|
rblz.|1|
Kamerstukken II
1997-1998, 25 699
Wijziging
van de Wet financiering volksverzekeringen
houdende regels omtrent de
maximering van het premiepercentage en de mogelijkheid van verstrekking
van rijksbijdragen voor de algemene ouderdomsverzekering, alsmede
omtrent de vorming van een Spaarfonds AOW
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Analyse |
| 3 |
Mogelijke
oplossingsrichtingen |
| 4 |
Het SER-advies inzake
de financiering van de AOW |
| 5 |
Uitwerking van de
beleidsvoornemens van het kabinet |
| 5.1 |
Invulling van de
maximering AOW-premie |
| 5.2 |
Spaarfonds AOW |
|
xArtikelsgewijs |
| xxv |
Artikelen
I en II |
| xBijlage |
Algemeen
deel
1.
Inleiding
Nederland
kent een hoog niveau van de oudedagsvoorziening. De regering is er veel
aan gelegen dit hoge niveau te behouden en tijdig knelpunten weg te
nemen die tot een aantasting van dit niveau zouden kunnen leiden. Inmiddels
is duidelijk dat de financierbaarheid van de oudedagsvoorziening onder
druk kan komen te staan als gevolg van de vergrijzing. De rapporten
en adviezen over hoe om te gaan met deze vergrijzingsproblematiek
volgen elkaar snel op. Het vraagstuk van de financierbaarheid van de oudedagsvoorziening leidt tot onzekerheid bij
mensen over de toekomst
van de AOW en was voor de regering mede aanleiding om zich te
bezinnen op de toekomst van de oudedagsvoorziening, zoals ook reeds was
toegezegd in het kader van het regeerakkoord. In de nota Werken aan Zekerheid
(Kamerstukken II 1996-1997, 25 010, nrs. 1-2, blz. 27 e.v.)
heeft het kabinet helder zijn doelstelling met betrekking tot de oudedagsvoorziening geformuleerd. Het baseerde zich
hierbij onder andere op
de analyse in de Miljoenennota 1996 ten aanzien van de financiering van
de kosten van de vergrijzing (MN 1996, blz. 20). De AOW dient als
basispensioen te worden gewaarborgd. In een moderne samenleving moeten
burgers een waardige oude dag tegemoet kunnen zien. Een volwaardig
basispensioen is dan noodzakelijk, omdat ook in de toekomst rekening moet
worden gehouden met een groep 65-plussers die geen of een beperkt aanvullend pensioen hebben.
Teneinde deze
doelstelling te realiseren, is een aanpassing van de financieringsstructuur
van de AOW gewenst. Voorgesteld wordt deze aanpassing met betrekking
tot de oudedagsvoorziening in de Wet financiering
volksverzekeringen te verankeren. In de eerste plaats wordt in het onderhavige
wetsvoorstel een bovengrens gesteld aan het premiepercentage AOW van 16,5% van het
premieplichtige inkomen en wordt de resterende
financieringsbehoefte van het Ouderdomsfonds aangevuld met rijksbijdragen. Op
deze wijze wordt het draagvlak voor de financiering van de AOW-uitgaven
verbreed en kan worden voorkomen dat het premiepercentage AOW, en
daarmee het tarief eerste schijf, als gevolg van de toenemende
vergrijzing fors oploopt. Dit heeft een gunstig effect rblz.|2|
op de arbeidskosten van
mensen beneden 65 jaar en daarmee op de arbeidsparticipatie in de
toekomst.
In de tweede plaats wordt
een Spaarfonds AOW geïntroduceerd. Door de komende decennia
middelen te reserveren en te storten in het Spaarfonds AOW kan het
Spaarfonds een bijdrage leveren aan de financiering van de piek
van de AOW-uitgaven na 2020 en worden op deze wijze de AOW-uitgaven
beter gespreid in de tijd.
De toelichting op
dit
wetsvoorstel is als volgt opgebouwd. In hoofdstuk 2 wordt nader ingegaan op
de analyse met betrekking tot de financiering van de AOW.
De mogelijke
oplossingsrichtingen voor de financiering van de AOW op de langere termijn en de
discussie daarover met de Vaste Commissie voor Sociale Zaken en
Werkgelegenheid en voor Financiën van 11 november 1996 komen aan de orde in
hoofdstuk 3. Vervolgens wordt in hoofdstuk 4 ingegaan op het SER-advies
[SER: Sociaal-Economische Raad, red.]
van 20 juni jl. over de nota Werken aan Zekerheid en het interimadvies van de SER met betrekking tot de premiemaximering van 17
januari jl.
Voorts is de Studiegroep
Begrotingsruimte in zijn advies ingegaan op de merites van een
Spaarfonds AOW. De regeringsvoornemens met betrekking tot de
financiering van de AOW worden in hoofdstuk
5 beschreven. Daarbij zal
het advies van de Studiegroep Begrotingsruimte aan de orde komen.
2. Analyse
In de nota Werken aan
Zekerheid zijn de wetenschappelijke en maatschappelijke
inzichten omtrent de financiering van de oudedagsvoorziening geconfronteerd met de
analyses van het kabinet (bijlage 2). Op basis van die analyses ¹ concludeert het kabinet dat het mogelijk moet zijn de AOW
ook op lange
termijn aan de contractlonen te koppelen conform de Wet Koppeling
met Afwijkingsmogelijkheden (WKA).
De belangrijkste
conclusies zijn voorts de volgende:
- Volgens de
bevolkingsprognose 1996 van het CBS
[Centraal Bureau voor de Statistiek, red.]
zal in de komende 40 jaar het aantal AOW-gerechtigden naar verwachting verdubbelen van twee miljoen tot meer
dan vier miljoen. Het aandeel 65-plussers in verhouding tot de totale
bevolking neemt toe van 13% in 1995 tot 24% in 2035. Verdubbeling van het aantal AOW-ers leidt daarentegen
niet tot een verdubbeling
van het niveau van de AOW-uitgaven als percentage van het bruto binnenlands
product (BBP). Doordat het AOW-pensioen via de WKA [Wet
ketenaansprakelijkheid, red.] is gekoppeld aan de contractlonen blijft het iets achter bij de
ontwikkeling van de feitelijk verdiende lonen in verband met de factor
"incidenteel". Daarnaast is een toename van de arbeidsparticipatie mogelijk,
hetgeen leidt
tot een relatief sterkere groei van het draagvlak. De
AOW-uitgaven als percentage van het BBP zullen dan ook minder sterk stijgen dan
het aantal AOW-gerechtigden.
Uitgangspunt van de
berekeningen vormden de scenario’s van het CPB [Centraal Planbureau, red.], zoals deze zijn
beschreven in het werkdocument Omgevingsscenario’s langetermijnverkenning
1995-2020. Uitgaande van een scenario met een relatief sterke
economische groei en een sterke stijging van de arbeidsparticipatie (European
Coordination)
zullen de AOW-uitgaven toenemen van 5,3% van het
BBP in 1995 tot minimaal 7,5% in 2037. In geval van een scenario
met een relatief lage economische groei en een geringe stijging van de
arbeidsparticipatie (Divided Europe) zullen de AOW-uitgaven oplopen tot
circa 9% van het BBP in 2037.
rblz.|3|
Uit de berekeningen
blijkt dat de ontwikkeling van de AOW-uitgaven als percentage van het BBP
gevoelig is voor de veronderstelde mate van vergrijzing, de
arbeidsparticipatie en de loonontwikkeling (zie ook Macro-Economische
Verkenning (MEV) 1997, blz. 113).
Uit de
berekeningen
blijkt dat de stijging van het niveau van de AOW-uitgaven kan worden
gedragen als aan een aantal randvoorwaarden wordt voldaan. In de
eerste plaats dient de arbeidsdeelname de komende decennia toe te nemen,
vooral ook door meer oudere werknemers in het arbeidsproces te houden.
Daarnaast is van groot belang dat het beroep op de
socialezekerheidsregelingen naar verhouding verder afneemt om zo het draagvlak voor de
financiering van de oudedagsvoorziening te vergroten. Als derde
randvoorwaarde kan worden genoemd een zodanige vermindering van het
financieringstekort en de staatsschuld dat de rentelasten als
percentage van het BBP kunnen dalen. Een deel van deze vrijvallende rentelasten
zou kunnen worden benut voor de financiering van de vergrijzing.
1. Na het verschijnen van
de nota zijn zowel een nieuwe
bevolkingsprognose van het CBS als nieuwe macro-economische scenario’s van het CPB
beschikbaar gekomen. Deze nieuwe inzichten
waren aanleiding voor nieuwe berekeningen,
waarvan de resultaten in geringe mate afwijken
van de in de nota Werken aan Zekerheidgepresenteerde berekeningen.
- Een tweede
ontwikkeling die van invloed is op de financierbaarheid van de AOW
betreft het
achterblijven van de groei van de heffingsgrondslag bij de groei van de
uitgaven. Maatregelen in het verleden, zoals de Oort-operatie, hebben
de grondslag voor de AOW-premieheffing versmald. Tevens worden
sinds de Oort-operatie onder meer de schijflengten jaarlijks gekoppeld aan
de inflatie. Als de lonen gedurende lange tijd harder stijgen dan
de prijzen, dan valt een steeds groter deel van de loonstijging buiten de
eerste belastingschijf. De ontwikkeling van de loongerelateerde
premie-uitgaven en die van de deels prijsgerelateerde premie-inkomsten gaan dan
steeds verder uit elkaar lopen, waardoor zonder premiemaximering
het premiepercentage zou stijgen. Uit becijferingen blijkt dat
zonder premiemaximering het AOW-premiepercentage in
2035 ruim 26% zal bedragen.
3. Mogelijke
oplossingsrichtingen
In de nota Werken aan
Zekerheid bespreekt het kabinet een aantal mogelijke
oplossingsrichtingen om de financiering van de oudedagsvoorziening veilig te stellen.
a. Premiemaximering
Uit de analyse blijkt dat
verbreding van het draagvlak voor de financiering van de AOW
dringend
gewenst is. Voorts dient de stijging van de AOW-premie tot staan te
worden gebracht. De AOW-uitgavenstijging is in procenten van het BBP
uitgedrukt geen onoverkomelijk probleem, mits aan de genoemde
randvoorwaarden kan worden voldaan. Door de AOW-premie aan een
maximum te binden, wordt voor een belangrijk deel aan de problematiek van
de draagvlakversmalling tegemoet gekomen en wordt de stijging van de
AOW-premie tot staan gebracht. Voor zover de AOW-premie niet voldoende
is om in de financieringsbehoefte van het Ouderdomsfonds te
voorzien, zal het Rijk in de resterende financieringsbehoefte voorzien.
b. Andere indexatie
eerste schijf
Een andere
indexatiesystematiek van de eerste schijf kan een bijdrage leveren aan de
draagvlakverbreding voor de financiering van de AOW. Daarbij geldt als
uitgangspunt dat aan de uit het regeerakkoord voortvloeiende inkomenspolitieke
randvoorwaarden moet worden voldaan.
Het kabinet geeft in de
nota Werken aan Zekerheid aan te kiezen voor het aan een maximum
binden van het AOW-premiepercentage en voorts de mogelijkheid te willen
overwegen de indexeringsystematiek van de eerste schijf aan te
passen, mits kan worden voldaan aan de uit het regeerakkoord
voortvloeiende inkomenspolitieke randvoorwaarden. Verderop in deze memorie
wordt op beide nog teruggekomen.
rblz.|4|
c. Verhoging AOW-leeftijd
Een verhoging van de
AOW-leeftijd zou een bijdrage kunnen leveren aan het verminderen van
het toekomstige niveau van de AOW-uitgaven.
Hiervoor kiest het
kabinet echter niet. Dit instrument zou op dit moment ook niet effectief zijn,
aangezien de arbeidsparticipatie van de groep 55 tot en met 64-jarigen gering
is. Het beleid dient dan ook meer gericht te zijn op bevordering van de
arbeidsdeelname van deze groep.
d. Premieheffing over
inkomen in de tweede en derde schijf
In de nota Werken aan
Zekerheid wordt door het kabinet ook de mogelijkheid besproken om
premie over inkomen in de tweede of zelfs derde schijf te heffen.
Een dergelijk uitbreiding leidt tot een verbreding van het
financieringsdraagvlak voor de AOW.
De optie van
AOW-premieheffing over het inkomen in de tweede en derde schijf heeft niet
de voorkeur van het kabinet. Hoewel solidariteit bij de financiering van de
AOW als volksverzekering een grote rol speelt, past het om ook bij de
volksverzekeringen in de premieheffing het equivalentiebeginsel, dat
wil zeggen het verband tussen de hoogte van de verschuldigde premie en
de hoogte van het uitkeringsrecht, niet geheel uit het oog te verliezen.
e. Een schommelfonds
Tot slot wordt in de nota
Werken aan Zekerheid ook de vorming van een schommelfonds besproken.
Een schommelfonds is een fonds gevoed door extra
premieheffingen, waarmee extra uitgaven in de toekomst kunnen worden opgevangen.
Hierdoor ontstaat geen breder draagvlak voor de premieheffing.
Wel kunnen de AOW-uitgaven in de tijd worden gespreid.
In de nota Werken aan
Zekerheid is ingegaan op de voors en tegens van een schommelfonds. In het
overleg met de Vaste Commissies voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
en voor Financiën over pensioenen d.d. 11 november 1996 is hoofdstuk 3 van de
nota getiteld "De toekomst van de
oudedagsvoorziening"
uitvoerig besproken (Kamerstukken II 1996-1997, 24 328, nr. 4). Daarbij
is gebleken dat een meerderheid van de Kamer positief staat tegenover
de vorming van een spaarfonds voor de AOW. Het idee daarbij was om het
fonds niet te vullen uit extra heffingen, waarvan in de analyse met
betrekking tot een schommelfonds was uitgegaan, maar onder andere uit
meevallers uit hoofde van economische groei en de daling van de
rentelasten als gevolg van de terugdringing van de overheidsschuld. Dit
wetsvoorstel haakt onder meer in op de bij die gelegenheid naar voren
gebrachte ideeën.
4. Het SER-advies inzake
de financiering van de AOW
Het kabinet heeft de nota
Werken aan Zekerheid op 18 september 1996 voor advies aangeboden
aan de SER. In de adviesaanvrage aan de SER heeft het kabinet
gevraagd om over het in de nota aangekondigde beleidsvoornemen om een
bovengrens te stellen aan de hoogte van de AOW-premie versneld
advies uit te brengen. Dit interimadvies (Interimadvies inzake de financiering
van de AOW op de korte termijn, nr. 97/02) is op 17 januari aan het
kabinet aangeboden. Het advies over de nota Werken aan Zekerheid is op
20 juni 1997 aan het kabinet aangeboden. In deze memorie van
toelichting wordt dit laatste SER-advies besproken voor zover dit advies
betrekking heeft op de financiering van de AOW.
rblz.|5|
De SER geeft in hoofdstuk
6 van het advies een uitvoerige analyse van de oudedagsvoorziening
op de lange termijn, mede in het licht van de doelstelling en functie
van de AOW en het sociaal-economisch beleid in relatie tot de
houdbaarheid van de AOW. Met name wijst de Raad op het belang van de economische
groei, de toename van de arbeidsparticipatie en de beheerste
ontwikkeling van de overheidsuitgaven die leidt tot een reductie van het
financieringstekort en de staatsschuld. Naarmate de randvoorwaarden niet
optimaal kunnen worden gerealiseerd, is er in de zienswijze van de Raad
behoefte aan aanvullend beleid om ook in de verdere toekomst de
handhaving van de AOW als volwaardig basispensioen te kunnen waarborgen.
Deze analyse komt in
hoofdlijnen overeen met de analyse van het kabinet. De SER
concludeert naar aanleiding van de analyse dat de centrale vraag over de
toekomstige AOW-uitgaven die in het advies voorligt, is hoe deze in
structurele zin zullen moeten worden gefinancierd en wie in welke mate deze
lasten zullen dragen.
De
SER bespreekt in zijn
advies de volgende financieringsvarianten voor de AOW
die
beleidsrelevant kunnen worden geacht voor het opvangen van de toenemende
AOW-uitgaven:
- verlenging naar boven
van de eerste schijf van de loon- en inkomstenbelasting;
- verlenging naar
beneden van de eerste schijf van de loon- en inkomstenbelasting via
het afschaffen van de heffingsvrije som in combinatie met het
verlenen van een belastingkorting;
- invoering van
AOW-premieheffing over de tweede en eventueel de derde schijf van de loon-
en inkomstenbelasting;
- invoering van
AOW-premieheffing voor 65-plussers;
- uitbreiding van de
financiering uit de algemene middelen (met inbegrip van volledige
financiering daaruit als variant);
- gedeeltelijke
financiering op basis van fondsvorming door invoering van een
AOW-spaarrekening;
- gedeeltelijke
financiering op basis van fondsvorming door invoering van een AOW-schommelfonds
(gefinancierd uit extra premieheffing, met inbegrip van volledige
financiering op basis van kapitaaldekking als variant).
De
SER wijst uit de
hierboven genoemde varianten de varianten uitbreiding van de AOW-premieheffing tot de tweede en eventueel derde
schijf en invoering van
een schommelfonds af, omdat deze in mindere mate voldoen aan de door
de Raad geformuleerde randvoorwaarden. Beide varianten hebben
een negatief effect op de werkgelegenheid en de arbeidsparticipatie.
Wat betreft de variant
afschaffen van de heffingsvrije som in combinatie met het verlenen van een
belastingkorting stelt de Raad vast dat deze financieringsvariant
weliswaar leidt tot een substantiële verbreding van de premiegrondslag van de
AOW, maar eveneens zeer vergaande implicaties heeft voor de structuur van de loon- en inkomstenbelasting en
voor de verdeling van de
belastingdruk. Daarom vergt een finale beleidsmatige beoordeling
van deze variant een bredere afweging. De Raad komt hierop terug in
het kader van de advisering over het fiscale stelsel in de 21ste eeuw.
Wat betreft de invoering
van een spaarrekening komt de Raad eveneens niet nu tot een finale
beleidsmatige beoordeling. De Raad wijst erop dat er verschillende wegen zijn
om te komen tot een evenwichtige spreiding van de lasten als gevolg van
de vergrijzing in de tijd, zoals langs verdergaande terugdringing van het
financieringstekort leidend tot een reductie van de staatsschuldquote. De
Raad is van oordeel dat de gedachte van het in de rblz.|6|
tijd spreiden van de AOW-uitgaven moet worden beoordeeld in het kader van een bredere afweging
waarbij alle relevante aspecten (inclusief lasten en baten) van de
vergrijzing worden betrokken. Bij de finale afweging is de vormgeving van een
eventuele AOW-spaarrekening in de ogen van de Raad een cruciale factor.
Ten aanzien van de
overige financieringsvarianten wijst de Raad
in zijn advies erop dat geen
enkele variant in alle opzichten aan de door de Raad geformuleerde
uitgangspunten en randvoorwaarden tegemoet komt. Op basis daarvan concludeert
de Raad dat een uitdrukkelijke keuze voor slechts één van de
varianten thans niet voor de hand ligt. Deze conclusie geldt wat de Raad betreft
in het bijzonder voor de financieringsvarianten die uit zichzelf niet
kunnen worden gecombineerd met andere varianten, met name volledige
financiering van de AOW uit de algemene middelen en volledige financiering
van de AOW op basis van kapitaaldekking. Onder meer vanwege hun
verstrekkende karakter acht de Raad deze varianten thans niet
opportuun.
De
SER komt in zijn
advies met de volgende set van aanbevelingen gericht op een
structurele verbreding van de financieringsbasis van de AOW. Met deze aanbeveling
kan wat betreft de Raad adequaat worden gereageerd op zowel de
negatieve gevolgen van de uitholling van de grondslag voor de
AOW-premieheffing in de voorbije jaren als op de in de toekomst te verwachte
"vergrijzingshobbel".
In de eerste plaats
beveelt de Raad aan dat de indexeringssystematiek van de eerste schijf van
de loon- en inkomstenbelasting op korte termijn structureel zal worden
gewijzigd.
In de tweede plaats pleit
de Raad in ieder geval voor een structurele maximering van het AOW-premiepercentage op 16,5%.
In de derde plaats stelt
de Raad een mix van aanvullende structurele maatregelen voor. Het
gaat met name om de volgende beleidsmaatregelen:
- een verlenging van de
(bovenkant van de) eerste schijf van de loon- en inkomstenbelasting,
waardoor een deel van de AOW-uitgavenstijging neerslaat bij de huidige
AOW-premieplichtigen;
- uitbreiding van de
AOW-financiering uit de algemene middelen (in aanvulling op de huidige
rijksbijdrage aan het Ouderdomsfonds), waardoor de arbeidskosten
worden ontzien, maar ook zodanig dat naast actieven ook
AOW-gerechtigden een evenredige bijdrage leveren aan de financiering van de
toename van de AOW-uitgaven.
Een verlenging van de
eerste schijf leidt ertoe dat een groter deel van het inkomen
premieplichtig wordt. Als gevolg hiervan nemen de premie-inkomsten toe en
wordt, althans in de zienswijze van de Raad, de solidariteit naar inkomen
vergroot. De uitbreiding van de financiering uit algemene middelen
voorziet, aldus de Raad, in een structurele financiering van een deel van de
toekomstige groei van de AOW-uitgaven, zonder dat dit leidt tot een
stijging van de arbeidskosten en een toename van de wig. Op deze wijze wordt de
toekomstige groei van de AOW-uitgaven door de gehele samenleving
gedragen en wordt het groeigenererend vermogen van de economie zo weinig
mogelijk aangetast.
Beide door de
Raad voorgestelde maatregelen worden niet verder door de
Raad uitgewerkt. De Raad wijst erop dat de concrete invulling mede moet worden gezien in het
breder verband van de toekomst van het fiscale stelsel in de 21ste
eeuw, alsmede op de compenserende maatregelen teneinde een budgettair-
en inkomensneutrale invoering te bewerkstelligen.
rblz.|7|
De
regering onderkent de
relevantie van een afweging in een breder verband. Niettemin zijn
er redenen om uitstel van de besluitvorming als minder wenselijk te
beoordelen. Ten eerste omdat het wenselijk is op korte termijn zekerheid
te bieden over de veiligstelling van de financiering van de AOW
en ten tweede
omdat het vanuit de systematiek van een spaarfonds wenselijk is
om op zo kort mogelijke termijn stortingen te verrichten.
5. Uitwerking van de
beleidsvoornemens van het kabinet
De regering is van mening
dat de oplossing voor de financiering van de AOW
meervoudig is. De
lasten dienen beter gespreid te worden door een verbreding van het
draagvlak en door het beter verdelen van de lasten in de tijd. Ook de
bevordering van de economische groei en de arbeidsparticipatie zijn in dit kader van
belang.
Op basis van het overleg
met de Tweede Kamer van 11 november 1996 en de adviezen van de SER
wat betreft de financiering van de AOW meent de regering dat er brede
steun is om met een mix van instrumenten de financiering van de AOW
in de toekomst veilig te stellen. Concreet stelt zij voor premiemaximering AOW
met aanvulling van de resterende financieringsbehoefte uit
de algemene middelen en de oprichting van een Spaarfonds AOW. De
mogelijkheid van een andere indexatiesystematiek van de eerste schijf,
mits inkomenspolitiek in te passen, zal worden bezien in samenhang met
de verkenning "Belastingen in de 21ste eeuw".
Ondertsaand worden de
twee eerder genoemde instrumenten verder uitgewerkt en toegelicht.
5.1. Invulling van de
maximering AOW-premie
Het onderhavige
wetsvoorstel strekt ertoe door middel van een wijziging van de Wet
financiering volksverzekeringen (Wfv) een bovengrens aan te brengen in de
hoogte van de premie voor de AOW. De maximumpremie wordt
daarbij vastgesteld op 16,5%. Dit is het niveau van de AOW-premie voor
1997 vermeerderd met het effect van de wetgeving rondom de
nieuwe arbeidsongeschiktheidsregelingen per 1 januari 1998. Aldus
ontstaat een geleidelijk toenemende, partiële financiering van de AOW
uit de algemene middelen. Deze geleidelijke financieringsverschuiving
van de fondsen naar de rijksbegroting verbreedt het financieel
draagvlak.
5.1.1.
Verzekeringskarakter AOW
De
AOW is een
volksverzekering, met haar eigen kenmerken en karakter. De vraag zou kunnen
opkomen of door deze gedeeltelijke financiering uit de algemene middelen dit
volksverzekeringskarakter wordt aangetast. Ook de SER
besteedt daar in
zijn interimadvies aandacht aan. Kenmerkend voor de volksverzekeringen zijn, zoals de
Raad in eerdere adviezen heeft
aangegeven, het
verzekeringskarakter en het solidariteitselement.
Het verzekeringskarakter
komt tot uitdrukking in het risicokarakter van de verzekering en in het
bestaan van een aparte bekostigingsstroom, het fonds, ten gunste waarvan
premies al dan niet aangevuld met bijdragen van het Rijk worden
afgedragen. Het solidariteitsbeginsel komt tot uitdrukking in het
verplichtend karakter en wordt nog versterkt door het bij verzekeringen horend
equivalentiebeginsel meer op de achtergrond te plaatsen.
De gedeeltelijke
financiering vanuit de algemene middelen tast het karakter van de AOW als
volksverzekering niet aan. Overigens wordt door dit wetsvoorstel geen
enkele wijziging gebracht in de rechten die aan de AOW ontleend kunnen
worden.
rblz.|8|
5.1.2. Uitwerking van het
voorstel
In het nieuwe
artikel 10a van de Wfv is de gewijzigde financieringssystematiek van de
AOW
neergelegd.
Vastgelegd is dat de premie voor de AOW ten hoogste 16,5%
bedraagt. Indien het Ouderdomsfonds een grotere
financieringsbehoefte heeft dan waarin door middel van premies kan worden
voorzien, kan
door middel van een rijksbijdrage deze resterende
financieringsbehoefte worden aangevuld. De premie voor de AOW wordt vastgesteld
door de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid. Het betreft hier in
materiële zin overigens geen nieuwe bevoegdheid van de minister. Ook in de huidige situatie is de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid bevoegd goedkeuring te onthouden aan het door de Sociale
Verzekeringsbank (SVB) vastgestelde premiepercentage en daarvoor in de plaats
een nieuw percentage vast te stellen. Van deze bevoegdheid is
in het verleden veelvuldig gebruik gemaakt. Immers de
premievaststelling door de SVB geschiedt in de maand juni zonder dat rekening wordt
gehouden met nieuw beleid. Na de derde dinsdag in september is
pas duidelijk wat het nieuwe beleid voor het volgende jaar inhoudt en
welke invloed daarvan uitgaat op de financiering van de AOW. Ook zijn dan
actuelere economische prognoses beschikbaar. Met inachtneming van die
gegevens stelt de minister vervolgens de definitieve AOW-premie
vast.
In de nieuwe situatie is
de hoogte van het premiepercentage gebonden aan een maximum en bij
het lager vaststellen dan het maximum gelden veelal beleidsmatige
overwegingen. Er is dus geen goede reden meer om de premie AOW door de
SVB
te laten vaststellen. Dit neemt niet weg dat de SVB wel zorg dient te
blijven dragen voor een goede informatievoorziening richting de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid op basis waarvan de minister de premie kan vaststellen. In de werkzaamheden van de SVB verandert dan
ook niets, louter het formele bestuursbesluit van de premievaststelling
komt te vervallen.
Wat betreft het voorzien
in de - als gevolg van de te geringe premie-inkomsten - eventueel resterende
financieringsbehoefte van het Ouderdomsfonds zal het
huidige beleid worden gevolgd. Dit houdt in dat gestreefd wordt naar een
evenwichtige situatie bij de fondsen en dat de rijksbijdrage daarop zal
worden afgestemd. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zal,
zoals nu ook gebruikelijk is, jaarlijks bezien in welk tempo en met welke
bedragen aan de financieringsbehoefte van het Ouderdomsfonds tegemoet
dient te worden gekomen.
Als gevolg van de
maximering van het AOW-premiepercentage zal de omvang van de
rijksbijdrage in de praktijk jaarlijks worden vastgesteld. De desbetreffende bepaling
in de wet laat overigens open dat, voor zover de premie-inkomsten
toereikend zijn, geen rijksbijdrage hoeft te worden vastgesteld; het artikel
10b, eerste lid, betreft namelijk een zogenaamde "kan-bepaling".
5.1.3. Financiële
gevolgen van premiemaximering AOW
Door het stellen van een
bovengrens aan de AOW-premie en aanvullende financiering door middel
van een rijksbijdrage zal een geleidelijk toenemend deel van de
AOW-uitgaven gefinancierd worden uit de algemene middelen. De
AOW-premie wordt gemaximeerd op 16,5%. De desbetreffende
rijksbijdrage AOW is berekend op ƒ0,35 miljard in 1997; daarnaast is voorzien in
een additionele rijksbijdrage van ƒ2,1 miljard. In 1998 zal de rijksbijdrage
ƒ3,15
miljard bedragen. Hierbij is rekening gehouden met extra eenmalige
rijksbijdragen in 1997 in het kader van het lasten- en koopkrachtbeeld 1998. Met
deze extra rijksbijdragen in 1997 zijn de vermogenstekorten ultimo
1997 weggenomen, zodat geen tijdelijke vermogensinhaal via de
hoogte van de rijksbijdrage in 1998 is vereist. Het rblz.|9|
CPB heeft berekend dat de
verwachte volumeontwikkelingen tot 2000 leiden tot een verhoging
van de rijksbijdrage met circa ƒ0,5 miljard per jaar.
De regering zal ieder
jaar bij de begrotingsvoorbereiding bezien waaruit de eventuele
rijksbijdrage gefinancierd dient te worden. De financiering van de rijksbijdrage 1998
voor de AOW is verwerkt in het belastingtarief eerste schijf, hetgeen in
het belastingplan wordt vastgesteld.
De besluitvorming omtrent
de financiering van de rijksbijdrage in de toekomst dient te worden
bezien in het licht van het streven naar evenwichtige
inkomensverhoudingen, rekening houdend met draagkrachtverschillen.
5.2. Spaarfonds AOW
5.2.1. Inleiding
Zoals aangegeven, heeft de
regering zich op verzoek van de Tweede Kamer gebogen over de
mogelijkheden om nu reeds gelden te reserveren voor de toenemende lasten
van de AOW zonder dat dit schadelijke effecten met zich brengt
voor de arbeidsparticipatie.
In de nota Werken aan
zekerheid is aangegeven dat de daling van de rentelastquote dienstig
kan zijn aan de langetermijnfinanciering van de AOW-uitgaven. De analyse
in de Miljoenennota 1996 ligt hieraan ten grondslag. Daarin is
uiteengezet dat een daling van de staatsschuld, naast een noodzakelijke
voorwaarde voor deelname aan de EMU [Economische en Monetaire Unie, red.], vooral ook nodig is om de druk van
de rentebetalingen op de begroting te verminderen. Lagere rentebetalingen
leiden immers rechtstreeks tot een grotere budgettaire ruimte. Deze ruimte kan dan worden benut om de opwaartse
budgettaire druk die de
vergrijzing met zich brengt op te vangen (MN 1996, blz. 20).
5.2.2. Het advies van de
Studiegroep Begrotingsruimte
De Studiegroep
Begrotingsruimte heeft in juni een advies uitgebracht over het budgettair
beleid in de komende kabinetsperiode.¹ Hierin wordt uitvoerig ingegaan op de
merites van een Spaarfonds AOW. Voorts worden rekenvoorbeelden
voor de voeding geschetst. Ook in dit advies spelen de reductie van de staatsschuld en de daarmee samenhangende
daling van de rentelasten
een belangrijke rol bij de financiering van de AOW
op langere termijn.
1. Studiegroep
Begrotingsruimte, Op weg naar begrotingsevenwicht, Kamerstukken II 1996-1997, 25 400, nr. 1.
De Studiegroep
onderscheidt drie elkaar aanvullende en versterkende beleidsrichtingen:
1. heroverweging
bestaande socialezekerheidsarrangementen;
2. vergroting
arbeidsparticipatie voor draagvlakverbreding;
3. daling schuldquote om
vrijvallende rentelasten in te zetten voor opvang vergrijzingskosten.
Volgens de Studiegroep
Begrotingsruimte moet worden voorkomen dat vrijvallende rentelasten
worden ingezet voor lopende uitgaven. Aanbevolen wordt een deel van de
vrijvallende rentelasten in te zetten voor het opvangen van de
vergrijzingskosten. Door in de aanloop van de vergrijzing de
overheidsschuld terug te brengen, kan de aldus gecreëerde financiële ruimte in de
piekjaren worden aangesproken. Daarnaast kan een deel van de
rentebesparingen worden aangewend voor versterking van economische
structuur. Het draagvlak voor toekomstige vergrijzingslasten wordt zo vergroot.
Op beleidsrichting 3
wordt in het advies dieper ingegaan. De rentebesparingen als gevolg van
schuldreductie kunnen (deels) worden rblz.|10|
bestemd voor toekomstige AOW-uitgaven. Het fonds kan ook worden gevoed met
groeimeevallers.
Ten aanzien van de omvang
van het fonds geeft de Studiegroep een aantal overwegingen die
een rol kunnen spelen. Het Spaarfonds moet een substantieel deel van de
piek in de toekomstige AOW-uitgaven, over een voldoende lange periode
dekken; daarvoor, en voor evenwichtige spreiding van de
stortingen over de tijd, is het noodzakelijk dat reeds vroegtijdig substantiële
stortingen worden gedaan, waarbij overigens geldt dat de stortingen
in het fonds inpasbaar moeten zijn in het budgettaire beleid.
Tot slot wordt gewezen op
de mogelijkheid om een deel van de rentebesparingen aan te
wenden voor versterking van de economische structuur om aldus het
economische draagvlak voor het opvangen van vergrijzingslasten te
verbreden.
5.2.3. De functie en
voeding van het Spaarfonds AOW
Mede op basis van de
analyses in de Miljoenennota 1996 en het advies van de Studiegroep
Begrotingsruimte, alsmede naar aanleiding van de discussie met de Vaste
Commissies voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid en voor Financiën heeft
de regering besloten tot invoering van een Spaarfonds AOW.
Zoals eerder is
aangegeven, nemen de AOW-uitgaven op langere termijn toe tot minimaal
7,5% van het BBP. Deze piek doet zich echter pas voor over een groot
aantal jaren. Bij een voortzetting van de huidige gunstige economische
ontwikkeling zullen de AOW-uitgaven pas na het jaar 2010 substantieel
uitkomen boven het huidige niveau, om vervolgens verder toe te nemen tot
de piek wordt bereikt na 2035.
Indien geen aanvullende
bron van financiering voor de AOW-uitgaven wordt gevonden, betekent bovenstaande echter dat in de jaren na 2010 de
financiering door middel
van rijksbijdragen, en derhalve het beslag op de rijksbegroting, steeds
groter wordt. In de piekjaren, dat wil zeggen de periode na 2020, neemt dit beslag aanzienlijk meer ruimte in. Dit houdt
dus een risico in voor de
langere termijn.
De jaren voordat de piek
wordt bereikt, kunnen echter worden benut om te anticiperen op de
financiering van de piek in de AOW-uitgaven. De zich aftekenende reductie van
de overheidsschuld leidt immers tot een daling van de rentelasten. Dit
betekent dat ruimte vrijkomt op de begroting. Een deel van deze ruimte zal
worden benut voor de financiering van de stortingen in het
Spaarfonds AOW. Dit houdt tevens in dat in de algemene afweging van volgende
kabinetten een deel van deze ruimte voor andere doeleinden, zoals investeringen in versterking van de economische
structuur of de
zorgsector, zou kunnen worden aangewend.
Het toenemend beslag van
de financiering van de AOW-uitgaven gaat met andere woorden pas
echt een rol spelen in de jaren na 2010. Gegeven de premiemaximering
betekent dit dat een toenemend deel van de AOW-uitgaven door middel
van rijksbijdragen aan het Ouderdomsfonds zal moeten worden
gefinancierd. De financiering van deze rijksbijdragen kan in principe uit drie
bronnen geschieden, te weten belastingverhoging, lagere rentelasten uit
hoofde van een voldoende laag tekortniveau dan wel lagere overheidsuitgaven en uitnamen uit het Spaarfonds AOW. De
regering is van mening
dat financiering door middel van belastingverhoging natuurlijk zoveel
mogelijk vermeden dient te worden. Dit onderstreept de noodzaak
tot een verdere tekortreductie en daarmee een verdere daling van de
staatsschuld. Naarmate deze schuldreductie meer wordt gerealiseerd, kan de
rentevrijval toenemen. Deze vrijvallende rentelasten kunnen dan
onder meer worden aangewend voor de financiering van de
rijksbijdragen aan het Ouderdomsfonds.
De beoogde tekortreductie
(in de technische becijferingen is uitgegaan van een tekortreductie
tot 1% BBP in 2002) leidt op kortere termijn tot een rblz.|11|
grotere daling van de
rentevrijval dan noodzakelijk is voor de financiering van de rijksbijdragen aan
het Ouderdomsfonds. De ruimte die hierdoor ontstaat, kan worden benut
voor de financiering van de stortingen aan het Spaarfonds AOW. Het
vermogen dat aldus wordt opgebouwd in het Spaarfonds AOW kan in een
later stadium worden benut voor de financiering van de piek in de
AOW-uitgaven. Naarmate meer wordt gestort in het Spaarfonds
wordt het beslag op de begroting voor de financiering van de
rijksbijdragen derhalve geringer en ontstaat op termijn meer ruimte om de
vrijvallende rentelasten voor andere doeleinden aan te wenden.
Het doel van het
Spaarfonds AOW is dan ook om de piek in de AOW-uitgaven op te kunnen
vangen. Gelet op de wenselijkheid van een zo stevig mogelijke
financiële basis vervult daarom het Spaarfonds AOW een wezenlijke rol.
Gedurende een groot
aantal jaren worden stortingen verricht in het Spaarfonds AOW. Voor 1997
bedraagt deze storting ƒ750 miljoen. De regering heeft besloten om vanaf
1998 het niveau van de basisstorting op minimaal ƒ1,5 miljard
structureel vast te stellen. Indien vervolgens vanaf 1999 een groeipad wordt
aangehouden van ƒ250 miljoen per jaar, is gewaarborgd dat vanaf het jaar 2010
de voeding van het Spaarfonds AOW een niveau van minimaal ƒ4,5 miljard
bereikt. Bij voortzetting hiervan wordt in 2020 een niveau van minimaal ƒ7
miljard
bereikt. Het vermogen dat aldus wordt opgebouwd in het
Spaarfonds AOW is, tezamen met de rijksbijdragen, die kunnen worden
gefinancierd uit de rentevrijval, toereikend om de piek in de AOW-uitgaven op te
vangen. De uitnames uit het Spaarfonds AOW kunnen niet eerder dan
het jaar 2020 beginnen. Op deze wijze wordt bewerkstelligd dat met
het Spaarfonds daadwerkelijk de financiering van de piek in de
AOW-uitgaven wordt zeker gesteld.
De financiering van de
AOW-uitgaven bestaat dan uit drie bestanddelen, te weten
premie-inkomsten, rijksbijdragen aan het Ouderdomsfonds en uitnames uit het
Spaarfonds AOW ten gunste van het Ouderdomsfonds. Dit is geïllustreerd in
onderstaande grafiek. In de bijlage zijn ter illustratie twee alternatieve
scenario’s gepresenteerd met betrekking tot de financiering van de
AOW-uitgaven.

rblz.|12|
De technische
veronderstellingen die aan deze grafiek ten grondslag liggen, sluiten aan bij
het rapport van de Studiegroep Begrotingsruimte.
Gemeten in arbeidsjaren
stijgt de nettoarbeidsparticipatie van circa 54% thans tot bijna 67%
op het hoogtepunt van de vergrijzing. Als gevolg van de demografische
ontwikkeling neemt de groei van de beroepsbevolking, en daarmee van de
werkgelegenheid, geleidelijk af. Bij een veronderstelde
gelijkblijvende groei van de arbeidsproductiviteit daalt daarom ook de
volumegroei van het BBP van 2,8% in de jaren tot 2010 tot 1,4% in 2031-2040.
Gemiddeld genomen is een jaarlijkse groei van 2% verondersteld. Daarnaast
is uitgegaan van een rente van 5,5%.
Conform het advies van de
Studiegroep is aangenomen dat het EMU-tekort in 2002 is
teruggebracht tot 1% van het BBP. In afwijking van de berekeningen in het
rapport van de Studiegroep is na 2002 geen verdere tekortreductie
verondersteld anders dan de tekortreductie die voortvloeit uit de
stortingen in het Spaarfonds AOW. Het EMU-tekort daalt hierdoor tot gemiddeld
circa 0,5% in 2010-2020.
Indien het EMU-tekort zou
worden gereduceerd tot 0% in 2006 en voor de jaren na 2006 zou
worden aangenomen dat alleen de stortingen in en uitnamen uit het
Spaarfonds AOW zorgen voor fluctuaties in het EMU-tekort, dan
resulteert in 2010-2020 een EMU-overschot van gemiddeld circa 0,25% BBP.
De bijgevolg aanzienlijk grotere rentevrijval maakt het dan mogelijk om
een groter deel van deze rentevrijval aan te wenden voor andere
doeleinden dan de AOW.
In de basisvariant kan,
gegeven de behoedzame veronderstellingen ten aanzien van de
economische groei, worden voldaan aan de doelstelling zoals hierboven
omschreven (zekerstelling van de financiering van de piek in de AOW-uitgaven door
instelling van een Spaarfonds AOW). Concreet betekent dit dat,
uitgaande van de genoemde veronderstellingen, in de piekjaren circa 12% van de
AOW-uitgaven kan worden gefinancierd uit het Spaarfonds AOW. Andere
doelstellingen van beleid, waaronder de gestadige toename van de werkgelegenheid, behoeven hierdoor niet in
het gedrang te komen.
De basisgarantie met
betrekking tot de voeding van het Spaarfonds AOW laat uiteraard
onverlet dat tussentijds besloten kan worden om het niveau van de storting
hoger vast te stellen dan voortvloeit uit het geleidelijke groeipad van
de minimumstorting, bijvoorbeeld voor zover een hogere economische
groei hiervoor de ruimte biedt. Hierdoor kan een groter vermogen in het
Spaarfonds worden opgebouwd dan via de geformuleerde
minimumstortingen. Aldus kan in een later stadium een groter deel van de
AOW-uitgaven uit het Spaarfonds worden gefinancierd. De rijksbijdrage aan het
Ouderdomsfonds zal in die jaren lager uit kunnen komen, waardoor als
gevolg van de dalende rentelasten ruimte beschikbaar komt op de rijksbegroting die kan worden aangewend voor
andere doeleinden dan de
AOW.
Mocht op grond van
(voorlopige) realisatiecijfers over 1997 blijken dat er in 1998 sprake is van
een nadere belastingmeevaller, dan zal het structurele deel ervan
worden aangewend voor een duurzame verhoging van de voeding van het
Spaarfonds AOW. Met het oog hierop zal de regering ten tijde van de
vaststelling van de Voorlopige Rekening 1997 de eventuele toevoeging van
middelen 1998 aan het Spaarfonds AOW preciseren.
Op deze wijze wordt in de
ogen van het kabinet reeds nu de financierbaarheid van de AOW-uitgaven op de
langere termijn zeker gesteld. De daling van de rentelasten
biedt de ruimte om voor de komende decennia een substantieel
Spaarfonds op te bouwen om de AOW-uitgaven te financieren op het moment
dat de vrijvallende rentelasten niet meer toereikend zouden zijn.
Daarnaast bestaat, zoals hierboven is aangegeven, rblz.|13|
de mogelijkheid om,
gegeven de beschikbare ruimte en de ontwikkeling van de economische groei,
steeds de afweging te maken om meer in het fonds te storten. Dit
maakt het mogelijk om een deel van de vrijvallende rentelasten die anders
noodzakelijk zou zijn voor de financiering van de AOW-uitgaven voor andere
doeleinden aan te wenden. Eén en ander maakt het mogelijk ook in
de jaren dat de AOW-uitgaven hun piek bereiken deze uitgaven te
financieren zonder dat dit leidt tot een te hoge druk op de begroting in
die jaren.
5.2.4. De positionering
van het Spaarfonds AOW
De regering kiest
ervoor
om het Spaarfonds vorm te geven als een apart begrotingsfonds. De
stortingen in het fonds worden jaarlijks vastgesteld door de
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, in overeenstemming met de
Minister van Financiën. Een belangrijke functie van het fonds is dat
zekerheid wordt geboden met betrekking tot de toekomstige financiering
van de AOW-uitgaven. De vormgeving van een apart begrotingsfonds
garandeert deze zekerheid. Naast de jaarlijkse stortingen zal jaarlijks
een rente worden vergoed door het Rijk over het aanwezige saldo van het
fonds. Als uitgangspunt voor de hoogte van de rentevergoeding zal de
rente voor de wachtgeldfondsen in het kader van het geïntegreerd
middelenbeheer worden gehanteerd.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel
I. Wijziging Wet
financiering volksverzekeringen
Onderdeel A
In
artikel 1 van de Wfv
wordt het begrip "Spaarfonds AOW" genoemd. Omdat een apart
begrotingsfonds ter financiering van lasten van de ouderdomsverzekering in
de Wfv
wordt geïntroduceerd, is in artikel 1 het Spaarfonds AOW in de
begripsbepalingen opgenomen.
Onderdeel B
De wijziging van
artikel
5 Wfv is een technische. Aangezien met betrekking tot de
ouderdomsverzekering een financiering mede door middel van een
rijksbijdrage aan de orde kan zijn op grond van de artikelen
10a en 32 van
die wet, dienen deze bijdragen te worden toegevoegd in artikel
5.
Onderdeel C
De wijziging van de
tweede zin van artikel 10, eerste lid, Wfv
houdt verband met de splitsing
van het premievaststellingsartikel 11 in twee aparte
artikelen 10a (ouderdomsverzekering) en
11 (overige volksverzekeringen).
Onderdeel D
In het nieuwe
artikel 10a, eerste lid, Wfv
wordt vastgelegd dat de premie voor de algemene ouderdomsverzekering ten hoogste
16,5% bedraagt. Het
gaat hierbij om 16,5% van de belastbare som voor de premieheffing. De
belastbare som voor de premieheffing is omschreven in artikel
10,
derde tot en met vijfde lid.
In het tweede lid wordt
bepaald dat het de taak van de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid is om de premie voor de ouderdomsverzekering vast te stellen. De
vaststelling van de premiehoogte is wettelijk gezien vrij,
zij het dat de premie, zoals vermeld, maximaal 16,5% van de belastbare
som voor de premieheffing bedraagt.
rblz.|14|
Artikel 10b
geeft de
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de mogelijkheid
rijksbijdragen te verstrekken ten gunste van het Ouderdomsfonds. De wettelijke regeling
verplicht niet tot een rijksbijdrage in één of meer omstandigheden, noch
bepaalt zij dat de rijksbijdrage van een bepaalde (minimale)
omvang dient te zijn. Het is aan de minister om te bepalen of een
rijksbijdrage, en zo ja, welke rijksbijdrage wordt verstrekt. In het algemeen deel van
deze memorie van toelichting is nader ingegaan op de mogelijkheid tot verstrekking van een rijksbijdrage en de verwachtingen
die bestaan met
betrekking tot de omstandigheden waaronder sprake zal zijn van
verstrekking van een rijksbijdrage.
Onderdeel E
In verband met het feit
dat de premievaststellingstaak voor de ouderdomsverzekering op grond van het
nieuwe
artikel 10a bij de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid komt te rusten en de Sociale
Verzekeringsbank in dezen geen taak meer
heeft, kan in artikel 11, eerste lid, Wfv
de premievaststelling voor de ouderdomsverzekering komen te vervallen.
Onderdeel F
Aangezien de lasten van
de ouderdomsverzekering niet langer zonder meer worden gefinancierd
uit uitsluitend premie, is in artikel 29, eerste lid, de rijksbijdrage als
inkomstenbron voor het Ouderdomsfonds toegevoegd.
Onderdeel G [zie
art. I, onderdeel H, van de
wet, red.]
In de
artikelen 31, 32 en
33 van de Wfv worden regels gesteld omtrent het Spaarfonds AOW.
Artikel 31 bepaalt de
instelling van het Spaarfonds AOW. Voorts worden in dit artikel de status,
de bronnen van ontvangsten, de bestemming van de uitgaven en het beheer
van het Spaarfonds AOW geregeld.
Het Spaarfonds AOW is een
begrotingsfonds in de zin van de Comptabiliteitswet. De bepalingen van de
Comptabiliteitswet zijn als gevolg daarvan ook van
toepassing op het Spaarfonds AOW, behoudens waar in deze wet wordt afgeweken
van bepalingen van de Comptabiliteitswet.
Het Spaarfonds AOW wordt
gevoed uit bijdragen ten laste van de rijksbegroting (hoofdstuk XV: Ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid) en renten op het
totaalsaldo van het fonds. Omtrent de voeding van het Spaarfonds AOW
via bijdragen ten laste van de rijksbegroting en de vaststelling van
rente stelt artikel 32 nader regels.
De gelden van het
Spaarfonds AOW zijn uitsluitend bestemd ter bekostiging van lasten
uit hoofde van de algemene ouderdomsverzekering. Artikel 33 stelt verder
regels over de mogelijkheid van onttrekking van gelden aan het
Spaarfonds AOW.
Ter zake van het
Spaarfonds AOW is er geen sprake van verplichtingen ten laste van het fonds
in juridische zin ten aanzien van derden. In afwijking van de
artikelen 4, tweede lid, en 65, tweede lid, onderdeel a, van de Comptabiliteitswet
betreffen de begroting en de financiële verantwoording van het
Spaarfonds AOW dan ook alleen de raming respectievelijk de
rekening van de ontvangsten en de uitgaven. In het zesde lid van artikel 31
is dit bepaald door aan te geven dat de begroting en de financiële
verantwoording van het Spaarfonds AOW uitsluitend op kasbasis plaatsvinden.
Ten slotte wordt in het
zevende lid van artikel 31 bepaald dat het gerealiseerde batig saldo
van het Spaarfonds AOW van de voorafgaande jaren ten gunste van de
begroting van het Spaarfonds AOW van een volgend jaar wordt gebracht.
rblz.|15|
In
artikel 32 wordt de
bestemming geregeld van bijdragen voor het Spaarfonds AOW. De
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bepaalt in
overeenstemming met de Minister van Financiën jaarlijks de omvang daarvan (tweede
lid). Los van de vraag hoe hoog de bijdrage ten gunste van het Spaarfonds
AOW in één jaar is, is er, zodra er bijdragen hebben plaatsgevonden,
jaarlijks sprake van rentedragendheid van de middelen die in het
Spaarfonds AOW zitten. Het derde lid van artikel 32 geeft aan dat het saldo
rentedragend is en wordt aangehouden in ’s Rijks schatkist. Door de
Minister van Financiën wordt jaarlijks de hoogte van de rentevergoeding
vastgesteld (vierde lid). Op de systematiek van renteberekening ten behoeve van het
Spaarfonds AOW is in het algemeen deel van deze memorie van
toelichting ingegaan. Het vijfde lid bepaalt dat de Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid, in overeenstemming met de Minister van
Financiën, kan regelen dat bij een nader door hen te bepalen omvang van de
middelen in het Spaarfonds AOW geen stortingen meer
plaatsvinden in het Spaarfonds AOW. Het doel van het Spaarfonds AOW is om de
piek in de AOW-uitgaven in de periode na het jaar 2020 te financieren.
Deze doelstelling houdt in dat de stortingen in het Spaarfonds dienen door te
gaan tot de middelen toereikend zijn. Vanaf het jaar daaropvolgend vinden
geen bijdragen ten laste van de begroting van het Ministerie van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid ten behoeve van het Spaarfonds AOW meer
plaats. Eén en ander laat overigens de rentedragendheid van het alsdan aanwezige
saldo onverlet.
Vanaf het jaar 2020
kunnen onttrekkingen aan het Spaarfonds AOW plaatsvinden ter
financiering van de lasten van de algemene ouderdomsverzekering. In artikel 33 is de
bevoegdheid geregeld voor de minister, in overeenstemming met de
Minister van Financiën, om daartoe te besluiten. Op de
verhouding tussen mogelijke onttrekkingen vanaf dat jaar en de
uitgavenontwikkeling ter zake van de algemene ouderdomsverzekering is in het
algemeen deel
van deze toelichting ingegaan. De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid bepaalt, in overeenstemming met de Minister van
Financiën, of alsdan onttrekkingen aan het Spaarfonds worden gedaan
ter financiering van AOW-lasten.
Artikel
II.
Inwerkingtreding
Voorzien wordt in een zo
spoedig mogelijke inwerkingtreding van deze wet. Dit is van belang om
op de kortst mogelijke termijn een wettelijk kader te hebben
waarbinnen de adequate bekostiging van de oudedagsvoorziening op langere termijn
gestalte kan krijgen. Deze wet treedt, wat de instelling van het Spaarfonds AOW betreft,
zo nodig met terugwerkende
kracht in 1997 in
werking, als gevolg waarvan bijdragen met betrekking tot dat
begrotingsjaar nog in het fonds kunnen worden gestort.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
De Minister van
Financiën,
G. Zalm
rblz.|16|
BIJLAGE
In de
memorie van toelichting zijn drie bronnen onderscheiden ter financiering van de
rijksbijdrage aan het Ouderdomsfonds die voortvloeit uit de maximering van de
AOW-premiepercentage, te weten belastingverhoging,
vrijvallende rentelasten en uitnamen uit het Spaarfonds AOW.
In deze bijlage wordt
bezien in hoeverre met één van de twee laatstgenoemde
financieringsbronnen kan worden volstaan om de eerstgenoemde
financieringsbron zoveel mogelijk uit te sluiten. Indien de financiering wordt
beperkt tot uitnamen uit het spaarfonds, zou alleen de piek in de stijging van
de AOW-uitgaven gefinancierd kunnen worden. Wordt de financiering
daarentegen beperkt tot alleen de inzet van de vrijvallende rentelasten,
dan kan de AOW-uitgavenstijging weliswaar op kortere termijn worden opgevangen, maar lukt het niet om de
piek te
financieren. De conclusie
zal zijn dat om de financiering van de AOW zeker te stellen en de noodzaak
van belastingverhoging zoveel als mogelijk uit te sluiten de inzet van
beide financieringsbronnen geboden is.
Het spaarfonds als
financieringsbron
In het rapport van de
Studiegroep Begrotingsruimte is bij wijze van rekenvoorbeeld aangegeven
dat de AOW-uitgaven die uitgaan boven een niveau van 6,4% BBP
gefinancierd kunnen worden uit een spaarfonds. De voor dit fonds benodigde
stortingen lopen op van 0,2% BBP in 1998 tot 0,7% BBP in 2002 en
bereiken een maximum van 1,3% BBP in 2006-2009. Het EMU-tekort wordt
daarbij teruggebracht tot 0% BBP in 2006.
Grafiek B1 brengt dit
rekenvoorbeeld in beeld.
Grafiek
B1. Financiering AOW-uitgaven in geval van alleen fondsvorming:

Indien voor de
financiering van de AOW-uitgaven alleen zekerheid zou worden gezocht in
fondsvorming, dan kan de stijging van de AOW-uitgaven die na 2023
optreedt volledig uit het fonds worden gefinancierd. De in deze
variant niet zeker gestelde AOW-uitgaven beginnen rond 2010 te
stijgen om in 2023 een maximum te bereiken van duurzaam circa 1,25% BBP.
rblz.|17|
Vrijvallende rentelasten
als financieringsbron
Grafiek B2 geeft aan in
hoeverre de stijging van de AOW-uitgaven kan worden opgevangen met
alleen een rechtstreekse inzet van vrijvallende rentelasten. In
aansluiting bij de veronderstellingen die ten grondslag liggen aan het
rekenvoorbeeld van de Studiegroep is ook hier aangenomen dat het EMU-tekort
geleidelijk wordt teruggebracht tot 0% in 2006.
Voorts moet worden
bedacht dat de rentevrijval die in enig jaar niet nodig blijkt voor de
opvang van de AOW-uitgavenstijging een andere aanwending krijgt en
daardoor voor de financiering van de AOW verloren gaat. Omdat de
AOW-uitgaven pas na 2010 substantieel zullen gaan uitstijgen boven het
huidige niveau, zal de rentevrijval die in de tussentijd optreedt derhalve niet
beschikbaar zijn voor de financiering van de AOW. Als gevolg van de
terugdringen van het EMU-tekort, de relatief lage rente en de herfinanciering van
de uitstaande overheidsschuld is de rentevrijval in dit rekenvoorbeeld in
het komend decennium relatief omvangrijk.
Grafiek
B2. Financiering AOW-uitgaven in geval van alleen inzet rentevrijval:

Grafiek B2 laat zien dat
de rentevrijval die na 2010 optreedt op zich onvoldoende is om de piek
in de AOW-uitgaven op te vangen. Na 2020 beginnen de in deze
variant niet zeker gestelde AOW-uitgaven te stijgen tot een omvang van bijna
1% BBP op het hoogtepunt van de vergrijzing. Daarna zet weer een
daling in.
Overigens moet worden
opgemerkt dat deze rentevrijval met meer onzekerheden is omgeven
dan de rentevrijval die in het komend decennium mag worden
verwacht. Daarmee wordt deze variant met alleen een rechtstreekse
financiering van de AOW-uitgavenstijging uit de rentevrijval meer
afhankelijk van een onzekere toekomst.
Beide
financieringsbronnen vullen elkaar aan
Uit de rekenvoorbeelden
blijkt dat beide financieringsbronnen elkaar aanvullen. Om de
financiering van de AOW zeker te stellen, is het daarom van belang om beide
bronnen aan te spreken en de rentevrijval die voorafgaat aan de oploop van de
AOW-uitgaven te benutten voor de voeding van het spaarfonds.
Tussen de beide uitersten
geschetst in de grafieken B1 en B2 ligt een
rblz.|18|
scala van mogelijkheden
met verschillen in de inzet van beide financieringsbronnen
teneinde de derde financieringsbron van hogere belastingen zoveel
mogelijk uit te sluiten. In de memorie van toelichting heeft de regering in dit
scala van mogelijkheden met betrekking tot de voeding van het
spaarfonds een basisgarantie bepaald.
Om te kunnen reageren op
veranderende omstandigheden is een zekere flexibiliteit in de inzet
van beide financieringsbronnen van belang. Illustratief in dit
verband is het risico van een hogere dan wel lagere rente. Een gemiddeld genomen
hogere rente zal leiden tot een minder sterke daling van de
rentelasten. Daartegenover staat een zodanige toename van de rentebaten van het
fonds dat vanuit het fonds de verminderde financiering uit de
daling van de rentelasten meer dan gecompenseerd kan worden. Omgekeerd
leidt een duurzaam lagere rente tot zoveel minder vermogensvorming
in het fonds dat de resulterende daling van de rentelasten niet kan
worden gemist om een stijging van de belasting- en premiedruk ten behoeve
van de financiering van de AOW te voorkomen.
|