|
rblz.|1|
Kamerstukken II
1997-1998, 25 873
Wijziging
van een aantal socialeverzekeringswetten
strekkend tot verduidelijking van
het in die wetten opgenomen begrip verzekerde en de met het verzekerd
zijn onlosmakelijk verbonden premieplicht (Wet
verduidelijking verzekerings- en premieplicht)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
Algemeen
1.
Inleiding
Met
de in het onderhavige wetsvoorstel voorgestelde wijzigingen van de
werknemersverzekeringswetten,
Ziektewet (ZW), Werkloosheidswet
(WW) en Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO); de volksverzekeringswetten,
Algemene Ouderdomswet (AOW), Algemene
nabestaandenwet (Anw),
Algemene Kinderbijslagwet (AKW) en Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten (AWBZ); de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen (WAZ) en de
Wet financiering volksverzekeringen (Wfv) wordt, in verband
met het hierna vermelde arrest van de Hoge Raad, beoogd de samenhang
tussen verzekeringsplicht en premieplicht te benadrukken, teneinde
gratis verzekering te voorkomen van personen die door toepassing van
bepalingen van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke
organisatie als verzekerde voor de hiervoor genoemde regelingen
worden aangemerkt en waar voor verzekerden krachtens nationaal recht
een premieplicht geldt. Immers, verzekeringsplicht en premieplicht dienen
met elkaar te zijn verbonden. Dit is in het overleg met de Tweede
Kamer over het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden
volksverzekeringen 1989 [zie Besluit
uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999, red.]
ook benadrukt (Kamerstukken II 1985-1986,
19 615, nrs. 1-2, blz. 14). In dit verband moeten deze wijzigingen dan ook
niet worden beschouwd als een inhoudelijke wijziging ten opzichte
van het verleden, maar als een verduidelijking van het beleid zoals dat tot
nog toe door de regering op dit punt is gevoerd.
2. Inhoud van het
wetsvoorstel
Aanleiding tot het
wetsvoorstel is een arrest van de Hoge Raad van 8 juli 1997, nr. 31
540.¹ In
deze zaak gaat het om iemand die in België woont en in Nederland als
zelfstandige werkt. In een dergelijke grensoverschrijdende situatie dient aan de
hand van de bepalingen van titel II van Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 14
juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen
op werknemers en zelfstandigen, alsmede hun gezinnen die zich
binnen de Gemeenschap verplaatsen (PbEG L 149) ² rblz.|2|
(verder te noemen: de
verordening) te worden vastgesteld welke socialeverzekeringswetgeving
van toepassing is. Op grond van artikel 13, tweede lid, onderdeel b,
van de verordening is op degene die op het grondgebied van een lidstaat werkzaamheden anders dan in loondienst
uitoefent de wetgeving
van die staat van toepassing zelfs indien hij op het grondgebied van een
andere lidstaat woont. Dit betekent dat op iemand die buiten
Nederland woont en in Nederland werkzaamheden anders dan in loondienst
uitoefent, de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing is.
Vervolgens moet worden vastgesteld of hij op grond van de nationale
bepalingen ook verzekerd is. Verzekerd voor de volksverzekeringen zijn
degenen die in Nederland wonen of ter zake van in Nederland in
dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting zijn onderworpen. Toepassing
van deze bepalingen zou ertoe leiden dat iemand die buiten
Nederland woont en in Nederland werkzaamheden anders dan in loondienst
uitoefent, niet verzekerd is voor de volksverzekeringen.
Het Hof van Justitie van
de Europese Gemeenschappen (hierna: HvJ EG) heeft echter geoordeeld
dat wanneer in de nationale wetgeving de voorwaarde wordt gesteld
dat iemand ingezetene moet zijn om verzekerd te zijn, deze voorwaarde
wordt vervangen door een voorwaarde die berust op de uitoefening
van werkzaamheden.³ Dit wordt ook wel genoemd de sterke werking
van de conflictregels van de verordening die ertoe leidt dat iemand
die buiten Nederland woont en op wie op grond van één van de
conflictregels van de verordening de Nederlandse socialezekerheidswetgeving
van toepassing is, verzekerd is voor de volksverzekeringen.
1. Bespreking van het
arrest onder andere opgenomen in: BNB 1997/310c, blz.
2531-2545, SMA, oktober 1997, blz. 519-530, FED Fiscaal Weekblad, afl. 2683
d.d.
27-11-1997, nr. 820, blz. 3150-3172.
2. Gewijzigd en bijgewerkt
bij Verordening (EG) nr. 118/97 van de
Raad van de Europese Gemeenschappen van 2
december 1996 (PbEG L 28 van 30
januari 1997), laatstelijk gewijzigd bij Verordening
(EG) nr. 1290/97 van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 27 juni 1997 (PbEG L
176 van 4 juli 1997, blz. 1).
3. HvJ 3 mei 1990, zaak C-2/89 (Kits van Heijningen) Jur. 1990,
blz. I-1755, HvJ 13 oktober 1993, zaak
C-121/92 (Zinnecker) Jur. 1993, blz. I-5023.
Op grond van
artikel 6
van de Wet financiering volksverzekeringen is de
verzekerde premieplichtig
voor de volksverzekeringen. Er wordt in de tekst van de bepaling geen
onderscheid gemaakt tussen de verzekering die uitsluitend tot stand is
gekomen op basis van het nationale recht en de verzekering die tot stand
is gekomen onder toepassing van een verdrag of een besluit van een
volkenrechtelijke organisatie. Er is altijd van uitgegaan dat personen die verkeren
in een situatie als hierboven beschreven premieplichtig zijn voor de volksverzekeringen.
In zijn onverwachte
arrest van 8 juli 1997 heeft de Hoge Raad echter anders geoordeeld.
Volgens de Hoge Raad kan premieplicht uitsluitend bestaan als de
verzekering voortvloeit uit de nationale regelgeving. Wanneer dit niet het
geval is, bestaat geen premieplicht, aldus de Hoge Raad, ook in situaties
waarin onder toepassing van de verordening wel verzekering bestaat.
Uit de rechtspraak van
het HvJ EG blijkt echter dat de draagwijdte van de bepalingen van titel II
van de verordening zo moet worden uitgelegd dat wanneer op grond van de
conflictregels de Nederlandse wetgeving van toepassing is verklaard,
dit betrekking heeft op het hele Nederlandse stelsel zoals dat onder de materiële werkingssfeer van de
verordening
valt. Dus op zowel de
bepalingen inzake uitkeringen als op de bepalingen inzake de premieplicht.
Dit uitgangspunt is bevestigd in het arrest van het HvJ EG van 18 mei 1995,
zaak C-327/92 (Rheinhold & Mahla NV), Jur. 1995, blz. I-1223, waarin
het Hof overwoog dat de nationale stelsels van sociale zekerheid in hun
geheel aan de toepassing van de regels van gemeenschapsrecht zijn onderworpen.
Het gaat hierbij ook om
de nationale voorschriften betreffende de premieheffing en de
invordering. Het Hof verwijst in deze zaak naar zijn eerdere arrest van 24
juni 1975, zaak C-8/75 (Foot-Ball club d’Andlau), Jur. 1975, blz. 739. Daarin
bevestigde het HvJ EG de eensgezinde opvatting van de Commissie van de
Europese Gemeenschappen en de advocaat-generaal. Volgens de
Commissie vindt een uitleg waarbij verschil wordt gemaakt tussen de
uitkeringskant en de premiekant geen steun in de rblz.|3|
verordening. Deze uitleg
zou in strijd zijn met de hierboven bedoelde bepalingen en met de
algemene gedachte die aan de verordening ten grondslag ligt. De advocaat-generaal
sluit hierbij aan met de overweging dat uit de verordening in
haar geheel blijkt dat naar het idee van de opstellers de betaling
van bijdragen en het ontvangen van uitkeringen hand in hand gaan.
Volgens de advocaat-generaal volgt hieruit dat, wanneer op grond van de
conflictregels de wetgeving van een lidstaat van toepassing is op een werknemer, dit evenzeer geldt voor de premies
als voor de uitkeringen.
De regering leidt uit
deze jurisprudentie af dat in situaties waarin op grond van de verordening op een
persoon de Nederlandse socialezekerheidswetgeving
van toepassing is, dit
betrekking heeft op zowel de toepassing van de
verzekeringsplichtbepalingen als de premieplichtbepalingen.
Eenzelfde redenering
geldt in de opvatting van de regering ten aanzien van de draagwijdte van de
conflictregels in bilaterale en multilaterale verdragen inzake sociale
zekerheid.
De Hoge Raad
heeft echter
in zijn eerder vermelde arrest van 8 juli 1997 een andere uitspraak
gedaan, welke uitspraak naar het oordeel van de regering onwenselijke
gevolgen heeft. Daarom heeft de regering, met name gelet op de
samenhang tussen verzekeringsplicht en premieplicht, besloten in de
verschillende volksverzekeringswetten een bepaling op te
nemen op grond waarvan
degenen van wie de verzekering voortvloeit uit de toepassing van
bepalingen van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke
organisatie verzekerd zijn voor de volksverzekeringen.
Daarmee wordt voorkomen
dat bepaalde categorieën verplicht verzekerden (met inkomen) gratis
verzekerd zouden zijn. Een dergelijke gratis verzekering is immers
vanuit de solidariteitsgedachte waarop de financiering van de
volksverzekeringen is gebaseerd onwenselijk.
Het arrest van de
Hoge Raad heeft alleen betrekking op de premieplicht krachtens de volksverzekeringswetten. Ook in het kader van de
werknemersverzekeringswetten
en de WAZ kan het echter voorkomen dat personen niet verzekerd
zijn op grond van uitsluitend de nationale wetgeving zelf, maar van wie de verzekering voortvloeit uit de conflictregels
van verdragen of
besluiten van een volkenrechtelijke organisatie. Aangezien deze personen
dan in een gelijke positie verkeren als degene op wie het arrest betrekking heeft, wordt, teneinde ieder mogelijk
misverstand weg te nemen,
ook in deze wetten een gelijkluidende bepaling opgenomen.
Gelet op het arrest van
de Hoge Raad was het denkbaar geweest dat een bepaling opgenomen was tot
wijziging van de premieplichtbepalingen. De regering heeft er evenwel voor
gekozen om dit niet te doen, omdat het in strijd zou zijn met de systematiek
in de socialeverzekeringswetten. Daarin wordt de
verzekeringsplicht vastgesteld. Uit de verzekeringsplicht vloeit vervolgens
de premieplicht voort.
Voor de goede orde wordt
nog het volgende opgemerkt. Een afzonderlijke bepaling voor de
Ziekenfondswet is niet noodzakelijk, omdat de verzekeringsplicht voor
de werknemer rechtstreeks is gekoppeld aan de verzekeringsplicht
ingevolge de ZW.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikelen I tot en
met VIII
De in deze artikelen
voorgestelde artikelen 3a van de ZW,
WW, WAO en WAZ,
6a van de AOW en
AKW, 13a
van de Anw en 5b
van de AWBZ bevatten mutatis mutandis
een gelijkluidende tekst. Deze tekst voorziet in een afwijking zo nodig
van de daarvoor gelegen artikelen en daarop rblz.|4|
berustende bepalingen van
deze wetten. De toevoeging "zo nodig" is hierbij opgenomen omdat
zowel uit de bepalingen van de wet en/of daarop gebaseerde
regelgeving als uit de bepalingen van een verdrag of een besluit van een
volkenrechtelijke organisatie kan volgen dat een persoon ter zake van de
door hem in dienstbetrekking verrichte werkzaamheden verzekerd of juist niet
verzekerd is voor de betreffende regeling. Als voorbeeld kan worden
genoemd de situatie waarin een in Nederland wonende werknemer zowel
in Nederland als in België arbeid in dienstbetrekking verricht, waarbij de
werkzaamheden in België voor een in Nederland gevestigde werkgever worden verricht. In deze situatie is
betrokkene voor
laatstgenoemde werkzaamheden zowel op grond van de hoofdregel als op grond
van de verordening in Nederland verzekerd.
De onderdelen a en b
kunnen als volgt technisch nader worden toegelicht. In onderdeel a van de
genoemde artikelen wordt de situatie weergegeven van een persoon die
blijkens de hoofdbepalingen van de wet of de daarop berustende bepalingen
niet is verzekerd, wegens de toepassing van daarin vervatte
territoriale criteria. Onderdeel a bepaalt alsdan dat als voor de persoon de
verzekering voortvloeit uit de toepassing van een verdrag of een besluit
van een volkenrechtelijke organisatie, waarin de Nederlandse
socialeverzekeringswetgeving van toepassing wordt
verklaard, de betrokkene
alsdan toch is verzekerd. Met andere woorden, die verzekering zet de
hoofdbepaling van de wet of de daarop berustende bepalingen opzij als uit
die bepalingen zou voortvloeien dat er geen sprake is van
verzekering.
Onderdeel b ziet op de
omgekeerde situatie, namelijk de situatie van een persoon die blijkens de
hoofdbepalingen van de wet wél is verzekerd. Als voor deze persoon uit de
toepassing van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke
organisatie voortvloeit dat de wetgeving van een andere mogendheid van
toepassing is, dan is deze persoon niet verzekerd, ook al zou uit
de hoofdbepaling of de daarop berustende bepalingen blijken dat
hij wel verzekerd is. Met andere woorden, deze uitsluiting van de verzekering zet de hoofdbepaling of de daarop
berustende bepalingen opzij als die bepalingen meebrengen dat er wel sprake is van
verzekering. Op grond van artikel 14quater van de verordening kan het zich voordoen
dat
een persoon onderworpen is aan zowel de Nederlandse wetgeving als
de wetgeving van een andere mogendheid. Logischerwijze vindt
onderdeel b dan uitsluitend toepassing op dat deel van het inkomen van
betrokkene wat onderworpen is aan de wetgeving van de andere mogendheid.
Artikelen IX en
X
In deze artikelen zijn
voor wat betreft de premieplicht voor de AAW en de AWW specifieke bepalingen
opgenomen. Wijziging van deze wetten op dezelfde wijze als de
hiervoor genoemde wetten is niet mogelijk nu de AAW per 1 januari 1998 is
ingetrokken en de AWW per 1 juli 1996 is ingetrokken. Vandaar dat
in de onderhavige artikelen de premieplicht voor deze wetten wordt
bevestigd door voor wat de toepassing van artikel 6
van de Wfv betreft te bepalen dat mede als verzekerde
- en dus als premieplichtig - in de
zin van de AAW, zoals deze luidde vóór 1 januari 1998, en de AWW, zoals
deze luidde vóór 1 juli 1996, wordt aangemerkt de persoon van wie in die
perioden de verzekering voortvloeit uit de toepassing van bepalingen van een verdrag of van een besluit van een
volkenrechtelijke
organisatie.
Artikel XI
Aan de
artikelen I, II en
III wordt op grond van artikel XI, onderdeel
a, terugwerkende kracht
verleend tot en met 1 januari 1992. Aan de artikelen
IV, VI, VII,
IX en X
wordt op grond van artikel XI, onderdeel b,
rblz.|5|
terugwerkende kracht verleend tot
en met 1 januari 1989. Aan de wijzigingsbepalingen met betrekking tot de
Anw
en de WAZ wordt terugwerkende kracht verleend tot en
met de inwerkingsdatum van deze wetten, zijnde respectievelijk 1 juli
1996 en 1 januari 1998 (zie hiervoor artikel
XI, onderdeel c en d).
In het algemeen geldt het
uitgangspunt dat aan belastende regelingen, behoudens in uitzonderlijke gevallen, geen terugwerkende kracht wordt toegekend. Dit
uitgangspunt ziet echter op voor de burger belastende wetgeving in die
zin dat
premieplicht wordt opgelegd in gevallen waar die premieplicht niet
bestond in enig premiejaar en evenmin in dat premiejaar te voorzien
was. Hier betreft het een situatie waarin in de visie van de Hoge Raad de
premieplicht niet bestaat, maar waarin de regering van mening is dat
premieplicht wel aanwezig behoort te zijn en waarin ook de verzekerden er op
grond van bestendige gedragslijnen van uit konden gaan dat zij
premieplichtig waren. In de praktijk hebben betrokkenen ook altijd premie
betaald.
Verlening van
terugwerkende kracht tast in dit geval ook niet de rechtszekerheid aan. Alle betrokkenen
mochten ervan uitgaan (en zijn daar in de praktijk overigens ook
altijd van uitgegaan) dat uit verzekeringsplicht premieplicht voortvloeit.
De terugwerkende kracht
wordt in de volksverzekeringen verleend tot en met 1 januari 1989 en in
de werknemersverzekeringen tot en met 1 januari 1992. Deze data zijn
gekozen op praktische gronden. Uit het voorgaande blijkt dat de regering
van mening is dat de premieplicht van de betrokken categorieën personen
rechtstreeks kan worden gebaseerd op internationale regelgeving.
In dit licht bezien is
verlening van terugwerkende kracht niet noodzakelijk. Verlening van
terugwerkende kracht aan de verzekeringsbepalingen heeft voor de
volksverzekeringen tot gevolg dat deze bepalingen van toepassing zijn op
eventueel nog niet onherroepelijk vaststaande aanslagen over de jaren
1989 en volgende, alsmede op nog niet onherroepelijk vaststaande inhoudingen.
Door de terugwerkende kracht te beperken tot en met 1
januari 1989 wordt aan de werking van het arrest van de Hoge Raad ten
aanzien van de belanghebbende in de zaak zelf geen afbreuk gedaan. Voor
de werknemersverzekeringen heeft verlening van terugwerkende kracht
tot gevolg dat reeds betaalde premie niet op grond van
onverschuldigdheid van deze betaling kan worden teruggevorderd. De terugvorderingstermijn
is in de werknemersverzekeringen mogelijk over maximaal vijf jaar (artikel 13 Coördinatiewet Sociale
Verzekeringen).
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave
|
|