|
rblz.|1|
Kamerstukken II
1997-1998, 25 617
Wijziging
van de Werkloosheidswet,
houdende onder meer verlenging van de periode gedurende welke de
uitkeringen ten laste van een wachtgeldfonds komen
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Arbeidsmarkteffecten |
| 3 |
Premievaststelling en
lastenplafonds |
| 4 |
Sectorale
wachtgeldfondsen |
| 5 |
Financiële effecten |
| 5.1 |
Inleiding |
| 5.2 |
Premie-effecten 1998 |
| 6 |
Uitvoeringsaspecten |
|
xArtikelsgewijs |
| xxv |
Artikel
I |
Algemeen
1.
Inleiding
Het
kabinetsbeleid is erop gericht het beroep op de sociale zekerheid terug
te dringen. Eén van de lijnen waarlangs deze doelstelling nagestreefd
wordt, is een herverdeling van de verantwoordelijkheden in de sociale zekerheid. De
gedachte hierbij is dat als de kosten in principe daar worden neergelegd
waar ze worden veroorzaakt, dit een prikkel geeft om mensen niet onnodig
(lang) een beroep te laten doen op de sociale zekerheid.
De lijn waarlangs dit kan
worden gerealiseerd, is verruiming van het financieel belang in de
financiering. Deze beleidslijn heeft ten grondslag gelegen aan de
wijzigingen in de Ziektewet (Wulbz) en de WAO
(Pemba). Ook bij de verlenging van
de wachtgeldperiode van acht naar dertien weken, per 1 januari 1996, speelde deze beleidslijn een rol.
Met dit wetsvoorstel
wordt in de Werkloosheidswet (WW) een verdere herschikking van de
(financiële) verantwoordelijkheid voor de eerste periode van
ontslagwerkloosheid tot stand gebracht.
De verlenging van de
wachtgeldperiode leidt ertoe dat sectoren zelf de kosten van het eerste
halfjaar van ontslagwerkloosheid zullen dragen. Per 1 januari 1998 zal in het
kader van de Pemba de wachtgeldpremieplicht geheel overgaan op de
werkgever. Daarmee worden de uitkeringslasten van het eerste halfjaar
WW die ontstaan uit de sectorspecifieke werkloosheidsontwikkeling ook neergelegd bij
bedrijven in de specifieke sectoren, waardoor deze een groter
belang krijgen om werklozen in de eigen sector aan de slag te helpen.
De verlenging van de
wachtgeldperiode betekent in feite een versterking van de reeds
bestaande premiedifferentiatie op sectoraal niveau. Daarnaast is er
vergeleken met de situatie vóór 1 maart 1997 sprake van een toename
van het aantal sectorale wachtgeldfondsen. Dit betekent op zich ook een
verlaging van het vereveningsniveau van de werkloosheidslasten
binnen de wachtgeldverzekering.
rblz.|2|
De verlenging van de
wachtgeldperiode leidt tot mutaties in de vermogenspositie van het
Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf) en de wachtgeldfondsen. Met de
verlenging van de wachtgeldperiode treedt een verschuiving van lasten
van het AWf op naar de wachtgeldfondsen. De lasten van het AWf
verminderen en de lasten van de wachtgeldfondsen nemen navenant toe.
Vanwege de verschillende vermogensposities - de wachtgeldfondsen hebben
een gezamenlijk vermogensoverschot, het AWf heeft een vermogenstekort - kan het
vermogenstekort van het AWf worden ingelopen zonder
dat dit direct hoeft te leiden tot een navenante stijging van de
wachtgeldpremies.
In
dit wetsvoorstel wordt
een drietal onderwerpen geregeld.
1. De wachtgeldperiode
wordt verlengd van dertien weken tot zes maanden. Daarmee sluit de
wachtgeldperiode precies aan bij de duur van de kortdurende uitkering en
de loongerelateerde uitkering wanneer voldaan wordt aan de
minimumarbeidsverledeneis.
2. De vaststelling van de
lastenplafonds door het Lisv [Landelijk
instituut sociale verzekeringen, red.] wordt onderworpen aan de goedkeuring door
de minister. De vaststelling van de wachtgeldpremie is
gekoppeld aan een bepaalde berekeningssystematiek. De wachtgeldpremies zijn
onder meer gebonden aan bepaalde plafonds. De verlenging van de wachtgeldpremie leidt er enerzijds toe dat de
berekeningssystematiek
aangepast moet worden, anderzijds dat de vaststelling van het
wachtgeldlastenplafond een meer beleidsmatig karakter krijgt.
3. Ten slotte wordt
bepaald dat het Lisv voor een sector als bedoeld in de Organisatiewet sociale
verzekeringen 1997 een wachtgeldfonds instelt.
In
hoofdstuk 2 zal worden
ingegaan op motieven voor de verlenging van de wachtgeldperiode. In hoofdstuk
3 wordt ingegaan op de lastenplafonds en in hoofdstuk 4 op de
instelling van wachtgeldfondsen. In hoofdstuk 5 worden de financiële
gevolgen geschetst van de verlenging van de wachtgeldperiode. Het
gaat dan met name om de effecten op premies, loonkosten en de
lastenplafonds op sectorniveau.
In hoofdstuk 6 ten slotte
komen de uitvoeringstechnische aspecten aan de orde.
2. Arbeidsmarkteffecten
Door de verlenging van de
wachtgeldperiode tot een halfjaar komen de kosten van de kortdurende ontslagwerkloosheid volledig voor rekening
van de sector de eerste
zes maanden
WW-uitkering volledig voor rekening van de sector [lees: Door de verlenging van de
wachtgeldperiode tot een halfjaar komen de kosten van de kortdurende ontslagwerkloosheid volledig voor rekening
van de sector, red.].
Daarmee komt helder de
sectorale verantwoordelijkheid voor de beginperiode van
werkloosheid naar voren, wanneer de banden tussen werkzoekende en de sector
nog relatief sterk zijn. In de beginfase van werkloosheid bestaan voor
de werkzoekende derhalve de beste kansen op nieuw emplooi binnen
dezelfde sector. Omdat ook werkgevers in de sector een groter belang
krijgen om werkzoekende
WW-ers aan werk te helpen, wordt een
positieve uitwerking op de premielasten verwacht die het mogelijke nadelige
effect van mogelijk verminderde mobiliteit tussen sectoren door de
verlenging van de wachtgeldperiode ruimschoots overtreffen.
Integratie sectoraal
arbeidsmarktbeleid en volumebeleid sociale zekerheid
Teneinde een optimale
reïntegratie van werklozen in het arbeidsproces te realiseren, is
samenwerking tussen alle betrokken actoren bij dit proces een noodzakelijke
voorwaarde. Het gaat dan om samenwerking tussen sociale partners c.q.
sectorraden, uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen en de Arbeidsvoorziening.
Zoals ook de Sociaal-Economische Raad rblz.|3|
(SER) in zijn advies d.d.
20 juni 1997 Werken aan Zekerheid opmerkt, biedt verlenging van de
wachtgeldpremie een stimulans om op sectorniveau werklozen zo snel
mogelijk weer ¹ aan het werk te krijgen. Dit zal een stimulans zijn om het
arbeidsmarktbeleid dat op sectoraal niveau door sociale partners
wordt gevoerd te integreren met het volumebeleid in de sociale zekerheid.
Het loont nu immers meer om werklozen binnen de sector zo snel mogelijk te reïntegreren.
1. SER-advies Werken aan
Zekerheid, Den Haag 1997, ter inzage gelegd bij de
afdeling Parlementaire Documentatie.
SER-advies
Het kabinet heeft op 29
april jl. over het wetsvoorstel advies gevraagd aan de
SER (kenmerk SV/AVF/97/1755).
Met genoegen kan worden geconstateerd dat de SER
positief staat tegenover verlenging van de wachtgeldperiode. De SER
geeft wel aan dat geleidelijkheid en maatwerk bij de invoering daarbij
de trefwoorden zijn. Zoals in het volgende hoofdstuk uitvoeriger zal
worden betoogd, geeft dit wetsvoorstel de ruimte om door een
beleidsmatiger inzet van het instrument lastenplafond maatwerk te leveren en
geleidelijkheid te betrachten waar dat nodig is.
De
SER gaat in zijn
advies ook in op de arbeidsmarkteffecten en legt een verband met de
werktijdverkortingsregeling.
De wtv-regeling verruimd
moet worden [?, red.]. De SER merkt in zijn advies Werken aan Zekerheid
op dat aan een mogelijke verruiming van de wtv-regeling voor- en
nadelen zitten, waarbij de nadelen vooral zitten in de afwenteling van
bedrijfsrisico’s op het collectief. De Raad geeft aan dat de nadelen worden
verminderd wanneer de wtv-regeling wordt ingebed in het sectoraal
werkgelegenheidsbeleid en de financiering primair vanuit de sector plaatsvindt,
dan wel vanuit het sectorale wachtgeldfonds wordt gefinancierd. De Raad
merkt op dat verlenging van de wachtgeldperiode de bezwaren die
samenhangen met een verruiming van de wtv-regeling vermindert.
3. Premievaststelling en
lastenplafonds
De premievaststelling van
de wachtgeldpremie geschiedt momenteel door het Lisv. De rol van
de overheid beperkt zich tot op heden tot het geven van regels ten
aanzien van de premievaststelling. Deze zijn vastgelegd in het Besluit
premievaststelling en reservevorming wachtgeldfondsen. De
premievaststelling voor de wachtgeldfondsen wordt in principe
gebaseerd op de lasten voor de wachtgeldfondsen. De lasten van het wachtgeldfonds worden gelimiteerd door de lastenplafonds.
Wanneer het
lastenpercentage boven het lastenplafond uitkomt, worden de lasten boven
het plafond overgenomen door het AWf. De lastenplafonds worden
momenteel beleidsmatig vastgesteld door het Lisv.
De lastenplafonds zijn
gebaseerd op het uitgangspunt dat al te grote schommelingen in de
premiestelling moeten worden voorkomen. Uitgangspunt bij de
bepaling van de hoogte van de lastenplafonds is het niveau van de
frictiewerkloosheid. Dit is het werkloosheidsniveau dat onvermijdelijk gepaard
gaat met mobiliteit op de arbeidsmarkt. Dit is bepaald op 3%. Daarnaast
geldt er per sector een opslag variërend van 01,5% [0 tot 1,5%, red.]
afhankelijk van de
conjunctuurgevoeligheid van de sector. Lasten die voortvloeien uit een
algehele periode van laagconjunctuur, dan wel structurele neergang,
moeten voor zover ze de draagkracht van de sector te boven gaan, verevend
kunnen worden met het AWf. Het is niet de bedoeling dat de sector
door te hoge wachtgeldlasten in een neerwaartse spiraal terechtkomt.
Zonder nadere wijzigingen
kan een verlenging van de wachtgeldperiode leiden tot overschrijding
van de vastgestelde lastenplafonds. Daarmee zou het beoogde effect van de
verlenging, namelijk het neerleggen van de rblz.|4|
kosten in de sector die
de lasten veroorzaakt deels teniet worden gedaan. Daarom zal het Lisv de
lastenplafonds per sector opnieuw moeten vaststellen. Uitgangspunt
bij de vaststelling dient te zijn dat de sector zoveel mogelijk zijn
eigen wachtgeldlasten draagt.
Aan het Lisv (kenmerk SV/AVF/97/1787)
is op 1 mei 1997 gevraagd een advies uit te brengen
over de vaststelling van de hoogte van de lastenplafonds. Het Lisv heeft in
zijn advies d.d. 20 juni (kenmerk IB/AV/12287) gewezen op de gevolgen
van de samenloop van de invoering van een franchise in de wachtgeldpremieheffing en de verlenging van de
wachtgeldperiode. De
constatering van het Lisv dat de invoering van de franchises in enkele
sectoren kan leiden tot forse marginale premies is juist. Het kabinet heeft,
zoals later uitgebreider aan de orde zal komen, met het oog op deze
gevolgen gekozen voor een beleidsmatiger inzet van het lastenplafond.
Daar waar de invoering
van de franchise tot extreme premiegevolgen leidt, bestaat de
mogelijkheid om via het instrument van het lastenplafond deze gevolgen te
mitigeren.
De verlenging van de
wachtgeldperiode alsmede het aantal wachtgeldfondsen dat is ontstaan, zal
ertoe leiden dat de kans op overschrijding van wachtgeldlastenplafonds
toeneemt. Daarmee zal, vaker dan nu het geval is, de vraag opkomen in
hoeverre lastenverevening met het AWf beleidsmatig wenselijk
is. Bij het bepalen van de aanvaardbare lasten voor een sector moet
gekeken worden naar de werkgelegenheidseffecten en naar de positie van
het midden- en kleinbedrijf. Daarbij komt dat door de introductie van
franchises in de wachtgeldpremieheffing bepaalde categorieën laagbetaalde
arbeid en deeltijdarbeid goedkoper worden, maar dat dit, zoals ook
de SER signaleert, ten koste gaat van een hoge marginale wig op andere
categorieën arbeid. Daarmee wordt het lastenplafond meer dan
tot nu toe het geval was een beleidsinstrument.
Vanuit zijn
verantwoordelijkheid als Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor
koopkracht, lastenontwikkeling en werkgelegenheid is het wenselijk dat de
minister invloed kan uitoefenen op de wachtgeldpremieontwikkeling.
De minister ontbeert op dit moment een instrument om direct
invloed te hebben op de lastenontwikkeling van de wachtgeldfondsen.
De meest directe weg zou
zijn om analoog aan de regels ten aanzien van de vaststelling van
de AWf premie de vaststelling van de wachtgeldpremies ook aan het vereiste van
goedkeuring door de minister te onderwerpen. Dit wordt
echter als een te grote ingreep in de beleidsvrijheid van het Lisv
gezien en
niet passen in de verantwoordelijkheidsverdeling tussen minister en Lisv.
In het wetsvoorstel wordt
geregeld dat de vaststelling van het lastenplafond jaarlijks dient te
geschieden en ter goedkeuring aan de minister is onderworpen. Jaarlijks
dienen bij de vaststelling van de wachtgeldpremies de lastenplafonds tegen
het licht gehouden te worden. De procedure wordt dan zo vormgegeven dat de minister zich jaarlijks kan
uitspreken over de
lastenplafonds.
Op deze manier kunnen de
gevolgen van de invoering van de verlenging van de
wachtgeldperiode ook meer gespreid worden in de tijd. Voor enkele sectoren die
mede als gevolg van de invoering van franchises met hoge premies worden
geconfronteerd, kan wellicht enige tijd worden gegeven om te wennen aan
het principe dat de sector zelf voor zijn eigen wachtgeldlasten moet
opdraaien. Door de vaststelling van de lastenplafonds over te laten aan het
Lisv en te onderwerpen aan het vereiste van goedkeuring door de minister wordt de procedure ook meer in lijn
gebracht met de procedure
die geldt voor de vaststelling van de AWf-premie. Indien de
minister zijn goedkeuring onthoudt aan het lastenplafondpercentage,
stelt hij zelf een nieuw percentage vast.
rblz.|5|
4. Sectorale
wachtgeldfondsen
Ten slotte worden in
dit
wetsvoorstel regels gesteld met betrekking tot de instelling van
wachtgeldfondsen in relatie tot de sectorindeling. Gegarandeerd moet in
ieder geval zijn dat juist ook met het oog op de verlenging van de
wachtgeldperiode wachtgeldfondsen gevormd worden met een voldoende
draagvlak in termen van premieplichtig inkomen.
Op grond van
artikel 51
van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 deelt de
minister
het bedrijfs- en beroepsleven in sectoren in, waarbij elke sector één
of meer takken van bedrijf of beroep of gedeelten daarvan omvat [zie Regeling
indeling van het bedrijfs- en beroepsleven in sectoren, red.]. Werkgevers
zijn op grond van artikel 52 van de Organisatiewet sociale
verzekeringen 1997 van rechtswege aangesloten bij de door de minister
vastgestelde sector waartoe de werkzaamheden behoren die hij als
werkgever doet verrichten.
Op grond van het
voorgestelde artikel 102, eerste lid, van de
Werkloosheidswet heeft
het Landelijk instituut sociale verzekeringen de bevoegdheid voor een
sector als bedoeld in artikel 51, eerste lid, van de
Organisatiewet sociale
verzekeringen 1997 een wachtgeldfonds in te stellen. De indeling van
het bedrijfs- en beroepsleven ten behoeve van de instelling van
wachtgeldfondsen door het Landelijk instituut sociale verzekeringen kan de
indeling in sectoren door de minister op grond van artikel 51 van de
Organisatiewet sociale verzekeringen niet doorkruisen. Laatstbedoelde indeling
is derhalve ook medebepalend voor de instelling van wachtgeldfondsen.
Als door economische
ontwikkelingen een sector langzamerhand leegloopt door
bedrijfsbeëindigingen en overschrijvingen van bedrijven, op grond van
verschuivende activiteiten, naar andere sectoren, dan kunnen sectoren fuseren.
In het verleden is het verschillende malen voorgekomen dat
bedrijfsverenigingen niet levensvatbaar meer bleken te zijn omdat het draagvlak
verdampte. Laatstelijk is dit bij de Bedrijfsvereniging Bakkers gebeurd. De
minister stelt de indeling van bedrijfs- en beroepsleven op en ook
eventuele wijzigingen daarin. De minister is voornemens voorstellen
van splitsing dan wel fusering van sectoren te toetsen op draagvlak voor
de wachtgeldlasten.
5. Financiële effecten
1. Inleiding
De verlenging van de
wachtgeldperiode leidt tot een verschuiving van lasten van het AWf naar
de wachtgeldfondsen. In dit hoofdstuk worden de premie-effecten
geschetst voor 1998. Daarnaast wordt gekeken in hoeverre de sectorale
lastenplafonds overschreden worden c.q. aanpassing behoeven. Ten slotte worden de loonkosten- en inkomenseffecten op
sectoraal niveau
geschetst. Verwacht mag worden dat van de verlenging van de wachtgeldperiode
een moeilijk kwantificeerbaar beperkt neerwaarts effect op de
WW-lasten uitgaat.
2. Premie-effecten 1998
Per 1 januari 1998 treden
twee veranderingen op. Ten eerste wordt er als onderdeel van de Pemba-wetgeving een franchise ingevoerd in de
wachtgeldpremieheffing.
Ten tweede wordt met dit wetsvoorstel de wachtgeldperiode
verlengd. De lastentoename als gevolg van de verlenging van de wachtgeldperiode bedraagt
ƒ500
miljoen.
rblz.|6|
Het
verlengen van de
wachtgeldperiode van de eerste dertien weken naar de eerste zes maanden betekent
dat de kosten van de kortdurende werkloosheid volledig
voor rekening van de sector komen. De effecten per sector zijn afhankelijk
van de omvang van de instroom in de
WW en het uitstroomprofiel van
ingestroomde WW-gerechtigden in die sector.
Het Lisv heeft op basis
van ramingen van de ontwikkeling in de WW voor het jaar 1998 per
sector doorgerekend wat de financiële effecten zijn van de verlenging van de
wachtgeldperiode. Het bedrag gemoeid met de totale lastenverschuiving
van AWf naar de wachtgeldfondsen komt in deze berekeningen uit op circa ƒ500 miljoen. Dit bedrag is inclusief administratiekosten. Deze
worden met een verdeelsleutel toegewezen aan de fondsen. Omdat het
gewicht van de wachtgeldfondsen toeneemt, wordt ook het aandeel van de
administratiekosten hoger en dus van het AWf-fonds lager.
Aangezien de
verwachtingen ten aanzien van de ontwikkeling van de conjunctuur en de daaruit
voortvloeiende ontwikkeling in de omvang van de macrowerkloosheid,
die aan deze berekeningen ten grondslag liggen, voor 1998 redelijk
positief zijn, kan de omvang van de verschuiving aanmerkelijk hoger uitvallen in jaren waarin sprake is van een minder
gunstige ontwikkeling van
de conjunctuur. Immers, veranderingen in het totaalvolume
werkloosheid werken het eerst door in het "verse"
WW-volume, zowel aan de
instroom- als aan de uitstroomkant van de WW.
Uit Lisv-berekeningen,
waarbij is uitgegaan van één wachtgeldfonds per sector (in de huidige
situatie zijn dat 60 wachtgeldfondsen), blijkt dat de lasten in de
wachtgeldfondsen gemiddeld met ruim 20% toenemen.
In de tabel zijn de
sectoren weergeven die de grootste wachtgeldlastentoename ondervinden. Dit zijn de
sectoren waar een relatief geringe uitstroom uit de WW
plaatsvindt van WW-gerechtigden met een duur tussen dertien en
zesentwintig weken.
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
Lastentoename |
Premiemutatie verlenging
wgf-periode na franchise (procentpunt) |
Lastenpercentage
1998 na franchise (procentpunt) |
| Detailhandel |
57% |
+2,19 |
5,78 |
| Reiniging |
57% |
+2,67 |
7,08 |
| Elektrotechniek |
50% |
+0,32 |
0,93 |
| Metaal |
48% |
+0,56 |
1,63 |
| Bouw |
38% |
+1,92 |
6,81 |
Uit de Lisv-berekeningen
blijkt dat gemiddeld over alle sectoren de toename in
het premiepercentage 0,53 procentpunt bedraagt. Zonder franchise zou het
premie-effect gemiddeld 0,23 procentpunt zijn, met als grootste uitschieters het
schildersbedrijf (+1,3 procentpunt) en de bouw (+0,9 procentpunt).
Door de verlenging van de
wachtgeldperiode van dertien weken naar zes maanden worden de
vermogenstekorten bij het AWf gemitigeerd ten laste van de
vermogensoverschotten bij de wachtgeldfondsen. Eén en ander is afhankelijk van de wijze
waarop het lastenplafond bij een wachtgeldperiode van 26 weken vormgegeven
zal worden. De lastentoename als gevolg van de verlenging
van de wachtgeldperiode van circa ƒ500 miljoen
kan voor een groot
deel uit de vermogensoverschotten gefinancierd worden. Het Lisv
raamt
een vermogensoverschot ultimo 1997 bij de gezamenlijke
wachtgeldfondsen van circa ƒ2,7 miljard. De oorzaak van de
vermogensoverschotten is voor een belangrijk deel gelegen in de verkorting van de
referteperiode van twintig jaar naar tien jaar. Bij de bepaling van de omvang van de
reserves werd vóór 1996 de werkloosheidslastenontwikkeling van de afgelopen
twintig jaar
in beschouwing genomen. Vanaf rblz.|7| 1996 is deze periode
verkort tot de afgelopen tien jaar. De werkloosheidsontwikkeling is gedurende de laatste
tien jaar positiever dan in de periode daarvoor. Daarnaast
speelt een rol dat bij de vaststelling van de wachtgeldpremie de
werkloosheidsontwikkeling behoedzaam werd geraamd. De feitelijke werkloosheidsontwikkeling viel de afgelopen jaren
een aantal malen
positiever uit dan de raming, waardoor de reserves toenamen.
Een compenserende
vermogensoverheveling van AWf naar de wachtgeldfondsen, zoals
de SER die voorstelt, is gezien de aanwezigheid van het
vermogensoverschot in de wachtgeldfondsen niet nodig. Slechts enkele wachtgeldfondsen
zullen genoodzaakt zijn over te gaan tot premieverhoging, namelijk
die fondsen die onvoldoende vermogensoverschot ultimo 1997 hebben om de
lastentoename als gevolg van de verlenging van de
wachtgeldperiode in 1998 te kunnen financieren. Per saldo zal ƒ430 miljoen
ten laste van de vermogensoverschotten kunnen worden gebracht.
Het partiële effect op de premies, verbonden aan een bedrag van ƒ500
miljoen, bedraagt na franchise gemiddeld 0,53 procentpunt. Daar staat in
het AWf een premiedaling tegenover van eveneens 0,53 procentpunt,
verdeeld over 0,23 procentpunt voor werknemers en 0,30 procentpunt voor
werkgevers. In 1998 blijft de toename van het premiepercentage wachtgeldverzekering
beperkt tot gemiddeld 0,07 procentpunt, zodat er per saldo sprake
is van een incidentele lastenverlichting. Overigens zij nog opgemerkt dat het gezamenlijke normvermogen van de
WW-fondsen geen effect
van de verlenging zal mogen ondervinden.
In de volgende tabel
worden de financiële verschuivingen tussen AWf en de wachtgeldfondsen
zowel in lasten als in premiepercentages (loonsom boven de
franchise) in beeld gebracht.
Tabel: Financiële
effecten AWf en wachtgeldfondsen van het verlengen wachtgeldperiode (gebaseerd op
Lisv-raming
voor 1998 in miljoen gulden en premieprocentpunten na franchise):
| In
miljoen gulden |
AWf |
Wgf |
Totaal |
| Werknemers |
–215 |
|
–215 |
| Werkgevers |
–285 |
70 |
–215 |
| Totaal |
–500 |
70 |
–430 |
| In
procentpunt premie |
AWf |
Wgf |
Totaal |
| Werknemers |
–0,23% |
|
–0,23% |
| Werkgevers |
–30,0% |
0,07% |
–0,23% |
| Totaalxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
–0,53% |
0,07% |
–0,45% |
Zoals uit de tabel blijkt,
is de lastenverschuiving zo vormgegeven dat werkgevers en werknemers
in gelijke mate profiteren van de daling van de premielasten in 1998.
Bovenstaande premieverschuiving doet zich slechts in de aangegeven omvang voor als wordt
aangenomen dat de geldende plafondbepalingen zodanig worden aangepast
dat ten opzichte van de huidige situatie geen extra beroep van de
wachtgeldfondsen plaatsvindt op het AWf. In de periode tot 1 januari
1998 dient nog te worden nagegaan op welk niveau de onderscheidene
lastenplafonds dienen te worden vastgesteld.
6. Uitvoeringsaspecten
Het wetsvoorstel treedt
in werking per 1 januari 1998. Vanaf die datum zullen de
werkloosheidsuitkeringen die op dat moment langer dan dertien weken maar uiterlijk zes
maanden lopen, ten laste komen van de rblz.|8|
wachtgeldfondsen. Dat
betekent dat uitkeringen die al ten laste van het AWf werden gebracht,
vanaf de datum van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel teruggeboekt
zullen worden naar de wachtgeldfondsen.
De wachtgeldperiode wordt
verlengd van dertien weken naar zes maanden. Met opzet is niet gekozen
voor de formulering van 26 weken. Met de verlenging van de
wachtgeldperiode naar zes maanden wordt deze periode gelijk aan het
eerste deel van het loongerelateerde uitkeringsrecht en wordt voorkomen dat er
nog een paar dagen apart gedeclareerd moeten worden bij het AWf.
Dat lijkt vanuit uitvoeringsperspectief onnodig lastig.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel I
(Wijziging
Werkloosheidswet)
Onderdeel A
Voor verschillende
onderdelen van het bedrijfs- en beroepsleven, dat wil zeggen voor
verschillende categorieën van werkgevers en werknemers, zijn
wachtgeldfondsen gevormd. Wachtgeldfondsen worden gezamenlijk beheerd en
afzonderlijk geadministreerd. Binnen wachtgeldfondsen worden zogenaamde premiegroepen onderscheiden. Anders dan
bij de wachtgeldfondsen
worden binnen de premiegroepen geen afzonderlijke reserves
gevormd.
Werkloosheidsuitkeringen
die worden betaald over de eerste zes maanden na de eerste
werkloosheidsdag worden gefinancierd uit het wachtgeldfonds dat voor
de betrokken categorie van werkgevers en werknemers is gevormd,
dat wil zeggen uit de premies die door de werkgevers in een bepaald
onderdeel van het bedrijfs- en beroepsleven worden betaald en door
het Lisv ten gunste van het desbetreffende wachtgeldfonds worden gebracht.
Werkloosheidsrisico’s
en uitkeringslasten verschillen voor verschillende categorieën van
werknemers, dat wil zeggen voor wachtgeldfondsen en premiegroepen. Dit leidt
ertoe dat ook de percentages waarmee de wachtgeldpremies worden
vastgesteld per wachtgeldfonds of premiegroep verschillen. Met de
vervanging van het eerste lid van artikel 85 wordt dit verduidelijkt.
Onderdeel B
Artikel
90, eerste lid,
onderdeel a, van de
WW strekt ertoe te bereiken dat de periode waarover werkloosheidsuitkeringen ten laste van het
wachtgeldfonds kunnen
worden gebracht, wordt verlengd van dertien weken tot zes maanden.
Onderdeel C
De wijziging van de
eerste zin van artikel 94 van de
WW strekt ertoe te verduidelijken dat het
vaststellen van een lastenplafond voor elk wachtgeldfonds ieder jaar
dient plaats te vinden. Dit met het oog op het in onderdeel E van artikel I
voorgestelde goedkeuringsvereiste met betrekking tot het op
grond van artikel 94 door het Lisv
vastgestelde maximumbedrag.
rblz.|9|
Onderdeel D
In
artikel 102 van de
WW is aan het Lisv opgedragen de middelen en uitgaven met betrekking
tot de wachtgeldfondsen gezamenlijk te beheren en deze middelen en de
uitgaven met betrekking tot elk wachtgeldfonds afzonderlijk te
administreren. In artikel 102 wordt een lid opgenomen waarin tot uitdrukking
wordt gebracht dat het Lisv beslist over het instellen van
wachtgeldfondsen. Het Lisv stelt voor elke sector een wachtgeldfonds in.
Onderdeel E
Op grond van
artikel 90
van de
WW stelt het Lisv voor ieder wachtgeldfonds afzonderlijk een maximum
aan hetgeen in een boekjaar op grond van artikel 90 ten laste
van dat wachtgeldfonds komt. Zoals in hoofdstuk 3 van het algemeen deel van
de toelichting is gesteld, wordt het wenselijk geacht dat de door het
Lisv vastgestelde maxima door de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid worden goedgekeurd. De wijziging van artikel 116 van de
WW strekt ertoe het goedkeuringsvereiste in de wet op te nemen. Zo de
minister zijn goedkeuring aan het door het Lisv
vastgestelde maximum
onthoudt, stelt de minister zelf het percentage vast.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave
|