|
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 1996-1997, 1997-1998, 25 263.
Handelingen II 1997-1998, blz. 1101-1134, 1352-1372, 1668-1687, 1912-1915.
Kamerstukken I 1997-1998, 25 263 (132, 132a, 132b, 132c, 132d, 132e,
132f, 132g).
Handelingen I 1997-1998, zie vergaderingen d.d. 28 april 1998 en 12 mei
1998.
WET
van 14 mei 1998, Stb. 1998, 300, houdende wijziging van het Burgerlijk
Wetboek, het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 en
van enige andere wetten (flexibiliteit en zekerheid).¹
Inwerkingtreding: 1 januari 1999 (Stb.
1998, 332).
1. De niet-officiële
citeertitel van deze wet luidt Flexwet, red.
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is de flexibiliteit in het arbeidsbestel te vergroten met
handhaving van een adequaat beschermingsniveau voor werknemers, alsmede
de bevoegdheid tot het verlenen van de toestemming voor de opzegging van
een arbeidsverhouding toe te kennen aan de Regionaal Directeur van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie en in verband daarmee het Burgerlijk
Wetboek, het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 en enige
andere wetten te wijzigen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
[Voor de
socialezekerheidswetgeving relevante artikelen, red.]
Art. II.
Het Buitengewoon Besluit
Arbeidsverhoudingen 1945 wordt als volgt gewijzigd:
A.
Artikel 1, onderdeel f, komt
te luiden:
f. dringende reden voor de
werkgever: daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer welke ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze
niet kan worden gevergd de arbeidsverhouding te laten voortduren.
B.
Artikel 6 wordt vervangen
door:
Art. 6.
-1. De werkgever behoeft voor
de opzegging van de arbeidsverhouding voorafgaande toestemming van
de Regionaal Directeur van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
-2. De werkgever behoeft deze
toestemming niet:
a. indien de opzegging
onverwijld geschiedt om een dringende reden, onder gelijktijdige
mededeling van die reden aan de wederpartij;
b. tijdens de proeftijd;
c. indien de opzegging
geschiedt tengevolge van faillissement van de werkgever.
-3. Bij ministeriële
regeling worden regels gesteld met betrekking tot de toestemming als bedoeld in
het eerste lid.
-4. Alvorens een beslissing
inzake het verlenen van toestemming krachtens het eerste lid
wordt genomen, hoort de Regionaal Directeur van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie vertegenwoordigers van de in aanmerking komende
organisaties van werkgevers en werknemers, behoudens in bij
ministeriële regeling bepaalde gevallen.
-5. Onze Minister kan een
Regionaal Directeur van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
aanwijzingen geven met betrekking tot de uitoefening van de
bevoegdheid tot het verlenen van toestemming als bedoeld in het eerste lid.
Hij treedt daarbij niet in de besluitvorming in individuele gevallen.
-6. Bij ministeriële
regeling kunnen voorzieningen worden getroffen voor het geval een Regionaal
Directeur van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie zijn uit dit artikel
voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt.
-7. De Regionaal Directeur
van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie brengt aan Onze Minister
verslag uit over de wijze waarop de bevoegdheid tot het verlenen
van de toestemming is uitgeoefend. Bij ministeriële regeling worden hieromtrent nadere regels gesteld.
-8. De Regionaal Directeur
van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie is verplicht aan Onze Minister
desgevraagd binnen een daartoe gestelde termijn en op de aangegeven
wijze kosteloos alle opgaven te verstrekken betreffende de wijze waarop
de bevoegdheid tot het verlenen van de toestemming is uitgeoefend.
-9. Van het eerste lid kan
bij ministeriële regeling voor bepaalde werknemers of groepen van
werknemers voorwaardelijk of onvoorwaardelijk ontheffing of vrijstelling
worden verleend.
-10. Tegen beslissingen van
de Regionaal Directeur van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
inzake het verlenen van toestemming op grond van het eerste lid
staat geen beroep open bij het College van Beroep voor het
bedrijfsleven.
C.
Artikel 9 wordt vervangen
door:
Art. 9.
-1. Een opzegging zonder de
op grond van artikel 6 vereiste toestemming is
vernietigbaar.
-2. Handelingen in strijd met
artikel 8, eerste lid, zijn vernietigbaar.
-3. De werknemer kan
gedurende zes maanden een beroep op deze vernietigingsgrond doen.
D.
In artikel 10, eerste lid,
wordt "goedkeuring" vervangen door: toestemming.
E.
Artikel 27 vervalt.
F.
Artikel 32 wordt vervangen
door:
Art. 32.
Onze Minister kan bevoegdheden welke krachtens dit besluit aan hem of aan de
Regionaal Directeur van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie toekomen, overdragen aan
organisaties uit het bedrijfsleven.
Art. VI.
De Werkloosheidswet wordt
gewijzigd als volgt:
A.
In artikel 16 worden een
nieuw derde en vierde lid ingevoegd, luidende:
-3. Met het recht op
onverminderde doorbetaling van zijn loon, bedoeld in het eerste lid, worden
gelijkgesteld de inkomsten waarop de werknemer recht heeft in
verband met de beëindiging van de dienstbetrekking, tot aan het bedrag aan loon
dat de werknemer zou hebben ontvangen indien de
dienstbetrekking door opzegging met inachtneming van de voor de werkgever
geldende termijn zou zijn geëindigd. Onder inkomsten als bedoeld in de
eerste zin wordt niet verstaan een door de rechter toegewezen
vergoeding van proceskosten. Het hiervoor bedoelde bedrag
wordt:
a. indien de
dienstbetrekking door opzegging is geëindigd, toegerekend aan de periode onmiddellijk
volgend op de datum waarop de dienstbetrekking door de werkgever is
opgezegd;
b. indien de
dienstbetrekking is geëindigd door ontbinding, toegerekend aan de periode onmiddellijk
volgend op de datum van de beschikking tot ontbinding;
c. indien de
dienstbetrekking is geëindigd met wederzijds goedvinden, toegerekend aan de periode
onmiddellijk volgend op de datum waarop de beëindiging schriftelijk is
overeengekomen, dan wel, bij gebrek aan een schriftelijke
beëindigingsovereenkomst, aan de periode onmiddellijk volgend op het tijdstip
waarop de dienstbetrekking is geëindigd. In de situatie, bedoeld
onder b, wordt onder de voor de werkgever geldende termijn verstaan de
termijn, bedoeld in het tweede en vierde lid van artikel 672 van Boek
7 van het Burgerlijk
Wetboek.
-4. Het derde lid vindt geen
toepassing indien de werkgever na het einde van dienstbetrekking
verkeert in een toestand als bedoeld in artikel
61, eerste lid, en voor zover de
werknemer als gevolg van die toestand de in het derde lid bedoelde
inkomsten niet ontvangt.
B.
Na artikel 24, tweede lid,
van de Werkloosheidswet wordt, onder vernummering van het derde
tot en met zesde lid tot vierde tot en met zevende lid, een nieuw derde
lid ingevoegd, luidende:
-3. De werknemer is niet
verwijtbaar werkloos geworden indien voor de opzegging van de
dienstbetrekking toestemming is verleend krachtens artikel 6 van het
Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 en die toestemming uitsluitend is
gemotiveerd door bedrijfseconomische omstandigheden.
Art. XVI.
-1. Onze Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid zendt binnen drie jaar na de
inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de
doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
-2. Onze Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid zendt na twee jaar na de inwerkingtreding van
deze wet en vervolgens telkens na vier jaar aan de Staten-Generaal een
verslag over de wijze waarop de Regionaal Directeur van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie de bevoegdheid tot het verlenen van toestemming
voor de opzegging van de arbeidsverhouding, bedoeld in artikel II,
onderdeel B, heeft uitgevoerd.
Overgangs-
en slotbepalingen
Art. XVII.
Artikel 16, derde en vierde
lid, van de Werkloosheidswet, zoals deze leden luiden na de
inwerkingtreding van artikel VI, onderdeel A, van deze
wet, zijn niet van
toepassing indien de dienstbetrekking is geëindigd vóór de dag van inwerkingtreding
van dit onderdeel.
Art. XVIII.
Indien de dienstbetrekking
is beëindigd vóór het tijdstip van het inwerkingtreden van deze
wet, blijven de bepalingen inzake de beëindiging van de dienstbetrekking, met
inbegrip van de alstoen ter zake van die beëindiging geldende
verjaringstermijnen, van toepassing zoals zij golden vóór dat tijdstip.
Art. XIX.
-1. Op arbeidsovereenkomsten
die op de datum van inwerkingtreding van deze wet voldoen aan de voorwaarden, bedoeld in artikel
668a, eerste lid, is artikel 668a eerst dan van toepassing indien een volgende arbeidsovereenkomst wordt aangegaan met een
tussenpoos van niet meer dan drie maanden.
-2. Op een voor bepaalde tijd
aangegane arbeidsovereenkomst die is voortgezet vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet blijven de
bepalingen inzake het
beëindigen van de arbeidsovereenkomst van toepassing zoals zij golden vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet.
Art.
XX.
-1. Voor de beëindiging van
de uitzendovereenkomst waarin een beding als bedoeld in artikel 691,
tweede lid, is opgenomen en die vóór de datum van inwerkingtreding van deze
wet is voortgezet, is, in afwijking van artikel XIX,
tweede lid, geen voorafgaande
opzegging nodig.
-2. Voor
uitzendovereenkomsten die zijn aangegaan op of na de datum van inwerkingtreding van
deze wet en die vóór dat tijdstip aangegane uitzendovereenkomsten
opvolgen, worden voor de berekening van de termijnen, bedoeld in
artikel 691, eerste en derde lid, die perioden in aanmerking genomen waarin gedurende de
drie jaren die voorafgaan aan de datum van de inwerkingtreding van
deze wet arbeid is verricht.
-3. Van het eerste en tweede lid kan
slechts worden afgeweken bij collectieve arbeidsovereenkomst of bij
regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan.
Art.
XXI.
Voor de werknemer die op het
tijdstip van het in werking treden van deze wet 45 jaar of ouder
was en voor wie op dat tijdstip een langere termijn voor opzegging gold
dan volgens deze wet, blijft de oude termijn gelden zolang hij bij
dezelfde werkgever in dienst blijft.
Art.
XXII.
Op een proeftijd welke is
overeengekomen maar nog niet is verstreken op het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet blijven de bepalingen ter zake van toepassing zoals
zij golden vóór dat tijdstip.
Art.
XXIII.
-1. Vóór de plaatsing in het
Staatsblad kan Onze Minister van Justitie de nummering van de artikelen
en afdelingen van de titel Arbeidsovereenkomst in het Burgerlijk
Wetboek,
zoals deze titel zal luiden op het tijdstip dat deze wet in werking is
getreden, opnieuw vaststellen en de in deze wet voorkomende aanhalingen van de artikelen en afdelingen met de
nieuwe nummering in
overeenstemming brengen.
-2. Hij draagt zorg dat de
overeenkomstig het vorige lid bijgewerkte tekst van de titel
Arbeidsovereenkomst in het Staatsblad wordt geplaatst.
Art. XXIV.
De artikelen van deze wet
treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat
voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan
worden vastgesteld.¹
1. Bij Besluit
van 2 juni 1998, Stb. 1998, 332, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 januari 1999, red.
Lasten en bevelen dat deze wet in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
14 mei 1998
BEATRIX
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
Uitgegeven de tweede
juni 1998
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|
|