|
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 1996-1997, 1997-1998, 25 053.
Handelingen II 1997-1998, blz. 531-550, 555-576, 652-653, 913-914.
Kamerstukken I 1997-1998, 25 053 (69, 69a, 69b, 69c).
Handelingen I 1997-1998, zie vergadering d.d. 20 januari 1998.
MEMORIE
VAN TOELICHTING
WET van 22 januari 1998, Stb.
1998, 59, houdende een afzonderlijke inkomensvoorziening voor
kunstenaars (Wet inkomensvoorziening kunstenaars).
Inwerkingtreding: 1 januari 1999 (Stb. 1998,
578).
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods,
Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen
lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben,
dat het wenselijk is regels te stellen betreffende een afzonderlijke
inkomensvoorziening voor kunstenaars, die niet over voldoende middelen
beschikken om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State
gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden
en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK
I
Algemene
bepalingen
Art. 1.
ln deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. burgemeester en
wethouders: burgemeester en wethouders van de gemeente, bedoeld in
artikel 19;
c. adviserende instelling:
de instelling, bedoeld in artikel 26;
d. kunstenaar: degene die
hier te lande werkzaam is in een beroep of bedrijf ter uitoefening van
de scheppende, uitvoerende of toegepaste kunst;
e. beginnend kunstenaar:
degene die de aanvraag op grond van deze wet heeft ingediend binnen
twaalf maanden nadat hij of zij met goed gevolg een opleiding op het gebied
van de kunst, een voortgezette opleiding op het gebied van de kunst of
een voortgezette opleiding bouwkunst als bedoeld in de Wet
op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek heeft voltooid, voor zover
deze opleiding gericht is op de uitoefening van het kunstenaarschap, dan wel
een daarmee vergelijkbare, door Onze Minister van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschappen aan te wijzen, opleiding heeft voltooid.
Art. 2.
In deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. middelen: alle vermogens-
en inkomensbestanddelen, bedoeld in hoofdstuk
IV, afdeling 3,
van de Algemene bijstandswet, waarover de belanghebbende en zijn gezin
beschikken of redelijkerwijs kunnen beschikken;
b. inkomen: het inkomen,
bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 3, paragraaf 1 en
2, van de Algemene bijstandswet;
c. beroepskosten: de kosten
ter verwerving van het inkomen als kunstenaar;
d. kinderbijslag:
kinderbijslag op grond van de Algemene
Kinderbijslagwet.
Art. 3.
In deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. woonplaats: de woonplaats,
bedoeld in titel 3 van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek;
b. echtgenoot of gehuwde:
1º. degene die naar
burgerlijk recht als zodanig wordt aangemerkt;
2º. de ongehuwde die met
een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft
een bloedverwant in de eerste graad;
c. ongehuwde: mede degene
die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd
is;
d. gezamenlijke huishouding:
een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3 van de
Algemene bijstandswet;
e. alleenstaande: de
ongehuwde die geen tot zijn last komende kinderen heeft en geen
gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij het betreft een
bloedverwant in de eerste graad;
f. alleenstaande ouder: de
ongehuwde die de volledige zorg heeft voor één of meer tot zijn last
komende kinderen en geen gezamenlijke huishouding voert met een
ander, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad;
g. gezin:
1º. de kunstenaar en zijn
echtgenoot tezamen;
2º. de kunstenaar, zijn
echtgenoot en de tot hun last komende minderjarige kinderen tezamen;
3º. de alleenstaande
kunstenaar en de tot zijn last komende kinderen tezamen;
h. kind: het in Nederland
woonachtige eigen kind of stiefkind;
i. ten laste komend kind:
het kind jonger dan 18 jaar voor wie de alleenstaande ouder of de
gehuwde aanspraak op kinderbijslag kan maken.
HOOFDSTUK
II
Het recht
op uitkering
§ 1.
De voorwaarden voor
het recht op uitkering
Art. 4.
-1. Recht op uitkering heeft
de beginnend kunstenaar die niet over voldoende middelen beschikt
om te voorzien in de noodzakelijke kosten van bestaan.
-2. Recht op uitkering heeft
eveneens de kunstenaar die op het moment van inwerkingtreding van deze wet geen algemene bijstand op grond van
de Algemene bijstandswet
ontving en die:
a. niet over voldoende
middelen beschikt om te voorzien in de noodzakelijke kosten van
bestaan;
b. gedurende een zekere
periode als kunstenaar werkzaam is geweest; en
c. met de in onderdeel b
bedoelde werkzaamheden ten minste een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen bruto-inkomen of
bruto-omzet
heeft verworven.
Art. 5.
Geen recht op uitkering
heeft de kunstenaar die:
a. algemene bijstand op
grond van de Algemene bijstandswet ontvangt, tenzij hij voldoet
aan artikel 47, eerste lid, van deze wet;
b. buiten Nederland zijn
woonplaats heeft of die in Nederland zijn woonplaats heeft doch die,
langer dan de gebruikelijke vakantieduur, verblijf houdt buiten
Nederland, tenzij dat verblijf noodzakelijk is in verband met de
beroepsuitoefening;
c. vreemdeling is en niet in
het bezit van een vergunning tot verblijf als bedoeld in de artikelen 9 of
10 van de Vreemdelingenwet;
d. rechtens zijn vrijheid
ontnomen is; of
e. de leeftijd van 65 jaar
heeft bereikt.
Art. 6.
-1. De uitkering van de
kunstenaar wordt beëindigd, indien hij:
a. over voldoende middelen
is komen te beschikken om te voorzien in de noodzakelijke kosten van bestaan;
b. niet kan aantonen met
zijn werkzaamheden als kunstenaar gedurende een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen periode
niet ten minste het in die
maatregel bepaalde bruto-inkomen of bruto-omzet heeft verworven;
c. of zijn echtgenoot daarom
verzoekt.
-2. Burgemeester en
wethouders onderzoeken regelmatig of de omstandigheden, bedoeld in
het eerste lid, onderdeel a of b, zich voordoen.
-3. Onze Minister kan, na
overleg met Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschappen, nadere regels stellen omtrent de regelmaat
waarmee onderzoeken als
bedoeld in het tweede lid moeten plaatsvinden.
Art. 7.
Een kunstenaar kan opnieuw
uitkering aanvragen indien een grond voor beëindiging als
bedoeld in artikel 6, eerste lid, is komen te vervallen.
§ 2.
Vorm, hoogte en duur
van de uitkering
Art. 8.
Burgemeester en wethouders
stemmen de uitkering af op de middelen van de kunstenaar en zijn gezin.
Art. 9.
-1. Onverminderd paragraaf 1
heeft de kunstenaar recht op uitkering, voor zover:
a. het in aanmerking te
nemen inkomen, verminderd met de overeenkomstig het vierde lid in aanmerking
te nemen beroepskosten, lager is dan het bedrag, genoemd in
het tweede lid; en
b. er geen in aanmerking te
nemen vermogen is.
-2. Het maandelijkse bedrag
is voor:
a. een alleenstaande: ƒ957,27;
b. een alleenstaande ouder:
het bedrag gelijk aan de som van de voor een dergelijk persoon geldende bijstandsnorm, bedoeld in
artikel 30,
onderdeel b, van de Algemene bijstandswet, en de maximale toeslag, bedoeld in
artikel 33,
tweede lid, van de Algemene bijstandswet, verminderd met het verschil
tussen het maandelijkse bedrag voor een alleenstaande, bedoeld in
onderdeel a enerzijds, en de voor een alleenstaande geldende bijstandsnorm,
bedoeld in artikel 30, onderdeel a, van de
Algemene bijstandswet,
vermeerderd met de voormelde maximale toeslag, anderzijds;
c. gehuwden: het bedrag
gelijk aan de voor dergelijke personen geldende bijstandsnorm,
bedoeld in artikel 30, onderdeel c, van de
Algemene bijstandswet,
verminderd met het verschil tussen het maandelijkse bedrag voor een
alleenstaande, bedoeld in onderdeel a enerzijds, en de voor een alleenstaande
geldende bijstandsnorm, bedoeld in artikel 30, onderdeel a, van de
Algemene bijstandswet, vermeerderd met de maximale toeslag, bedoeld in
artikel 33, tweede lid, van die wet, anderzijds.
-3. De hoogte van de
uitkering is het verschil tussen het in aanmerking te nemen inkomen, verminderd
met de overeenkomstig het vierde lid in aanmerking te nemen
beroepskosten, en het bedrag, genoemd in het tweede lid.
-4. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden voor de in aanmerking te nemen beroepskosten normbedragen
vastgesteld die voor
de verschillende
kunstrichtingen verschillend kunnen zijn. Indien de belanghebbende aantoont dat
zijn werkelijke beroepskosten hoger zijn dan het voor hem geldende
normbedrag, worden deze werkelijke kosten in aanmerking genomen.
-5. Bij de toepassing van dit
artikel wordt het in aanmerking te nemen inkomen, verminderd met de in aanmerking te nemen beroepskosten, niet
op minder dan nihil gesteld.
-6. Beroepskosten worden niet
in aanmerking genomen voor zover die uit anderen hoofde worden vergoed.
Art. 10.
-1. De uitkering heeft
voorlopig de vorm van een renteloze geldlening die in maandelijkse
termijnen wordt uitbetaald.
-2. Zodra het inkomen bekend
is over het kalenderjaar waarin de uitkering is verleend, wordt
de hoogte van de uitkering definitief vastgesteld en vindt, voor zover de
kunstenaar en zijn gezin geen in aanmerking te nemen vermogen hebben,
tot die hoogte omzetting plaats in een bedrag om niet.
-3. Bij de in het tweede lid
bedoelde omzetting wordt op de uitkering het inkomen van de kunstenaar en
zijn gezin in het betrokken kalenderjaar in mindering gebracht, voor
zover de uitkering en het inkomen - omgerekend naar een
gemiddeld maandbedrag, inclusief de vakantietoeslag, bedoeld in artikel
11,
eerste lid - tezamen meer bedragen dan:
a. ƒ1709,41 voor een
alleenstaande;
b. ƒ2197,82 voor een
alleenstaande ouder;
c. ƒ2442,02 voor gehuwden.
-4. Indien de uitkering wordt
beëindigd, stellen burgemeester en wethouders zo spoedig
mogelijk de hoogte van de uitkering definitief vast op basis van de tot dan in
het kalenderjaar verworven middelen.
-5. Indien toepassing is
gegeven aan het vierde lid en de belanghebbende nadien in hetzelfde kalenderjaar opnieuw een uitkering aanvraagt,
wordt het recht op en de
hoogte van de uitkering vastgesteld op basis van de over het gehele
kalenderjaar verworven middelen.
Art. 11.
-1. In de uitkering is een
vakantietoeslag begrepen ter hoogte van 5,2 procent van die uitkering.
-2. Bij de definitieve
vaststelling, bedoeld in artikel 10, tweede en vierde lid, wordt de uitkering
verhoogd met de loonbelasting en de premies volksverzekeringen waarvoor
de gemeente die de uitkering verleent, krachtens de
Wet op de
loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is, alsmede met de over die
uitkering verschuldigde ziekenfondspremie.
Art. 12.
Onze Minister herziet
telkens met ingang van de dag waarop het nettominimumloon wijzigt de in de
artikelen 9 en 10 genoemde bedragen, alsmede het percentage,
genoemd in artikel 11, eerste lid. De artikelen 55, eerste, tweede en derde lid,
en 56 van de Algemene bijstandswet
zijn van overeenkomstige toepassing.
Art. 13.
-1. Het recht op uitkering
bestaat, al dan niet aaneengesloten, gedurende ten hoogste vier jaar.
-2. Het recht op uitkering
eindigt in elk geval tien jaar na de dag met ingang van welke voor de
eerste maal uitkering op grond van deze wet werd toegekend.
Art. 14.
-1. Het recht op uitkering
gaat niet eerder in dan de dag waarop de uitkering is aangevraagd.
-2. Indien de belanghebbende
gehuwd is, wordt de aanvraag door de echtgenoten gezamenlijk ingediend, dan wel door
één van hen met
schriftelijke toestemming
van de ander.
-3. De aanvraag wordt
afgewezen indien niet voldaan wordt aan het tweede lid.
-4. Indien beide echtgenoten
recht hebben op uitkering:
a. wordt ieders individuele
inkomen verminderd met de individuele beroepskosten;
b. wordt bij de toepassing
van artikel 6, eerste lid, onderdeel b, slechts acht geslagen op ieders individuele bruto-inkomen of bruto-omzet;
c. bedraagt de som van hun
uitkeringen ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 9, tweede
lid, onderdeel c; en
d. wordt bij de omzetting,
bedoeld in artikel 10, derde lid, het aldaar onder c genoemde bedrag aangehouden.
§ 3.
Aan de uitkering
verbonden verplichtingen
Art. 15.
-1. Burgemeester en
wethouders kunnen aan de uitkering verplichtingen verbinden die verband houden
met de aard en het doel van deze wet, die strekken tot vermindering of
beëindiging van het beroep op deze wet of verplichtingen die zij nodig
achten voor een doelmatige bedrijfs- en beroepsuitoefening.
-2. De kunstenaar is
verplicht:
a. naar behoren een
administratie te voeren en daarin desgevraagd inzage te verlenen aan burgemeester en wethouders;
b. zich naar vermogen in te
spannen om met zijn kunst zelfstandig in het bestaan te voorzien;
c. aan burgemeester en
wethouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen
van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs
duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op
uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de
duur van de uitkering of op het bedrag dat aan hem als uitkering wordt
betaald;
d. ervoor zorg te dragen dat
hij als kunstenaar in de zin van deze wet is ingeschreven bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, bedoeld in artikel 2
van de
Arbeidsvoorzieningswet 1996.
-3. De verplichting, bedoeld
in het tweede lid, onderdeel c, geldt eveneens voor de echtgenoot
van de kunstenaar.
§ 4.
Maatregelen
Art. 16.
-1. Burgemeester en
wethouders weigeren de uitkering tijdelijk geheel of gedeeltelijk, indien de
kunstenaar:
a. blijk heeft gegeven van
een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in
het
bestaan;
b. een verplichting als
bedoeld in artikel 15, eerste lid, of tweede lid, onderdeel a, b en
d, niet
of niet behoorlijk is nagekomen; of
c. de verplichting, bedoeld
in artikel 15, tweede lid, onderdeel c, niet binnen de daarvoor door burgemeester en wethouders vastgestelde
termijn is nagekomen.
-2. Een maatregel als bedoeld
in het eerste lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de kunstenaar de gedraging
verweten kan worden en de
omstandigheden waarin hij verkeert. Van het opleggen van een maatregel
wordt in elk geval afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid
ontbreekt.
-3. Indien daarvoor dringende
redenen aanwezig zijn, kunnen burgemeester en wethouders besluiten af
te zien van het opleggen van een maatregel als bedoeld in het
eerste lid.
-4. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen met betrekking tot het eerste en tweede lid nadere regels worden gesteld.
§ 5.
Administratieve boeten
Art. 17.
-1. Indien de belanghebbende
de verplichting, bedoeld in artikel 15, tweede lid, onderdeel c,
niet of niet behoorlijk is nagekomen door geen, onjuiste of onvolledige
mededelingen te doen, leggen burgemeester en wethouders hem een boete op
van ten hoogste ƒ5000,00.
-2. De hoogte van de boete
wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten
kan worden en de
omstandigheden waarin hij verkeert. Van het opleggen van een
boete wordt in elk geval afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
-3. Indien daarvoor dringende
redenen aanwezig zijn, kunnen burgemeester en wethouders besluiten af
te zien van het opleggen van een boete.
-4. Degene aan wie een boete
is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan burgemeester en wethouders de inlichtingen te verstrekken die voor de
tenuitvoerlegging van de
boete van belang zijn.
-5. Voor zover de boete nog
niet is geïnd, vervalt zij door het overlijden van degene aan wie zij is
opgelegd.
-6. Bij algemene maatregel
van bestuur worden met betrekking tot het eerste en tweede lid nadere regels gesteld.
Art. 18.
De artikelen 14b tot en met 14f
van de
Algemene bijstandswet zijn van overeenkomstige toepassing.
HOOFDSTUK
III
Het
geldend maken van het recht op uitkering
Art. 19.
-1. Het recht op uitkering
bestaat jegens burgemeester en wethouders van de gemeente
waar de belanghebbende woonplaats heeft.
-2. Burgemeester en
wethouders stellen het recht op uitkering op aanvraag vast.
-3. Burgemeester en
wethouders besluiten, gehoord het advies van de instelling, bedoeld in
artikel 26, of:
a. de aanvraag is ingediend
door een kunstenaar als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, of door een beginnend kunstenaar als bedoeld in
artikel 1,
onderdeel e, of aan de eisen,
bedoeld in artikel 4, tweede lid, aanhef en onder b en c, voldaan wordt of aan
de eisen, bedoeld in artikel 47, eerste lid, aanhef en onder c; of
b. de uitkering moet worden
beëindigd om de reden, bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en
onder b.
-4. Een verzoek om advies als
bedoeld in het derde lid, onderdeel a, wordt eerst gedaan nadat is vastgesteld dat de aanvraag aan de andere
dan de in het derde lid
bedoelde eisen voldoet.
-5. Bij algemene maatregel
van bestuur kan worden bepaald dat het recht op uitkering bestaat
jegens burgemeester en wethouders van een bij die maatregel aan te wijzen
gemeente.
Art. 20.
-1. Indien de belanghebbende
de voor de verlening van uitkering van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of
onvolledig heeft verstrekt
en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins
onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek, schorten
burgemeester en wethouders het recht op uitkering op:
a. vanaf de eerste dag van
de periode waarop het verzuim betrekking heeft; of
b. vanaf de dag van het
verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft.
-2. Burgemeester en
wethouders doen mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en nodigen hem uit binnen een door hen te
stellen termijn het verzuim
te herstellen.
-3. Onverminderd het elders
in deze wet bepaalde ter zake van herziening of intrekking van
een besluit tot toekenning van uitkering en ter zake van weigering van
uitkering, herzien burgemeester en wethouders een dergelijk besluit of
trekken zij dat in:
a. indien een gedraging als
bedoeld in artikel 16, eerste lid, of het niet of niet behoorlijk nakomen
van een daar bedoelde verplichting heeft geleid tot het ten onrechte
of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering;
b. indien anderszins de
uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
-4. Als de belanghebbende in
het geval, bedoeld in het eerste lid, het verzuim niet herstelt binnen
de daarvoor gestelde termijn, trekken burgemeester en wethouders
na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van
uitkering in met ingang van de eerste dag waarover het recht op uitkering is opgeschort.
-5. Indien daarvoor dringende
redenen aanwezig zijn, kunnen burgemeester en wethouders besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of
intrekking af te zien.
Art. 21.
-1. Burgemeester en
wethouders betalen de uitkering maandelijks achteraf.
-2. In afwijking van het
eerste lid wordt de vakantietoeslag, voor zover niet reeds eerder betaald,
jaarlijks betaald in de maand juni over de aan die maand voorafgaande
twaalf maanden, dan wel in de maand waarin de uitkering eindigt.
Art. 22.
-1. De uitkering is niet
vatbaar voor vervreemding, verpanding of beslag.
-2. Een machtiging tot het in
ontvangst nemen van de uitkering, onder welke vorm of welke benaming ook verleend, is steeds herroepelijk.
-3. Elk beding strijdig met
dit artikel is nietig.
HOOFDSTUK
IV
Terugvordering
Art. 23.
-1. De uitkering die
onverschuldigd is betaald, wordt door burgemeester en wethouders van de kunstenaar teruggevorderd.
-2. Indien daarvoor dringende
redenen aanwezig zijn, kunnen burgemeester en wethouders besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering
af te zien.
-3. Het besluit tot
terugvordering vermeldt hetgeen wordt teruggevorderd, de termijn of termijnen
waarbinnen moet worden betaald, alsmede dat het besluit bij
gebreke van tijdige betaling zal worden ten uitvoer gelegd op de wijze,
bedoeld in artikel 18.
-4. Degene van wie wordt
teruggevorderd, is verplicht desgevraagd aan burgemeester en wethouders de inlichtingen te verstrekken die voor de
terugvordering van belang
zijn.
Art. 24.
De artikelen 78a, 81,
82, 85, 86 en
87 van de Algemene bijstandswet
zijn van overeenkomstige toepassing.
HOOFDSTUK
V
Uitvoering
en toezicht
§ 1.
Verantwoordelijkheid
voor de uitvoering
Art. 25.
De uitvoering van deze wet
berust bij burgemeester en wethouders en, voor zover het de advisering, bedoeld in
artikel 26 betreft, de daar
bedoelde instelling.
Art. 26.
-1. Onze Minister
erkent
één instelling als de adviserende instelling.
-2. De adviserende instelling
heeft tot taak burgemeester en wethouders van advies te dienen of:
a. de aanvraag is ingediend
door een kunstenaar als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, of door een beginnend kunstenaar als bedoeld in
artikel 1,
onderdeel e, of aan de eisen,
bedoeld in artikel 4, tweede lid, aanhef en onder b en c, voldaan wordt of aan
de eisen, bedoeld in artikel 47, eerste lid, aanhef en onder c; of
b. de uitkering moet worden
beëindigd om de reden, bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en
onder b.
-3. Om voor erkenning als de
adviserende instelling in aanmerking te komen, is ten minste vereist
dat de aanvragende instelling:
a. een rechtspersoon met
volledige rechtsbevoegdheid is;
b. blijkens haar statuten
tot doel heeft of mede tot doel heeft taken als bedoeld in het tweede lid te
vervullen.
-4. Aan een erkenning kunnen
voorschriften worden verbonden.
-5. Een erkenning geldt voor
onbepaalde tijd.
Art. 27.
-1. Onze Minister
trekt de
erkenning als de adviserende instelling in, indien de instelling:
a. daarom verzoekt;
b. tot ontbinding besluit;
c. in staat van
faillissement wordt verklaard.
-2. Onze Minister kan de
erkenning als de adviserende instelling intrekken, indien de
instelling:
a. haar taak niet naar
behoren heeft vervuld;
b. haar statuten heeft
gewijzigd zonder voorafgaande goedkeuring van Onze Minister;
c. heeft gehandeld in strijd
met haar statuten of de voorschriften, bedoeld in artikel
26,
vierde lid.
Art. 28.
-1. Onze Minister
regelt in
een besluit tot intrekking van de erkenning zo nodig de gevolgen van die
intrekking.
-2. Een besluit tot erkenning
of tot intrekking van de erkenning bepaalt de dag waarop de erkenning onderscheidenlijk de intrekking ingaat. Het
besluit wordt in de
Staatscourant geplaatst.
Art. 29.
Onze Minister oefent de hem
in de artikelen 26, 27 en 28 verleende taken en bevoegdheden uit in overeenstemming met
Onze Minister van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.
§ 2.
Verantwoording
Art. 30.
-1. Burgemeester en
wethouders voeren ten behoeve van een getrouwe weergave van de uitvoering
en een effectief uitvoeringsproces een zodanige administratie dat
de juiste, volledige en tijdige vastlegging zijn gewaarborgd van:
a. de beslissingen over
aanvragen, onderzoeken, uitkeringen, vorderingen en verplichtingen en de
hieruit voortvloeiende betalingen en ontvangsten;
b. de hierop betrekking
hebbende bescheiden;
c. het onderzoek dat is
verricht naar de juistheid en de volledigheid van de verstrekte gegevens en
de
overgelegde bescheiden.
-2. Onze Minister
stelt, na
overleg met Onze Minister van Binnenlandse Zaken, regels aangaande de
in het eerste lid bedoelde administratie.
Art. 31.
-1. De adviserende instelling
voert ten behoeve van een getrouwe weergave van de uitvoering
van de haar toevertrouwde taak een zodanige administratie dat de juiste,
volledige en tijdige vastlegging zijn gewaarborgd van:
a. de ingevolge artikel 26
verstrekte adviezen;
b. de hierop betrekking
hebbende bescheiden;
c. het onderzoek dat is
verricht naar de juistheid en de volledigheid van de door de aanvrager verstrekte gegevens en de overgelegde bescheiden.
-2. Onze Minister
kan, na
overleg met Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschappen,
regels stellen aangaande de in het eerste lid bedoelde administratie.
§ 3.
Inlichtingenverplichting en gegevensuitwisseling
Art. 32.
De artikelen 121 tot en met
128 van de Algemene bijstandswet
zijn van overeenkomstige toepassing.
§ 4.
Toezicht
Art. 33.
-1. Onze Minister
is belast
met het toezicht op de uitvoering van deze wet.
-2. Burgemeester en
wethouders en de adviserende instelling verstrekken desgevraagd aan
Onze Minister kosteloos alle inlichtingen die hij voor de uitoefening van
het toezicht nodig heeft en verlenen hem inzage in de administratie.
Art. 34.
Onze Minister kan aan
burgemeester en wethouders, nadat zij gedurende acht weken in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze naar
voren te brengen,
aanwijzingen geven met betrekking tot een goede uitvoering van deze wet. Hij
treedt daarbij niet in de besluitvorming in individuele gevallen.
§ 5.
Beleidsinformatie
Art. 35.
-1. Burgemeester en
wethouders en de adviserende instelling verstrekken desgevraagd
kosteloos aan Onze Minister de inlichtingen die hij voor de
informatievoorziening en de beleidsvorming met betrekking tot deze wet nodig heeft.
-2. Burgemeester en
wethouders en de adviserende instelling zijn verplicht ten behoeve van de
statistiek gegevens inzake de uitvoering van deze wet te verzamelen en
kosteloos aan Onze Minister te verstrekken.
-3. Onze Minister kan na
overleg met Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
regels stellen met betrekking tot het verstrekken van de in het
eerste en tweede lid bedoelde inlichtingen en gegevens.
HOOFDSTUK
VI
Financiering
§ 1.
Financiering gemeente
Art. 36.
-1. Het Rijk vergoedt:
a. de ten laste van de gemeente
gebleven kosten van uitkeringen, waaronder begrepen de
bedragen die de gemeente in verband hiermee ontvangt door de toepassing
van artikel 17, alsmede de loonbelasting, premies volksverzekeringen
en ziekenfondspremie die daarover verschuldigd zijn;
b. de door de gemeente
gemaakte uitvoeringskosten overeenkomstig de krachtens het derde lid, onderdeel
a, gestelde regels.
-2. Burgemeester en
wethouders declareren de in een kalenderjaar gemaakte kosten door middel
van een kostenopgave over dat jaar. Deze opgave is voorzien van een
verklaring van de deskundige belast met de in artikel 213 van de Gemeentewet
voorgeschreven controle omtrent de juistheid van de verstrekte
gegevens.
-3. Onze Minister
stelt
regels inzake:
a. de vergoeding van
gemaakte uitvoeringskosten;
b. de wijze en het tijdstip
van declareren, alsmede de daarbij door burgemeester en wethouders nader te verstrekken gegevens;
c. de in het tweede lid
bedoelde verklaring en het onderzoek dat resulteert in deze
verklaring.
Art. 37.
-1. Onze Minister
verleent op
verzoek van de gemeente voorschotten op de vergoeding.
-2. Voor zover de uitvoering
van deze wet door burgemeester en wethouders, dan wel de administratie, bedoeld in
artikel 30, ernstige
tekortkomingen vertoont, kan
Onze Minister besluiten de voorschotten lager vast te stellen dan
uit de krachtens het derde lid gestelde regels zou voortvloeien.
-3. Onze Minister stelt
regels aangaande het verlenen van voorschotten.
Art. 38.
-1. Onze Minister
stelt de
vergoeding vast binnen één jaar na ontvangst van de kostenopgave, bedoeld
in artikel 36, tweede lid.
-2. Indien de kostenopgave
niet is ontvangen binnen achttien maanden na het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft dan wel niet is voorzien van de
verklaring, bedoeld in
artikel 36, tweede lid, kan Onze Minister de vergoeding over dat jaar
ambtshalve vaststellen.
-3. Onze Minister kan een
vergoeding geheel of gedeeltelijk weigeren en een reeds betaalde vergoeding geheel of gedeeltelijk terugvorderen of
verrekenen, indien:
a. het uitkering betreft die
is verleend in strijd met het bij en krachtens deze wet bepaalde;
b. niet is voldaan aan het
bepaalde bij en krachtens artikel 30;
c. het uitkering betreft die
niet of niet volledig overeenkomstig hoofdstuk IV is of wordt teruggevorderd.
-4. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van het derde lid.
§ 2.
Financiering
adviserende instelling
Art. 39.
-1. Het Rijk vergoedt de door
de adviserende instelling gemaakte uitvoeringskosten
overeenkomstig de krachtens het derde lid, onderdeel a, gestelde regels.
-2. De adviserende instelling
declareert de in een kalenderjaar gemaakte kosten door middel van een kostenopgave over dat jaar. Deze opgave is
voorzien van een verklaring
van een registeraccountant of een Accountant-Administratieconsulent
ten aanzien van wie bij de inschrijving in het in artikel 36, eerste
lid, van de Wet
op de Accountants-Administratieconsulenten bedoelde register een aantekening is geplaatst als bedoeld in artikel
36,
derde lid, van die
wet.
-3. Onze Minister
stelt
regels inzake:
a. de vergoeding van
gemaakte uitvoeringskosten;
b. de wijze en het tijdstip
van declareren, alsmede de daarbij door de adviserende instelling nader
te verstrekken gegevens;
c. de in het tweede lid
bedoelde verklaring en het onderzoek dat resulteert in deze
verklaring.
Art. 40.
-1. Onze Minister
verleent op
verzoek van de adviserende instelling voorschotten op de
vergoeding.
-2. Voor zover de uitvoering
van deze wet door de adviserende instelling, dan wel de
administratie, bedoeld in artikel 31, ernstige tekortkomingen vertoont, kan
Onze Minister besluiten de voorschotten lager vast te stellen dan
uit de krachtens het derde lid gestelde regels zou voortvloeien.
-3. Onze Minister kan regels
stellen aangaande het verlenen van voorschotten.
Art. 41.
-1. Onze Minister
stelt de
vergoeding vast binnen één jaar na ontvangst van de kostenopgave, bedoeld
in artikel 39, tweede lid.
-2. Indien de kostenopgave
niet is ontvangen binnen achttien maanden na het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft dan wel niet is voorzien van de
verklaring, bedoeld in
artikel 39, tweede lid, kan Onze Minister de vergoeding over dat jaar
ambtshalve vaststellen.
-3. Onze Minister kan een
vergoeding geheel of gedeeltelijk weigeren en een reeds betaalde vergoeding geheel of gedeeltelijk terugvorderen of
verrekenen indien niet is
voldaan aan het bepaalde bij en krachtens artikel 31.
-4. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van het derde lid.
HOOFDSTUK
VII
Rechtsbeschermings-
en strafbepalingen
Art. 42.
In afwijking van artikel
8:69 van de Algemene wet bestuursrecht kan de rechter in beroep of hoger
beroep het bedrag waarop de boete is vastgesteld ook ten nadele
van de belanghebbende wijzigen.
Art. 43.
-1. Degene die in strijd met
de waarheid een opgave doet of enig gegeven verzwijgt met het
oogmerk om aldus voor zichzelf of voor degene voor wie hij optreedt
uitkering of hogere uitkering te verkrijgen dan wel te behouden, wordt
gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of een
geldboete van de vierde categorie.
-2. Het in het eerste lid
omschreven feit is een misdrijf.
Art. 44.
-1. Degene die de
verplichting, bedoeld in artikel 15, tweede lid, onderdeel c, niet of niet
behoorlijk is nagekomen door geen, onjuiste of onvolledige mededelingen,
waardoor uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend,
wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of een geldboete
van de derde categorie.
-2. Het in het eerste lid
omschreven feit is een overtreding.
Art. 45.
-1. Natuurlijke personen en
niet-publiekrechtelijke organen die niet voldoen aan een verplichting
als bedoeld in artikel 32 of die ter zake onjuiste inlichtingen
verstrekken, worden gestraft met hechtenis van ten hoogste één maand of een
geldboete van de tweede categorie.
-2. Het in het eerste lid
omschreven feit is een overtreding.
Art. 46.
Het recht tot strafvordering
vervalt indien burgemeester en wethouders aan de belanghebbende ter zake van hetzelfde feit reeds een boete
hebben opgelegd.
HOOFDSTUK
VIII
Overgangs-
en slotbepalingen
Art. 47.
-1. Recht op uitkering heeft
eveneens de kunstenaar die op het moment van inwerkingtreding van deze wet algemene bijstand op grond van de
Algemene bijstandswet
ontving en die:
a. zonder die bijstand niet
over voldoende middelen beschikt om te voorzien in de noodzakelijke kosten van bestaan;
b. de aanvraag op grond van
deze wet heeft ingediend binnen twaalf maanden na de
inwerkingtreding ervan; en
c. gedurende een zekere
periode als kunstenaar werkzaam is geweest.
-2. Gedurende het eerste jaar
na de inwerkingtreding van deze wet zijn op degenen, bedoeld in het eerste lid, in plaats van de maandelijkse
bedragen, genoemd in artikel 9, tweede lid, de volgende maandelijkse bedragen van toepassing:
a. voor een alleenstaande: ƒ1094,03;
b. voor een alleenstaande
ouder: ƒ1406,60;
c. voor gehuwden: ƒ1562,89.
Art. 48.
Onze Minister herziet met
ingang van de datum van inwerkingtreding van deze wet de in hoofdstuk
II van deze wet genoemde bedragen en percentages op de in
paragraaf 2 van dat hoofdstuk voorgeschreven wijze voor zover de ontwikkeling
van het nettominimumloon, de nettoaanspraak op
minimumvakantiebijslag, het prijsindexcijfer van de
gezinsconsumptie, het
prijsindexcijfer van het onderdeel energie daarvan, gerekend vanaf 1
juli 1996, daartoe aanleiding geeft.
Art. 49.
Onze Minister zendt, in
overeenstemming met Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschappen, drie jaar na de inwerkingtreding
van deze wet aan de
Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet
in de praktijk.
Art. 50.
Als adviserende instelling
wordt met ingang van de inwerkingtreding van deze wet erkend de Stichting Voorzieningsfonds voor Kunstenaars te
’s-Gravenhage, zulks mede
met toepassing van artikel 26, vierde lid.
Art. 51.
[MvT]
Aan artikel 9, tweede lid,
van de Algemene bijstandswet wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel
c door een
puntkomma, een nieuw
onderdeel d toegevoegd, luidende:
d. die uitkering op grond
van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars ontvangt of die gehuwd is met een persoon die een zodanige uitkering
ontvangt.
Art. 52.
[MvT]
Aan artikel 17 van de Algemene bijstandswet
wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:
-5. De Wet
inkomensvoorziening kunstenaars geldt niet als een voorliggende voorziening als
bedoeld in het eerste lid.
Art. 53.
[MvT]
In de bijlage bij de Beroepswet, onderdeel
C, wordt een onderdeel 24a ingevoegd, luidende:
24a. Wet inkomensvoorziening
kunstenaars.
Art. 54.
De artikelen van deze wet
treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat
voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan
worden vastgesteld.¹
1. Bij Besluit
van 23 september 1998, Stb. 1998, 578, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 januari 1999, red.
Art. 55.
Deze wet wordt aangehaald
als: Wet inkomensvoorziening kunstenaars.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst
en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
22 januari 1998
BEATRIX
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
De Staatssecretaris van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
A. Nuis
Uitgegeven de zeventiende
februari 1998
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|
|