|
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 1988-1989, 1989-1990,
1990-1991, 1991-1992, 21 221.
Handelingen II 1991-1992, UCV 17 (1-56), blz. 2691-2692.
Kamerstukken I 1991-1992, 21 221 (174, 174a, 174b, 174c, 174d).
Handelingen I 1991-1992, blz. 1293-1295.
BESCHIKKING van de Minister van Justitie van
12 januari 1998, Stb. 1998, 1, houdende plaatsing
in het Staatsblad van de tekst van de Algemene wet
bestuursrecht, zoals deze luidt met ingang van 1 januari 1998
De Minister van Justitie;
Gelet op artikel 1 van hoofdstuk 14 van de
Aanpassingswet derde tranche Awb I;
Besluit:
De tekst van de
Algemene wet bestuursrecht, zoals deze
luidt met ingang van 1 januari 1998, in het Staatsblad te plaatsen
als bijlage bij deze beschikking.
’s-Gravenhage, 12 januari 1998
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
Uitgegeven de twintigste
januari
1998
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
Tekst van
de Algemene wet bestuursrecht, zoals deze wet luidt op 1 januari 1998
[WET van 4
juni 1992, Stb. 1992, 315, houdende algemene regels van
bestuursrecht (Algemene wet bestuursrecht). Inwerkingtreding: 1 januari
1994 (Stb. 1993, 693).
x
x
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der
Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
x
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te
weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat ingevolge
artikel 107, tweede lid, van de Grondwet de wet algemene regels van
bestuursrecht dient vast te stellen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen
overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan,
gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:, red.]
HOOFDSTUK
1
Inleidende bepalingen
TITEL 1.1
Definities en reikwijdte
Art. 1:1.
-1. Onder bestuursorgaan wordt verstaan:
a. een orgaan van een rechtspersoon die krachtens
publiekrecht is ingesteld; of
b. een ander persoon of college, met enig openbaar gezag
bekleed.
-2. De volgende organen, personen en colleges worden niet
als bestuursorgaan aangemerkt:
a. de wetgevende macht;
b. de kamers en de verenigde vergadering der
Staten-Generaal;
c. onafhankelijke, bij de wet ingestelde organen die met
rechtspraak zijn belast;
d. de Raad van State en zijn afdelingen;
e. de Algemene Rekenkamer;
f. de Nationale ombudsman en de substituut-ombudsmannen;
g. de voorzitters, leden, griffiers en secretarissen van
de in de onderdelen b tot en met f bedoelde organen, de procureur-generaal,
de plaatsvervangend procureur-generaal en de
advocaten-generaal bij de Hoge Raad, alsmede de commissies uit het midden van de
in de onderdelen b tot en met f bedoelde organen.
-3. Een ingevolge het tweede lid uitgezonderd orgaan,
persoon of college wordt wel als bestuursorgaan aangemerkt voor
zover het orgaan, de persoon of het college besluiten neemt of handelingen
verricht ten aanzien van een niet voor het leven benoemde ambtenaar
als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet
als zodanig, zijn
nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden.
Art. 1:2.
-1. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens
belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
-2. Ten aanzien van bestuursorganen worden de hun
toevertrouwde belangen als hun belangen beschouwd.
-3. Ten aanzien van rechtspersonen worden als hun
belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij
krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden
in het bijzonder behartigen.
Art. 1:3.
-1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke
beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke
rechtshandeling.
-2. Onder beschikking wordt verstaan: een besluit dat
niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een
aanvraag daarvan.
-3. Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een
belanghebbende een besluit te nemen.
-4. Onder beleidsregel wordt verstaan: een bij besluit
vastgestelde algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend
voorschrift, omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of
de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een
bevoegdheid van een bestuursorgaan.
Art. 1:4.
-1. Onder administratieve rechter wordt verstaan: een onafhankelijk, bij
de wet ingesteld orgaan dat met administratieve rechtspraak is belast.
-2. Een tot de rechterlijke macht behorend gerecht wordt als
administratieve rechter aangemerkt voor zover hoofdstuk 8, de Wet
administratieve rechtspraak belastingzaken of de Wet
administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften - met
uitzondering van hoofdstuk VIII - van toepassing is.
Art. 1:5.
-1. Onder het maken van bezwaar wordt verstaan: het gebruik maken van de
ingevolge een wettelijk voorschrift bestaande bevoegdheid voorziening
tegen een besluit te vragen bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft
genomen.
-2. Onder het instellen van administratief beroep wordt verstaan: het
gebruik maken van de ingevolge een wettelijk voorschrift bestaande
bevoegdheid voorziening tegen een besluit te vragen bij een ander
bestuursorgaan dan hetwelk het besluit heeft genomen.
-3. Onder het instellen van beroep wordt verstaan: het instellen van
administratief beroep, dan wel van beroep bij een administratieve
rechter.
Art. 1:6.
Deze wet is niet van toepassing op:
a. de opsporing en vervolging van strafbare feiten, alsmede de
tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen;
b. de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende maatregelen op grond van
de Vreemdelingenwet;
c. de tenuitvoerlegging van andere vrijheidsbenemende maatregelen in een
inrichting die in hoofdzaak bestemd is voor de tenuitvoerlegging van
strafrechtelijke beslissingen;
d. besluiten en handelingen ter uitvoering van de Wet
militair tuchtrecht.
TITEL
1.2
Uitvoering van
bindende besluiten van organen van de Europese Gemeenschappen
Art. 1:7.
-1. Indien door een bestuursorgaan ingevolge enig wettelijk voorschrift
advies moet worden gevraagd of extern overleg moet worden gevoerd inzake
een besluit alvorens een zodanig besluit kan worden genomen, geldt dat
voorschrift niet indien het voorgenomen besluit uitsluitend strekt tot
uitvoering van een bindend besluit van de Raad van de Europese Unie, van
het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of van de Commissie van de
Europese Gemeenschappen.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing op het horen van de
Raad van State.
Art. 1:8.
-1. Indien door een bestuursorgaan ingevolge enig wettelijk voorschrift
van het ontwerp van een besluit kennis moet worden gegeven alvorens een
zodanig besluit kan worden genomen, geldt dat voorschrift niet indien
het voorgenomen besluit uitsluitend strekt tot uitvoering van een
bindend besluit van de Raad van de Europese Unie, van het Europees
Parlement en de Raad gezamenlijk of van de Commissie van de Europese
Gemeenschappen.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing op de overlegging van het
ontwerp van een algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling
aan de Staten-Generaal, indien:
a. bij de wet is bepaald dat door of namens één der kamers der
Staten-Generaal of door een aantal leden daarvan de wens te kennen kan
worden gegeven dat het onderwerp of de inwerkingtreding van die algemene
maatregel van bestuur of ministeriële regeling bij de wet wordt
geregeld; of
b. artikel 21.6, zesde lid, van de Wet
milieubeheer of artikel 33 van de Wet
verontreiniging oppervlaktewateren van toepassing is.
Art. 1:9.
Deze titel is van overeenkomstige toepassing op voorstellen van wet.
HOOFDSTUK
2
Verkeer tussen
burgers en bestuursorganen
AFDELING 2.1
Algemene bepalingen
Art. 2:1.
-1. Een ieder kan zich ter behartiging van zijn belangen in het verkeer
met bestuursorganen laten bijstaan of door een gemachtigde laten
vertegenwoordigen.
-2. Het bestuursorgaan kan van een gemachtigde een schriftelijke
machtiging verlangen.
Art. 2:2.
-1. Het bestuursorgaan kan bijstand of vertegenwoordiging door een
persoon tegen wie ernstige bezwaren bestaan, weigeren.
-2. De belanghebbende en de in het eerste lid bedoelde persoon worden van
de weigering onverwijld schriftelijk in kennis gesteld.
-3. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van advocaten en
procureurs.
Art. 2:3.
-1. Het bestuursorgaan zendt geschriften tot behandeling waarvan
kennelijk een ander bestuursorgaan bevoegd is, onverwijld door naar dat
orgaan, onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de afzender.
-2. Het bestuursorgaan zendt geschriften die niet voor hem bestemd zijn
en die ook niet worden doorgezonden, zo spoedig mogelijk terug aan de
afzender.
Art. 2:4.
-1. Het bestuursorgaan vervult zijn taak zonder vooringenomenheid.
-2. Het bestuursorgaan waakt ertegen dat tot het bestuursorgaan behorende
of daarvoor werkzame personen die een persoonlijk belang bij een besluit
hebben, de besluitvorming beïnvloeden.
Art. 2:5.
-1. Een ieder die is betrokken bij de uitvoering van de taak van een
bestuursorgaan en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan
hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden,
en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk
voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is
verplicht tot geheimhouding van die gegevens, behoudens voor zover enig
wettelijk voorschrift hem tot mededeling verplicht of uit zijn taak de
noodzaak tot mededeling voortvloeit.
-2. Het eerste lid is mede van toepassing op instellingen en daartoe
behorende of daarvoor werkzame personen die door een bestuursorgaan
worden betrokken bij de uitvoering van zijn taak, en op instellingen en
daartoe behorende of daarvoor werkzame personen die een bij of krachtens
de wet toegekende taak uitoefenen.
AFDELING
2.2
Gebruik
van de taal in het bestuurlijk verkeer
Art. 2:6.
-1. Bestuursorganen en onder hun verantwoordelijkheid werkzame personen
gebruiken de Nederlandse taal, tenzij bij wettelijk voorschrift anders
is bepaald.
-2. In afwijking van het eerste lid kan een andere taal worden gebruikt
indien het gebruik daarvan doelmatiger is en de belangen van derden
daardoor niet onevenredig worden geschaad.
Art. 2:7.
-1. Een ieder kan de Friese taal gebruiken in het verkeer met
bestuursorganen, voor zover deze in de provincie Friesland zijn
gevestigd.
-2. Het eerste lid geldt niet indien het bestuursorgaan heeft verzocht
de Nederlandse taal te gebruiken op de grond dat het gebruik van de
Friese taal tot een onevenredige belasting van het bestuurlijk verkeer
zou leiden.
Art. 2:8.
-1. Bestuursorganen kunnen in het mondeling verkeer binnen de provincie
Friesland de Friese taal gebruiken.
-2. Het eerste lid geldt niet indien de wederpartij heeft verzocht de
Nederlandse taal te gebruiken op de grond dat het gebruik van de Friese
taal tot een onbevredigend verloop van het mondeling verkeer zou leiden.
Art. 2:9.
-1. In de provincie Friesland gevestigde bestuursorganen die niet tot de
centrale overheid behoren, kunnen regels stellen over het gebruik van de
Friese taal in schriftelijke stukken.
-2. Onze Minister wie het aangaat kan voor onderdelen van de centrale
overheid waarvan het werkterrein zich uitstrekt tot de provincie
Friesland of een deel daarvan, regels stellen over het gebruik van de
Friese taal in schriftelijke stukken.
Art. 2:10.
-1. Een schriftelijk stuk in de Friese taal wordt tevens in de
Nederlandse taal opgesteld, indien het:
a. bestemd of mede bestemd is voor buiten de provincie Friesland
gevestigde bestuursorganen of bestuursorganen van de centrale overheid;
b. algemeen verbindende voorschriften of beleidsregels
inhoudt; of
c. is opgesteld ter directe voorbereiding van de onder b genoemde
voorschriften of regels.
-2. De bekendmaking, mededeling of terinzagelegging van een schriftelijk
stuk als bedoeld in het eerste lid geschiedt in ieder geval ook in de
Nederlandse taal, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat
daaraan geen behoefte bestaat.
Art. 2:11.
-1. Indien een schriftelijk stuk in de Friese taal is opgesteld,
verstrekt het bestuursorgaan daarvan op verzoek een vertaling in de
Nederlandse taal.
-2. Het bestuursorgaan kan voor het vertalen een vergoeding van ten
hoogste de kosten verlangen.
-3. Voor het vertalen kan geen vergoeding worden verlangd, indien het
schriftelijk stuk:
a. de notulen van de vergadering van een vertegenwoordigend orgaan
inhoudt en het belang van de verzoeker rechtstreeks bij het
genotuleerde is betrokken, dan wel de notulen van de vergadering van een
vertegenwoordigend orgaan inhoudt en de vaststelling van algemeen
verbindende voorschriften of beleidsregels betreft; of
b. een besluit of andere handeling inhoudt waarbij de verzoeker
belanghebbende is.
Art. 2:12.
-1. Een ieder kan in vergaderingen van in de provincie Friesland
gevestigde vertegenwoordigende organen de Friese taal gebruiken.
-2. Hetgeen in de Friese taal is gezegd, wordt in de Friese taal
genotuleerd.
HOOFDSTUK 3
Algemene
bepalingen over besluiten
AFDELING
3.1
Inleidende
bepalingen
Art. 3:1.
-1. Op besluiten, inhoudende algemeen
verbindende voorschriften:
a. is afdeling 3.2 slechts van toepassing, voor zover de aard van de
besluiten zich daartegen niet verzet;
b. zijn de afdelingen 3.6 en
3.7 niet van toepassing.
-2. Op andere handelingen van bestuursorganen dan besluiten zijn de
afdelingen 3.2 tot en met 3.5 van overeenkomstige toepassing, voor zover
de aard van de handelingen zich daartegen niet verzet.
AFDELING
3.2
Zorgvuldigheid
en belangenafweging
Art. 3:2.
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de
nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Art. 3:3.
Het bestuursorgaan gebruikt de bevoegdheid tot het nemen van een besluit
niet voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend.
Art. 3:4.
-1. Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken
belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de
aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.
-2. De voor één of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit
mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te
dienen doelen.
AFDELING
3.3
Advisering
Art. 3:5.
-1. In deze afdeling wordt verstaan onder adviseur: een persoon of
college, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het adviseren
inzake door een bestuursorgaan te nemen besluiten en niet werkzaam onder
verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan.
-2. Deze afdeling is niet van toepassing op het horen van de
Raad van State.
Art. 3:6.
-1. Indien aan de adviseur niet reeds bij wettelijk voorschrift een
termijn is gesteld, kan het bestuursorgaan aangeven binnen welke termijn
een advies wordt verwacht. Deze termijn mag niet zodanig kort zijn dat
de adviseur zijn taak niet naar behoren kan vervullen.
-2. Indien het advies niet tijdig wordt uitgebracht, staat het enkele
ontbreken daarvan niet in de weg aan het nemen van het besluit.
Art. 3:7.
-1. Het bestuursorgaan waaraan advies wordt uitgebracht, stelt aan de
adviseur, al dan niet op verzoek, de gegevens ter beschikking die nodig
zijn voor een goede vervulling van diens taak.
-2. Artikel 10 van de Wet
openbaarheid van bestuur is van overeenkomstige
toepassing.
Art. 3:8.
In of bij het besluit wordt de adviseur vermeld die advies heeft
uitgebracht.
Art. 3:9.
Indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen
dat door een adviseur is verricht, dient het bestuursorgaan zich ervan
te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft
plaatsgevonden.
Art. 3:9a.
Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing op voorstellen van wet.
AFDELING
3.4
Openbare
voorbereidingsprocedure
Art. 3:10.
-1. De in deze afdeling geregelde procedure voor de voorbereiding van
besluiten wordt gevolgd indien dat bij wettelijk voorschrift of bij
besluit van het bestuursorgaan is bepaald.
-2. De voorschriften van afdeling 4.1.1 inzake beschikkingen zijn mede
van toepassing op andere besluiten die op aanvraag worden genomen en die
worden voorbereid overeenkomstig deze afdeling.
Art. 3:11.
-1. Het bestuursorgaan legt de aanvraag tot het nemen van het besluit of
het ontwerp van het ambtshalve of op aanvraag te nemen besluit, met de
daarop betrekking hebbende stukken, voor een periode van ten minste vier
weken ter inzage voor hen aan wie ingevolge artikel 3:13 de gelegenheid
wordt geboden hun zienswijze naar voren te brengen.
-2. Artikel 10 van de Wet
openbaarheid van bestuur is van overeenkomstige
toepassing. Indien op grond daarvan bepaalde stukken niet ter inzage
worden gelegd, wordt daarvan mededeling gedaan.
-3. Tegen vergoeding van ten hoogste de kosten wordt afschrift van de ter
inzage gelegde stukken verstrekt.
-4. Voor zover niet bij wettelijk voorschrift anders is bepaald,
geschiedt de terinzagelegging in ieder geval ten kantore van het
bestuursorgaan.
Art. 3:12.
-1. Voorafgaand aan de terinzagelegging wordt in
één of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze
kennisgegeven van de aanvraag of van het ontwerp. Volstaan kan worden met het
vermelden van de zakelijke inhoud.
-2. Indien het een besluit van een tot de centrale overheid behorend
bestuursorgaan betreft, wordt, tenzij bij wettelijk voorschrift anders
is bepaald, de kennisgeving in ieder geval in de Staatscourant
geplaatst.
-3. In de kennisgeving wordt vermeld waar en wanneer de stukken ter
inzage zullen liggen, wie in de gelegenheid worden gesteld van hun
zienswijze te doen blijken en op welke wijze dit ingevolge artikel 3:13
kan geschieden.
Art. 3:13.
-1. Belanghebbenden kunnen hun zienswijze over de aanvraag of het ontwerp
naar keuze schriftelijk of mondeling naar voren brengen.
-2. Bij wettelijk voorschrift of door het bestuursorgaan kan worden
bepaald dat ook aan anderen de gelegenheid moet worden geboden hun
zienswijze naar keuze schriftelijk of mondeling naar voren te brengen.
-3. De termijn waarbinnen een zienswijze naar voren kan worden gebracht,
eindigt niet vóór de laatste dag van terinzagelegging.
-4. Betreft het een besluit op aanvraag, dan wordt de aanvrager zo nodig
in de gelegenheid gesteld te reageren op de naar voren gebrachte
zienswijzen.
-5. Van hetgeen overeenkomstig de vorige leden mondeling naar voren is
gebracht, wordt een verslag gemaakt.
AFDELING
3.5
Uitgebreide
openbare voorbereidingsprocedures
§
3.5.1.
Algemeen
Art. 3:14.
De in de paragrafen 3.5.2 tot en met 3.5.5 en paragraaf 3.5.6 geregelde
procedures voor de voorbereiding van besluiten worden gevolgd indien dat
bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan is
bepaald.
Art. 3:15.
Bij of krachtens het in artikel 3:14 bedoelde wettelijk voorschrift of
bij het daar bedoelde besluit kunnen bestuursorganen worden aangewezen
die:
a. in de gelegenheid moeten worden gesteld advies uit te brengen met
betrekking tot het nemen van een besluit; of
b. op andere wijze wijze worden betrokken bij de
voorbereidingsprocedures.
§ 3.5.2.
Indiening van de aanvraag;
ontvankelijkheid
Art. 3:16.
De voorschriften van afdeling 4.1.1 inzake beschikkingen zijn mede van
toepassing op andere besluiten die op aanvraag worden genomen en die
worden voorbereid overeenkomstig deze afdeling.
Art. 3:17.
-1. Het bestuursorgaan tekent onverwijld de datum van ontvangst aan op
het geschrift waarbij de aanvraag is ingediend.
-2. Het zendt de aanvrager onverwijld een bewijs van ontvangst, waarin
die datum is vermeld.
-3. Het zendt de betrokken andere bestuursorganen onverwijld een
exemplaar van de aanvraag en van de daarbij gevoegde stukken, onder
vermelding van de datum van ontvangst.
Art.
3:18.
-1. Van de in artikel 4:5 geregelde bevoegdheid om de aanvraag wegens
onvolledigheid niet te behandelen, kan slechts gebruik worden gemaakt
indien de aanvrager binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag in de
gelegenheid is gesteld de aanvraag aan te vullen.
-2. Van verzoeken tot aanvulling van de aanvraag en van besluiten om de
aanvraag niet te behandelen, wordt mededeling gedaan aan de betrokken
andere bestuursorganen.
-3. Indien het bestuursorgaan de aanvraag ondanks de onvolledigheid ervan
in behandeling neemt, stelt het op het geschrift waarbij de aanvraag is
ingediend, een aantekening waaruit dat blijkt. Indien de aanvrager in de
gelegenheid is gesteld de aanvraag aan te vullen, vermeldt het
bestuursorgaan in die aantekening de daarvoor ingevolge artikel 4:5
gestelde termijn.
§ 3.5.3.
Het ontwerp
van het besluit
Art. 3:19.
-1. Het bestuursorgaan stelt zo spoedig mogelijk een ontwerp op van het
besluit. Het bestuursorgaan zendt het ontwerp - tenzij toepassing is
gegeven aan artikel 3:29 -
uiterlijk twaalf weken na ontvangst van de
aanvraag aan de aanvrager en de betrokken andere bestuursorganen.
-2. Uiterlijk twee weken na de in het eerste lid bedoelde toezending
wordt van het ontwerp gelijktijdig mededeling gedaan door:
a. terinzagelegging;
b. kennisgeving in één of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen op
zodanige wijze dat het daarmee beoogde doel zo goed mogelijk wordt
bereikt;
c. kennisgeving in de Staatscourant in de gevallen waarin een orgaan van
de rijks- of provinciale overheid het bestuursorgaan is.
Art. 3:20.
-1. Bij de mededelingen, bedoeld in artikel
3:19, tweede lid, vermeldt
het bestuursorgaan ten minste:
a. wat de zakelijke inhoud van de aanvraag en de strekking van het
ontwerp van het besluit is;
b. waar en wanneer de stukken ingezien kunnen worden;
c. wie in de gelegenheid worden gesteld hun bedenkingen tegen het
ontwerp in te brengen en op welke wijze en binnen welke termijn dit kan
geschieden;
d. dat degene die schriftelijk bedenkingen inbrengt, kan verzoeken dat
zijn persoonlijke gegevens niet worden vermeld.
-2. Het bestuursorgaan deelt deze gegevens tevens mee aan de aanvrager en
de betrokken andere bestuursorganen.
Art. 3:21.
-1. Met het ontwerp van het besluit worden ter inzage gelegd:
a. een exemplaar van de aanvraag met de daarbij behorende stukken;
b. indien vooroverleg over de aanvraag heeft plaatsgehad, een verslag
daarvan;
c. de rapporten en adviezen die in verband met het ontwerp zijn
uitgebracht, voor zover deze redelijkerwijs nodig kunnen zijn voor een
beoordeling van het ontwerp;
d. een overzicht van de niet ter inzage gelegde rapporten en adviezen
en, voor zover redelijkerwijs nodig voor een beoordeling van het
ontwerp, van de eerder genomen, nog van kracht zijnde besluiten die
hetzelfde onderwerp betreffen, waarbij vermeld wordt waar en wanneer
deze stukken kunnen worden ingezien.
-2. Het bestuursorgaan vult de ter inzage gelegde stukken aan met nieuwe
relevante stukken en gegevens, waaronder in ieder geval de
overeenkomstig paragraaf 3.5.4 ingebrachte adviezen en bedenkingen en de
verslagen van de mondeling ingebrachte bedenkingen en
gedachtewisselingen over het ontwerp.
-3. Artikel 10 van de Wet
openbaarheid van bestuur is van overeenkomstige
toepassing, tenzij bij de wet anders is bepaald. Indien bepaalde stukken
niet ter inzage worden gelegd, wordt daarvan mededeling gedaan.
Art. 3:22.
-1. Gedurende vier weken vanaf de dag waarop het ontwerp van het besluit
ter inzage is gelegd, kunnen de stukken worden ingezien tijdens de
werkuren. Tevens kunnen de stukken gedurende die periode desgevraagd ten
minste gedurende drie aaneengesloten uren per week buiten de werkuren
worden ingezien. Op verzoek wordt binnen die termijn een kosteloze
mondelinge toelichting verstrekt.
-2. Na de periode van vier weken blijven de stukken ter inzage liggen op
de door het bestuursorgaan te bepalen uren totdat de termijn is
verstreken waarbinnen tegen het besluit beroep kan worden ingesteld.
-3. Tegen vergoeding van ten hoogste de kosten wordt afschrift van de ter
inzage gelegde stukken verstrekt.
§
3.5.4.
Adviezen en
bedenkingen
Art. 3:23.
-1. De adviserende bestuursorganen zenden hun advies aan het
bestuursorgaan binnen vier weken na de dag waarop het ontwerp ter inzage
is gelegd.
-2. Het bestuursorgaan zendt van ieder advies zo spoedig mogelijk een
exemplaar aan de aanvrager en de andere adviserende bestuursorganen.
Art. 3:24.
-1. Binnen vier weken na de dag waarop het ontwerp van het besluit ter
inzage is gelegd, kan een ieder daartegen bij het bestuursorgaan
schriftelijk bedenkingen inbrengen.
-2. Op het geschrift wordt de datum van ontvangst aangetekend.
-3. Het bestuursorgaan zendt van iedere ingebrachte bedenking zo spoedig
mogelijk een afschrift aan de aanvrager en de adviserende
bestuursorganen.
-4. De persoonlijke gegevens van degene die schriftelijk bedenkingen
heeft ingebracht, worden, indien hij daarom verzoekt, niet
bekendgemaakt. Het verzoek wordt schriftelijk, onder vermelding van de
in de eerste volzin bedoelde gegevens, ingediend bij het bestuursorgaan.
Art. 3:25.
-1. Gedurende de in artikel
3:24, eerste lid, bedoelde termijn bestaat
desgevraagd voor een ieder gelegenheid tot een gedachtewisseling over
het ontwerp van het besluit en tot het mondeling inbrengen van
bedenkingen daartegen. Het bestuursorgaan stelt de aanvrager in de
gelegenheid daarbij aanwezig te zijn.
-2. Van het mondeling inbrengen van bedenkingen en de
gedachtewisseling
wordt een verslag gemaakt, waarin ook de inhoud van iedere bedenking
wordt weergegeven en de naam en het adres worden vermeld van degene die
haar heeft ingebracht.
-3. Het verslag wordt zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval binnen
twee weken, toegezonden aan de aanvrager, de adviserende bestuursorganen
en degenen die mondeling bedenkingen hebben ingebracht.
Art.
3:26.
Bij het in artikel 3:14 bedoelde wettelijk voorschrift of besluit kan
worden bepaald dat de mogelijkheid tot het inbrengen van bedenkingen en
tot een gedachtewisseling over het ontwerp van het besluit slechts
openstaat voor een daarbij aangegeven categorie van personen, waaronder
in ieder geval de belanghebbenden zijn begrepen.
Art. 3:27.
Het bestuursorgaan vermeldt bij de bekendmaking van het besluit zijn
overwegingen omtrent de ingebrachte bedenkingen.
§ 3.5.5.
Beslissing
op de aanvraag
Art. 3:28.
Het bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag zo spoedig mogelijk,
doch - tenzij toepassing is gegeven aan artikel 3:29
- uiterlijk zes
maanden na ontvangst van de aanvraag.
Art. 3:29.
-1. Indien de aanvraag een zeer ingewikkeld of omstreden onderwerp
betreft, kan het bestuursorgaan, binnen acht weken na ontvangst van de
aanvraag, de in de artikelen 3:19, eerste lid, tweede volzin, en
3:28
genoemde termijnen elk met een door hem te bepalen redelijke termijn
verlengen. Voordat het een zodanige beslissing neemt, stelt het de
aanvrager in de gelegenheid zijn zienswijze daarover naar voren te
brengen.
-2. Van een besluit tot verlenging wordt, tegelijkertijd met de
bekendmaking ervan, mededeling gedaan aan de betrokken andere
bestuursorganen.
-3. Uiterlijk tien weken na ontvangst van de aanvraag doet het
bestuursorgaan mededeling van het besluit tot verlenging en van de
ingediende aanvraag met overeenkomstige toepassing van de artikelen
3:19, tweede lid, 3:20, eerste lid, onderdeel a en
b, en tweede lid,
3:21 en 3;22.
§ 3.5.6.
Besluiten
tot wijziging of intrekking en ambtshalve andere te nemen besluiten
Art. 3:30.
-1. Indien een bestuursorgaan voornemens is een besluit te nemen tot
wijziging of intrekking van een eerder genomen besluit dan wel
ambtshalve een ander besluit te nemen, stelt het een ontwerp van het
besluit op en doet het daarvan mededeling met overeenkomstige toepassing
van artikel 3:19, tweede lid, onderdeel b en
c. Bij het in artikel 3:14
bedoelde wettelijk voorschrift of besluit kan worden bepaald dat tevens
de artikelen 3:19, tweede lid, onderdeel a, en
3:21 van overeenkomstige
toepassing zijn.
-2. Tenzij bij het wettelijk voorschrift of besluit, bedoeld in
artikel 3:14, anders is bepaald, geeft het bestuursorgaan, alvorens toepassing
te geven aan het eerste lid, schriftelijk kennis van het voornemen aan
de betrokken andere bestuursorganen en, indien het betreft een besluit
tot wijziging of intrekking, aan degene tot wie het te wijzigen of in te
trekken besluit was gericht. Het stelt hen daarbij in de gelegenheid
binnen een door hem te bepalen termijn advies uit te brengen
onderscheidenlijk hun zienswijze over het voornemen naar voren te
brengen.
-3. Berust het voornemen op een verzoek, dan geschiedt de kennisgeving,
bedoeld in het tweede lid, tevens aan de verzoeker. Artikel
3:44, derde
en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Art. 3:31.
-1. In de mededeling, bedoeld in artikel
3:30, eerste lid, vermeldt het
bestuursorgaan ten minste:
a. de zakelijke inhoud en een korte redengeving van het ontwerp van het
besluit;
b. wie in de gelegenheid worden gesteld hun bedenkingen tegen het
ontwerp in te brengen en op welke wijze en binnen welke termijn dit kan
geschieden;
c. dat degene die schriftelijk bedenkingen inbrengt, kan verzoeken dat
zijn persoonlijke gegevens niet worden vermeld;
d. indien toepassing is gegeven aan artikel
3:30, eerste lid, tweede
volzin: waar en wanneer de stukken ingezien kunnen worden.
-2. Indien het betreft een besluit tot wijziging of intrekking, deelt het
bestuursorgaan deze gegevens tevens mee aan degene tot wie het te
wijzigen of in te trekken besluit was gericht, de betrokken andere
bestuursorganen en, indien een verzoek tot wijziging of intrekking is
gedaan, aan de verzoeker. Artikel 3:44, derde en vijfde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Art. 3:32.
-1. Binnen twee weken na de mededeling, bedoeld in
artikel 3:30, eerste
lid, kan een ieder tegen het ontwerp van het besluit bij het
bestuursorgaan schriftelijk bedenkingen inbrengen. De artikelen
3:24,
tweede en vierde lid, en 3:26 zijn van overeenkomstige toepassing.
-2. Het bestuursorgaan zendt van iedere ingebrachte bedenking zo spoedig
mogelijk een afschrift aan de adviserende bestuursorganen en, indien het
betreft een besluit tot wijziging of intrekking, aan degene tot wie het
te wijzigen of in te trekken besluit was gericht.
Art. 3:33.
-1. Het bestuursorgaan neemt een besluit tot wijziging of intrekking of
een besluit inhoudende de beslissing dat niet tot wijziging of
intrekking wordt overgegaan, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk zestien
weken nadat het aan degene tot wie het te wijzigen of in te trekken
besluit was gericht de kennisgeving heeft gedaan, bedoeld in artikel
3:30, tweede lid.
-2. In afwijking van het eerste lid wordt een besluit dat niet is
voorafgegaan door een kennisgeving als bedoeld in artikel
3:30, tweede
lid, genomen uiterlijk acht weken na de mededeling, bedoeld in het
eerste lid van dat artikel.
AFDELING
3.6
Bekendmaking
en mededeling
Art. 3:40.
Een besluit treedt niet in werking voordat het is bekendgemaakt.
Art. 3:41.
-1. De bekendmaking van besluiten die tot
één of meer belanghebbenden
zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie
begrepen de aanvrager.
-2. Indien de bekendmaking van het besluit niet kan geschieden op de
wijze als voorzien in het eerste lid, geschiedt zij op een andere
geschikte wijze.
Art. 3:42.
-1. De bekendmaking van besluiten die niet tot
één of meer
belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door kennisgeving van het
besluit of van de zakelijke inhoud ervan in een van overheidswege
uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op
een andere geschikte wijze.
-2. Indien alleen van de zakelijke inhoud wordt kennisgegeven, wordt het
besluit tegelijkertijd ter inzage gelegd. In de kennisgeving wordt
vermeld waar en wanneer het besluit ter inzage ligt.
Art. 3:43.
-1. Tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking wordt
van het besluit mededeling gedaan aan degenen die bij de voorbereiding
ervan hun zienswijze naar voren hebben gebracht. Aan een adviseur als
bedoeld in artikel 3:5 wordt in ieder geval mededeling gedaan indien van
het advies wordt afgeweken.
-2. De mededeling, bedoeld in het eerste lid, kan, indien bij de
voorbereiding van het besluit toepassing is gegeven aan afdeling
3.4,
geschieden op dezelfde wijze als waarop overeenkomstig artikel
3:12,
eerste en tweede lid, is kennisgegeven van de aanvraag of van het
ontwerp van het besluit.
-3. Bij de mededeling van een besluit wordt tevens vermeld wanneer en hoe
de bekendmaking ervan heeft plaatsgevonden.
Art. 3:44.
-1. Van besluiten die zijn voorbereid met toepassing van de procedures
van afdeling 3.5 wordt tegelijkertijd met de bekendmaking mededeling
gedaan aan de betrokken andere bestuursorganen.
-2. Uiterlijk twee weken na de bekendmaking doet het bestuursorgaan
mededeling van het besluit:
a. met overeenkomstige toepassing van artikel
3:19, tweede lid; en
b. door toezending van een exemplaar van het besluit aan degenen die
tegen het ontwerp van het besluit bedenkingen hebben ingebracht.
-3. In afwijking van het tweede lid, onderdeel
b, kan het bestuursorgaan:
a. indien de omvang van het besluit daartoe aanleiding geeft, volstaan
met een ieder van de daar bedoelde personen de strekking van het besluit
en hetgeen omtrent zijn bedenkingen is overwogen, mee te delen;
b. indien een bedenking door meer dan vijf personen is ingebracht bij
hetzelfde geschrift, volstaan met toezending van een exemplaar aan de
vijf personen wier namen en adressen als eerste in dat geschrift zijn
vermeld;
c. indien een bedenking is ingebracht door meer dan vijf personen bij
hetzelfde geschrift en de omvang van het besluit daartoe aanleiding
geeft, volstaan met het meedelen aan de vijf personen wier namen en
adressen als eerste in dat geschrift zijn vermeld, van de strekking van
het besluit en van hetgeen omtrent hun bedenkingen is overwogen;
d. indien mededeling zou moeten geschieden aan meer dan 250 personen,
die mededeling achterwege laten.
-4. Bij de bekendmaking en bij de mededelingen, bedoeld in het eerste,
tweede en derde lid, vermeldt het bestuursorgaan tevens:
a. het tijdstip waarop een exemplaar van het besluit ter inzage is
gelegd en de uren waarop en de plaats waar de stukken ter inzage liggen;
b. of in het besluit wijzigingen zijn aangebracht ten opzichte van het
ontwerp;
c. indien toepassing is gegeven aan het derde lid, dat zulks is
geschied, onder vermelding van de redenen daarvoor.
-5. Indien toepassing is gegeven aan het derde lid, kunnen degenen die
bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit hebben ingebracht, het
bestuursorgaan verzoeken hun een exemplaar van het besluit toe te
zenden. De mogelijkheid hiertoe wordt bij de mededeling van het besluit
overeenkomstig het tweede en derde lid vermeld. Aan het verzoek wordt
binnen twee weken voldaan, tenzij het bestuursorgaan van mening is dat
de toezending redelijkerwijs niet kan worden verlangd.
-6. Gedurende zes weken vanaf de dag waarop een exemplaar van het besluit
ter inzage is gelegd, kunnen de stukken worden ingezien tijdens de
werkuren. Tevens kunnen de stukken gedurende die periode desgevraagd ten
minste gedurende drie aaneengesloten uren per week buiten de werkuren
worden ingezien. Op verzoek wordt binnen die termijn een kosteloze
mondelinge toelichting verstrekt. Tegen vergoeding van ten hoogste de
kosten wordt afschrift van de ter inzage gelegde stukken verstrekt.
-7. Het tweede lid, onderdeel a, - voor zover dit betreft de toepassing
van artikel 3:19, tweede lid, onderdeel b en
c, - en het zesde lid,
tweede volzin, blijven buiten toepassing ten aanzien van een besluit
inhoudende de afwijzing van een verzoek tot het nemen van een besluit
als bedoeld in artikel 3:30, eerste lid, indien het besluit niet is
voorafgegaan door een mededeling als bedoeld in dat lid.
Art. 3:45.
-1. Indien tegen een besluit bezwaar kan worden gemaakt of beroep kan
worden ingesteld, wordt daarvan bij de bekendmaking en bij de mededeling
van het besluit melding gemaakt.
-2. Hierbij wordt vermeld door wie, binnen welke termijn en bij welk
orgaan bezwaar kan worden gemaakt of beroep kan worden ingesteld.
AFDELING
3.7
Motivering
Art. 3:46.
Een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.
Art. 3:47.
-1. De motivering wordt vermeld bij de bekendmaking van het besluit.
-2. Daarbij wordt zo mogelijk vermeld krachtens welk wettelijk
voorschrift het besluit wordt genomen.
-3. Indien de motivering in verband met de vereiste spoed niet aanstonds
bij de bekendmaking van het besluit kan worden vermeld, verstrekt het
bestuursorgaan deze binnen één week na de bekendmaking.
-4. In dat geval zijn de artikelen 3:41 tot en met 3:43 van
overeenkomstige toepassing.
Art. 3:48.
-1. De vermelding van de motivering kan achterwege blijven indien
redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat.
-2. Verzoekt een belanghebbende binnen een redelijke termijn om de
motivering, dan wordt deze zo spoedig mogelijk verstrekt.
Art. 3:49.
Ter motivering van een besluit of een onderdeel daarvan kan worden
volstaan met een verwijzing naar een met het oog daarop uitgebracht
advies indien het advies zelf de motivering bevat en van het advies
kennis is of wordt gegeven.
Art. 3:50.
Indien het bestuursorgaan een besluit neemt dat afwijkt van een met het
oog daarop krachtens wettelijk voorschrift uitgebracht advies, wordt
zulks met de redenen voor de afwijking in de motivering vermeld.
HOOFDSTUK
4
Bijzondere
bepalingen over besluiten
TITEL
4.1
Beschikkingen
AFDELING
4.1.1
De
aanvraag
Art. 4:1.
Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, wordt de aanvraag
tot het geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij het
bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen.
Art. 4:2.
-1. De aanvraag wordt ondertekend en bevat ten minste:
a. de naam en het adres van de aanvrager;
b. de dagtekening;
c. een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd.
-2. De aanvrager verschaft voorts de gegevens en bescheiden die voor de
beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de
beschikking kan krijgen.
Art. 4:3.
-1. De aanvrager kan
weigeren gegevens en bescheiden te verschaffen voor zover het belang
daarvan voor de beslissing van het bestuursorgaan niet opweegt tegen het
belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, met inbegrip
van de bescherming van medische en psychologische onderzoeksresultaten, of
tegen het belang van de bescherming van bedrijfs- en
fabricagegegevens.
-2. Het eerste lid is niet
van toepassing op bij wettelijk voorschrift aangewezen gegevens en
bescheiden waarvan is bepaald dat deze dienen te worden overgelegd.
Art.
4:4.
Het bestuursorgaan dat
bevoegd is op de aanvraag te beslissen, kan voor het indienen van
aanvragen en het verstrekken van gegevens een formulier vaststellen,
voor zover daarin niet is voorzien bij wettelijk voorschrift.
Art. 4:5.
-1. Indien de aanvrager
niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling
nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden
onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de
voorbereiding van de beschikking, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag
niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad
binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan
te vullen.
-2. Indien de aanvraag of één van de daarbij behorende gegevens of bescheiden in een vreemde
taal is gesteld en een vertaling daarvan voor de beoordeling van de
aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking noodzakelijk
is, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits
de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het
bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag met een vertaling aan te vullen.
-3. Indien de aanvraag of één van de daarbij behorende gegevens of bescheiden omvangrijk of
ingewikkeld is en een samenvatting voor de beoordeling van de
aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking noodzakelijk is, kan het
bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de
aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan
gestelde termijn de aanvraag met een samenvatting aan te vullen.
-4. Een besluit om de
aanvraag niet te behandelen, wordt aan de aanvrager bekendgemaakt
binnen vier weken nadat de aanvraag is aangevuld of nadat de
daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
Art. 4:6.
-1. Indien na een geheel
of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt
gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of
veranderde omstandigheden te vermelden.
-2. Wanneer geen nieuw
gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan
artikel 4:5 de aanvraag
afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.
AFDELING
4.1.2
De
voorbereiding
Art.
4:7.
-1. Voordat een
bestuursorgaan een aanvraag tot het geven van een beschikking geheel of
gedeeltelijk afwijst, stelt het de aanvrager in de gelegenheid zijn
zienswijze naar voren te brengen, indien:
a. de afwijzing zou
steunen op gegevens over feiten en belangen die de aanvrager betreffen; en
b. die gegevens afwijken
van gegevens die de aanvrager ter zake zelf heeft verstrekt.
-2. Het eerste lid geldt
niet indien sprake is van een afwijking van de aanvraag die slechts van
geringe betekenis voor de aanvrager kan zijn.
Art. 4:8.
-1. Voordat een
bestuursorgaan een beschikking geeft waartegen een belanghebbende die de
beschikking niet heeft aangevraagd naar verwachting bedenkingen
zal hebben, stelt het die belanghebbende in de gelegenheid zijn
zienswijze naar voren te brengen, indien:
a. de beschikking zou
steunen op gegevens over feiten en belangen die de belanghebbende
betreffen; en
b. die gegevens niet door
de belanghebbende zelf ter zake zijn verstrekt.
-2. Het eerste lid geldt
niet indien de belanghebbende niet heeft voldaan aan een wettelijke
verplichting gegevens te verstrekken.
Art. 4:9.
Bij toepassing van de
artikelen 4:7 en 4:8 kan de belanghebbende naar keuze schriftelijk of
mondeling zijn zienswijze naar voren brengen.
Art. 4:10.
Indien ter uitvoering van
de artikelen 4:7 en 4:8 toepassing wordt gegeven aan
afdeling 3.4
of afdeling 3.5, stelt het bestuursorgaan de aanvrager en degene tot
wie de beschikking zal zijn gericht, daarvan op de hoogte.
Art. 4:11.
Het bestuursorgaan kan
toepassing van de artikelen 4:7 en 4:8
achterwege laten, voor
zover:
a. de vereiste spoed zich
daartegen verzet;
b. de belanghebbende
reeds in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze bij een eerdere
beschikking of bij een ander bestuursorgaan naar voren te brengen en zich sindsdien
geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; of
c. het met de beschikking
beoogde doel slechts kan worden bereikt indien de belanghebbende
daarvan niet reeds tevoren in kennis is gesteld.
Art. 4:12.
-1. Het bestuursorgaan kan
toepassing van de artikelen 4:7 en 4:8
voorts achterwege laten bij een
beschikking die strekt tot het vaststellen van een financiële verplichting
of aanspraak, indien:
a. tegen die beschikking
bezwaar kan worden gemaakt of administratief beroep kan worden ingesteld; en
b. de nadelige gevolgen
na bezwaar of administratief beroep volledig ongedaan kunnen worden
gemaakt.
-2. Het eerste lid geldt
niet bij een beschikking die strekt tot:
a. het op grond van
artikel 4:35 of met toepassing van artikel 4:51 weigeren van een
subsidie;
b. het op grond van
artikel 4:46, tweede lid, lager vaststellen van een subsidie; of
c. het intrekken of ten
nadele van de ontvanger wijzigen van een subsidieverlening of een
subsidievaststelling.
AFDELING
4.1.3
Beslistermijn
Art. 4:13.
-1. Een beschikking dient
te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde
termijn of, bij het ontbreken van zulk een termijn, binnen een redelijke
termijn na ontvangst van de aanvraag.
-2. De in het eerste lid
bedoelde redelijke termijn is in ieder geval verstreken wanneer het
bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen
beschikking heeft gegeven, noch een kennisgeving als bedoeld in artikel
4:14 heeft gedaan.
Art. 4:14.
Indien, bij het ontbreken
van een bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn, een beschikking
niet binnen acht weken kan worden gegeven, stelt het bestuursorgaan
de aanvrager daarvan in kennis en noemt het daarbij een redelijke
termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
Art. 4:15.
De termijn voor het geven
van een beschikking wordt opgeschort met ingang van de dag waarop
het bestuursorgaan krachtens artikel 4:5 de aanvrager uitnodigt de
aanvraag aan te vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of
de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
[AFDELING
4.1.4
Motivering
Vervallen
(zie afdeling
3.7)
Art. 4:16. Vervallen.
Art.
4:17. Vervallen.
Art.
4:18. Vervallen.
Art.
4:19. Vervallen.
Art.
4:20. Vervallen, red.]
TITEL
4.2
Subsidies
AFDELING
4.2.1
Inleidende
bepalingen
Art. 4:21.
-1. Onder subsidie wordt
verstaan: de aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan
verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders
dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of
diensten.
-2. Deze titel is niet van
toepassing op aanspraken of verplichtingen die voortvloeien uit een
wettelijk voorschrift inzake belastingen of de heffing van een premie dan wel
een premievervangende belasting ingevolge de Wet financiering
volksverzekeringen.
-3. Deze titel is niet van
toepassing op de aanspraak op financiële middelen die wordt
verstrekt op grond van een wettelijk voorschrift dat uitsluitend voorziet in
verstrekking aan rechtspersonen die krachtens publiekrecht zijn
ingesteld.
-4. Deze titel is van
overeenkomstige toepassing op de bekostiging van het onderwijs en
onderzoek.
Art. 4:22.
Onder subsidieplafond
wordt verstaan: het bedrag dat gedurende een bepaald tijdvak ten
hoogste beschikbaar is voor de verstrekking van subsidies krachtens een
bepaald wettelijk voorschrift.
Art. 4:23.
-1. Een bestuursorgaan
verstrekt slechts subsidie op grond van een wettelijk voorschrift dat
regelt voor welke activiteiten subsidie kan worden verstrekt.
-2. Indien een zodanig
wettelijk voorschrift is opgenomen in een niet op een wet berustende
algemene maatregel van bestuur, vervalt dat voorschrift vier jaren
nadat het in werking is getreden, tenzij vóór dat tijdstip een voorstel van
wet bij de Staten-Generaal is ingediend waarin de subsidie wordt geregeld.
-3. Het eerste lid is niet
van toepassing:
a. in afwachting van de
totstandkoming van een wettelijk voorschrift gedurende ten hoogste één
jaar of totdat een binnen dat jaar bij de Staten-Generaal ingediend
wetsvoorstel is verworpen of tot wet is verheven en in werking is
getreden;
b. indien de subsidie
rechtstreeks op grond van een door de Raad van de Europese Unie, het
Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of de Commissie van de Europese
Gemeenschappen vastgesteld programma wordt verstrekt;
c. indien de begroting de
subsidieontvanger en het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan
worden vastgesteld, vermeldt; of
d. in incidentele
gevallen, mits de subsidie voor ten hoogste vier jaren wordt verstrekt.
-4. Het bestuursorgaan
publiceert jaarlijks een verslag van de verstrekking van
subsidies met toepassing van het derde lid, onderdeel a en d.
Art. 4:24.
Indien een subsidie op
een wettelijk voorschrift berust, wordt ten minste eenmaal in de vijf jaren
een verslag gepubliceerd over de doeltreffendheid en de effecten van de
subsidie in de praktijk, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.
AFDELING
4.2.2
Het
subsidieplafond
Art. 4:25.
-1. Een subsidieplafond
kan slechts bij of krachtens wettelijk voorschrift worden vastgesteld.
-2. Een subsidie wordt
geweigerd voor zover door verstrekking van de subsidie het
subsidieplafond zou worden overschreden.
-3. Indien niet tijdig,
dan wel in bezwaar of beroep of ter uitvoering van een rechterlijke
uitspraak omtrent verstrekking wordt beslist, geldt de verplichting van het
tweede lid slechts voor zover zij ook gold op het tijdstip waarop de
beslissing in eerste aanleg werd genomen of had moeten worden genomen.
Art. 4:26.
-1. Bij of krachtens
wettelijk voorschrift wordt bepaald hoe het beschikbare bedrag wordt
verdeeld.
-2. Bij de bekendmaking
van het subsidieplafond wordt de wijze van verdeling vermeld.
Art. 4:27.
-1. Het subsidieplafond
wordt bekendgemaakt vóór de aanvang van het tijdvak waarvoor het is
vastgesteld.
-2. Indien het
subsidieplafond of een verlaging daarvan later wordt bekendgemaakt, heeft deze
bekendmaking geen gevolgen voor voordien ingediende aanvragen.
Art. 4:28.
Artikel 4:27, tweede lid,
is niet van toepassing, indien:
a. de aanvragen voor het
tijdvak waarvoor het subsidieplafond is vastgesteld ingevolge
wettelijk voorschrift moeten worden ingediend op een tijdstip waarop de
begroting nog niet is vastgesteld of goedgekeurd;
b. het een verlaging
betreft die voortvloeit uit de vaststelling of goedkeuring van de
begroting; en
c. bij de bekendmaking
van het subsidieplafond is gewezen op de mogelijkheid van
verlaging en de gevolgen daarvan voor reeds ingediende aanvragen.
AFDELING
4.2.3
De
subsidieverlening
Art. 4:29.
Tenzij bij wettelijk
voorschrift anders is bepaald, kan voorafgaand aan een subsidievaststelling
een beschikking omtrent subsidieverlening worden gegeven indien
een aanvraag daartoe is ingediend vóór de afloop van de activiteit
of het tijdvak waarvoor de subsidie wordt gevraagd.
Art. 4:30.
-1. De beschikking tot
subsidieverlening bevat een omschrijving van de activiteiten waarvoor
subsidie wordt verleend.
-2. De omschrijving kan
later worden uitgewerkt, voor zover de beschikking tot
subsidieverlening dit vermeldt.
Art. 4:31.
-1. De beschikking tot
subsidieverlening vermeldt het bedrag van de subsidie, dan wel de
wijze waarop dit bedrag wordt bepaald.
-2. Indien de beschikking
tot subsidieverlening het bedrag van de subsidie niet vermeldt,
vermeldt zij het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden
vastgesteld, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.
Art. 4:32.
Een subsidie in de vorm
van een periodieke aanspraak op financiële middelen wordt verleend
voor een bepaald tijdvak, dat in de beschikking tot subsidieverlening
wordt vermeld.
Art. 4:33.
Een subsidie kan niet
worden verleend onder de voorwaarde dat uitsluitend het
bestuursorgaan of uitsluitend de subsidieontvanger een bepaalde handeling
verricht, tenzij het betreft de voorwaarde dat:
a. de subsidieontvanger
medewerkt aan de totstandkoming van een overeenkomst ter
uitvoering van de beschikking tot subsidieverlening; of
b. de subsidieontvanger
aantoont dat een gebeurtenis, niet zijnde een handeling van het
bestuursorgaan of van de subsidieontvanger, heeft plaatsgevonden.
Art. 4:34.
-1. Voor zover een
subsidie wordt verleend ten laste van een begroting die nog niet is
vastgesteld of goedgekeurd, kan zij worden verleend onder de voorwaarde dat
voldoende gelden ter beschikking worden gesteld.
-2. De voorwaarde kan niet
worden gesteld voor zover zulks voortvloeit uit het wettelijk
voorschrift waarop de subsidie berust.
-3. De voorwaarde vervalt
indien het bestuursorgaan daarop niet binnen vier weken na de
vaststelling of goedkeuring van de begroting een beroep heeft gedaan.
-4. Het beroep op de
voorwaarde geschiedt bij een subsidie voor een activiteit die door het
bestuursorgaan ook in het voorafgaande begrotingsjaar werd gesubsidieerd door
een intrekking wegens veranderde omstandigheden
overeenkomstig artikel 4:50.
-5. In andere gevallen
geschiedt het beroep op de voorwaarde door een intrekking overeenkomstig
artikel 4:48, eerste lid.
Art. 4:35.
-1. De subsidieverlening
kan in ieder geval worden geweigerd indien een gegronde reden
bestaat om aan te nemen dat:
a. de activiteiten niet
of niet geheel zullen plaatsvinden;
b. de aanvrager niet zal
voldoen aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;
c. de aanvrager niet op
een behoorlijke wijze rekening en verantwoording zal afleggen omtrent de
verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en
inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van
belang zijn.
-2. De subsidieverlening
kan voorts in ieder geval worden geweigerd, indien de aanvrager:
a. in het kader van de
aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de
verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste beschikking op de
aanvraag zouden hebben geleid; of
b. failliet is verklaard
of aan hem surseance van betaling is verleend, dan wel een verzoek
daartoe bij de rechtbank is ingediend.
Art. 4:36.
-1. Ter uitvoering van de
beschikking tot subsidieverlening kan een overeenkomst worden
gesloten.
-2. Tenzij bij wettelijk
voorschrift anders is bepaald of de aard van de subsidie zich daartegen
verzet, kan in de overeenkomst worden bepaald dat de subsidieontvanger
verplicht is de activiteiten te verrichten waarvoor de subsidie is
verleend.
AFDELING
4.2.4
Verplichtingen
van de subsidieontvanger
Art. 4:37.
-1. Het bestuursorgaan kan
de subsidieontvanger verplichtingen opleggen met betrekking
tot:
a. aard en omvang van de
activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend;
b. de administratie van
aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten;
c. het vóór de
subsidievaststelling verstrekken van gegevens en bescheiden die nodig zijn
voor een beslissing omtrent de subsidie;
d. de te verzekeren
risico’s;
e. het stellen van
zekerheid voor verleende voorschotten;
f. het afleggen van
rekening en verantwoording omtrent de verrichte activiteiten en de
daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling
van de subsidie van belang zijn;
g. het beperken of
wegnemen van de nadelige gevolgen van de subsidie voor derden;
h. het uitoefenen van
controle door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid,
van Boek 2 van
het Burgerlijk Wetboek op het door het bestuursorgaan
gevoerde financiële beheer en de financiële verantwoording daarover.
-2. Indien een
verplichting als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt opgelegd, zijn de
artikelen 4:3 en 4:4 van overeenkomstige toepassing.
Art. 4:38.
-1. Het bestuursorgaan kan
de subsidieontvanger ook andere verplichtingen opleggen die strekken tot
verwezenlijking van het doel van de subsidie.
-2. Indien de subsidie op
een wettelijk voorschrift berust, worden de verplichtingen opgelegd
bij wettelijk voorschrift of krachtens wettelijk voorschrift bij de
subsidieverlening.
-3. Indien de subsidie
niet op een wettelijk voorschrift berust, kunnen de verplichtingen worden
opgelegd bij de subsidieverlening.
Art. 4:39.
-1. Verplichtingen die
niet strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie kunnen
slechts aan de subsidie worden verbonden voor zover dit bij wettelijk
voorschrift is bepaald.
-2. Verplichtingen als
bedoeld in het eerste lid kunnen slechts betrekking hebben op de wijze waarop
of de middelen waarmee de gesubsidieerde activiteit wordt
verricht.
Art. 4:40.
De verplichtingen kunnen
na de subsidieverlening worden uitgewerkt, voor zover de beschikking
tot subsidieverlening dit vermeldt.
Art. 4:41.
-1. In de gevallen,
genoemd in het tweede lid, is de subsidieontvanger, voor zover het
verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor een vergoeding
verschuldigd aan het bestuursorgaan, mits:
a. dit bij wettelijk
voorschrift of, indien de subsidie niet op een wettelijk voorschrift berust, bij
de subsidieverlening is bepaald; en
b. daarbij is aangegeven
hoe de hoogte van de vergoeding wordt bepaald.
-2. De vergoeding is
slechts verschuldigd, indien:
a. de subsidieontvanger
voor de gesubsidieerde activiteiten gebruikte of bestemde goederen
vervreemdt of bezwaart of de bestemming daarvan wijzigt;
b. de subsidieontvanger
een schadevergoeding ontvangt voor verlies of beschadiging van voor
de gesubsidieerde activiteiten gebruikte of bestemde goederen;
c. de gesubsidieerde
activiteiten geheel of gedeeltelijk worden beëindigd;
d. de subsidieverlening
of de subsidievaststelling wordt ingetrokken of de subsidie wordt
beëindigd; of
e. de rechtspersoon die
de subsidie ontving, wordt ontbonden.
-3. De vergoeding wordt
vastgesteld binnen één jaar nadat het bestuursorgaan op de hoogte is gekomen
of kon zijn van de gebeurtenis die het recht op vergoeding deed
ontstaan, doch in ieder geval binnen vijf jaren na de bekendmaking van de
laatste beschikking tot subsidievaststelling.
AFDELING
4.2.5
De
subsidievaststelling
Art. 4:42.
De beschikking tot
subsidievaststelling stelt het bedrag van de subsidie vast en geeft aanspraak
op betaling van het vastgestelde bedrag overeenkomstig afdeling
4.2.7.
Art. 4:43.
-1. Indien geen
beschikking tot subsidieverlening is gegeven, bevat de beschikking tot
subsidievaststelling een aanduiding van de activiteiten waarvoor subsidie wordt
verstrekt.
-2. De artikelen 4:32,
4:35, tweede lid, 4:38 en 4:39 zijn van overeenkomstige toepassing.
Art. 4:44.
-1. Indien een beschikking
tot subsidieverlening is gegeven, dient de subsidieontvanger na
afloop van de activiteiten of het tijdvak waarvoor de subsidie is verleend
een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in, tenzij:
a. de subsidie met
toepassing van artikel 4:47, onderdeel a, ambtshalve wordt vastgesteld;
b. bij wettelijk
voorschrift of bij de subsidieverlening is bepaald dat de aanvraag wordt ingediend
telkens na afloop van een gedeelte van het tijdvak waarvoor de
subsidie is verleend; of
c. de vaststelling van de
subsidie bij een overeenkomst als bedoeld in artikel
4:36, eerste lid,
anders is geregeld.
-2. Indien bij wettelijk
voorschrift geen termijn is bepaald, wordt de aanvraag tot vaststelling
ingediend binnen een bij de subsidieverlening te bepalen termijn.
-3. Indien voor de
indiening van de aanvraag tot vaststelling geen termijn is bepaald of de
aanvraag na afloop van de daarvoor bepaalde termijn niet is ingediend,
kan het bestuursorgaan de subsidieontvanger een termijn stellen
binnen welke de aanvraag moet zijn ingediend.
-4. Indien na afloop van
deze termijn geen aanvraag is ingediend, kan de subsidie ambtshalve
worden vastgesteld.
Art. 4:45.
-1. Bij de aanvraag tot
subsidievaststelling toont de aanvrager aan dat de activiteiten hebben
plaatsgevonden overeenkomstig de aan de subsidie verbonden
verplichtingen, tenzij de subsidie vóór de aanvang van de activiteiten wordt
vastgesteld.
-2. Bij de aanvraag tot
subsidievaststelling legt de aanvrager rekening en verantwoording af
omtrent de aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover
deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn.
Art. 4:46.
-1. Indien een beschikking
tot subsidieverlening is gegeven, stelt het bestuursorgaan de
subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast.
-2. De subsidie kan lager
worden vastgesteld, indien:
a. de activiteiten
waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden;
b. de subsidieontvanger
niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;
c. de subsidieontvanger
onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de
verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de
aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid; of
d. de subsidieverlening
anderszins onjuist was en de subsidieontvanger dit wist of behoorde te
weten.
-3. Voor zover het bedrag
van de subsidie afhankelijk is van de werkelijke kosten van de
activiteiten waarvoor subsidie is verleend, worden kosten die in
redelijkheid niet als noodzakelijk kunnen worden beschouwd bij de vaststelling van
de subsidie niet in aanmerking genomen.
Art. 4:47.
Het bestuursorgaan kan de
subsidie geheel of gedeeltelijk ambtshalve vaststellen, indien:
a. bij wettelijk
voorschrift of bij de subsidieverlening een termijn is bepaald binnen welke de
subsidie ambtshalve wordt vastgesteld;
b. toepassing wordt
gegeven aan artikel 4:44, vierde lid; of
c. de beschikking tot
subsidieverlening of de beschikking tot subsidievaststelling wordt ingetrokken of ten
nadele van de ontvanger wordt gewijzigd.
AFDELING
4.2.6
Intrekking
en wijziging
Art. 4:48.
-1. Zolang de subsidie
niet is vastgesteld, kan het bestuursorgaan de subsidieverlening
intrekken of ten nadele van de subsidieontvanger wijzigen, indien:
a. de activiteiten
waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden of
zullen plaatsvinden;
b. de subsidieontvanger
niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;
c. de subsidieontvanger
onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de
verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de
aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid;
d. de subsidieverlening
anderszins onjuist was en de subsidieontvanger dit wist of behoorde te
weten; of
e. met toepassing van
artikel 4:34, vijfde lid, een beroep wordt gedaan op de voorwaarde dat
voldoende gelden ter beschikking worden gesteld.
-2. De intrekking of
wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de subsidie is verleend,
tenzij bij de intrekking of wijziging anders is bepaald.
Art. 4:49.
-1. Het bestuursorgaan kan
de subsidievaststelling intrekken of ten nadele van de ontvanger
wijzigen:
a. op grond van feiten of
omstandigheden waarvan het bij de subsidievaststelling redelijkerwijs niet op de
hoogte kon zijn en op grond waarvan de subsidie lager dan
overeenkomstig de subsidieverlening zou zijn vastgesteld;
b. indien de
subsidievaststelling onjuist was en de subsidieontvanger dit wist of behoorde te
weten; of
c. indien de subsidieontvanger na de subsidievaststelling niet heeft voldaan aan aan de
subsidie verbonden verplichtingen.
-2. De intrekking of
wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de subsidie is
vastgesteld, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is bepaald.
-3. De
subsidievaststelling kan niet meer worden ingetrokken of ten nadele van de ontvanger
worden gewijzigd indien vijf jaren zijn verstreken sedert de dag waarop zij
is bekendgemaakt dan wel, in het geval, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel c, sedert de dag waarop de handeling in strijd met de verplichting is
verricht of de dag waarop aan de verplichting had moeten zijn voldaan.
Art. 4:50.
-1. Zolang de subsidie
niet is vastgesteld, kan het bestuursorgaan de subsidieverlening met
inachtneming van een redelijke termijn intrekken of ten nadele van de
subsidieontvanger wijzigen:
a. voor zover de
subsidieverlening onjuist is;
b. voor zover veranderde
omstandigheden of gewijzigde inzichten zich in overwegende mate tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van
de subsidie verzetten; of
c. in andere bij
wettelijk voorschrift geregelde gevallen.
-2. Bij intrekking of
wijziging op grond van het eerste lid, onderdeel a of b, vergoedt het
bestuursorgaan de schade die de subsidieontvanger lijdt doordat hij in vertrouwen
op de subsidie anders heeft gehandeld dan hij zonder subsidie zou
hebben gedaan.
Art. 4:51.
-1. Indien aan een subsidieontvanger voor drie of meer achtereenvolgende jaren subsidie is
verstrekt voor dezelfde of in hoofdzaak dezelfde voortdurende
activiteiten, geschiedt gehele of gedeeltelijke weigering van de subsidie voor een
daarop aansluitend tijdvak op de grond dat veranderde omstandigheden
of gewijzigde inzichten zich tegen voortzetting of ongewijzigde
voortzetting van de subsidie verzetten, slechts met inachtneming van een
redelijke termijn.
-2. Voor zover aan het
einde van het tijdvak waarvoor subsidie is verleend sedert de
bekendmaking van het voornemen tot weigering voor een daarop aansluitend
tijdvak nog geen redelijke termijn is verstreken, wordt de subsidie voor
het resterende deel van die termijn verleend, zo nodig in afwijking van
artikel 4:25, tweede lid.
AFDELING
4.2.7
Betaling
en terugvordering
Art. 4:52.
-1. Het subsidiebedrag
wordt overeenkomstig de subsidievaststelling betaald, onder
verrekening van de betaalde voorschotten.
-2. Het subsidiebedrag
wordt binnen vier weken na de subsidievaststelling betaald, tenzij bij
wettelijk voorschrift anders is bepaald.
-3. Indien de subsidie
niet op een wettelijk voorschrift berust, kan bij de subsidieverlening, of,
indien geen beschikking tot subsidieverlening is gegeven, bij de
subsidievaststelling, een andere termijn worden bepaald waarbinnen het
subsidiebedrag wordt betaald.
Art. 4:53.
-1. Het subsidiebedrag kan
in gedeelten worden betaald, mits bij wettelijk voorschrift is
bepaald hoe de gedeelten worden berekend en op welke tijdstippen zij
worden betaald.
-2. Indien de subsidie
niet op een wettelijk voorschrift berust, kan het subsidiebedrag in
gedeelten worden betaald, mits bij de subsidieverlening, of, indien geen
beschikking tot subsidieverlening is gegeven, bij de
subsidievaststelling,
is bepaald hoe de gedeelten worden berekend en op welke tijdstippen zij
worden betaald.
Art. 4:54.
-1. Het bestuursorgaan kan
de subsidieontvanger voorschotten verlenen, voor zover dit
bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening is bepaald.
-2. De beschikking tot
voorschotverlening vermeldt het bedrag van het voorschot, dan wel de
wijze waarop dit bedrag wordt bepaald.
Art. 4:55.
-1. Voorschotten worden
overeenkomstig de voorschotverlening betaald.
-2. Het voorschot worden
binnen vier weken na de voorschotverlening betaald, tenzij bij
wettelijk voorschrift of bij de voorschotverlening anders is bepaald.
Art. 4:56.
De verplichting tot
betaling van een subsidiebedrag of een voorschot wordt opgeschort met
ingang van de dag waarop het bestuursorgaan aan de subsidieontvanger
schriftelijk kennis geeft van het ernstige vermoeden dat er grond
bestaat om toepassing te geven aan artikel 4:48 of 4:49, tot en met de
dag waarop de beschikking omtrent de intrekking of wijziging is
bekendgemaakt of de dag waarop sedert de kennisgeving van het ernstige vermoeden
dertien weken zijn verstreken.
Art. 4:57.
Onverschuldigd betaalde
subsidiebedragen en voorschotten kunnen worden teruggevorderd
voor zover na de dag waarop de subsidie is vastgesteld, dan wel de
handeling als bedoeld in artikel 4:49, eerste lid, onderdeel c, heeft
plaatsgevonden, nog geen vijf jaren zijn verstreken.
AFDELING
4.2.8
Per
boekjaar verstrekte subsidies aan rechtspersonen
§ 4.2.8.1.
Inleidende bepalingen
Art. 4:58.
-1. Deze afdeling is van
toepassing op per boekjaar verstrekte subsidies indien dat bij wettelijk
voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan is bepaald.
-2. Bij algemene maatregel
van bestuur kan worden bepaald dat deze afdeling van toepassing
is op daarbij aangewezen subsidies.
Art. 4:59.
-1. Het bestuursorgaan dat
met toepassing van deze afdeling een subsidie verleent, kan één
of meer toezichthouders aanwijzen die zijn belast met het toezicht
op de naleving van de aan de ontvanger van die subsidie opgelegde
verplichtingen.
-2. De toezichthouder
beschikt niet over de bevoegdheden, vermeld in de artikelen 5:18 en
5:19.
§ 4.2.8.2.
De
aanvraag
Art. 4:60.
Tenzij bij wettelijk
voorschrift anders is bepaald, wordt de aanvraag van de subsidie uiterlijk
dertien weken vóór de aanvang van het boekjaar ingediend.
Art. 4:61.
-1. De aanvraag van de
subsidie gaat in ieder geval vergezeld van:
a. een activiteitenplan,
tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte is; en
b. een begroting, tenzij
deze voor de berekening van het bedrag van de subsidie niet van belang
is.
-2. Indien de aanvrager
beschikt over een egalisatiereserve als bedoeld in artikel
4:72, vermeldt
de aanvraag de omvang daarvan.
Art. 4:62.
Het activiteitenplan
behelst een overzicht van de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd
en de daarmee nagestreefde doelstellingen en vermeldt per activiteit
de daarvoor benodigde personele en materiële middelen.
Art. 4:63.
-1. De begroting behelst
een overzicht van de voor het boekjaar geraamde inkomsten en
uitgaven van de aanvrager, voor zover deze betrekking hebben op de
activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd.
-2. De begrotingsposten
worden ieder afzonderlijk van een toelichting voorzien.
-3. Tenzij voor de
activiteiten waarop de aanvraag betrekking heeft nog niet eerder subsidie werd
verstrekt, behelst de begroting een vergelijking met de begroting van het
lopende boekjaar en de gerealiseerde inkomsten en uitgaven van het jaar
voorafgaand aan het lopende boekjaar.
Art. 4:64.
-1. Tenzij de aanvraag
wordt ingediend door een krachtens publiekrecht ingestelde rechtspersoon,
gaat deze, indien voor het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar geen
subsidie werd aangevraagd, voorts vergezeld van:
a. een afschrift van de
oprichtingsakte van de rechtspersoon dan wel van de statuten zoals
deze laatstelijk zijn gewijzigd; en
b. de laatst opgemaakte
jaarrekening als bedoeld in artikel 361 van Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek dan wel de balans en de staat van baten en lasten en de
toelichting daarop of, indien deze bescheiden ontbreken, een verslag
over de financiële positie van de aanvrager op het moment van de aanvraag.
-2. De in het eerste lid,
onderdeel b, bedoelde bescheiden dan wel het verslag over de
financiële positie zijn voorzien van een van een accountant als bedoeld in
artikel 393, eerste lid, van Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek afkomstige schriftelijke verklaring omtrent de getrouwheid
onderscheidenlijk een mededeling, inhoudende dat van onjuistheden niet is
gebleken.
-3. Bij wettelijk
voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan kan vrijstelling of
ontheffing worden verleend van het in het tweede lid bepaalde.
Art. 4:65.
Voor zover de aanvrager
voor dezelfde begrote uitgaven tevens subsidie heeft aangevraagd bij
één
of meer andere bestuursorganen, doet hij daarvan mededeling in de
aanvraag, onder vermelding van de stand van zaken met betrekking tot
de beoordeling van die aanvraag of aanvragen.
§ 4.2.8.3.
De
subsidieverlening
Art. 4:66.
De subsidie wordt slechts
verleend aan een rechtspersoon met volledige
rechtsbevoegdheid.
Art. 4:67.
-1. De subsidie wordt voor
een boekjaar of voor een bepaald aantal boekjaren verleend.
-2. Indien de subsidie
voor twee of meer boekjaren wordt verleend, wordt aan de subsidie de
verplichting verbonden tot het periodiek aan het bestuursorgaan
verstrekken van de gegevens die voor de vaststelling van de subsidie van belang
zijn.
-3. De beschikking tot
subsidieverlening vermeldt welke gegevens de subsidieontvanger
krachtens het tweede lid moet verstrekken, alsmede op welke tijdstippen de
gegevens moeten worden verstrekt.
§ 4.2.8.4.
Verplichtingen van de subsidieontvanger
Art. 4:68.
Tenzij bij wettelijk
voorschrift of bij de subsidieverlening anders is bepaald, stelt de
subsidieontvanger het boekjaar gelijk aan het kalenderjaar.
Art. 4:69.
-1. De subsidieontvanger
voert een zodanig ingerichte administratie dat daaruit te allen
tijde de voor de vaststelling van de subsidie van belang zijnde rechten en
verplichtingen alsmede de betalingen en de ontvangsten kunnen worden
nagegaan.
-2. De administratie en de
daartoe behorende bescheiden worden gedurende tien jaren
bewaard.
Art. 4:70.
Indien gedurende het
boekjaar aanmerkelijke verschillen ontstaan of dreigen te ontstaan
tussen de werkelijke uitgaven en inkomsten en de begrote uitgaven en
inkomsten, doet de subsidieontvanger daarvan onverwijld mededeling aan
het bestuursorgaan onder vermelding van de oorzaak van de
verschillen.
Art. 4:71.
-1. Indien dit bij
wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening is bepaald, behoeft de
subsidieontvanger de toestemming van het bestuursorgaan voor:
a. het oprichten van dan
wel deelnemen in een rechtspersoon;
b. het wijzigen van de
statuten;
c. het in eigendom
verwerven, het vervreemden of het bezwaren van registergoederen indien
zij mede zijn verworven door middel van de subsidiegelden, dan wel
de lasten daarvoor mede worden bekostigd uit de subsidiegelden;
d. het aangaan en
beëindigen van overeenkomsten tot verkrijging, vervreemding of bezwaring
van registergoederen of tot huur, verhuur of pacht daarvan indien
deze goederen geheel of gedeeltelijk zijn verworven door middel van de
subsidie dan wel de uitgaven daarvoor mede zijn bekostigd uit de
subsidie;
e. het aangaan van
kredietovereenkomsten en van overeenkomsten van geldlening;
f. het aangaan van
overeenkomsten waarbij de subsidieontvanger zich verbindt tot
zekerheidstelling met inbegrip van zekerheidstelling voor schulden van derden of
waarbij hij zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt
of zich voor een derde sterk maakt;
g. het vormen van fondsen
en reserveringen;
h. het vaststellen of
wijzigen van tarieven voor door de subsidieontvanger in de gewone uitoefening
van zijn gesubsidieerde activiteiten te verrichten prestaties;
i. het ontbinden van de
rechtspersoon;
j. het doen van aangifte
tot zijn faillissement of het aanvragen van zijn surseance van betaling.
-2. Het bestuursorgaan
beslist binnen vier weken omtrent de toestemming.
-3. De beslissing kan
eenmaal voor ten hoogste vier weken worden verdaagd.
-4. Indien omtrent de
toestemming niet tijdig is beslist, wordt de toestemming geacht te
zijn verleend.
Art. 4:72.
-1. Indien dit bij
wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening is bepaald, vormt de
ontvanger een egalisatiereserve.
-2. Het verschil tussen de
vastgestelde subsidie en de werkelijke kosten van de activiteiten
waarvoor subsidie werd verleend, komt ten gunste onderscheidenlijk ten
laste van de egalisatiereserve.
-3. De egalisatiereserve
wordt zo hoog rentend en zo veilig als redelijkerwijs mogelijk is, belegd.
-4. De van de
egalisatiereserve genoten rente wordt aan de egalisatiereserve toegevoegd.
-5. In de gevallen, bedoeld
in artikel 4:41, tweede lid, onderdeel c, d en e, is de
subsidieontvanger ter zake van de egalisatiereserve vergoedingsplichtig
naar evenredigheid van de
mate waarin de subsidie aan de egalisatiereserve heeft
bijgedragen.
§ 4.2.8.5.
De
subsidievaststelling
Art. 4:73.
De subsidie wordt per
boekjaar vastgesteld.
Art. 4:74.
De subsidieontvanger
dient binnen zes maanden na afloop van het boekjaar een aanvraag tot
vaststelling van de subsidie in, tenzij bij wettelijk voorschrift
anders is bepaald of de subsidie met toepassing van artikel
4:67, tweede lid,
voor twee of meer boekjaren is verleend.
Art. 4:75.
-1. De aanvraag tot
vaststelling gaat in ieder geval vergezeld van een financieel verslag en een
activiteitenverslag.
-2. Indien de subsidieontvanger ingevolge wettelijk voorschrift verplicht is tot het opstellen van
een jaarrekening als bedoeld in artikel 361 van Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek, of indien dit bij de subsidieverlening is bepaald, legt hij in
plaats van het financieel verslag de jaarrekening over, onverminderd artikel
4:45, tweede lid.
Art. 4:76.
-1. Indien de subsidieontvanger zijn inkomsten geheel ontleent aan de subsidie, omvat het
financiële verslag de balans en de exploitatierekening met de toelichting en
zijn het tweede tot en met vijfde lid van toepassing.
-2. Het financiële
verslag geeft volgens normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar
worden beschouwd een zodanig inzicht dat een verantwoord
oordeel kan worden gevormd omtrent:
a. het vermogen en het exploitatiesaldo; en
b. voor zover de aard van
het financiële verslag dat toelaat, omtrent de solvabiliteit en de
liquiditeit van de subsidieontvanger.
-3. De balans met de
toelichting geeft getrouw, duidelijk en stelselmatig de grootte en de
samenstelling in actief- en passiefposten van het vermogen op het einde van
het boekjaar weer.
-4. De exploitatierekening
met de toelichting geeft getrouw, duidelijk en stelselmatig de grootte
van het exploitatiesaldo van het boekjaar weer.
-5. Het financiële
verslag sluit aan op de begroting waarvoor subsidie is verleend en behelst een
vergelijking met de gerealiseerde inkomsten en uitgaven van het jaar
voorafgaand aan het boekjaar.
Art. 4:77.
Indien de subsidieontvanger zijn inkomsten in overwegende mate ontleent aan de subsidie,
kan bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening worden bepaald dat
artikel 4:76 van overeenkomstige toepassing is.
Art. 4:78.
-1. De subsidieontvanger
geeft opdracht tot onderzoek van het financiële verslag aan
een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek.
-2. De accountant
onderzoekt of het financiële verslag voldoet aan de bij of krachtens de wet
gestelde voorschriften en of het activiteitenverslag, voor zover hij dat
verslag kan beoordelen, met het financiële verslag verenigbaar is.
-3. De accountant geeft de
uitslag van zijn onderzoek weer in een schriftelijke verklaring
omtrent de getrouwheid van het financiële verslag.
-4. De aanvraag tot
vaststelling van de subsidie gaat vergezeld van de in het derde lid bedoelde
verklaring.
-5. Bij wettelijk
voorschrift of bij de subsidieverlening kan vrijstelling of ontheffing worden
verleend van het eerste tot en met het vierde lid.
Art. 4:79.
-1. Bij wettelijk
voorschrift of bij de subsidieverlening kan worden bepaald dat de in artikel
4:78, eerste lid, bedoelde opdracht tevens strekt tot onderzoek van de
naleving van aan de subsidie verbonden verplichtingen.
-2. Bij toepassing van het
eerste lid gaat de opdracht vergezeld van een bij of krachtens
wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening vast te stellen aanwijzing over
de reikwijdte en de intensiteit van de controle.
-3. Bij toepassing van het
eerste lid gaat het financiële verslag tevens vergezeld van een
schriftelijke verklaring van de accountant over de naleving door de
subsidieontvanger van de aan de subsidie verbonden verplichtingen.
Art. 4:80.
Het activiteitenverslag
beschrijft de aard en omvang van de activiteiten waarvoor subsidie werd
verleend en bevat een vergelijking tussen de nagestreefde en de
gerealiseerde doelstellingen en een toelichting op de verschillen.
TITEL
4.3
Beleidsregels
Art. 4:81.
-1. Een bestuursorgaan kan
beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of
onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem
gedelegeerde bevoegdheid.
-2. In andere gevallen kan
een bestuursorgaan slechts beleidsregels vaststellen voor zover
dit bij wettelijk voorschrift is bepaald.
Art. 4:82.
Ter motivering van een
besluit kan slechts worden volstaan met een verwijzing naar een vaste
gedragslijn voor zover deze is neergelegd in een beleidsregel.
Art. 4:83.
Bij de bekendmaking van
het besluit, inhoudende een beleidsregel, wordt zo mogelijk het
wettelijk voorschrift vermeld waaruit de bevoegdheid waarop het
besluit, inhoudende een beleidsregel, betrekking heeft, voortvloeit.
Art. 4:84.
Het bestuursorgaan
handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor één of meer
belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden
onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen
doelen.
HOOFDSTUK
5
Handhaving
AFDELING
5.2
Toezicht
op de naleving
Art. 5:11.
Onder toezichthouder
wordt verstaan: een persoon bij of krachtens wettelijk voorschrift
belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
krachtens enig wettelijk voorschrift.
Art.
5:12.¹
-1. Bij de uitoefening van
zijn taak draagt een toezichthouder een legitimatiebewijs bij
zich, dat is uitgegeven door het bestuursorgaan onder
verantwoordelijkheid waarvan de toezichthouder werkzaam is.
-2. Een toezichthouder
toont zijn legitimatiebewijs desgevraagd aanstonds.
-3. Het legitimatiebewijs
bevat een foto van de toezichthouder en vermeldt in ieder geval
diens naam en hoedanigheid. Het model van het legitimatiebewijs wordt
vastgesteld bij regeling van Onze Minister van
Justitie.
1. Artikel
5:12, derde
lid, tweede volzin, treedt in werking met ingang van
1 januari 2001. [Voetnoot van de wetgever, red.]
Art. 5:13.
Een toezichthouder maakt
van zijn bevoegdheden slechts gebruik voor zover dat redelijkerwijs
voor de vervulling van zijn taak nodig is.
Art. 5:14.
Bij wettelijk voorschrift
of bij besluit van het bestuursorgaan dat de toezichthouder als
zodanig aanwijst, kunnen de aan de toezichthouder toekomende bevoegdheden
worden beperkt.
Art. 5:15.
-1. Een toezichthouder is
bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, elke plaats
te betreden, met uitzondering van een woning zonder toestemming van de
bewoner.
-2. Zo nodig verschaft hij
zich toegang met behulp van de sterke arm.
-3. Hij is bevoegd zich te
doen vergezellen door personen die daartoe door hem zijn aangewezen.
Art. 5:16.
Een toezichthouder is
bevoegd inlichtingen te vorderen.
Art. 5:17.
-1. Een toezichthouder is
bevoegd inzage te vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden.
-2. Hij is bevoegd van de
gegevens en bescheiden kopieën te maken.
-3. Indien het maken van
kopieën niet ter plaatse kan geschieden, is hij bevoegd de gegevens en
bescheiden voor dat doel voor korte tijd mee te nemen tegen een door hem
af te geven schriftelijk bewijs.
Art. 5:18.
-1. Een toezichthouder is
bevoegd zaken te onderzoeken, aan opneming te onderwerpen en daarvan
monsters te nemen.
-2. Hij is bevoegd daartoe
verpakkingen te openen.
-3. De toezichthouder
neemt op verzoek van de belanghebbende indien mogelijk een tweede
monster, tenzij bij of krachtens wettelijk voorschrift anders is bepaald.
-4. Indien het onderzoek,
de opneming of de monsterneming niet ter plaatse kan geschieden,
is hij bevoegd de zaken voor dat doel voor korte tijd mee te nemen tegen
een door hem af te geven schriftelijk bewijs.
-5. De genomen monsters
worden voor zover mogelijk teruggegeven.
-6. De belanghebbende
wordt op zijn verzoek zo spoedig mogelijk in kennis gesteld van de
resultaten van het onderzoek, de opneming of de monsterneming.
Art. 5:19.
-1. Een toezichthouder is
bevoegd vervoermiddelen te onderzoeken met betrekking waartoe hij
een toezichthoudende taak heeft.
-2. Hij is bevoegd
vervoermiddelen waarmee naar zijn redelijk oordeel zaken worden vervoerd met
betrekking waartoe hij een toezichthoudende taak heeft, op hun lading
te onderzoeken.
-3. Hij is bevoegd van de
bestuurder van een vervoermiddel inzage te vorderen van de wettelijk voorgeschreven bescheiden met betrekking
waartoe hij een
toezichthoudende taak heeft.
-4. Hij is bevoegd met het
oog op de uitoefening van deze bevoegdheden van de bestuurder van een
voertuig of van de schipper van een vaartuig te vorderen dat
deze zijn vervoermiddel stilhoudt en naar een door hem aangewezen
plaats overbrengt.
-5. Bij regeling van Onze Minister van
Justitie wordt bepaald op welke wijze de vordering tot
stilhouden wordt gedaan.
Art. 5:20.
-1. Een ieder is verplicht
aan een toezichthouder binnen de door hem gestelde redelijke
termijn alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de
uitoefening van zijn bevoegdheden.
-2. Zij die uit hoofde van
ambt, beroep of wettelijk voorschrift verplicht zijn tot geheimhouding,
kunnen het verlenen van medewerking weigeren, voor zover dit uit hun
geheimhoudingsplicht voortvloeit.
AFDELING
5.3
Bestuursdwang
Art. 5:21.
Onder bestuursdwang wordt
verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een
bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig
wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of
nagelaten.
Art. 5:22.
De bevoegdheid tot
toepassing van bestuursdwang bestaat slechts indien zij bij of
krachtens de wet is toegekend.
Art. 5:23.
Deze afdeling is niet van
toepassing indien wordt opgetreden ter onmiddellijke handhaving
van de openbare orde.
Art. 5:24.
-1. Een beslissing tot
toepassing van bestuursdwang wordt op schrift gesteld. De schriftelijke
beslissing is een beschikking.
-2. De beschikking
vermeldt welk voorschrift is of wordt overtreden.
-3. De bekendmaking
geschiedt aan de overtreder, aan de rechthebbenden op het gebruik van de
zaak ten aanzien waarvan bestuursdwang zal worden toegepast en
aan de aanvrager.
-4. In de beschikking
wordt een termijn gesteld waarbinnen de belanghebbenden de tenuitvoerlegging
kunnen voorkomen door zelf maatregelen te treffen. Het
bestuursorgaan omschrijft de te nemen maatregelen.
-5. Geen termijn behoeft
te worden gegund indien de vereiste spoed zich daartegen verzet.
-6. Indien de situatie
dermate spoedeisend is dat het bestuursorgaan de beslissing tot toepassing
van bestuursdwang niet tevoren op schrift kan stellen, zorgt het alsnog
zo spoedig mogelijk voor de opschriftstelling en voor de bekendmaking.
Art. 5:25.
-1. De overtreder is de
kosten verbonden aan de toepassing van bestuursdwang
verschuldigd, tenzij de kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste
behoren te komen.
-2. De beschikking
vermeldt dat de toepassing van bestuursdwang op kosten van de overtreder
plaatsvindt.
-3. Indien echter de
kosten geheel of gedeeltelijk niet ten laste van de overtreder zullen worden
gebracht, wordt zulks in de beschikking vermeld.
-4. Onder de kosten,
bedoeld in het eerste lid, worden begrepen de kosten verbonden aan de
voorbereiding van bestuursdwang, voor zover deze kosten zijn gemaakt
na het tijdstip waarop de termijn, bedoeld in artikel
5:24, vierde lid,
is verstreken.
-5. De kosten zijn ook
verschuldigd indien de bestuursdwang door opheffing van de
onwettige situatie niet of niet volledig is uitgevoerd.
-6. Onder de kosten,
bedoeld in het eerste lid, worden tevens begrepen de kosten voortvloeiende
uit de vergoeding van schade ingevolge artikel 5:27, zesde lid.
Art. 5:26.
-1. Het bestuursorgaan dat
bestuursdwang heeft toegepast, kan van de overtreder bij dwangbevel
de ingevolge artikel 5:25 verschuldigde kosten, verhoogd met de op de
invordering vallende kosten, invorderen.
-2. Het dwangbevel wordt
op kosten van de overtreder bij deurwaardersexploit betekend en levert een
executoriale titel op in de zin van het Tweede
Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
-3. Gedurende zes weken na
de dag van betekening staat verzet tegen het dwangbevel open door
dagvaarding van de rechtspersoon waartoe het bestuursorgaan
behoort.
-4. Het verzet schorst de
tenuitvoerlegging. Op verzoek van de rechtspersoon kan de rechter de
schorsing van de tenuitvoerlegging opheffen.
Art. 5:27.
-1. Om aan een beslissing
tot toepassing van bestuursdwang uitvoering te geven, hebben personen
die daartoe zijn aangewezen door het bestuursorgaan dat
bestuursdwang toepast, toegang tot elke plaats, voor zover dat redelijkerwijs
voor de vervulling van hun taak nodig is.
-2. Voor het binnentreden
in een woning zonder toestemming van de bewoner is het
bestuursorgaan dat bestuursdwang toepast bevoegd tot het geven van een
machtiging als bedoeld in artikel 2 van de Algemene
wet op het binnentreden.
-3. Een plaats die niet
bij de overtreding is betrokken, wordt niet betreden dan nadat het
bestuursorgaan dat bestuursdwang toepast dit de rechthebbende ten minste
48 uren tevoren schriftelijk heeft aangezegd.
-4. Het derde lid geldt niet indien tijdige aanzegging wegens de vereiste spoed niet mogelijk is.
De aanzegging geschiedt dan zo spoedig mogelijk.
-5. De aanzegging
omschrijft de wijze waarop het betreden zal plaatsvinden.
-6. De rechtspersoon
waartoe het bestuursorgaan behoort, vergoedt de schade die door het
betreden van een plaats als bedoeld in het derde lid wordt veroorzaakt, voor
zover deze redelijkerwijs niet ten laste van de rechthebbende behoort te
komen, onverminderd het recht tot verhaal van deze schade op de
overtreder ingevolge artikel 5:25, zesde lid.
Art. 5:28.
Tot de bevoegdheid tot
toepassing van bestuursdwang behoort het verzegelen van gebouwen,
terreinen en hetgeen zich daarin of daarop bevindt.
Art. 5:29.
-1. Tot de bevoegdheid tot
toepassing van bestuursdwang behoort het meevoeren en opslaan van
daarvoor vatbare zaken voor zover de toepassing van
bestuursdwang dit vereist.
-2. Indien zaken zijn
meegevoerd en opgeslagen, doet het bestuursorgaan dat bestuursdwang heeft
toegepast daarvan proces-verbaal opmaken, waarvan
afschrift wordt verstrekt aan degene die de zaken onder zijn beheer had.
-3. Het bestuursorgaan
draagt zorg voor de bewaring van de opgeslagen zaken en geeft deze zaken
terug aan de rechthebbende.
-4. Het bestuursorgaan is
bevoegd de afgifte op te schorten totdat de ingevolge artikel 5:25
verschuldigde kosten zijn voldaan. Indien de rechthebbende niet tevens
de overtreder is, is het bestuursorgaan bevoegd de afgifte op te
schorten totdat de kosten van bewaring zijn voldaan.
Art. 5:30.
-1. Het bestuursorgaan dat
bestuursdwang heeft toegepast, is bevoegd, indien een ingevolge
artikel 5:29, eerste lid, meegevoerde en opgeslagen zaak niet binnen dertien
weken na de meevoering kan worden teruggegeven, deze te verkopen of,
indien verkoop naar zijn oordeel niet mogelijk is, de zaak om niet aan een derde in eigendom over te dragen of te laten
vernietigen.
-2. Gelijke bevoegdheid
heeft het bestuursorgaan ook binnen die termijn, zodra de
ingevolge artikel 5:25 verschuldigde kosten, vermeerderd met de voor
de verkoop, de eigendomsoverdracht om niet of de vernietiging geraamde
kosten, in verhouding tot de waarde van de zaak onevenredig hoog
worden.
-3. Verkoop,
eigendomsoverdracht of vernietiging vindt niet plaats binnen twee weken na de
verstrekking van het afschrift, bedoeld in artikel 5:29, tweede lid, tenzij
het gevaarlijke stoffen of eerder aan bederf onderhevige stoffen
betreft.
-4. Gedurende drie jaren
na het tijdstip van verkoop heeft degene die op dat tijdstip eigenaar
was recht op de opbrengst van de zaak onder aftrek van de ingevolge artikel
5:25 verschuldigde kosten en de kosten van de verkoop. Na het
verstrijken van die termijn vervalt het eventuele batige saldo aan de
rechtspersoon waartoe het bestuursorgaan behoort.
Art. 5:31.
Een beslissing tot
toepassing van bestuursdwang wordt niet genomen zolang een ter zake van
de betrokken overtreding reeds gegeven beschikking tot oplegging
van een last onder dwangsom niet is ingetrokken.
AFDELING
5.4
Dwangsom
Art. 5:32.
-1. Een bestuursorgaan dat
bevoegd is bestuursdwang toe te passen, kan in plaats daarvan aan
de overtreder een last onder dwangsom opleggen.
-2. Een last onder
dwangsom strekt ertoe de overtreding ongedaan te maken of verdere
overtreding dan wel een herhaling van de overtreding te voorkomen.
-3. Voor het opleggen van
een last onder dwangsom wordt niet gekozen indien het belang dat het
betrokken voorschrift beoogt te beschermen, zich daartegen verzet.
-4. Het bestuursorgaan
stelt de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een
bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per
overtreding van de last. Het bestuursorgaan stelt tevens een bedrag vast
waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd. Het
vastgestelde bedrag staat in redelijke verhouding tot de zwaarte van het
geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging.
-5. In de beschikking tot
oplegging van een last onder dwangsom die strekt tot het ongedaan
maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding,
wordt een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan
uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.
Art. 5:33.
-1. Verbeurde dwangsommen
komen toe aan de rechtspersoon waartoe het bestuursorgaan
behoort dat de dwangsom heeft vastgesteld. Het bestuursorgaan kan bij
dwangbevel het verschuldigde bedrag, verhoogd met de op de invordering
vallende kosten, invorderen.
-2. Artikel 5:26, tweede
tot en met vierde lid, is van toepassing.
Art. 5:34.
-1. Het bestuursorgaan dat
een last onder dwangsom heeft opgelegd, kan op verzoek van de
overtreder de last opheffen, de looptijd ervan opschorten voor een
bepaalde termijn of de dwangsom verminderen in geval van blijvende of
tijdelijke gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de overtreder om aan
zijn verplichtingen te voldoen.
-2. Het bestuursorgaan dat
de last onder dwangsom heeft opgelegd, kan op verzoek van de
overtreder de last opheffen indien de beschikking één jaar van kracht is
geweest zonder dat de dwangsom is verbeurd.
Art. 5:35.
-1. De bevoegdheid tot
invordering van verbeurde bedragen verjaart door verloop van zes
maanden na de dag waarop zij zijn verbeurd.
-2. De verjaring wordt
geschorst door faillissement en ieder wettelijk beletsel voor invordering
van de dwangsom.
Art. 5:36.
Een last onder dwangsom
wordt niet opgelegd zolang een ter zake van de betrokken overtreding
reeds genomen beslissing tot toepassing van bestuursdwang niet is
ingetrokken.
HOOFDSTUK
6
Algemene
bepalingen over bezwaar en beroep
AFDELING
6.1
Inleidende
bepalingen
Art. 6:1.
De hoofdstukken 6 en 7
zijn van overeenkomstige toepassing indien is voorzien in de
mogelijkheid van bezwaar of beroep tegen andere handelingen van
bestuursorganen dan besluiten.
Art. 6:2.
Voor de toepassing van
wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep worden met een besluit
gelijkgesteld:
a. de schriftelijke
weigering een besluit te nemen; en
b. het niet tijdig nemen
van een besluit.
Art. 6:3.
Een beslissing inzake de
procedure ter voorbereiding van een besluit is niet vatbaar voor bezwaar
of beroep, tenzij deze beslissing de belanghebbende los van het voor te
bereiden besluit rechtstreeks in zijn belang treft.
AFDELING
6.2
Overige
algemene bepalingen
Art. 6:4.
-1. Het maken van bezwaar
geschiedt door het indienen van een bezwaarschrift bij het
bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen.
-2. Het instellen van
administratief beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij
het beroepsorgaan.
-3. Het instellen van
beroep op een administratieve rechter geschiedt door het indienen van een
beroepschrift bij die rechter.
Art. 6:5.
-1. Het bezwaar- of
beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:
a. de naam en het adres
van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van
het besluit waartegen het bezwaar of beroep is gericht;
d. de gronden van het
bezwaar of beroep.
-2. Bij het beroepschrift
wordt zo mogelijk een afschrift van het besluit waarop het geschil
betrekking heeft, overgelegd.
-3. Indien het bezwaar- of
beroepschrift in een vreemde taal is gesteld en een vertaling voor een
goede behandeling van het bezwaar of beroep noodzakelijk is, dient de
indiener zorg te dragen voor een vertaling.
Art. 6:6.
Indien niet is voldaan
aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in
behandeling nemen van het bezwaar of beroep, kan dit niet-ontvankelijk
worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim
te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
Art. 6:7.
De termijn voor het
indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken.
Art. 6:8.
-1. De termijn vangt aan
met ingang van de dag na die waarop het besluit op de
voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
-2. De termijn voor het
indienen van een bezwaarschrift tegen een besluit waartegen alleen
door één of meer bepaalde belanghebbenden administratief beroep kon
worden ingesteld, vangt aan met ingang van de dag na die waarop de
beroepstermijn ongebruikt is verstreken.
-3. De termijn voor het
indienen van een beroepschrift tegen een besluit dat aan goedkeuring is
onderworpen, vangt aan met ingang van de dag na die waarop het
besluit, inhoudende de goedkeuring van dat besluit, op de voorgeschreven wijze
is bekendgemaakt.
Art. 6:9.
-1. Een bezwaar- of
beroepschrift is tijdig ingediend indien het vóór het einde van de termijn is
ontvangen.
-2. Bij verzending per
post is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het vóór
het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan
een week na afloop van de termijn is ontvangen.
Art. 6:10.
-1. Ten aanzien van een vóór het begin van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift
blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien
het besluit ten tijde van de indiening:
a. wel reeds tot stand
was gekomen; of
b. nog niet tot stand was
gekomen, maar de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds
het geval was.
-2. De behandeling van het
bezwaar of beroep kan worden aangehouden tot het begin van de
termijn.
Art. 6:11.
Ten aanzien van een na
afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan
achterwege indien
redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is
geweest.
Art. 6:12.
-1. Indien het bezwaar of
beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, is het
niet aan een termijn gebonden.
-2. Het bezwaar- of
beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke
is tijdig een besluit te nemen.
-3. Het bezwaar of beroep
wordt niet-ontvankelijk verklaard indien het bezwaar- of beroepschrift
onredelijk laat is ingediend.
Art. 6:13.
Geen beroep kan worden
ingesteld tegen een op bezwaar of in administratief beroep
genomen besluit door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden
verweten geen bezwaar te hebben gemaakt of administratief beroep te
hebben ingesteld tegen het oorspronkelijke besluit.
Art. 6:14.
-1. Het orgaan waarbij het
bezwaar- of beroepschrift is ingediend, bevestigt de ontvangst
daarvan schriftelijk.
-2. Het orgaan waarbij het
beroepschrift is ingediend, geeft daarvan zo spoedig mogelijk kennis
aan het bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft genomen.
Art. 6:15.
-1. Indien het bezwaar- of
beroepschrift wordt ingediend bij een onbevoegd bestuursorgaan
of bij een onbevoegde administratieve rechter, wordt het, nadat
daarop de datum van ontvangst is aangetekend, zo spoedig mogelijk
doorgezonden aan het bevoegde orgaan, onder gelijktijdige mededeling
hiervan aan de afzender.
-2. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing indien in plaats van een bezwaarschrift een
beroepschrift is ingediend of omgekeerd.
-3. Het tijdstip van
indiening bij het onbevoegde orgaan is bepalend voor de vraag of het
bezwaar- of beroepschrift tijdig is ingediend, indien:
a. geen juiste toepassing
aan artikel 3:45 of artikel 6:23 is
gegeven;
b. het bezwaar of beroep
is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit; of
c. de onbevoegdheid van
het orgaan voor de indiener van het geschrift op een andere grond
onduidelijk kon zijn.
Art. 6:16.
Het bezwaar of beroep
schorst niet de werking van het besluit waartegen het is gericht,
tenzij bij of krachtens wettelijk voorschrift anders is bepaald.
Art. 6:17.
Indien iemand zich laat
vertegenwoordigen, zendt het orgaan dat bevoegd is op het bezwaar
of beroep te beslissen de op de zaak betrekking hebbende
stukken in ieder geval aan de gemachtigde.
Art. 6:18.
-1. Het aanhangig zijn van
bezwaar of beroep tegen een besluit brengt geen verandering in een
los van het bezwaar of beroep reeds bestaande bevoegdheid tot
intrekking of wijziging van dat besluit.
-2. Gaat het
bestuursorgaan tot intrekking of wijziging van het bestreden besluit over, dan doet
het daarvan onverwijld mededeling aan het orgaan waarbij het bezwaar of
beroep aanhangig is.
-3. Na de intrekking of
wijziging mag het bestuursorgaan, zolang het bezwaar of beroep
aanhangig blijft, geen besluit nemen waarvan de inhoud of strekking met
het oorspronkelijke besluit overeenstemt, tenzij:
a. gewijzigde
omstandigheden dit rechtvaardigen; en
b. het bestuursorgaan
daartoe los van het bezwaar of beroep ook bevoegd zou zijn geweest.
-4. Een bestuursorgaan
doet van een besluit als bedoeld in het derde lid onverwijld mededeling aan
het orgaan waarbij het bezwaar of beroep aanhangig is.
Art. 6:19.
-1. Indien een
bestuursorgaan een besluit heeft genomen als bedoeld in artikel
6:18, wordt het
bezwaar of beroep geacht mede te zijn gericht tegen het nieuwe besluit,
tenzij dat besluit aan het bezwaar of beroep geheel tegemoet komt.
-2. De beslissing op het
bezwaar of beroep tegen het nieuwe besluit kan echter worden verwezen
naar een ander orgaan waarbij bezwaar of beroep tegen dat nieuwe
besluit aanhangig is, dan wel kan of kon worden gemaakt.
-3. Intrekking van het
bestreden besluit staat niet in de weg aan vernietiging van dat
besluit indien de indiener van het bezwaar- of beroepschrift daarbij
belang heeft.
Art. 6:20.
-1. Indien het bezwaar of
beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, blijft
het bestuursorgaan verplicht een besluit op de aanvraag te nemen.
-2. Het in het eerste lid
bepaalde geldt niet:
a. gedurende de periode
dat het bezwaar aanhangig is;
b. na de beslissing op
het bezwaar of beroep indien de indiener van de aanvraag als gevolg
daarvan geen belang meer heeft bij een besluit op de aanvraag.
-3. Indien het
bestuursorgaan een besluit op de aanvraag neemt, doet het daarvan onverwijld
mededeling aan het orgaan waarbij het bezwaar of beroep tegen het niet
tijdig beslissen aanhangig is.
-4. Het bezwaar of beroep
wordt geacht mede te zijn gericht tegen het besluit op de aanvraag,
tenzij dat besluit aan het bezwaar of beroep geheel tegemoet komt.
-5. De beslissing op het
bezwaar of beroep tegen het besluit op de aanvraag kan echter
worden verwezen naar een ander orgaan waarbij bezwaar of beroep tegen
het besluit op de aanvraag aanhangig is, kan of kon worden gemaakt.
-6. Het bezwaar of beroep
tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag kan alsnog gegrond worden
verklaard indien de indiener van het bezwaar- of beroepschrift
daarbij belang heeft.
Art. 6:21.
-1. Het bezwaar of beroep
kan schriftelijk worden ingetrokken.
-2. Tijdens het horen kan
de intrekking ook mondeling geschieden.
Art. 6:22.
Een besluit waartegen
bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een
vormvoorschrift, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep
beslist, in stand worden gelaten indien blijkt dat de belanghebbenden daardoor
niet zijn benadeeld.
Art. 6:23.
-1. Indien beroep kan
worden ingesteld tegen de beslissing op het bezwaar of beroep, wordt
daarvan bij de bekendmaking van de beslissing melding gemaakt.
-2. Hierbij wordt vermeld
door wie, binnen welke termijn en bij welk orgaan beroep kan worden
ingesteld.
Art. 6:24.
-1. Deze afdeling is met
uitzondering van artikel 6:12 van overeenkomstige toepassing indien hoger
beroep of beroep in cassatie kan worden ingesteld.
-2. In afwijking van
artikel 6:4 geschiedt het instellen van beroep in cassatie door het
indienen van een beroepschrift bij de rechter tegen wiens uitspraak het
beroep is gericht.
HOOFDSTUK
7
Bijzondere
bepalingen over bezwaar en administratief beroep
AFDELING
7.1
Bezwaarschrift
voorafgaand aan beroep bij de administratieve rechter
Art. 7:1.
-1. Degene aan wie het
recht is toegekend tegen een besluit beroep op een administratieve
rechter in te stellen, dient alvorens beroep in te stellen tegen dat besluit
bezwaar te maken, tenzij het besluit:
a. op bezwaar of in
administratief beroep is genomen;
b. aan goedkeuring is onderworpen;
c. de goedkeuring van een
ander besluit of de weigering van die goedkeuring inhoudt; of
d. is voorbereid met
toepassing van één van de in afdeling 3.5 geregelde procedures.
-2. Tegen de beslissing op
het bezwaar kan beroep worden ingesteld met toepassing van de
voorschriften die gelden voor het instellen van beroep tegen het besluit
waartegen bezwaar is gemaakt.
AFDELING
7.2
Bijzondere
bepalingen over bezwaar
Art. 7:2.
-1. Voordat een
bestuursorgaan op het bezwaar beslist, stelt het belanghebbenden in de
gelegenheid te worden gehoord.
-2. Het bestuursorgaan
stelt daarvan in ieder geval de indiener van het bezwaarschrift op de
hoogte alsmede de belanghebbenden die bij de voorbereiding van het
besluit hun zienswijze naar voren hebben gebracht.
Art. 7:3.
Van het horen van
belanghebbenden kan worden afgezien, indien:
a. het bezwaar kennelijk
niet-ontvankelijk is;
b. het bezwaar kennelijk
ongegrond is;
c. de belanghebbenden
hebben verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden
gehoord; of
d. aan het bezwaar
volledig tegemoet wordt gekomen en andere belanghebbenden daardoor
niet in hun belangen kunnen worden geschaad.
Art. 7:4.
-1. Tot tien dagen vóór
het horen kunnen belanghebbenden nadere stukken indienen.
-2. Het bestuursorgaan
legt het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende
stukken voorafgaand aan het horen gedurende ten minste één week voor
belanghebbenden ter inzage.
-3. Bij de oproeping voor
het horen worden belanghebbenden gewezen op het eerste lid en
wordt vermeld waar en wanneer de stukken ter inzage zullen liggen.
-4. Belanghebbenden kunnen
van deze stukken tegen vergoeding van ten hoogste de kosten
afschriften verkrijgen.
-5. Voor zover de
belanghebbenden daarmee instemmen, kan toepassing van het tweede
lid achterwege worden gelaten.
-6. Het bestuursorgaan
kan, al dan niet op verzoek van een belanghebbende, toepassing van het tweede
lid voorts achterwege laten voor zover geheimhouding om
gewichtige redenen is geboden. Van de toepassing van deze bepaling wordt
mededeling gedaan.
-7. Gewichtige redenen
zijn in ieder geval niet aanwezig voor zover ingevolge de Wet
openbaarheid van bestuur de verplichting bestaat een verzoek om informatie,
vervat in deze stukken, in te willigen.
-8. Indien een gewichtige
reden is gelegen in de vrees voor schade aan de lichamelijke of
geestelijke gezondheid van een belanghebbende, kan inzage van de
desbetreffende stukken worden voorbehouden aan een gemachtigde die hetzij
advocaat, hetzij arts is.
Art. 7:5.
-1. Tenzij het horen
geschiedt door of mede door het bestuursorgaan zelf dan wel de
voorzitter of een lid ervan, geschiedt het horen door:
a. een persoon die niet
bij de voorbereiding van het bestreden besluit betrokken is geweest; of
b. meer dan één persoon
van wie de meerderheid, onder wie degene die het horen leidt, niet
bij de voorbereiding van het besluit betrokken is geweest.
-2. Voor zover niet bij
wettelijk voorschrift anders is bepaald, besluit het bestuursorgaan of het
horen in het openbaar plaatsvindt.
Art. 7:6.
-1. Belanghebbenden worden
in elkaars aanwezigheid gehoord.
-2. Ambtshalve of op
verzoek kunnen belanghebbenden afzonderlijk worden gehoord indien
aannemelijk is dat gezamenlijk horen een zorgvuldige behandeling
zal belemmeren of dat tijdens het horen feiten of omstandigheden bekend
zullen worden waarvan geheimhouding om gewichtige redenen is
geboden.
-3. Wanneer
belanghebbenden afzonderlijk zijn gehoord, wordt ieder van hen op de hoogte
gesteld van het verhandelde tijdens het horen buiten zijn aanwezigheid.
-4. Het bestuursorgaan
kan, al dan niet op verzoek van een belanghebbende, toepassing van het derde
lid achterwege laten voor zover geheimhouding om
gewichtige redenen is geboden. Artikel 7:4, zesde lid, tweede volzin, zevende en
achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.
Art. 7:7.
Van het horen wordt een
verslag gemaakt.
Art. 7:8.
-1. Op verzoek van de
belanghebbende kunnen door hem meegebrachte getuigen en deskundigen
worden gehoord.
-2. De kosten van getuigen
en deskundigen zijn voor rekening van de belanghebbende die deze
heeft meegebracht.
Art. 7:9.
Wanneer na het horen aan
het bestuursorgaan feiten of omstandigheden bekend worden die voor de
op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang
kunnen zijn, wordt dit aan belanghebbenden meegedeeld en worden zij
in de gelegenheid gesteld daarover te worden gehoord.
Art. 7:10.
-1. Het bestuursorgaan
beslist binnen zes weken of - indien een commissie als bedoeld in
artikel 7:13 is ingesteld - binnen tien weken na ontvangst van het
bezwaarschrift.
-2. De termijn wordt
opgeschort met ingang van de dag waarop de indiener is verzocht een
verzuim als bedoeld in artikel 6:6 te herstellen, tot de dag waarop het verzuim
is hersteld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
-3. Het bestuursorgaan kan
de beslissing voor ten hoogste vier weken verdagen. Van de
verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan.
-4. Verder uitstel is
mogelijk voor zover de indiener van het bezwaarschrift daarmee instemt en andere
belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden
geschaad of ermee instemmen.
Art. 7:11.
-1. Indien het bezwaar
ontvankelijk is, vindt op grondslag daarvan een heroverweging van het
bestreden besluit plaats.
-2. Voor zover de
heroverweging daartoe aanleiding geeft, herroept het bestuursorgaan het
bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw
besluit.
Art. 7:12.
-1. De beslissing op het
bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de
bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. Daarbij wordt, indien
ingevolge artikel 7:3 van het horen is afgezien, tevens aangegeven op
welke grond dat is geschied.
-2. De beslissing wordt
bekendgemaakt door toezending of uitreiking aan degenen tot wie zij
is gericht. Betreft het een besluit dat niet tot één of meer belanghebbenden was
gericht, dan wordt de beslissing bekendgemaakt op dezelfde wijze als
waarop dat besluit bekendgemaakt is.
-3. Zo spoedig mogelijk na
de bekendmaking van de beslissing wordt hiervan mededeling gedaan
aan de belanghebbenden die in bezwaar of bij de voorbereiding van
het bestreden besluit hun zienswijze naar voren hebben gebracht.
-4. Bij de mededeling,
bedoeld in het derde lid, is artikel 6:23 van overeenkomstige
toepassing en wordt met het oog op de aanvang van de beroepstermijn zo
duidelijk mogelijk aangegeven wanneer de bekendmaking van de beslissing
overeenkomstig het tweede lid heeft plaatsgevonden.
Art. 7:13.
-1. Dit artikel is van
toepassing indien ten behoeve van de beslissing op het bezwaar een
adviescommissie is ingesteld:
a. die bestaat uit een
voorzitter en ten minste twee leden;
b. waarvan de voorzitter
geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder
verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan; en
c. die voldoet aan
eventueel bij wettelijk voorschrift gestelde andere eisen.
-2. Bij het bericht van
ontvangst, bedoeld in artikel 6:14, wordt vermeld dat een commissie over
het bezwaar zal adviseren.
-3. Het horen geschiedt
door de commissie. De commissie kan het horen opdragen aan de
voorzitter of een lid dat geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder
verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan.
-4. De commissie beslist
over de toepassing van artikel 7:4, zesde lid, van artikel
7:5, tweede
lid, en, voor zover bij wettelijk voorschrift niet anders is bepaald, van
artikel 7:3.
-5. Een vertegenwoordiger
van het bestuursorgaan wordt voor het horen uitgenodigd en
wordt in de gelegenheid gesteld een toelichting op het standpunt van het
bestuursorgaan te geven.
-6. Het advies van de
commissie wordt schriftelijk uitgebracht en bevat een verslag van het
horen.
-7. Indien de beslissing
op het bezwaar afwijkt van het advies van de commissie, wordt in de
beslissing de reden voor die afwijking vermeld en wordt het advies met de
beslissing meegezonden.
Art. 7:14.
Artikel 3:6, tweede lid,
de afdelingen 3.4 en 3.5, de artikelen 3:41 tot en met
3:45, afdeling 3.7,
met uitzondering van artikel 3:49, en hoofdstuk 4 zijn niet van toepassing.
Art. 7:15.
Voor de behandeling van
het bezwaar is geen recht verschuldigd.
AFDELING
7.3
Bijzondere
bepalingen over administratief beroep
Art. 7:16.
-1. Voordat een
beroepsorgaan op het beroep beslist, stelt het belanghebbenden in de gelegenheid te
worden gehoord.
-2. Het beroepsorgaan
stelt daarvan in ieder geval de indiener van het beroepschrift op de
hoogte, alsmede het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen en de
belanghebbenden die bij de voorbereiding van het besluit of bij de
behandeling van het bezwaarschrift hun zienswijze naar voren hebben gebracht.
Art. 7:17.
Van het horen van
belanghebbenden kan worden afgezien, indien:
a. het beroep kennelijk
niet-ontvankelijk is;
b. het beroep kennelijk
ongegrond is; of
c. de belanghebbenden
hebben verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden
gehoord.
Art. 7:18.
-1. Tot tien dagen vóór
het horen kunnen belanghebbenden nadere stukken indienen.
-2. Het beroepsorgaan legt
het beroepschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende
stukken voorafgaand aan het horen gedurende ten minste één week voor
belanghebbenden ter inzage.
-3. Bij de oproeping voor
het horen worden belanghebbenden gewezen op het eerste lid en
wordt vermeld waar en wanneer de stukken ter inzage zullen liggen.
-4. Belanghebbenden kunnen
van deze stukken tegen vergoeding van ten hoogste de kosten
afschriften verkrijgen.
-5. Voor zover de
belanghebbenden daarmee instemmen, kan toepassing van het tweede
lid achterwege worden gelaten.
-6. Het beroepsorgaan kan,
al dan niet op verzoek van een belanghebbende, toepassing van het tweede
lid voorts achterwege laten voor zover geheimhouding om
gewichtige redenen is geboden. Van de toepassing van deze bepaling wordt
mededeling gedaan.
-7. Gewichtige redenen
zijn in ieder geval niet aanwezig voor zover ingevolge de Wet
openbaarheid van bestuur de verplichting bestaat een verzoek om informatie,
vervat in deze stukken, in te willigen.
-8. Indien een gewichtige
reden is gelegen in de vrees voor schade aan de lichamelijke of
geestelijke gezondheid van een belanghebbende, kan inzage van de
desbetreffende stukken worden voorbehouden aan een gemachtigde die hetzij
advocaat, hetzij arts is.
Art. 7:19.
-1. Het horen geschiedt
door het beroepsorgaan.
-2. Bij of krachtens de
wet kan het horen worden opgedragen aan een adviescommissie waarin één of meer leden zitting hebben die geen deel uitmaken van en niet
werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van het beroepsorgaan.
-3. Het horen geschiedt in
het openbaar, tenzij het beroepsorgaan op verzoek van een
belanghebbende of om gewichtige redenen ambtshalve anders beslist.
Art. 7:20.
-1. Belanghebbenden worden
in elkaars aanwezigheid gehoord.
-2. Ambtshalve of op
verzoek kunnen belanghebbenden afzonderlijk worden gehoord indien
aannemelijk is dat gezamenlijk horen een zorgvuldige behandeling
zal belemmeren of dat tijdens het horen feiten of omstandigheden bekend
zullen worden waarvan geheimhouding om gewichtige redenen is
geboden.
-3. Wanneer
belanghebbenden afzonderlijk zijn gehoord, wordt ieder van hen op de hoogte
gesteld van het verhandelde tijdens het horen buiten zijn aanwezigheid.
-4. Het beroepsorgaan kan,
al dan niet op verzoek van een belanghebbende, toepassing van het derde
lid achterwege laten voor zover geheimhouding om
gewichtige redenen is geboden. Artikel 7:18, zesde lid, tweede volzin,
zevende en achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.
Art. 7:21.
Van het horen wordt een
verslag gemaakt.
Art. 7:22.
-1. Op verzoek van de
belanghebbende kunnen door hem meegebrachte getuigen en deskundigen
worden gehoord.
-2. De kosten van getuigen
en deskundigen zijn voor rekening van de belanghebbende die deze
heeft meegebracht.
Art. 7:23.
Wanneer na het horen aan
het beroepsorgaan feiten of omstandigheden bekend worden die voor de
op het beroep te nemen beslissing van aanmerkelijk belang
kunnen zijn, wordt dit aan belanghebbenden meegedeeld en worden zij
in de gelegenheid gesteld daarover te worden gehoord.
Art. 7:24.
-1. Het beroepsorgaan
beslist binnen zestien weken na ontvangst van het beroepschrift.
-2. Indien het
beroepsorgaan evenwel behoort tot dezelfde rechtspersoon als het bestuursorgaan
tegen welks besluit het beroep is gericht, beslist het binnen zes
weken of, indien een commissie als bedoeld in artikel
7:19, tweede lid,
is ingesteld, binnen tien weken na ontvangst van het beroepschrift.
-3. De termijn wordt
opgeschort met ingang van de dag waarop de indiener is verzocht een
verzuim als bedoeld in artikel 6:6 te herstellen, tot de dag waarop het verzuim
is hersteld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
-4. Het beroepsorgaan kan
de beslissing voor ten hoogste acht weken verdagen.
-5. In het geval, bedoeld
in het tweede lid, kan het beroepsorgaan de beslissing echter voor
ten hoogste vier weken verdagen.
-6. Van de verdaging wordt
schriftelijk mededeling gedaan.
-7. Verder uitstel is
mogelijk voor zover de indiener daarmee instemt en andere belanghebbenden
daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad of ermee
instemmen.
Art. 7:25.
Voor zover het
beroepsorgaan het beroep ontvankelijk en gegrond acht, vernietigt het het
bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw
besluit.
Art. 7:26.
-1. De beslissing op het
beroep dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de
bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. Daarbij wordt, indien
ingevolge artikel 7:17 van het horen is afgezien, tevens aangegeven op
welke grond dat is geschied.
-2. Indien de beslissing
afwijkt van het advies van een commissie als bedoeld in artikel
7:19,
tweede lid, worden in de beslissing de redenen voor die afwijking
vermeld en wordt het advies met de beslissing meegezonden.
-3. De beslissing wordt
bekendgemaakt door toezending of uitreiking aan degenen tot wie zij
is gericht. Betreft het een besluit dat niet tot één of meer belanghebbenden was
gericht, dan wordt de beslissing bekendgemaakt op dezelfde wijze als
waarop dat besluit bekendgemaakt is.
-4. Zo spoedig mogelijk na
de bekendmaking van de beslissing wordt hiervan mededeling gedaan
aan het bestuursorgaan tegen welks besluit het beroep was gericht,
aan degenen tot wie het bestreden besluit was gericht en aan de
belanghebbenden die in beroep hun zienswijze naar voren hebben gebracht.
-5. Bij de mededeling,
bedoeld in het vierde lid, is artikel 6:23 van overeenkomstige
toepassing en wordt met het oog op de aanvang van de beroepstermijn zo
duidelijk mogelijk aangegeven wanneer de bekendmaking van de beslissing
overeenkomstig het derde lid heeft plaatsgevonden.
Art. 7:27.
Artikel 3:6, tweede lid,
de afdelingen 3.4 en 3.5, de artikelen 3:41 tot en met
3:45, afdeling 3.7,
met uitzondering van artikel 3:49, en hoofdstuk 4 zijn niet van toepassing.
Art. 7:28.
Voor de behandeling van
het beroep is geen recht verschuldigd.
[Art. 7:29.
Vervallen, red.]
HOOFDSTUK
8
Bijzondere
bepalingen over beroep bij de rechtbank
TITEL
8.1
Algemene
bepalingen
AFDELING
8.1.1
Bevoegdheid
Art. 8:1.
-1. Een belanghebbende kan
tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank.
-2. Met een besluit wordt
gelijkgesteld een andere handeling van een bestuursorgaan waarbij
een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet
als zodanig
of een dienstplichtige als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Kaderwet
dienstplicht als zodanig, hun nagelaten betrekkingen of hun
rechtverkrijgenden belanghebbende zijn.
-3. Met een besluit worden
gelijkgesteld:
a. de schriftelijke
beslissing, inhoudende de weigering van de goedkeuring van een
besluit, inhoudende een algemeen verbindend voorschrift of een
beleidsregel of de intrekking of de vaststelling van de inwerkingtreding
van een
algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel; en
b. de schriftelijke
beslissing, inhoudende de weigering van de goedkeuring van een
besluit ter voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling.
Art. 8:2.
Geen beroep kan worden
ingesteld tegen:
a. een besluit,
inhoudende een algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel;
b. een besluit,
inhoudende de intrekking of de vaststelling van de inwerkingtreding van een
algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel; en
c. een besluit,
inhoudende de goedkeuring van een besluit, inhoudende een algemeen verbindend
voorschrift of een beleidsregel of de intrekking of de vaststelling van de
inwerkingtreding van een algemeen verbindend voorschrift of een
beleidsregel.
Art. 8:3.
Geen beroep kan worden
ingesteld tegen een besluit ter voorbereiding van een
privaatrechtelijke rechtshandeling.
Art. 8:4.
Geen beroep kan worden
ingesteld tegen een besluit:
a. inhoudende schorsing
of vernietiging van een besluit van een ander bestuursorgaan;
b. op grond van een in
enig wettelijk voorschrift voor het geval van buitengewone
omstandigheden toegekende bevoegdheid of opgelegde verplichting in deze
omstandigheden genomen;
c. genomen op grond van
een wettelijk voorschrift ter beveiliging van de militaire belangen van
het Koninkrijk of zijn bondgenoten;
d. tot benoeming of
aanstelling, tenzij beroep wordt ingesteld door een ambtenaar als bedoeld in
artikel 1 van de Ambtenarenwet
als zodanig of een dienstplichtige als
bedoeld in hoofdstuk 2 van de Kaderwet
dienstplicht als zodanig, hun nagelaten betrekkingen of hun
rechtverkrijgenden;
e. inhoudende een
beoordeling van het kennen of kunnen van een kandidaat of leerling die
ter zake is geëxamineerd of op enigerlei andere wijze is getoetst, dan
wel inhoudende de vaststelling van opgaven, beoordelingsnormen of
nadere regels voor die examinering of toetsing;
f. inhoudende een
technische beoordeling van een voertuig of een luchtvaartuig, dan wel
een meetmiddel, een onderdeel daarvan of een hulpinrichting daarvoor;
g. genomen op grond van
een wettelijk voorschrift inzake belastingen of de heffing van een
premie dan wel een premievervangende belasting ingevolge de Wet
financiering volksverzekeringen;
h. inzake de nummering
van kandidatenlijsten, de geldigheid van lijstverbindingen, het
verloop van de stemming, de stemopneming en de vaststelling van de
uitslag bij verkiezingen van de leden van vertegenwoordigende organen, alsmede de
benoemdverklaring in opengevallen plaatsen; of
i. genomen op grond van
een wettelijk voorschrift inzake de verplichte krijgsdienst, voor zover
het keuring, herkeuring, werkelijke dienst, groot verlof of diensteindiging betreft, tenzij
het besluit betrekking heeft op
verlenging van werkelijke dienst of kostwinnersvergoeding, of het besluit is genomen
op grond van de Wet voor het reserve-personeel der
krijgsmacht 1985.
Art. 8:5.
Geen beroep kan worden
ingesteld tegen een besluit, genomen op grond van een wettelijk
voorschrift dat is opgenomen in de bijlage die bij deze wet behoort.
Art. 8:6.
-1. Geen beroep kan worden
ingesteld tegen een besluit waartegen beroep bij een andere
administratieve rechter kan of kon worden ingesteld.
-2. Geen beroep kan worden
ingesteld tegen een besluit waartegen administratief beroep kan
worden ingesteld of door de belanghebbende kon worden ingesteld.
Art. 8:7.
-1. Indien beroep wordt
ingesteld tegen een besluit van een provincie, een
gemeente, een
waterschap of een met toepassing van de Wet
gemeenschappelijke regelingen ingesteld openbaar lichaam of gemeenschappelijk orgaan, is de
rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan het bestuursorgaan zijn zetel
heeft bevoegd.
-2. Indien beroep wordt
ingesteld tegen een besluit van een ander bestuursorgaan, is de
rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de indiener van het
beroepschrift zijn woonplaats in Nederland heeft bevoegd. Indien de indiener van het beroepschrift geen woonplaats in
Nederland heeft, is de
rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan het bestuursorgaan zijn zetel
heeft bevoegd.
Art. 8:8.
-1. Indien tegen hetzelfde
besluit bij meer dan één bevoegde rechtbank beroep is ingesteld,
worden de zaken verder behandeld door de bevoegde rechtbank waarbij als
eerste beroep is ingesteld. Indien gelijktijdig bij meer dan één bevoegde
rechtbank als eerste beroep is ingesteld, worden de zaken verder behandeld
door de bevoegde rechtbank die als eerste wordt genoemd in de Wet
op de rechterlijke indeling.
-2. De andere rechtbank
verwijst onderscheidenlijk de andere rechtbanken verwijzen de daar
aanhangig gemaakte zaak of zaken naar de rechtbank die de zaken
verder behandelt. De op de zaak of zaken betrekking hebbende
stukken worden toegezonden aan de rechtbank die de zaken verder
behandelt.
-3. Indien tegen hetzelfde
besluit bij meer dan één rechtbank beroep is ingesteld, doet het
bestuursorgaan daarvan onverwijld mededeling aan die rechtbanken.
Art. 8:9.
De Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State onderscheidenlijk de Centrale Raad van
Beroep oordelen in hoogste ressort over geschillen tussen de rechtbanken over de toepassing van artikel 8:7 in zaken tot de kennisneming
waarvan zij in hoger beroep bevoegd zijn.
AFDELING
8.1.2
Behandeling
door een enkelvoudige en een meervoudige kamer
Art. 8:10.
-1. De zaken die bij de rechtbank
aanhangig worden gemaakt, worden in behandeling genomen door
een enkelvoudige kamer.
-2. Indien een zaak naar
het oordeel van de enkelvoudige kamer ongeschikt is voor
behandeling door één rechter, verwijst zij deze naar een meervoudige kamer. De
enkelvoudige kamer kan ook in andere gevallen een zaak naar
een meervoudige kamer verwijzen.
-3. Indien een zaak naar
het oordeel van de meervoudige kamer geschikt is voor verdere
behandeling door één rechter, kan zij deze verwijzen naar een enkelvoudige kamer.
-4. Verwijzing kan
geschieden in elke stand van het geding. Een verwezen zaak wordt
voortgezet in de stand waarin zij zich bevindt.
Art. 8:11.
-1. De voorschriften
omtrent de behandeling van het beroep zijn op de behandeling zowel door
een enkelvoudige als door een meervoudige kamer van toepassing.
-2. Degene die zitting
heeft in een enkelvoudige kamer heeft tevens de bevoegdheden en de
verplichtingen die de voorzitter van een meervoudige kamer heeft.
Art. 8:12.
De rechtbank kan aan een
rechter-commissaris opdragen het vooronderzoek of een gedeelte daarvan
te verrichten.
AFDELING
8.1.3
Verwijzing,
voeging en splitsing
Art. 8:13.
-1. De rechtbank kan een
bij haar aanhangig gemaakte zaak ter verdere behandeling verwijzen
naar de rechtbank waar een andere zaak aanhangig is gemaakt
indien naar haar oordeel behandeling van die zaken door één
rechtbank gewenst is.
-2. Een verzoek daartoe
kan worden gedaan tot de aanvang van het onderzoek ter zitting.
-3. Indien de rechtbank
waarnaar een zaak is verwezen, instemt met de verwijzing, worden de op
de zaak betrekking hebbende stukken aan haar toegezonden.
Art. 8:14.
-1. De rechtbank kan zaken
over hetzelfde of een verwant onderwerp ter behandeling voegen en de behandeling van gevoegde zaken splitsen.
-2. Een verzoek daartoe
kan worden gedaan tot de sluiting van het onderzoek ter zitting.
AFDELING
8.1.4
Wraking
en verschoning van rechters
Art. 8:15.
Op verzoek van een partij
kan elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond
van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke
onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Art. 8:16.
-1. Het verzoek wordt
gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn
geworden.
-2. Het verzoek geschiedt
schriftelijk en is gemotiveerd. Na de aanvang van het onderzoek ter
zitting onderscheidenlijk na de aanvang van het horen van partijen of
getuigen in het vooronderzoek kan het ook mondeling geschieden.
-3. Alle feiten of
omstandigheden moeten tegelijk worden voorgedragen.
-4. Een volgend verzoek om
wraking van dezelfde rechter wordt niet in behandeling genomen,
tenzij feiten of omstandigheden worden voorgedragen die pas na het eerdere
verzoek aan de verzoeker bekend zijn geworden.
-5. Geschiedt het verzoek
ter zitting, dan wordt het onderzoek ter zitting geschorst.
Art. 8:17.
Een rechter wiens wraking
is verzocht, kan in de wraking berusten.
Art. 8:18.
-1. Het verzoek om wraking
wordt zo spoedig mogelijk behandeld door een meervoudige kamer
waarin de rechter wiens wraking is verzocht, geen zitting heeft.
-2. De verzoeker en de
rechter wiens wraking is verzocht, worden in de gelegenheid gesteld te
worden gehoord. De rechtbank kan ambtshalve of op verzoek van de
verzoeker of de rechter wiens wraking is verzocht, bepalen dat zij niet in
elkaars aanwezigheid zullen worden gehoord.
-3. De rechtbank beslist
zo spoedig mogelijk. De beslissing is gemotiveerd en wordt onverwijld aan
de verzoeker, de andere partijen en de rechter wiens wraking was
verzocht, medegedeeld.
-4. In geval van misbruik
kan de rechtbank bepalen dat een volgend verzoek niet in
behandeling wordt genomen. Hiervan wordt in de beslissing melding
gemaakt.
-5. Tegen de beslissing
staat geen rechtsmiddel open.
Art. 8:19.
-1. Op grond van feiten of
omstandigheden als bedoeld in artikel 8:15 kan elk van de rechters
die een zaak behandelen, verzoeken zich te mogen verschonen.
-2. Het verzoek geschiedt
schriftelijk en is gemotiveerd. Na de aanvang van het onderzoek ter
zitting, onderscheidenlijk na de aanvang van het horen van partijen of
getuigen in het vooronderzoek kan het ook mondeling geschieden.
-3. Geschiedt het verzoek
ter zitting, dan wordt het onderzoek ter zitting geschorst.
Art. 8:20.
-1. Het verzoek om
verschoning wordt zo spoedig mogelijk behandeld door een meervoudige
kamer waarin de rechter die om verschoning heeft verzocht, geen zitting
heeft.
-2. De rechtbank beslist
zo spoedig mogelijk. De beslissing is gemotiveerd en wordt onverwijld aan
partijen en de rechter die om verschoning had verzocht, medegedeeld.
-3. Tegen de beslissing
staat geen rechtsmiddel open.
AFDELING
8.1.5
Partijen
Art. 8:21.
-1. Natuurlijke personen,
onbekwaam om in rechte te staan, worden in het geding
vertegenwoordigd door hun vertegenwoordigers naar burgerlijk recht. De
wettelijke vertegenwoordiger behoeft niet de machtiging van de kantonrechter, bedoeld in artikel 349 van
Boek 1 van het Burgerlijk
Wetboek.
-2. De in het eerste lid
bedoelde personen kunnen zelf in het geding optreden indien zij tot
redelijke waardering van hun belangen in staat kunnen worden geacht.
-3. Indien geen wettelijke
vertegenwoordiger aanwezig is, of deze niet beschikbaar is en de zaak
spoedeisend is, kan de rechtbank een voorlopige
vertegenwoordiger benoemen. De benoeming vervalt zodra een wettelijke vertegenwoordiger aanwezig is of de wettelijke vertegenwoordiger
weer beschikbaar is.
Art. 8:22.
-1. In geval van
faillissement of surseance van betaling zijn de artikelen 25, 27 en 31 van de
Faillissementswet
van overeenkomstige toepassing.
-2. De artikelen 25,
tweede lid, en 27 vinden geen toepassing indien partijen vóór de
faillietverklaring zijn uitgenodigd om op een zitting van de rechtbank
te
verschijnen.
Art. 8:23.
-1. Een bestuursorgaan dat
een college is, wordt in het geding vertegenwoordigd door één of meer door het
bestuursorgaan aangewezen leden.
-2. De Kroon wordt in het
geding vertegenwoordigd door Onze Minister wie het aangaat
onderscheidenlijk door één of meer van Onze Ministers wie het aangaat.
Art. 8:24.
-1. Partijen kunnen zich
laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen.
-2. De rechtbank kan van
een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen.
-3. Het tweede lid is niet
van toepassing ten aanzien van advocaten en procureurs.
Art. 8:25.
-1. De rechtbank kan
bijstand of vertegenwoordiging door een persoon tegen wie ernstige
bezwaren bestaan, weigeren.
-2. De betrokken partij en
de in het eerste lid bedoelde persoon worden onverwijld in kennis
gesteld van de weigering en de reden daarvoor.
-3. Het eerste lid is niet
van toepassing ten aanzien van advocaten en procureurs.
Art. 8:26.
-1. De rechtbank kan tot
de sluiting van het onderzoek ter zitting ambtshalve, op verzoek
van een partij of op hun eigen verzoek, belanghebbenden in de gelegenheid stellen
als partij aan het geding deel te nemen.
-2. Indien de rechtbank vermoedt dat er onbekende belanghebbenden zijn, kan zij in de
Staatscourant doen aankondigen dat een zaak bij haar aanhangig is. Naast de
aankondiging in de Staatscourant kan ook een ander middel voor de
aankondiging worden gebruikt.
Art. 8:27.
-1. Partijen die door de rechtbank
zijn opgeroepen om in persoon dan wel in persoon of bij
gemachtigde te verschijnen, al dan niet voor het geven van inlichtingen,
zijn verplicht te verschijnen en de verlangde inlichtingen te geven.
Partijen worden hierop gewezen, alsmede op artikel 8:31.
-2. Indien het een
rechtspersoon betreft of een bestuursorgaan dat een college is, kan de
rechtbank één of meer bepaalde bestuurders onderscheidenlijk één of meer bepaalde
leden oproepen.
Art. 8:28.
Partijen aan wie door de rechtbank is verzocht schriftelijk inlichtingen te geven, zijn verplicht de
verlangde inlichtingen te geven. Partijen worden hierop gewezen, alsmede
op artikel 8:31.
Art. 8:29.
-1. Partijen die verplicht
zijn inlichtingen te geven dan wel stukken over te leggen, kunnen, indien
daarvoor gewichtige redenen zijn, het geven van inlichtingen dan wel
het overleggen van stukken weigeren of de rechtbank
mededelen dat
uitsluitend zij kennis zal mogen nemen van de inlichtingen
onderscheidenlijk de stukken.
-2. Gewichtige redenen
zijn voor een bestuursorgaan in ieder geval niet aanwezig voor zover
ingevolge de Wet
openbaarheid van bestuur de verplichting zou bestaan
een verzoek om informatie, vervat in de over te leggen stukken, in te
willigen.
-3. De rechtbank beslist
of de in het eerste lid bedoelde weigering onderscheidenlijk de
beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.
-4. Indien de rechtbank
heeft beslist dat de weigering gerechtvaardigd is, vervalt de
verplichting.
-5. Indien de rechtbank
heeft beslist dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is, kan
zij slechts met toestemming van de andere partijen mede op
de grondslag van die inlichtingen onderscheidenlijk die stukken uitspraak
doen.
Art. 8:30.
Partijen zijn verplicht
mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel
8:47, eerste lid.
Partijen worden hierop gewezen, alsmede op artikel 8:31.
Art. 8:31.
Indien een partij niet
voldoet aan de verplichting te verschijnen, inlichtingen te geven,
stukken over te leggen of mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in
artikel 8:47, eerste lid, kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekkingen maken
die haar geraden voorkomen.
Art. 8:32.
-1. De rechtbank kan,
indien de vrees bestaat dat kennisneming van stukken door een partij
haar lichamelijke of geestelijke gezondheid zou schaden, bepalen dat deze
kennisneming is voorbehouden aan een gemachtigde die advocaat
of arts is dan wel daarvoor van de rechtbank bijzondere toestemming
heeft gekregen.
-2. De rechtbank kan,
indien kennisneming van stukken door een partij de persoonlijke
levenssfeer van een ander onevenredig zou schaden, bepalen dat deze
kennisneming is voorbehouden aan een gemachtigde die advocaat of arts is
dan wel daarvoor van de rechtbank bijzondere toestemming heeft
gekregen.
AFDELING
8.1.6
Getuigen,
deskundigen en tolken
Art. 8:33.
-1. Ieder die door de rechtbank
als getuige wordt opgeroepen, is verplicht aan de
oproeping gevolg te geven en getuigenis af te leggen.
-2. In de oproeping worden
vermeld de plaats en het tijdstip waarop de getuige zal worden
gehoord, de feiten waarop het horen betrekking zal hebben en de gevolgen die
zijn verbonden aan het niet verschijnen.
-3. De artikelen 191,
tweede en vierde lid, 198, 199, eerste lid, 200, eerste lid, 201, 202, eerste en
derde lid, 203, eerste lid, en 204 van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
-4. De rechtbank kan
bepalen dat getuigen niet zullen worden gehoord dan na het afleggen van
de eed of de belofte. Zij leggen in dat geval de eed of de belofte af dat
zij zullen zeggen de gehele waarheid en niets dan de waarheid.
Art. 8:34.
-1. De deskundige die zijn
benoeming heeft aanvaard, is verplicht zijn opdracht onpartijdig en
naar beste weten te vervullen.
-2. Artikel 191, tweede
lid, onderdeel b, en vierde lid, van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering is van overeenkomstige toepassing.
Art. 8:35.
-1. De tolk die zijn
benoeming heeft aanvaard en die door de rechtbank
wordt opgeroepen, is
verplicht aan de oproeping gevolg te geven en zijn opdracht onpartijdig en
naar beste weten te vervullen. De artikelen 198 en 204 van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
-2. In de oproeping worden
vermeld de plaats en het tijdstip waarop de opdracht moet worden
vervuld en de gevolgen die zijn verbonden aan het niet verschijnen.
Art. 8:36.
-1. Aan de door de rechtbank
opgeroepen getuigen, deskundigen en tolken en de deskundigen
die een onderzoek als bedoeld in artikel 8:47, eerste lid, hebben
ingesteld, wordt ten laste van het Rijk een vergoeding toegekend. Het bij en
krachtens de Wet
tarieven in strafzaken bepaalde is van overeenkomstige
toepassing.
-2. De partij die een
getuige of deskundige heeft meegebracht of opgeroepen, dan wel aan
wie een verslag van een deskundige is uitgebracht, is aan deze
een vergoeding verschuldigd. Het bij en krachtens de Wet tarieven in
strafzaken bepaalde is van overeenkomstige toepassing.
AFDELING
8.1.7
Verzending
van stukken
Art. 8:37.
-1. Oproepingen, de
uitnodiging om op een zitting van de rechtbank te verschijnen, alsmede de
verzending van een afschrift van de uitspraak en van het proces-verbaal
van de mondelinge uitspraak geschieden door de griffier bij aangetekende
brief of bij brief met ontvangstbevestiging, tenzij de rechtbank anders
bepaalt.
-2. Voor het overige
geschiedt de verzending van stukken door de griffier bij gewone
brief, tenzij de rechtbank anders bepaalt.
-3. In een brief wordt de
datum van verzending vermeld.
Art. 8:38.
-1. Indien de griffier een
bij aangetekende brief of bij brief met ontvangstbevestiging
verzonden stuk terugontvangt en hem blijkt dat de geadresseerde op de dag
van verzending of uiterlijk één week daarna in de gemeentelijke
basisadministratie persoonsgegevens stond ingeschreven op het op
het stuk vermelde adres, dan verzendt hij het stuk zo spoedig mogelijk bij
gewone brief.
-2. In de overige gevallen
waarin de griffier een bij aangetekende brief of bij brief met
ontvangstbevestiging verzonden stuk terugontvangt, verbetert hij, indien
mogelijk, het op het stuk vermelde adres en verzendt hij het stuk opnieuw bij
aangetekende brief of bij brief met ontvangstbevestiging.
Art. 8:39.
-1. De griffier zendt de
op de zaak betrekking hebbende stukken zo spoedig mogelijk aan
partijen, voor zover de rechtbank niet op grond van de artikelen 8:29 of
8:32
anders heeft beslist.
-2. De griffier kan de
toezending van zeer omvangrijke stukken of van stukken die bezwaarlijk
kunnen worden vermenigvuldigd, achterwege laten. Hij stelt partijen
daarvan in kennis en vermeldt daarbij dat deze stukken gedurende een
door hem te bepalen termijn van ten minste één week ter griffie ter
inzage worden gelegd.
-3. Partijen kunnen
afschriften van of uittreksels uit de in het tweede lid bedoelde stukken
verkrijgen. Met betrekking tot de kosten is het bij en krachtens de Wet
tarieven in strafzaken bepaalde van overeenkomstige toepassing.
Art. 8:40.
Indien het beroepschrift
is ingediend door twee of meer personen, kan worden volstaan met
verzending van de oproeping, de uitnodiging om op een zitting van de rechtbank
te verschijnen, de op de zaak betrekking hebbende stukken en een
afschrift van de uitspraak of van het proces-verbaal van de mondelinge
uitspraak aan de persoon die als eerste in het beroepschrift is vermeld.
TITEL
8.2
Behandeling
van het beroep
AFDELING
8.2.1
Griffierecht
Art. 8:41.
-1. Van de indiener van
het beroepschrift wordt door de griffier een griffierecht geheven.
Indien het een beroepschrift ter zake van twee of meer samenhangende
besluiten of van twee of meer indieners ter zake van hetzelfde besluit
betreft, is eenmaal griffierecht verschuldigd. In die gevallen bedraagt het
griffierecht het hoogste op grond van het derde lid ter zake van één van de
besluiten onderscheidenlijk door één van de indieners verschuldigde
bedrag.
-2. De griffier wijst de
indiener van het beroepschrift op de verschuldigdheid van het griffierecht en
deelt hem mee dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken
na de dag van verzending van zijn mededeling dient te zijn
bijgeschreven op de rekening van de rechtbank dan wel ter griffie dient te zijn
gestort. Indien het bedrag niet binnen deze termijn is bijgeschreven of gestort,
wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs
niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
-3. Het griffierecht
bedraagt:
a. ƒ55,00 indien door een
natuurlijk persoon beroep is ingesteld tegen:
1º. een besluit, genomen
op grond van een wettelijk voorschrift dat is opgenomen in de
onderdelen B en C, onder 1 tot en met 25 en 29, van de
bijlage die bij de
Beroepswet behoort;
2º. een besluit inzake
een uitkering bij werkloosheid of ziekte, genomen ten aanzien van een
ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet
als zodanig
of een dienstplichtige als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Kaderwet
dienstplicht als zodanig, hun nagelaten betrekkingen of
hun rechtverkrijgenden; of
3º. een besluit inzake
een uitkering op grond van blijvende arbeidsongeschiktheid op grond van een
wettelijk voorschrift waarbij de natuurlijke persoon ter
zake van zijn arbeidsongeschiktheid vanwege het Rijk invaliditeitspensioen is
verzekerd of een besluit, genomen op grond
van artikel P 9 van de
Algemene burgerlijke pensioenwet;
b. ƒ210,00 indien door een
natuurlijk persoon beroep is ingesteld tegen een ander besluit dan een
besluit als bedoeld in onderdeel a, tenzij bij wet anders is
bepaald; en
c. ƒ420,00 indien anders
dan door een natuurlijk persoon beroep is ingesteld.
-4. Indien het beroep
wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk
aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, wordt het door de
indiener betaalde griffierecht aan hem vergoed door de
desbetreffende rechtspersoon. In de overige gevallen kan de desbetreffende
rechtspersoon, indien het beroep wordt ingetrokken, het betaalde
griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoeden.
-5. De in het derde lid
genoemde bedragen kunnen bij algemene maatregel van bestuur
worden gewijzigd voor zover het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie
daartoe aanleiding geeft.
AFDELING
8.2.2
Vooronderzoek
Art. 8:42.
-1. Binnen vier weken na
de dag van verzending van het beroepschrift aan het bestuursorgaan
zendt dit de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank
en dient het een verweerschrift in.
-2. De rechtbank kan de in
het eerste lid bedoelde termijn verlengen.
Art. 8:43.
-1. De rechtbank kan de
indiener van het beroepschrift in de gelegenheid stellen schriftelijk te
repliceren. In dat geval wordt het bestuursorgaan in de gelegenheid gesteld
schriftelijk te dupliceren. De rechtbank stelt de termijnen voor repliek en
dupliek vast.
-2. De rechtbank stelt
andere partijen dan de in het eerste lid bedoelde in de gelegenheid om ten
minste eenmaal een schriftelijke uiteenzetting over de zaak te geven. Zij
stelt hiervoor een termijn vast.
Art. 8:44.
-1. De rechtbank kan
partijen oproepen om in persoon dan wel in persoon of bij
gemachtigde te verschijnen om te worden gehoord, al dan niet voor het geven van
inlichtingen. Indien niet alle partijen worden opgeroepen, worden de niet
opgeroepen partijen in de gelegenheid gesteld het horen bij te
wonen en een uiteenzetting over de zaak te geven.
-2. Van het geven van
inlichtingen wordt door de griffier een proces-verbaal opgemaakt.
-3. Het wordt door de
voorzitter van de meervoudige kamer en de griffier ondertekend. Bij
verhindering van de voorzitter of de griffier wordt dit in het proces-verbaal
vermeld.
Art. 8:45.
-1. De rechtbank kan
partijen en anderen verzoeken binnen een door haar te bepalen termijn
schriftelijk inlichtingen te geven en onder hen berustende stukken in te
zenden.
-2. Bestuursorganen zijn,
ook als zij geen partij zijn, verplicht aan het verzoek, bedoeld in het
eerste lid, te voldoen. Artikel 8:29 is van overeenkomstige toepassing.
-3. Werkgevers van
partijen zijn, ook als zij geen partij zijn, verplicht aan het verzoek, bedoeld in
het eerste lid, te voldoen. Artikel 8:29 is van overeenkomstige
toepassing.
Art. 8:46.
-1. De rechtbank kan
getuigen oproepen.
-2. De rechtbank deelt de
namen en woonplaatsen van de getuigen, de plaats en het tijdstip
waarop dezen zullen worden gehoord en de feiten waarop het horen
betrekking zal hebben, ten minste één week tevoren aan partijen mee.
-3. De artikelen 205,
eerste, tweede en derde lid, eerste volzin, en 206, eerste tot en met derde
en vijfde lid, van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van
overeenkomstige toepassing.
Art. 8:47.
-1. De rechtbank kan een
deskundige benoemen voor het instellen van een onderzoek.
-2. Bij de benoeming
worden vermeld de opdracht die moet worden vervuld en de termijn,
bedoeld in het vierde lid.
-3. Van het voornemen tot
het benoemen van een deskundige als bedoeld in het eerste lid
wordt aan partijen mededeling gedaan. De rechtbank kan partijen in
de gelegenheid stellen om hun wensen omtrent het onderzoek binnen een
door haar te bepalen termijn schriftelijk aan haar kenbaar te maken.
-4. De rechtbank stelt een
termijn binnen welke de deskundige aan haar een schriftelijk verslag
van het onderzoek uitbrengt.
-5. Partijen kunnen binnen
vier weken na de dag van verzending van het verslag aan hen
schriftelijk hun zienswijze met betrekking tot het verslag naar voren brengen.
-6. De rechtbank kan de in
het vijfde lid bedoelde termijn verlengen.
Art. 8:48.
-1. De arts die voor het
instellen van een onderzoek als bedoeld in artikel 8:47, eerste lid, een
persoon moet onderzoeken, kan de voor het onderzoek van belang
zijnde inlichtingen over deze persoon inwinnen bij de behandelend arts of de
behandelende artsen, de verzekeringsarts en de adviserend arts van het bestuursorgaan.
-2. Zij verstrekken de
gevraagde inlichtingen voor zover daardoor de persoonlijke levenssfeer
van de betrokken persoon niet onevenredig wordt geschaad.
Art. 8:49.
De rechtbank kan tolken
benoemen.
Art. 8:50.
-1. De rechtbank kan een
onderzoek ter plaatse instellen. Zij heeft daarbij toegang tot elke plaats
voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van haar taak nodig is.
-2. Bestuursorganen
verlenen de medewerking die in het belang van het onderzoek is vereist.
-3. Van plaats en tijdstip
van het onderzoek wordt aan partijen mededeling gedaan. Zij
kunnen bij het onderzoek aanwezig zijn.
-4. Van het onderzoek
wordt door de griffier een proces-verbaal opgemaakt.
-5. Het wordt door de
voorzitter van de meervoudige kamer en de griffier ondertekend. Bij
verhindering van de voorzitter of de griffier wordt dit in het proces-verbaal
vermeld.
Art. 8:51.
-1. De rechtbank kan aan
een door haar aangewezen gerechtsauditeur of aan de griffier opdragen
een onderzoek ter plaatse in te stellen. Deze heeft daarbij toegang tot elke
plaats voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van de hem
opgedragen taak nodig is. De rechtbank is bevoegd tot het geven van een
machtiging tot binnentreden.
-2. Artikel 8:50, tweede
en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
-3. Van het onderzoek
wordt door de gerechtsauditeur of de griffier een proces-verbaal opgemaakt,
dat door hem wordt ondertekend.
AFDELING
8.2.3
Versnelde
behandeling
Art. 8:52.
-1. De rechtbank kan,
indien de zaak spoedeisend is, bepalen dat deze versneld wordt behandeld.
-2. In dat geval kan de
rechtbank:
a. de in artikel
8:41,
tweede lid, bedoelde termijn verkorten;
b. de in artikel
8:42,
eerste lid, bedoelde termijn verkorten;
c. artikel 8:43, tweede
lid, geheel of gedeeltelijk buiten toepassing laten;
d. artikel 8:47, derde
lid, geheel of gedeeltelijk buiten toepassing laten; en
e. de in artikel
8:47,
vijfde lid, bedoelde termijn verkorten.
-3. Indien de rechtbank
bepaalt dat de zaak versneld wordt behandeld, bepaalt zij tevens zo
spoedig mogelijk het tijdstip waarop de zitting zal plaatsvinden en doet zij
daarvan onverwijld mededeling aan partijen. Artikel 8:56 is niet van
toepassing.
Art. 8:53.
Blijkt aan de rechtbank bij de behandeling dat de zaak niet voldoende spoedeisend is om een
versnelde behandeling te rechtvaardigen of dat de zaak een gewone
behandeling vordert, dan bepaalt zij dat de zaak verder op de gewone wijze wordt
behandeld.
AFDELING
8.2.4
Vereenvoudigde
behandeling
Art. 8:54.
-1. Totdat partijen zijn
uitgenodigd om op een zitting van de rechtbank te verschijnen, kan de
rechtbank het onderzoek sluiten indien voortzetting van het onderzoek niet
nodig is, omdat:
a. zij kennelijk
onbevoegd is;
b. het beroep kennelijk
niet-ontvankelijk is;
c. het beroep kennelijk
ongegrond is; of
d. het beroep kennelijk
gegrond is.
-2. In de uitspraak na
toepassing van het eerste lid worden partijen gewezen op artikel
8:55,
eerste lid.
Art. 8:55.
-1. Tegen de uitspraak,
bedoeld in artikel 8:54, tweede lid, kunnen een belanghebbende en het
bestuursorgaan verzet doen bij de rechtbank. De indiener van het
verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het
verzet te worden gehoord. De artikelen 6:4, derde lid,
6:5 tot en met 6:9, 6:11, 6:14,
6:15, 6:17 en 6:21 zijn van overeenkomstige toepassing.
-2. Indien bij wet de
werking van een uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het
instellen van hoger beroep is verstreken of, indien hoger beroep is
ingesteld, op het hoger beroep is beslist, wordt de werking van de uitspraak,
bedoeld in artikel 8:54, tweede lid, op overeenkomstige wijze opgeschort.
-3. Alvorens uitspraak te
doen op het verzet, stelt de rechtbank de indiener van het
verzetschrift die daarom heeft gevraagd in de gelegenheid op een
zitting te worden gehoord, tenzij zij van oordeel is dat het verzet gegrond is.
Indien de indiener van het verzetschrift daarom niet heeft gevraagd, kan de
rechtbank hem in de gelegenheid stellen op een zitting te worden
gehoord.
-4. Indien de uitspraak
waartegen verzet is gedaan, is gedaan door een meervoudige kamer, wordt
uitspraak op het verzet gedaan door een meervoudige kamer. Van de
kamer die uitspraak doet op het verzet maakt geen deel uit degene die
zitting heeft gehad in de kamer die de uitspraak heeft gedaan waartegen
verzet is gedaan.
-5. De uitspraak strekt
tot:
a.
niet-ontvankelijkverklaring van het verzet;
b. ongegrondverklaring
van het verzet; of
c. gegrondverklaring van
het verzet.
-6. Indien de rechtbank
het verzet niet-ontvankelijk of ongegrond verklaart, blijft de
uitspraak waartegen verzet was gedaan in stand.
-7. Indien de rechtbank
het verzet gegrond verklaart, vervalt de uitspraak waartegen verzet was
gedaan en wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich
bevond.
AFDELING
8.2.5
Onderzoek
ter zitting
Art. 8:56.
Na afloop van het
vooronderzoek worden partijen ten minste drie weken tevoren uitgenodigd
om op een in de uitnodiging te vermelden plaats en tijdstip op een
zitting van de rechtbank te verschijnen.
Art. 8:57.
Indien partijen daarvoor
toestemming hebben gegeven, kan de rechtbank bepalen dat het
onderzoek ter zitting achterwege blijft. In dat geval sluit de rechtbank
het onderzoek.
Art. 8:58.
-1. Tot tien dagen vóór de
zitting kunnen partijen nadere stukken indienen.
-2. Op deze bevoegdheid
worden partijen in de uitnodiging, bedoeld in artikel
8:56, gewezen.
Art. 8:59.
De rechtbank kan een
partij oproepen om in persoon dan wel in persoon of bij
gemachtigde te verschijnen, al dan niet voor het geven van inlichtingen.
Art. 8:60.
-1. De rechtbank kan
getuigen oproepen en deskundigen en tolken benoemen.
-2. De opgeroepen getuige
en de deskundige of de tolk die zijn benoeming heeft aanvaard
en door de rechtbank wordt opgeroepen, zijn verplicht aan de
oproeping gevolg te geven. De artikelen 198 en 204 van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing. In de
oproeping van de deskundige worden vermeld de opdracht die moet worden
vervuld, de plaats en het tijdstip waarop de opdracht moet worden
vervuld en de gevolgen die zijn verbonden aan het niet verschijnen.
-3. Namen en woonplaatsen
van de opgeroepen getuigen en deskundigen en de feiten waarop het
horen betrekking zal hebben onderscheidenlijk de opdracht die moet
worden vervuld, worden bij de uitnodiging, bedoeld in artikel
8:56,
aan partijen zoveel mogelijk medegedeeld.
-4. Partijen kunnen
getuigen en deskundigen meebrengen of bij aangetekende brief of
deurwaardersexploit oproepen, mits daarvan uiterlijk één week vóór
de dag van de zitting aan de rechtbank en aan de andere partijen
mededeling is gedaan, met vermelding van namen en woonplaatsen. Op deze
bevoegdheid worden partijen in de uitnodiging, bedoeld in artikel
8:56,
gewezen.
Art. 8:61.
-1. De voorzitter van de
meervoudige kamer heeft de leiding van de zitting.
-2. De griffier houdt
aantekening van het verhandelde ter zitting.
-3. De griffier maakt een
proces-verbaal op van de zitting indien de rechtbank
dit ambtshalve
of op verzoek van een partij die daarbij belang heeft, bepaalt en indien
hoger beroep wordt ingesteld.
-4. Het bevat de namen van
de rechter of de rechters die de zaak behandelt
onderscheidenlijk behandelen, die van partijen en van hun vertegenwoordigers of
gemachtigden die op de zitting zijn verschenen en van degenen die hen
hebben bijgestaan, en die van de getuigen, deskundigen en tolken die
op de zitting zijn verschenen.
-5. Het houdt een
vermelding in van hetgeen op de zitting met betrekking tot de zaak is
voorgevallen.
-6. Het wordt door de
voorzitter van de meervoudige kamer en de griffier ondertekend. Bij
verhindering van de voorzitter of de griffier wordt dit in het proces-verbaal
vermeld.
-7. Aan het proces-verbaal
kunnen overgelegde pleitnotities worden gehecht.
-8. De rechtbank kan
bepalen dat de verklaring van een partij, getuige of deskundige geheel in het
proces-verbaal zal worden opgenomen. In dat geval wordt de verklaring
onverwijld op schrift gesteld en aan de partij, getuige of deskundige
voorgelezen. Deze mag daarin wijzigingen aanbrengen, die op
schrift worden gesteld en aan de partij, getuige of deskundige worden
voorgelezen. De verklaring wordt door de partij, getuige of deskundige
ondertekend. Heeft ondertekening niet plaats, dan wordt de reden daarvan in
het proces-verbaal vermeld.
Art. 8:62.
-1. De zitting is
openbaar.
-2. De rechtbank kan
bepalen dat het onderzoek ter zitting geheel of gedeeltelijk zal
plaatshebben met gesloten deuren:
a. in het belang van de
openbare orde of de goede zeden;
b. in het belang van de
veiligheid van de Staat;
c. indien de belangen van
minderjarigen of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer
van partijen dit eisen; of
d. indien openbaarheid
het belang van een goede rechtspleging ernstig zou schaden.
Art. 8:63.
-1. Op het horen van
getuigen en deskundigen is artikel 205, tweede en derde lid, eerste volzin,
van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige
toepassing. Op het horen van getuigen is artikel 205, eerste lid, van het
Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige
toepassing.
-2. De rechtbank kan
afzien van het horen van door een partij meegebrachte of opgeroepen getuigen en
deskundigen indien zij van oordeel is dat dit redelijkerwijs
niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.
-3. Indien een door een
partij opgeroepen getuige of deskundige niet is verschenen, kan de
rechtbank deze oproepen. In dat geval schorst de rechtbank het onderzoek
ter zitting.
Art. 8:64.
-1. De rechtbank kan het
onderzoek ter zitting schorsen. Zij kan daarbij bepalen dat het
vooronderzoek wordt hervat.
-2. Indien bij de
schorsing geen tijdstip van de nadere zitting is bepaald, bepaalt de rechtbank dit
zo spoedig mogelijk. De griffier doet zo spoedig mogelijk mededeling aan
partijen van het tijdstip van de nadere zitting.
-3. In de gevallen waarin
schorsing van het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden, wordt de
zaak op de nadere zitting hervat in de stand waarin zij zich bevond.
-4. De rechtbank kan
bepalen dat het onderzoek ter zitting opnieuw wordt aangevangen.
-5. Indien partijen
daarvoor toestemming hebben gegeven, kan de rechtbank bepalen dat de
nadere zitting achterwege blijft. In dat geval sluit de rechtbank het
onderzoek.
Art.
8:65.
-1. De rechtbank sluit het
onderzoek ter zitting wanneer zij van oordeel is dat het is voltooid.
-2. Voordat het onderzoek
ter zitting wordt gesloten, hebben partijen het recht voor het laatst het
woord te voeren.
-3. Zodra het onderzoek
ter zitting is gesloten, deelt de voorzitter mee wanneer uitspraak zal
worden gedaan.
AFDELING
8.2.6
Uitspraak
Art. 8:66.
-1. Tenzij mondeling
uitspraak wordt gedaan, doet de rechtbank binnen zes weken na de sluiting
van het onderzoek schriftelijk uitspraak.
-2. In bijzondere
omstandigheden kan de rechtbank deze termijn met ten hoogste zes weken
verlengen.
-3. Van deze verlenging
wordt aan partijen mededeling gedaan.
Art. 8:67.
-1. De rechtbank kan na de
sluiting van het onderzoek ter zitting onmiddellijk mondeling
uitspraak doen. De uitspraak kan voor ten hoogste één week worden
verdaagd onder aanzegging aan partijen van het tijdstip van de
uitspraak.
-2. De mondelinge
uitspraak bestaat uit de beslissing en de gronden van de beslissing.
-3. Van de mondelinge
uitspraak wordt door de griffier een proces-verbaal opgemaakt.
-4. Het wordt door de
voorzitter van de meervoudige kamer en de griffier ondertekend. Bij
verhindering van de voorzitter of de griffier wordt dit in het proces-verbaal
vermeld.
-5. De rechtbank spreekt
de beslissing, bedoeld in het tweede lid, in het openbaar uit, in
tegenwoordigheid van de griffier. Daarbij wordt vermeld door wie, binnen welke
termijn en bij welke administratieve rechter welk rechtsmiddel kan worden
aangewend.
-6. De mededeling, bedoeld
in het vijfde lid, tweede volzin, wordt in het proces-verbaal vermeld.
Art. 8:68.
-1. Indien de rechtbank
van oordeel is dat het onderzoek niet volledig is geweest, kan zij het
heropenen. De rechtbank bepaalt daarbij op welke wijze het onderzoek wordt
voortgezet.
-2. De griffier doet zo
spoedig mogelijk mededeling daarvan aan partijen.
Art. 8:69.
-1. De rechtbank doet
uitspraak op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken,
het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter
zitting.
-2. De rechtbank vult
ambtshalve de rechtsgronden aan.
-3. De rechtbank kan
ambtshalve de feiten aanvullen.
Art. 8:70.
De uitspraak strekt tot:
a. onbevoegdverklaring
van de rechtbank;
b.
niet-ontvankelijkverklaring van het beroep;
c. ongegrondverklaring
van het beroep; of
d. gegrondverklaring van
het beroep.
Art. 8:71.
Voor zover uitsluitend
een vordering bij de burgerlijke rechter kan worden ingesteld, wordt
dit in de uitspraak vermeld. De burgerlijke rechter is aan die
beslissing gebonden.
Art. 8:72.
-1. Indien de rechtbank
het beroep gegrond verklaart, vernietigt zij het bestreden besluit geheel
of gedeeltelijk.
-2. Vernietiging van een
besluit of een gedeelte van een besluit brengt vernietiging van de
rechtsgevolgen van dat besluit of van het vernietigde gedeelte daarvan mee.
-3. De rechtbank kan
bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit of het
vernietigde gedeelte daarvan geheel of gedeeltelijk in stand blijven.
-4. Indien de rechtbank
het beroep gegrond verklaart, kan zij het bestuursorgaan opdragen
een nieuw besluit te nemen of een andere handeling te verrichten
met inachtneming van haar uitspraak, dan wel kan zij bepalen dat haar
uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit of het
vernietigde gedeelte daarvan.
-5. De rechtbank kan het
bestuursorgaan een termijn stellen voor het nemen van een nieuw
besluit of het verrichten van een andere handeling.
-6. De rechtbank kan
bepalen dat een voorlopige voorziening vervalt op een later tijdstip dan
het tijdstip waarop zij uitspraak heeft gedaan.
-7. De rechtbank kan
bepalen dat, indien of zolang het bestuursorgaan niet voldoet aan een
uitspraak, de door haar aangewezen rechtspersoon aan een door haar
aangewezen partij een in de uitspraak vast te stellen dwangsom verbeurt. De
artikelen 611a tot en met 611i van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
Art. 8:73.
-1. Indien de rechtbank
het beroep gegrond verklaart, kan zij, indien daarvoor gronden zijn, op
verzoek van een partij de door haar aangewezen rechtspersoon veroordelen
tot vergoeding van de schade die die partij lijdt.
-2. Indien de rechtbank de
omvang van de schadevergoeding bij haar uitspraak niet of niet
volledig kan vaststellen, bepaalt zij in haar uitspraak dat ter voorbereiding van
een nadere uitspraak daarover het onderzoek wordt heropend. De
rechtbank bepaalt daarbij op welke wijze het onderzoek wordt
voortgezet.
Art. 8:74.
-1. Indien de rechtbank
het beroep gegrond verklaart, houdt de uitspraak tevens in dat aan de
indiener van het beroepschrift het door hem betaalde griffierecht wordt
vergoed door de door de rechtbank aangewezen rechtspersoon.
-2. In de overige gevallen
kan de uitspraak inhouden dat het betaalde griffierecht door de door
de rechtbank aangewezen rechtspersoon geheel of gedeeltelijk wordt
vergoed.
Art. 8:75.
-1. De rechtbank is bij
uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere
partij in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank
redelijkerwijs heeft moeten maken. Een natuurlijk persoon kan slechts in de
kosten worden veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk
gebruik van procesrecht. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere
regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling als bedoeld
in de eerste volzin uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze
waarop bij de uitspraak het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.
-2. In geval van een
veroordeling in de kosten ten behoeve van een partij aan wie ter zake
van het beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet
op de rechtsbijstand, wordt het bedrag van de kosten betaald aan de griffier.
Artikel 57b van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering is van
overeenkomstige toepassing.
-3. Indien een
bestuursorgaan in de kosten wordt veroordeeld, wijst de rechtbank de
rechtspersoon aan die de kosten moet vergoeden.
Art. 8:75a.
-1. In geval van
intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk
aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan het bestuursorgaan op
verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak
met toepassing van artikel 8:75 in de kosten worden veroordeeld. Het
verzoek wordt gedaan tegelijk met de intrekking van het beroep. Indien
aan dit vereiste niet is voldaan, wordt het verzoek niet-ontvankelijk verklaard.
-2. De rechtbank stelt de
verzoeker zo nodig in de gelegenheid het verzoek schriftelijk toe
te lichten en stelt het bestuursorgaan in de gelegenheid een
verweerschrift in te dienen. Zij stelt hiervoor termijnen vast. Indien het
verzoek
mondeling wordt gedaan, kan de rechtbank bepalen dat het
toelichten van het verzoek en het voeren van verweer onmiddellijk mondeling
geschieden.
-3. Indien het toelichten
van het verzoek en het voeren van verweer mondeling zijn geschied,
sluit de rechtbank het onderzoek. In de overige gevallen zijn de
afdelingen 8.2.4 en 8.2.5 van overeenkomstige toepassing.
Art. 8:76.
Voor zover een uitspraak
strekt tot betaling van een bepaald geldbedrag, kan zij ten uitvoer
worden gelegd overeenkomstig de bepalingen van het Tweede
Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Art. 8:77.
-1. De schriftelijke
uitspraak vermeldt:
a. de namen van partijen
en van hun vertegenwoordigers of gemachtigden;
b. de gronden van de beslissing;
c. de beslissing;
d. de naam van de rechter
of de namen van de rechters die de zaak heeft onderscheidenlijk
hebben behandeld;
e. de dag waarop de
beslissing is uitgesproken; en
f. door wie, binnen welke
termijn en bij welke administratieve rechter welk rechtsmiddel kan
worden aangewend.
-2. Indien de uitspraak
strekt tot gegrondverklaring van het beroep, wordt in de uitspraak
vermeld welke geschreven of ongeschreven rechtsregel of welk
algemeen rechtsbeginsel geschonden wordt geoordeeld.
-3. De uitspraak wordt
ondertekend door de voorzitter van de meervoudige kamer en de
griffier. Bij verhindering van de voorzitter of de griffier wordt dit in de
uitspraak vermeld.
Art. 8:78.
De rechtbank spreekt de
beslissing, bedoeld in artikel 8:77, eerste lid, onderdeel c, in het
openbaar uit, in tegenwoordigheid van de griffier.
Art. 8:79.
-1. Binnen twee weken na
de dagtekening van de uitspraak zendt de griffier kosteloos een
afschrift van de uitspraak of van het proces-verbaal van de mondelinge
uitspraak aan partijen.
-2. Anderen dan partijen
kunnen afschriften of uittreksels van de uitspraak of van het
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak verkrijgen. Met
betrekking tot de kosten is het bij en krachtens de Wet
tarieven in strafzaken bepaalde van overeenkomstige toepassing.
Art. 8:80.
Indien de rechtbank bepaalt dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit,
wordt de uitspraak bovendien overeenkomstig de voor dat besluit
voorgeschreven wijze bekendgemaakt door het bevoegde bestuursorgaan.
TITEL
8.3
Voorlopige
voorziening en onmiddellijke uitspraak in de hoofdzaak
Art. 8:81.
-1. Indien tegen een
besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een
mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief
beroep is ingesteld, kan de president van de rechtbank die bevoegd is
of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening
treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat
vereist.
-2. Indien bij de
rechtbank beroep is ingesteld, kan een verzoek om voorlopige voorziening
worden gedaan door een partij in de hoofdzaak.
-3. Indien voorafgaand aan
een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt of
administratief beroep is ingesteld, kan een verzoek om voorlopige voorziening
worden gedaan door de indiener van het bezwaarschrift,
onderscheidenlijk door de indiener van het beroepschrift of door de belanghebbende
die geen recht heeft tot het instellen van administratief beroep.
-4. De artikelen 6:4,
derde lid, 6:5, 6:6, 6:14,
6:15, 6:17 en 6:21 zijn van overeenkomstige
toepassing. De indiener van het verzoekschrift die bezwaar heeft gemaakt dan
wel beroep heeft ingesteld, legt daarbij een afschrift van het
bezwaar- of beroepschrift over.
Art. 8:82.
-1. Van de verzoeker wordt
door de griffier een griffierecht geheven. Artikel 8:41, eerste lid,
tweede en derde volzin, derde en vijfde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
-2. Artikel 8:41, tweede
lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de termijn
binnen welke de bijschrijving of storting van het verschuldigde bedrag
dient plaats te vinden, twee weken bedraagt. De president kan een kortere
termijn stellen.
-3. Indien het verzoek
wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de
belanghebbende tot wie het bestreden besluit is gericht, aan de president
schriftelijk heeft medegedeeld de uitvoering van het bestreden besluit
hangende de procedure met betrekking tot de hoofdzaak op te schorten
dan wel de gevraagde voorlopige maatregelen te zullen nemen, wordt het
betaalde griffierecht door de griffier terugbetaald. In de overige gevallen
kan de desbetreffende rechtspersoon, indien het verzoek wordt ingetrokken, het betaalde griffierecht geheel of
gedeeltelijk vergoeden.
-4. De uitspraak kan
inhouden dat het betaalde griffierecht door de door de president aangewezen
rechtspersoon geheel of gedeeltelijk wordt vergoed.
Art. 8:83.
-1. Partijen worden zo
spoedig mogelijk uitgenodigd om op een in de uitnodiging te vermelden
plaats en tijdstip op een zitting te verschijnen. Binnen een door de
president te bepalen termijn zendt het bestuursorgaan de op de zaak betrekking
hebbende stukken aan hem. Artikel 8:58 is van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat tot één dag voor de zitting nadere
stukken kunnen worden ingediend. De artikelen 8:59 tot en met 8:65 zijn
van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat getuigen en
deskundigen kunnen worden meegebracht of opgeroepen zonder dat de
in artikel 8:60, vierde lid, eerste volzin, bedoelde mededeling is gedaan.
-2. Indien administratief
beroep is ingesteld, wordt het beroepsorgaan eveneens uitgenodigd om
op de zitting te verschijnen. Het beroepsorgaan wordt in de gelegenheid
gesteld ter zitting een uiteenzetting over de zaak te geven.
-3. Indien de president
kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk,
kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is, kan de president uitspraak doen
zonder toepassing van het eerste lid.
-4. Indien onverwijlde
spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad,
kan de president ook in andere gevallen uitspraak doen zonder
toepassing van het eerste lid.
Art. 8:84.
-1. De president doet zo
spoedig mogelijk schriftelijk of mondeling uitspraak.
-2. De uitspraak strekt
tot:
a. onbevoegdverklaring
van de president;
b.
niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek;
c. afwijzing van het verzoek; of
d. gehele of
gedeeltelijke toewijzing van het verzoek.
-3. De griffier zendt
onverwijld een afschrift van de uitspraak of van het proces-verbaal van de
mondelinge uitspraak kosteloos aan partijen.
-4. De artikelen 8:67,
tweede tot en met vijfde lid, 8:68, 8:69,
8:72, vijfde en zevende lid, 8:75,
8:75a, 8:76, 8:77, eerste en derde lid,
8:78, 8:79, tweede lid, en 8:80 zijn
van overeenkomstige toepassing.
Art. 8:85.
-1. De president kan in
zijn uitspraak bepalen wanneer de voorlopige voorziening vervalt.
-2. De voorlopige
voorziening vervalt in ieder geval zodra:
a. de termijn voor het
instellen van beroep bij de rechtbank tegen het besluit dat op bezwaar of
in administratief beroep is genomen, ongebruikt is verstreken;
b. het bezwaar of het
beroep is ingetrokken; of
c. de rechtbank uitspraak
heeft gedaan, tenzij bij de uitspraak een later tijdstip is bepaald.
Art. 8:86.
-1. Indien het verzoek
wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de president
van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel
8:83, eerste lid,
nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de
zaak, kan hij onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.
-2. Op deze bevoegdheid
van de president worden partijen in de uitnodiging, bedoeld in
artikel 8:83, eerste lid, gewezen.
Art. 8:87.
-1. De president kan, ook
ambtshalve, een voorlopige voorziening opheffen of wijzigen.
-2. De artikelen 8:81,
tweede, derde en vierde lid, en 8:82 tot en met 8:86 zijn van overeenkomstige
toepassing. Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank
bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, kan
een verzoek om opheffing of wijziging eveneens worden gedaan door een
belanghebbende die door de voorlopige voorziening rechtstreeks
in zijn belang wordt getroffen, door het bestuursorgaan of door het beroepsorgaan.
-3. Indien een verzoek om
opheffing of wijziging is gedaan door het bestuursorgaan of het
beroepsorgaan en het verzoek geheel of gedeeltelijk wordt toegewezen, kan de
uitspraak inhouden dat het betaalde griffierecht door de
griffier aan de desbetreffende rechtspersoon wordt terugbetaald.
TITEL
8.4
Herziening
Art. 8:88.
-1. De rechtbank kan op
verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak
herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden
vóór de uitspraak;
b. bij de indiener van
het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs
niet bekend konden zijn; en
c. waren zij bij de
rechtbank eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben
kunnen leiden.
-2. Hoofdstuk 6 en de
titels 8.2 en 8.3 zijn voor zover nodig van overeenkomstige
toepassing.
HOOFDSTUK
10
Bepalingen
over bestuursorganen
TITEL
10.1
Mandaat
en delegatie
AFDELING
10.1.1
Mandaat
Art. 10:1.
Onder mandaat wordt
verstaan: de bevoegdheid om in naam van een bestuursorgaan besluiten
te nemen.
Art. 10:2.
Een door de gemandateerde
binnen de grenzen van zijn bevoegdheid genomen besluit geldt als
een besluit van de mandaatgever.
Art. 10:3.
-1. Een bestuursorgaan kan
mandaat verlenen, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is
bepaald of de aard van de bevoegdheid zich tegen de mandaatverlening verzet.
-2. Mandaat wordt in ieder
geval niet verleend indien het betreft een bevoegdheid:
a. tot het vaststellen
van algemeen verbindende voorschriften, tenzij bij de verlening van die
bevoegdheid in mandaatverlening is voorzien;
b. tot het nemen van een
besluit ten aanzien waarvan is bepaald dat het met versterkte
meerderheid moet worden genomen of waarvan de aard van de voorgeschreven
besluitvormingsprocedure zich anderszins tegen de mandaatverlening
verzet;
c. tot het beslissen op
een beroepschrift;
d. tot het vernietigen
van of tot het onthouden van goedkeuring aan een besluit van een ander
bestuursorgaan.
-3. Mandaat tot het
beslissen op een bezwaarschrift wordt niet verleend aan degene die het
besluit waartegen het bezwaar zich richt, krachtens mandaat heeft genomen.
Art. 10:4.
-1. Indien de
gemandateerde niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van de mandaatgever,
behoeft de mandaatverlening de instemming van de
gemandateerde en in het voorkomende geval van degene onder wiens
verantwoordelijkheid hij werkt.
-2. Het eerste lid is niet
van toepassing indien bij wettelijk voorschrift in de bevoegdheid tot de
mandaatverlening is voorzien.
Art. 10:5.
-1. Een bestuursorgaan kan
hetzij een algemeen mandaat, hetzij een mandaat voor een bepaald
geval verlenen.
-2. Een algemeen mandaat
wordt schriftelijk verleend. Een mandaat voor een bepaald geval
wordt in ieder geval schriftelijk verleend indien de gemandateerde niet
werkzaam is onder verantwoordelijkheid van de mandaatgever.
Art. 10:6.
-1. De mandaatgever kan de
gemandateerde per geval of in het algemeen instructies
geven ter zake van de uitoefening van de gemandateerde bevoegdheid.
-2. De gemandateerde
verschaft de mandaatgever op diens verzoek inlichtingen over de
uitoefening van de bevoegdheid.
Art. 10:7.
De mandaatgever blijft
bevoegd de gemandateerde bevoegdheid uit te oefenen.
Art. 10:8.
-1. De mandaatgever kan
het mandaat te allen tijde intrekken.
-2. Een algemeen mandaat
wordt schriftelijk ingetrokken.
Art. 10:9.
-1. De mandaatgever kan
toestaan dat ondermandaat wordt verleend.
-2. Op ondermandaat zijn
de overige artikelen van deze afdeling van overeenkomstige
toepassing.
Art. 10:10.
Een krachtens mandaat
genomen besluit vermeldt namens welk bestuursorgaan het
besluit is genomen.
Art. 10:11.
-1. Een bestuursorgaan kan
bepalen dat door hem genomen besluiten namens hem kunnen worden ondertekend, tenzij bij wettelijk voorschrift
anders is bepaald of de
aard van de bevoegdheid zich hiertegen verzet.
-2. In dat geval moet uit
het besluit blijken dat het door het bestuursorgaan zelf is genomen.
Art. 10:12.
Deze afdeling is van
overeenkomstige toepassing indien een bestuursorgaan aan een ander, werkzaam
onder zijn verantwoordelijkheid, volmacht verleent tot het
verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen of machtiging verleent
tot het verrichten van handelingen die noch een besluit, noch een
privaatrechtelijke rechtshandeling zijn.
AFDELING
10.1.2
Delegatie
Art. 10:13.
Onder delegatie wordt
verstaan: het overdragen door een bestuursorgaan van zijn bevoegdheid tot
het nemen van besluiten aan een ander die deze onder eigen
verantwoordelijkheid uitoefent.
Art. 10:14.
Delegatie geschiedt niet
aan ondergeschikten.
Art. 10:15.
Delegatie geschiedt
slechts indien in de bevoegdheid daartoe bij wettelijk voorschrift is
voorzien.
Art. 10:16.
-1. Het bestuursorgaan kan
ter zake van de uitoefening van de gedelegeerde bevoegdheid uitsluitend beleidsregels geven.
-2. Degene aan wie de
bevoegdheid is gedelegeerd, verschaft het bestuursorgaan op diens
verzoek inlichtingen over de uitoefening van de bevoegdheid.
Art. 10:17.
Het bestuursorgaan kan de
gedelegeerde bevoegdheid niet meer zelf uitoefenen.
Art. 10:18.
Het bestuursorgaan kan
het delegatiebesluit te allen tijde intrekken.
Art. 10:19.
Een besluit dat op grond
van een gedelegeerde bevoegdheid wordt genomen, vermeldt het
delegatiebesluit en de vindplaats daarvan.
Art. 10:20.
-1. Op de overdracht door
een bestuursorgaan van een bevoegdheid van een ander
bestuursorgaan tot het nemen van besluiten aan een derde is deze afdeling, met
uitzondering van artikel 10:16, van overeenkomstige toepassing.
-2. Bij wettelijk
voorschrift of bij het besluit tot overdracht kan worden bepaald dat het
bestuursorgaan wiens bevoegdheid is overgedragen beleidsregels over de
uitoefening van die bevoegdheid kan geven.
-3. Degene aan wie de
bevoegdheid is overgedragen, verschaft het overdragende en het
oorspronkelijk bevoegde bestuursorgaan op hun verzoek inlichtingen over
de uitoefening van de bevoegdheid.
TITEL
10.2
Toezicht
op bestuursorganen
AFDELING
10.2.1
Goedkeuring
Art. 10:25.
In deze wet wordt
verstaan onder goedkeuring: de vóór de inwerkingtreding van een besluit van een
bestuursorgaan vereiste toestemming van een ander bestuursorgaan.
Art. 10:26.
Besluiten kunnen slechts
aan goedkeuring worden onderworpen in bij of krachtens de wet
bepaalde gevallen.
Art. 10:27.
De goedkeuring kan
slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of op een grond,
neergelegd in de wet waarin of krachtens welke de goedkeuring is
voorgeschreven.
Art. 10:28.
Aan een besluit waarover
een rechter uitspraak heeft gedaan of waarbij een in kracht van
gewijsde gegane uitspraak van de rechter wordt uitgevoerd, kan geen
goedkeuring worden onthouden op rechtsgronden welke in strijd zijn met
die waarop de uitspraak steunt of mede steunt.
Art. 10:29.
-1. Een besluit kan alleen
dan gedeeltelijk worden goedgekeurd indien gedeeltelijke
inwerkingtreding strookt met aard en inhoud van het besluit.
-2. De goedkeuring kan
noch voor bepaalde tijd of onder voorwaarden worden verleend, noch
worden ingetrokken.
Art. 10:30.
-1. Gedeeltelijke
goedkeuring of onthouding van goedkeuring vindt niet plaats dan nadat aan het
bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen gelegenheid tot overleg
is geboden.
-2. De motivering van het
goedkeuringsbesluit verwijst naar hetgeen in het overleg aan de orde
is gekomen.
Art. 10:31.
-1. Tenzij bij wettelijk
voorschrift anders is bepaald, wordt het besluit omtrent goedkeuring
binnen dertien weken na de verzending ter goedkeuring bekendgemaakt aan het bestuursorgaan dat het aan goedkeuring onderworpen
besluit heeft genomen.
-2. Het nemen van het
besluit omtrent goedkeuring kan eenmaal voor ten hoogste dertien weken
worden verdaagd.
-3. In afwijking van het
tweede lid kan het nemen van het besluit omtrent goedkeuring
eenmaal voor ten hoogste zes maanden worden verdaagd indien inzake
dat besluit advies van een adviseur als bedoeld in artikel 3:5 is vereist.
-4. Tenzij bij wettelijk
voorschrift anders is bepaald, wordt een besluit tot goedkeuring geacht te
zijn genomen indien binnen de in het eerste lid genoemde termijn geen
besluit omtrent goedkeuring of geen besluit tot verdaging, dan wel binnen
de termijn waarvoor het besluit is verdaagd, geen besluit omtrent
goedkeuring is bekendgemaakt aan het bestuursorgaan dat het aan goedkeuring
onderworpen besluit heeft genomen.
Art. 10:32.
-1. Deze afdeling is van
overeenkomstige toepassing indien voor het nemen van een besluit
door een bestuursorgaan de toestemming van een ander bestuursorgaan is
vereist.
-2. Bij de toestemming kan
een termijn worden gesteld waarbinnen het besluit dient te worden
genomen.
AFDELING
10.2.2
Vernietiging
Art. 10:33.
Deze afdeling is van
toepassing indien een bestuursorgaan bevoegd is buiten administratief
beroep een besluit van een ander bestuursorgaan te vernietigen.
Art. 10:34.
De
vernietigingsbevoegdheid kan slechts worden verleend bij de wet.
Art. 10:35.
Vernietiging kan alleen
geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.
Art. 10:36.
Een besluit kan alleen
dan gedeeltelijk worden vernietigd indien gedeeltelijke
instandhouding strookt met aard en inhoud van het besluit.
Art. 10:37.
Een besluit waarover de
rechter uitspraak heeft gedaan of waarbij een in kracht van gewijsde
gegane uitspraak van de rechter wordt uitgevoerd, kan niet worden
vernietigd op rechtsgronden welke in strijd zijn met die waarop de uitspraak
steunt of mede steunt.
Art. 10:38.
-1. Een besluit dat nog
goedkeuring behoeft, kan niet worden vernietigd.
-2. Een besluit waartegen
bezwaar of beroep openstaat of aanhangig is, kan niet worden
vernietigd.
Art. 10:39.
-1. Een besluit tot het
verrichten van een privaatrechtelijke rechtshandeling kan niet worden
vernietigd indien dertien weken zijn verstreken nadat het is
bekendgemaakt.
-2. Indien binnen de
termijn, genoemd in het eerste lid, overeenkomstig artikel 10:43 schorsing
heeft plaatsgevonden, blijft vernietiging binnen de duur van de schorsing
mogelijk.
-3. Indien een besluit als
bedoeld in het eerste lid aan goedkeuring is onderworpen, vangt de in
het eerste lid genoemde termijn aan nadat het goedkeuringsbesluit is
bekendgemaakt. Op het goedkeuringsbesluit zijn het eerste en tweede lid
van overeenkomstige toepassing.
Art. 10:40.
Een besluit dat
overeenkomstig artikel 10:43 is geschorst, kan, nadat de schorsing is geëindigd,
niet meer worden vernietigd.
Art. 10:41.
-1. Vernietiging vindt
niet plaats dan nadat aan het bestuursorgaan dat het besluit heeft
genomen gelegenheid tot overleg is geboden.
-2. De motivering van het
vernietigingsbesluit verwijst naar hetgeen in het overleg aan de orde
is gekomen.
Art. 10:42.
-1. Vernietiging van een
besluit strekt zich uit tot alle rechtsgevolgen waarop het was gericht.
-2. In het
vernietigingsbesluit kan worden bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde
besluit geheel of ten dele in stand blijven.
-3. Indien een besluit tot
het aangaan van een overeenkomst wordt vernietigd, wordt de
overeenkomst, zo zij reeds is aangegaan en voor zover bij het
vernietigingsbesluit niet anders is bepaald, niet of niet verder uitgevoerd, onverminderd
het recht van de wederpartij op schadevergoeding.
AFDELING
10.2.3
Schorsing
Art. 10:43.
Hangende het onderzoek of
er reden is tot vernietiging over te gaan, kan een besluit door het tot
vernietiging bevoegde bestuursorgaan worden geschorst.
Art. 10:44.
-1. Het besluit tot
schorsing bepaalt de duur hiervan.
-2. De schorsing van een
besluit kan eenmaal worden verlengd.
-3. De schorsing kan ook
na verlenging niet langer duren dan één jaar.
-4. Indien bezwaar is
gemaakt of beroep is ingesteld tegen het geschorste besluit, duurt
de schorsing evenwel voort tot dertien weken nadat op het bezwaar of
beroep onherroepelijk is beslist.
-5. De schorsing kan
worden opgeheven.
Art. 10:45.
Op het besluit inzake
schorsing zijn de artikelen 10:36, 10:37,
10:38, eerste lid, 10:39, eerste
en derde lid, en 10:42, derde lid, van overeenkomstige toepassing.
HOOFDSTUK
11
Slotbepalingen
Art. 11:1.
-1. Onze Ministers van
Justitie en van Binnenlandse Zaken zenden binnen drie jaren na de
inwerkingtreding van deze wet en vervolgens om de vijf jaren aan de
Staten-Generaal een verslag over de wijze waarop zij is toegepast.
-2. Het eerste lid is niet
van toepassing ten aanzien van de voorschriften betreffende beroep bij
een administratieve rechter.
Art. 11:2.
Deze wet treedt in
werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.¹
1. Bij Besluit van 23 december 1993, Stb.
1993, 693, is het tijdstip van inwerkingtreding bepaald op 1 januari
1994,
red.
Art. 11:3.
Vóór de bekendmaking van
deze wet stelt Onze Minister van Justitie de nummering van de
artikelen, afdelingen, titels en hoofdstukken van deze wet opnieuw vast en
brengt hij de in deze wet voorkomende aanhalingen van artikelen,
afdelingen, titels en hoofdstukken daarmee in overeenstemming.
Art. 11:4.
Deze wet wordt aangehaald
als: Algemene wet bestuursrecht.
BIJLAGE
bij de
Algemene wet bestuursrecht
A.
Ministerie van Justitie
1. Uitleveringswet.
2. Wet
administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften.
3. Artikel 7, eerste en
tweede lid, en afdeling 4 van titel 14 van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede de artikelen 64, derde lid, 68, tweede
lid, 125, tweede lid,
156, 175, derde lid, 179, tweede lid, 235, tweede lid, en 266 van Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek, voor zover de aanvraag is toegewezen.
4. De artikelen 29,
eerste en tweede lid, 32, eerste en tweede lid, 34, derde lid, en 35, tweede
lid, van de Politiewet
1993.
B.
Ministerie van Binnenlandse Zaken
1. Artikel 9 van de Financiële-verhoudingswet.
2. Artikel 241, eerste
lid, van de Provinciewet.
4. Hoofdstuk 2 van de Algemene
wet gelijke behandeling, met uitzondering van de
artikelen 16 en 17 en de op grond van artikel 21, tweede lid, gestelde
regels.
C.
Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
1. Onteigeningswet.
2. Artikel 11, eerste
lid, met uitzondering van een besluit dat ingevolge het achtste lid van dat
artikel geen goedkeuring behoeft, de artikelen 21, eerste lid, 25, 29,
eerste en achtste lid, 38, tweede lid, en 40b alsmede artikel 37, voor zover
inhoudende de weigering een besluit als bedoeld in dat artikel te nemen en
de artikelen 40 en 41, voor zover inhoudende de weigering een verzoek te
doen als bedoeld in die artikelen, van de Wet
op de Ruimtelijke Ordening.
3. De artikelen 4.3 tot
en met 4.6, 4.9 tot en met 4.12, 4.15a, 4.16 tot en met 4.19, 8.27, 8.36 en
8.39 van de Wet
milieubeheer.
4. Artikel 43 van de Wet
bodembescherming, voor zover inhoudende de afwijzing van een verzoek.
D.
Ministerie van Verkeer en Waterstaat
1. Artikel 7d van de Wet
verontreiniging oppervlaktewateren.
2. Artikel 28 van de Wet
op de telecommunicatievoorzieningen, voor zover inhoudende een aanwijzing.
E.
Ministerie na Landbouw, Natuurbeheer en Visserij
1. De artikelen 36,
eerste lid, 37, 44, eerste lid, 45 en 70 van de Reconstructiewet
Midden-Delfland.
2. De artikelen 20 tot en
met 22, 72, eerste lid, 75 en 101, derde lid, van de Herinrichtingswet
Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën.
3. De artikelen 18, 46,
51, 52, 81, 82, 84, eerste en zevende lid, 85, 88 juncto 81, 90, 92, 108,
109, 111, 112, 114, 115, 131, derde lid, 137, 161, 167, 189, eerste lid, 196,
eerste lid, en 211 van de Landinrichtingswet.
F.
Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
1. Artikel 6 van het
Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945.
2. Artikel 45, eerste
lid, van de Algemene Bijstandswet en de artikelen 74 en
140 en hoofdstuk
VII van de Algemene bijstandswet.
3. Artikel 42 van de
Arbeidsvoorzieningswet 1996.
G.
Ministerie van Defensie
De artikelen V 2, tweede
lid, en W 7 van de Algemene militaire pensioenwet.
H.
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
De artikelen 20, eerste
lid, 38, 39 en 40 en hoofdstuk IV van de Wet
bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen.
[Lasten en bevelen dat deze in het
Staatsblad
zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten,
colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige
uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 4 juni 1992
BEATRIX
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
De Minister van Binnenlandse Zaken,
C.I. Dales
Uitgegeven de dertigste juni 1992
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin, red.]
|