horizon in de tijd zou het jaren kunnen duren voordat een
budgetjaar verantwoord en afgesloten wordt. Een dergelijke
onoverzichtelijkheid is ongewenst. Bij de nadere regeling wordt daarom
gedacht aan een begrenzing waarbij de rblz.|27|
uitvoering van contracten afgesloten in het jaar t mag doorlopen tot en
met het jaar t+2. De verantwoording daarover kan uiterlijk geschieden in
de jaaropgave over het jaar t+3 (die in het jaar t+4 gedaan wordt).
De voorgestelde bepalingen richten zich tot de
gemeenten en niet rechtstreeks tot de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. De
gemeenten dienen zich dan ook jegens de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
te verzekeren van een tijdige uitvoering. Bij een niet-tijdige
uitvoering kan gehele of gedeeltelijke terugvordering van de door het
Rijk verstrekte uitkering plaatsvinden.
Artikel XLV
(Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen)
Onderdeel B
Bij
artikel 28 van de IOsv
1997 is in artikel 20f,
vierde lid, van de
Ioaz het begrip
"bedrijfsvereniging" per abuis vervangen door "uitvoeringsinstelling"
in plaats van door het
Landelijk instituut sociale verzekeringen, zoals bij de Ioaw
wel is gebeurd.
Artikel XLVI
(Jeugdwerkgarantiewet)
Onderdeel A
In
het kader van de per 29 december 1995 in werking getreden Veegwet
1996 zijn in de artikelen
XXXV en XLVII wijzigingen opgenomen
van de Jeugdwerkgarantiewet (JWG). Daarbij is in verschillende artikelen
van die wet verwezen naar hoofdstuk IIa van de per 28 december
1995 in werking getreden Wet
tegemoetkoming studiekosten. Bij de publicatie van deze laatste wet
is hoofdstuk IIa vernummerd tot hoofdstuk III. Dit onderdeel
strekt ertoe met terugwerkende kracht tot en met 29 december 1995 de
nodige aanpassingen in de JWG aan te brengen.
Onderdeel B
In
artikel 2, derde lid, onderdeel h, van de JWG komt een
verwijzing voor naar artikel 26 van de AKW.
Bij de Veegwet
1996 is artikel 26 van de
AKW, welk artikel bijzondere bepalingen bevatte
voor kinderen die vóór 1 oktober 1986 zijn geboren, vervallen. In
verband daarmee kan onderdeel h van artikel 2, derde lid, van
de JWG eveneens met terugwerkende kracht tot en met 29 december 1995
vervallen.
Artikel XLVII
(Wet van 24
april 1996, Stb. 1996, 248)
Onderdeel A
Bij
artikel V, onderdeel H, van de op 1 augustus
1996 in werking getreden Wet boeten,
maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid is een
wijziging gebracht in het eerste en tweede lid van artikel 26
van de
TW. Daarbij is er ten onrechte geen rekening mee
gehouden dat bij artikel VII,
onderdeel D, van de Veegwet
1996 het tweede lid van artikel 26 van
de
TW is komen te vervallen. In verband hiermee
wordt in dit onderdeel met terugwerkende kracht tot en met 1 augustus 1996 onderdeel H van artikel V
van de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale
zekerheid vervangen.
rblz.|28|
Onderdeel B
In
dit onderdeel wordt een aantal onnauwkeurigheden in artikel XX
van de
Wet boeten,
maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid met
terugwerkende kracht tot en met 1 augustus 1996 verbeterd.
Artikel XLVIII
(Burgerlijk Wetboek), LIII,
LV, onderdeel
A, en LXVI
Onderdelen A
en
B
De
wijzigingen hebben betrekking op het vervallen van de bedrijfsverenigingen
als uitvoeringsinstanties. Conform de systematiek in de Osv 1997
neemt het
Lisv de plaats in van de
bedrijfsverenigingen. De wijzigingen werken terug tot 1 april 1997, de
inwerkingtredingsdatum van de Vaststellingswet titel 7.10 Burgerlijk
Wetboek (Arbeidsovereenkomst).
Onderdeel C
Bij de
Wet van 21
december 1995, Stb. 1995, 696, tot wijziging van de Algemene Ouderdomswet en
enkele andere wetten zijn met ingang van 1 januari 1997, onder
andere, alle socialeverzekeringswetten, de Abw,
de
Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten en het BW
gewijzigd. Eén van de doelstellingen van de eerstgenoemde wet
was in onder andere de genoemde wetten de duur van de zogenaamde
overlijdensuitkering ten behoeve van bepaalde nabestaanden, van gemiddeld twee
en een halve maand na de dag van het overlijden van een rechthebbende te
beperken tot één maand na de dag van overlijden. In die wet
is in verband hiermee ook artikel 1639l, tweede lid, van het BW
gewijzigd. Echter bij de inwerkingtreding van de Vaststellingswet titel 7.10
Burgerlijk Wetboek (Arbeidsovereenkomst) is dit artikel met ingang van 1 april
1997 komen te vervallen. Abusievelijk is verzuimd in artikel 674, tweede lid,
van titel 10 van Boek
7 van het BW, dat voor genoemd artikel 1639l, tweede lid in de
plaats komt, deze wijziging ook door te voeren. Aangezien het onwenselijk is
de duur van de overlijdensuitkering in het BW te laten afwijken van die in
onder andere de socialeverzekeringswetten, wordt deze omissie in dit artikel, onderdeel
C, onder 1, gecorrigeerd.
Ten aanzien van onderdeel
C, onder 2, zij opgemerkt dat zich hierbij een vergelijkbaar probleem
voordoet, nu echter in relatie tot de toevoeging in het vierde lid van artikel
1639l van de zinsnede "en krachtens de Toeslagenwet".
Deze toevoeging is gemaakt in de Veegwet
1996.
In verband met de rechtszekerheid kan aan de
inwerkingtreding van dit onderdeel echter geen terugwerkende kracht worden
verleend tot het moment van inwerkingtreding van titel 7.10 van het BW.
Op het moment van inwerkingtreding van
deze wet zullen immers al overlijdensuitkeringen zijn uitbetaald
waarbij geen rekening is gehouden met het vorenstaande.
Artikelen LIII,
LV,
onderdeel A, en LXVI
De
Vaststellingswet titel 7.10 Burgerlijk Wetboek (Arbeidsovereenkomst)
heeft de afdelingen 1 tot en met 5a van de zevende titel A van Boek
7a van het BW vervangen door een nieuwe titel
Arbeidsovereenkomst die de tiende titel vormt van Boek
7 van het BW. Daarmee zijn de artikelen 1637s en 1637z
van de tweede afdeling van de zevende titel A van Boek
7a van het BW en artikel 1638c
van de derde afdeling van die titel vervangen door respectievelijk de
artikelen 631, 615 en 629 van titel 10 van Boek
7 van het BW.
In
het Besluit
fondsen en spaarregelingen wordt uitvoering gegeven aan
artikel 1637s, tweede lid, onderdeel c en d, van Boek
7a van het huidige BW. rblz.|29|
Die bepaling wordt vervangen door artikel 631, derde lid, onderdeel c
en d, van titel 7.10 van het
BW. In artikel LIII
wordt bepaald dat het Besluit fondsen en spaarregelingen voortaan berust
op laatstgenoemde bepaling.
In artikel 615 van titel 10 van Boek 7 van
het BW wordt bepaald dat de bepalingen van titel 10 van Boek 7 niet
van toepassing zijn ten aanzien van personen in dienst van een
publiekrechtelijk lichaam, tenzij deze hetzij vóór of bij de aanvang
van dienstbetrekking door of namens partijen, hetzij bij wet of
verordening van toepassing zijn verklaard. Met de in artikel
LV, onderdeel A, voorgestelde wijziging van de artikelen 7, 22
en
35 van de Osv 1997
worden de bepalingen van titel 10 van Boek
7 van het BW bij wet van toepassing verklaard op de
arbeidsovereenkomst van het personeel van het Ctsv,
de SVB en het Lisv.
In artikel LXVI
wordt de verwijzing in artikel 2, tweede lid, van de Wet van 3 april
1985, Stb. 1985, 215, houdende overgangsmaatregel met betrekking
tot loonbetalingen tijdens ziekte en aanvullingen op de wettelijke
ziekengelduitkering (overgangsmaatregel bovenwettelijke uitkeringen),
naar artikel 1638c, eerste lid, van het BW
vervangen door een verwijzing naar artikel 629, eerste lid, van Boek 7 van
het BW.
De artikelen LIII,
LV,
onderdeel A, en LXVI werken terug tot
1 april 1997, de inwerkingtredingsdatum van de Vaststellingswet titel
7.10 Burgerlijk Wetboek (Arbeidsovereenkomst).
Artikel XLIX
(Wet van 19
december 1996, Stb. 665)
In
artikel V van de Wet
van 19 december 1996, Stb. 1996, 665, houdende wijziging van de
Organisatiewet sociale verzekeringen en enkele andere wetten, is
abusievelijk bepaald dat de artikelen 75b, 75c
en 75d van de IOsv
1997 vervallen. Deze wijziging kan niet worden geëffectueerd,
omdat de IOsv
1997 genoemde artikelen niet bevat. In verband daarmee kan in artikel V
van de Wet
van 19 december 1996, Stb. 1996, 665, de zinsnede die naar
deze artikelen van de IOsv 1997 verwijst, vervallen.
Artikel L
(Wet
premieregime marginale arbeid)
De
wijzigingen beogen in de Wet premieregime bij marginale arbeid
op gelijke wijze als in andere socialeverzekeringswetten
de afwijkingen van de
Algemene wet
bestuursrecht (Awb) te regelen. In het derde lid van artikel 3
was al voorzien in een afwijking van de beslistermijnen op een aanvraag.
Geregeld was dat zo spoedig mogelijk beslist moest worden op de
aanvraag. Volgens de toelichting hield dit in spoediger dan binnen acht
weken, de maximale termijn waarvan de Awb uitgaat. De termijn was niet
ingevuld om de uitvoering ruimte te bieden daaraan zelf inhoud te geven.
Omdat er enerzijds bij de uitvoering behoefte blijkt te bestaan aan
expliciete regeling van een termijn en anderzijds de beslistermijnen
voor de andere socialeverzekeringswetten in één algemene maatregel van
bestuur (Besluit beslistermijnen socialeverzekeringswetten [zie Wet
beslistermijnen socialeverzekeringswetten, red.]) zijn
geregeld, is in
onderdeel A het derde lid in die zin
aangepast dat voor de beslistermijn wordt verwezen naar de regeling in
het Besluit beslistermijnen socialeverzekeringswetten. Voorts ontbrak
een regeling van de termijn waarbinnen op een bezwaarschrift beslist
moet worden, terwijl op dit punt in de andere socialeverzekeringswetten
wel een afwijkende bepaling is opgenomen. Daarin wordt nu in
onderdeel B voorzien met het nieuwe artikel 9a
op gelijke wijze als in die andere socialeverzekeringswetten.
Artikel LI
(Arbeidsvoorzieningswet 1996)
Met
de inwerkingtreding op 1 juli 1997 van een deel van de Wet boeten en maatregelen en terug-
en invordering sociale zekerheid wordt ook de redactie gewijzigd
van
artikel 14 van de Abw, artikel 20
van de Ioaw
en artikel 20 van de Ioaz.
De verwijzingen naar de artikelleden van die rblz.|30|
artikelen in artikel 7 van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 zijn daarmee
niet mee in overeenstemming. Het is daarom noodzakelijk dat artikel 7 van
de Arbeidsvoorzieningswet 1996, met terugwerkende kracht tot 1 juli 1997,
gewijzigd wordt. Dit artikel strekt daartoe.
Artikel LIV
(Wet
terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen)
Onderdeel A
In de
Wet van 21
december 1995, Stb. 1995, 696, tot wijziging van de Algemene Ouderdomswet en
enkele andere wetten is in onder andere alle socialeverzekeringswetten
een nieuwe definitie met betrekking tot de term "gezamenlijke
huishouding" opgenomen (tot 1 januari 1997 waren bloedverwanten in de
tweede graad uitgezonderd van deze definitie; thans niet meer) en is de
duur van de zogenaamde overlijdensuitkering beperkt tot één maand na de
dag van het overlijden. Bij het opstellen van genoemde wet
is echter verzuimd beide wijzigingen ook in de
Wet TBA aan te brengen.
Onderdeel B
Bij
de toepassing van de anticumulatieregeling, neergelegd in artikel 33 van
de AAW
en 44 van de
WAO, wordt uitgegaan van algemeen geaccepteerde
arbeid waartoe de betrokkene met zijn krachten en bekwaamheden in staat
is. Op grond hiervan zou iedereen bij de inwerkingtreding van de
Wet TBA per 1 augustus 1993 moeten zijn herbeoordeeld op het nieuwe
arbeidsongeschiktheidscriterium. Ingevolge het tweede lid van artikel XIX
van de
Wet TBA is bij wijze van overgangsregeling het oude
arbeidsongeschiktheidscriterium, al dan niet blijvend, van toepassing
gebleven op personen op wie vóór die datum één van de oude
anticumulatieregelingen van toepassing was.
Daarbij is er geen rekening mee gehouden dat
ten aanzien van de personen die onder die overgangsregeling vallen zich
de situatie kan voordoen dat artikel 33 van de AAW
en 44 van de WAO
pas na 1 augustus 1993 voor het eerst toepassing vindt en voorts dat
tijdens de in die artikelen genoemde termijn van drie jaar de betrokken
arbeid als passende arbeid moet worden aangemerkt. Daarnaast is - voor
beide situaties - over het hoofd gezien dat die arbeid niet alleen
tijdens die termijn van drie jaar als passende arbeid moet worden
beschouwd, maar ook na ommekomst van die termijn, zodat de betrokkene
ook op die arbeid kan worden geschat. De in dit artikel neergelegde
wijziging van de Wet TBA strekt daartoe.
Artikel LV
(Organisatiewet sociale verzekeringen 1997)
Onderdelen B
en
C
Bij
de inwerkingtreding van artikel 18 van de Osv
1997, waarin het aantal bestuursleden van de SVB
wordt bepaald, is vergeten dit artikel op een later tijdstip in werking te
laten treden, dit in verband met het op grond van artikel
67, eerste lid, van de IOsv 1997 tot 1
januari 1999 laten voortbestaan van artikel 22 uit de oude Organisatiewet
sociale verzekeringen (Osv). In verband hiermee komt in onderdeel B artikel 18
van de Osv 1997 met terugwerkende kracht tot 1
maart 1997 te vervallen. Het in onderdeel C
voorgestelde nieuwe artikel 18 Osv
1997, met een overigens gelijke inhoud als het vervallen artikel 18,
moet pas met ingang van 1 januari 1999 van kracht worden. De datum van
inwerkingtreding van onderdeel C is
derhalve bij artikel LXXII, eerste lid, op 1
januari 1999 gesteld.
rblz.|31|
Onderdeel D, onder 1
De
reden van deze wijziging is dat de verwijzing in artikel 38,
eerste lid onderdeel c, van de
Osv
1997 naar artikel 1, onderdeel i,
niet correct is. Er had naar subonderdeel 9 van onderdeel h van artikel 1
verwezen moeten worden. Subonderdeel 1 van
onderdeel D strekt hiertoe.
Onderdeel D, onder
2, en artikel LXI, vierde lid
In
onderdeel D, onder 2, wordt voorgesteld de
taak van het Lisv op een tweetal punten uit
te breiden. Op grond van artikel 629, derde lid, onderdeel c, van Boek
7 van het BW heeft de werknemer geen recht op loon indien hij zonder
deugdelijke grond weigert arbeid te verrichten bij een door de werkgever
met toestemming van het Lisv aangewezen derde. Dit impliceert dat het Lisv
de wettelijke taak heeft de werkgever toestemming te verlenen om zijn
werknemer bij een bepaalde door hem aangewezen derde arbeid te laten
verrichten. Noch in de Osv 1997, noch in de
ZW is echter voorzien in een opdracht aan het
Lisv om de werkgever een dergelijke toestemming te verlenen. In verband
hiermee is het verlenen van deze toestemming in
artikel 38, onderdeel
j, expliciet als taak van het Lisv opgenomen. De daaraan
verbonden uitvoeringskosten worden op grond van
artikel XXXVI, onderdeel P (wijziging artikel 90
van de
WW), ten laste van het wachtgeldfonds gebracht.
Deze wijziging werkt terug tot en met 1 april 1997, zijnde de datum waarop
de Vaststellingswet titel 7.10 Burgerlijk Wetboek (Arbeidsovereenkomst) in
werking is getreden, en indirect (via
artikel LXI, vierde lid) tot en met 1 maart 1997 (datum
inwerkingtreding Osv 1997).
In onderdeel k wordt voorgesteld de taak
van het Lisv uit te breiden met het uitvoeren van door
Onze Minister aangewezen algemene maatregelen van bestuur en door
Onze Minister aangewezen ministeriële regelingen. Een dergelijke bepaling
is ook opgenomen in de taakomschrijving van de SVB.
Verzuimd is echter om deze bepaling ook in de taakomschrijving van het
Lisv op te nemen.
Onderdelen E tot en met G
Artikel 52
van de
Osv
1997 bevat thans uitsluitend de regeling inzake de van rechtswege
aansluiting alsmede de bevoegdheid van het Lisv
om met betrekking tot de aansluiting van één of meer categorieën van
werkgevers afwijkende regels te stellen.
Artikel 53, eerste
en tweede lid, van de Osv 1997 bevatten de
regels inzake de aan- en afmelding van de werkgevers. Deze regels zijn
thans opgenomen in artikel
52, derde en vierde lid, van de Osv 1997.
In het voorgestelde artikel 53,
derde lid, is bepaald dat het Lisv zo spoedig mogelijk aan de werkgever
meedeelt vanaf welke datum hij bij een betreffende sector is
aangesloten. Indien deze mededeling afwijkt van hetgeen de werkgever
heeft gemeld of ten onrechte heeft nagelaten te melden, dient de
mededeling van het Lisv te worden aangemerkt als een beschikking. In dat
geval immers neemt het Lisv een beslissing over zowel de sector waarbij
de werkgever moet worden ingedeeld als over het tijdstip van aansluiting
en zijn aan deze beslissing voor de werkgever rechtsgevolgen verbonden.
Tegen deze beschikking kan de werkgever bezwaar maken bij het Lisv en
vervolgens beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.
Vóór 1 maart 1997 hadden zowel de
bedrijfsverenigingen als het Tica de bevoegdheid om primaire besluiten
te nemen over de aansluiting van werkgevers. Na inwerkingtreding van de Osv 1997
is uitsluitend nog het Lisv bevoegd deze beslissingen te nemen. In
verband hiermee kunnen de bepalingen inzake de overschrijving van
werkgevers (artikel 52, vijfde lid,
Osv 1997) en de bevoegdheid van het Lisv om,
indien nodig, primaire rblz.|32|
aansluitingsbeslissingen af te geven (artikel 53,
tweede lid, Osv
1997), vervallen. Zowel de overschrijving als de bevoegdheid om in
afwijking van de melding van de werkgever de werkgever in te delen bij
een sector vloeien automatisch voort uit de taak die het Lisv met
betrekking tot de indeling heeft en behoeven niet meer apart in de wet
te worden neergelegd.
De bevoegdheid van het Lisv om ambtshalve of op
verzoek de werkgever in afwijking van artikel 52,
tweede lid, bij een andere sector in te delen, is wel gehandhaafd en
thans opgenomen in artikel 53, vierde lid.
Hoewel beoogd was om de afwijkende beroepsgang te laten gelden voor alle
besluiten inzake de aansluiting, is de in artikel 55
van de
Osv 1997 opgenomen opsomming van
indelingsbesluiten niet volledig gebleken. Deze omissie wordt hierbij
hersteld.
Onderdeel H
In
artikel 65, eerste lid, van de Osv 1997
wordt verwezen naar verkeerde leden van
artikel 74. Deze fout wordt in dit onderdeel
hersteld.
Onderdeel I
In
artikel 1, onderdeel
i, worden onder de definitie van "uitvoeringskosten"
mede begrepen "de kosten van uitvoering van overeenkomsten als
bedoeld in artikel 43". Laatstbedoelde
kosten behoeven daarom niet afzonderlijk vermeld te worden in artikel 80,
derde lid. De desbetreffende zinsnede wordt in subonderdeel 1 van dit
onderdeel geschrapt.
Het
Lisv maakt bij de inning van premies op
grond van de Ziekenfondswet kosten die ten
laste van de Algemene Kas van de Ziekenfondsraad
worden gebracht. Voorts maakt het Lisv kosten bij de inning van heffingen
op grond van de Wet
op de ondernemingsraden die bij de
Sociaal-Economische Raad in rekening worden gebracht. Deze kosten
zijn kosten van uitvoering van wetten door het
Lisv en moeten derhalve worden aangemerkt als uitvoeringskosten in de zin
van artikel
1, onderdeel i, van de Osv 1997.
Omdat deze uitvoeringskosten worden toegerekend aan de Ziekenfondsraad en
de Sociaal-Economische Raad, worden deze instanties in subonderdeel 2 van
dit onderdeel toegevoegd aan artikel
80, derde lid, van de Osv 1997.
Onderdeel J
Met
deze wijziging wordt de bevoegdheid van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
om regels te stellen ten aanzien van het eerste lid, uitgebreid tot het
eerste en tweede lid. Deze bevoegdheid zal onder meer worden gebruikt om
nadere regels te stellen aan de informatieverstrekking aan het Centraal Bureau
voor de Statistiek (CBS). Het Lisv en
de SVB
zijn op grond van de Wet op de Economische Statistieken verplicht om alle
informatie te verstrekken die het CBS nodig heeft voor zijn taak. Op dit
moment worden geen nadere regels gesteld aan de inhoud en de specificaties
van de te verstrekken informatie. Zoals in de memorie van toelichting bij de Osv
1997 is gesteld, heeft het de voorkeur om de nadere regeling van
informatieverstrekking aan het CBS ook in de ministeriële regeling
informatievoorziening sociale verzekeringen op grond van artikel 87
Osv 1997 op te nemen. Dit heeft als voordeel
dat het aan alle betrokkenen meer zekerheid en meer duidelijkheid
verschaft. De nu voorgestelde wijziging van artikel 87
Osv 1997 creëert de wettelijke basis om dergelijke regels te
stellen.
rblz.|33|
Onderdeel K
Het
in
artikel 101, eerste lid, onderdeel c,
opgenomen vereiste dat de geregistreerde toestemming moet geven voor
gegevensverstrekking heeft alleen betrekking op de in dat onderdeel
bedoelde gegevens. Het is niet beoogd dat de toestemming ook betrekking
dient te hebben op de in onderdeel a en
b genoemde gegevensverstrekking. Voor deze
gegevensverstrekkingen geldt immers geen toestemmingsvereiste.
Onderdeel M
In
artikel 107 van de Osv
1997 is abusievelijk overtreding van artikel 89
(verplichting tot het geven van inlichtingen) niet strafbaar gesteld.
Dit artikel strekt ertoe deze omissie te herstellen.
Artikel
LVI
(Wijziging
van de
ZW,
WAO, AAW, AOW ¹ en Anw in verband met wetsvoorstel
Wijziging Vreemdelingenwet en enige andere wetten)
De
wijzigingen in de onderdelen a en b hebben betrekking
op het vervallen van de bedrijfsverenigingen als uitvoeringsinstanties.
Conform de systematiek in de
Osv
1997 neemt het Lisv de plaats in van
de bedrijfsverenigingen. Deze wijzigingen werken terug tot en met de
datum waarop het
wetsvoorstel
wijziging Vreemdelingenwet en enige andere wetten in werking is
getreden.
De wijziging in onderdeel
c heeft betrekking op de Anw. In het reeds genoemde wetsvoorstel
wordt aan artikel 1 van de Anw
een onderdeel h toegevoegd. Inmiddels bestaat reeds een
onderdeel h. Door de vernummering [verlettering, red.] in
onderdeel
c wordt het aldaar voorgestelde onderdeel h verletterd tot
onderdeel
i.
1. Volgens de redactie
dient "AOW" te vervallen.
Artikel LVII
(Wet
Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement)
In
dit artikel wordt de
Wet
Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement zodanig
gewijzigd dat als onverenigbaar met de functie van bestuurder van het Ctsv
ook het lidmaatschap van de Staten-Generaal en het Europees Parlement
wordt gerekend.
Artikel LX
(Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers)
De
in dit artikel opgenomen wijziging van de Ioaw
strekt ertoe een kennelijke misstelling te corrigeren in artikel XVIII
van het voorstel van
wet tot wijziging van de Vreemdelingenwet en enige
andere wetten teneinde de aanspraak van vreemdelingen jegens
bestuursorganen op verstrekkingen, voorzieningen, uitkeringen,
ontheffingen en vergunningen te koppelen aan het rechtmatig verblijf van
de vreemdeling in Nederland (Kamerstukken I 1996-1997, 24 233, nr.
76). Deze wijziging werkt terug tot en met de datum waarop het wetsvoorstel
wijziging Vreemdelingenwet en enige andere wetten in werking is
getreden.
Artikel LXII
(Organisatiewet sociale verzekeringen)
Bij
brief van 18 september 1996 (Kamerstukken II 1996-1997, 25 000, nr. 4)
is het kabinetsstandpunt met betrekking tot het aanvaarden op 23
februari 1995 van de motie-Giskes c.s. aan de Tweede Kamer medegedeeld.
In die brief zijn de hoofdlijnen geschetst van het kabinetsstandpunt
voor een, per 1 januari 1997, te treffen specifieke regeling waarbij aan
ouders van thuiswonende meervoudig gehandicapte dan wel ernstig
lichamelijk rblz.|34|
gehandicapte of chronisch zieke kinderen in de leeftijd van 3-18 jaar [3
tot en met 17 jaar, red.] een financiële tegemoetkoming zal
worden verstrekt vanwege de hogere algemene kosten van levensonderhoud
in verband met de handicap van dat thuiswonende kind [zie Regeling tegemoetkoming
onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte kinderen 2000, red.].
Bij de Wet tot vaststelling van de begroting van de uitgaven en de
ontvangsten van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
(XV) voor het jaar 1997 is hiertoe een begrotingsvoorziening getroffen.
De regeling is inmiddels gepubliceerd in de Staatscourant van 8
april 1997, nr. 67. De regeling zal worden uitgevoerd door de SVB.
Anders dan de andere door de SVB uit te voeren wetten
wordt deze regeling niet gefinancierd uit een fonds, maar uit de
algemene middelen. De per 1 maart ingetrokken Osv voorziet in hoofdstuk
VI slechts in uitvoering van wetten die worden gefinancierd uit een
fonds. Het voorgestelde artikel voorziet in een delegatiebepaling op
grond waarvan ten aanzien van hetgeen in hoofdstuk VI is bepaald met
betrekking tot fondsen bij ministeriële regeling kan worden geregeld
indien door de SVB regelingen worden uitgevoerd die worden gefinancierd
door het Rijk. Deze bepaling is nodig omdat in de Osv geen basis
aanwezig was voor de met terugwerkende kracht tot 1 januari 1997 ter
zake te treffen ministeriële regeling.
Artikel LXIV
(Wijziging
van de Vreemdelingenwet en enige andere wetten)
In
artikel XXIII van het voorstel van wet
tot wijziging van de Vreemdelingenwet en enige andere wetten teneinde de
aanspraak van vreemdelingen jegens bestuursorganen op verstrekkingen,
voorzieningen, uitkeringen, ontheffingen en vergunningen te koppelen aan
het rechtmatig verblijf van de vreemdeling in Nederland is
abusievelijk een verwijzing opgenomen naar de Algemene Bijstandswet. Dit
had de (nieuwe) Algemene bijstandswet
moeten zijn. Deze fout wordt in dit artikel hersteld. De wijziging werkt
terug tot en met de datum waarop het wetsvoorstel wijziging Vreemdelingenwet en enige andere wetten
in werking is getreden.
Artikel LXV
(Wet houdende
bepalingen in verband met de aanpassing van de
uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen per 1 januari 1996)
De
Wet houdende bepalingen in verband met de aanpassing van de
uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen per 1 januari 1996 bevat
wijzigingen van de Organisatiewet sociale verzekeringen die is
ingetrokken. Voorts bevat de wet een bepaling die, aangepast aan de Osv 1997,
is opgenomen in de
IOsv 1997. De Wet houdende bepalingen in
verband met de aanpassing van de uitvoeringsorganisatie sociale
verzekeringen per 1 januari 1996 heeft derhalve geen enkele zelfstandige
betekenis en dient daarom te worden ingetrokken.
Artikel LXVIII
(Wet
aanpassing uitkeringsregelingen overheveling opslagpremies)
Bij
de inwerkingtreding van de Anw is in artikel 24
van de Wet aanpassing uitkeringsregelingen overheveling opslagpremies
abusievelijk een verwijzing naar wezenpensioen op grond van de AWW blijven
staan. Dit artikel strekt ertoe deze term aan te passen aan de Anw.
Artikel LXIX
Gebleken is dat in
artikel 30 (wijziging Algemene Kinderbijslagwet)
van het bij koninklijke boodschap van 28 november 1996 ingediende
voorstel van wet houdende regeling voor de totstandkoming van een
gemeentelijk werkfonds voor voorzieningen ter bevordering van de
toetreding tot het arbeidsproces van langdurig werklozen en jongeren (Wet inschakeling werkzoekenden)
rblz.|35|
(Kamerstukken 25 122) nog enige onjuiste verwijzingen naar artikelleden
voorkomen. Dit artikel voorziet in de nodige aanpassingen.
Artikel LXXI
(Overgangsrecht in verband met artikel LV)
Hoewel het merendeel van de indelingsbeslissingen genomen zal worden op
grond van één van de bepalingen waarvoor de afwijkende beroepsgang
geldt, kan niet worden uitgesloten dat in incidentele geschillen toch de
rechtbank bevoegd is. Zoals bij artikel LV, onderdeel E tot en met G,
reeds werd uiteengezet, is dit een niet-beoogd gevolg van een omissie in
artikel 55 Osv 1997. Teneinde een
dergelijk verschil in behandeling van beroep niet langer te laten
voortbestaan dan strikt nodig, is in het overgangsrecht bepaald dat de
rechtbank bij inwerkingtreding van deze
wet de betreffende beroepen overdraagt aan de Centrale Raad van
Beroep. Indien echter de behandeling van het beroep door de
rechtbank zover is gevorderd dat partijen inmiddels zijn uitgenodigd om
op een zitting te verschijnen dan wel partijen toestemming hebben
gegeven voor het achterwege blijven van een onderzoek ter zitting, dan
wordt een overdracht niet zinvol meer geacht en dient deze achterwege te
blijven. Indien overdracht van de behandeling van het beroep
plaatsvindt, zal de rechtbank partijen hierover informeren.
Hoofdstuk
V. Slotbepalingen
Artikel LXXII
(Inwerkingtreding)
Voor zover bepaalde artikelen of (sub)onderdelen daarvan op een andere
datum in werking treden dan met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het
Staatsblad waarin deze wet wordt
geplaatst en voor zover aan bepaalde artikelen of (sub)onderdelen
daarvan terugwerkende kracht is verleend, is daarop ingegaan bij de
toelichting op die artikelen c.q. (sub)onderdelen daarvan.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
|
|