|
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 1997-1998, 25 699.
Handelingen II 1997-1998, blz. 4166-4187, 4241-4263, 4382-4383.
Kamerstukken I 1997-1998, 25 699 (271, 271a, 271b).
Handelingen I 1997-1998, zie vergadering d.d. 28 april 1998.
MEMORIE
VAN TOELICHTING
WET van 29 april 1998, Stb.
1998, 262, tot wijziging van de Wet financiering volksverzekeringen
houdende regels omtrent de maximering van het premiepercentage en de
mogelijkheid van verstrekking van rijksbijdragen voor de algemene
ouderdomsverzekering, alsmede omtrent de vorming van een Spaarfonds AOW.
Inwerkingtreding: 8 mei 1998, zie artikel II.
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is het premiepercentage voor de algemene ouderdomsverzekering
aan een wettelijk maximum te binden en in verband met de financiering
van deze verzekering te voorzien in de mogelijkheid van verstrekking van
een rijksbijdrage en over te gaan tot de vorming van een Spaarfonds AOW;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Art. I.
Wijziging Wet financiering
volksverzekeringen [MvT]
De Wet financiering volksverzekeringen wordt als volgt gewijzigd:
A.
[MvT]
Aan artikel 1 wordt, onder vervanging van de punt aan het einde van
onderdeel e door een
puntkomma, een nieuw onderdeel toegevoegd, luidende:
f. Spaarfonds AOW: het
Spaarfonds AOW, bedoeld in artikel 31.
B.
[MvT]
Aan de tekst van artikel 5
wordt een zinsnede toegevoegd, luidende: en met rijksbijdragen.
C.
[MvT]
Artikel 10, eerste lid,
tweede zin, wordt vervangen door: Het in de eerste zin bedoelde percentage is
het totaal van het percentage, genoemd in artikel
10a, tweede lid, en
de percentages die op grond van artikel 11 worden vastgesteld.
D.
[MvT]
Na artikel 10 worden twee
nieuwe artikelen ingevoegd, luidende:
Art. 10a.
[MvT]
-1. De premie voor de
algemene ouderdomsverzekering bedraagt ten hoogste 16,5 procent.
-2. Onze Minister stelt het
premiepercentage vast voor de algemene ouderdomsverzekering.
Art. 10b.
[MvT]
-1. Onze Minister kan
bedragen vaststellen die als rijksbijdrage ten gunste komen van het
Ouderdomsfonds.
-2. Onze Minister besluit
jaarlijks of in het desbetreffende jaar een rijksbijdrage ten gunste van
het Ouderdomsfonds komt.
-3. De omvang van een ten
gunste van het Ouderdomsfonds komende rijksbijdrage wordt door
Onze Minister bepaald.
E.
[MvT]
In artikel 11, eerste lid,
vervalt "algemene ouderdomsverzekering en de".
F.
[MvT]
In artikel 29, eerste lid,
wordt de aanduiding van de onderdelen b respectievelijk c gewijzigd
in "c" respectievelijk "d" en wordt een nieuw
onderdeel b ingevoegd,
luidende:
b. rijksbijdragen als
bedoeld in artikel 10b;.
G.
Na artikel 29 wordt een
nieuw artikel ingevoegd, luidende:
Art. 29a.
Onze Minister stelt een keer
per jaar een prognose op van de benodigde middelen tot dekking van de
lasten van de algemene ouderdomsverzekering voor de eerstkomende tien
jaren, waarbij onderscheid wordt gemaakt naar de opbrengst
van de premies voor de algemene ouderdomsverzekering, de rijksbijdragen,
bedoeld
in artikel 10b, en de ontvangsten en uitgaven van
het Spaarfonds AOW, bedoeld in artikel 31.
H.
[MvT]
De artikelen 31 tot en met
33 komen te luiden als volgt:
Art. 31.
[MvT]
-1. Er is een Spaarfonds AOW.
-2. Het Spaarfonds AOW is een
begrotingsfonds als bedoeld in artikel 2 van de Comptabiliteitswet.
-3. De ontvangsten van het
Spaarfonds AOW worden gevormd door bijdragen ten laste van de
begroting van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en door
renten op het saldo van het fonds.
-4. De uitgaven van het
Spaarfonds AOW strekken ter bekostiging van lasten van de algemene ouderdomsverzekering.
-5. Onze Minister beheert de
begroting van het Spaarfonds AOW.
-6. In afwijking van de
artikelen 4, tweede lid, en 65, tweede lid, onderdeel a, van de
Comptabiliteitswet worden de begroting en de financiële verantwoording
van het fonds uitsluitend op kasbasis gepresenteerd.
-7. Het gerealiseerde batig
saldo van het Spaarfonds AOW van enig jaar wordt ten gunste gebracht
van de begroting van het Spaarfonds AOW van het daaropvolgende jaar.
Art. 32.
[MvT]
-1. Jaarlijks komt een
bijdrage als bedoeld in artikel 31, derde lid, ten
gunste van het Spaarfonds
AOW.
-2. De omvang van elke ten
gunste van het Spaarfonds AOW komende bijdrage wordt door Onze Minister
in overeenstemming met Onze Minister van Financiën
bepaald.
-3. In het jaar 1999 komt een
bijdrage ten gunste van het Spaarfonds AOW die ten minste ƒ250
miljoen hoger is dan de als bijdragen voor de jaren 1997 en 1998
vastgestelde bedragen.
-4. In elk volgend jaar wordt
een bijdrage ten gunste van het Spaarfonds AOW gebracht die ten minste
ƒ250 miljoen hoger is dan het bedrag dat in het jaar voorafgaande aan
het desbetreffende jaar ten minste ten gunste van het Spaarfonds AOW
diende te worden gebracht.
-5. Het in het Spaarfonds
aanwezige saldo wordt rentedragend in ’s Rijks schatkist aangehouden.
-6. Onze Minister van
Financiën stelt jaarlijks de rente vast die over het saldo van het Spaarfonds AOW
wordt vergoed.
Art. 33.
[MvT]
Onze Minister
kan in
overeenstemming met Onze Minister van Financiën besluiten vanaf
het jaar 2020 uit het Spaarfonds AOW lasten van de algemene
ouderdomsverzekering te betalen.
Art. II.
Inwerkingtreding [MvT]
Deze wet treedt in werking
met ingang van 1 december 1997. Indien het Staatsblad waarin deze wet
wordt geplaatst, wordt uitgegeven op of na 1 december 1997, treedt zij in
werking met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van het
Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en werkt, wat de in artikel I, onderdeel
H, vermelde artikelen 31, 32 en
33 van de Wet financiering
volksverzekeringen betreft, terug tot en met 1 december 1997.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst
en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
29 april 1998
BEATRIX
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
De Minister van
Financiën,
G. Zalm
Uitgegeven de zevende
mei 1998
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|
|