|
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 1996-1997, 1997-1998, 25 404.
Handelingen II 1997-1998, blz. 3551.
Kamerstukken I 1997-1998, 25 404 (234, 234a).
Handelingen I 1997-1998, zie vergadering d.d. 17 februari 1998.
WET van 23 februari 1998, Stb.
1998, 120, tot wijziging van de Wet
rechtspositie rechterlijke ambtenaren en enige andere wetten (arbeidsvoorwaarden Rechterlijke Macht
1995/97). Inwerkingtreding: 6 maart 1998, zie artikel
XII.
WIJ
BEATRIX, bij de gratie
Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz.
enz.
Allen, die deze zullen zien
of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging
genomen hebben, dat het wenselijk is om in verband met de uitvoering
van de Overeenkomst en de Aanvullende overeenkomst
arbeidsvoorwaarden sector Rechterlijke Macht (contractperiode 1 april 1995 tot en met 31
maart 1997) de Wet
rechtspositie rechterlijke ambtenaren te
wijzigen en om daarnaast enige wijzigingen in andere wetten aan te
brengen;
Zo is het, dat Wij, de Raad
van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben
goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij
deze:
[Voor de Beroepswet relevante artikelen, red.]
Art. VII.
De Beroepswet wordt als
volgt gewijzigd:
A.
In artikel 4 wordt "de Wet
rechtspositie rechterlijke ambtenaren, met uitzondering van de
artikelen 10 tot en met 12 en 22" vervangen door: het bepaalde bij of krachtens de
Wet
rechtspositie rechterlijke ambtenaren, met uitzondering van het
bepaalde bij of krachtens de artikelen 10 tot en met 12 en 22 en het
krachtens artikel 54, eerste lid, ter aanvulling hiervan bepaalde.
B.
In artikel 15, vijfde lid,
wordt "De Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren" vervangen door
"Het bepaalde bij of krachtens de Wet
rechtspositie rechterlijke ambtenaren" en vervalt "voor de overeenkomstige toepassing van artikel 4 en
de hoofdstukken 5 en 6 van die
wet".
C.
In artikel 16, derde lid,
wordt "De Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren" vervangen door:
Het bepaalde bij of krachtens de Wet
rechtspositie rechterlijke ambtenaren.
D.
In de artikelen 4, onderdeel b,
en 16, derde lid, onderdeel b, vervalt telkens
"voor de overeenkomstige
toepassing van artikel 4 en de hoofdstukken 5 en 6".
Art.
XII.
-1. Deze wet treedt wat de
volgende onderdelen betreft in werking met ingang van de eerste dag van
de maand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt
geplaatst en werkt terug als volgt:
a. wat artikel I, onderdeel
A, F, G en H, en artikel VI betreft: tot en met 1 april 1995;
b. wat artikel I, onderdeel
B, betreft: tot en met 1 oktober 1995;
c. wat artikel I, onderdeel
C, betreft: tot en met 1 oktober 1996;
d. wat artikel I, onderdeel D, J, K,
L, M, N, O, onder a, P, Q, S, en de artikelen IV, V en VII
tot en met X betreft: tot en met 1 januari 1997.
-2. Artikel I, onderdeel E,
en artikel XI treden in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst.
-3. Voor het overige treedt
deze wet in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip,
dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan
worden vastgesteld.
Lasten en bevelen dat deze
in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige
uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
23 februari 1998
BEATRIX
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
Uitgegeven de vijfde
maart
1998
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|
|