|
rblz.|1|
Kamerstukken II
1997-1998, 25 661
Wijziging
van de Algemene
bijstandswet, de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de Werkloosheidswet,
de
Ziektewet, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, de Toeslagenwet,
de Algemene
Ouderdomswet, de
Algemene Kinderbijslagwet, de Algemene
nabestaandenwet, de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
met betrekking tot terugvordering en verhaal (terugvordering
en verhaal in verband met herziening van het debiteurenbeleid)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Redenen voor
aanpassing van het debiteurenbeleid |
| 3 |
Maatregelen met
betrekking tot een aanpassing van het debiteurenbeleid |
| 3.1 |
Algemeen |
| 3.2 |
Verruiming terugvorderingsbepalingen |
| 3.3 |
Wijziging van de financiële verhouding ontvangsten
terugvordering en verhaal |
| 3.4 |
Technische
wijzigingen verhaal |
| 4 |
Uitvoeringsaspecten |
| 5 |
Financiële paragraaf
debiteuren |
|
xArtikelsgewijs |
| xxx |
Artikelen
I t/m XVIII |
Algemeen
1.
Inleiding
Het
voorliggende voorstel van wet heeft betrekking op de vaststelling van
enkele maatregelen die beogen een bijstelling mogelijk te maken van het
tot nu toe gevoerde beleid ter zake van debiteuren in het kader van de
Algemene bijstandswet (Abw), de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw) en de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz).
Bedoelde maatregelen beogen de gemeenten in staat te stellen om een
efficiënter en doelmatiger debiteurenbeleid te voeren. De maatregelen omvatten:
- een versoepeling van
de terugvorderingsbepalingen;
- een wijziging van de
financiële verhouding met betrekking tot de ontvangsten
voortvloeiende uit terugvordering en verhaal van bijstand; en
- een aantal technische
wijzigingen inzake het verhaal welke moeten bijdragen aan een
verbetering van de uitvoering van het verhaalshoofdstuk van de Abw.
Met de
Wet boeten,
maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid (Stb. 1996,
248) zijn de terugvorderingsbepalingen in de sociale zekerheid
geharmoniseerd. Het kabinet kiest ervoor om deze rblz.|2|
harmonisatie van de
terugvorderingsbepalingen in het onderhavig wetsvoorstel te
handhaven. Voorgesteld wordt derhalve om zowel voor de Abw,
Ioaw en Ioaz als
voor de socialeverzekeringswetten een versoepeling van de
terugvorderingsbepalingen door te voeren.
2. Redenen voor
aanpassing van het debiteurenbeleid
a. Toename aantal debiteuren / hoog uitstaand saldo
Geconstateerd is dat het
aantal debiteuren en het bedrag aan vorderingen vanaf het jaar 1992 in
omvang is toegenomen. Het oplopen van het uitstaande saldo wordt
veroorzaakt doordat de groei in de gerealiseerde ontvangsten achterblijft
bij de toename van het jaarlijks op te voeren bedrag aan nieuwe
vorderingen betreffende terugvordering en verhaal van bijstand.
Voor de toename van het
aantal debiteuren en het uitstaande saldo is een aantal oorzaken aan
te wijzen. De oorzaken hebben niet elk afzonderlijk tot de
debiteurenproblematiek geleid, maar hebben elkaar min of meer versterkt, waardoor
het probleem van het oplopende uitstaande saldo is ontstaan.
Door intensivering van de
fraudebestrijding is het aantal debiteuren toegenomen. Dit is onder
meer gebeurd door inhaalacties op het gebied van
bestandsvergelijkingen, die met terugwerkende kracht veel fraudegevallen
aan het licht brachten.
De aldus ontdekte fraudezaken betroffen dikwijls fraude over een aantal jaren gepleegd. Het gevolg hiervan is
geweest dat niet alleen
het aantal debiteuren is toegenomen, maar ook dat het gemiddelde bedrag
van de vorderingen omhoog is gegaan. Deze inhaalactie zal met de huidige continuering van de
fraudealertheid van gemeenten niet meer
noodzakelijk zijn; het beleid is er nu op gericht een goede controle
voorafgaand aan de verlening van de bijstandsuitkering te bewerkstelligen. De
belastingsignalen zullen het vorderingenbestand nog een aantal jaren laten
toenemen, omdat de inhaalactie "Bestandsvergelijking belasting
(signalen)"
nog niet volledig is uitgewerkt. Veel gemeentelijke
administraties zijn op de forse uitbreiding van de debiteurenadministratie
onvoldoende voorbereid geweest, waardoor de incasso van veel schulden
onder druk is komen te staan. Deze situatie is versterkt door het in
werking treden van de terugvorderingsbepalingen van de Wet van 15 april
1992, Stb. 1992, 193, houdende een nieuwe regeling voor
terugvordering en verhaal van kosten van bijstand.
Deze bepalingen
verplichten de gemeenten in alle gevallen de bijstand volledig terug te
vorderen, hetgeen tot gevolg heeft dat alle door de bestandsvergelijkingen
opgeboekte vorderingen verplicht volledig moeten worden teruggevorderd.
Deze verplichte terugvordering geldt ongeacht of praktische problemen
ertoe leiden dat de schuld niet of niet volledig kan worden geïncasseerd. Het
gevolg hiervan is dat de debiteurenbestanden eveneens vorderingen
bevatten die niet (meer) te incasseren zijn. Gemeenten blijven echter
verplicht om dergelijke vorderingen te onderhouden en via
(debiteuren) heronderzoeken regelmatig te bezien. Dergelijke activiteiten
kosten tijd en geld, die veel beter voor kansrijke invorderingsactiviteiten
kunnen worden gebruikt. De huidige terugvorderingsbepalingen
geven voor gemeenten te weinig ruimte op dit punt om een doelmatig en
efficiënt incassobeleid te kunnen voeren.
Met het in werking treden
van de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale
zekerheid (Stb. 1996, 248) is per 1 augustus 1996 in de socialeverzekeringswetten de bevoegdheid tot terugvordering omgezet in een verplichting. Deze
wijziging maakte onderdeel uit van de door het kabinet beoogde aanscherping van het handhavingsbeleid. Dit betekent
dat in beginsel alle
onverschuldigd betaalde uitkeringen teruggevorderd en (zoveel mogelijk)
moeten worden ingevorderd. Dit uitgangspunt blijft nog steeds een
belangrijke pijler van een adequaat handhavingsbeleid. rblz.|3|
Gezien de problemen die gemeenten hebben ondervonden bij de verplichte terugvordering,
hetgeen een minder doelmatig invorderingsbeleid tot gevolg heeft, is de
verwachting dat ook de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en het
Landelijk
instituut sociale verzekeringen (Lisv) als gevolg van de verplichte
terugvordering op terug- en invorderingsproblemen
zullen stuiten. Gelet
hierop en vanwege het uitgangspunt om de harmonisatie van de
terugvorderingsbepalingen in de sociale zekerheid te handhaven,
kiest het kabinet ervoor ook in de socialeverzekeringswetten de
terug- en invorderingsbepalingen te versoepelen.
b. Kosten/baten
incassobeleid
Het gemeentelijk aandeel
in de ontvangsten terugvordering en verhaal is op dit moment 10%. Het uitgangspunt is dat een
kosten-batenafweging bij de uitvoering van
terugvordering en verhaal geen rol mag spelen. Desalniettemin is het
vanuit een bedrijfseconomische invalshoek bezien voorstelbaar dat gemeenten
bij een 10% aandeel in de gerealiseerde ontvangsten minder
geneigd zijn extra middelen ter beschikking te stellen om het debiteurenbeleid
kracht bij te zetten. Immers, tegen de vaak hoge kosten die zij moeten maken om ontvangsten te genereren, staan relatief
lage gemeentelijke opbrengsten die direct voortvloeien uit de desbetreffende incasso. Een dergelijke
financiële verhouding geeft onvoldoende stimulans om actief in te
vorderen. Door het vergroten van het gemeentelijk aandeel in de ontvangsten
betreffende terugvordering en verhaal wordt het aantrekkelijker
om ook lage vorderingen en vorderingen waarvoor in verhouding
veel kosten moeten worden gemaakt te incasseren.
c. Een tweetal rapporten
Het kabinet heeft in de
brief van 6 april 1995 (Kamerstukken 22 545, nr. 51) en tijdens het algemeen
overleg met de
Tweede Kamer van 14 juni 1995 twee onderzoeken toegezegd die betrekking
hebben op de Wet van 15 april 1992, Stb. 1992, 193, houdende
een nieuwe regeling voor terugvordering en verhaal van kosten van
bijstand. Het betreft:
- een onderzoek dat zou
worden verricht naar de vraag of de geraamde besparingen in verband
met de invoering van terugvorderings- en verhaalsplicht
realistisch zijn geweest en of de geboden tegemoetkoming aan de gemeenten
in de
uitvoeringskosten voldoende toereikend is geweest;
- een onderzoek naar
uitvoeringsaspecten van terugvordering en verhaal.
Beide onderzoeken zijn
begin 1996 afgerond en hebben geresulteerd in twee onderzoeksrapporten:
"Effecten van de nieuwe verhaalsparagraaf" en "Vorderen in de
bijstand", die op 19 november 1996 aan de Tweede Kamer zijn aangeboden.
De resultaten van beide
onderzoeken geven in hoofdlijnen weer hetgeen hiervoor is
gesteld ten aanzien van de knellende terugvorderingsbepalingen en de weinig prikkelende
financiële verhouding op de bijstandsontvangsten.
Beide oorzaken leiden ertoe dat door gemeenten niet het maximale wordt geïnvesteerd in de uitvoering van terugvordering
en verhaal. De in de
rapporten gesignaleerde knelpunten kunnen kortheidshalve als volgt
worden gecategoriseerd:
- knelpunten ter zake
van de terugvordering van onterecht uitgekeerde bijstandsgelden. In de
rapporten worden knelpunten aangegeven die betrekking hebben op de
terugvorderingsprocedure. In het onderzoek is echter de inmiddels
aanvaarde Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale
zekerheid (Stb. 1996, 248), die voor de bijstand een rblz.|4|
nieuwe
terugvorderingsprocedure regelt, niet betrokken. Met het in werking treden van
deze
wet worden de procedurele terugvorderingsbepalingen ingrijpend gewijzigd,
waardoor de verwachting bestaat dat geconstateerde knelpunten ter zake van de terugvorderingsprocedure zullen zijn opgelost. De
knelpunten die ook na het in werking treden van deze wet zullen resteren,
concentreren zich met name op het materieel recht, te weten de
verplichting om in alle gevallen de gehele schuld terug te vorderen. In de
praktijk doen zich gevallen voor waarbij invordering praktisch onmogelijk is.
De huidige regelgeving laat echter geen ruimte om een eenmaal genomen
beslissing tot terugvordering af te boeken;
- knelpunten inzake de
financiële verhouding ontvangsten terugvordering en verhaal. Uit het
onderzoek blijkt dat geen prioriteit aan het debiteurenbeheer wordt
gegeven, omdat dit beleid veel kosten met zich meebrengt, terwijl de
opbrengsten nagenoeg geheel naar het Rijk toevloeien. Gedoeld wordt
op de situatie dat voor een aantal vorderingen door gemeenten
hoge
kosten moet worden gemaakt in verhouding tot de gemeentelijke
opbrengsten. Door de onderzoekers is derhalve geconstateerd dat gemeenten zich laten
leiden door bedrijfsmatige en financiële overwegingen bij het
debiteurenbeleid;
- knelpunten in de
uitvoering van verhaal. Met betrekking tot verhaal blijkt dat een gedeelte
van de gesignaleerde knelpunten direct voortvloeit uit de aansluiting van
verhaal bij het alimentatierecht. In de huidige regelgeving wordt deze
systematiek gehandhaafd vanwege de achterliggende gedachte dat verhaal rechtstreeks voortvloeit uit de burgerrechtelijke
onderhoudsplicht en dat
om die reden de toepassing van verhaal zoveel mogelijk
hierbij moet aansluiten. Handhaving van de koppeling tussen het
alimentatie- en verhaalsrecht is om deze reden onvermijdelijk. Een
aantal van de knelpunten houdt echter geen verband met de koppeling aan het
alimentatierecht, maar vindt zijn oorsprong in de vormgeving van de wet
zelf. Het betreft bijvoorbeeld verhaal op garanten en procedurele
regels bij verhaal op onderhoudsplichtigen, die tot uitvoeringsproblemen
leiden. Dergelijke uitvoeringsproblemen vergen van gemeenten
extra
inspanning en financiële middelen, die zoals hierboven is beschreven
het debiteurenbeleid nadelig beïnvloeden.
3. Maatregelen met
betrekking tot een aanpassing van het debiteurenbeleid
3.1. Algemeen
Het kabinet heeft, om de
hiervoor aangegeven redenen, besloten de oorzaken van een soms wat
moeizaam van de grond komend debiteurenbeleid zoveel mogelijk weg te
nemen. Hij wil dat doen door middel van een aantal maatregelen.
De voorgenomen
maatregelen, waarop hierna afzonderlijk zal worden ingegaan, geven aan gemeenten, de
SVB en het Lisv het benodigde instrumentarium om een
doelmatig incassobeleid te kunnen voeren. De kaders waarbinnen de
beleidsverruiming moet worden vormgegeven, is het
terugvorderingshoofdstuk in de Abw, de Ioaw
en de Ioaz dat per 1 juli 1997 gewijzigd is toen
dit onderdeel van de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering
sociale zekerheid (Stb. 1996, 248) in werking trad. De kaders voor de beleidsverruiming voor de
SVB en het Lisv worden
gevormd door de
terugvorderingsbepalingen in de socialeverzekeringswetten. Ten aanzien van het
uitgangspunt dat onterecht verleende uitkeringen moeten worden teruggevorderd, wordt met
dit wetsvoorstel
geen wijziging beoogd. De
voorgenomen maatregelen geven een bevoegdheid aan
gemeenten, de SVB en het Lisv om in bepaalde situaties af te zien van
terugvordering. Aan de hand van ervaringen uit de praktijk
rblz.|5|
is geconstateerd dat de
grens van wat redelijkerwijze op het gebied van de terugvordering mag
worden verwacht, moet worden bijgesteld. Indien in alle gevallen aan de verplichte terugvordering wordt vastgehouden,
resulteert dit
onvermijdelijk in het eindeloos handhaven van vorderingen in de
administratie die
oninbaar zijn. De beoogde versoepeling van de incassobepalingen heeft dan ook betrekking op die
gevallen waarbij in de
praktijk gebleken is dat
incasso nagenoeg onmogelijk is of met zeer veel nadelige effecten gepaard
gaat. Deze versoepeling kan ook betrekking hebben op fraudeschulden.
De versoepeling gaat uit van een strakke afbetalingsperiode,
waarbij het uitgangspunt blijft dat zoveel mogelijk moet worden ingevorderd.
Daarna wordt de terugvorderingsplicht omgezet in een bevoegdheid om terug te vorderen.
Om daarnaast
gemeenten te
stimuleren tot het efficiënt en daadkrachtig invorderen, wordt
voorgesteld om de financiële verhouding van de ontvangsten
terugvordering en verhaal in positieve zin voor gemeenten bij te stellen. Met deze
incentive wordt voorkomen dat de ongewenste situatie zou kunnen
ontstaan dat de gemeenten te weinig prikkels ervaren om voldoende
incassoactiviteiten te verrichten. Omgekeerd is meer incassovrijheid voor
gemeenten een vereiste om optimaal gebruik te kunnen maken van de
mogelijkheden die de financiële incentive aan gemeenten biedt.
De maatregelen zullen
niet alleen het debiteurenbeleid beter uitvoerbaar maken, maar
ook positief kunnen uitwerken naar cliënten. Dit geldt vooral voor de
maatregel die versoepeling van de terugvorderingsbepalingen inhoudt. Immers, de
gemeenten, de SVB en het
Lisv kunnen cliënten, die aan bepaalde voorwaarden hebben voldaan of ten aanzien
van wie bepaalde voorwaarden zijn vervuld, zicht bieden op een (eerder) einde van de
terugbetalingsverplichting. Dit kan cliënten stimuleren tot afbetaling van
een schuld
in situaties waarin zij anders hadden afgehaakt; cliënten verschaffen
zich daarmee een nieuwe start.
3.2. Verruiming
terugvorderingsbepalingen
Onder bepaalde
voorwaarden krijgen gemeenten, de SVB
en het Lisv bij dit wetsvoorstel de
bevoegdheid om in het kader van de Abw, Ioaw
en Ioaz, respectievelijk in
het kader van de socialeverzekeringswetten, na vijf jaar van (verdere)
terugvordering af te zien. Dit kan het geval zijn als de belanghebbende vijf jaar
aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan of hieraan niet volledig
heeft voldaan, maar alsnog het achterstallige bedrag aflost. De gemeenten, de
SVB en het Lisv zullen per geval bezien of er redenen zijn om verder af
te zien van terugvordering. De redenen zijn niet nader gedefinieerd en
kunnen in beginsel in de persoon zelf zijn gelegen en/of zijn grondslag
vinden in andere omstandigheden die het afzien van terugvordering rechtvaardigen.
Daarnaast wordt de plicht
in een bevoegdheid omgezet indien vijf jaar lang ondanks inspanningen
om tot incasso te komen geen aflossing op de schuld heeft plaatsgehad
en niet aannemelijk is dat dit op enig moment zal gebeuren.
Ten slotte krijgen de
gemeenten, de SVB en het Lisv de bevoegdheid om van terugvordering af te
zien indien de belanghebbende een bedrag overeenkomend met ten
minste 50% van de restsom in een keer aflost. Het gaat hier om de
specifieke situatie dat de gemeenten, de SVB en het Lisv een reële
verwachting hebben dat afkoop van de uitkeringsschuld meer oplevert dan wanneer
de gebruikelijke incassoprocedures worden gevolgd. Afkoop biedt aan
belanghebbende tevens de gelegenheid om in één keer uit zijn (uitkerings-)
schuldsituatie te geraken, waarmee mogelijkheden kunnen ontstaan om een
nieuwe start te maken in het maatschappelijk verkeer.
rblz.|6|
Bij de toepassing van de
bevoegdheid moet wel goed in het oog worden gehouden dat het
uitgangspunt van de terugvorderingsbepalingen blijft dat onterecht
verleende uitkeringen (zoveel mogelijk) moeten worden teruggevorderd. De gedachten achter de
Wet van 15 april 1992, Stb. 1992, 193,
houdende een nieuwe regeling voor terugvordering en verhaal van kosten van
bijstand, en de Wet boeten, maatregelen en terug-
en
invordering sociale zekerheid (Stb. 1996, 248) worden daarmee gehandhaafd.
Hiermee zullen de gemeenten, de
SVB en het Lisv bij het invullen van hun bevoegdheid rekening
moeten houden. Er mag derhalve niet de gewoonte ontstaan, en
daardoor het beeld naar buiten, dat bijvoorbeeld in alle gevallen wanneer
men maar keurig aflost, min of meer automatisch van verdere
terugvordering wordt afgezien. Het is de bedoeling dat de redenen om van
terugvordering af te zien steeds een relatie hebben met het individuele geval. In
dit kader heeft het kabinet zich de vraag gesteld of op dit punt op
voorhand nadere regulering nodig zou zijn. De omzetting van de
terugvorderingsplicht naar een bevoegdheid kan namelijk leiden tot rechtsongelijkheid
voor uitkeringsgerechtigden.
Het kabinet is tot de
conclusie gekomen dat vooralsnog eerst bezien kan worden hoe de praktijk
zich ontwikkelt. Als nadere regulering nodig zou blijken, bijvoorbeeld
wanneer in de praktijk in alle gevallen na vijf jaar niet meer zou worden
teruggevorderd of alleen diegenen van de regeling zouden profiteren die zo
alert zijn om er een beroep op te doen, dan zal hiertoe ook worden
overgegaan. Alsdan kan waarschijnlijk ook beter worden beoordeeld hoe de
nadere regeling eruit zou moeten zien.
Het is hier de plaats om
de relatie aan te geven met het voorstel van wet
tot wijziging van de Faillissementswet in verband met de sanering van
schulden van natuurlijke personen (Kamerstukken I 1995-1996, 22 969, nr. 34), dat thans bij de
Eerste Kamer aanhangig is.
De versoepeling van de
terugvorderingsbepalingen sluit aan op het uitgangspunt van het bovengenoemde wetsvoorstel dat buitengerechtelijke schuldsanering de
voorkeur verdient boven een wettelijke schuldsanering. Door de versoepeling van
de terugvorderingsbepalingen wordt bereikt dat
problematische schuldsituaties als gevolg van onbeperkte terugvordering, kunnen
worden teruggedrongen. Problematische schuldsituaties waarbij
uitkeringsschulden een rol spelen, kunnen bovendien na invoering
van dit wetsvoorstel eerder buitengerechtelijk worden opgelost.
Behalve dat van de
mogelijkheid van een gerechtelijke schuldsaneringsregeling een preventieve werking
uitgaat, moet nog worden opgemerkt dat deze regeling
prevaleert boven de nieuwe terugvorderingsregeling zoals in het voorliggende
wetsvoorstel is neergelegd. Wanneer door de rechter een
schuldsaneringsregeling is uitgesproken, worden de betrokken
uitkeringsschulden in de wettelijke schuldsaneringsregeling meegenomen.
Tot slot blijft de
mogelijkheid op grond van artikel 78a van de
Abw, artikel 25a
van de Ioaw
en artikel 25b van de Ioaz
een bijdrage te kunnen leveren tot het oplossen
van een problematische schuldsituatie met betrekking tot
niet-fraudeschulden bestaan.
3.3. Wijziging van de
financiële verhouding ontvangsten terugvordering en verhaal
Met de financiële
incentive wordt een wijziging beoogd van de verhouding waarin
ontvangsten terugvordering en verhaal in het kader van de Abw
worden
verdeeld tussen Rijk en gemeenten. Momenteel komen de ontvangsten voor
90% ten gunste van het Rijk en voor 10% ten gunste van gemeenten. Uit
eerder genoemde onderzoeken is gebleken dat het gemeentelijk
10%-aandeel in de ontvangsten onvoldoende stimulering rblz.|7|
voor gemeenten geeft om
in debiteurenadministraties te investeren en om ook de relatief "dure" vorderingen in het kader van de Abw te innen. Gemeenten blijken zich te
laten leiden door bedrijfsmatige en financiële overwegingen bij het
debiteurenbeleid. Gekozen is voor een model dat bij deze overwegingen aansluit.
Met de incentiveregeling
wordt de verhouding waarin de ontvangsten tussen Rijk en gemeenten
worden verdeeld in twee delen geknipt. De ontvangsten tot aan een
door Onze Minister te bepalen drempelbedrag worden verrekend volgens
de op dat moment geldende financiële verhouding. Van de
ontvangsten die boven dit drempelbedrag uitgaan komt 75% aan gemeenten
toe. Voor elke gemeente wordt een individueel drempelbedrag berekend.
Het landelijk
drempelbedrag voor ontvangsten betreffende terugvordering en verhaal Abw
zal voor
de periode 1999 tot en met het jaar 2001 per jaar worden
vastgesteld op ƒ350 mln. Dit landelijk drempelbedrag wordt over individuele
gemeenten verdeeld op basis van hun relatieve aandeel in de landelijke
ontvangsten Abw in het jaar 1992. De Wet van 15 april 1992, Stb. 1992,
193, houdende een nieuwe regeling voor terugvordering en verhaal van kosten van
bijstand, waarin de verplichte terugvordering is geregeld, gaf in 1992
nog nauwelijks ontvangsten. Door het jaar 1992 derhalve als basis
te nemen, wordt aan gemeenten zoveel mogelijk een gelijke
uitgangspositie geboden om gebruik te maken van de incentive. De
vaststelling van het landelijk drempelbedrag en de verdeling van dit drempelbedrag
over gemeenten is in nauw overleg met de VNG [Vereniging
van Nederlandse Gemeenten, red.] en een aantal betrokken
gemeenten gebeurd.
De financiële incentive
zal binnen drie jaar na het in werking treden worden geëvalueerd,
waarna bezien zal worden of de incentive moet worden gecontinueerd of
in een andere vorm moet worden voortgezet.
3.4. Technische
wijzigingen verhaal
Een aantal van de
knelpunten bij verhaal ontstaat doordat met de gekozen systematiek
aansluiting is gezocht bij het alimentatierecht. Voor deze systematiek is
gekozen vanwege de achterliggende gedachte dat verhaal rechtstreeks
voortvloeit uit de burgerrechtelijke onderhoudsplicht en dat om die reden de
toepassing van verhaal zoveel mogelijk hierbij moet aansluiten. Bij de
voorliggende wijzigingen van het verhaalshoofdstuk is de koppeling tussen
het alimentatie- en verhaalsrecht dan ook gehandhaafd.
Bezien is op welke wijze
verbeteringen in de wetgeving kunnen worden aangebracht om zowel voor
de uitvoeringslast voor gemeenten als voor de toepassing van verhaal
als geheel verbeteringen mogelijk te maken.
Om te onderzoeken welke
wijzigingen in dit kader mogelijk zijn, heeft een werkgroep, waarin VNG, Divosa
[Vereniging van directeuren van
overheidsorganen voor sociale arbeid, red.] en een aantal gemeenten vertegenwoordigd waren, onderzocht welke
technische wijzigingen in de wetgeving kunnen worden
aangebracht om de uitvoering te verbeteren. De aanbevelingen voor
wetswijzigingen die deze werkgroep heeft gedaan, zijn geheel in dit
wetsvoorstel overgenomen.
a. Gebruik van
verhaalsuitspraken door verschillende gemeenten
In de huidige regelgeving
kan een verhaalsuitspraak alléén worden gebruikt door de gemeente die bij de verhaalsuitspraak als partij betrokken is geweest.
Indien de bijstandsgerechtigde verhuist, moet de gemeente die vervolgens
aan diezelfde cliënt de bijstand verleent in alle gevallen opnieuw naar de
rechter met het verzoek om kosten van bijstand te mogen verhalen. Veelal
betreft het inhoudelijk eenzelfde verzoek, waarbij geen relevante
wijziging van omstandigheden zijn opgetreden. Het voeren van dergelijke
procedures is kostbaar en veelal overbodig.
rblz.|8|
Met
dit wetsvoorstel
wordt aan de gemeente van vestiging de bevoegdheid gegeven om in
overeenstemming met de reeds gedane rechterlijke uitspraak te
verhalen.
De wetswijziging voorkomt
dat nodeloos procedures moeten worden gevoerd.
b. Verhaal op garanten
In het onderzoeksrapport
"Vorderen in de bijstand" is aangegeven dat verhaal op garanten
uiterst moeizaam verloopt. Het achterhalen van de verblijfplaats van de
garanten wordt door gemeenten als problematisch ervaren. Bovendien blijkt
uit het onderzoek dat een aanzienlijk aantal garanten in de praktijk over onvoldoende draagkracht beschikt om de
bijstandsuitkering
daadwerkelijk te kunnen verhalen. Dit betekent dat het uitvoeren van verhaal op
garanten in de praktijk veel inspanning van gemeenten vergt, terwijl
het veelal niet tot resultaat leidt. Vanwege de grote
uitvoeringsproblemen bij gemeenten en de omstandigheid dat verhaal op garanten
blijkbaar zelden succesvol is, wordt de verplichting tot verhaal op garanten
uit de Abw geschrapt.
Zoals onder de
artikelsgewijze toelichting staat beschreven, blijft het voor gemeenten echter
mogelijk om in gevallen dat een garantverklaring is afgegeven deze garant
middels het instellen van een civiele vordering aan te spreken.
c. Verplichting tot
meewerken aan de uitvoering van een rechterlijke uitspraak / verhaal
buitenland
In de huidige
Abw is geen
bepaling opgenomen die de belanghebbende verplicht om mee te
werken aan het kunnen innen van alimentatie in het geval dat er een
rechterlijke uitspraak ligt. Voor in Nederland te innen alimentatie hoeft
dit niet tot problemen te leiden, aangezien de gemeente
op grond van de
bestaande alimentatie-uitspraak een zelfstandige
verhaalsbevoegdheid heeft. In situaties waarbij de onderhoudsplichtige in het buitenland
verblijft, doen zich structurele problemen voor. Opsporing van de onderhoudsplichtige is moeilijk, omdat de
gemeente vaak weinig
aanknopingspunten heeft en de medewerking van instanties in het
buitenland vaak traag verloopt of uitblijft. Met incasso in het buitenland op
onderhoudsplichtigen zijn de ervaringen nog slechter.
Het Verdrag van New York
van 1956 inzake verhaal in het buitenland van uitkeringen van
levensonderhoud (Verdrag van New York) bevat geen bepaling op grond waarvan
publiekrechtelijke lichamen bevoegd zijn om zelfstandig van de
kanalen van dit Verdrag gebruik te maken. In veel landen wordt echter
aanvaard dat deze publiekrechtelijke lichamen van de mogelijkheden van dat
verdrag gebruik maken indien een volmacht van de alimentatiegerechtigde
is verkregen.
In november 1995 is door
de Haagse Conferentie voor internationaal privaatrecht, met
goedvinden van de Verenigde Naties, een aanbeveling aan alle staten die
partij zijn bij het Verdrag van New York gedaan. Deze aanbeveling hield in dat
verdragsstaten toestaan dat publiekrechtelijke lichamen gebruik kunnen maken van het
verdrag indien er een volmacht
van de
alimentatiegerechtigde is verkregen. Het betreft dan het laten vaststellen of innen van
alimentatie namens de alimentatiegerechtigde door de daartoe aangewezen instelling. Voor Nederland is het
Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen
(LBIO) aangewezen als instantie om uitvoering te geven
aan het verdrag. Deze zal, mits een volmacht van de alimentatiegerechtigde
is verkregen, contacten onderhouden met de desbetreffende instantie
in het buitenland om de alimentatie te laten innen of te laten
vaststellen. De alsdan geïncasseerde alimentatie wordt aan het overheidslichaam
betaalbaar gesteld.
Als een volmacht van de
alimentatiegerechtigde is verkregen, kan de rblz.|9|
gemeente derhalve de
inning en/of vaststelling van de alimentatie overdragen aan de op
grond van het Verdrag van New York aangewezen instanties.
De alimentatiegerechtigde
is op grond van de huidige Abw in het kader van verlening van
bijstand niet verplicht om deze volmacht te verstrekken. Dit stelt gemeenten
voor
problemen, aangezien het Verdrag van New York overheidsorganen niet
rechtstreeks de bevoegdheid geeft om overheidsverstrekkingen op de alimentatieplichtige te verhalen.
Volgens artikel 108 Abw
kan het opleggen van een alimentatievoorwaarde alléén aan de bijstand
worden verbonden indien die vordering wordt ingesteld
samen met een verzoek tot echtscheiding. Met de wetswijziging wordt
het mogelijk om aan het recht op bijstand de voorwaarde te verbinden
dat indien er een Nederlandse rechterlijke uitspraak is gedaan
betreffende levensonderhoud en de onderhoudsplichtige buiten Nederland
verblijft, de belanghebbende te verplichten om mee te
werken aan de uitvoering van het Verdrag van New York. Benadrukt wordt dat
het wetsvoorstel uitsluitend ziet op gevallen waarbij er in Nederland
al een rechterlijke uitspraak is gedaan betreffende levensonderhoud.
Uitvoering van het
Verdrag van New York betekent dat de alimentatie door een buitenlandse
rechter kan worden vastgesteld (de reeds gedane rechterlijke uitspraak
dient hiervoor als basis) dan wel dat een exequatur (verlof tot executie) van
de Nederlandse uitspraak in het desbetreffende land wordt verkregen. In
genoemde gevallen dient de alimentatiegerechtigde een volmacht ten behoeve
van de buitenlandse instelling die op grond van het Verdrag
van New York tussenkomst verleent te verstrekken om
alimentatie te innen dan wel te laten vaststellen.
d. Vergemakkelijken van
gegevensverkrijging van de onderhoudsplichtige / wettelijke
mogelijkheden
Een belangrijke categorie
van knelpunten bij verhaal ontstaat door het niet of zeer moeizaam
kunnen verkrijgen van gegevens van de onderhoudsplichtige. Op de onderhoudsplichtige
rust geen wettelijke plicht om noodzakelijke gegevens
aan gemeenten te verstrekken. Dit heeft tot gevolg dat
gemeenten die
zaken bij de rechter indienen en derhalve een stelplicht en bewijslast
hebben, problemen ondervinden bij het voldoen aan die stelplicht indien
de noodzakelijke gegevens niet kunnen worden achterhaald. Deze
gegevens zijn moeilijk anders te verkrijgen dan door verstrekking van de
onderhoudsplichtige zelf. Het gebrek aan gegevens leidt ertoe dat de
gemeente de volledige brutobijstand als verhaalsbijdrage oplegt, die veelal in
een
gerechtelijke procedure weer moet worden bijgesteld
wanneer de onderhoudsplichtige alsnog de noodzakelijke informatie verstrekt. Dit
leidt tot onnodig werk voor gemeenten.
Deze wetswijziging beoogt
dit uitvoeringsprobleem te verhelpen door het opnemen van een
informatieplicht voor de (potentieel) onderhoudsplichtige.
Om de in de Abw opgenomen
informatieplicht te kunnen handhaven, is in het wetsvoorstel
gekozen voor de strafrechtelijke sanctie en niet voor de administratieve boete.
Deze keuze is gebaseerd op de overweging dat de procedure van het
opleggen van een boete de verhaalsprocedure nodeloos zou kunnen
vertragen, hetgeen de uitvoering van verhaal zou bemoeilijken.
4. Uitvoeringsaspecten
A. Uitvoeringsinstanties
Dit wetsvoorstel beoogt
voornamelijk aan de door gemeenten ervaren uitvoeringsknelpunten van
de Wet van 15 april 1992, Stb. 1992, 193, rblz.|10|
houdende een nieuwe
regeling voor terugvordering en verhaal van kosten van bijstand, voor
zover
mogelijk een einde te maken.
Om te bezien welke
maatregelen zich hiervoor lenen, heeft een werkgroep waarin VNG,
Divosa en gemeenten vertegenwoordigd waren voorstellen ontwikkeld.
Deze voorstellen zijn in dit wetsvoorstel grotendeels overgenomen.
Voor verhaal betekent dit
een aantal technische wijzigingen, die ertoe moeten leiden dat de
uitvoering van de verhaalsplicht beter uitvoerbaar wordt. Alle maatregelen
betekenen een verlichting van de werkzaamheden voor gemeenten. De
afschaffing van verhaal op garanten, het opnemen van de inlichtingenplicht, het gebruik kunnen maken van een
rechterlijke
verhaalsuitspraak wanneer de bijstandsgerechtigde verhuist en tot slot het in meer
gevallen kunnen overdragen van verhaal in het buitenland aan het LBIO
dragen hiertoe allen bij.
De versoepeling van de
incassobepalingen maakt het voor gemeenten mogelijk om efficiënter
in te vorderen. De inspanningen die tot nu toe moesten plaatsvinden met
betrekking tot vorderingen die al lange tijd niet meer inbaar bleken,
kunnen achterwege worden gelaten. De hierdoor vrijgekomen ruimte kan
worden ingezet op incassoactiviteiten met meer kans van slagen.
De financiële incentive
zal de incassoactiviteiten voor gemeenten financieel
aantrekkelijker maken en zodoende de middelen voor gemeenten beschikbaar
stellen die nodig zijn om het gemeentelijk debiteurenbeleid kracht
bij te zetten. De uitvoering van de financiële incentive vergt voor
gemeenten geen extra administratieve werkzaamheden.
Voor de evaluatie van de
incentive zal het echter onvermijdelijk zijn dat uniforme gegevens uit de
gemeentelijke administraties kunnen worden aangeleverd. Hiertoe zal
een debiteurenstatistiek worden opgezet waaruit deze gegevens kunnen
worden aangeleverd.
De versoepeling van de
terugvorderingsbepalingen maakt het ook voor de SVB
en het Lisv mogelijk om efficiënter in te vorderen. Anders dan de
gemeenten kennen de SVB en het Lisv eerst vanaf 1 augustus 1996 de verplichte
terugvordering. Gelet hierop zal een debiteurenprobleem zoals de gemeenten die
kennen
zich pas over enige tijd bij de SVB en het Lisv kunnen manifesteren.
De betekenis van de
voorgestelde wijzigingen voor het toezicht op de uitvoering van de wet is
beperkt. De bestuurlijke verantwoordelijkheidsverdeling noch het toezicht
ondergaan hierdoor verandering. Wel zullen de nieuwe en gewijzigde
bepalingen, vanuit het gegeven dat de wet de norm is waaraan het
toezicht de uitvoering toetst, doorwerken in de operationalisering van
zowel de eerste- als tweedelijnsuitvoeringscontrole. Met betrekking tot de
geïntroduceerde discretionaire bevoegdheid om van terugvordering af te zien, blijft het toezicht beperkt
tot de vraag of de gemeenten, de SVB
en het Lisv bij toepassing van die
bevoegdheid binnen de
door de wet gestelde grenzen zijn gebleven.
B. Rechterlijke macht
De wijzigingen zullen
voor de rechterlijke macht geen gevolgen hebben, in die zin dat extra werkzaamheden zullen ontstaan. Enerzijds betekenen
de wijzigingen namelijk
een verlichting van de werkzaamheden, terwijl anderzijds de
mogelijkheid zou kunnen ontstaan van een lichte stijging van beroepszaken. Het
aantal beroepszaken zal afnemen door de afschaffing van verhaal
op garanten en het wederom kunnen gebruiken van een verhaalsuitspraak
bij verhuizing van de bijstandsgerechtigde, rblz.|11|
waardoor in die gevallen
geen beroep op de rechter meer hoeft te worden gedaan.
Voor wat betreft de
incassoversoepeling valt nauwelijks een toename in beroepszaken te
verwachten, aangezien expliciet in de wet staat omschreven onder welke
omstandigheden van terugvordering kan worden afgezien, alsmede
welke uitgangspunten hieraan ten grondslag moeten liggen. Door de discretionaire bevoegdheid van
gemeenten, de SVB en het
Lisv op het
moment dat vijf jaar zijn verstreken, is het echter onvermijdelijk dat
discussie kan gaan ontstaan over die bevoegdheid, hetgeen uiteindelijk tot
bezwaar en eventueel beroep kan leiden.
5. Financiële paragraaf
debiteuren
Een deel van de
voorgestelde wijzigingen is technisch van aard en heeft voornamelijk tot doel de
uitvoeringspraktijk bij gemeenten te versoepelen. Deze aanpassingen leiden
niet tot aantoonbare wijzigingen in de gemeentelijke
ontvangsten. De budgettaire gevolgen voor de rijksbegroting zijn daarmee
voor deze
wijzigingen nihil.
De in onderdeel D van
artikel I [zie artikel I, onderdeel E, van de
wet, red.] voorgestelde afschaffing van verhaal op garanten heeft eveneens
geen consequenties voor de rijksbegroting. Uit onderzoek is gebleken dat
verhaal op garanten gepaard gaat met aanzienlijke
uitvoeringsproblemen en dat de jaarlijkse ontvangsten hieruit nihil zijn.
Een tweetal maatregelen
leidt, in combinatie met elkaar, echter wel tot additionele ontvangsten
bij gemeenten. Deze extra gemeentelijke ontvangsten leiden vanaf
1999 tot een besparing op de rijksbegroting van ƒ7,5
mln per jaar.
Daarnaast leidt de inschakeling van het LBIO bij verhaalsvorderingen in
het buitenland tot ƒ0,75
mln aan meeruitgaven. Per saldo leiden de
wijzigingen daarom tot een besparing op de rijksbegroting van ƒ6,75 mln. Beide
punten worden hieronder nader toegelicht.
In onderdeel G van
artikel I [zie artikel I, onderdeel H, van de
wet, red.] wordt voorgesteld de gemeenten
een groter aandeel in de ontvangsten
uit terugvordering en verhaal van bijstand te laten behouden. Hiermee
wordt beoogd de gemeenten een financiële prikkel te geven om meer
ontvangsten te genereren. Deze financiële incentive wordt in
onderdeel A van artikel I aangevuld met een verruiming van de gemeentelijke
incassovrijheid. De verruiming van de incassovrijheid biedt aan gemeenten
meer
armslag om de ontvangsten daadwerkelijk te kunnen verhogen. De
verruiming van de incassovrijheid is daarom een complement van
de financiële incentive, waarvan wordt verwacht dat deze de
prikkel om meer te incasseren, zal versterken.
De budgettaire effecten
van deze incentiveregeling zijn bepaald door het rijksaandeel in de
ontvangsten bij ongewijzigd beleid en de rijksontvangsten na de wetswijzigingen te
vergelijken. Voor de raming van de ontvangsten Abw
bij
ongewijzigd beleid is uitgegaan van de ontvangstenreeks die gemeenten de
afgelopen jaren hebben gerealiseerd, gecorrigeerd voor de effecten van
beleidsmaatregelen die direct van invloed zijn op die ontvangsten
(bijvoorbeeld de Wet boeten, maatregelen en terug-
en invordering sociale
zekerheid (Stb. 1996, 248)). Bij de raming van de ontvangsten Abw na de
wetswijzigingen is rekening gehouden met een gedragseffect bij
gemeenten als gevolg van de financiële incentive en de incassoverruiming.
Uitgaande van een landelijk drempelbedrag van ƒ350
mln en uitgaande van de
veronderstelling dat het toeslagenbudget per 1 januari 1999 wordt
overgeheveld naar gemeenten, zijn de jaarlijkse besparingen als gevolg van de
financiële incentive in de Abw geraamd op ƒ7,5 mln.
Voor de sector sociale
verzekeringen wordt uitsluitend een incassoverruiming voorgesteld. Naar
verwachting zal het budgettaire effect voor deze sector (per saldo)
nul zijn, hetgeen zich overigens alleen in kwalitatieve rblz.|12|
zin laat
onderbouwen. Enerzijds zullen er meer ontvangsten optreden omdat debiteuren met een
hoge schuld en geringe aflossingscapaciteit uitzicht kan worden
geboden op een beëindiging van de schuldsituatie indien de debiteur zich
gedurende vijf jaar zich consequent aan het aflossingsplan houdt,
waardoor zodoende meer daadwerkelijk wordt terugbetaald. Anderzijds
kunnen ook ontvangsten verloren gaan die zonder de incassoverruiming nog wel zouden kunnen worden
ingevorderd. De
verwachting is dat beide effecten elkaar zullen compenseren.
Verhaal in buitenland
De wijzigingen in de
onderdelen E en F van artikel I [zie artikel I,
onderdeel F en G, van de
wet, red.] geven gemeenten de mogelijkheid om aan
het recht op bijstand de voorwaarde te verbinden dat de
bijstandsgerechtigde meewerkt aan het invorderen van een verhaalsbijdrage. Een
voorbeeld daarvan is dat een bijstandsgerechtigde verplicht wordt een
volmacht te geven om een exequatur in het buitenland te verkrijgen
wanneer de Nederlandse rechter uitspraak heeft gedaan. Deze mogelijkheid
zou het aantal gevallen dat ter behandeling aan het LBIO
wordt
overgedragen, kunnen doen toenemen. Het LBIO zal voor deze extra te
verwachten zaken financieel worden gecompenseerd tot een bedrag van ƒ0,75
mln per jaar. Deze financiële vergoeding is gebaseerd op een geschat aantal extra zaken van 3200. Op basis van het
in 1999 daadwerkelijk
aangebrachte aantal extra zaken zal deze vergoeding opnieuw worden
bezien. De voorgestelde wijzigingen in onderdeel E en F van artikel I
[zie artikel I, onderdeel F en G,
van de wet, red.] zullen naar verwachting leiden tot
additionele ontvangsten
van gemeenten, maar die zijn nu nog niet te kwantificeren, omdat over
verhaal in het buitenland op dit moment te weinig empirisch
materiaal aanwezig is.
Artikelsgewijs
Artikelen I, onderdeel
A, III,
IV, V,
VI,
VII,
VIII, IX,
X,
XI,
XII,
XIII,
XIV en
XVII
Ingevolge de bestaande
wettelijke bepalingen kunnen de gemeenten, de SVB
en het Lisv alleen in
gevallen waarin sprake is van dringende redenen besluiten geheel of
gedeeltelijk van terugvordering af te zien. De voorgestelde artikelen 78b
van de Abw, 25b
van de Ioaw,
25b van de Ioaz, respectievelijk de
voorgestelde wijzigingen in artikel 36 van de
Werkloosheidswet, 33 van
de Ziektewet, 57 van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, 48 van de
Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet,
20 van de Toeslagenwet, 24 van de
Algemene Ouderdomswet, 24 van de
Algemene Kinderbijslagwet, 53 van de Algemene
nabestaandenwet,
63 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en
55 van
de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, geven
de gemeenten, de SVB en het Lisv ter zake van terugvordering de nodige
beleidsruimte gelegen in de efficiency- of doelmatigheidssfeer. In
deze artikelen wordt het in een viertal specifieke situaties ter beoordeling
van de gemeente, de SVB en het Lisv gelaten of de terugvordering wordt
voortgezet, gestopt, dan wel mag worden afgekocht. Dit geldt ook
ten aanzien van fraudeschulden. Het is niet de bedoeling dat in de
hieronder beschreven situaties in alle gevallen automatisch wordt
afgezien van terugvordering. Bij elk individueel geval zal moeten worden bezien of
er een gegronde reden is om af te zien van terugvordering.
De situaties die in dit
verband moeten worden onderscheiden, en gekoppeld zijn aan een
termijn van vijf jaar, zijn:
- de belanghebbende
heeft gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen
voldaan;
rblz.|13|
- de belanghebbende
heeft gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen
voldaan, maar het achterstallige bedrag, vermeerderd met de
daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking
hebbende kosten, betaalt hij alsnog;
- de belanghebbende
heeft gedurende vijf jaar geen betalingen verricht en het is niet
aannemelijk dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten. Hierbij moet
bijvoorbeeld gedacht worden aan een persoon van wie de verblijfplaats
onbekend is of aan de persoon die zich definitief in een land heeft
gevestigd waarmee Nederland geen executieverdrag heeft. Een ander
voorbeeld is de schuld die vijf jaar onbetaald is gebleven vanwege onvoldoende
aflossingscapaciteit bij de belanghebbende. Het gaat hier om de situatie
waarin de gemeenten, de SVB en het Lisv de reële verwachting
hebben dat incassoactiviteiten niets meer zullen opleveren. Met nadruk
wordt erop gewezen dat de gemeenten, de SVB en het Lisv bij hun besluit
om af te zien van terugvordering de afweging moeten maken of nog op
enig moment valt te verwachten dat de belanghebbende zijn
schuld zal kunnen afbetalen. Hiervan kan sprake zijn als op andere schulden
wordt afgelost en zicht bestaat dat aan de betalingsverplichting zal
worden voldaan.
Op grond van de huidige
terugvorderingsbepalingen zijn de gemeenten, de
SVB en het Lisv verplicht in het besluit tot terugvordering te vermelden hetgeen teruggevorderd
wordt, de termijnen waarbinnen moet worden betaald, alsmede dat het
besluit bij gebreke van tijdige betaling op de in deze wetten opgenomen wijze zal worden
ten uitvoer gelegd. Alvorens de
gemeenten, de SVB en het
Lisv in de hierboven beschreven situaties besluiten om van
terugvordering af te zien, dienen zij uiteraard te beoordelen of aan de betalingsverplichtingen is voldaan of in het geval
dat geen betalingen zijn
verricht de verwachting bestaat dat ook in de toekomst geen betalingen
zullen worden verricht. De genoemde periode van vijf jaar kan direct aanvangen na het
terugvorderingsbesluit, maar ook
op enig moment daarna. De
bevoegdheid om af te zien van terugvordering brengt met zich mede dat
op elk moment na het verstrijken van de termijn van vijf jaar van
verdere terugvordering kan worden afgezien.
Gemeenten, de
SVB en het Lisv kunnen besluiten van terugvordering af te
zien indien de
belanghebbende een bedrag overeenkomend met ten minste 50% van de restsom
in één keer aflost. Het gaat hier om de specifieke situatie dat
gemeenten, de SVB en het Lisv een reële verwachting hebben dat
afkoop van de uitkeringschuld meer oplevert dan wanneer de gebruikelijke
incassoprocedures worden gevolgd.
Voorwaarde voor afkoop is
dat de belanghebbende een bedrag overeenkomend met ten minste 50% van de
restsom in één keer aflost. De afkoopmogelijkheid kan
ook betrekking hebben op vorderingen waarop nog niet is afgelost. In
dit geval is de restsom gelijk aan het volledige bedrag dat te veel of ten
onrechte aan bijstand, respectievelijk uitkering, is ontvangen.
Het percentage van 50%
vormt uitdrukkelijk een minimumgrens, waarbij de gemeenten, de SVB en
het Lisv - afhankelijk van de omstandigheden van het individuele geval -
een besluit dienen te nemen welk percentage voor de desbetreffende
afkoop zal worden gehanteerd. Door het stellen van dit minimumpercentage
wordt bereikt dat voldoende rechtsgelijkheid ontstaat, waarbij tevens
voldoende ruimte bestaat voor het uitvoeringsorgaan om afhankelijk van de
individuele situatie boven het gestelde minimumpercentage de
hoogte van het te betalen bedrag te bepalen.
Ten slotte is in de
voorgestelde wijzigingen bepaald dat bij ministeriële regeling nadere regels
kunnen worden gesteld. Voor het stellen van deze regels bestaat thans nog
geen aanleiding.
rblz.|14|
Artikel I, onderdeel B
[zie art.
I, onderdeel C, van de wet, red.]
Deze wijziging is zuiver
redactioneel.
Artikel I, onderdeel C
[zie art.
I, onderdeel D, van de wet, red.]
Het
voorgestelde
artikel 96a van de Abw
voorziet erin dat in het geval dat degene die bijstand
ontvangt of heeft ontvangen en ten aanzien van wie door de rechter een
verhaalsbedrag is vastgesteld, verhuist naar een andere gemeente
en aldaar
bijstand ontvangt of heeft ontvangen, de bevoegdheid tot
tenuitvoerlegging van de rechterlijke uitspraak mede overgaat op de gemeente
van vestiging.
Wijzigingen in
omstandigheden van de betrokkene, zoals bijvoorbeeld een verandering van de
bijstandsnorm als gevolg van een gewijzigde gezinssamenstelling, zijn
van belang voor de beantwoording van de vraag of de nieuwe gemeente van
haar bevoegdheid tot executeren gebruik mag maken. De gemeente
zal dan ook steeds een zorgvuldige afweging moeten maken alvorens tot
executie te besluiten. Op eventuele geschillen over de gemeentelijke
tenuitvoerlegging is de geschillenregeling van artikel 438 van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing.
Wanneer achterstand in
betaling is ontstaan ten aanzien van de gemeente van vertrek,
blijft die gemeente bevoegd tot tenuitvoerlegging van de rechterlijke
uitspraak voor zover het de betalingsachterstand betreft die verband
houdt met de door de gemeente verleende bijstand.
Ingevolge artikel 431a
van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering kan de tenuitvoerlegging
van de rechterlijke uitspraak door de gemeente van vestiging eerst
worden aangevangen, of voortgezet, na betekening van de overgang van de
executoriale titel aan de geëxecuteerde (i.e. de persoon op wie wordt verhaald).
Daarnaast blijft de
mogelijkheid bestaan dat het door de rechter vastgestelde
verhaalsbedrag op verzoek van de gemeente of van degene op wie verhaal wordt
uitgeoefend door de rechter wordt gewijzigd op grond van gewijzigde
omstandigheden (artikel 98, eerste lid, van de Abw).
Artikel I, onderdeel D
[zie art.
I, onderdeel E, van de wet, red.]
De vervanging van
artikel
101 van de Abw dient twee doelen. In de eerste plaats wordt de
gemeentelijke plicht tot verhaal in het geval dat een vreemdeling tot Nederland
is toegelaten en een ander zich garant heeft gesteld voor de kosten
die voor de staat en andere openbare lichamen uit de toelating
voortvloeien, geschrapt.
Het schrappen van de
gemeentelijke plicht met betrekking tot bijstandsverhaal op garanten betekent niet
dat de gemeenten nu geen actie meer kunnen instellen. De
gemeenten behouden de mogelijkheid tot het instellen van een civiele
vordering uit hoofde van de garantverklaring.
In de tweede plaats is in
het nu voorgestelde artikel 101 van de Abw
een informatieplicht
opgenomen voor degene op wie verhaal wordt gezocht om desgevraagd aan
burgemeester en wethouders de inlichtingen te verstrekken die voor
verhaal van belang zijn. Een dergelijke verplichting geldt thans, ingevolge
artikel 121 van de Abw, alleen ten aanzien van de werkgever van de
betrokkene en niet ten aanzien van de betrokkene zelf.
De in artikel 101 van de
Abw opgenomen informatieplicht geldt niet voor alle inlichtingen
die degene op wie verhaal wordt gezocht, zou kunnen verstrekken, maar
richt zich slechts tot de inlichtingen "die voor verhaal van
belang zijn". De voorgestelde redactie sluit aan bij de overige in die wet
geformuleerde informatieverplichtingen. Het opleggen van een
informatieplicht aan degene op wie verhaal wordt rblz.|15|
gezocht, biedt zowel voor
de gemeenten als de rechterlijke macht helderheid voor wat
betreft de verplichting om gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn
voor de uitvoering van verhaal, waardoor uitvoeringsproblemen voor
wat betreft het achterhalen van gegevens worden voorkomen.
Uiteraard kan alleen door
het verstrekken van de juiste inlichtingen aan deze verplichting worden
voldaan. Indien de betrokkene geen of onjuiste informatie verstrekt,
voldoet hij niet aan zijn informatieplicht en stelt hij zich bloot aan
strafrechtelijke vervolging. Hiervoor wordt verwezen naar de toelichting op de
artikelen XV en XVI van dit wetsvoorstel.
Artikel I, onderdeel E en
F
[zie art.
I, onderdeel F en G, van de
wet, red.]
Om uitvoering te geven
aan het Verdrag van New York is artikel 108 van de
Abw aangevuld met de mogelijkheid een verplichting aan de
bijstandverlening
te verbinden indien er
een uitspraak betreffende levensonderhoud van de Nederlandse
rechter aanwezig is die in het desbetreffende land niet ten uitvoer kan
worden gelegd. Een dergelijke verplichting kan zijn dat de
bijstandsgerechtigde ten behoeve van de buitenlandse instelling die op grond
van het Verdrag van New York tussenkomst verleent een volmacht geeft. Het Verdrag van New York maakt het in dit
geval mogelijk om de
alimentatie door een buitenlandse rechter te laten vaststellen.
Het in onderdeel F
[zie artikel I, onderdeel G, van de
wet, red.] voorgestelde artikel 108a van de Abw
stelt buiten twijfel dat, in het geval
dat ten aanzien van de bijstandsgerechtigde een rechterlijke uitspraak
betreffende levensonderhoud die uitvoerbaar is, niet wordt nagekomen, aan
de bijstand de verplichting kan worden verbonden dat die
bijstandsgerechtigde aan de tenuitvoerlegging van die uitspraak meewerkt.
Een dergelijke
verplichting kan zijn dat de bijstandsgerechtigde, ten behoeve van de
buitenlandse instelling die op grond van het Verdrag van New York optreedt, een
volmacht geeft tot het verkrijgen van een exequatur in het
buitenland.
Artikel I, onderdeel G
[zie art.
I, onderdeel H en I, van de
wet, red.]
De in dit onderdeel
voorgestelde incentiveregeling strekt ertoe de gemeenten
een groter deel
van de terugvorderings- en verhaalsopbrengsten Abw
te laten behouden, voor zover deze ontvangsten een per gemeente door Onze
Minister vast te stellen drempelbedrag te boven gaan.
Het betreft derhalve alle
ontvangsten op grond van de hoofdstuk VI, paragraaf 2, en
hoofdstuk
VII van de Abw. Het drempelbedrag wordt niet taakstellend opgelegd.
Ontvangsten met
betrekking tot terugvordering en verhaal van algemene bijstand voor
zover deze ontvangsten minder zijn dan of gelijk zijn aan het
drempelbedrag, worden op de tot dusver gebruikelijke manier in de rijksvergoeding
betrokken. Voor zover de ontvangsten meer zijn dan het drempelbedrag, dienen
zij, ingevolge het voorgestelde artikel 134a,
slechts voor 25% aan het
Rijk te worden afgedragen. Dit betekent derhalve dat 75% van die
ontvangsten door gemeenten mag worden behouden.
Hoewel in het
voorgestelde artikel 134a wordt gesproken van
"betalen", zal in de praktijk de
afdracht van de verschuldigde ontvangsten door gemeenten
aan het Rijk
met gesloten beurzen plaatsvinden. De regeling inzake verrekening,
opgenomen in afdeling 6.1.12 van het Burgerlijk
Wetboek, is op de
financiële relatie tussen Rijk en gemeente van rblz.|16|
toepassing. De
financiële verantwoording van gemeenten zal derhalve op de gebruikelijke wijze
plaatsvinden. Dat houdt onder andere in dat gemeenten in eerste
instantie alle ontvangsten ten aanzien van terugvordering en verhaal betrekken bij
de declaratieverantwoording.
De 25% van de ontvangsten
boven het drempelbedrag die ten gunste komt van het Rijk kan op
deze wijze worden verrekend met de declaratie.
In verband met de
inwerkingtreding van de nieuwe Abw met ingang van 1 januari
1996 en de
hiermee samenhangende vergoedingssystematiek is het noodzakelijk om
een scheiding aan te brengen in ontvangsten vóór 1996
en ontvangsten in 1996 en latere jaren. Het huidige artikel 134 van de
Abw heeft alleen betrekking op de ontvangsten van de
gemeente in verband met
de verlening van algemene bijstand, voor zover die bijstand is verleend
in 1996 en in latere jaren. In aanvulling hierop is in artikel
15, eerste lid,
van de Invoeringswet herinrichting Algemene
Bijstandswet vastgelegd
dat ten aanzien van de vergoeding van kosten van algemene bijstand
door het Rijk over tijdvakken vóór 1996 het bepaalde bij en krachtens
hoofdstuk IV, paragraaf 1 en 2, en artikel 81c van de oude Algemene
Bijstandswet van toepassing blijft. Deze scheiding dient echter geen gevolg
te hebben voor het uitgangspunt dat alle ontvangsten (vóór 1996,
1996 en latere jaren) worden meegerekend voor de bepaling of het door
Onze Minister vast te stellen drempelbedrag wordt gehaald. De
volgende uitwerking is hiervoor gekozen. In het derde lid van artikel 134
Abw,
tezamen met artikel 134a Abw,
wordt de situatie geregeld ten aanzien van bijstandsontvangsten die betrekking hebben op verleende bijstand in
1996 of een later jaar. Deze ontvangsten worden voor zover zij minder zijn
dan een door Onze Minister te bepalen drempelbedrag op de gebruikelijke wijze
met de uitgaven verrekend. Ontvangsten die betrekking hebben op
verleende bijstand in 1996 of een later jaar en die het drempelbedrag overtreffen, dienen voor 25% aan het Rijk te
worden afgedragen.
Met de wijziging van
artikel 15, eerste lid, van de Invoeringswet herinrichting Algemene
Bijstandswet is ervoor gezorgd dat door het van overeenkomstige
toepassing verklaren van artikel 134a Abw
voor ontvangsten die
betrekking hebben op jaren vóór 1996 dezelfde systematiek ontstaat als hierboven is
beschreven voor ontvangsten in 1996 en latere jaren. Dit
betekent dat ontvangsten die worden gegenereerd onder een door Onze Minister te
bepalen drempelbedrag op de tot nu toe gebruikelijke wijze op de
uitgaven in mindering worden gebracht, terwijl ontvangsten boven het
drempelbedrag voor 25% aan het Rijk moeten worden afgedragen.
De hoogte van het
drempelbedrag zal bij ministeriële regeling - voorlopig - voor drie
achtereenvolgende jaren worden vastgesteld. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de
vaststelling van het drempelbedrag.
Artikelen XV en
XVI
Om de in
artikel 101 van
de Abw opgenomen informatieplicht van degene op wie verhaal
wordt gezocht te kunnen handhaven, is in het wetsvoorstel een
strafsanctie opgenomen.
Bij de strafsanctie is
aansluiting gezocht bij het thans geldende artikel 143 van de
Abw. Omdat dit
artikel bij de inwerkingtreding van het bij koninklijke boodschap van
17 november 1994 ingediende voorstel van wet tot wijziging van het Wetboek
van Strafrecht en andere wetten met het oog op opneming in het
Wetboek van Strafrecht van eenvormige strafbepalingen inzake
het verstrekken van onware gegevens en het nalaten te voldoen aan
wettelijke verplichtingen om tijdig gegevens te verstrekken (concentratie
strafbaarstelling frauduleuze gedragingen) rblz.|17|
(Kamerstukken I 1995-1996,
23 993) wordt geschrapt, bevat artikel XV van
dit wetsvoorstel een bepaling
voor de alsdan ontstane situatie. De strafsanctie zal dan worden neergelegd
in het voorgestelde artikel 141 van de Abw.
Artikel XVIII
Om te voorkomen dat
artikel 48 van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) wordt gewijzigd
terwijl de AAW
is ingetrokken als gevolg van inwerkingtreding van
de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde
arbeidsongeschiktheidsregelingen is ervoor gekozen het wijzigingsartikel van de AAW in
dit
wetsvoorstel te laten vervallen indien op het tijdstip van inwerkingtreding van
dit tot wet verheven wetsvoorstel de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde
arbeidsongeschiktheidsregelingen in werking treedt of de
Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen vóór dat tijdstip in
werking is getreden.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
|
|