|
rblz.|1|
Kamerstukken II
1994-1995, 24 233
Wijziging
van de Vreemdelingenwet en enige andere wetten
teneinde de aanspraak van vreemdelingen jegens bestuursorganen op
verstrekkingen, voorzieningen, uitkeringen, ontheffingen en vergunningen
te koppelen aan het rechtmatig verblijf van de vreemdeling in Nederland
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Algemeen |
| 1.1 |
Het
koppelingsbeginsel |
| 1.2 |
De verhouding tussen
het koppelingsbeginsel en het beleid ten aanzien van langdurig
illegalen |
| 1.3 |
Voortraject |
| 2 |
Grondbeginselen van
het voorstel |
| 2.1 |
Genuanceerde
uitwerking |
| 2.2 |
De onvoorwaardelijk
toegelatenen en de vrij circulerende gemeenschapsonderdanen |
| 2.3 |
De voorwaardelijk
toegelatenen |
| 2.4 |
De
procederenden, de
kortverblijvers en de beleidsmatig onuitzetbaren |
| 2.5 |
Het eigenlijke
koppelingsartikel |
| 2.6 |
Het verblijfsrecht
of de rechtmatigheid van het verblijf moet blijken uit een bescheid |
| 2.7 |
Drie uitzonderingen |
| 3 |
Reeds aanhangige en
tot stand gebrachte koppelingen |
| 4 |
Logistieke voorwaarden |
| 5 |
Financiering van
medische zorg in acute noodsituaties |
|
xArtikelsgewijs |
| xxx |
Artikelen
I t/m XXIII |
[Algemeen,
red.]
1.
Algemeen
1.1. Het
koppelingsbeginsel
Het voorliggende
wetsvoorstel strekt tot de introductie van een "koppelingsbeginsel"
als algemeen principe van Nederlands vreemdelingenrecht. Het
koppelingsbeginsel, zoals het ten grondslag ligt aan het voorliggende
wetsvoorstel, komt erop neer dat niet-toegelaten vreemdelingen die hier
niettemin bestendig verblijven - in de wandeling [in de wandelgangen, red.]
worden deze vreemdelingen
wel als "illegalen" aangeduid
- en vreemdelingen "in
procedure" in het
algemeen verstoken moeten blijven van verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen ten laste van de collectieve
middelen. De term "illegalen" heeft in dit verband een specifieke technisch-vreemdelingenrechtelijke
betekenis. Het gaat erom dat de te Nederland verblijvende
vreemdeling "toelating" had moeten aanvragen, terwijl hij hetzij dit
- wederrechtelijk - heeft nagelaten, dan wel dat zijn aanvraag om toelating
onherroepelijk is afgewezen door het bevoegd gezag.
Genoemd
koppelingsbeginsel kan slechts uitzondering lijden als de wettelijke regeling
waarop de aanspraak op de verstrekking, voorziening of uitkering is gegrond
het tegendeel uitdrukkelijk bepaalt. Dat laatste dient ten aanzien van de
illegale vreemdeling in het algemeen uiteraard nooit het geval te zijn. Voorts moeten deze
"illegalen" en "procederenden" in
beginsel uitgesloten zijn van het verkrijgen van aanspraak op vergunningen
en ontheffingen, waardoor de schijn in het leven wordt geroepen dat
zij inderdaad onherroepelijk toegelaten zijn. Ook dit beginsel kan
uitzondering lijden. Maar dan moet dat wel uitdrukkelijk bepaald zijn bij het
wettelijk voorschrift - dat behoeft niet noodzakelijkerwijs de wet in formele zin te
zijn waarin de aanspraak in algemene termen erkend wordt - waarop de aanspraak in concreto berust.
Het koppelingsbeginsel is
gericht op twee doeleinden.
1. Voorkomen moet
worden dat illegale vreemdelingen feitelijk doordat zij verstrekkingen en
uitkeringen kunnen krijgen waarbij geen verblijfspositietoets wordt
aangelegd door de
administratie in staat worden rblz.|2|
gesteld tot voortzetting van hun
wederrechtelijk verblijf. Het uitblijven van een horizontaal en
consequent gehanteerde verblijfspositietoets frustreert de realisering
van het principe van het geïntegreerd vreemdelingenbeleid: a. wie als vreemdeling hier wil verblijven, moet toelating
aanvragen; b. wie niet is toegelaten, dient
Nederland onverwijld te verlaten. Dat principe is verwoord in artikel 15e van de Vreemdelingenwet. Het vestigt ten laste van de
niet-toegelatene een verplichting tot onmiddellijk vertrek. Met dat
beginsel is niet te verenigen dat de vertrekplichtige vreemdeling in
persoon niettemin uitkeringen, ontheffingen, verstrekkingen,
voorzieningen, enz., zou kunnen
verkrijgen.
2. Voorts moet voorkomen
worden dat de illegalen en (nog) niet-toegelatenen een schijn
van volkomen legaliteit kunnen verwerven. Hier doelen wij vooral op het
verschijnsel dat met name de vreemdeling "in
procedure" gaandeweg in
staat blijkt een zodanig sterke rechtspositie op te bouwen - of de
schijn van een dergelijke positie - dat hij na ommekomst van de
procedure zo goed als onuitzetbaar blijkt, bijvoorbeeld doordat hij
arbeidscontracten heeft kunnen sluiten, verplichtingen met derden is aangegaan,
enz. Iets vergelijkbaars doet zich ook voor ten aanzien van hen die zich
desbewust buiten de toelatingsprocedure hebben gehouden en zich
via vergunningsbewijzen toch een toegang hebben weten te
verschaffen tot de normale samenleving. In wezen heeft de toelatingsprocedure
- indien het beginsel van het geïntegreerd vreemdelingenbeleid ook
in dit opzicht niet wordt doorgetrokken - geen enkele zin en betekenis
meer. De vreemdeling heeft dan een mechanisme in de hand om zichzelf
een oneigenlijk verblijfsrecht te verschaffen, ongeacht de vraag of de
Nederlandse overheid inderdaad in vreemdelingenrechtelijke
zin wel wil instemmen met het feit van het bestendig verblijf van de
vreemdeling hier te lande. Ten aanzien van een "procederende
vreemdeling" is zulk een wettelijk tegendeel denkbaar. Ten aanzien van de
"illegalen" kan dat nauwelijks het geval zijn.
1.2. De verhouding tussen
het koppelingsbeginsel en het beleid ten aanzien van langdurig
illegalen
De Minister van Justitie
hanteerde steeds als uitgangspunt dat het algemene
vreemdelingenbeleid gericht moest zijn op het ontmoedigen van illegaal verblijf
hier te lande. Zulks kon echter niet wegnemen dat er in bepaalde individuele
gevallen sprake zou kunnen zijn van bijzondere omstandigheden, die
zouden kunnen rechtvaardigen dat toelating - in de zin van artikel 1 van de
Vreemdelingenwet - zou kunnen zijn geïndiceerd. Uiteraard dient deze
bestuurspraktijk afgebogen te worden indien het voorliggend wetsvoorstel
kracht van wet krijgt. Het koppelingsbeginsel vereist niet anders.
Niettemin betekent dat niet dat met ingang van de datum van
inwerkingtreding van het voorliggend voorstel ieder ex post toelaten van
vreemdelingen die hier te lande wederrechtelijk vertoefden onvoorwaardelijk
- ongeacht de concrete omstandigheden van het geval - uitgesloten dient te
zijn. Wij stellen voorop dat dit achteraf toelaten een tijdelijk karakter heeft
ten aanzien van een allengs slinkende doelgroep. Uiteindelijk is na
ommekomst van een zekere gewenningsperiode in beginsel niet langer
verenigbaar met het koppelingsbeginsel dat perspectieven blijven bestaan op toelating achteraf. Van dergelijke
vooruitzichten ware ook
blijvend aanzuigende werking te duchten.
Uit de omschrijving van
de groep waarop dit toelatingsbeleid betrekking kan hebben, volgt al
aanstonds dat het hier gaat om een tijdelijke beleidsregeling. Bij de
omschrijving van deze groep baseren wij ons op de nieuwe circulairetekst
bij de Vreemdelingenwet opgesteld naar aanleiding van het zogenoemde illegalendebat, gevoerd door de eerste ondertekenaar
van deze memorie van
toelichting met de Tweede Kamer op 2 januari en 15 februari
1995. Dit achteraf toelaten op basis van deze rblz.|3|
aangepaste
circulairetekst die de tekst van 27 december 1994 (TBV 1994/14) [TBV:
tussentijds bericht Vreemdelingencirculaire, red.] vervangt, heeft
betrekking op een categorie niet-toegelaten vreemdelingen die
niettemin een sterke sociale band heeft opgebouwd met Nederland gedurende
haar wederrechtelijk - in de zin van de Vreemdelingenwet - verblijf hier te lande. Daarbij zijn
onder meer van belang de aard en de
totale duur van het verblijf in Nederland, kennis van de Nederlandse taal en
bekendheid bij andere overheidsdiensten. Om voor toelating in
aanmerking te komen, dient de betrokken vreemdeling minimaal te voldoen aan
de volgende voorwaarden:
a. op het moment van
aanvraag om toelating moet de vreemdeling kunnen aantonen minimaal
zes jaar ononderbroken in Nederland te hebben verbleven direct
voorafgaand aan de aanvraag om toelating;
b. gedurende deze periode
moet de vreemdeling ononderbroken inkomen hebben verkregen
uit arbeid waarvoor premies en belastingen zijn betaald dan wel
inkomen hebben genoten uit een inkomensvervangende uitkering waarvoor
premies en belastingen zijn afgedragen. De circulaire formuleert dwingende
weigeringsgronden. Zo zal de illegale
vreemdeling die niet te
goeder trouw is geweest geen toelating verkrijgen. De vreemdeling zal moeten
bewijzen dat hij behoort tot de doelgroep. De circulaire formuleert de
bewijsmiddelen waarvan de vreemdeling zich moet voorzien.
Deze regeling vervalt na
31 december 1997. In het overleg met de Tweede Kamer over de
bovengenoemde circulaire is uitdrukkelijk aangegeven dat slechts
een beperkt aantal illegalen in aanmerking kan komen voor deze toelating
ex post. Dit aantal zal steeds kleiner worden door een aantal reeds
ingezette en aangekondigde maatregelen, waaronder - naar wij
vertrouwen - dit voorstel van wet. Een groot aantal maatregelen
vloeien voort
uit de aanbevelingen van de commissie-Zeevalking, waaraan het koppelingsbeginsel mede ten grondslag ligt. Wij
verwijzen naar de brief
van het vorige kabinet aan de Tweede Kamer waarbij de rapporten van
de commissies-Zeevalking en -Mulder zijn aangeboden, evenals de regeringsreacties op beide rapporten (Kamerstukken
II 1990-1991, 22 146,
nr. 1). Het ligt voorshands niet in de rede - gelet op het voorliggend
wetsvoorstel - nadien nog in een andere "toelatingsregeling ex
post" te voorzien, mede gelet op het feit dat zo’n nieuwe regeling onder
bepaalde omstandigheden strijd zou kunnen opleveren met het aan het
voorgestelde artikel 8b van de Vreemdelingenwet ten grondslag liggende koppelingsbeginsel. De besproken
regeling behelst dus geen
bestendig bestuursrechtelijk "hardheidsbeginsel" volgens welke een
illegaal steeds recht zou hebben op titelverschaffing ex post
na ommekomst van zes jaren als een waarborgnorm die - eigenlijk - in het voorliggend koppelingswetsvoorstel afzonderlijk in een
wettelijke bepaling verwoording zou behoeven. Maar wij achten een regeling
als vervat in de gewijzigde circulairetekst redelijk en gerechtvaardigd, omdat
voor de hier bedoelde doelgroep immers karakteristiek is dat,
toen zij feitelijk een begin maakte met de verblijfsaanvaarding hier te lande, het
beginsel van het geïntegreerd vreemdelingenbeleid nog
niet in enige rechtsregel gepositiveerd was. Met de wettelijke implementatie van het beginsel heeft de regering eerst een
aanvang gemaakt met de
Wet van 12 december 1991, houdende regeling betreffende het toezicht
op vreemdelingen gedurende de behandeling of na afwijzing van hun
verzoek om toelating, Stb. 1991, 691 (zie: Kamerstukken II, 1990-1991, 21 975,
debat K II 29 augustus 1991 10 september 1991, K II pagina’s 102-6005 tot
en met 6307; Kamerstukken I, 1991-1992, 21 975 nrs 1-2d; debat K I 11
pagina’s 341 tot en met 360) [lees: Kamerstukken II 1990-1991, 21 975;
Handelingen II 1990-1991, vergaderingen d.d. 29 augustus 1991 en 10
september 1991; Handelingen II 1990-1991, nr. 102, blz. 6005-6307;
Kamerstukken I 1991-1992, 21 975, nrs. 1-2d; Handelingen I 1991-1992,
nr. 11, blz.
341-360, red.]. Nadien is dat beginsel in toenemende mate in
verschillende wetten uitgewerkt. Daarop gaan wij hieronder in paragraaf
1.3
verder in.
rblz.|4|
1.3. Voortraject
Het onder paragraaf
1.1 omschreven "koppelingsbeginsel" als zodanig is geen noviteit. In de brief van
de Staatssecretaris van Justitie over het illegalenbeleid van 11 januari 1993 werd
het al gehanteerd als uitgangspunt voor het geïntegreerde
vreemdelingenbeleid conform de door de Tweede Kamer aangenomen motie
van de leden Krajenbrink en Wiebenga. Met deze motie sprak de Kamer
uit dat:
a. slechts diegenen recht
hebben op het gebruik van bepaalde overheidsvoorzieningen
die aan de verblijfsvoorwaarden daartoe voldoen;
b. de controle op de
legaliteit van het verblijf zal geschieden in het kader van de
bevolkingsadministratie (Kamerstukken II 1992-1993, 22 981, nr. 1, blz. 3).
Het beginsel ligt ook ten
grondslag aan de Wet invoering sociaal-fiscaal nummer gemeenten, Stb.
1992, 244 (zie met name Kamerstukken II 1990-1991, 22 148, nr. 3, blz. 10).
Wij kondigden het
koppelingsbeginsel voorts al aan als noodzakelijk sluitstuk van de
wetgevingsoperatie die ingezet werd met het wetsvoorstel houdende
regeling betreffende het toezicht op vreemdelingen gedurende de behandeling
of na afwijzing van hun aanvraag om toelating, dat leidde tot
de reeds genoemde Wet van 12 december 1991, Stb. 1991, 691 (zie in het
bijzonder Kamerstukken II 1990-1991, 21 975, met name de nrs. 1-13, Kamerstukken
I 1991-1992, 21 975, met name de nrs.
1 en 2d). Deze wet zal
hierna ook aangeduid worden naar het kamerstuk als wet 21 975. Die wet werd
gevolgd door een wetsvoorstel tot herijking van het typische vreemdelingenprocesrecht (Kamerstukken
II 1991-1992,
22 735, nrs. 1-3). Dat
wetsvoorstel leidde uiteindelijk tot de Wet van 23 december 1993 (Stb.
1993, 707).
Voorstel en wet zullen hierna ook wel aangeduid worden als wet(svoorstel)
22
735. In de memorie van antwoord aan de Tweede Kamer bij
dat wetsvoorstel 22 735, dat naast herziening van de Vreemdelingenwet
tevens strekte tot aanvulling van het Wetboek
van Strafrecht met strafbaarstellingen ten laste van "werkgevers van
illegalen", gaven wij al
aan dat dat voorstel een vervolgtranche veronderstelde (Kamerstukken II 1992-1993,
22 735, nr. 5, blz. 4). Immers, dat wetsvoorstel 22 735 strekte tot stroomlijning en versnelling van het
procesrecht in
vreemdelingenzaken en aanmerkelijke beperking van de kring van
procesgerechtigden. Het voorstel maakte de vreemdelingenrechtelijke toelatingsprocedure
hoogdrempelig door allerlei verplichtingen in te voeren ten laste
van de aanvrager. Het voorstel spitste zich verder toe op asielzaken.
Voorzienbaar was destijds al dat één en ander zou kunnen gaan leiden tot
een zekere "wegomlegging". De asielprocedure zou vermeden kunnen gaan
worden. De vreemdeling zou zich langs andere wegen een "schijn
van toelating" kunnen gaan verwerven. Het feit dat hij bijvoorbeeld
gemakkelijk zonder toets van zijn materiële verblijfspositie zou kunnen doordringen in
de collectieve sector zou dat omleggingsproces alleen
maar begunstigen. Hetzelfde geldt voor de mogelijkheid om als "illegaal" vergunningen te krijgen die gebruikt kunnen worden
- en
feitelijk ook gebruikt plegen te worden - als legimatiebewijs. Te
aangehaalder plaatse noemden wij als voorbeeld het verschijnsel dat zogeheten
"derde-landers" (dat wil
zeggen vreemdelingen
van buiten de EU) hun
rijbewijzen inruilen tegen Nederlandse bewijzen, waardoor zij
vervolgens zich vervoegen aan een uitkerings- of verstrekkingenloket om
zich aldaar te presenteren als verblijfsgerechtigde vreemdeling. Daarom heeft
de Minister van Verkeer en Waterstaat in de nota naar aanleiding van
het eindverslag bij het wetsvoorstel tot vervanging van de Wegenverkeerswet (Kamerstukken
II 1991-1992,
22 030, nr. 11, blz. 57 en 58)
aangekondigd dat in een vervolgtranche op deze wijziging het uitreikend
gezag verplicht wordt een verblijfstoets bij deze omwisseling aan te leggen
indien de aanvrager zich bedient van een rblz.|5|
rijbewijs afgegeven door
zo’n derde-land. Een derde-lander zal moeten aantonen dat hij "toegelaten" is in de zin van de Vreemdelingenwet.
In de memorie van
antwoord bij wetsvoorstel 22 735 wordt dan ook het koppelingsbeginsel als
algemeen voorliggend beginsel, dat geïntroduceerd moet worden in alle
sectorale wetgeving die aanspraken kunnen doen ontstaan,
gedefinieerd in bovengeschetste zin. Het beginsel moet er in het algemeen toe
leiden dat de bestuursorganen die op basis van wettelijke voorschriften
tot taak hebben verstrekkingen te doen, voorzieningen te bieden, uitkeringen te
verschaffen of ontheffingen of vergunningen te verlenen zulks slechts doen
- uiteraard in het geval dat de
aanspraak afkomstig is
van een vreemdeling - indien zij vastgesteld hebben dat de vreemdeling
hier te lande rechtmatig verblijft in de zin van de Vreemdelingenwet.
Voorts moet het beginsel ertoe leiden dat toegang tot de sociale
voorzieningen slechts wordt verschaft aan hen die onvoorwaardelijk "toelating" genieten.
Dat is dus een eis extra. Deze eis sluit hen van de sociale voorzieningen uit die nog procederen ter fine van toelating.
Hetzelfde geldt voor hen
die voorwaardelijk zijn toegelaten. Het beginsel is ook van toepassing op
hen die hier slechts vertoeven voor een kortdurend verblijfsdoel
alsmede op hen die eigenlijk zouden moeten worden uitgezet, maar van
wier verwijdering afgezien moet worden op grond van de
hardheidsregel van artikel 25 van de Vreemdelingenwet. Via de wettelijke introductie
van dit koppelingsbeginsel dat zich richt als instructienorm tot de
wetgever, belast met de redactie van de wetten die de respectieve aanspraken
doen ontstaan, geven wij uitvoering aan de beleidsdesiderata die de
regering ontwikkelde in haar reactie op het rapport van de Commissie binnenlands
vreemdelingentoezicht (Kamerstukken II 1990-1991, 22 146,
nr. 1).
Het koppelingsbeginsel
wordt in abstracto gerechtvaardigd door het uitgangspunt dat de
problemen die voor illegalen ontstaan doordat zij Nederland niet eigener
beweging verlaten in beginsel aan hen zelf toerekenbaar zijn. Dat is
het uitgangspunt dat mede aan het voorliggend wetsvoorstel ten
grondslag ligt. Dat is geen novum. Ook aan artikel 15d, tweede lid, van de
huidige Vreemdelingenwet ligt ten grondslag het beginsel dat op een
vreemdeling die geen toelating verkrijgt in de zin van de Vreemdelingenwet de
wettelijke gehoudenheid drukt het land eigener beweging te verlaten. Men
zou van een "vertrekplichtigheidsbeginsel" kunnen spreken. Uiteraard
moet ook de illegale vreemdeling zich houden aan de nationale
wetgeving van het land waar hij vertoeft. De rechtspositieverslechtering
waarin hij komt te verkeren doordat hij zich aan die wetgeving
onttrekt, is een sanctie waarop in het algemeen eigenlijk geen beperkingen kunnen worden aangebracht, wil de wetgever
zijn eigen producten nog
serieus nemen en door de ingezetenen doen naleven. Het voorliggend
wetsvoorstel brengt die - beoogde - verslechtering tot uitdrukking voor wat
betreft de aanspraken op overheidsvoorzieningen en -verstrekkingen. Het
gaat hier om een vergelijking met de rechtspositie die
genoten wordt in dat opzicht door de onherroepelijk toegelaten vreemdelingen
en nationalen.
2. Grondbeginselen van
het voorstel
2.1. Genuanceerde
uitwerking
Het koppelingsbeginsel,
dat volgt uit het vorenstaande, verdient een genuanceerde uitwerking.
Het kan immers niet in alle rigiditeit erop neerkomen dat "niet-toegelatenen"
verstoken blijven van alle verstrekkingen, voorzieningen,
ontheffingen, vergunningen, enz. Immers, er zijn vreemdelingen die hier zijn
met
medeweten en billijking van de Nederlandse overheid, hoezeer zij nog
niet "toegelaten" zijn. Aan hen wordt zelfs rblz.|6|
onderkomen verschaft door
die overheid, alsmede voorzieningen en bepaalde verstrekkingen. Deze categorie verkeert
"in
procedure" om vast
te stellen of zij voor "toelating" in aanmerking komen. Onder "toelating" moet te dezen uiteraard
worden verstaan "instemming van de
Minister van Justitie met het bestendig verblijf van de vreemdeling hier te
lande".
Zie artikel 1 van de
Vreemdelingenwet. Dergelijke procederende vreemdelingen moeten onder bepaalde
omstandigheden aanspraken geldend maken bijvoorbeeld op een
vergunning of een ontheffing. Dat hangt mede af van de aard en
strekking van de aanvraag in relatie tot de wet in formele zin waarop de
aanvraag rust. Men bedenke dat iemand die tot deze groep behoort
bijvoorbeeld in aanmerking moet kunnen komen voor een vergunning. Op grond
van artikel 31 van de Welzijnswet zijn juist voor deze groep aparte
voorliggende voorzieningen in het leven geroepen. Deze voorzieningen
scheppen aanspraken voor deze vreemdelingen wier verblijfstatus nog niet
voldoende gefixeerd is, maar van wie redelijkerwijs verwacht mag worden dat
zij met instemming van het bevoegd gezag hier voorshands bestendig
zullen verblijven ook al zijn zij niet onherroepelijk toegelaten. Indien
de
overheid voor deze groep op basis van de Regeling
opvang asielzoekers (ROA)
bepaalde opvangfaciliteiten in het leven roept, is het niet consequent
overigens als absoluut beginsel te hanteren dat zij van iedere andere
aanspraak verstoken behoren te zijn. Niettemin zal dan wel per aanspraak
gemotiveerd gerechtvaardigd moeten worden waarom de vreemdelingen uit deze
categorie voor bepaalde verstrekkingen - anders dan die op
ROA-basis - in aanmerking behoren te komen.
Om deze gewenste
nuancering te bereiken, splitst het voorgestelde artikel 1b de "doelgroep" rechtmatig verblijvende vreemdelingen uit in vijf
subcategorieën.
Het gaat hier om een begripsbepaling van "rechtmatig
verblijf" ingevolge de
Vreemdelingenwet. Wie niet valt in deze begripsbepaling verblijft
niet rechtmatig in de zin van die wet in Nederland. Te zijnen
aanzien brengt het koppelingsbeginsel mede dat er geen voorzieningen,
verstrekkingen te verkrijgen zijn van overheidswege, behoudens twee hierna te
bespreken wettelijke uitzonderingen naar aard van de verstrekking of
uitkering. Het beginsel verhindert die onrechtmatig hier verblijvende
vreemdeling een rechtspositie uit te bouwen alsof hij zou zijn toegelaten.
Maatstaf is dus die hypothetische beslissing van de Minister van
Justitie. De
vreemdeling krijgt in zoverre geen vergunningen en geen ontheffingen. Hij
kan in zoverre geen aanspraak maken in een rechtsbetrekking tot de overheid.
Wie
wél tot de
doelgroep behoort, kan voor bepaalde aanspraken in aanmerking komen naar
rato van de verblijfspositie. De subcategorieën hebben ten doel de
toelating of uitsluiting tot verstrekkingen, voorzieningen, enz., te relateren aan een
wettelijke materiële aanduiding van de verblijfspositie. De Vreemdelingenwet biedt hier maatstaven om de
"koppeling" verder of
minder ver door te voeren. Een aantal verstrekkingswetten kent
al een koppelingsbepaling met de Vreemdelingenwet. Ten aanzien van wetten
die aanspraken vestigen op vergunningen of ontheffingen is de
wetgever reeds doende dergelijke bepalingen in te voeren. Maar deze
bepalingen zijn niet fijnmazig. Dat komt omdat de Vreemdelingenwet,
oorspronkelijk een formele kaderwet, onvoldoende inhoudelijke
aanknopingspunten biedt om te onderscheiden naar aard van verblijfspositie in
relatie tot de "toelating". Hierdoor kunnen nogal wat
categorieën
vreemdelingen die eigenlijk niet voor aanspraken in aanmerkingen zouden mogen komen toch
doordringen tot de collectieve sector, enz. Alle in artikel 1b
van de Vreemdelingenwet genoemde verblijfsposities zijn ook opgenomen in de
gemeentelijke basisadministratie. Daarom zullen de
uitvoeringsorganen die belast zijn met de verstrekkingen, het bieden van
voorzieningen, enz., onmiddellijk kunnen weten of rblz.|7|
een vreemdeling rechtmatig verblijft in Nederland in de zin van de
Vreemdelingenwet en ook
op welke grondslag.
Ook in dit verband is een
korte beschouwing van belang over de verenigbaarheid met het
voorliggende wetsvoorstel met Nederlandse verdragspositie en met
artikel 1 van de Grondwet dat in nationaal ressort het
gelijkheids- of
non-discriminatiebeginsel vestigt zoals de bepaalde verdragsartikelen dat op
internationaal niveau doen. Het gaat hier om de artikelen 26 van het
lnternationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en 14
van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
fundamentele vrijheden. Wij zijn ons er bij de opstelling van het
voorliggend ontwerp ter dege van bewust geweest dat de rechtspraak hier te
lande geneigd is deze verdragsbepalingen niet slechts toe te passen in gevallen waarin een onderscheid gemaakt wordt
op basis van menselijke
kenmerken of eigenschappen, maar ook op andere. In dit verband
willen wij nader motiveren waarom genoemde bepalingen veroorloven in nationaal ressort onderscheidingen te maken
in de aanspraaksfeer naar
rechtmatigheid of onrechtmatigheid van enige verblijfsaanvaarding,
nationaliteit en onherroepelijkheid van toelating.
Wat het grondwetsartikel
betreft, daaraan kan niet de betekenis worden toegekend dat het gemelde onderscheidingen in het algemeen
- of bij
begripsbepaling - als
discriminatoir zou verbieden. Ware dat het geval, dan ware niet te
begrijpen dat het direct daaraanvolgende artikel dwingend voorschrijft bij
wet in formele zin te bepalen wie Nederlander is en te voorzien in de
toelating en uitzetting van vreemdelingen. De Grondwet veronderstelt
dus eo ipso dat de rechtspositie van de Nederlander een sterkere is dan die
van de vreemdeling, ten aanzien van wie zij tevens veronderstelt dat
hij toegelaten en niet toegelaten, uitzetbaar en niet-uitzetbaar kan zijn.
De Nederlander is van rechtswege toegelaten, dus onuitzetbaar. Aan deze differentiaties moeten vervolgens
rechtsgevolgen
verbonden kunnen worden,
anders zijn ze zinloos. Geen grondwettelijk rechtsbeginsel kan
vervolgens behelzen dat deze rechtsgevolgen niet tevens in de aanspraaksfeer zouden gelegen kunnen zijn mits ieder van
die gevolgen maar op een
toereikende rechtvaardigingsgrond kan bogen. Uiteraard, dat brengt het
grondwetsartikel wel met zich mede, zal de wetgever in ieder
afzonderlijk geval waarin bij formele wetstekst een aanspraak gevestigd wordt
in de zin van artikel 8b van de Vreemdelingenwet, zoals in te lassen via
het voorliggend wetsvoorstel, moeten aangeven waarom een kring
van aanspraakgerechtigden niet alle "rechtmatige
verblijvers"
omvat. Waarom is in dat bepaalde geval de "rechtmatigheid" van
het feitelijk verblijf niet een voldoende rechtsgrond om te spreken van "gelijke
gevallen" die ook gelijke aanspraken geldend moeten kunnen maken? Die
vraag mag niet onbeantwoord blijven. De criteria, volgens welke
dit soort gevallen rechtens toch onvergelijkbaar zijn, moeten
objectiveerbaar zijn. Onderscheidingen maken is geoorloofd, mits de onderscheidingen
maar te rechtvaardigen zijn. Die rechtvaardiging hangt af van het
onderwerp en de strekking van de desbetreffende wettelijke regeling. In
de memorie van toelichting bij wetsvoorstel 22 735 werd reeds een typisch
voorbeeld gegeven van een correlatie tussen het verblijfsrecht en de
rechtspositie van de vreemdeling wat betreft de aanspraaksfeer voor wat
betreft overheidsvoorzieningen. Dat wetsvoorstel introduceerde het
zogenoemde "voorwaardelijke
verblijfsrecht" ten behoeve van de gedoogden
en ontheemden en, meer in het algemeen, de beleidsmatig
niet-verwijderbare vreemdeling die geen individueel vluchtrelaas kan hard
maken en daarom slechts een imperfecte verblijfstitel krijgt. Zijn
verblijfsrecht vervalt zodra de Minister van Justitie hem ervan in kennis stelt dat
de situatie in het land van herkomst zodanig is opgeklaard dat tegen
verwijdering daarheen geen beleidsmatige beletselen meer bestaan.
Zo’n voorwaardelijk toegelaten vreemdeling rblz.|8|
heeft slechts
geclausuleerd toegang tot de arbeidsmarkt en tot bepaalde segmenten van de
collectieve sector en verder is die titel aan allerlei beperkingen en
voorwaarden gebonden. Wij verwijzen naar de beschouwingen in paragraaf
1.2.1 van die
memorie (Kamerstukken II 1991-1992, 22 735, nr. 3, blz. 10 en 17-20). Waarom staat deze
"voorwaardelijk toegelaten
vreemdeling"
in sommige opzichten ten achter bij de vreemdeling die een
verblijfsvergunning of een onbepaald verblijfsrecht heeft? Omdat de
vreemdeling behoort tot een categorie die - gelet op de gronden van zijn aanvraag
om toelating - geen recht heeft op de privileges van het
Vluchtelingverdrag, omdat in zijn geval niet van refoulementsgevaar in de
zin van artikel 33 van dat verdrag sprake kan zijn. De administratie
wil zich te zijnen aanzien het verwijderingsrecht gaaf voorbehouden. En daarmede
zou niet in overeenstemming zijn dat de vreemdeling ieder recht
zou kunnen genieten als ware hij onvoorwaardelijk toegelaten in de zin van
de artikelen 9, 10 of 15 van de Vreemdelingenwet. Het wetsvoorstel tot
wijziging van de Huisvestingswet
(voorziening in de huisvesting van bepaalde
categorieën verblijfsgerechtigden, Kamerstukken II 1994-1995,
23 930, nrs. 1-22, Kamerstukken I 1994-1995, 23 930, nr. 192) kent ook
een dergelijke verbinding tussen verblijfstatus en aanspraken. Zie bijvoorbeeld artikel
60a van het gewijzigd voorstel van
wet (Kamerstukken I 1994-1995,
23 930, nr. 192, blz. 2). Alleen bepaalde categorie- en
verblijfsgerechtigden wordt een aanspraak gegund op voorziening van overheidswege in de huisvesting. Het gaat hier om de
vreemdelingen die zijn
toegelaten als vluchteling en de vreemdelingen die een verblijfsvergunning
hebben gekregen op humanitaire gronden in de zin van artikel 9 van de
Vreemdelingenwet. De voorwaardelijk toegelatenen kunnen dergelijke
aanspraken dus niet geldend maken en evenmin degenen die "in
procedure" zijn. De reden daarvoor is wederom dat het hier gaat om
categorieën
die, hoezeer rechtmatig hier te lande verblijvend, nog aan
niets een gerechtvaardigde verwachting kunnen ontlenen dat de overheid
hun een onbepaald verblijfsrecht zal toestaan en dus ook inspanningsplichtig zal zijn voor wat betreft hun sociale integratie
alhier. Een vergelijkbare
nuancering per verblijfsstatus of verblijfspositie ligt ook ten grondslag
aan de begripsbepalingen van het voorgestelde artikel 1b van de
Vreemdelingenwet. Die nuanceringen worden ook steeds doorgetrokken naar de
verstrekkingswetten zelf op steeds wisselende rechtvaardigingsgronden.
In de artikelsgewijze toelichting van het voorliggend wetsvoorstel
wordt daarom gemotiveerd aangegeven welke die
rechtvaardigingsgronden per aanspraak en uitsluiting per aanspraak zijn.
Wat nu de Nederlandse
verdragspositie betreft, ligt één en ander mutatis mutandis niet anders.
Artikel 26 van het lnternationaal verdrag inzake burgerrechten en
politieke rechten moet uiteraard verstaan worden in verbinding met artikel 13
van dat verdrag, waarin waarborgnormen zijn verwoord betreffende de rechtspositie van vreemdelingen binnen de
rechtssfeer van een
verdragsstaat. Dat artikel 13 gunt deze garanties alleen aan vreemdelingen
die rechtmatig vertoeven op het grondgebied van die partij ("an
alien lawfully in the territory of a State..."). Het gaat in artikel 13 weliswaar
alleen maar om procesgaranties in het kader van het uitzettingsgeding, maar
de beperkte redactie ervan illustreert op zichzelf dat nuanceringen naar de
verblijfspositie geoorloofd zijn. Men kan dus niet zeggen dat volgens
het verdrag elk onderscheid naar rechtmatigheid van de
verblijfsaanvaarding - en dus naar verblijfstitel - discriminatoir
is in de zin van artikel 26
van dat verdrag. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van het verdrag volgt zulks ook. Tijdens de voorbesprekingen gewijd aan de garantie ex
artikel 13 heeft bijvoorbeeld België voorgesteld om in artikel
13 op te nemen dat de vreemdeling "lawfully
established" zou moeten
zijn binnen het verdragsgrondgebied. Die beperking is verworpen
enerzijds omdat enkele partijen zulks te eng rblz.|9|
vonden, anderzijds omdat
anderen het onderscheid te subtiel vonden in verhouding tot
verschillende vormen van nationale regelgeving waarin een onderscheid tussen
verblijfsvergunningen en vestigingsrechten niet voorkwam. Maar zeker niet
omdat men het onderscheid, dat België wilde aanbrengen, bij
begripsbepaling discriminatoir achtte.
Natuurlijk geldt ook hier
dat voor een wettelijke onderscheiding naar verblijfspositie in de
aanspraaksfeer op formeelwettelijk niveau een toereikende
rechtvaardiging geboden moet worden. Artikel 26 van het verdrag brengt dat zeker
met zich mee.
Wat het Europees
verdrag
tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele
vrijheden betreft is een vergelijkbare nuancering naar verblijfspositie in het
nationale recht zeker geoorloofd. Wij willen dat adstrueren met een
referte aan het, voor Nederland overigens niet bindende, Zevende Protocol bij het verdrag. In artikel 1, eerste lid, van dit protocol worden aan de
vreemdeling die "wettig verblijft op het grondgebied van een
Staat"
("An
alien lawfully resident in the territory of a State") diverse
garanties geboden. Hier is dus de doelgroep aanzienlijk beperkter omschreven dan
in het lnternationale verdrag meergemeld. De term "resident" wijst
op een verblijf van enige duur, mogelijk zelfs op het hebben van een feitelijk
hoofdverblijf. Een vreemdeling die als toerist, ter fine van transit of voor
familiebezoek, in Nederland verblijft, valt dus niet onder de actieradius van
het protocol. Blijkens de toelichting van het comité van experts is
het ook de bedoeling van de garantie uit te zonderen de vreemdeling
die, volgens het nationale vreemdelingenrecht, onrechtmatig verblijf
houdt. De toelichting houdt verder in dat vreemdelingen aan wie onder zekere
voorwaarden een verblijfsrecht is toegekend en die deze voorwaarden
niet langer vervullen niet meer kunnen gelden als rechtmatige
verblijvers. Men kan nu bezwaarlijk volhouden dat het protocol moet gelden als
discriminatoir in het licht van de eigenlijke verdragstekst, reeds
omdat artikel 1 van het verdrag de garanties die het verdrag stipuleert, beoogt
uit te breiden over allen die binnen de territoriale rechtsmacht verkeren van
de verdragspartijen ("...within their jurisdiction..."), omdat
dat verdragsartikel geen rechtmatigheidstoets veronderstelt bij de
verblijfsaanvaarding, althans een dergelijke toets niet als beperkingsnorm voor
de direct daaropvolgende garanties formuleert. De stellers van de protocollen kunnen toch niet geacht worden nuanceringen aan te brengen die in het
licht van de eigenlijke verdragsteksten als discriminatoir zouden
moeten gelden? Ook hier gaat het om een wezenlijke premisse
waarzonder het voorliggende wetsvoorstel niet denkbaar is. Die premisse
is dat onderscheidingen naar verblijfsstatus en rechtmatigheid van
verblijfsaanvaarding in abstracto niet discriminatoir zijn, al behoeven zij in
concreto rechtvaardiging naar het onderwerp.
2.2. De onvoorwaardelijk
toegelatenen en de vrij circulerende gemeenschapsonderdanen
Wie
onvoorwaardelijk is
toegelaten - dus een verblijfsrecht bezit op grond van de artikelen 9
en 10 van de Vreemdelingenwet - kan in het algemeen een aanspraak
geldend maken als ware hij Nederlander of ingezetene. Hetzelfde
geldt voor EU-onderdanen die hier te lande vertoeven uit hoofde van
het hun bij de artikelen 48 en BA van het EG-verdrag gegarandeerde
vrijecirculatierecht, geïnterpreteerd in verbinding met verdere
verdragsregels - zoals de artikelen 6, 128 en 235 van het EG-verdrag - en
de verdere uitwerking daarvan in het gemeenschapsrecht, zoals
de richtlijnen van de Raad, hieronder in paragraaf 2.5 te bespreken. Voorts geldt dit ook voor hen die met
EU-onderdanen
gelijkgesteld moeten
worden omdat hen een vergelijkbaar vrijecirculatierecht op verdragsbasis
gewaarborgd wordt. Op dit uitgangspunt kan rblz.|10|
uitzondering worden
gemaakt bij de regeling waarop de aanspraak gevestigd is of die de
aanspraak in het leven roept. Bij die regeling kan men bijvoorbeeld de groep
die aanspraken kan maken, uitbreiden of verengen. Dat is dan
geheel afhankelijk van de afzonderlijke wet die de verstrekking, uitkering
of voorziening regelt. Wij zullen hierna ook van "materiewet" spreken.
Hier kan dus genuanceerd worden al naargelang de doelstelling van de
verstrekking, enz. Dit volgt uit artikel 1b [in artikel
I, onderdeel A, red.] in verbinding met artikel
8b [in artikel I, onderdeel C, red.]
van het voorstel. De vreemdeling die een verblijfsrecht -
uiteraard zonder dat daaraan beperkingen zijn verbonden op grond van het EG-recht
- heeft als omschreven onder 1 van artikel 1b heeft het "koppelingsbeginsel" dus in het algemeen niet te duchten. De toets naar zijn
verblijfspositie doet uitkomen dat hij volkomen gerechtigd is tot uitkeringen uit
hoofde van de wetgeving betreffende de sociale verzekeringen en de
regels inzake de sociale voorzieningen. Hij kan dus bijstand verkrijgen op
grond van de Algemene bijstandswet. Hij kan een verstrekking krijgen
ingevolge de Ziekenfondswet, vooropgesteld uiteraard dat hij voldoet
aan alle overige voorwaarden bij of krachtens de Ziekenfondswet gesteld.
2.3. De voorwaardelijk
toegelatenen
Wie voorwaardelijk is
toegelaten - dus een imperfect verblijfsrecht geniet op grond van de
artikelen 9a in verbinding met artikel 12a van de Vreemdelingenwet
- heeft voormeld algemeen recht op aanspraken niet. Het gaat hier om de groep
die in de wandeling [in de wandelgangen, red.] ook wel aangeduid wordt als de
"ontheemden" of "gedoogden". Wil de wetgever zulks met het oog
op het doel of de
strekking van de sectorale verstrekkingenwet, enz., anders, dan zal hij dat
uitdrukkelijk moeten bepalen. We gaven al aan dat hij dat kan doen door
voor deze voorwaardelijk toegelatenen aparte voorliggende
voorzieningen te scheppen. Dit geldt onverkort ongeacht of de voorwaardelijk
toegelatene nog voortprocedeert om een onbepaalde onvoorwaardelijke
toelating te verkrijgen of niet. De koppeling leidt hier dus in principe tot
uitsluiting, tenzij de wet het tegendeel alsnog uitdrukkelijk - dus in de formele
wetstekst zélf - bepaalt.
2.4. De
procederenden, de
kortverblijvers en de beleidsmatig onuitzetbaren
Dat geldt ook voor hen
die juist nog procederen ter fine van toelating zolang zij rechtens in
Nederland mogen vertoeven. Uiteraard zijn zij rechtmatig hier te lande,
maar alleen zolang zij terecht hier de beschikking afwachten op hun
aanvraag. In veel gevallen verbiedt het vreemdelingenrecht dat "afwachten". Zij
vallen dus niet onder artikel 1b Vreemdelingenwet. Daarom bepaalt het
artikel uitdrukkelijk dat het "recht om hier af te
wachten" moet steunen
op de Vreemdelingenwet zelf, dan wel op een daartoe strekkende
beschikking van het verantwoordelijk bestuursorgaan of op grond van een
daartoe strekkende rechterlijke beslissing.
Van aanspraken zijn in
principe ook uit te sluiten zij die hier komen teneinde hier een
zogenaamd "kortverblijfsdoel" te realiseren: familiebezoek, transit, enz. Het gaat
hier om personen die hier verblijven binnen de termijn van drie
maanden, de zogenaamde "vrije
termijn". Zij zijn hier rechtmatig, maar zij zijn
niet aanspraakgerechtigd in de zin van artikel 8b [in artikel
I, onderdeel C, red.] van het voorstel,
wederom behoudens uitdrukkelijk gemaakte uitzondering door de materiewetgever.
Met deze subcategorie zijn gelijk te stellen zij die uitgezet
moeten worden, maar van wier verwijdering voorlopig moet worden
afgezien op grond van in de Vreemdelingenwet geformuleerde beletselen.
Een dergelijk beletsel wordt slechts geboden in artikel 25 van de Vreemdelingenwet dat de uitzetting verbiedt
"indien de
verwijdering van de
vreemdeling uit Nederland met het oog op zijn gezondheidstoestand of
die van een zijner gezinsleden niet verantwoord rblz.|11|
is te achten". Dat in de
formele wetstekst uitdrukkelijk vastgelegde beletsel moet dan wel
geconstateerd zijn bij beschikking van het bevoegd gezag ingevolge de
Vreemdelingenwet.
2.5. Het eigenlijke
koppelingsartikel
Artikel 8b, eerste lid,
van de Vreemdelingenwet positiveert het koppelingsbeginsel. Het
gunt aanspraken slechts aan vreemdelingen indien zij een perfect
verblijfsrecht hebben. Zij moeten, anders gezegd, onvoorwaardelijk
toegelaten zijn. Het gaat dus om hen die op basis van artikel 9 van de
Vreemdelingenwet een verblijfsvergunning hebben gekregen of die op basis
van artikel 10 onbepaald toegelaten zijn. Men kan hier, als het gaat om
onbepaalde toelating, uitgaan van drie onderscheiden categorieën:
1. de vestigingsgerechtigden (ingevolge artikel 14 van de Vreemdelingenwet);
2. de vreemdelingen die
als vluchteling zijn erkend en toegelaten (artikel 15 van de
Vreemdelingenwet gunt hen dan een toelating voor onbepaalde tijd).
Voorts moet men daaraan
toevoegen:
3. de EU-onderdaan die
uit hoofde van zijn vrijecirculatierecht van rechtswege onbepaalde
toelating geniet en zij die uit hoofde van een vrijecirculatierecht met
EU-onderdanen gelijkgesteld moeten worden.
Wat deze laatste
categorie betreft, deze wordt thans in de tekst van de Vreemdelingenwet niet
genoemd.
Toch vallen ze onder de
verblijfsgerechtigden uit hoofde van de artikelen 9 en 10 van de
wet. Maar om dat te kunnen ontdekken, moet men via artikel 49 van de wet
- dat bepaalt dat afwijkingen van de wet mogelijk zijn ten gunste van
vreemdelingen als dat uit een verdrag of uit een verbindend besluit van
een volkenrechtelijke organisatie voortvloeit - te rade gaan bij afdeling
A van hoofdstuk Vl van het Vreemdelingenbesluit. Daar wordt geregeld dat
de Vreemdelingenwet opzijgezet wordt voor bepaalde EU-onderdanen of
EER-onderdanen [EER: Europese Economische Ruimte, red.]: deze zijn van rechtswege
toegelaten, alleen moeten
zij een verblijfsbescheid aanvragen dat slechts declaratoire werking
heeft.
Op basis van artikel 48
van het EG-verdrag komt aan werknemers-EU-onderdanen en andere begunstigden
(bijvoorbeeld werkzoekenden) het recht toe - van
rechtswege, dus zonder overheidstussenkomst - op uitreis, inreis en
(bestendig) verblijf in de lidstaat van tewerkstelling of waar naar werk wordt
gezocht. Deze werknemer of werkzoeker behoort vervolgens toegang tot
arbeid te hebben in loondienst en ingang tot dezelfde sociale en
fiscale voordelen als de nationale ingezetene. Zie Verordening 1612/68.
Volgens de rechtspraak behoren hiertoe ook bijvoorbeeld uitkeringen
uit hoofde van een algemene ouderdomsvoorziening en een bijstandsregeling.
Het Hof van Justitie heeft meermalen, onder meer in
het arrest van 3 juli 1980 in de zaak-Pieck (zaak 157/79, Jur. 1980, 2171
vv) vastgesteld dat het door het gemeenschapsrecht toegekende recht van
gemeenschapswerknemers om het grondgebied van een lidstaat binnen
te komen niet afhankelijk gesteld mag worden van de afgifte van
een verblijfsbescheid. De afgifte van het in artikel 4 van Richtlijn
nr. 68/360 van de Raad van de Europese Gemeenschappen bedoelde bijzondere
verblijfsdocument heeft slechts declaratoire werking en mag niet
worden gelijkgesteld met een verblijfsvergunning. Vraagt de EU-onderdaan
een dergelijk verblijfsbescheid niet aan, dan mag deze nalatigheid
niet worden bestraft met onevenredige sancties. Een uitsluiting
van iedere aanspraak - in de zin van artikel 8b, eerste lid, eerste
zinsnede - zou onder omstandigheden wellicht van een dergelijke disproportionaliteit kunnen gewagen. Daarom bepaalt artikel
1b [in artikel I, onderdeel A, red.]
rblz.|12|
van het voorstel dat de
EU-onderdaan - aangeduid als "gemeenschapsonderdaan",
een term die we aanstonds
toelichten - gelijkgesteld wordt met de vreemdeling uit een "derde-land" die een besluit tot onvoorwaardelijke toelating kan overleggen,
terwijl artikel 8b in het eerste lid bepaalt dat de aldus gecreëerde
doelgroep alle aanspraken geldend kan maken, tenzij de materiewetgeving het
tegendeel bepaalt.
Artikel 10 van
EG-verordening 1612/68 voorziet voorts in een verblijfsrecht voor bepaalde gezinsleden
van de werknemer die onderdaan is van één van de lidstaten en
die binnen een andere lidstaat het reeds beschreven recht op inreis en (bestendig) verblijf in de lidstaat van (beoogde) tewerkstelling
uitoefent op basis van de hieronder nader te specificeren richtlijnen
en verordeningen. Dat verblijfsrecht van het gezinslid vloeit voort
uit het vrijecirculatierecht van de werknemer. Het is in zoverre een accessoir
verblijfsrecht. De nationaliteit van deze familieleden is zonder belang bij de
uitoefening van dit verblijfsrecht, mits zij zich maar vestigen "met de
werknemer". Het betreft zijn echtgenoot en bloedverwanten in de
neergaande lijn beneden de leeftijd van 21 jaar of die te hunnen laste zijn
alsmede bloedverwanten in opgaande lijn van deze werknemer en van
zijn echtgenoot die te zijnen laste zijn. Zoals ook geldt ten aanzien van de
eigenlijke werknemers is een verblijfsdocument geen constitutief
vereiste voor hun verblijfsrecht (zie het arrest van het EG Hof van Justitie van 15
maart 1989, gevoegde zaken 389 en 390/87 (Echternach en Moritz), Jurisprudentie van het Hof van Justitie van de
Europese Gemeenschappen,
1989, blz. 723, rechtsoverweging 23). Artikel 11 van Verordening 1612/68
bepaalt verder dat de echtgenoot en de kinderen beneden de leeftijd van 21 jaar of die ten laste van de werknemer zijn het
recht hebben werk te
zoeken en werk te verrichten binnen de lidstaat waar de werknemer reeds
het verblijfsrecht uitoefent. Artikel 12 uit die verordening geeft de kinderen het recht om zonder discriminatie te
worden toegelaten tot het
algemene onderwijs dat ook openstaat voor de eigen nationalen, het
leerlingenstelsel en de beroepsopleiding.
Daarnaast is in artikel 7
van gemelde verordening nog bepaald dat de werknemer die onderdaan
is van een lidstaat dezelfde sociale en fiscale voordelen geniet als de
nationale werknemers. Dit non-discriminatiebeginsel
geldt volgens de rechtspraak van het Hof ook ten aanzien van de
familieleden van werknemers die in artikel 10 van die verordening zijn vermeld
(arrest van het EG Hof van Justitie van 20 juni 1985 (Deak),
Jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, 1985,
blz. 1873, met name rechtsoverwegingen 20-27). De nationaliteit van de
betrokken familieleden is bij de toepassing van dit non-discriminatiebeginsel
van geen belang. Dergelijke voordelen moeten ook worden toegekend
indien de familieleden daarvoor in aanmerking komen uit hoofde van hun
persoonlijke situatie en niet in hun hoedanigheid van gezinslid. Deze
situatie is anders wat betreft Verordening 1408/71 met betrekking
tot sociale zekerheid. Voor socialezekerheidsvoordelen komen familieleden
slechts in aanmerking voor zover hen deze in hun hoedanigheid van
familielid worden toegekend (arrest van het EG Hof van Justitie van 6
juni 1985, zaak 157/84 (Francogna), Jurisprudentie van het Hof van Justitie
van de Europese Gemeenschappen, 1985, blz. 1739, en het reeds geciteerde
arrest-Deak). Met het oog hierop zondert de definitie van de term "gemeenschapsonderdanen"
onder
b en onder c, laatste zinsnede
(beginnend met "alsmede"...), ook deze gezinsleden met hun accessoire
verblijfsrechten uit van de werking van het in het voorgestelde artikel
8b
van de Vreemdelingenwet voorziene koppelingsbeginsel. Zij worden uit hoofde van
het vrijecirculatierecht en het daarmede samenhangende
non-discriminatiebeginsel met EU-onderdanen gelijkgesteld.
rblz.|13|
Om
in dit opzicht ten behoeve van het koppelingsbeginsel, waarvan de
strekking direct uit de
wetstekst afleidbaar behoort te zijn, op wettelijk niveau volkomen
duidelijkheid te scheppen omtrent de verblijfspositie van hen die op grond van het
internationale recht van rechtswege toegelaten zijn, stellen wij voorts
voor om de bovengeschetste "getrapte" constructie waarbij via een algemene
maatregel van bestuur aan de formele wetstekst wordt gederogeerd los te
laten en de doelgroep maar direct klip en klaar te omschrijven in artikel
10. Daartoe strekt onderdeel D [artikel I,
onderdeel D, red.] van het voorliggend
voorstel.
Deze EG-privileges dienen ook te gelden voor de onderdanen van EER-staten
voor zover ook zij verdragstechnisch een vrije circulatiewaarborg
genieten die zij direct kunnen inroepen. Daarom voeren wij in het
begripsbepalend artikel 1 het nieuwe begrip "gemeenschapsonderdaan"
in. Het gaat om de onderdanen die een vrijecirculatierecht genieten
binnen een gemeenschappelijk rechtsgebied en zij die accessoir aan dat
circulatierecht evenmin een onbepaald en bestendig verblijfsrecht onthouden
mag worden zoals wij zoëven uiteenzetten.
In substantie gaat het,
voor wat betreft de groep van eigenlijke werknemers of
werkzoekenden die een direct onbepaald verblijfsrecht genieten, om nationalen
van staten die met Nederland in een verdragsbetrekking verkeren waarbij een
gemeenschappelijk rechtsgebied in het leven is geroepen ter
uitwisseling van goederen en diensten, terwijl daarbinnen een vrijecirculatierecht geldt voor de wederzijdse nationalen ten behoeve van
tewerkstelling of het zoeken naar werk. Het gaat derhalve steeds om een
vrijecirculatierecht in de zin van de reeds genoemde artikelen van het
EG-verdrag. Het gaat hier voorlopig om de gemeenschapsonderdanen
aan wie uit hoofde van het EG-verdrag, de EER-overeenkomst of op
grond van één uit die verdragen voortvloeiende regeling geen
verblijfsrecht geweigerd zou mogen worden anders dan op grond van een actuele
bedreiging van de openbare orde of van de nationale veiligheid of
wegens een gevaarzetting voor de volksgezondheid. Het gaat hier voor wat
het gemeenschappelijk EU-rechtsgebied betreft - derhalve - om de EU-onderdaan die onbepaalde toelating geniet ingevolge:
a. Richtlijn nr.
68/360/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 oktober 1968
inzake de opheffing van de beperkingen van de verplaatsing en
het verblijf van de werknemers der lidstaten en van hun familie binnen de
Gemeenschap (PbEG L 257);
b. Verordening nr.
1251/70/EEG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 29
juni 1970 met betrekking tot het recht van werknemers om verblijf te
houden op het grondgebied van een lidstaat na er een betrekking
vervuld te hebben (PbEG L 142);
c. Richtlijn nr.
73/148/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1973 inzake de
opheffing van de beperkingen van de verplaatsing en het
verblijf van onderdanen van de lidstaten binnen de Gemeenschap ter zake van
vestiging en het verrichten van diensten (PbEG L 172);
d. Richtlijn nr. 75/34/EEG
van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 december 1974
betreffende het recht van onderdanen van een lidstaat op het
grondgebied van een andere lidstaat verblijf te houden na er een
werkzaamheid anders dan in loondienst te hebben uitgeoefend (PbEG L 14);
e. Richtlijn nr.
90/364/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 juni 1990
betreffende het verblijfsrecht (PbEG L 180);
f. Richtlijn nr.
90/365/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 juni 1990
betreffende het verblijfsrecht van werknemers en zelfstandigen die hun
beroepswerkzaamheden hebben beëindigd (PbEG L 180);
g. Richtlijn nr.
90/366/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 juni 1990
betreffende het verblijfsrecht van studenten (PbEG L 180), sedert 18
december 1993 vervangen door de nagenoeg rblz.|14|
gelijkluidende Richtlijn
93/96/EEG van de Raad van 29 oktober 1993 (PbEG L 317/59).
Van dit in artikel
8b van
de Vreemdelingenwet neergelegde voorliggende koppelingsbeginsel kan
afgeweken worden. Dat moet dan uitdrukkelijk geschieden.
Dat betekent: de uitzondering moet vastgelegd zijn in een bepaling in
de materiewet zelf. Wij zijn van mening dat aan dat artikel 8b een algemene
betekenis moet worden toegekend, in die zin dat het een normstelling
verwoordt waaraan de wetgever in formele zin zich te houden zal hebben
indien hij wetgeving tot stand brengt op basis waarvan ook vreemdelingen
aanspraken geldend kunnen maken in de zin van het voorgestelde
artikel 8b, eerste lid, van de Vreemdelingenwet. Die wetgever moet geacht
worden geen positieve wetsconflicten te willen veroorzaken. In die zin
zullen zijn wetsteksten door de toepassers ervan verstaan moeten worden.
Wil die latere formele wetgever afwijken van het koppelingsbeginsel,
dan zal hij dat uitdrukkelijk moeten motiveren op de wijze als bepaald in
het voorgestelde artikel 8b, eerste lid, in fine van de Vreemdelingenwet en
derhalve in de wetsteksten zelf. En uiteraard bindt dat artikel 8b de
lagere wetgever in ieder opzicht, zowel in zijn producten van vóór de inwerkingtreding van
het voorliggende wetsvoorstel als die
welke nadien tot stand komen. Vestigt de lagere regeling een aanspraak
strijdig met het aan dat artikel 8b ten grondslag liggende
koppelingsbeginsel, dan zal die regeling in zoverre onverbindend zijn en bestaat voor de
aanspraak geen rechtsgrond.
Voor wat betreft de
uitdrukkelijk bij formele wetstekst te maken uitzonderingen op het
koppelingsbeginsel kan men grosso modo een tweeslag maken op basis
van artikel 1 (waarin de "toelating" is gedefinieerd),
1b (waar het rechtmatig
verblijf is omschreven) en 8b:
1. De onvoorwaardelijk
verblijfsgerechtigden hebben alle aanspraken die de materiewetten
kennen, tenzij in die wetten een uitdrukkelijk tegendeel is bepaald.
2. De voorwaardelijk verblijfsgerechtigden hebben slechts die aanspraken die de
materiewetten uitdrukkelijk erkennen. Deze materiewetten moeten worden geïnterpreteerd
vanuit de veronderstelling dat zij deze aanspraken niet
gunnen aan de hier omschreven groep. Dit geldt ook voor de overige
rechtmatig verblijvende vreemdelingen: zij hebben geen aanspraken, tenzij de
materiewetten het tegendeel uitdrukkelijk bepalen.
De wetstekst stipuleert
dat niet-toegelatenen geen aanspraken kunnen maken. Het gaat om
aanspraken op een beschikking van een bestuursorgaan. Het koppelingsbeginsel
kan immers niet inhouden dat een vreemdeling die hier
onrechtmatig verblijft niet mede het genot heeft van overheidsvoorzieningen
waarvoor geen aparte overheidstussenkomst te zijnen aanzien nodig is.
De overheid kent publieke voorzieningen (openbaar wegdek, parken,
openbaar vervoer) die zonder beschikking van een bestuursorgaan
toegankelijk zijn. Daarop ziet het koppelingsbeginsel dus niet. Verder ziet het
ook niet op de verstrekkingen en voorzieningen die door particulieren
worden geboden: het moet steeds gaan om bestuursorganen die hun wettelijke taak uitvoeren. Verder moet het gaan
om verstrekkingen,
uitkeringen, voorzieningen, vergunningen en ontheffingen waarop
aanspraak op grond van een wetsvoorschrift gemaakt zou kunnen worden. Hoe staat het met de vreemdeling die zich
meldt bij een openbaar
ziekenhuis om zich daar geneeskundig te laten behandelen? Er is in dit
geval geen sprake van een voorziening die bij overheidsbeschikking
geboden wordt. Er is in dit geval louter sprake van feitelijk handelen.
Bovendien kan in het algemeen niet gesteld worden dat een vreemdeling op basis
van een wettelijk voorschrift direct - dus afgezien van een basis in
een verzekeringsovereenkomst en afgezien van afdrachten ten behoeve
van de publieke kas - een subjectieve aanspraak rblz.|15|
kan maken op dergelijk
feitelijk handelen van een arts, apotheker of verpleegkundige. Uit dien
hoofde laat het koppelingsbeginsel de toegang van vreemdelingen
ongeacht hun verblijfspositie tot de openbare gezondheidszorg geheel
onverlet. Dat is ook uitdrukkelijk de bedoeling. Op basis van de redactie
van het koppelingsbeginsel is het dus niet noodzakelijk van het
koppelingsbeginsel uit te zonderen - bij wetsduiding - de vreemdelingen die
dringend behoefte hebben aan medische hulp, ook al wordt die hulp van
overheidswege verstrekt. Op deze bijzondere problematiek gaan wij nog
nader hieronder in paragraaf 2.7 in.
Het koppelingsartikel
8b
verplicht dus de materiewetgever tot wetswijziging indien hij de subgroep
onder artikel 1b, aanhef en onder 2 tot en met 5, nog zekere
aanspraken wil gunnen: hij zal dan de wetstekst moeten afstemmen op de in
die onderdelen opgegeven omschrijvingen en moeten bepalen dat hij
hen tot op zekere hoogte erkent als aanspraakgerechtigden. Over het algemeen zal de
subcategorie 1b, onder 1, naadloos aansluiten bij
de doelgroep die de materiewetgever tóch al erkende als
aanspraakgerechtigden. Maar mocht dat niet zo zijn, dan moet de materiewetgever op
formeelwettelijk niveau ook in dat opzicht de wetgeving nader afstemmen
op zijn behoefte het koppelingsbeginsel meer of minder ver te
implementeren in zijn regelingen waarop verstrekkingen, ontheffingen,
voorzieningen, enz., worden verschaft. Dat gebeurt dan ook in het
voorliggend wetsvoorstel in de artikelen 11 tot en met
XXI [zie artikelen III
tot en met XXII, van de wet, red.]. Wil de materiewetgever
zich op voornoemd niveau niets aantrekken van de verblijfspositie
en ook verstrekkingen doen aan onrechtmatig hier verblijvende
vreemdelingen, dan zal hij dat uitdrukkelijk moeten bepalen. ln zoverre geldt artikel
8b van de Vreemdelingenwet als een "lex
posterior" die derogeert aan de
anterieure materiewetgeving. Uiteraard bindt voorts artikel 8b, als
voorgesteld, de "lagere" wetgever voor wat betreft zijn autonome regelgevende
bevoegdheid: hij zal zich hebben te richten naar het daarin neergelegde
koppelingsbeginsel, tenzij hij later - bij wet in formele zin - alsnog
gemachtigd wordt om daarvan specifiek af te wijken. Zie verder nog
paragraaf 5, artikel I, onderdeel C [lees: de toelichting
op artikel I, onderdeel C, red.].
2.6. Het verblijfsrecht
of de rechtmatigheid van het verblijf moet blijken uit een bescheid
Het
koppelingsbeginsel is
alleen dan uitvoerbaar indien de discussie omtrent de rechtmatigheid
van het verblijf blijft voorbehouden aan het gremium dat daaromtrent
uiteindelijk te beschikken heeft. Te weten: de uitvoeringsinstanties van
de Vreemdelingenwet en de rechters die de toepassing van die
wetgeving op de rechtmatigheid en wetmatigheid toetsen. Kortom, die
discussie dient zich niet te verplaatsen naar de loketten waarachter de
ambtenaar zit die belast is met de beoordeling van de rechtmatigheid van de
aanspraak als zodanig. Hij moet over eenduidige informatie
beschikken over de verblijfspositie van de vreemdeling die een aanspraak wil geldend maken.
Door de invoering van het
stelsel van gemeentelijke basisadministraties (GBA) zal in belangrijke
mate in deze informatiebron worden voorzien. Onderdeel 5 van bijlage l
van het wetsvoorstel gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens bevat
een opsomming van de gegevens over het verblijfsrecht
die worden opgenomen op de persoonslijst van een vreemdeling
(Kamerstukken 21 123). Deze gegevens zullen worden aangeleverd vanuit het
Vreemdelingenadministratiesysteem (VAS). Door de koppeling van het VAS en de GBA en de verstrekking van de gegevens
aan overheidsinstanties
die collectieve voorzieningen, enz., verstrekken, zullen die instanties
automatisch de actuele informatie krijgen over het verblijfsrecht van de
vreemdeling die een beroep doet op de voorzieningen, enz. Op deze wijze wordt
voorzien in een sluitend systeem: de rblz.|16|
aanspraak op
voorzieningen, enz., van vreemdelingen jegens de overheid wordt gekoppeld aan
het
verblijfsrecht en de voor de verblijfsrechtelijke toets benodigde gegevens
worden aangeleverd vanuit de GBA. Het voorgestelde
koppelingssysteem kan niet werken indien de vreemdeling zou beschikken over een
verblijfsrecht dat niet is af te leiden uit de gegevens in de GBA en ook
niet blijkt uit een geschrift waarover de vreemdeling beschikt.
Vandaar de voorgestelde
inlassing van een artikel 8a in de Vreemdelingenwet. Behoudens ten aanzien van
gemeenschapsonderdanen - wie dat zijn, wordt omschreven in
de voorgestelde en in paragraaf 2.5 reeds besproken invoeging in artikel 1
van de wet - moeten vreemdelingen die beweren toegelaten te zijn - in
de zin van de Vreemdelingenwet - kunnen bogen op een papier waaruit hun
verblijfsstatus af te leiden is. Daarom stelt de wet de eis dat van de
toelating blijkt door een "besluit van een bestuursorgaan". De term
"besluit"
moet worden verstaan in de zin van artikel 1:3 van de
Algemene wet
bestuursrecht (Awb): het gaat om een schriftelijke beslissing van een
bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Die rechtshandeling
is de "instemming door de
Minister
van Justitie met het
bestendig verblijf hier te lande".
Kortom, toelating dient niet van rechtswege
te geschieden anders dan in het geval van de vrij circulerende gemeenschapsonderdaan. De huidige wetstekst van de
Vreemdelingenwet laat toe
dat verblijfsrechten van rechtswege op grond van een bepaalde
feitelijkheid ontstaan. Ten aanzien van gezinsherenigers en relatievormers werd
wel aangenomen dat zij voor het ontstaan van een onbepaald verblijfsrecht
onder bepaalde omstandigheden geen overheidstussenkomst
nodig hebben. Aldus was de gangbare praktijk op basis van artikel 47 van
het Vreemdelingenbesluit vóór 1 januari 1994. Uiteraard kan het
koppelingsbeginsel niet goed operationeel gemaakt worden als vreemdelingen
zouden kunnen beweren dat zij van rechtswege in het genot
zijn van een onbepaalde toelating die niet uit enig geschrift kan blijken.
Hetzelfde moet ook gelden
voor de "procederende" vreemdeling en de kortverblijver. Willen
zij aanspraken in de zin van artikel 8b van de Vreemdelingenwet geldend
maken, dan dient de verblijfspositie voor het bestuursorgaan eenduidig
kenbaar te zijn. Uiteraard gaat het dan om aanspraken die hen bij
uitzondering gegund worden op basis van een materiewet: het gaat dus
om een aanspraak die hun, niettegenstaande de hoofdregel (dat zij géén
aanspraken hebben), toch wordt gegund. Vandaar dat het tweede lid van
artikel 8a van de Vreemdelingenwet spreekt van een "aanspraak als
bedoeld in de slotzinsnede van het eerste lid van artikel 8b". Het gaat om
een aanspraak voortvloeiende uit een regeling die "het
tegendeel" bepaalt
betreffende het beginsel neergelegd in de voorafgaande zinsneden.
De Minister van Justitie zal deze vreemdelingen een schriftelijke
verklaring moeten afgeven indien zij deze behoeven met het oog op zo’n
aanspraak. Uit die verklaring zal moeten blijken of de vreemdeling behoort tot
subcategorie 3 of 5 van artikel 1b van de Vreemdelingenwet. Het
gaat dus zowel om het document waarin de eigenlijke (positieve) toelatingsbeslissing is vervat als om het
document
waarin wordt vastgelegd
dat de vreemdeling hier te lande het rechtmatige verblijf geniet
overeenkomstig artikel 1b, aanhef en onder 3 en 5, van de Vreemdelingenwet.
2.7. Drie uitzonderingen
Op het
koppelingsbeginsel
van artikel 8b zijn twee wettelijke uitzonderingen geformuleerd. Deze zijn
vervat in het tweede en derde lid van artikel 8b.
Op grond van
internationale verplichtingen, zoals onder meer artikel 2 rblz.|17|
van het Eerste Protocol
bij het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en
de fundamentele vrijheden en artikel 13 van
het lnternationale verdrag inzake economische, sociale en culturele
rechten, kan de toegang tot het onderwijs "illegale" vreemdelingen in de
leerplichtige leeftijd niet worden onthouden, noch direct ontzegd worden.
Daarenboven zijn kinderen van "illegalen" ingevolge de
Leerplichtwet 1969 leerplichtig.
Voor de
niet-leerplichtige "illegalen" vormen internationale verplichtingen geen belemmering voor
maatregelen om deze categorie onderwijszoekenden de toegang tot het
onderwijs te ontzeggen. Dit geldt te meer indien zulke maatregelen
objectief en rechtvaardig zijn en deze ingebed zijn in een groter kader
van wettelijke maatregelen, zoals het onderhavige
wetsvoorstel. In de
onderwijswetten zelf is deze uitsluiting vormgegeven. Verwezen wordt naar de
artikelen II, III, IV en V [zie
artikelen III, IV,
V en VI, van de
wet, red.] en de daarbij behorende
toelichting. Ze vormen
het verlengstuk van het in artikel 8b, tweede lid, gegeven uitgangspunt.
Daarbij is geen onderscheid gemaakt tussen de toegang tot het openbaar
en het bekostigd bijzonder onderwijs. Op die wijze wordt aan de
grondwettelijke eis van gelijkstelling voldaan. Ook op andere wijze tast deze
maatregel de grondwettelijke vrijheid van het bevoegd gezag niet aan;
zij raakt immers de inhoud van het onderwijs niet.
Verder moet op grond van
artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de
rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en de
daarop gebaseerde jurisprudentie de "illegaal" aanspraak kunnen maken op
rechtsbijstand overeenkomstig de Wet op de rechtsbijstand en dat
ongeacht het geding waarin hij verwikkeld is. Overigens zal dat vaak
betrekking hebben op de "(on)rechtmatigheid van het
verblijf" zélf.
Een derde uitzondering op
het koppelingsbeginsel behoefde geen wettelijke positivering
in het voorliggend wetsvoorstel, zoals wij hiervoor in paragraaf
2.5 in fine
uiteenzetten. Het gaat hier om een uitzondering die reeds voldoende verankering
heeft in de verschillende regelingen waaruit de Nederlandse rechtsorde is
samengesteld. Het gaat hier om een uitzondering, waarbij enerzijds wél een verplichting bestaat om aan een bijzonder persoon
ongeacht zijn verblijfsstatus bepaalde verschaffingen niet te onthouden, zonder
dat tegelijkertijd deze rechtsplicht correleert met een subjectief
afdwingbaar aanspraakrecht van die persoon. Het gaat hier om de situatie
waarin de verlening van medische zorg niet kan worden uitgesteld of
onthouden zonder het leven of de gezondheidstoestand van betrokkene dan wel de
Nederlandse volksgezondheid ernstig in gevaar te brengen. In dat
geval, zo brengt het Nederlandse recht mee, bestaan er bepaalde zorgplichten ten aanzien van een dergelijke persoon,
waaraan noch overheid,
noch private persoon - en dat laatste benadrukken wij in dit
verband - zich kan onttrekken. Die plichten brengen met zich dat degene die
zich in die situatie bevindt een voorziening wordt geboden die aan het acuut
gevaar een einde maakt, indien althans de zorgplichtige zulks kan
doen zonder direct gevaar voor eigen leven, eerbaarheid of goed. Die plichten houden dus evenzeer in dat artsen of
verpleegkundigen in
dergelijke situaties geen medische bijstand onthouden aan bijzondere
personen en dat een verblijfstoets geen rechtsgrond kan behelzen
om zich aan die zorgplicht te onttrekken. Het gaat hier voorts - dat
is typisch voor deze zorgplicht - om een gehoudenheid, ook van particulieren
(waaronder private zorginstellingen), tegen de financiële consequenties waarvan de overheid niet zonder meer
gehouden is dekking te
verlenen. Wij tekenen aanstonds aan dat wij in het kader van dit
wetsvoorstel wél willen voorzien in een zekere dekking van het voorzienbare risico
dat de hier bedoelde overheidsinstellingen en particulieren in de
toekomst zullen lopen. Voor de uitwerking daarvan rblz.|18|
verwijzen wij naar hoofdstuk
5
van deze memorie. Maar deze voorziening trekt de overheid onverplicht aan
zich. Zij zou haar kunnen nalaten. Zulks zou namelijk niet met zich medebrengen dat alsdan de zorgverplichtingen in de bovenomschreven
noodtoestandsgevallen niet zouden bestaan.
Wij willen dat als volgt
adstrueren. Symptomatisch voor de vorenbedoelde zorgplichten
zijn de artikelen 255 en 450 van het Wetboek
van Strafrecht. Het
eerste artikel stelt straf op het nalaten van hulpverlening aan iemand tot wiens
onderhoud, verpleging of verzorging de nalatige krachtens wet of
overeenkomst verplicht is. De zorgplichtige is strafbaar indien door
zijn nalatigheid de ander in "hulpeloze
toestand" geraakt. Die "hulpeloze
toestand" is er als de hulpbehoevende in fysiek gevaar komt. Het gaat om
gevaarzetting voor het leven of de gezondheid, in verband staande met
het feit dat de hulpbehoevende zichzelf niet of niet meer kan redden en
van nature of door de omstandigheden werkelijk hulp in de vorm van
onderhoud of verpleging behoeft. Zie: T.J. Noyon, G.E. Langemeijer,
Het Wetboek van
Strafrecht, bewerkt door J. Remmelink, aantekening
4 ad artikel 255 van het Wetboek
van Strafrecht, supplement
43. Het tweede artikel stelt straf op gelijke nalatigheid van iemand
die getuige is van het ogenblikkelijk levensgevaar waarin een ander verkeert,
terwijl hij die hulp kon verlenen of verschaffen zonder gevaar voor
zichzelf of anderen redelijkerwijs te duchten te hebben, indien de
hulpbehoevende de dood ondervindt, al dan niet veroorzaakt door die
nalatigheid.
Het laatste artikel
brengt naar huidig recht al zonder enige twijfel met zich mede dat een
geneeskundige zorginstelling of een arts of verpleegkundige die geconfronteerd wordt
met een acute medische noodsituatie van een illegale vreemdeling ex lege gehouden is bepaalde noodzakelijke verschaffingen niet
te
onthouden. Een beletsel daarvoor is ook thans niet dat voor de
verschaffing
geen financiële compensatie gevonden kan worden. De term "gevaar" in de zin van
artikel 450 Sr [Wetboek
van Strafrecht, red.] houdt in: "vitaal, fysiek
gevaar". Van dat
gevaar
is dus geen sprake indien tevoren reeds aanvaard zou moeten worden dat de
verschaffingen niet betaald zullen worden, niet door de verzorgde en niet
door derden. Wij wijzen erop dat deze rechtsfiguur niet verschilt met de
situatie waarin een toevallige passant verkeert die iemand in
verdrinkingsnood ziet en van tevoren weet: de schade aan mijn kleding, het verlet
wat voorzienbaar is en de eventuele benadeling van mijn gezondheid
(verkoudheid, enz.) zullen niet verhaalbaar zijn. Hij zal, als hij goed kan
zwemmen (dát valt overigens in veel gevallen moeilijk te bewijzen), reddend
moeten optreden; hij is reeds daarom niet strafrechtelijk
aansprakelijk, omdat hij met schades blijft zitten. Bekleedt de zorgplichtige betrokkene
daarenboven nog een ambt of beroep waarbij bij wetsduiding een
verzwaring van de zorgplicht aangenomen moet worden - en bij de bekleders
van enige medische professie is zulks het geval - dan reikt die "ongedekte"
zorgplicht nog verder. Een arts kán meer hulp verlenen dan iemand die
geen medische opleiding geniet. En artikel 255 van het Wetboek
van Strafrecht veronderstelt dan ook eerder dat die arts daartoe verplicht is, ook
al blijft hij met de kosten zitten. Het Nederlandse recht gaat ervan uit dat
er rechtsplichtvestigende situaties bestaan waarin geen rechtsgenoot zich
aan een zekere zorggehoudenheid kan onttrekken. Bij dat uitgangspunt
sluiten wij aan als wij stellen dat in de hier bedoelde medische noodsituaties
ook de illegaal medische basisvoorzieningen blijft genieten. Hij verkeert in
dat genot, zonder subjectief aanspraak op dat genot te kunnen maken.
Want wel is de arts strafrechtelijk verplicht reddend op te treden,
maar de vreemdeling kan hem daartoe niet uit eigen hoofde dwingen. Dat
kan alleen de overheid via haar strafrechtelijk geweldsmonopolie. Zo
luidt ook thans het Nederlandse recht.
rblz.|19|
Waarom dan toch de
bereidheid onzerzijds te zorgen voor een zekere overheidsdekking in dit
soort gevallen? Omdat het hier gaat om risico’s waarvan algemeen
toegankelijke ervaringsregels hebben aangetoond dat het risico’s zijn
waaraan bepaalde groepen rechtsgenoten verhoogd bloot staan. Het risico dat wij
geconfronteerd worden met situaties waarin wij levensreddend moeten
ingrijpen, drukt op ons allen. Het kan zich verwezenlijken in de
situatie van alledag. Het risico dat noodzakelijke medische hulp niet onthouden mag worden om ernstige gevaarzetting
voor leven of gezondheid
te voorkomen, terwijl deze onverhaalbaar zal blijken te zijn wegens de
illegaliteit van de verzorgde, deelt zich maar aan een beperkte categorie
mede. Deze categorieën zijn tevoren - lós van het concrete risico - reeds
te definiëren. Omdat wij vinden dat de kosten van het beginsel van het geïntegreerde
vreemdelingenbeleid in redelijkheid niet alleen door deze
categorie gedragen dienen te worden - de hele Nederlandse samenleving
heeft tenslotte baat bij een sluitende implementatie van dit beginsel - zijn
wij bereid te zorgen voor een vorm van financiering ten laste
van de rijksbegroting van kosten van medische zorg die in acute medische
noodsituaties door zorgverleners aan illegalen is verleend, indien en voor
zover deze kosten niet op andere wijze kunnen worden verhaald en er
tevens sprake is van kennelijke hardheid indien een rekening van een zorgverlener niet wordt vergoed. Wij verwijzen
andermaal naar het
gestelde in hoofdstuk 5.
Het vorenstaande brengt
overigens niet met zich mee dat de overheid kan worden aangesproken
om te voorzien in een regeling ter vergoeding van onbetaalde rekeningen
van zorgverleners in zijn algemeenheid. lmmers, in de
financiering van de Nederlandse gezondheidszorg wordt voorzien door middel van
een stelsel van sociale en particuliere ziektekostenverzekeringen. Daarbij geldt in beginsel
dat een persoon tegenover de zorgverlener gehouden is
de kosten van hem verleende medische zorg zelf te betalen, tenzij
wettelijk of bij overeenkomst is geregeld dat de zorg in natura wordt verleend.
In het laatste geval dient de zorgverlener zijn rekening in bij de
desbetreffende verzekeringsinstelling. In het kader van de Koppelingswet kunnen
illegalen zich niet langer tegen ziektekosten verzekeren in het kader
van én van de door de overheid geregelde vormen van
ziektekostenverzekering. Dat is in beginsel niet het geval ten aanzien van
Nederlanders en
niet-illegale vreemdelingen, die bovendien in bijzondere gevallen in
beginsel een beroep kunnen doen op de Algemene
bijstandswet. Het is naar
de mening van het kabinet derhalve gerechtvaardigd de in dit kader te
treffen financieringsmogelijkheid uitsluitend betrekking te doen hebben op aan illegalen in acute medische noodsituaties
verleende medische zorg.
Het beginsel dat ons
dringt tot het treffen van deze budgettaire voorziening vloeit dus
niet voort uit het gegeven dat de vreemdelingenadministratie nalatig is vreemdelingen
die hier illegaal vertoeven uit te zetten, zodat de overheid
gehouden is, op basis van een soort wanprestatie in dit opzicht, kosten
en schaden aan die vreemdelingen of derden te vergoeden. Daarom zullen
wij in de nadere regeling van de wijze waarop aanspraken ten laste van
deze budgettaire voorziening geldend te maken zijn, spreken van "vergoedingen ten laste van de
Staat". Deze terminologie
heeft eenzelfde strekking
als de dienovereenkomstige aanduiding in artikel 34j van de
huidige Vreemdelingenwet. Het gaat dus niet om schadevergoeding of
schadeloosstelling uit hoofde van onrechtmatig overheidshandelen - te
weten onrechtmatige nalatigheid - jegens degene die schade oploopt via de
zorgplicht jegens de illegale vreemdeling. lndien de nalatigheid om
uit te zetten te dezen aanspraken en subjectieve rechten zou kunnen doen
ontstaan voor de zorgplichtige derde, zou evenmin in te zien zijn
waarom zulks ook niet rechtstreeks het geval zou kunnen zijn jegens de
vreemdeling die hier wederrechtelijk vertoeft. En dan zou werkelijk iedere
juridische grondslag aan het voorliggende wetsvoorstel
rblz.|20|
komen te
ontvallen. Immers, dan zou men ook moeten aannemen dat iedere
vreemdeling die niet door de overheid uitgezet wordt daaraan - aan dat
loutere niet verwijderen - een subjectief recht kan ontlenen om bepaalde
aanspraken jegens die overheid te doen gelden. In dit verband
willen wij er nogmaals op wijzen, zoals al eerder van regeringszijde is gedaan
in het algemeen deel van de memorie van toelichting bij
meergemeld wetsvoorstel 22 735 (Kamerstukken II 1991-1992, 22 735, [nr.
?, red.], paragraaf 1.2.4.1), dat de overheid de uitzetting in het merendeel van de gevallen
niet desbewust uit beleidspolitieke opportuniteitsoverwegingen
nalaat. Op de eerste plaats niet omdat de overheid in veel gevallen
niet op de hoogte kan zijn van het verblijf van een bepaalde illegaal. Een illegale vreemdeling legt zich uiteraard
erop
toe de overheid van zijn
verblijf onkundig te houden. En op de tweede plaats omdat de overheid
geen opzettelijk verwijderingsbeleid voert op basis van belangenafwegingen ad
hoc, maar omdat zij op dit punt in staat
van onmacht verkeert. En
dat weer enerzijds omdat de illegaal zijn verwijdering naar zijn
nationaliteitsstaat frustreert door zich van zijn documenten te ontdoen en
anderzijds omdat de overheid te kampen heeft met logistieke en
personele problemen die haar verhinderen om tot sluitende uitzetting te
komen van iedere vreemdeling die geen toelating geniet. Het zijn deze
exogene onbeheersbare factoren - uitvoerig besproken in een eerder
nader rapport naar aanleiding van een advies van de Raad van State inzake
wetsvoorstel 22 735 - die de regering noopten het woord "kan" in het
eerste lid van artikel 22 van de huidige Vreemdelingenwet te handhaven (zie
Kamerstukken II 1991-1992, 22 735, B, randnummer 2, blz. 9).
Dientengevolge rust op de Minister van Justitie geen verplichting tot
uitzetting in alle gevallen waarin deze autoriteit kennis draagt van wederrechtelijk verblijf. Dat is niet gebeurd omdat de
indieners van het
wetsvoorstel destijds zulks rechtens juister vonden, maar omdat zij de onmacht
van de overheid op dit punt niet wilden loochenen. Er kan geen sprake zijn van een bestuurlijk vertrouwensbeginsel
waardoor de illegale
vreemdeling aan enige overheidsnalatigheid ten aanzien van de
feitelijke verwijdering bepaalde rechten zou kunnen ontlenen of jegens derden opbouwen.
3. Reeds aanhangige en
tot stand gebrachte koppelingen
Op verschillende niveaus
is het bovenomschreven koppelingsbeginsel al tot stand gebracht of
al in het wetgevingstraject aanhangig.
Wij noemden reeds het
wetsvoorstel tot wijziging van de Rijkswet
op het Nederlanderschap (Kamerstukken II 1992-1993, 23 029 (R 1461)). Aan artikel 1 onderdeel f. van de
huidige rijkswet wordt onder g ingevolge dit wetsvoorstel toegevoegd
een definitie van "toelating". "Toelating" wordt vervolgens omschreven als
"instemming door het bevoegd gezag met het bestendig verblijf van de
vreemdeling in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba".
Vervolgens wordt in artikel 8 bepaald dat voor verlening van het Nederlanderschap
onder meer slechts die verzoekers in
aanmerking komen die "ten
minste vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek in
Nederland, onderscheidenlijk de Nederlandse Antillen of Aruba, toelating en
hoofdverblijf hebben gehad". Het gaat hier dus om een principe analoog aan
het in het voorgestelde artikel 8b verwoorde principe. "Analoog",
omdat het "Nederlanderschap" een hoedanigheid is. De verlening ervan is
geen verstrekking of voorziening. Van een "vergunning"
of "ontheffing" is
evenmin sprake.
Het beginsel is ook
uitgewerkt in onderdeel oo van hoofdstuk 11 van het wetsvoorstel dat
leidde tot de invoering van de Wegenverkeerswet
1994 (zie Kamerstukken II 1993-1994, 23 664, nr. 2), rblz.|21|
gepubliceerd in Stb. 1994,
475. Aan artikel 111 van de Wegenverkeerswet
1994 is
thans een nieuw tweede lid toegevoegd, dat luidt: "Aan degene die
vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet is, en geen onderdaan van een
lidstaat van de Europese Gemeenschappen, wordt een rijbewijs
slechts afgegeven indien hij met instemming van het bevoegd gezag bestendig
in Nederland verblijft. Voor de uitvoering hiervan is het hoofd van
plaatselijke politie in de zin van de Vreemdelingenwet verplicht aan degene die
is belast met de afgifte van het rijbewijs kosteloos de
noodzakelijke opgaven en inlichtingen te verstrekken."
Hetzelfde geldt voor het wetsvoorstel
Wet tewerkstelling vreemdelingen dat leidde tot de Wet van 21 december 1994 tot
vaststelling van de Wet
arbeid vreemdelingen (Stb. 1994, 959). Artikel 27 van die
wet bevat een
wijziging van artikel 61, eerste lid, van de Arbeidsvoorzieningswet,
waarin is bepaald dat het recht zich als werkzoekende door de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie te laten registreren, toekomt aan: "c. vreemdelingen die
beschikken over een krachtens de vreemdelingenwet afgegeven vergunning
welke is voorzien van een aantekening van Onze Minister van
Justitie waaruit blijkt dat aan die vergunning geen beperkingen zijn
verbonden voor het verrichten van arbeid".
De koppeling
ter zake van het recht op
arbeidsbemiddeling is verder vormgegeven door middel van de in de wet
aangebrachte wijziging van artikel 78 van de Arbeidsvoorzieningswet.
Het eerste lid daarvan luidt thans: "-1.
Het recht op
arbeidsbemiddeling door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie komt toe aan degenen die
overeenkomstig artikel 61, eerste lid, als werkzoekende
zijn geregistreerd". Zie nader: Kamerstukken
II 1993-1994, 23 574, nrs. 1-3.
Het koppelingsbeginsel is ook geïmplementeerd in het wetsvoorstel tot
wijziging van titel 5 van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek (Kamerstukken II 1991-1992, 22 488, nrs. 1-9), dat heeft geleid tot de Wet van 2
juni 1994, Stb. 1994, 405. De ambtenaar van de burgerlijke stand is
thans verplicht, als het gaat om de sluiting van een huwelijk tussen een
Nederlander en een vreemdeling, een onderzoek in te stellen naar de
verblijfspositie van de laatste. De vreemdelingendienst moet daarop een
verblijfsbescheid verschaffen waaruit blijkt dat de vreemdeling rechtmatig
verblijf houdt.
4. Logistieke voorwaarden
Om het hier verwoorde
koppelingsbeginsel adequaat te kunnen implementeren, zal aan
bepaalde logistieke randvoorwaarden moeten zijn voldaan. Allereerst zal
het in artikel 8a van de Vreemdelingenwet voorgeschreven
verblijfsbescheid zodanig moeten zijn ingericht dat daaruit rechtstreeks
afleidbaar is tot welke in artikel 1b, onder 3 of 5, omschreven subcategorie
de vreemdeling die geen gemeenschapsonderdaan is, behoort. Het behoeft
verder geen betoog dat de in artikel 8b van de Vreemdelingenwet
voorgeschreven koppeling en het aanleggen van de verblijfstoets
niet goed tot stand kunnen komen indien het
Vreemdelingenadministratiesyteem (VAS) en de GBA niet op elkaar aangesloten zijn.
Onderdeel 5 van bijlage l van de Wet
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: Wet GBA) kent immers een opsomming van te
registeren gegevens over het verblijfsrecht van de vreemdeling die de
herleiding van de verblijfspositie van een aanvragervreemdeling tot één van deze
subcategorieën aanzienlijk vergemakkelijkt.
De aansluiting VAS-GBA is
noodzakelijk voor de opneming van de gegevens over het
verblijfsrecht in de GBA. De gegevens worden vervolgens op verzoek
verstrekt aan de overheidsinstellingen voor welke de verblijfsrechtelijke
gegevens noodzakelijk zijn voor de taakuitoefening. lndien de
overheidsinstelling daartoe krachtens de Wet
GBA is geautoriseerd, rblz.|22|
geschiedt de
gegevensverstrekking over het GBA-netwerk. Voor wat betreft de kosten van
het gebruik van het netwerk geldt het volgende. Met betrekking tot de koppeling van VAS en GBA kunnen drie gegevensstromen
worden onderscheiden. De
koppeling komt tot stand door ten eerste het verstrekken
van de gegevens van ingeschreven vreemdelingen door de GBA aan het VAS.
De tweede gegevensstroom bestaat uit het aanleveren van de
verblijfsrechtelijke gegevens door het VAS aan de GBA. Het sluitstuk wordt
gevormd door de verstrekking van de gegevens over het verblijfsrecht via
het netwerk aan de daartoe geautoriseerde afnemers.
De verrekening van kosten
in verband met het gebruik van het netwerk door rijksafnemers
geschiedt middels de rijksbegroting. Met rijksafnemer is bedoeld een afnemer
waarvan de uitgaven worden begroot in een hoofdstuk van de
rijksbegroting voor een ministerie (artikel 5, eerste lid, onderdeel a,
Wet
GBA).
Voor de kosten in verband met het gebruik van het GBA-netwerk door
afnemers, niet zijnde rijksafnemers, worden krachtens artikel 5 van
de Wet
GBA bijdragen in rekening gebracht. Deze bijdragen worden eveneens
in rekening gebracht bij bijzondere derden die van het netwerk gebruik
maken. Met de term bijzondere derden worden aangeduid de derden
aangewezen op grond van artikel 99 van de Wet
GBA. De bijdrage in
verband met het gebruik van het netwerk door een "niet-rijksafnemer" en
een bijzondere derde wordt vastgesteld aan de hand van het aantal
berichten dat ten behoeve van de gebruiker over het netwerk wordt verzonden
en de berichtprijs. Voor het jaar 1995 is deze berichtprijs bepaald op
72 cent.
Inmiddels is op voorstel
van het GBA-platform bepaald dat nog dit jaar een evaluatie zal
plaatsvinden van het hierboven beschreven financieringsmodel. De
uitkomsten van deze evaluatie zullen ook bepalend zijn voor de
verrekening van de kosten die voortvloeien uit de zojuist opgesomde
gegevensstromen. In algemene zin kan, vooruitlopend op de evaluatie, nu reeds
worden gesteld dat in het toekomstig financieringsmodel wordt
uitgegaan van een betaling van een prijs per bericht door iedere
gebruiker.
Voor de
informatie-uitwisseling over de verblijfspositie van een aanvrager biedt het
huidige artikel 48 van de Vreemdelingenwet reeds een adequate grondslag. Dat
artikel maakt de Minister van Justitie bevoegd aan andere
bestuursorganen gegevens te verschaffen over de verblijfspositie indien deze dat nodig
hebben voor de uitvoering van hun taak. De term "verblijfspositie"
is vaag. Ook een niet-toegelaten vreemdeling heeft een verblijfspositie. De
woordkeuze heeft dus niet tot gevolg dat alleen informatie kan worden
verschaft omtrent de positie van een vreemdeling die een in de
Vreemdelingenwet erkend verblijfsrecht geniet. Ook de voorwaarden, beperkingen
en voorschriften verbonden aan het verblijfsrecht behoren tot de verblijfspositie, evenals eventuele uitzetbaarheid en
de gronden waarop een
verzoek om toelating niet-inwilligbaar is gebleken. Het artikel
eist voor de informatieverstrekking door de Minister van Justitie geen verzoek
van een ander bestuursorgaan. De minister kan deze informatie dus
ambtshalve verstrekken. Voorts verwijzen wij nader naar de toelichting die
op artikel 48 werd gegeven in Kamerstukken II 1992-1993, 22 735, nr. 5,
blz. 25, en Kamerstukken II 1992-1993, 22 735, nr. 6, onderdeel Q, alsmede
Handelingen K 11, 15 september 1993, p 94-6925 [lees: Handelingen II
1993-1994, vergadering d.d. 15 september 1993, nr. 94, blz. 6925, red.].
5. Financiering van
medische zorg in acute noodsituaties
Hiervoor onder paragraaf
2.7
spraken wij er reeds van dat, om eventueel minder billijke gevolgen van het
voorliggende wetsvoorstel af te dempen voor zover het gaat om
zorgverleners die de door hen verleende medische zorg ten behoeve van
illegalen niet kunnen verhalen op de illegaal of derden, in een vorm van
financiering moet worden voorzien ten laste van rblz.|23|
de rijksbegroting.
Hieruit kan onder bepaalde omstandigheden worden geput ten behoeve van de
zorgverleners.
Ter dekking van deze
begrotingspost kan voorshands een relatie worden gelegd met de besparingen
op de begroting van het departement van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid nu artikel 84 van de Algemene Bijstandswet (artikel 12
van de nieuwe Algemene bijstandswet) wordt geschrapt. Die schrapping
- die overigens géén betrekking heeft op financiering van medische
zorg - zal vermoedelijk een besparing van ƒ11 miljoen opleveren. Uit de
besparing kunnen gelden vrijgemaakt worden voor de hier bedoelde financiering. Hoe groot dit bedrag precies moet zijn,
is thans nog niet aan te geven; het aantal illegalen is immers op dit moment niet precies te
bepalen en dus ook niet het beroep dat door illegalen op de gezondheidszorgvoorzieningen zal worden gedaan. Het
kabinet stelt in beginsel
een bedrag gelijk aan voormelde besparing beschikbaar. Daartoe zal
de begroting van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport worden
opgehoogd. Eventuele tekorten komen ten laste van de
begroting van dat ministerie.
De Minister van VWS stelt
zich voor de desbetreffende gelden onder te brengen in een
afzonderlijk fonds. Tot dit fonds kunnen zorgverleners zich wenden die in gevallen
van acute noodsituaties - waaronder wordt verstaan situaties waarin
sprake is van ogenblikkelijk levensgevaar of een acute of vitale hulpeloze
toestand, waarbij verlening van medische zorg niet kan worden
uitgesteld zonder het leven of de gezondheidstoestand van de betrokkene ernstig
in gevaar te brengen, dan wel in gevallen waarin een algemeen
volksgezondheidsbelang wordt gediend - adequate medische zorg hebben
verleend aan illegalen.
Uit het fonds kan een
gehele of gedeeltelijke tegemoetkoming worden verleend aan een
zorgverlener voor onbetaalde rekeningen indien in het individuele geval is
voldaan aan ten minste de navolgende voorwaarden:
1. het moet gaan om aan
een illegaal verleende, en in het desbetreffende geval adequate en onvermijdelijke, medische zorg;
2. verleend in een acute
medische noodsituatie, c.q. in een geval waarin de Nederlandse
volksgezondheid is gemoeid;
3. waarbij de
zorgverlener ten genoege van de fondsbeheerder aannemelijk moet maken
dat de kosten niet op de illegaal zelf of op een derde verhaalbaar zijn; en
4. waarbij naar het
oordeel van de fondsbeheerder sprake is van kennelijke hardheid
indien in het desbetreffende geval de rekening niet alsnog geheel of
gedeeltelijk wordt betaald.
De
Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft op 12 september 1994 de
Ziekenfondsraad verzocht over de uitvoeringstechnische aspecten van het
wetsvoorstel advies uit te brengen. Dat advies is uitgebracht op
23 maart 1995 en wordt als bijlage bij dit wetsvoorstel aan de
Tweede Kamer voorgelegd.¹
Evenals in zijn hierna in
de artikelsgewijze toelichting genoemd advies van 25 juni 1992 heeft de
Raad ook in het onderhavige advies naar voren gebracht dat ook voor
onverzekerde illegale vreemdelingen de toegang tot de noodzakelijke zorg
gewaarborgd dient te zijn. Deze toegang, aldus de Raad, is niet alleen nodig omdat het vanuit maatschappelijk oogpunt
niet aangaat betrokkenen
van noodzakelijke medische zorg verstoken te laten, maar ook omdat
onbehandelde ziekten aanzienlijke gezondheidsrisico’s voor anderen kunnen
opleveren. De Raad meent, gelet op deze gezondheidsrisico’s,
dat de kosten van die noodzakelijke medische zorg ten lasten van de rijksbegroting dienen te komen.
Uit het voorgaande moge
blijken dat het kabinet deze zienswijze van de Ziekenfondsraad ten volle
onderschrijft. Daarnaast merkt het kabinet op dat kosten van
preventieve gezondheidszorg thans reeds worden gefinancierd ten laste
van de begroting, ook ten behoeve van illegalen. Daarin brengt het onderhavige wetsvoorstel geen
wijziging.
rblz.|24|
De
Ziekenfondsraad adviseert tot een aantal technische aanpassingen van
het wetsvoorstel. Het
advies van deze Raad om in het kader van de Ziekenfondswet
en de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten te voorzien in een aan de verzekerden
op te leggen identificatieplicht, respectievelijk een aan de verzekeringsinstellingen op te leggen verificatieplicht, is
overgenomen. Voor dit
onderdeel verwijzen wij naar het artikelsgewijs gedeelte van deze memorie
van toelichting.
1. Ter inzage gelegd bij
de afdeling Parlementaire Documentatie.
Artikelsgewijs
Artikel I
Onderdeel A
Zoals aangegeven, is het
noodzakelijk vreemdelingen die rechtstreeks uit hoofde van een verdrag
een vrijecirculatierecht genieten - ongeacht of dat recht zich beperkt tot de
zogenaamde korte termijn ex artikel 8 van de Vreemdelingenwet of mede
betrekking heeft op het bestendig verblijf van de vreemdeling - uit te zonderen van het in
onderdeel C van artikel l via het
in de Vreemdelingenwet in
te voegen artikel 8b van het voorliggend voorstel verwoorde
koppelingsbeginsel. Een dergelijk vrijecirculatierecht komt toe aan onderdanen
van lidstaten bij het EG-verdrag en aan onderdanen van andere
staten die partij zijn bij de EER-overeenkomst.
Uiteraard kan deze uit te
zonderen doelgroep herformulering behoeven indien Nederland nog
andere verdragen met een dergelijk gewaarborgd vrijecirculatierecht sluit. Het moet dan steeds gaan om een
vrijecirculatierecht dat in strekking en
doelstelling gelijkt op dat wat in artikel 48 van het EG-verdrag aan de vreemdeling gewaarborgd wordt. Het moet dus gaan
om een vrijecirculatierecht dat de vreemdeling reeds het rechtmatig verblijf waarborgt op de
enkele grond dat hij de nationaliteit of het ingezetenschap geniet van
een lidstaat bij een dergelijk verdrag of als gezinslid een accessoir
verblijfsrecht uitoefent samenhangend met het aan een werknemer
gegarandeerd vrijecirculatierecht. Zie ook paragraaf 2.5, vierde en vijfde alinea. De
kring van verdragsstaten zal daarom steeds ook in artikel 1 van de
Vreemdelingenwet moeten worden aangeduid. Dat betekent dat bij
uitbreiding van deze verdragskringen ook artikel 1 van de Vreemdelingenwet,
aangevuld volgens voorliggend voorstel, aanpassing zal behoeven met het oog
op de inperking van de actieradius van het in artikel 8b verwoorde
koppelingsbeginsel.
Onderdeel B
In verband met deze
rechtstreekse waarborg van het rechtmatig verblijf van deze onderdanen of
nationalen te Nederland wordt in artikel 1b, aanhef en onder 1, bepaald
dat deze gemeenschapsonderdanen rechtstreeks "als
gemeenschapsonderdaan" op een grond van toelating kunnen bogen. Uit dien
hoofde zijn zij zonder dat nadere overheidstussenkomst vereist wordt rechtmatig in Nederland. Zij hebben dus geen besluit van de
Nederlandse overheid van node om deze rechtmatigheid, bij het realiseren van
een aanspraak in de zin van artikel 8b van de Vreemdelingenwet, te doen
vaststellen. In zoverre vormen zij dus een aparte categorie.
Van rechtmatig verblijf
is echter géén sprake indien de gemeenschapsonderdaan hier te lande verblijf
houdt in strijd met een voor hem geldende beperking van
het vrijecirculatierecht op grond van één van de richtlijnen van de Raad
van de Europese Gemeenschappen of een daarmede gelijk te
stellen supranationaal orgaan opgericht krachtens een verdrag waarbij eveneens
een vrijecirculatierecht wordt gegarandeerd. Indien bijvoorbeeld een
EU-onderdaan zich naar Nederland begeeft met rblz.|25|
het oog op de hem gewaarborgde toegang tot een beroepsopleiding als
omschreven bij Richtlijn
93/96/EEG d.d. 29 oktober 1993, verblijft hij hier te lande alleen maar
rechtmatig in de zin van artikel 1b van de Vreemdelingenwet indien hij zich houdt aan
de beperkingen die in die richtlijn zijn verwoord. Hij moet dus 1. geen beroep doen op een Nederlandse bijstandsregeling,
2. zich ingeschreven hebben als student bij een erkende instelling om
daar als hoofdbezigheid een beroepsopleiding te volgen en 3. een
ziektekostenverzekering hebben afgesloten die alle risico’s in Nederland
dekt. Blijkt dat hij niet voldoet aan één van deze voorwaarden, dan
verblijft hij niet rechtmatig hier te lande en valt hij dus buiten de garantie van
het aanspraakrecht als verwoord in de eerste volzin van het eerste lid van
artikel 1b van de Vreemdelingenwet. Dat volgt uit de beperking verwoord in de
slotzinsnede van artikel 8b, aanhef en onder 1, "...tenzij deze
onderdaan verblijf houdt in strijd met een beperking op grond van een regeling
krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap".
De EER-overeenkomst kent (nog) geen zelfstandige beperkingen
op het daarbij gegarandeerde verblijfsrecht. Komen deze tot stand, dan
zal artikel 1b van de Vreemdelingenwet dus herredactie behoeven
[een nieuwe redactie behoeven, red.].
Wij sommen thans alle
mogelijke verblijfsposities die de Vreemdelingenwet kent op, gerubriceerd
onder de categorieën die artikel 1b van de Vreemdelingenwet
introduceert, waarbij wij de volgorde van de "toelatings-" en "toegangsartikelen"
in de Vreemdelingenwet volgen. Het gaat dus om de artikelen
8, 9a, 9, 10, 14 en 15 van de Vreemdelingenwet, zoals aangepast volgens
voorliggend voorstel.
Naast de
gemeenschapsonderdanen genieten derhalve ingevolge artikel 1b van de
Vreemdelingenwet rechtmatig verblijf:
a. zij die hier
verblijven binnen de korte termijn op grond van artikel 8 van de Vreemdelingenwet.
Zij vallen onder de omschrijving van artikel 1b, aanhef en onder 4.
b. De vreemdelingen die
verblijven op grond van artikel 9 en 10 van de Vreemdelingenwet. Zij
vallen onder artikel 1b, aanhef en onder 1, van die wet, ongeacht de
beperkingen of voorschriften die aan de verblijfsvergunning zijn verbonden. De
volgende casus zijn hierbij te onderscheiden:
1. verblijf op grond van
artikel 9 zonder dat aan de vergunning een beperking is verbonden;
2. verblijf op grond van
dat artikel waarbij aan de vergunning een beperking is verbonden
welke niet toestaat arbeid in loondienst te verrichten;
3. verblijf op grond van
dat artikel waarbij aan de vergunning een beperking is verbonden
welke toestaat elke vorm van arbeid in loondienst te verrichten;
4. verblijf op grond van
dat artikel waarbij aan de vergunning een beperking is verbonden
welke de aanspraak op collectieve voorzieningen uitsluit;
5. verblijf op grond van
dat artikel waarbij aan de vergunning een beperking is verbonden
welke de aanspraak op collectieve voorzieningen niet uitsluit;
6. verblijf op grond van
dat artikel waarbij aan de vergunning een andere beperking is
verbonden dan hierboven onder 2 en 4 genoemd; en ten slotte
7. verblijf op grond van
artikel 10 van de Vreemdelingenwet. Zoals wij al aangaven, vallen
hieronder 1. zij die erkend zijn als vestigingsgerechtigden in de zin van artikel 14
van de Vreemdelingenwet; 2. zij die erkend zijn als
vluchteling in de zin van artikel 15 van die wet, terwijl zij deswege onbepaald door de
Minister van Justitie zijn toegelaten en 3. zij die gemeenschapsonderdaan
zijn zonder dat zij in strijd handelen met enige beperking van het
verblijfsrecht in de zin van het in te lassen rblz.|26|
onderdeel c in artikel 10 van de wet, terwijl de toelating evenmin is
geweigerd op grond van de
actuele bedreiging van de openbare orde, de nationale veiligheid of
van de volksgezondheid als in dat onderdeel omschreven.
c. Onder de categorie
aangeduid in onderdeel 3 van artikel 1b vallen zij die verblijf houden in
Nederland:
1. in afwachting van de
beslissing op een aanvraag om toelating als vluchteling voor zover de
uitzetting van rechtswege, dan wel bij beslissing van het daartoe bevoegde
bestuursorgaan of ingevolge een rechterlijk besluit achterwege blijft
zolang op die aanvraag nog niet is beslist;
2. in afwachting van de
beslissing op een aanvraag om toelating anders dan om toelating
als vluchteling, voor zover de uitzetting van rechtswege, dan wel bij
beslissing van het daartoe bevoegde bestuursorgaan of ingevolge enig
rechterlijk besluit achterwege blijft zolang op die aanvraag nog niet is
beslist;
3. in afwachting van de
beslissing op een aanvraag om voortgezette toelating, voor zover de
uitzetting van rechtswege, dan wel bij beslissing van het daartoe bevoegde
bestuursorgaan of ingevolge enig rechterlijk besluit achterwege blijft
zolang op die aanvraag nog niet is beslist;
4. in afwachting van de
beslissing op een bezwaar, administratief beroep of beroep op de
administratieve rechter tegen de weigering van de toelating, voor zover de
uitzetting van rechtswege, dan wel bij beslissing van het daartoe bevoegde
bestuursorgaan of ingevolge enig rechterlijk besluit achterwege blijft
zolang op dat bezwaar, administratief beroep of beroep op de
administratieve rechter nog niet is beslist;
5. in afwachting van de
beslissing op een bezwaar, administratief beroep of beroep op de
administratieve rechter tegen de weigering van de voortgezette toelating,
voor zover de uitzetting van rechtswege, dan wel bij beslissing van het
daartoe bevoegde bestuursorgaan of ingevolge enig rechterlijk besluit
achterwege blijft zolang op dat bezwaar, administratief beroep of beroep op de
administratieve rechter nog niet is beslist;
6. in afwachting van de
beslissing op een verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld
in titel 8.3 van de Algemene wet
bestuursrecht betreffende de uitzetting
hangende de beslissing op een aanvraag om toelating, dan wel op een
bezwaar, administratief beroep of beroep op een administratieve rechter
tegen de weigering van de toelating;
7. in afwachting van de
beslissing op een verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld
in titel 8.3 van de Algemene wet
bestuursrecht betreffende de uitzetting hangende de beslissing op een aanvraag om voortgezette toelating,
dan wel op een bezwaar, administratief beroep of beroep op de
administratieve rechter tegen de weigering van de voortgezette toelating.
d. Artikel 1b, onder 2,
omschrijft de doelgroep van de "voorwaardelijk
toegelatenen". Dat zijn
dus de zogenaamde "ontheemden" en "gedoogden" op wie
ingevolge artikel 12a in verbinding met artikel 12b, eerste lid, van de
Vreemdelingenwet door de Minister van Justitie een generieke toets is
toegepast die heeft geleid tot een categorale toelating, omdat "naar het oordeel
van Onze Minister (dus de Minister van Justitie) gedwongen verwijdering
naar het land van herkomst van bijzondere hardheid voor de
vreemdeling zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar". Voor een nadere
toelichting op deze omschrijving van deze groep zie Kamerstukken II 1992-1993,
22 735, nr. 5, blz. 9 en 10, en Kamerstukken II 1992-1993, 22 735, nr. 9,
blz. 10. Deze voorwaardelijk toegelatenen hebben een zwakkere
verblijfsstatus dan degenen die toegelaten zijn op basis van een verblijfsvergunning
in de zin van artikel 9 van de Vreemdelingenwet of zij die een onbepaald
verblijfsrecht genieten wegens hun status van gemeenschapsonderdaan,
vestigingsgerechtigde of erkende vluchteling. Deze groep van
voorwaardelijk toegelatenen wordt apart in artikel 1b omschreven, omdat zij in
beginsel vallen buiten de aanspraakgerechtigden in de zin van artikel 8b.
Hun zwakkere verblijfspositie heeft dus tot gevolg rblz.|27|
dat zij verstoken blijven
van aanspraken op de toekenning van verstrekkingen, voorzieningen,
uitkeringen, ontheffingen en vergunningen, tenzij bij of krachtens het
wettelijk voorschrift waarop de aanspraak is gegrond het tegendeel
uitdrukkelijk is bepaald.
Onder de omschrijving van
artikel 1b, onder 2, vallen degenen die verblijven op grond van
artikel 9a van de Vreemdelingenwet wier toegestane verblijfsduur:
1. minder dan één jaar is;
2. meer dan één jaar doch
minder dan twee jaren bedraagt;
3. meer dan twee jaren
telt.
In dit verband is het van
belang eraan te herinneren dat na ommekomst van drie jaren voortgezet
verblijf op basis van artikel 9a van de Vreemdelingenwet de vreemdeling recht kan
doen gelden op een vergunning in de zin van artikel 9 van de
wet. Hij komt dus in de doelgroep aanspraakgerechtigden terecht in de zin van
artikel 8b, eerste lid, eerste zinsdeel.
e. onder de categorie onder 5 van artikel 1b vallen, zoals reeds aangestipt, zij wier verwijdering
achterwege dient te blijven ingevolge een beschikking van het
daartoe bevoegde overheidsorgaan ingevolge artikel 25 van de
Vreemdelingenwet.
In het voorgestelde
artikel 1b, aanhef en onder 3, wordt uitdrukkelijk gesproken van
vreemdelingen die hier te lande een beslissing op een aanvraag om voortgezette
toelating afwachten "terwijl ingevolge deze wet
(...) uitzetting van de
aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is besloten".
Hier gaat het, gelet op het huidige artikel 79 van het Vreemdelingenbesluit,
om aanvragers die ten minste vier weken vóór het verstrijken van de
toelating een aanvraag hebben ingediend om voortzetting van die
toelating. Ten aanzien van hen vestigt de wet het rechtsvermoeden dat zij
de aanvraag tot voortzetting van de toelating tijdig hebben ingediend.
Uitblijven van een beschikking op de aanvraag mag daarom aan hen niet
worden tegengeworpen.
Voor deze categorie is
daarom ingevolge de wet bepaald dat uitzetting achterwege moet blijven
totdat op de aanvraag is beslist. Voortgezette toelating wil in dit
verband zeggen dat de aanvragers dezelfde grond aanvoeren die reeds
eerder de Minister van Justitie bewoog tot de instemming met het
bestendig verblijf van de vreemdeling hier te lande. In deze betekenis is
steeds in het voorliggend wetsvoorstel de term
"voortgezette
toelating" gebezigd. Onder bepaalde omstandigheden kunnen deze "voortgezettetoelatingaanvragers" aanspraakgerechtigd blijven in de zin van
artikel 8b, eerste lid, eerste volzin, van de Vreemdelingenwet,
namelijk indien het feit
dat tussen de indiening van de aanvraag om verlenging van de toelating en de inwilliging van die aanvraag een
termijn zit waarin de
vreemdeling niet bij of krachtens de Vreemdelingenwet is "toegelaten" tot
Nederland enkel is te wijten aan tardiviteit van de administratie. Zij
beschikte niet tijdig, hoewel op de aanvraag om voortzetting der
toelating niets aan te merken was, niet naar tijdstip van indiening en niet naar
inrichting ervan. In dat geval mag het enkele feit dat de vreemdeling kortstondig titelloos hier te lande verbleef
- te weten
gedurende de
tussenliggende periode dat de eerste verblijfsvergunning was geëxpireerd en de
verlenging nog niet was toegestaan - aan de vreemdeling niet worden
tegengeworpen: hij blijft aanspraakgerechtigd. Voor de uitvoerbaarheid
hiervan is uiteraard noodzakelijk dat deze "voortgezette
verblijvers" zich
als zodanig herkenbaar kunnen maken
middels het VAS.
Onderdeel C
De schriftelijke
verklaring als bedoeld in artikel 8a, tweede lid, heeft een rblz.|28|
zuiver declaratoire
werking. De Minister van Justitie verklaart als centrale autoriteit belast met de
uitvoering van de Vreemdelingenwet dat de vreemdeling behoort tot één
van de categorieën als omschreven in artikel 1b van die wet
onder 3 of
5. De vreemdeling dient om zulk een verklaring te vragen. De afgifte van de
verklaring en de weigering van die afgifte is een beschikking in de zin van
artikel 1a der wet, immers een handeling ter uitvoering van die wet.
Tegen beide beschikkingen staat bezwaar open bij de minister alsmede op grond van artikel 33a der wet beroep op de vreemdelingenkamer. Bij
de aanvraag van de verklaring zal de vreemdeling moeten aangeven dat hij
een dergelijk document behoeft om een aanspraak te kunnen doen
in de zin van het eerste lid van artikel 8b van de Vreemdelingenwet. Hij zal
daarbij moeten specificeren om wat voor aanspraak het gaat.
Daarzonder voldoet de aanvraag niet aan de eisen geformuleerd in artikel
4:2 Awb. De vreemdelingenadministratie zal deswege bevoegd zijn om
op grond van artikel 4:5 Awb
de aanvraag tot verstrekking van de
verklaring niet in behandeling te nemen.
Onder
"wettelijk
voorschrift" in de zin van artikel
8b van de Vreemdelingenwet moet verstaan worden wat
daaronder verstaan moet worden ingevolge artikel 1:5
Awb.
Het voorgestelde artikel
8b stipuleert in de slotzinsnede van het eerste lid dat de exceptie op
het koppelingsprincipe uit de eerste volzin uitdrukkelijk moet zijn bepaald
"bij
of krachtens het wettelijk voorschrift waarop de aanspraak gegrond is". Dat betekent dus dat uit dat voorschrift rechtstreeks moet volgen
dat de wetgever afwijkt van de aanduiding van de kring van
aanspraakgerechtigden uit de eerste volzin respectievelijk een dergelijke afwijking
voor de lagere regelgever wil mogelijk maken. Het wettelijk tegendeel - ten opzichte van het koppelingsbeginsel
- moet uitdrukkelijk worden
bepaald, zo luidt artikel 8b. Niet is derhalve toegelaten dat de wetgever in de
materiewet een redactie volgt waarbij in het algemeen een inbreuk op
dat beginsel wordt toegestaan aan de lagere wetgever, bijvoorbeeld
door een wetsbepaling die begint met de woorden "ln afwijking van
artikel 8b, eerste lid, van de Vreemdelingenwet kan, zo nodig, bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat aan vreemdelingen (een uitkering,
enz., wordt
gedaan)...". De materiewetgever
moet op formeelwettelijk
niveau in ieder geval aangeven dat de lagere regelgever kan
bepalen dat uitkeringen, enz., kunnen worden gedaan aan andere vreemdelingen dan bedoeld in artikel
1b, aanhef en
onder 1. Indien dit
mogelijk is, heeft het uiteraard de voorkeur dat de formele wetgever ook
aangeeft welke categorie uit de bij artikel 1b van de Vreemdelingenwet
opgegeven verzameling van rechtmatig verblijvende vreemdelingen hij
eventueel via (sub)delegatie (mede) wil aanmerken als
aanspraakgerechtigden. Hij moet dan een redactie bezigen dat hij in afwijking van artikel
8b
van de Vreemdelingenwet mede als aanspraakgerechtigd aanmerkt zij die hier te
lande verblijf houden in de zin van artikel 1b, aanhef en onder
2, 3, 4 of 5. Voor deze uitbreiding van de kring van aanspraakgerechtigden
zal hij een rechtvaardiging moeten geven, te ontlenen aan de specifieke aard, strekking of doelstelling van de
voorziening of
verstrekking die hij, in strijd met het beginsel van het geïntegreerd
vreemdelingenbeleid, wil bieden. Wordt niet uitdrukkelijk aangegeven dat de
materiewetgever heeft willen afwijken van artikel 8b der Vreemdelingenwet, dan
moet het ervoor worden gehouden dat hij dat ook niet heeft willen
doen, ook in de gevallen waarin de desbetreffende materiewet oorspronkelijk
een doelgroep kende waarbij geen verblijfspositietoets kon worden aangelegd.
Want in dat geval had die wetgever, gelet op de thans
voorliggende koppelingswetgeving waarbij de desbetreffende sectorale materiewetten
zijn doorgelicht op de doelgroepen, uitdrukkelijk de exceptie
op het koppelingsprincipe moeten voorbehouden op formeelwettelijk
niveau. Het wetsvoorstel houdt dus voor de wetgever
rblz.|29|
een verplichting in om
alle wetgeving waarin ten behoeve van vreemdelingen aanspraken in de zin van
artikel 8b van de Vreemdelingenwet gevestigd worden te
screenen op het koppelingsaspect. Van die verplichting kwijt hij
zich in de artikelen II tot en met XXI van het voorliggende voorstel
[zie
artikelen III tot en met XXII van de
wet, red.] met betrekking
tot de materiewetgeving die, naar op dit moment reeds exact
voorzienbaar is, aanpassing behoeft met het oog op de koppelingsgedachte.
Voor de overige materiewetgeving moet dat ook nog gebeuren. Omdat de voorliggende wet met onmiddellijkheid zal gaan
werken, zouden alle
aanspraken op basis van die overige materiewetgeving alleen kunnen toekomen
aan de vreemdelingen wier verblijf rechtmatig is overeenkomstig artikel
1b, aanhef en onder 1, van de
Vreemdelingenwet. Dat kan
in sommige gevallen onwenselijk zijn.
Daarom vestigen de
overgangsartikelen XXIII [vervallen, red.] en XXIV [vervallen, red.]
voor deze overige materiewetten een eerbiedigingsperiode van twee jaren. Wij verwijzen
naar de artikelsgewijze
toelichting op dit onderdeel gewijd aan het overgangsrecht.
Onderdeel E
In de artikelen II tot en
met IV van het voorliggend voorstel [zie artikelen III tot en met V van de
wet, red.] is bepaald dat "illegalen" die
niet leerplichtig zijn niet als leerlingen tot een uit de openbare kas bekostigde
school mogen worden toegelaten dan wel onmiddellijk van zo’n
school moeten worden verwijderd. Deze bepalingen voeren ook verplichtingen
in voor scholen waarvan het bestuur niet kan gelden als bestuursorgaan
in de zin van de Awb, bijvoorbeeld omdat de school een private
instelling is. Uiteraard hebben de instellingsbesturen, om te kunnen voldoen
aan
hun wettelijke "koppelingsverplichtingen" op basis van artikel
8b van
de Vreemdelingenwet, behoefte aan dezelfde bevoegdheden om
informatie omtrent de verblijfspositie op te vragen betreffende degenen die zich
aanmelden om te worden ingeschreven als onderwijsgerechtigden.
Daarom wordt in onderdeel E voorgesteld om, in het kader van het
algemene informatieartikel 48 van de Vreemdelingenwet, een vijfde lid in te
lassen waarin deze instellingsbesturen in zoverre dezelfde
bevoegdheden krijgen als de bestuursorganen in de zin van de Awb. In artikel V
[zie artikel
VI van de wet, red.]
is bepaald dat inschrijving als student, auditor of extraneus niet openstaat
voor "illegalen". Voor de besturen van instellingen van hoger onderwijs geldt
derhalve hetzelfde als hiervoor is opgemerkt over
schoolbesturen. De voorgestelde toevoeging in artikel 48 van de Vreemdelingenwet
strekt zich derhalve ook uit tot het hoger onderwijs.
Hierbij zij opgemerkt dat
indien de aansluiting tussen het VAS en de GBA tot stand is
gebracht, de informatie-uitwisseling over de verblijfspositie primair via de GBA zal
plaatsvinden. Daarbij ligt het in de rede dat onderwijsinstellingen aan
hun verplichting tot controle van de verblijfspositie in eerste instantie
voldoen door bij de inschrijving van een (niet-leerplichtige)
vreemdeling het document over te laten leggen waarover een vreemdeling
ingevolge artikel 1 van de Wet
op de identificatieplicht moet
beschikken ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en
verblijfsrechtelijke positie. Mocht er twijfel bestaan over de juiste verblijfsrechtelijke status, dan kunnen de gegevens van betrokkene
in de gemeentelijke
basisadministratie worden opgevraagd. lnstellingsbesturen en bevoegde gezagsorganen
van bijzondere instellingen van onderwijs zijn derden in
de zin van artikel 1 van de Wet
GBA. Op grond van artikel 98 van die
wet wordt aan een derde op schriftelijk verzoek een gewaarmerkt afschrift
verstrekt van de algemene en verwijsgegevens die noodzakelijk zijn in
verband met de uitvoering van een algemeen verbindend voorschrift.
Artikel 98 van de Wet
GBA biedt derhalve een grondslag voor
gegevensverstrekking ten behoeve van bijzondere onderwijsinstellingen in
verband met de uitvoering van de voorschriften rblz.|30|
opgenomen in de thans
voorliggende koppelingswetgeving. Daarnaast zijn er ook voorzieningen
mogelijk voor systematische gegevensverstrekking aan derden. Artikel 99,
derde lid, van de Wet
GBA biedt de mogelijkheid om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur een
regeling te treffen
omtrent de systematische verstrekking van gegevens aan onder andere
instellingen en voorzieningen voor onderwijs. In deze maatregel kunnen die
instellingen en voorzieningen als zogenoemde bijzondere derde worden
aangewezen. Op dit moment wordt onderzocht hoe op een doelmatige
wijze kan worden voorzien in de behoefte van onderwijsinstellingen aan gegevens uit de GBA en in hoeverre er behoefte
bestaat aan systematische gegevensverstrekking. Indien dit onderzoek daartoe aanleiding geeft,
zal ten aanzien van instellingen van bijzonder onderwijs worden voorzien
in een regeling krachtens artikel 99, derde lid, van de Wet
GBA.
Artikelen II tot en met V
[zie artt.
III-VI van de wet, red.]
Zoals hiervoor reeds is
gesteld, vormen de voorgestelde wijzigingen van de lnterimwet op het
speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, de Wet
op het voortgezet onderwijs, de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs en de
Wet
op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek het verlengstuk
van het in artikel 8b, tweede lid, van de Vreemdelingenwet gegeven
uitgangspunt. Uit dat artikellid volgt dat de toegang tot het onderwijs
noch ontzegd, noch onthouden kan worden aan leerplichtige in
Nederland verblijvende vreemdelingen, ongeacht hun status. Deze opstelling
van het kabinet vloeit voort uit de verplichtingen die ons land ten aanzien
van het recht op onderwijs op zich heeft genomen. Met name in het
Eerste Protocol behorende bij het Europees verdrag tot bescherming
van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is het
universele karakter van het recht op onderwijs verankerd. Artikel 2, eerste volzin, van dat
protocol zegt immers: "No
person shall denied the
right to education". Niemand mag het recht op onderwijs worden ontzegd.
Ten aanzien van de toegang van niet-leerplichtige
vreemdelingen is het, in lijn met de internationale verplichtingen, mogelijk
dat in de nationale onderwijswetgeving beperkingen ten aanzien van het recht
op onderwijs worden aangebracht, mits deze maatregelen
objectief en rechtvaardig zijn en daarenboven zijn ingebed in een groter
geheel van soortgelijke maatregelen. Het kabinet acht het juist om voor
wat betreft de toegang tot het onderwijs voorzichtig en zorgvuldig om te gaan
met die mogelijkheid om daadwerkelijk beperkingen te stellen.
In dat verband zullen deze beperkingen zich uitstrekken tot de
categorie van echte "illegalen",
dat wil zeggen de niet-toegelaten vreemdelingen, die niet
leerplichtig zijn. Deze "illegalen" worden uitgesloten van de
toegang tot de onderwijsvoorzieningen. Voor de overige categorieën
niet-leerplichtige vreemdelingen mag aan hen wel toegang tot het onderwijs
worden gegeven, mits zij voldoen aan de andere bij of krachtens
de wet gestelde toelatingscriteria. Daarbij geldt onverkort het
uitgangspunt dat de vreemdeling aan zijn toelating tot het onderwijs niet het recht
kan ontlenen in ons land te mogen verblijven.
De Onderwijsraad beperkt
zich in zijn advies van 14 juli 1994, OR 94 000 395/alg., tot het
maken van kanttekeningen van voornamelijk juridische aard, die
rechtstreeks raken aan onderwijsrechtelijke kwesties.
De Onderwijsraad acht het
juist dat op grond van internationale verplichtingen de toegang
tot het basisonderwijs en de eerste fase van het voortgezet onderwijs niet
wordt afgesneden voor leerplichtige vreemdelingen die geen rechtmatig
verblijf hebben. De Raad vraagt zich echter af of de uitsluiting van illegale vreemdelingen van de toegang tot het
rblz.|31|
secundair onderwijs en
het middelbaar beroepsonderwijs zich verdraagt met enkele
verdragsbepalingen.
Artikel 2 van het Eerste
Protocol bij het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens
en de fundamentele vrijheden bevat
het recht op onderwijs. Dit artikel biedt geen ongeclausuleerd recht op
onderwijs. Ook verschaft het niet het recht tot elke onderwijsinstelling
te worden toegelaten en zolang onderwijs te volgen als men maar wil.
Dit recht op onderwijs vraagt naar zijn aard om regulering door de Staat,
maar deze mag echter nimmer het wezen van het recht op onderwijs
aantasten, zo valt uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de
Rechten van de Mens af te leiden.
Deels los daarvan staat
de vraag of een vreemdeling aan zijn recht op onderwijs het recht kan
ontlenen in een land te mogen verblijven. Die vraag beantwoordt het
Europees Hof voor de Rechten van de Mens ontkennend; de
verblijfskwestie gaat vooraf aan de mogelijke uitoefening van het onderwijsrecht.
Het door de Onderwijsraad
genoemde artikel 13, tweede lid, onderdeel b, van het lnternationale
verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten legt aan de
overheid een zorgplicht op, maar aan dit artikel kan niet onverkort een recht
op toegang tot het onderwijs ontleend worden.
Door de toegang tot het
onderwijs enkel wettelijk uit te sluiten voor die categorie van
niet-leerplichtige vreemdelingen die daadwerkelijk gekenschetst moeten
worden als illegalen én deze maatregel in te bedden in een groter
geheel van soortgelijke ontmoedigingsmaatregelen, voldoet het kabinet aan
bovengenoemde verdragsrechtelijke verplichtingen. Vluchtelingen (erkende of
in procedure zijnde) in de zin van artikel 22 van het
Vluchtelingenverdrag vallen niet onder de voorziene maatregel.
Niet ingezien kan dan ook
worden dat de voorgestelde wetsbepalingen op gespannen voet zouden
kunnen staan met de hierboven genoemde relevante internationale
verplichtingen.
De Onderwijsraad meent
een discrepantie te bespeuren tussen de behandeling van personen
met een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (VVTV-ers) en
van personen die een vluchtelingenstatus hebben bij de toekenning van het
recht op studietoelage.
VVTV-ers hebben een
bijzondere status doordat aan hen in beginsel slechts tijdelijk
verblijf wordt toegestaan zolang de situatie in het land van herkomst dat vereist. Na
verloop van drie jaar zal aan VVTV-ers veelal bestendig verblijf in ons
land moeten worden toegestaan. Op dat moment vallen deze vreemdelingen
onder het regime van artikel 9 of 10 van de Vreemdelingenwet en
kunnen zij ook in aanmerking komen voor studiefinanciering.
De Onderwijsraad merkt op
dat in de meeste onderwijswetten het recht op toegang tot het
onderwijs voor niet-leerplichtigen niet geredigeerd is als een uitdrukkelijk
positief geformuleerde aanspraak van de vreemdeling, "maar in de vorm van een
uitzondering op een uitsluiting".
Essentie van artikel
8b
van de Vreemdelingenwet is dat uit een wetsbepaling
uitdrukkelijk blijkt dat afgeweken wordt van het normale regime van aanspraken ten
behoeve van vreemdelingen. Voor de toegang tot het onderwijs kiest
het kabinet voor een ruime opzet. Daarbij is bij de formulering in de
onderwijswetten uitgegaan van de systematiek van deze materiewetten. De
onderwijswetten richten zich niet primair op de onderwijsontvangenden,
maar regelen vooral de relatie overheid en bevoegd gezag ten aanzien
van de bekostiging van dat onderwijs. De artikelen over de
uitsluiting van niet-leerplichtige illegale vreemdelingen rblz.|32|
zijn dan ook als een
regel voor openbaar onderwijs en als bekostigingsvoorwaarde geformuleerd. In dat
verband is het van belang dat een bevoegd gezag van een
school de vraag over de status van de niet-leerplichtige
vreemdeling vooraf laat gaan aan de vraag of een persoon daadwerkelijk
toegelaten zal worden. Met name de vrijheid van het bijzonder onderwijs
ten aanzien van de toelating wordt op deze wijze ten volle gerespecteerd.
De Onderwijsraad gaat in
zijn opmerking over de procederenden uit van de huidige situatie,
waarbij op grond van in de Vreemdelingencirculaire neergelegd beleid
vreemdelingen nog niet uitgezet kunnen worden. Het is de bedoeling van dit
wetsvoorstel dat ook deze categorie vreemdelingen onder het rechtstreeks
bereik van de wet wordt gebracht. De opgetreden verwarring wordt mogelijk
veroorzaakt door het feit dat de opsomming in de memorie van
toelichting uitgaat van de huidige verblijfsposities en waarvoor het wetsvoorstel
aanpassingen van de Vreemdelingenwet bevat.
De Onderwijsraad vindt
dat het wetsvoorstel onvoldoende concreet maakt hoe de
onderwijsinstellingen aan hun verplichting tot controle van de status van een
vreemdeling dienen te voldoen.
Op grond van artikel 1
van de Wet
op de identificatieplicht juncto artikel 19, eerste lid, van de
Vreemdelingenwet moet de vreemdeling beschikken over een document waaruit
zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie blijkt. Het ligt
voor de hand dat een bevoegd gezag van een school bij de inschrijving van een (niet-leerplichtige) persoon naar dit
document vraagt en de
gegevens verifieert. Mocht er bij deze verificatie twijfel rijzen over de
exacte status, dan kan het bevoegd gezag op basis van artikel 48 van de
Vreemdelingenwet de gegevens natrekken bij de vreemdelingendienst of,
zodra de bestandenkoppeling tussen het VAS en de GBA gemaakt is, bij de
gemeente waar betrokkene zegt te zijn ingeschreven als ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens.
Dit kan op vrij
eenvoudige wijze gebeuren. Wordt een vreemdeling toegelaten tot de school
of instelling, dan kan de school in zijn administratie gegevens over de
verblijfsrechtelijke status van betrokkene bijhouden. Voorstelbaar
is dat een school periodiek nagaat of de toegelaten vreemdelingen
nog voldoen aan de door de wet gestelde voorwaarden. Ook denkbaar
is dat in de administratie aantekening gehouden wordt van tijdstippen waarop ten aanzien van een vreemdeling een controle uitgevoerd
moet worden, bijvoorbeeld op het moment dat hij niet-leerplichtig wordt,
bij het begin van het schooljaar of op het moment dat de
verblijfsvergunning verloopt. Daar het in het algemeen om een gering aantal
vreemdelingen per school gaat, betekent zo’n exercitie slechts een geringe
belasting voor de administratie van de betrokken school.
Gerealiseerd wordt dat
door het opnemen van deze wetsbepalingen er in een zeer beperkt
aantal gevallen, waarbij niet-leerplichtigen die niet meer aan de wettelijke
vereisten voldoen, verwijderd moeten worden, een verwijdering door de
leerling en de school als pijnlijk ervaren wordt. Ook in dit geval moet echter
het individuele belang het afleggen tegen het algemene belang, dat met
deze wetswijziging wordt gediend: het geheel ontmoedigen van het
verblijf van illegale vreemdelingen in Nederland. Daarbij moet in
ogenschouw worden genomen dat de uitsluiting tot het onderwijs zich enkel
richt op echte illegalen, die niet-leerplichtig zijn, en dat iedere vreemdeling,
die één van de in de Vreemdelingenwet genoemde verblijfstitels
heeft, de mogelijkheid heeft in ons land onderwijs te ontvangen.
rblz.|33|
Het wordt verder aan het
beleid van de scholen overgelaten om te bepalen op welke wijze
zij gestalte geven aan de hun opgelegde verplichting. Door op
deze wijze om te gaan met deze bekostigingsregel zijn er geen of
nauwelijks kosten verbonden aan de uitvoering van deze wettelijke verplichting.
In dat verband kan men de opgelegde verplichting van een bevoegd gezag
niet zien in het verlengde van de taak van de politie als wetshandhaver.
Er wordt bij
dit
wetsvoorstel van uitgegaan dat de scholen geen niet-leerplichtige
leerlingen inschrijven die niet rechtmatig in ons land verblijven, ook niet als
deze niet worden meegeteld bij de bekostiging. Deze maatregelen in de
onderwijswetgeving zijn immers ingebed in het grotere geheel van
maatregelen, die alle ten doel hebben het ontmoedigingsbeleid ten
aanzien van illegaal in Nederland verblijvende vreemdelingen te
effectueren.
Mocht toch nog
geconstateerd worden dat een school illegale niet-leerplichtige
vreemdelingen toelaat of niet verwijdert, dan heeft de minister de bevoegdheid
in dat geval over te gaan tot gehele of gedeeltelijke inhouding van de
vergoeding (zoals bedoeld in bijvoorbeeld artikel 104 WVO [Wet
op het voortgezet onderwijs, red.]). Daarbij spreekt
het vanzelf dat er bij de beoordeling van het geval rekening gehouden
wordt met de gegeven, specifieke omstandigheden. Aan andere
sanctiemogelijkheden, waar de Onderwijsraad in zijn advies naar informeert,
wordt voorshands niet gedacht.
De Onderwijsraad is van
mening dat de wijze waarop het wetsvoorstel gestalte geeft aan de
regeling, door niet-leerplichtige asielzoekers in procedure de mogelijkheid
van toegang tot onderwijsvoorzieningen onder bepaalde omstandigheden
te bieden, een positieve invloed zal kunnen hebben op de vaak
moeilijke persoonlijke omstandigheden van de procederende
vreemdelingen. De Onderwijsraad stelt daarbij wel de vraag op welke wijze aan het
onderwijs materieel en financieel de ruimte wordt geboden om deze vreemdelingen aan het onderwijs te laten deelnemen.
Het huidige beleid
voorziet op voldoende wijze, bijvoorbeeld door de gewichtenregeling in het
primair onderwijs, de Cumi-regeling in het voortgezet onderwijs en
basiseducatie, in de ruimte om deze categorie vreemdelingen aan het
onderwijs te laten deelnemen.
De aandacht wordt nog wel
op het volgende gevestigd.
De Wet
op de studiefinanciering (WSF) kent een nationaliteitsvereiste. In artikel 7 van
die wet is
bepaald dat alleen voor studiefinanciering in aanmerking komen
studerenden die Nederlander zijn, studerenden die op grond van EEG-recht of
internationaal recht op het terrein van studiefinanciering met Nederlanders zijn
gelijkgesteld en andere studerenden die behoren tot een groep
die bij of krachtens algemene maatregel van bestuur is aangewezen.
In artikel 3 van het
Besluit studiefinanciering is die laatste groep aangewezen; zij is
beperkt tot degenen aan wie het op grond van artikel 10 van de Vreemdelingenwet
is toegestaan voor onbepaalde tijd in Nederland te verblijven
en een deel van degenen aan wie het op grond van artikel 9 van de
Vreemdelingenwet is toegestaan in Nederland te verblijven. Dit betekent
dat het Besluit studiefinanciering geen aanspraak op studiefinanciering
geeft aan vreemdelingen die niet vallen onder de aanhef en onder 1 van
het voorgestelde artikel 1b Vreemdelingenwet. Derhalve voldoen de
WSF en het Besluit studiefinanciering nu al aan het voorgestelde artikel 8b
van de Vreemdelingenwet. Nu niet wordt voorgesteld in artikel 7 WSF
te bepalen dat de daar bedoelde algemene rblz.|34|
maatregel van bestuur kan
afwijken van genoemd artikel 8b, zal ook in de toekomst artikel 3 van
het besluit blijven voldoen aan dat artikel 8b.
Artikel Vl
[zie art.
VII van de wet, red.]
Algemeen
De Wet individuele
huursubsidie (Wet IHS) heeft tot doel de woonlasten van huurders tot een voor
hen betaalbaar niveau terug te dringen. Iedereen die aan de
wettelijke voorwaarden voldoet, komt in aanmerking voor subsidie. De
afgelopen jaren is op verschillende manieren de doelmatigheid van het instrument
IHS verhoogd en zijn maatregelen
getroffen om misbruik en
oneigenlijk gebruik van de regeling verder tegen te gaan.¹ De thans
voorgestelde koppeling van de verblijfspositie van de aanvrager van IHS aan
het
recht op subsidie strekt ertoe geheel uit te sluiten dat illegale
vreemdelingen en vreemdelingen die slechts gedurende korte tijd in
Nederland verblijven voor IHS in aanmerking komen.
1. Wet van 24 juni 1992
tot wijziging van de Wet individuele
huursubsidie ter beperking en herschikking van de
uitgaven voor individuele huursubsidie (Stb.
1992, 316) en
de Wet van 9 juni 1994 tot wijziging van de
Wet individuele huursubsidie (Stb. 1994, 439).
Illegalen die tot aan de
inwerkingtreding van dit voorstel van wet reeds een beroep zouden doen op
IHS komen in veel gevallen ook nu al niet in aanmerking voor een
bijdrage, gelet op de wettelijke subsidievoorwaarden (onder meer het wonen in een
zelfstandige woning in de hoedanigheid van huurder). De belangrijkste "belemmering" in dit verband is
op dit moment gelegen in
het kader van de controle op de bewoningssituatie. Met ingang van 1 juli
1994 is in de Wet IHS (artikel 3a, eerste lid) de verplichting opgenomen
tot inschrijving in de bevolkingsadministratie. Sinds de inwerkingtreding
op 1 oktober 1994 van de Wet
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens is dat de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens
(GBA).
Het is aannemelijk dat illegalen zich niet snel zullen
melden voor inschrijving in de GBA, omdat daardoor de pakkans en het risico
van verwijdering door de vreemdelingendienst groter worden; de
computersystemen van de basisadministratie en de vreemdelingendienst
worden immers aan elkaar gekoppeld. Zoals hierna zal worden toegelicht,
wordt echter voorgesteld om ook bepaalde categorieën legaal in
Nederland verblijvende vreemdelingen uit te sluiten van IHS. Het feit dat het
vereiste van inschrijving in de GBA voor die categorieën niet
belemmerend werkt, maakt wijziging van de Wet IHS hoe dan ook noodzakelijk.
Voorgesteld wordt om
verlening van IHS uitsluitend mogelijk te maken aan de volgende
categorieën vreemdelingen die in Nederland rechtmatig verblijf houden als
bedoeld in het voorgestelde artikel 1b van de Vreemdelingenwet:
1. onvoorwaardelijk
toegelatenen en vrij circulerende gemeenschapsonderdanen (artikel 1b, onder
1);
2. vreemdelingen in
afwachting van de beslissing op een aanvraag om toelating in aansluiting
op een zodanig verblijf, mits zij:
a. hun aanvraag hebben
ingediend ten minste vier weken vóór het verstrijken van de
toelating; en
b. reeds IHS ontvingen vóór het subsidietijdvak ¹ waarin zij voor het laatst toegelaten waren
(een deel van de categorie, bedoeld in artikel 1b, onder 3).
1. Een subsidietijdvak
loopt telkens van 1 juli tot 1 juli.
Wat de onder 1 genoemde
categorie vreemdelingen betreft, wordt aangesloten bij de
hoofdregel ten aanzien van de koppeling, zoals verwoord in het
voorgestelde artikel 8b, eerste lid, van de Vreemdelingenwet. In afwijking van de
hoofdregel wordt echter voorgesteld om de verlening van IHS
ook
mogelijk te maken aan de onder 2 genoemde vreemdelingen. Zij hebben
tijdig een aanvraag ingediend om toelating in rblz.|35|
aansluiting op een
eerdere toelating, op welke aanvraag niet tijdig (dat wil zeggen vóór het
verstrijken van de toelating) is beslist, terwijl zij al IHS ontvingen vóór het
subsidietijdvak waarin zij voor het laatst toegelaten waren. Dit zal meestal
het tijdvak zijn waarin de toelating is verstreken. Artikel 79 van het Vreemdelingenbesluit bepaalt, zoals reeds hierboven is
aangegeven (paragraaf 6, artikel I, onderdeel B, laatste twee alinea's
[lees: toelichting op artikel l, onderdeel B,
laatste twee alinea’s, red.]), dat een
vreemdeling die ten
minste vier weken vóór het verstrijken van de toelating een aanvraag heeft ingediend om voortgezette
toelating niet
wordt uitgezet zolang op
die aanvraag nog niet is beslist. Wanneer een dergelijke vreemdeling op
het moment van het verstrijken van de toelating reeds
rechtmatig IHS ontving - dat wil zeggen, hij voldoet aan alle voorwaarden die de
Wet IHS stelt - ligt het niet in de rede om hem geen recht op IHS te
geven voor de periode waarin hij, na het verstrijken van de toelating, in
afwachting is van de beslissing op zijn aanvraag om voortgezette toelating.
Hem kan immers niet het verwijt gemaakt worden dat hij "de aansluiting
gemist heeft" (op de voortzetting van de toelating) omdat hij zijn aanvraag
om voortgezette toelating te laat ingediend zou hebben. Het te laat
indienen van de aanvraag om voortgezette toelating betekent bovendien dat de
betrokkene onrechtmatig in Nederland verblijft. ls de aanvraag
tijdig ingediend, dan verblijft hij ook na het verstrijken van de
eerdere toelating rechtmatig in Nederland, waar hij een woning huurt, waarvoor
hij tot dan toe IHS ontving. Overigens wordt voorgesteld om wat dit
betreft voor IHS geen onderscheid te maken tussen de vreemdeling die
een vervolgtoelating heeft aangevraagd op dezelfde grond ("voortgezette
toelating") en de vreemdeling die een
vervolgtoelating heeft
aangevraagd op een andere grond. Beide categorieën
vreemdelingen kunnen dus in aanmerking komen voor IHS.
Volgens
dit wetsvoorstel
komen de volgende vreemdelingen niet voor IHS
in aanmerking:
1. Vreemdelingen die niet
rechtmatig in Nederland verblijven. Evenals de in paragraaf
1.3 van deze
memorie van toelichting genoemde Commissie binnenlands
vreemdelingentoezicht (commissie-Zeevalking) is de regering van mening dat een
vreemdeling die illegaal in Nederland verblijft en dus gehouden is Nederland te
verlaten, geen aanspraak moet kunnen maken op IHS. Hieraan liggen de
twee algemene doeleinden van het koppelingsbeginsel ten grondslag die reeds
in paragraaf 1.1 van deze memorie van toelichting zijn genoemd:
- voorkomen moet worden
dat verstrekkingen en vergunningen van overheidswege illegale
vreemdelingen feitelijk in staat stellen om hier te lande te verblijven;
- voorkomen moet worden
dat illegalen een schijn van legaliteit kunnen verwerven.
2.
Voorwaardelijk
toegelaten vreemdelingen (dit is de categorie, genoemd in het
voorgestelde artikel 1b, onder 2, van de Vreemdelingenwet; zie ook
paragraaf 2.3 van deze
memorie van toelichting). Deze vreemdelingen komen reeds thans niet voor
IHS in aanmerking. Voor hen geldt immers, zoals aangegeven
in paragraaf 2.1 van deze memorie van toelichting, de
Regeling opvang
asielzoekers (ROA) en het hierop gebaseerde financiële regime, hetgeen
impliceert dat de vreemdeling niet zelf de kosten gemoeid met de
huisvesting draagt. In de Wet gemeentelijke zorg voor houders van een
voorwaardelijke vergunning tot verblijf, die op 1 juli 1995 volledig in werking
getreden zal zijn, is voorzien in een zorgplicht van de
gemeente tot voorziening
in het levensonderhoud van de vergunninghouder die veel gelijkenis
vertoont met de huidige ROA-voorziening (de ROA-voorziening zal dan
vervallen). De zorg zal naast huisvesting ook een vergoeding omvatten voor
persoonlijke uitgaven, verzekering tegen ziektekosten, financiële gevolgen van wettelijke aansprakelijkheid en
rblz.|36|
buitengewone kosten. Wat
de huisvesting betreft, krijgen gemeenten de keuzemogelijkheid, anders
dan nu het geval is bij de ROA, om de voorwaardelijk toegelaten
vreemdeling huisvesting in natura aan te bieden, dan wel aan hem
een bedrag ter beschikking te stellen bovenop de vergoeding van de
hierboven genoemde kosten. De gemeente is verplicht tot vergoeding
van de naar het oordeel van burgemeester en wethouders noodzakelijke
kosten verbonden aan woonruimte, met inbegrip van stoffering
en meubilering, verwarming, energie en water, dan wel tot verstrekking
in natura daarvan (artikel 12 van de Wet gemeentelijke zorg voor houders van een
voorwaardelijke vergunning tot verblijf). Om de
gemeenten daartoe in staat te stellen, voorziet de wet in de toekenning door het
Rijk aan de gemeenten van vaste bedragen per vergunninghouder. Deze
bedragen moeten voldoende worden geacht om de totale voor de gemeenten uit de zorgplicht voortvloeiende kosten te
dekken. Derhalve
ontbreekt de noodzaak om de bedragen via de Wet IHS aan te vullen. In de
memorie van toelichting bij de wet is er dan ook reeds impliciet van uitgegaan
dat geen nader beroep op de openbare kas kan worden gedaan, blijkens
de opmerking dat het voor de financiële verhouding tussen Rijk en
gemeenten niet uitmaakt "of de huisvesting in natura wordt verstrekt,
dan wel daarvoor een financiële vergoeding aan de vergunninghouder wordt
verleend" (Kamerstukken
II 1994-1995, 23 966, nr. 3, blz. 8).
3. Vreemdelingen die een
eerste aanvraag om toelating hebben ingediend, in afwachting
van de beslissing op hun aanvraag (dit is een deel van de categorie,
genoemd in het voorgestelde artikel 1b, onder 3, van de Vreemdelingenwet;
zie ook paragraaf 2.4, eerste alinea, van deze memorie van toelichting). Deze
categorie vreemdelingen komt waarschijnlijk ook nu al slechts zelden voor
IHS in aanmerking, onder meer vanwege de sinds 1 oktober 1994 geldende
voorwaarde van inschrijving in de GBA. Uit artikel 26, eerste lid, van de
Wet
GBA volgt namelijk dat iemand pas wordt ingeschreven als hij naar
redelijke verwachting gedurende een halfjaar in Nederland verblijf zal
houden. Daarvan zal in het algemeen geen sprake kunnen zijn bij een vreemdeling die de beslissing afwacht op zijn eerste
aanvraag om toelating.
Het zal overigens ook niet zo vaak voorkomen dat een dergelijke
vreemdeling huurder is van een zelfstandige woonruimte, hetgeen immers een andere
voorwaarde is om voor IHS in aanmerking te komen.
Op een deel van deze
categorie vreemdelingen, de asielzoekers, is thans de ROA van toepassing.
Zij dienen derhalve te worden uitgesloten van IHS
om dezelfde redenen
als gelden voor houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf
(zie hierboven onder 2).
Overige vreemdelingen van
deze categorie dienen geen aanspraak te kunnen maken op IHS,
omdat voor hen (anders dan voor asielzoekers) de algemene voorwaarde uit
het vreemdelingenrecht geldt dat een vreemdeling die in Nederland wil
verblijven in beginsel dient te beschikken over voldoende middelen van bestaan. Dit
"bestaansmiddelenvereiste" moet worden verstaan in de zin
van artikel 8 van de Vreemdelingenwet. De vreemdeling moet dus
beschikken over voldoende middelen voor zijn verblijfskosten en zijn
in- en uitreis; die kosten mogen nimmer ten laste kunnen komen van de
publieke kas. Het niet voldoen aan het bestaansmiddelenvereiste
is dan ook een aan het algemeen belang ontleende grond, als omschreven in artikel 11, vijfde lid, van de Vreemdelingenwet,
voor de weigering van een
onbepaald verblijfsrecht en van de verlenging daarvan. Het
bestaansmiddelenvereiste varieert naar specifieke toelatingsgrond. Wij
verwijzen naar de uitwerking in paragraaf A4.4.2 en paragraaf 81 tot en met 811 van de
Vreemdelingencirculaire zoals herzien in oktober 1994 (aanvulling 12). In
het algemeen geldt dat slechts aan het rblz.|37|
bestaansmiddelenvereiste
is voldaan indien de vreemdeling kan aantonen dat hij beschikt over een netto-inkomen dat
ten minste gelijk is aan het
bestaansminimum in de zin
van de Algemene bijstandswet.
4. Vreemdelingen op
vakantie- of familiebezoek, op doorreis, etc., binnen de "vrije
termijn" van artikel 8, eerste lid, van de Vreemdelingenwet (dit is de categorie,
genoemd in het voorgestelde artikel 1b, onder 4, van de
Vreemdelingenwet; zie ook paragraaf 2.4, tweede alinea, van deze memorie van toelichting).
Het behoeft geen betoog dat ook deze categorie vreemdelingen niet voor IHS
in aanmerking dient te komen, voor zover dat onder de op dit
moment al geldende voorwaarden al mogelijk zou zijn. Alle vreemdelingen van
deze categorie moeten krachtens de Vreemdelingenwet beschikken over voldoende
middelen van bestaan en inschrijving in de GBA moet, gelet op
het hierboven onder 3 al genoemde artikel 26, eerste lid, van de Wet
GBA, uitgesloten worden geacht.
5. Vreemdelingen ten
aanzien van wie de Minister van Justitie van oordeel
is dat de
uitzetting met het oog op zijn gezondheidstoestand of die van één zijner
gezinsleden niet verantwoord is te achten (artikel 25 van de Vreemdelingenwet; dit
is de categorie, genoemd in het voorgestelde artikel 1b, onder 5, van
de Vreemdelingenwet; zie ook paragraaf 2.4, tweede alinea, van deze memorie van
toelichting). Dit zijn vreemdelingen die hun verblijfsrecht
uitsluitend ontlenen aan het uit een beschikking blijkende oordeel van de Minister
van Justitie. Die beschikking heeft dus slechts een tijdelijke onderbreking
tot gevolg van de onrechtmatigheid van hun verblijf. Gedurende hun
onrechtmatige eerdere verblijf konden zij (althans zo zal de situatie zijn
na inwerkingtreding van deze wet) geen aanspraak meer maken op IHS
of op
andere financiële verstrekkingen van overheidswege
(bijvoorbeeld bijstand). Niettemin waren zij kennelijk in staat om hier te
verblijven. Gezien dat feit is het onwenselijk om voor hen voor de tijdelijke
periode waarin hun verblijf rechtmatig is een recht op IHS in het leven te
roepen.
Het ligt niet in de
bedoeling om een vreemdeling die op het tijdstip van inwerking treden van
artikel Vl van deze wet [zie
artikel VII van de wet,
red.] recht heeft op IHS dat recht te laten verliezen
indien de Minister van Justitie te zijnen aanzien de hier bedoelde beschikking
heeft afgegeven. In die situatie is continuering van de IHS-verlening op zijn
plaats naar analogie van de voorgestelde regeling voor vreemdelingen die in
afwachting zijn van de beslissing op hun aanvraag om toelating, in
aansluiting op hun eerdere toelating (zie hierboven). Dit zijn de vreemdelingen, bedoeld in het voorgestelde artikel
1, eerste lid, en
onderdeel b, onder 2e, sub b, [artikel 1, eerste lid, onderdeel b,
onder 2º, onder b, red.] van de Wet IHS. In artikel XXIbis
[zie
artikel XXIII van de
wet, red.] wordt hierin
voorzien.
Artikel Vl, onder 1 [zie art.
VII, onder 1, van de wet, red.]
Artikel 2 van de Wet IHS
bepaalt dat aan de huurder een bijdrage uit ’s Rijks kas wordt verstrekt
ter tegemoetkoming in de kosten verbonden aan het genot van de woning.
De hierboven besproken uitsluiting van bepaalde categorieën
vreemdelingen kan derhalve gestalte krijgen door een andere omschrijving
van het begrip "huurder" in artikel 1, eerste lid, onderdeel
b, van de Wet IHS.
De voorgestelde wijziging van dat begrip heeft tot gevolg dat een
aanvraag om IHS ingediend door een vreemdeling die niet valt onder de omschrijving in artikel 1, eerste lid, onderdeel
b, onder 2º, afgewezen dient te
worden. De
gemeente is ingevolge artikel 27 van de Wet IHS verplicht om voor
elke subsidieaanvraag de bewoningsgegevens te controleren in de GBA.
Wanneer de GBA en het Vreemdelingenadministratiesysteem (VAS) elektronisch
gekoppeld zijn, kan de verblijfsstatus van de betrokkene daarbij
op eenvoudige wijze door de gemeente gecontroleerd worden.
rblz.|38|
Artikel Vl, onder 2
[zie art. VII, onder 2, van de
wet, red.]
Ingevolge het huidige
artikel 1, zesde lid, onderdeel c, van de Wet IHS dient een bewoner van een
woonwagen, voordat hij als "huurder" aangemerkt wordt, ten minste
één
jaar ingezetene van Nederland te zijn en naar het oordeel van de Minister
van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer blijk
gegeven te hebben van de bedoeling om zich in Nederland te vestigen.
Aangezien nu wordt voorgesteld om in de wet de verblijfspositie van
vreemdelingen als algemeen criterium op te nemen voor de vraag of iemand
"huurder" is, vervalt de noodzaak van een aparte bepaling ter zake voor
woonwagenbewoners.
Artikel VII
[zie art.
VIII van de wet, red.]
Algemeen
De
Huisvestingswet bevat
voorschriften die beogen een evenwichtige en rechtvaardige
verdeling van schaarse woonruimte te bevorderen. Daarvoor biedt de wet de
gemeenten onder andere het instrument van de huisvestingsvergunning.
De systematiek van de wet komt op het volgende neer.
De gemeenteraad kan
beslissen dat voor het in gebruik nemen van bepaalde woonruimte een huisvestingsvergunning nodig is. In dat geval
wijst de gemeenteraad - binnen de in de wet gestelde prijsgrenzen - in de
huisvestingsverordening de categorieën woonruimten aan waarvoor het vergunningvereiste
geldt. In de huisvestingsverordening moeten verder de categorieën
woningzoekenden worden aangewezen die met het oog op een evenwichtige
en rechtvaardige verdeling van woonruimte voor het verkrijgen van een huisvestingsvergunning in aanmerking
komen.
De
Huisvestingswet voorziet verder in artikel 4 in de mogelijkheid dat gemeenten met de sociale
en particuliere verhuurders een samenwerkingsovereenkomst
(convenant) aangaan over de verdeling van woonruimte. Een
publiekrechtelijke vergunningplicht voor het in gebruik nemen van door deze
verhuurders beheerde woningen kan daarmee achterwege blijven.
Onrechtmatig in Nederland
verblijvende vreemdelingen zijn tot nu toe in de Huisvestingswet
niet bij voorbaat uitgesloten van de verkrijging van een
huisvestingsvergunning. Ook in de situatie dat een
gemeente ervoor kiest om de
woonruimteverdeling niet publiekrechtelijk via het huisvestingsvergunningstelsel
in een huisvestingsverordening te regelen, maar door middel van een
convenant, zijn illegale vreemdelingen niet bij voorbaat uitgesloten van
toewijzing van een woning door een verhuurder met wie de gemeente
bedoeld convenant heeft gesloten. Met name voor deze laatste situatie
moet echter gewezen worden op artikel 197a van het Wetboek
van Strafrecht,
welk artikel strafbaar stelt (voor zover hier van belang) degene die een
ander uit winstbejag behulpzaam is bij het verblijven in Nederland
of hem daartoe uit winstbejag gelegenheid, middelen of inlichtingen
verschaft, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat
dat verblijf wederrechtelijk is. Ingevolge dit artikel, dat op 31
december 1993 in werking getreden is (Stb. 1993, 709), is ook hij strafbaar die een
woning verhuurt aan een illegale vreemdeling, uiteraard mits voldaan is
aan het opzet- of culpavereiste. Dit geldt zowel voor de toegelaten
instellingen als bedoeld in artikel 70 van de Woningwet
als voor
andere verhuurders.
rblz.|39|
De
voorgestelde
uitsluiting van bepaalde categorieën vreemdelingen maakt het niet totaal
onmogelijk dat een woning betrokken wordt door een vreemdeling uit één
van die categorieën. De uitsluiting heeft immers alleen betrekking op de
gemeenten die gekozen hebben voor het instrument van de
huisvestingsvergunning. Bovendien geldt het vergunningvereiste niet
voor alle woningen.
Voorgesteld wordt om niet
af te wijken van de hoofdregel ten aanzien van de "koppeling",
zoals verwoord in het voorgestelde artikel 8b, eerste lid, van de
Vreemdelingenwet. Dit betekent dat de volgende categorieën vreemdelingen
niet in
aanmerking komen voor een huisvestingsvergunning:
1. Vreemdelingen die niet
rechtmatig in Nederland verblijven. Voor een toelichting zij verwezen
naar de toelichting die voor deze categorie vreemdelingen hierboven
is gegeven met betrekking tot de Wet IHS.
2. Voorwaardelijk
toegelaten vreemdelingen. Voor de huisvesting van voorwaardelijk toegelaten
vreemdelingen wordt vooralsnog voorzien in het kader van de Regeling
opvang asielzoekers (ROA) en de taakstelling huisvesting
statushouders, zoals deze is verwoord bij Circulaires MG 93-12 van 29 april
1993, MG 94-08 van 3 maart 1994 en MG 94-41 van 29 november 1994 van het
ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer, tezamen uitgebracht onder gemeenschappelijke verantwoordelijkheid met
de toenmalige Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur respectievelijk de
Minister van Binnenlandse Zaken en de
Staatssecretaris van Justitie. Op 1 juli 1995 zal de Wet gemeentelijke zorg voor
houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf in werking
treden, waarin een specifieke regeling is opgenomen voor de huisvesting van
houders van een dergelijke vergunning. Door de specifieke en
beperkte verblijfsrechtelijke positie waarin betrokkenen verkeren, hebben zij geen
onbeperkte vrijheid van vestiging. Voorwaardelijk toegelatenen zullen pas
dan mogen verhuizen naar een andere
gemeente, als:
a. zij zelf woonruimte
hebben gevonden in de andere gemeente;
b. de gemeente van
vertrek akkoord gaat met de verhuizing (en met de stopzetting van de
integratieactiviteiten in die gemeente); en
c. ook de gemeente van
ontvangst akkoord gaat met de verhuizing (naast de specifieke
integratieactiviteiten speelt hier ook mee dat één en ander
financieel-administratief tussen gemeenten onderling moet worden afgestemd).
De genoemde wet voorziet
in de huisvesting van voorwaardelijk toegelatenen door middel
van de zogeheten taakstellingssystematiek. Het vergunningstelsel van de Huisvestingswet
is dan ook niet van toepassing op de voorwaardelijk
toegelatenen die als gevolg van de taakstelling in de gemeente gehuisvest zijn.
3. Vreemdelingen in
afwachting van de beslissing op een aanvraag om toelating (al dan niet in
aansluiting op een eerdere toelating). Het getuigt niet van een doelmatige
toewijzing van schaarse (goedkope) woningen om
huisvestingsvergunningen te verlenen aan personen ten aanzien van wie, zoals bij deze
categorie vreemdelingen het geval is, onbekend is of zij de woonruimte duurzaam
zullen kunnen gebruiken. Bovendien is het onwenselijk dat bij een
vreemdeling van deze categorie de onterechte verwachting zou ontstaan
dat hij door de afgifte van een huisvestingsvergunning meer kans heeft om een
verblijfsvergunning te krijgen. Hierbij dient bedacht te worden
dat een huisvestingsvergunning, anders dan IHS, slechts eenmalig wordt
afgegeven. Een huisvestingsvergunning is (voor zover in de betrokken
gemeente het vergunningvereiste geldt) immers slechts nodig om
woonruimte in gebruik te nemen (artikel 5 van de rblz.|40|
Huisvestingswet), niet om
woonruimte in gebruik te houden. Dat feit rechtvaardigt een hogere "toelatingsdrempel" dan voor
IHS. Anders dan
bij de Wet IHS wordt voor
de Huisvestingswet dan ook voorgesteld om ook de vreemdeling uit te
sluiten die de beslissing afwacht op een vervolgaanvraag om toelating.
De zojuist genoemde
betekenis van de huisvestingsvergunning heeft overigens tot gevolg dat
een vreemdeling die de beslissing afwacht op een aanvraag om toelating
in aansluiting op een eerdere toelating alleen dan getroffen zal kunnen
worden door de voorgestelde uitsluiting als hij op het moment waarop zijn
toelating is verstreken niet reeds woonruimte in gebruik genomen had.
De vreemdeling die op dat moment wél reeds een woning in gebruik
heeft, wordt door de voorgestelde uitsluiting dus niet geraakt, op voorwaarde dat hij niet verhuist gedurende de periode dat
zijn vervolgaanvraag in
behandeling is, althans niet naar woonruimte waarvoor een
huisvestingsvergunning vereist is. De regering acht die laatste voorwaarde
gerechtvaardigd, omdat betrokkene daardoor niet ernstig wordt getroffen.
4. Vreemdelingen op
vakantie- of familiebezoek, op doorreis, etc., binnen de "vrije
termijn" van artikel 8, eerste lid, van de Vreemdelingenwet. Gelet op de tijdelijkheid
van hun verblijf acht de regering het ook bij deze categorie
vreemdelingen niet wenselijk dat gemeenten hun distributiebestand aan
betaalbare huurwoningen beschikbaar moeten stellen aan dergelijke
vreemdelingen, terwijl de lagere inkomensgroepen onder hen die in
Nederland duurzaam verblijf houden op deze schaarse categorie woningen zijn
aangewezen. Daarbij komt dat deze vreemdelingen krachtens de
Vreemdelingenwet over voldoende middelen van bestaan moeten beschikken
om op genoemde gronden in Nederland te worden toegelaten.
5. Vreemdelingen ten
aanzien van wie de Minister van Justitie van oordeel
is dat de
uitzetting met het oog op zijn gezondheidstoestand of die van één zijner
gezinsleden niet verantwoord is te achten. Verwezen zij naar de hierboven met
betrekking tot de Wet IHS voor deze categorie vreemdelingen gegeven
motivering. Het daar gestelde geldt ook hier. Voor een overgangsregeling als
daar beschreven, bestaat wat de Huisvestingswet
betreft
echter geen noodzaak, gezien de hierboven onder 3 besproken beperkte
gevolgen van de uitsluiting.
Onderdeel A (wijziging
van artikel 9) [zie art.
VIII, onderdeel A, van de wet, red.]
Door het opnemen van een
nieuw tweede lid in artikel 9, en een dienovereenkomstige
aanpassing van artikel 25, eerste lid, wordt bereikt dat de
gemeente, in de
situatie dat zij gekozen heeft voor het instrument van de
huisvestingsverordening (zie artikel 5 van de Huisvestingswet), niet meer bevoegd is om
een huisvestingsvergunning te verlenen aan andere vreemdelingen dan
de vreemdelingen, bedoeld in dat tweede lid: onvoorwaardelijk
toegelatenen en vrij circulerende gemeenschapsonderdanen als bedoeld in artikel
1b, onder 1, van de Vreemdelingenwet.
Onderdeel B (wijziging
van artikel 13) [zie art.
VIII, onderdeel B, van de wet, red.]
Deze wijziging heeft tot
gevolg dat in de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in
artikel 13, geen regels gesteld kunnen worden met betrekking tot de
toepassing van het nieuwe tweede lid van artikel 9. Dergelijke regels zijn
immers overbodig.
rblz.|41|
Onderdeel C (wijziging
van artikel 25) [zie art.
VIII, onderdeel C, van de wet, red.]
Het huidige artikel 25,
eerste lid, bepaalt dat een huisvestingsvergunning wordt verleend indien de
aanvrager behoort tot één van de ingevolge artikel 9
aangewezen categorieën van woningzoekenden. Door de voorgestelde
wijziging, in samenhang met de wijziging van artikel 9, wordt bereikt dat een
huisvestingsvergunning niet verleend kan worden aan andere vreemdelingen
dan de vreemdelingen, bedoeld in artikel 9, tweede lid.
Onderdelen D en
E
(wijziging van de artikelen 26 en 27) [zie art.
VIII, onderdeel D en E, van de
wet, red.]
Deze wijzigingen strekken
ertoe het verlenen van een huisvestingsvergunning aan andere vreemdelingen
dan de vreemdelingen, bedoeld in artikel 9, tweede lid,
ook te verhinderen in de uitzonderlijke gevallen, bedoeld in de artikelen
26 en 27.
Artikelen Vlll tot en met
XVII [zie artt.
IX-XVIII van de wet, red.]
Uitsluiting van de kring
van verzekerden
Zoals in het
algemeen
deel van de toelichting is aangegeven, is de doelstelling van de
koppelingsoperatie om personen aan wie het verblijf hier te lande is ontzegd
uit te sluiten van collectieve voorzieningen die hen in staat stellen hier
feitelijk langer te verblijven. In het kader van de sociale verzekeringen kan de
uitsluiting worden gerealiseerd door de betreffende vreemdelingen uit te
sluiten van de kring van verzekerden, hetgeen met zich brengt dat
betrokkenen ook geen aanspraak op uitkering kunnen doen gelden, of door
hen uit te sluiten van uitkering onder handhaving van de
verzekeringsplicht. In de adviesaanvraag aan de Sociale Verzekeringsraad
(SVr)
van 11 juli 1991 over de wijze waarop de koppeling gestalte diende te
krijgen, is aangegeven dat de voorkeur van het kabinet in beginsel uitgaat naar
uitsluiting aan de uitkeringskant onder handhaving van de
verzekeringsplicht, zoals thans reeds het geval is met de Werkloosheidswet (WW).
Dit om te voorkomen dat werkgevers die illegalen in dienst
hebben geen premies werknemers- en volksverzekeringen verschuldigd zouden zijn.
De SVr heeft over deze problematiek op 8 december 1992 advies
uitgebracht.
Uit de onderdelen B van
de artikelen Vlll tot en met XIV [zie artikelen
IX tot en met XV van de wet, red.] blijkt dat er uiteindelijk toch voor
gekozen is om als hoofdregel ten aanzien van de koppeling op het terrein
van de sociale verzekeringen te hanteren de uitsluiting van de kring
van verzekerden. Deze keuze is primair ingegeven door de
verzekeringsgedachte die aan de sociale verzekeringen ten grondslag ligt.
Naar het oordeel van de
regering is het in strijd met de verzekeringsgedachte om bepaalde
categorieën vreemdelingen aan wie het toekennen van uitkeringen niet
wenselijk wordt geacht toch tot de kring van verzekerden toe te laten -
met daaraan als consequentie gekoppeld het in beginsel verplicht zijn
premie te betalen - terwijl op voorhand duidelijk is dat zij nimmer voor een
recht op uitkering in aanmerking komen. Voorts zij opgemerkt dat door
het uitsluiten van de kring van verzekerden voorkomen wordt dat een schijnverzekering
en daarmee ook schijnlegaliteit
wordt gecreëerd
waardoor bij illegale vreemdelingen verwachtingen worden gewekt die niet
kunnen worden gerealiseerd, zoals ook terecht door de SVr in
zijn advies is opgemerkt.
Voor wat betreft hetgeen
waartoe internationale overeenkomsten verplichten, zij - in
aanvulling op hetgeen ter zake reeds is gesteld in het rblz.|42|
algemeen deel van de
memorie van toelichting - nog het volgende opgemerkt. Uit het advies
over de koppeling blijkt dat de Sociale Verzekeringsraad in
beginsel geen strijd ziet met internationaal recht als de toepasselijkheid van
de socialeverzekeringswetten wordt beperkt voor illegale vreemdelingen.
De regering onderschrijft dit in ieder geval voor zover dit betreft het
uitsluiten van illegalen van de kring van verzekerden. Ten aanzien van de
verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie die minimumnormen voor de
sociale zekerheid bevatten, is eenzelfde visie ook reeds neergelegd in
het rapport van het Comité van Deskundigen, uitgebracht voor de
zitting van de ILO-conferentie [ILO: International Labour Organization, red.]
van 1977. Wel zou onder omstandigheden
strijd met - ook in verdragen tot uitdrukking komende - algemene
rechtsbeginselen kunnen ontstaan indien wettelijke maatregelen zouden worden
getroffen die ertoe zouden leiden dat verzekeringsjaren en
pensioenrechten opgebouwd met illegaal verblijf onder het vigerende
stelsel, vervallen worden verklaard. Dit is in het nu voorliggende wetsvoorstel
evenwel niet aan de orde.
Illegalenheffing
Het uitsluiten van
bepaalde categorieën vreemdelingen van de kring van verzekerden heeft tot
gevolg dat indien zij (illegaal) arbeid verrichten, er geen premies
werknemers- en volksverzekeringen voor hen verschuldigd zijn. Zoals
hiervoor reeds aangegeven, betekent dit in theorie dat een werkgever die hen
in dienst neemt een concurrentievoordeel heeft. Naar aanleiding
van de adviesaanvraag heeft de SVr aan de Erasmus Universiteit
Rotterdam (EUR) opdracht gegeven te onderzoeken of het bij uitsluiting
aan de verzekeringskant mogelijk is om in de fiscale sfeer een maatregel te
treffen die het concurrentievoordeel voor werkgevers weg zou nemen.
In een daarover uitgebracht rapport komt de EUR tot de conclusie dat
een premievervangende fiscale (illegalen)heffing technisch gezien tot de
mogelijkheden behoort. Hiervoor kan aldus het rapport aansluiting
worden gezocht bij de in artikel 26b van de Wet
op de loonbelasting 1964 opgenomen "anoniemenregeling".
De regering heeft echter
besloten niet tot het treffen van een dergelijke specifieke regeling over
te gaan. De reden hiervoor is als volgt. De door de EUR voorgestelde
regeling lijkt op de veronderstelling te berusten dat werkgevers die illegalen
in dienst hebben uit zichzelf een dergelijke illegalenheffing zullen
voldoen. De regering is in deze minder optimistisch en gaat ervan uit dat
werkgevers die de arbeid illegaal laten verrichten in beginsel niet tot de
categorie van werkgevers gerekend kunnen worden die spontaan en op een
correcte wijze aan een dergelijke fiscale verplichting zullen
voldoen. In de praktijk zal het er dan ook op neerkomen dat een "illegalenheffing"
alleen met terugwerkende kracht kan worden toegepast op werkgevers
die betrapt worden op het illegaal laten verrichten van arbeid.
Welnu, in die situatie bestaan er thans reeds voldoende (ook fiscale)
mogelijkheden om de werkgever het concurrentievoordeel te ontnemen en is een
aparte heffing hiervoor niet nodig.
Hierbij zij gewezen op
het feit dat ingevolge de Wet
op de identificatieplicht, ingaande 1 juni 1994,
werknemers die zich niet of onjuist legitimeren voor de loonheffing
worden onderworpen aan het zogenaamde anoniementarief. Dit
tarief bedraagt 60% en geldt met ingang van de genoemde datum ook voor werknemers die weliswaar niet anoniem zijn,
maar zich niet op de
juiste wijze hebben geïdentificeerd. Mocht bij controle van de fiscus blijken dat
de werkgever heeft verzuimd zich op de voorgeschreven wijze, dat
wil zeggen op basis van de in artikel 1 van de Wet
op de identificatieplicht bedoelde documenten, te overtuigen van de identiteit van een
illegaal in Nederland verblijvende werknemer, dan zal rblz.|43|
hem een naheffingsaanslag
op basis van het anoniementarief worden opgelegd, zo nodig met
verhoging.
Voorts zij gewezen op een
aantal maatregelen dat de regering onlangs genomen heeft (mede) tot
doel hebbend dat het (strafrechtelijk) handhavingsbeleid ter
bestrijding van illegale arbeid meer intensief en effectief kan worden
uitgevoerd, zoals onder meer:
- de verhoogde boete in
de Wabw [Wet arbeid buitenlandse werknemers, red.] voor werkgevers bij illegale tewerkstelling;
- de per 1 januari 1994
in werking getreden wijziging van het Wetboek
van Strafrecht, waarbij
werkgevers die illegalen arbeid doen verrichten, bedreigd worden met een
gevangenisstraf van ten hoogste één jaar (en bij herhaling, drie jaar)
of een geldboete van de vijfde categorie (maximaal ƒ100 000,- per
illegale werknemer);
- de in de Wet
arbeid vreemdelingen opgenomen regeling om de illegale werknemer de
mogelijkheid te bieden om bij de werkgever een loonvordering in te
stellen over een periode van zes maanden;
- het voor de vierde
tranche wijziging Vreemdelingenwet aangekondigde voorstel om de werkgever
te laten opdraaien voor de kosten van bewaring en uitzetting
van illegalen.
Op grond hiervan moet
worden geconcludeerd dat werkgevers aanzienlijke risico’s
zullen lopen als zij tot illegale tewerkstelling overgaan en dat als zij hierop
betrapt worden, de kosten voor hen zodanig kunnen oplopen dat van een
concurrentievoordeel nauwelijks of geen sprake meer zal zijn. Voor een
meer uitgebreid overzicht van de maatregelen - waaronder die om de
pakkans te vergroten voor werkgevers die illegaal te werk gestelde
vreemdelingen in dienst hebben - zij overigens verwezen naar de kabinetsnota
illegale tewerkstelling (Kamerstukken II 1993-1994, 23 627, nrs. 1-2).
Van verzekering uit te
sluiten categorieën van personen
Voor wat de van de
verzekering uit te sluiten categorieën van personen betreft, zij het volgende
opgemerkt. In de onderdelen B van de artikelen Vlll tot en met XIV [zie
artikelen IX tot en met XV van de
wet, red.] is als
hoofdregel opgenomen dat vreemdelingen alleen verzekerd kunnen zijn
voor de werknemers- en de volksverzekeringen indien zij ingevolge
artikel 9 of 10 van de Vreemdelingenwet gerechtigd zijn in Nederland te
verblijven. Met andere woorden, aangesloten is bij het algemeen
koppelingsbeginsel zoals opgenomen in artikel 8b juncto artikel 1b,
aanhef en onder 1, van
de Vreemdelingenwet.
In genoemd artikel
8b is
aangegeven dat bij of krachtens (materie)wet voor wat betreft andere
rechtmatig hier verblijvende personen van deze hoofdregel kan worden
afgeweken indien dit noodzakelijk wordt geacht. De regering is van
oordeel dat in het kader van de sociale verzekeringen voor een aantal andere
rechtmatig in Nederland verblijvende categorieën van vreemdelingen van
deze mogelijkheid tot afwijking gebruik moet worden gemaakt. In
vergelijking met het koppelingsbeginsel betreft dit enerzijds een verdere
beperking, anderzijds een verruiming.
De beoogde verruiming
betreft personen die niet (of tijdelijk niet meer) over een
verblijfsvergunning ex artikel 9 of 10 van de Vw [Vreemdelingenwet, red.]
beschikken, doch aan wie het is toegestaan
in Nederland te verblijven en om arbeid te verrichten. De regering
is van mening dat indien personen worden toegelaten tot de
arbeidsmarkt, voldaan moet worden aan het algemene beginsel dat aan de
Nederlandse sociale verzekeringen ten grondslag ligt, te weten: een ieder die
hier werkt, is verplicht verzekerd voor de werknemers- en
volksverzekeringen en uit dien hoofde ook premieplichtig. Als
voorbeeld wordt genoemd de categorie van personen rblz.|44|
die op grond van het bepaalde in artikel
9a van de Vw voorwaardelijk zijn
toegelaten en aan wie het
als houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf
(de VVTV) in het tweede en derde jaar is toegestaan om arbeid te verrichten.
Daarnaast wordt gedacht aan personen die legaal werkzaam zijn op basis
van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd ex artikel 9 van de
Vreemdelingenwet. Bij een aanvraag voor verlenging van de verblijfsvergunning
omdat het werk nog niet af is, zouden deze personen - uitsluitend beoordeeld naar de hoofdregel
- niet meer
verzekerd zijn voor de sv-wetgeving [socialeverzekeringswetgeving,
red.] ondanks het feit dat betrokkenen hier nog steeds legaal werken.
Legaal werken, omdat in deze gevallen - hangende de beslissing in
de procedure over de verlenging van de vergunning - voortgezet
verblijf wordt toegestaan en de tewerkstellingsvergunning op grond van de
Wabw in
de regel niet wordt ingetrokken.
De hiervoor bedoelde
beperking ten opzichte van het in de Vreemdelingenwet opgenomen koppelingsbeginsel betreft personen aan wie het op
grond van een
verblijfsvergunning ex artikel 9 van de Vw is toegestaan in Nederland te verblijven,
doch aan wie het niet is toegestaan arbeid te verrichten. Als voorbeeld
kan worden genoemd de vreemdeling aan wie het uitsluitend om
redenen van studie is toegestaan hier te blijven.
Hiermee wordt voorkomen
dat het illegaal werken - dat wil zeggen zonder tewerkstellingsvergunning
Wabw - van personen die hier in beginsel slechts tijdelijk zijn
toegelaten om andere redenen dan het verrichten van arbeid, mogelijkerwijs
wordt "beloond" in de vorm van een (exporteerbare) uitkering krachtens
één
(of meer) van de sv-wetten.
De regering is voornemens
om het Besluit uitbreiding en beperking
kring verzekerden werknemersverzekeringen 1990 en het Besluit
uitbreiding en beperking
kring verzekerden volksverzekeringen 1989 [zie Besluit
uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999, red.]
zodanig aan te passen dat
de hier bedoelde categorieën van personen in afwijking van de
hoofdregel onder de respectieve kringen van verzekerden worden gebracht
c.q.
hiervan worden uitgesloten. In de daarvoor benodigde wettelijke
basis wordt in het voorliggend voorstel voorzien.
Legaal - illegaal
Door de uitsluiting van
de kring van verzekerden wordt de kabinetsdoelstelling - bepaalde
categorieën
vreemdelingen mogen geen beroep doen op collectieve
voorzieningen - in het kader van de sociale verzekeringen grotendeels gerealiseerd.
Er resteert echter een relatief kleine categorie van personen
voor wie de regeling geen oplossing biedt. Te weten: personen die hier
legaal hebben verbleven en/of hebben gewerkt en tijdens het recht op
een uitkering illegaal worden. Om de doelstelling van de regering
(volledig) te realiseren - het tegengaan van illegaal verblijf - zijn in
de
onderdelen C van de artikelen IX tot en met Xlll [zie
artikelen X tot en met XIV van de
wet, red.] en onderdeel B van artikel XV [zie artikel
XVI, onderdeel B, van de wet, red.]
bepalingen
geformuleerd op grond waarvan de bedrijfsvereniging of de Sociale Verzekeringsbank de betaling van de uitkering dient
op te schorten indien de
vreemdeling niet langer rechtmatig in Nederland verblijft. De uitkering
kan pas weer betaalbaar worden gesteld indien betrokkene daartoe een
aanvraag heeft ingediend en het uitvoeringsorgaan heeft geverifieerd of hij
ook daadwerkelijk buiten Nederland woont of verblijf houdt. Het
betreft hier uiteraard alleen uitkeringen die ook in het buitenland genoten kunnen
worden.
Bij deze bepalingen heeft
de regering - in afwijking van de hoofdregel - bewust gekozen voor de
formulering "niet rechtmatig verblijf houdt als bedoeld in artikel
1b van
de Vreemdelingenwet". Het zonder meer van toepassing verklaren van
de hoofdregel zou ongewenste gevolgen hebben. Dit zou er
namelijk toe leiden dat aan personen wier verblijfsvergunning verloopt of wordt
ingetrokken het recht op uitkering - waarvoor in beginsel premies zijn
betaald - dient te worden geschorst en opnieuw rblz.|45|
betaalbaar te worden gesteld in het buitenland, terwijl het aan hen wel is
toegestaan in Nederland
te verblijven in afwachting van de beslissing op hun verzoek tot
verlenging van de verblijfsvergunning c.q. beroep tegen intrekking hiervan.
Voor
de goede orde, het betreft hier personen die reeds eerder
(onherroepelijk) tot Nederland zijn toegelaten, verzekerd zijn geweest op grond van
werken en/of verblijf en (rechtmatig) een uitkering hebben gekregen. Het ligt
dan ook niet in de rede om deze personen het recht op een uitkering
krachtens één van de sv-wetten te ontzeggen in een situatie als hier
bedoeld.
In artikel Vlll
[zie artikel
IX van de wet, red.]
is de
formulering van de uitsluitingsgrond in de Werkloosheidswet
betreffende illegalen aangepast. Het spreekt vanzelf dat hier geen
opschortingsbepaling is opgenomen. Uitkeringen krachtens de Werkloosheidswet zijn
immers niet exporteerbaar. Ook in artikel XIV [zie
artikel XV van de wet,
red.] is geen opschortingsbepaling
opgenomen. De verzekering krachtens de AKW en daarmee het recht
op kinderbijslag vervalt immers als betrokkene illegaal wordt. Dit
betekent echter niet dat betrokkene in het geheel geen aanspraak meer zal
kunnen
maken op kinderbijslag. lngevolge het bepaalde in artikel 8 van
het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden
volksverzekeringen 1989 [zie Besluit
uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999, red.]
immers is degene die buiten Nederland is gaan wonen
en op de dag van zijn vertrek recht had op bijvoorbeeld een
WAO-uitkering die ten minste gelijk is aan 35% van het minimumloon verzekerd
voor de volksverzekeringen. Met andere woorden, de verzekering
en daarmee het recht op kinderbijslag kan "herleven" als de
illegaal geworden vreemdeling zich in het buitenland vestigt en daar een
beroep kan doen op een uitkering krachtens één
van de in artikel 8 van het
hiervoor genoemde besluit genoemde regelingen.
Uitvoerbaarheid en
handhaafbaarheid van de regeling
In zijn advies van 8
december 1992 vraagt de SVr speciale aandacht voor de uitvoerbaarheid
van de regeling. Terecht wordt opgemerkt dat het kunnen verkrijgen van
betrouwbare gegevens over de verblijfsstatus van vreemdelingen een
essentiële voorwaarde is voor een goede uitvoering van de socialeverzekeringswetten in deze. De regering is van oordeel
- evenals de SVr - dat
het Vreemdelingenadministratiesysteem (VAS) en de gemeentelijke basisadministratie
(GBA) in beginsel voldoende informatie aan de
uitvoeringsorganen kunnen verschaffen over vreemdelingen die een uitkering
aanvragen. Ter toelichting dient het volgende.
Met de invoering van de
Wet op de
identificatieplicht moet een ieder een identificatiebewijs
kunnen overleggen, ook bij de aanvraag van sz-voorzieningen. Voor
vreemdelingen is dit het document waarover zij op grond van bepalingen
van de Vreemdelingenwet dienen te beschikken. Na identificatie kunnen
de uitvoeringsorganen bij de GBA de verblijfsstatus van betrokkenen
verifiëren. Gegevens over de verblijfsstatus van de vreemdeling worden
geregistreerd bij de vreemdelingenpolitie in het zogenaamde Vreemdelingenadministratiesysteem
(VAS) en overgenomen in de GBA. In de GBA
wordt van verschillende vergunningen op grond van artikel 9, 9a
en 10 van de Vreemdelingenwet, met daarbij behorende beperkingen
over onder andere het al dan niet toegestaan zijn arbeid te verrichten,
aantekening gehouden. Verder is de datum van ingang en beëindiging
van de rechtsgeldigheid van het gegeven opgenomen. Door de
aansluiting tussen de GBA en het VAS worden de gegevens in de GBA
actueel gehouden. Geeft de GBA geen uitsluitsel over de verblijfstitel, dan is
het aangewezen dat de uitvoeringsorganen de verblijfsstatus bij Vreemdelingendienst
verifiëren. Gedacht wordt hierbij
aan de situatie waarin
een vreemdeling beschikt over een bepaald verblijfsdocument, doch
niet in de GBA is geregistreerd dan wel niet als houder van een dergelijk
document is geregistreerd.
rblz.|46|
Als
de verblijfstitel van
een uitkeringsgerechtigde vreemdeling wijzigt, dan dient dit in eerste
instantie door hemzelf aan het uitvoeringsorgaan te worden gemeld. Verwacht
mag worden dat betrokkenen hier evenwel niet snel toe geneigd zullen
zijn. Daarom is het van belang dat de uitvoeringsorganen sv langs andere weg
hiervan op de hoogte worden gesteld. Hierover zij het volgende
opgemerkt. De uitvoeringsorganen sv zijn alle geautoriseerde
buitengemeentelijke afnemers. In het autorisatiebesluit kan nader worden
bepaald
dat de mutaties in de gegevens over de verblijfstitel
automatisch aan het uitvoeringsorgaan worden verstrekt. Met de onderhavige
wetswijziging is dit immers noodzakelijk voor de goede vervulling van de taak
van deze organen. Een dergelijke automatische gegevensverstrekking
voldoet aan de vereisten van artikel 91, vierde lid, van de Wet
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Nu de GBA zijn voltooiing
nadert, kan op de hiervoor geschetste wijze worden voldaan aan
de noodzakelijke voorwaarde voor een goede uitvoering van de
voorgestelde koppeling. Een voorwaarde die door de SVr in zijn advies over
de koppeling werd gesteld.
Een alternatief voor de
automatische gegevensverstrekking via de GBA aan de uitvoeringsorganen
sv zou zijn dat de uitvoeringsorganen zelf periodiek de
verblijfsstatus van uitkeringsgerechtigde vreemdelingen gaan controleren. Een
dergelijke periodieke controle rekent de regering echter niet in eerste
instantie tot de de taken van de uitvoeringsorganen sv, waarbij tevens
opgemerkt dat laatstgenoemden vervolgens toch weer zullen moeten verifiëren of de bij een dergelijke controle verkregen informatie klopt.
Meer specifiek zij ten
aanzien van de uitvoering van de in de onderdelen C van de artikelen IX
tot en met Xlll [zie artikelen
X tot en met XIV van de wet, red.]
en onderdeel B van artikel XV [zie
artikel XVI, onderdeel B, van de
wet, red.] opgenomen opschortingsbepalingen
nog het volgende opgemerkt. lngevolge de hier voorgestelde bepalingen
kan een opgeschorte uitkering weer betaalbaar worden gesteld indien betrokkene daartoe een aanvraag heeft ingediend
en het uitvoeringsorgaan
heeft geverifieerd of hij ook daadwerkelijk buiten Nederland woont of
verblijf houdt. Die verificatie zal naar het oordeel van de regering in de regel betrekkelijk
eenvoudig kunnen
geschieden aan de hand
van een door betrokkene te overleggen bewijs van inschrijving in de
plaats waar hij beweerdelijk woont of verblijft.
Artikel XVI
[zie artt.
XVII van de wet, red.]
In het nieuwe artikel
8b
van de Vreemdelingenwet is, zoals hierboven toegelicht, het
zogenaamde koppelingsbeginsel neergelegd: vreemdelingen die geen verblijf
genieten ingevolge artikel 9 of 10 van de Vreemdelingenwet verkrijgen geen
voorzieningen van overheidswege, tenzij in de wet anders is bepaald.
In artikel 1, derde lid,
van de thans geldende Algemene Bijstandswet en artikel
7, tweede lid,
van de heringerichte Algemene bijstandswet
(Stb. 1995, 199)
is de koppeling van uitkeringsrecht en verblijfsrecht reeds op deze wijze
gerealiseerd, zodat deze bepalingen - materieel gesproken - geen wijziging behoeven.
Anders ligt dit ten
aanzien van het bepaalde in artikel 84 van de huidige ABW en artikel 12 van de
nieuwe Abw. Op grond van deze artikelen zijn illegaal in Nederland
verblijvende vreemdelingen, behoudens acute noodsituaties, reeds
uitgesloten van bijstand. Deze artikelen bepalen thans verder dat
vreemdelingen zonder verblijfsvergunning, en zonder dat sprake is van een acute
noodsituatie, in aanmerking kunnen komen voor bijstand, op voorwaarde
dat het hoofd van plaatselijke politie in de zin van rblz.|47|
de Vreemdelingenwet een
verklaring aan de sociale dienst verstrekt dat de betrokkene met instemming
van het bevoegd gezag in Nederland verblijft.
Het uitvoering geven aan
het kabinetsbeleid ten aanzien van de koppeling van
verblijfsrechten en uitkeringsrechten, zoals tot uitdrukking is gebracht in artikel
8b
van de Vreemdelingenwet, brengt met zich mede dat de mogelijkheid voor
bijstandverlening aan vreemdelingen zonder verblijfsvergunning dient
te worden beëindigd. Om die reden wordt voorgesteld genoemde
bepalingen te laten vervallen. Deze fundamentele wijziging is als
sluitstuk van een geïntegreerd vreemdelingenbeleid naar het oordeel van de
regering onontkoombaar. Aangezien de nieuwe Abw
in werking zal treden per
1 januari 1996, onder gelijktijdige intrekking van de huidige ABW, kan in
het voorliggende koppelingswetsvoorstel worden volstaan met schrapping
van artikel 12 van de nieuwe Abw.
De heldere wijze waarop
aan de koppeling in dit wetsvoorstel uitvoering wordt gegeven, stelt de
uitvoerende diensten in staat op betrekkelijk eenvoudige wijze en
zonder veel administratieve rompslomp vast te stellen of in de
verblijfsstatus van de betrokkene al dan niet belemmeringen zijn gelegen voor het
recht op bijstand. Verplichtingen die uit hoofde van verdragen of
besluiten van volkenrechtelijke organisaties op Nederland rusten, zullen
uiteraard worden nageleefd. Om die reden voorziet het nieuwe derde
lid van artikel 7 van de nieuwe Abw
in de mogelijkheid bij algemene
maatregel van bestuur nadere regels te stellen. De regering is voornemens
om nadere regels te stellen voor zover dit uit het Europees verdrag
betreffende sociale en medische bijstand voortvloeit, althans ten aanzien van
onderdanen van landen die zich hebben aangesloten bij dit
verdrag. Op één lijn met hetgeen ter zake is bepaald op het punt van de
voortzetting van de verplichte verzekering in gevallen waarin een vreemdeling
tijdig verlenging van een voor bepaalde tijd verleende verblijfsvergunning heeft aangevraagd, wordt tevens voorzien
in de mogelijkheid om bij
algemene maatregel van bestuur te regelen dat het recht op bijstand in
zodanig geval behouden blijft, totdat op de aanvraag tot verlenging
van de verblijfsvergunning is beschikt.
Uit
het wetsvoorstel
vloeit voort dat asielzoekers en houders van een voorwaardelijke
vergunning tot verblijf ex artikel 9a van de Vreemdelingenwet in verband met hun
verblijfsstatus geen aanspraak kunnen maken op bijstand. Materieel
verandert er ten aanzien van deze categorieën niets, omdat voor hen een
voorliggende voorziening bestaat in de vorm van de Regeling opvang asielzoekers (in de toekomst de
Wet gemeentelijke zorg voor houders van een
voorwaardelijke vergunning tot verblijf).
Eveneens is de thans
bestaande mogelijkheid beëindigd om in acute noodsituaties bijstand te
verlenen aan vreemdelingen die in verband met hun verblijfspositie niet
voor bijstand in aanmerking komen. Het koppelingsbeginsel brengt
met zich mee dat ook in deze situaties bijstandverlening is
uitgesloten.
Thans is het nog
zo dat
bepaalde vreemdelingen ten aanzien waarvan geen rechtsplicht tot
bijstandverlening geldt ingevolge het bepaalde in
het vijfde en zesde lid
van artikel 84 van de huidige ABW (conform de oude tekst) en artikel 7
van de nieuwe Abw in hun beroepsmogelijkheden zijn beperkt. Als argument om tot deze beperking te komen
gold dat door
het toestaan van de
normale beroepsgang te zeer de indruk zou worden gewekt dat er een
algemene rechtsplicht tot bijstandverlening zou bestaan. Met het thans
voorliggende wetsvoorstel wordt een duidelijke tweedeling aangebracht.
De in artikel 1 van de Algemene Bijstandswet en
artikel 139 van de nieuwe Abw
genoemde vreemdelingen worden voor wat betreft hun
bijstandsrechten in elk opzicht gelijkgesteld met rblz.|48|
Nederlanders; aan de
overige vreemdelingen wordt geen bijstand verleend. Om dit
onderscheid zo helder mogelijk te houden, wordt voorgesteld de bestaande
beperkingen in de beroepsgang te schrappen.
Artikelen XVII en
XVIII
[zie artt.
XVIII en XIX van de
wet, red.]
Analoog aan de
wijzigingen in de Algemene bijstandswet worden in de
Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw) en de
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz) wijzigingen aangebracht. Hiermee
wordt bereikt dat de uitkeringen ingevolge deze wetten alleen openstaan
voor de vreemdelingen met een status op grond van artikel 9 en 10 van
de Vreemdelingenwet en de vreemdelingen die bij de delegatiebepaling zijn
aangewezen.
Artikelen XIX tot en met
XXI [zie artt.
XX-XXII van de wet, red.]
Algemeen
Onder verwijzing naar de
adviesaanvraag aan de Sociale Verzekeringsraad waarin
advies was gevraagd over de wijze waarop in het algemeen in de socialeverzekeringswetten het recht op uitkering kan worden gekoppeld aan de
verblijfsstatus om te voorkomen dat illegaal hier verblijvende
vreemdelingen toegang hebben tot de socialeverzekeringswetten, is op 23 juli 1991 de
Ziekenfondsraad gevraagd met betrekking tot de socialeziektekostenverzekeringsaspecten van die aangelegenheid te
adviseren. Op 25 juni 1992 heeft de Ziekenfondsraad zijn advies ter zake
uitgebracht (uitgave van de Ziekenfondsraad 553).
De
Raad stelt voorop dat
naar zijn oordeel het illegaal verblijf van vreemdelingen in
Nederland niet tegengegaan kan en mag worden via de sociale
(ziektekosten)verzekeringen. Genoemde verzekeringen zijn daar niet voor bedoeld en
mogen daar, naar de mening van de Raad, ook niet voor gebruikt worden.
Voorts stelt de Raad in algemene zin voorop dat ook voor illegale
vreemdelingen de toegang tot noodzakelijke medische zorg gewaarborgd dient te
zijn. Bij zijn oordeelsvorming heeft de Raad zich laten leiden door de verzekeringsgedachte: zij die voldoen aan de
voorwaarden voor
ziekenfondsverzekering of AWBZ-verzekering en dus verzekerd en
premieplichtig zijn ingevolge de genoemde verzekeringen, moeten principieel ook
toegang hebben tot de aanspraken die de desbetreffende
verzekeringen bieden. Redenerend vanuit de verzekeringsgedachte zijn er naar de mening
van de Raad met betrekking tot de verzekeringssituatie van
illegale vreemdelingen twee opties mogelijk: óf de illegale vreemdelingen
worden uitgesloten van de verzekering ingevolge de Ziekenfondswet
en AWBZ, óf de illegale vreemdelingen kunnen voor de sociale
ziektekostenverzekeringen verzekerd blijven en behouden dan ook toegang
tot de verzekeringsaanspraken. De Raad is van mening dat het
aanvankelijke kabinetsvoornemen om illegale vreemdelingen wel te
verzekeren voor de sociale ziektekostenverzekeringen, maar hen de toegang tot
de aanspraken krachtens die verzekeringen te ontzeggen, ingaat
tegen de verzekeringsgedachte. Met uitzondering van de door de
organisaties van werkgevers aangewezen leden van de Raad is de
Ziekenfondsraad van oordeel dat het kabinet zelf uit de
genoemde opties een keuze
dient te maken, met strikte inachtneming van de verzekeringsgedachte.
Zoals hiervoor met
betrekking tot de sociale-uitkeringswetten reeds is aangegeven, heeft het
kabinet de in de adviezen van de Sociale Verzekeringsraad en de
Ziekenfondsraad naar voren gebrachte verzekeringsgedachte in
het kader van de socialeverzekeringswetten rblz.|49|
zwaar laten wegen.
Evenals in de sociale-uitkeringswetten kiest het kabinet er thans voor om
de vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijf geniet in
beginsel van de Ziekenfondswet en AWBZ
uit te sluiten. Daarbij is de
mogelijkheid opengehouden om bij of krachtens wet bepaalde categorieën
van vreemdelingen alsnog in de onderscheiden verzekeringen onder te
brengen, welke personen dan ook toegang tot de verzekeringsaanspraken
behouden. Ten aanzien van de redenen waarom de vreemdelingen die
rechtmatig in Nederland arbeid verrichten dan wel hebben verricht,
respectievelijk de vreemdelingen die in aansluiting op hun rechtmatig verblijf
hier te lande tijdig in aansluiting op dat verblijf voortgezette toelating
hebben gevraagd, in afwijking van het voorgestelde artikel 8b van de
Vreemdelingenwet, wel toegang tot de sociale ziektekostenverzekeringen
(Ziekenfondswet en AWBZ)
en de krachtens de Wet op de toegang tot
ziektekostenverzekeringen geregelde verzekering dienen te hebben, gelden dezelfde
overwegingen als welke met betrekking tot de toegang van die categorieën tot andere sociale verzekeringen zijn
genoemd. Kortheidshalve
zij verwezen naar de toelichting op de artikelen Vlll tot en met XVII [zie
toelichting op de artikelen IX tot en met XVIII van de
wet, red.],
onder het kopje "Van verzekering uit te sluiten
categorieën personen".
In de Ziekenfondswet is daar nog een categorie aan toegevoegd, namelijk
de vreemdelingen die in Nederland opvang genieten krachtens de
Regeling opvang asielzoekers of de Tijdelijke regeling opvang ontheemden. Deze
categorieën van personen zijn thans
reeds verzekerd ingevolge
de Ziekenfondswet. Het kabinet wil in het kader van het onderhavige
wetsvoorstel geen wijziging brengen in de verzekeringssituatie van
de hier bedoelde categorieën van personen. Daarnaast is het kabinet
van mening dat, indien de overheid ten aanzien van een bepaalde
categorie van vreemdelingen een zogeheten voorliggende voorziening treft, de
overheid in beginsel ook in een ziekenfondsverzekering moet voorzien.
Naar aanleiding van een
desbetreffende opmerking in het advies van de
Ziekenfondsraad zij hier
nog eens vermeld dat het voorgaande niet betekent dat
vreemdelingen zonder rechtsgeldige verblijfstitel verstoken moeten blijven van
medisch noodzakelijke zorg. Zoals hiervoor in het algemeen deel van deze
memorie reeds is aangegeven, laat vorenbedoeld koppelingsbeginsel de
toegang van vreemdelingen ongeacht hun verblijfspositie tot de
openbare gezondheidszorg geheel onverlet. Het kabinet is evenwel van
mening dat de ziektekosten van vreemdelingen die niet rechtmatig in
Nederland verblijf houden in beginsel niet ten laste van de sociale
ziektekostenverzekeringen behoren te komen.
Naar aanleiding van een
desbetreffend verzoek van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport heeft de
Ziekenfondsraad op 23 maart 1995 advies uitgebracht
over de uitvoeringstechnische aspecten van het onderhavige
wetsvoorstel.
Daarin heeft de Raad geadviseerd in de Ziekenfondswet
en in de AWBZ een regeling op te nemen betreffende de identificatie en
verificatie van verzekerden. Dat advies is overgenomen.
Artikel XIX
[zie art.
XX van de wet, red.]
De verzekeringsplicht
ingevolge de Ziekenfondswet is in het algemeen gekoppeld aan een andere
socialezekerheidswet. De kring van verzekerden ingevolge de
Ziekenfondswet wordt namelijk voor een groot deel gevormd door de
werknemers in de zin der Ziektewet en door uitkeringsgerechtigden ingevolge de
socialezekerheidswetten. Dit betekent dat hetgeen bij of krachtens
wet met betrekking tot de kring van verzekerden ingevolge de Ziektewet of
andere sociale-uitkeringswetten is vastgesteld bepalend is voor de kring
van verzekerden ingevolge de Ziekenfondswet. Evenals in de andere
werknemersverzekeringen is de vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland
verblijf geniet in beginsel niet verzekerd rblz.|50|
ingevolge de Ziekenfondswet, tenzij bij of krachtens wet uitdrukkelijk is
bepaald dat hij wel
ingevolge die wet is verzekerd. Ten aanzien van de desbetreffende aangewezen
categorieën van vreemdelingen geldt dat zij in afwijking van artikel 8b, eerste lid, van de Vreemdelingenwet hun verzekeringsaanspraken
behouden. Evenals in het kader van de overige werknemersverzekeringen
kan dit ten aanzien van personen die rechtmatig in Nederland werken of
hebben gewerkt of van vreemdelingen die, na in Nederland
rechtmatig verblijf hebben genoten in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1,
van de Vreemdelingenwet, tijdig voortgezette toelating in aansluiting
op dat verblijf hebben aangevraagd, worden bepaald. Het kabinet wil
in het kader van het onderhavige wetsvoorstel geen wijziging brengen in
de verzekeringssituatie van bepaalde categorieën van vreemdelingen, zoals asielzoekers en ontheemden, welke
personen thans zijn
verzekerd ingevolge de ziekenfondsverzekering. Ter handhaving van die
situatie wordt in de Ziekenfondswet de mogelijkheid geopend om vreemdelingen
die op grond van artikel 9a in verbinding met artikel 12a van de
Vreemdelingenwet voorwaardelijk zijn toegelaten en
waarvoor een aparte
voorliggende voorziening is gecreëerd zoals dat thans bijvoorbeeld voor
asielzoekers met de Regeling opvang asielzoekers en voor ontheemden met de
Tijdelijke regeling opvang ontheemden is geschied, door middel van
de ziekenfondsverzekering dekking voor hun ziektekosten te kunnen
bieden.
Artikel XX
[zie art.
XXI van de wet, red.]
Voor wat betreft de kring
van verzekerden ingevolge de AWBZ wordt aangesloten aan de
bepalingen betreffende de kring van verzekerden ingevolge de overige
volksverzekeringen. Hetgeen hiervoor daaromtrent met betrekking tot die
verzekeringen is opgemerkt, geldt evenzeer voor de AWBZ.
Artikel XXI
[zie art.
XXII van de wet, red.]
Betreffende de in artikel
2 van de Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen (Wtz) bedoelde ziektekostenverzekeringsovereenkomst zijn
regels gesteld met
betrekking tot de acceptatieplicht, de omvang van de verzekering en de premie.
Deze aspecten, die ook belangrijke kenmerken van een sociale ziektekostenverzekering vormen, leiden
ertoe dat die
verzekering in bepaalde
opzichten met een sociale ziektekostenverzekering vergelijkbaar is. Het
kabinet heeft daarom gemeend dat de lijn die met dit wetsvoorstel in
de Ziekenfondswet en in de AWBZ
is neergelegd ook naar de Wtz-verzekering moet worden door getrokken. In verband daarmee wordt voorgesteld
om in de Wtz een bepaling op te nemen die ertoe strekt de
verplichte acceptatie voor een Wtz-ziektekostenverzekering
te beperken tot legaal in Nederland verblijvende personen.
Uitvoeringsaspecten
De
Ziekenfondsraad heeft
er in zijn advies van 23 maart 1995 aandacht voor gevraagd dat ten
behoeve van de uitvoering van het onderhavige wetsvoorstel dient te
worden voorzien in een aan de verzekerden op te leggen
identificatieplicht, respectievelijk een aan de uitvoeringsorganen van de sociale
ziektekostenverzekeringen op te leggen verificatieplicht. De Raad heeft daarbij
verzocht om daartoe een zodanige formulering te kiezen dat voor de
uitvoeringsorganen de ruimte wordt gelaten om van daadwerkelijke
identificatie af te zien of identificatie op een tijdstip te laten plaatshebben waarbij een
eerste persoonlijk contact zich voordoet, indien de uitvoering van de wet
zich daartegen niet verzet.
Het kabinet heeft dit
advies gevolgd en heeft in het onderhavige rblz.|51|
wetsvoorstel voorzien in
de opneming in de Ziekenfondswet en in de AWBZ
van een
identificatieplicht, respectievelijk verificatieplicht. Daarbij is aangesloten bij de
formulering van de desbetreffende bepalingen die gelden voor de andere socialeverzekeringswetten. De uitvoeringsorganen van de sociale
ziektekostenverzekeringen hebben daarbij de voor hen noodzakelijke
beleidsruimte gekregen door de formule "desgevraagd", respectievelijk
"voor
zover dit redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet".
In het kader van het
onderhavige wetsvoorstel is niet voorzien in sanctiebepalingen ter
handhaving van de aan de verzekerde op te leggen identificatieplicht,
omdat ingevolge het bij koninklijke boodschap van 17 november 1992 ingediende
voorstel van wet tot wijziging van het Wetboek
van Strafrecht en
andere wetten met het oog op de opneming in het Wetboek van
Strafrecht van eenvormige strafbepalingen inzake het verstrekken van onware
gegevens en het nalaten te voldoen aan wettelijke verplichtingen om tijdig
gegevens te verstrekken (concentratie
strafbaarstelling frauduleuze gedragingen)
(Kamerstukken II, 19 921 995, nr. 23 993) [lees: Kamerstukken II
1994-1995, 23 993, nrs. 1-2, red.] zal worden voorzien in
een algemene strafbaarstelling van het niet nakomen van een wettelijke verplichting om tijdig de benodigde gegevens
te verstrekken, terwijl
het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander en men weet of
redelijkerwijze moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn
voor de vaststelling van zijn of een anders recht op verstrekking.
In zijn algemeenheid kan
worden gesteld dat hetgeen hiervoor met betrekking tot de
uitvoerbaarheid van de regeling in het kader van de sociale-uitkeringswetten
is opgemerkt, in hoofdlijnen evenzeer van toepassing is ten aanzien
van de sociale ziektekostenverzekeringen. In bepaalde opzichten is de
uitvoering van de sociale ziektekostenverzekering zelfs nog
gecompliceerder. Immers, bij de werknemersverzekeringen ontstaat pas contact
tussen het uitvoerend orgaan en de verzekerde op het moment
dat die verzekerde een uitkering aanvraagt. Bij de ziekenfondsverzekering
en AWBZ-verzekering evenwel dienen verzekerden, om hun eventuele aanspraken geldend te kunnen maken,
vooraf bij een
uitvoeringsorgaan als verzekerde te worden ingeschreven. Het bewijs van
inschrijving fungeert dan als bewijs ten opzichte van de zorgverlenende persoon of
instelling die de verzekerde consulteert. Een Zfw-/AWBZ-uitvoeringsorgaan
heeft vanwege die inschrijving derhalve met elke verzekerde
contact. Alleen al om praktische redenen is het daarom noodzakelijk dat
een zodanig orgaan op betrekkelijk eenvoudige wijze de verblijfsstatus
van een betrokkene moet kunnen vaststellen.
Artikel
XXlbis [zie art.
XXIII van de wet, red.]
Het ligt niet in de
bedoeling om een vreemdeling die op het tijdstip van inwerkingtreding van
deze
wet recht heeft op IHS dat recht te laten verliezen indien de
Minister van Justitie te zijnen aanzien een beschikking heeft afgegeven waarin
hij als zijn oordeel uitspreekt dat artikel 25 van de Vreemdelingenwet van
toepassing is (uitzetting van de vreemdeling is onverantwoord met het oog
op zijn gezondheidstoestand of die van één zijner gezinsleden). Deze
situatie zou zich kunnen voordoen als gevolg van de inwerkingtreding van
artikel Vl van deze wet [zie
artikel VII van de wet,
red.]. In die situatie is continuering van de IHS-verlening op
zijn plaats. In dit geval zal, zo nodig, eveneens continuering van
bijstand kunnen worden verleend en van de verstrekking van
voorzieningen op basis van de Ziekenfondswet naar analogie van de
voorgestelde regeling voor vreemdelingen die in afwachting zijn van de
beslissing op hun aanvraag in aansluiting op hun eerdere toelating. In
artikel XXIbis [zie artikel
XXIII van de wet, red.]
wordt hierin voorzien.
rblz.|52|
Artikelen XXII
[zie
art. XXVII van de wet,
red.] en
XXIII
[vervallen, red.]
De artikelen Xll
[lees artikelen XXII; zie artikel XXVII van de
wet, red.] en Xlll [lees: XXIII; vervallen, red.] van het voorstel regelen het te dezen toepasselijke overgangsrecht. Op het
tijdstip van inwerkingtreding van het voorstel zullen de in de artikelen
lb en Bb [1b en 8b, red.] van de Vreemdelingenwet neergelegde beginselen over de
verbinding van de verblijfspositie van de vreemdeling met zijn aanspraken op de
toekenning van verstrekkingen, voorzieningen, uitkeringen, ontheffingen
en vergunningen bij wege van een beschikking van een bestuursorgaan
direct werken. De vreemdelingen die op het moment van die inwerkingtreding blijkens de aan te leggen verblijfspositietoets
illegaal hier te lande
zijn, zullen onmiddellijk verstoken worden van verdere aanspraken.
Daarbij is op zichzelf niet van belang dat de betrokken vreemdeling vóór
het tijdstip van de inwerkingtreding van het voorstel, dat bepaald zal
worden bij koninklijk besluit, al aanspraken heeft doen gelden of aanvragen
heeft ingediend die ook reeds in behandeling zijn genomen. Het
uitgangspunt is dat in dit opzicht een dwingend onmiddellijkheidsbeginsel
geldt.
Teneinde de
uitvoeringsorganen die belast zijn met het doen van de verstrekkingen, het geven
van de voorzieningen, de uitkeringen of ontheffingen en
vergunningen in de zin van artikel 8b van de Vreemdelingenwet in staat te stellen
adequate invoeringsmaatregelen te treffen, zal het moment van in werking
treden van deze koppelingswet per onderdeel van
de wet verschillend
worden bepaald. Voorts zal, voor wat betreft de onderdelen betreffende de
sociale zekerheid en de onderwijsvoorzieningen de datum van de
inwerkingtreding van de koppelingswet niet eerder worden
gesteld dan ten minste drie maanden na de datum van de publicatie in het
Staatsblad van het koninklijk besluit waarbij die inwerkingtreding wordt
geregeld. Dit vloeit voort uit het Bestuursakkoord Rijk-VNG [Vereniging
van Nederlandse Gemeenten, red.] (Kamerstukken II 1989-1990, 21 631, nr. 1), waarin is vastgelegd dat bij de invoering van
nieuwe maatregelen, waarbij de gemeentelijke instellingen mede functioneren als uitvoeringsorganen, steeds een
redelijke
invoeringstermijn zal worden aangehouden van ten minste drie maanden. Deze
driemaandentermijn zal ook worden gehanteerd voor de inwerkingtreding van
uitvoeringsvoorschriften en circulaires.
Zoals gesteld, heeft
artikel 8b van de Vreemdelingenwet ook rechtstreeks betekenis voor alle
wettelijke regelingen waarbij aanspraken in de zin van artikel 8b worden
gevestigd die nog niet zijn aangepast in het voorliggend
voorstel. Het gaat hier
dus om een onbenoemde categorie regels, die aangepast moeten worden aan het beginsel dat artikel
8b van de
Vreemdelingenwet vestigt, voor zover vreemdelingen op basis van die regels aanspraken geldend
zouden kunnen maken. Juist omdat artikel 8b van de Vreemdelingenwet
zonder enige nadere voorziening van overgangsrechtelijke aard
al die aanspraken zou guillotineren, ook daar waar daarmede geen enkel
redelijk doel gediend - bezien vanuit het principe van het geïntegreerd
vreemdelingenbeleid - zou worden, is voor de aanspraken die
voortvloeien uit regelingen die niet bij het voorliggende voorstel zijn afgestemd
op het koppelingsbeginsel in een "gewenningsperiode"
voorzien, waarin de wetgever alsnog kan bekijken of hij deze aanspraken
wél of niet wil (blijven) toestaan in afwijking van artikel 8b, eerste lid,
eerste volzin, van de Vreemdelingenwet. Voor deze aanspraken geldt volgens
het bij het voorstel behorende overgangsrecht dat zij van kracht
blijven, in afwijking van het in artikel 8b neergelegde koppelingsbeginsel,
totdat zij zijn vervangen. De wetgever moet dus alsnog bekijken in
hoeverre hij hier aanpassingen wil toestaan ten behoeve van vreemdelingen
die géén rechtmatig verblijf genieten. Maar artikel XXIII [vervallen. red.]
bepaalt dat
deze overgangsperiode van eerbiediging niet langer mag duren dan twee
jaren na inwerkingtreding van het tweede lid [vervallen, red.] van artikel XXII
[zie
artikel XXVII van de
wet, red.]. Dan
moet de desbetreffende sectorale wetgeving zijn rblz.|53|
aangepast in
overeenstemming met artikel 8b. Zo niet, dan zijn na ommekomst van die termijn
de binnen die termijn te eerbiedigen aanspraken niet langer
meer geldend te maken. De bestuursorganen zullen na die termijn
moeten handelen in overeenstemming met voornoemd
onmiddellijkheidsbeginsel.
De Staatssecretaris van
Justitie,
E.M.A. Schmitz
De Staatssecretaris van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
T. Netelenbos
De Minister van Landbouw,
Natuurbeheer en Visserij,
J.J. Aartsen
De Staatssecretaris van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
D.K.J. Tommel
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
De Staatssecreraris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
R.L.O. Linschoten
De Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers
|
|