|
rblz.|1|
Kamerstukken II
1997-1998, 25 697
Wijziging
van de Algemene bijstandswet
in verband met de voortgang van de bestrijding van armoede en sociale
uitsluiting
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Aparte uitkeringsnorm
voor personen van 65 jaar of ouder |
| 3 |
Cliëntenparticipatie |
| 4 |
Bijstand aan daklozen |
| 5 |
Anticumulatiebepaling |
| 6 |
Financiële aspecten |
| xArtikelsgewijs |
| xx |
Artikelen
I t/m VI |
| xBijlage:
Concept-wijziging
van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 |
Algemeen
1.
Inleiding
In
de nota De andere kant van Nederland (Armoedenota) van eind 1995 werd
geconstateerd dat in een welvarend land als Nederland wel degelijk
armoede en sociale uitsluiting bestaan (Kamerstukken II 1995-1996, 24 515,
nrs. 1-2). In de Armoedenota is een reeks actiepunten aangekondigd om armoede en sociale
uitsluiting te bestrijden. In De andere kant van Nederland: voortgangsnota
van 23 april 1997 staan de vorderingen vermeld (Kamerstukken II 1995-1996, 24 515, nr. 30). Zo hebben bijvoorbeeld
gemeenten met de wijziging van de Algemene bijstandswet in verband
met de preventie en
bestrijding van armoede en sociale uitsluiting (Stb. 1997, 193) grotere bevoegdheden gekregen
voor inkomensondersteuning.
Het kabinet stelt in de
Voortgangsnota nieuwe stappen voor in de aanhoudende strijd tegen
armoede en sociale uitsluiting. Zo wordt per 1 januari 1998 het
gemeentelijk budget voor de bijzondere bijstand structureel verhoogd met
ƒ250 miljoen. Met de VNG
[Vereniging van Nederlandse Gemeenten, red.]
is afgesproken dat deze extra gelden voor armoedebestrijding worden ingezet. De kabinetsvoorstellen
in de Voortgangsnota
vergen daarnaast aanpassing van de Algemene bijstandswet (Abw) op een aantal punten.
Voor ouderen met
onvolledige AOW-rechten, die voor hun bestaan zijn aangewezen op aanvullende
bijstand, wordt in de Abw een aparte uitkeringsnorm ingevoerd.
Daarmee komen ouderen op hetzelfde niveau als leeftijdgenoten met
een AOW-uitkering en profiteren ook zij van het volledige effect van de
fiscale maatregelen voor ouderen.
Tijdens de Sociale
Conferentie in 1996 is door de landelijke cliëntenorganisaties en
antiarmoedegroeperingen nadrukkelijk gepleit voor een
wettelijk recht op
cliëntenparticipatie. Het kabinet heeft besloten aan deze wens tegemoet te komen.
Het kabinet stelt een verantwoordingsplicht van gemeenten voor, waarbij
deze in beleidsplannen en -verslagen aangeven hoe zij de inspraak van uitkeringsgerechtigden hebben geregeld.
In de Voortgangsnota is
tevens aangekondigd dat de bijstandverlening aan daklozen zal worden
toegedeeld aan een aantal aan te wijzen gemeenten. Daklozen
zonder adres krijgen hierdoor meer mogelijkheden om hun recht op bijstand
te effectueren.
rblz.|2|
Verder is uit een
inventarisatie van gemeentelijke verordeningen over het toeslagenbeleid
gebleken dat niet altijd een anticumulatiebepaling in de verordeningen is
opgenomen. Dit kan ertoe leiden dat de verlagingsmogelijkheid voor jongeren van
21-22
jaar [jongeren van 21 en van 22 jaar, red.] en die voor schoolverlaters kunnen cumuleren, hetgeen tot ongewenste effecten kan leiden. Met een
anticumulatiebepaling
wordt dit voorkomen.
Bovengenoemde maatregelen
vragen om een aanpassing van de Abw. Met onderhavig
wetsvoorstel wordt hierin voorzien. Achtereenvolgens worden de volgende
onderwerpen toegelicht.
a. Aparte uitkeringsnorm
voor personen van 65 jaar of ouder.
b. Cliëntenparticipatie.
c. Bijstand aan daklozen.
d.
Anticumulatieverlagingen toeslagenbeleid.
2. Aparte uitkeringsnorm
voor personen van 65 jaar of ouder
Vanaf 1995 hebben ouderen
met een inkomen in de eerste belastingschijf een fiscaal voordeel.
Door deze zogenoemde ouderenaftrek valt het netto-AOW-pensioen hoger
uit. Per 1 januari 1997 is op grond van de Armoedenota een aparte
fiscale aftrek voor alleenstaande ouderen ingevoerd. Naar
aanleiding van de Voortgangsnota is de voorgenomen verhoging van zowel de
algemene als de alleenstaandeouderenaftrek vervroegd naar 1 oktober
1997.
Doordat de bijstand netto
aanvult tot het relevante sociaal minimum, profiteren
bijstandsgerechtigde ouderen met een onvolledige AOW op dit moment niet van deze
fiscale maatregelen voor ouderen. Hierdoor ontstaan forse
verschillen tussen het AOW-niveau en de bijstandsuitkering, die kunnen oplopen tot
circa ƒ1000,- per jaar voor een echtpaar. Gezien de financiële
problemen van ouderen met een inkomen rond het sociaal minimum (zoals
die ook staan beschreven in de recente publicatie van het SCP [Sociaal
en Cultureel Planbureau, red.]: Ouderen
1996), vindt het kabinet dat ook ouderen in de bijstand moeten
profiteren van het volledige effect van bovengenoemde fiscale maatregelen.
Ouderen in de bijstand
zijn ouderen die onvoldoende AOW-rechten hebben opgebouwd door,
onder andere, verblijf in het buitenland. Indien er naast de AOW-uitkering
dan geen of onvoldoende aanvullend pensioen is, wordt de
AOW-uitkering van deze ouderen via de bijstand aangevuld tot het relevante
sociaal minimum. Van de 2,2 miljoen AOW-gerechtigden hebben circa 200 000
ouderen een gekort pensioen. Hiervan woont de helft in Nederland en
daarvan hebben 13 500 personen een zodanig laag inkomen dat zij
aanvullende bijstand ontvangen. Het betreft voor een deel allochtone ouderen
(Turken, Marokkanen, Surinamers en Antillianen). Uit gegevens van de Sociale
Verzekeringsbank blijkt dat alle pensioengerechtigde Turken en Marokkanen in
Nederland (3300) een gekort AOW-pensioen ontvangen.
Ten aanzien van de
vormgeving van de ouderennorm is gekozen voor aansluiting bij het AOW-niveau. Het kabinet vindt dit aanvaardbaar omdat de AOW de
basisvoorziening is voor 65-plussers. De normbedragen voor echtparen, alleenstaande
ouders en alleenstaanden zijn gelijk aan de netto-AOW-uitkering voor de betreffende groepen. Dit heeft tot gevolg dat de
100-70-50-verhouding
zoals die voor personen vanaf 21 jaar geldt, niet langer van toepassing is
op ouderen. Aansluiting bij het netto-AOW-niveau houdt in dat het gemeentelijk toeslagen- en
verlagingenbeleid niet
langer van toepassing is
op ouderen. Dit leidt ertoe dat ook alleenstaande 65-plussers die bij hun
kinderen inwonen een uitkering op het niveau van de AOW-ontvangen (op
grond van het gemeentelijk toeslagenbeleid rblz.|3|
kunnen deze ouderen nu
voor een lagere toeslag dan 20 procent in aanmerking komen).
De norm voor gehuwden
waarvan de ene echtgenoot 65 jaar of ouder is en de andere echtgenoot
jonger is dan 65 jaar is eveneens afgeleid van het AOW-niveau. Indien
voor beide echtelieden de toepasselijke norm voor een alleenstaande
bij elkaar geteld zou worden (zoals dat bij de jongerennorm het geval
is), zou deze hoger uitkomen dan de AOW-uitkering. Dit is
uitdrukkelijk niet de bedoeling van het kabinet.
Om te bewerkstelligen dat
de hogere ouderennormen doorwerken naar de beslagvrije voet,
wordt het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering aangepast. Daarmee wordt
de beslagvrije voet voor ouderen materieel verhoogd.
Met betrekking tot de
kwijtschelding van belastingen zal de Uitvoeringsregeling
Invorderingswet 1990 eveneens worden aangepast (een concept is als bijlage bij deze
memorie gevoegd). Dit werkt door naar het kwijtscheldingsbeleid
voor lokale heffingen. Ouderen zullen hierdoor eerder in aanmerking
komen voor kwijtschelding.
3. Cliëntenparticipatie
Een belangrijke uitkomst
van de Sociale Conferentie van oktober 1996 is dat er meer en beter moet
worden geluisterd naar de cliënten zelf en hun vertegenwoordigers. Dit
komt de kwaliteit van de beleidsvoorbereiding en -uitvoering ten goede.
Ook de Tweede Kamer heeft in een motie van de leden Bakker en Noorman-Den Uyl gevraagd te bevorderen dat op gemeentelijk niveau de
deelname van uitkeringsgerechtigden bij het beleid wordt gewaarborgd (Kamerstukken II
1995-1996, 24 515, nr. 13).
Het kabinet heeft in de
Voortgangsnota aangegeven aan de wens van de Sociale Conferentie
tegemoet te willen komen. Nu gemeenten de afgelopen jaren op
meerdere onderdelen van het bijstandsbeleid (bijzondere bijstand,
toeslagen en incentives) grotere bevoegdheden hebben gekregen, is het
van belang dat ook op lokaal niveau cliënten nauwer bij het
bijstandsbeleid worden betrokken. Dit sluit mede aan bij het proces van
bestuurlijke vernieuwing waarin burgers en organisaties zo vroeg mogelijk worden
geconsulteerd bij het ontwerpen van beleid. Onderzoek van het
departement naar cliëntenparticipatie in de praktijk geeft een wisselend beeld
te zien. Vertaald naar landelijk niveau bestaat er naar schatting in 142
gemeenten een vorm van cliëntenparticipatie. Hoe groter een gemeente, des
te vaker is sprake van cliëntenparticipatie.
Het kabinet stelt een
verantwoordingsplicht van gemeenten voor, waarbij deze in
beleidsplannen en -verslagen aangeven hoe ze de inspraak van
uitkeringsgerechtigden hebben geregeld. Gezien de verschillen die er tussen
gemeenten zijn op het terrein van cliëntenparticipatie is het niet gewenst de
beoogde vormen van participatie in detail voor te schrijven.
De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de
landelijke
organisaties van uitkeringsgerechtigden zijn evenmin voorstander van
een gedetailleerde regeling.
Gemeenten dienen in hun
beleidsplan aan te geven op welke wijze invulling is gegeven aan
artikel 150 van de Gemeentewet
voor zover het gaat om het terrein van
de Algemene bijstandswet. In het beleidsplan kan onder meer worden
aangegeven: de wijze waarop inspraak wordt verleend, de wijze waarop
openbaarheid van beleidsvoorbereiding plaatsvindt, de wijze
waarop cliënten worden voorgelicht, welke initiatieven ondernomen worden om
cliënten meer bij het beleid te betrekken en dergelijke.
De wijze waarop
cliëntenparticipatie wordt bevorderd en vormgegeven, is een zaak van de
gemeente zelf. Van belang is dat bijstandsgerechtigden voldoende mogelijkheden
hebben om invloed uit te oefenen op het rblz.|4|
beleid. De gemeente
draagt zorg voor de facilitaire zaken die naar haar oordeel nodig zijn. Met
het beleidsplan respectievelijk beleidsverslag verantwoorden
burgemeester en wethouders zich ten opzichte van de gemeenteraad over de
bevordering en vormgeving van cliëntenparticipatie.
Het kabinet zal de
komende periode in overleg met de landelijke cliëntenorganisaties,
VNG en de Vereniging van directeuren van overheidsorganen voor
sociale arbeid (Divosa) de ontwikkeling van cliëntenparticipatie op
gemeentelijk niveau volgen en stimuleren. De voorgestelde
verantwoordingsplicht is in dit licht een impuls. Uiterlijk vier jaar na inwerkingtreding
van de nieuwe bepaling zal worden bezien of de voorgestelde planverplichting moet worden voortgezet dan wel kan
worden ingetrokken.
4. Bijstand aan daklozen
Uit een onderzoek naar de
bijstandverlening aan dak- en thuislozen is gebleken dat zich
knelpunten voordoen ten aanzien van de groep daklozen zonder adres ("Bijstand
zonder dak of thuis", Regioplan, juli 1997). De hier bedoelde daklozen maken
geen gebruik van sociale pensions, internaten of andere opvangvoorzieningen en leiden een zwervend bestaan. Ze
verblijven steeds op
wisselende plekken: in opvangcentra of op straat. Ze ontvangen geen bijstand
omdat wegens het ontbreken van een adres hun domicilie niet valt vast
te stellen. Uit het genoemde onderzoek blijkt dat sommige gemeenten aan
deze zwervers een zogenoemde daggelduitkering verstrekken. Het
domicilieprobleem doet zich niet voor bij de daklozen die het adres
gebruiken van familie, vrienden of van een opvanginstelling.
Het kabinet wil met deze
wetswijziging de groep daklozen zonder adres (zwervers) de
mogelijkheid bieden om hun recht op bijstand te effectueren. Bij algemene maatregel
van bestuur [zie Bijstandsbesluit adreslozen, red.]
wordt een aantal gemeenten, bij uitzondering van alle
andere gemeenten, aangewezen om de bijstandverlening aan daklozen zonder
adres
te verzorgen. De aan te wijzen gemeenten zijn de
gemeenten die op grond van de Welzijnswet
1994 zullen worden aangewezen in het
kader van de maatschappelijke opvang.
Om verificatie van het
recht op bijstand mogelijk te maken, wordt aan de bijstandverlening aan
daklozen zonder adres de verplichting verbonden dat deze aangifte doen
van een door burgemeester en wethouders ter beschikking gesteld
briefadres (bijvoorbeeld het adres van de sociale dienst). Hiermee wordt
aangesloten bij het in de Wet
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (Wet GBA)
gedefinieerde briefadres.
De nu voorgestelde
wijziging ziet uitsluitend op diegenen die vanwege het ontbreken van een
adres hun recht op bijstand niet kunnen effectueren. Indien de belanghebbende
aangifte doet van een ander adres dan het door burgemeester en
wethouders ter beschikking gestelde briefadres, kan hij
geacht worden aldaar woonplaats te houden. Dit geldt derhalve eveneens voor
een dakloze met een briefadres bij een familielid, vrienden of een
opvanginstelling. Deze daklozen kunnen nu reeds hun recht op bijstand te
gelde maken.
De voorgestelde
wetswijziging beoogt een oplossing te bieden voor knelpunten in de
bijstandverlening aan daklozen zonder adres. Andere knelpunten ten aanzien
van de bijstand aan dak- en thuislozen en beleidsoplossingen
daarvoor komen aan de orde in de Integrale nota Maatschappelijke Opvang
die de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in
oktober aan de Tweede Kamer heeft aangeboden.
rblz.|5|
5. Anticumulatiebepaling
In de uitvoeringspraktijk
is gebleken dat ongeveer de helft van de gemeenten in hun
verordening over het toeslagenbeleid een anticumulatieregeling
heeft opgenomen. Daarmee wordt voorkomen dat de verschillende
verlagingsmogelijkheden cumuleren. Vooral voor de 21-22 jarige [de 21-
en de 22-jarige, red.] schoolverlaters speelt deze cumulatie van verlagingen een rol. Indien gemeenten
voor beide categorieën een verlaging van de toeslag of de norm
hanteren en geen anticumulatiebepaling in de verordening hebben, dan
betekent dit voor betrokkenen dat beide verlagingen op de toeslag
of de norm worden toegepast. Dit kan tot ongewenste effecten
leiden. In dit wetsvoorstel wordt geregeld dat gemeenten in hun
verordening een anticumulatiebepaling dienen op te nemen voor genoemde
categorieën.
6. Financiële aspecten
De kosten van de
verhoging van de norm voor belanghebbenden van 65 jaar of ouder bedragen
circa ƒ12 miljoen. Dit bedrag is in de begroting 1998 verwerkt.
De maatregel voor
daklozen strekt ertoe dat deze groep beter in staat wordt gesteld het recht
op bijstand te effectueren. Aangezien er geen zicht bestaat op het aantal
daggelduitkeringen dat momenteel wordt verstrekt en niet goed kan worden
ingeschat hoeveel personen van de voorgestelde maatregel gebruik zullen gaan maken, zijn geen budgettaire effecten
geraamd. In overleg met
VNG en Divosa wordt nog bezien of een additionele compensatie
voor invoeringskosten noodzakelijk is.
Artikelsgewijs
Artikel I
Onderdeel A
Artikel 30 wordt
uitgebreid met de normbedragen voor belanghebbenden van 65 jaar of ouder.
Voor de hoogte van deze bedragen is aangesloten bij de netto-AOW-bedragen, waarbij rekening is gehouden met de op de AOW-bedragen
ingehouden loonheffing en de van toepassing zijnde
ouderenaftrek.
Onderdelen
B, C en D
Voor belanghebbenden
ouder dan 65 jaar [van 65 jaar of ouder, red.] is de hoogte van de uitkering gegarandeerd op het
netto-AOW-niveau.
Onderdeel E
Aan de bestaande regels
omtrent de verlaging van bijstandsnormen of toeslagen
wordt er één
toegevoegd, namelijk de noncumulatie van de verlaging voor
schoolverlaters ingevolge artikel 36, eerste lid, en de verlaging voor 21- of
22-jarigen ingevolge artikel 37, eerste lid, waarbij naar het oordeel van
burgemeester en wethouders de hoogte van de normale toeslag een
belemmering kan vormen voor de aanvaarding van arbeid.
Onderdelen F en
G [zie art.
I, onderdeel G en H, van de
wet, red.]
Ten aanzien van de
aanpassing van de bedragen, genoemd in artikel 30, tweede lid, kan niet
worden aangesloten bij het nettominimumloon rblz.|6|
omdat daarbij geen
rekening wordt gehouden met de ouderenaftrek. In dit nieuwe indexeringsartikel
wordt derhalve aangesloten bij de AOW-bedragen, verminderd
met de daarover verschuldigde loonheffing en procentuele premie op
grond van de Ziekenfondswet.
Onderdeel H [zie
art. I, onderdeel I, van de
wet, red.]
Ingevolge
artikel 63,
derde lid, kan bij algemene maatregel van bestuur [zie Bijstandsbesluit
adreslozen, red.] worden bepaald dat de
bijstand aan een belanghebbende die bij aanvraag zonder adres is als
bedoeld in artikel 1 van de Wet
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (Wet GBA) bijstand wordt verleend door burgemeester en
wethouders van bij die maatregel aan te wijzen gemeenten.
In de voorgestelde
bepaling is opgenomen dat het moet gaan om "een belanghebbende zonder
adres als bedoeld in artikel 1 van de Wet
GBA". De bedoelde belanghebbende
beschikt derhalve niet over:
- een adres waar hij
woont, waaronder begrepen het adres van een woning die zich in een
voertuig of vaartuig bevindt, indien het voertuig of vaartuig een vaste stand-
of ligplaats heeft, of, indien betrokkene op meer dan één adres woont, het
adres waar hij naar redelijke verwachting gedurende een halfjaar
de meeste malen zal overnachten; of
- een adres waar hij,
bij het ontbreken van een adres als hiervoor aangegeven, naar
redelijke verwachting gedurende drie maanden ten minste twee derde van de
tijd zal overnachten; of
- een adres waar voor
hem bestemde geschriften in ontvangst worden genomen en waar, indien
daartoe grond bestaat, zorg wordt gedragen dat geschriften of
inlichtingen daarover de belanghebbende bereiken.
Voor wat betreft de
aanwijzing van gemeenten die met de bijstandverlening worden belast, wordt
verwezen naar het algemene deel van deze toelichting.
Onderdeel I [zie
art. I, onderdeel K, van de
wet, red.]
In het voorgestelde
artikel 110a is dwingend voorgeschreven dat burgemeester en wethouders
van de gemeente die bijstand verlenen aan de belanghebbende zonder
adres als bedoeld in artikel 1 van de Wet
GBA, aan die bijstand de
verplichting verbinden dat die belanghebbende aangifte doet van een
door hen ter beschikking gesteld briefadres als bedoeld in artikel 1 van
de Wet
GBA. Bij dit briefadres gaat het om het adres waar voor
betrokkene bestemde geschriften in ontvangst worden genomen en waar, indien
daartoe grond bestaat, zorg wordt gedragen dat geschriften of
inlichtingen daarover betrokkene bereiken.
Voor wat betreft de
bijzondere verplichtingen die ter zake van de aangifte en het houden
van een briefadres gelden, wordt verwezen naar artikel 70 van de Wet
GBA.
Onderdeel J [zie
art. I, onderdeel L, van de
wet, red.]
Voor dit onderdeel wordt
verwezen naar paragraaf 3 van de algemene toelichting.
Artikelen
II, III,
IV en
V
Deze artikelen betreffen
de wijzigingen in het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, de Wet
op het consumentenkrediet, de Huursubsidiewet
en de Wet op de
rechtsbijstand die voortvloeien uit de uitbreiding van rblz.|7|
artikel 30 van de
Algemene bijstandswet met de normbedragen voor belanghebbenden van 65
jaar of ouder.
Artikel VI
In
het voorliggende
voorstel zijn de (norm)bedragen afgeleid van de bijstandsnormen en
-bedragen zoals die per 1 juli 1997 zouden gelden. Bij inwerkingtreding van
deze
wet dienen deze bedragen overeenkomstig de indexeringsregels te
worden aangepast. Daartoe strekt de hier opgenomen
overgangsbepaling.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
rblz.|8|
BIJLAGE
Concept-wijziging
van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990
De Staatssecretaris van
Financiën;
Gelet op artikel 26 van de Invorderingswet
1990;
Besluit:
Art. I.
Artikel 16 van de Uitvoeringsregeling
Invorderingswet 1990 ¹ wordt
gewijzigd als volgt:
1. Onder nummering van de bestaande tekst als eerste lid wordt in onderdeel
a "artikel 30,
onderdeel c" telkens vervangen door: artikel 30, eerste lid, onderdeel
c.
2. In onderdeel b van de
als eerste lid genummerde bestaande tekst wordt "artikel 30,
onderdeel a onderscheidenlijk onderdeel b" vervangen door: artikel 30, eerste
lid, onderdeel a onderscheidenlijk onderdeel b.
3. Aan het artikel wordt
toegevoegd:
-2. De kosten van bestaan,
bedoeld in artikel 13, eerste lid, bedragen, in afwijking van het eerste
lid, voor belastingschuldigen die worden aangemerkt als:
a. echtgenoten als
bedoeld in artikel 3 van de Algemene
bijstandswet die 65 jaar of ouder
zijn, onderscheidenlijk waarvan één echtgenoot 65 jaar of ouder is en de
andere echtgenoot 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar is: 90 percent
van de bijstandsnorm, genoemd in artikel 30, tweede lid, onderdeel
c onderscheidenlijk onderdeel
d, van de Algemene
bijstandswet;
b. een alleenstaande en
een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 4, onderdeel
a
onderscheidenlijk onderdeel b, van de Algemene
bijstandswet die 65 jaar
of ouder zijn: 90 percent van de bijstandsnorm, genoemd in artikel
30,
tweede lid, onderdeel a onderscheidenlijk onderdeel b, van de
Algemene
bijstandswet.
1. Stcrt. 1990, 103;
laatstelijk gewijzigd bij de Regeling van 29 mei 1997, nr. WDB97/213M, Stcrt.
1997, 100.
Art. II.
De kosten van bestaan,
bedoeld in de artikel 12, tweede lid, onderdeel d, van de Uitvoeringsregeling
Invorderingswet 1990 en 13, eerste lid, van die
regeling, bedragen, in afwijking van artikel 16 van die
regeling, voor het
tijdvak dat aanvangt op 1 januari 1998 en eindigt op de dag voorafgaand aan de
dag van inwerkingtreding van artikel I van deze
regeling, voor
belastingschuldigen die worden aangemerkt als:
a. echtgenoten als
bedoeld in artikel 3 van de Algemene
bijstandswet die 65 jaar of ouder
zijn, onderscheidenlijk waarvan één echtgenoot 65 jaar of ouder is en de
andere echtgenoot 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar is: 90 percent
van ƒ2030,90, onderscheidenlijk ƒ2009,47;
b. een alleenstaande en
een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 4, onderdeel
a,
onderscheidenlijk onderdeel b, van de Algemene
bijstandswet die 65 jaar
of ouder zijn: 90 percent van ƒ1423,70, onderscheidenlijk ƒ1823,21.
Art. III.
Deze regeling treedt in
werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de
Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, met dien verstande dat:
a. artikel I in werking
treedt op het tijdstip waarop de Wet tot wijziging van de Algemene
bijstandswet in verband met de voortgang van de bestrijding van armoede
en sociale uitsluiting in werking treedt;
rblz.|9|
b. artikel II in werking
treedt met ingang van 1 januari 1998.
Deze regeling zal met de
toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Staatssecretaris van
Financiën,
W.A.F.G. Vermeend.
rblz.|10|
TOELICHTING
In
het wetsvoorstel wijziging van de Algemene bijstandswet in verband met
de voortgang van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting wordt
een aparte bijstandsnorm
voor ouderen voorgesteld. Door deze norm wordt het sociaal
minimum voor ouderen op het niveau van de netto-AOW gesteld. De netto-AOW is thans hoger dan de
nettobijstand
omdat voor ouderen in de
loon- en inkomstenbelasting een ouderenaftrek en soms een aanvullende
ouderenaftrek geldt. In de memorie van toelichting bij dit wetsvoorstel is aangegeven dat
- zoals eerder toegezegd; Kamerstukken II 1996-1997, 25 346, nr. 5 - ook de kwijtscheldingsregeling in de
Uitvoeringsregeling
Invorderingswet 1990 wordt aangepast aan de aparte uitkeringsnorm voor
personen van 65 jaar en ouder. De aansluiting van de kwijtscheldingsregeling
bij de bijstandsnormen blijft op deze wijze in stand. De aanpassing
voorkomt dat de koopkrachtverbeteringen als gevolg van de
ouderenaftrek voor ouderen in de kwijtscheldingssfeer worden teruggenomen. Dit
wordt bereikt met de in artikel I opgenomen aanpassing.
Artikel I van
deze regeling treedt in werking op het moment dat de Wet tot wijziging
van de algemene bijstandswet in verband met de voortgang van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting in
werking treedt.
Gegeven de omvang van de
bedragen van de ouderenaftrek en de aanvullende ouderenaftrek
per 1 januari 1998 en omdat op dat moment het
eerder genoemde
wetsvoorstel het Staatsblad naar verwachting nog niet zal hebben bereikt,
wordt, vooruitlopend op het opnemen van een ouderennorm in de Algemene
bijstandswet, in artikel II een overgangsregeling opgenomen. Deze
overgangsregeling geeft een tijdelijke ouderennorm voor de
kwijtscheldingsregeling, gebaseerd op het niveau van de netto-AOW per 1
januari 1998 (de concept-tekst vermeldt nog de netto-AOW naar de stand
van 1 juli 1997).
De Staatssecretaris van
Financiën,
W.A.F.G. Vermeend.
|