|
rblz.|1|
Kamerstukken II
1996-1997, 25 264
Regels
voor de niet-openbare arbeidsbemiddeling en het ter beschikking stellen
van arbeidskrachten (Wet
allocatie arbeidskrachten door intermediairs)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 1.1 |
Thans geldende
regulering |
| 2 |
Achtergronden van het
wetsvoorstel |
| 2.1 |
Heroverweging |
| 2.2 |
Adviezen SER, CBA en
SVr |
| 2.3 |
Standpunt naar
aanleiding van het SER-advies |
| 3 |
Resterend systeem van
ordening intermediairen |
| 3.1 |
Arbeidsbemiddeling |
| 3.2 |
Ter beschikking
stellen van arbeidskrachten |
| 4 |
Niet-terugkerende
punten van regulering |
| 5 |
Effecten van het
wetsvoorstel |
|
xArtikelsgewijs |
| xxv| |
Artikelen
1 t/m 24 |
rblz.|2|
Algemeen
1.
Inleiding
Dit
wetsvoorstel heeft een beperkte strekking. Het hangt nauw samen met de
Arbeidsvoorzieningswet 1996 (Stb. 1996, 618) die de
Arbeidsvoorzieningswet 1990 per 1 januari 1997 heeft vervangen. Met de
invoering van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 vervallen de onderdelen van de
Arbeidsvoorzieningswet 1990 die handelen over arbeidsbemiddeling en ter beschikking
stellen van arbeidskrachten niet. Deze blijven ingevolge artikel 19 van
de Invoeringswet Arbeidsvoorzieningswet
1996 van kracht. Dit
wetsvoorstel bevat voor een groot deel bepalingen die in het nog niet vervallen
deel van de Arbeidsvoorzieningswet 1990 en de daarop berustende regelgeving zijn opgenomen.
Voorts is dit
wetsvoorstel niet los te zien van de voorgestelde wijzigingen in het Burgerlijk
Wetboek onder meer gericht op het verbeteren van de rechtspositie van
arbeidskrachten op zogenoemde flexibele contracten.
Op de samenhang met laatstbedoeld voorstel wordt
teruggekomen in paragraaf
2.3 en 4.1 [hoofdstuk 4, red.] van deze toelichting.
Het nog niet vervallen
deel van de Arbeidsvoorzieningswet 1990 betreft met name hoofdstuk III,
paragrafen 3 en 4. Hierin zijn de bepalingen opgenomen inzake
intermediaire functies op de arbeidsmarkt verricht door anderen dan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Voorts zijn nog enkele artikelen van
kracht die betrekking hebben op de begripsomschrijving en controle en handhaving
van bepalingen die betrekking hebben op arbeidsbemiddeling en het ter beschikking stellen van
arbeidskrachten.
Hoofdstuk III, paragraaf
3, handelt over arbeidsbemiddeling en hoofdstuk III, paragraaf
4, over het ter beschikking stellen van arbeidskrachten. Beide paragrafen vangen
aan met een verbod arbeidsbemiddeling te verlenen respectievelijk
arbeidskrachten ter beschikking te stellen, zonder vergunning van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. De Arbeidsvoorzieningswet
1990 bundelde hiermee
regulering die voordien in twee aparte wetten was opgenomen, de
Arbeidsbemiddelingswet 1930 en de Wet op het ter beschikking stellen van arbeidskrachten uit 1965, ingevoerd in
1970.
Dit zogenoemde
vergunningensysteem is het resultaat van een historische ontwikkeling
die voor arbeidsbemiddeling en ter beschikking stellen van
arbeidskrachten verschillend is.
Deze historie is
uitvoerig weergegeven in de memorie van toelichting bij de
Arbeidsvoorzieningswet 1990 (Kamerstukken II 1987-1988, 20 569, nr. 3). Thans wordt volstaan
met het memoreren van twee punten.
Het systeem van de
Arbeidsbemiddelingswet 1930 kon worden omschreven als een
monopolie voor de openbare arbeidsvoorziening, aangevuld met de
bijzondere arbeidsbemiddeling uitsluitend voor de gevallen dat de
particuliere intermediair een specifieke en aantoonbare toegevoegde waarde kon
inbrengen.
Het regime dat op basis
van de Wet op het ter beschikking stellen van arbeidskrachten (1965)
tot stand kwam, stoelde enerzijds op een beleid gericht op een correcte
incasso van sociale premies en loonbelasting, vormgegeven door de
verbinding met de inlenersaansprakelijkheid uit artikel
16a Coördinatiewet
Sociale Verzekering (CSV), en had anderzijds elementen van
arbeidsverhoudingen- en loonbeleid in zich.
Bij de invoering van de
Arbeidsvoorzieningswet 1990 zijn zowel de Arbeidsbemiddelingswet
1930 als de Wet op het ter beschikking stellen van arbeidskrachten
ingetrokken, maar het vergunningensysteem werd rblz.|3|
zowel voor
arbeidsbemiddeling als voor het ter beschikking stellen van arbeidskrachten in de
Arbeidsvoorzieningswet 1990 opgenomen.
Door de
Arbeidsvoorzieningswet 1990 werd arbeidsbemiddeling met winstoogmerk, welke onder
de Arbeidsbemiddelingswet 1930 niet was toegestaan, weer legaal
mogelijk. Hierdoor kon Nederland niet meer voldoen aan de bepalingen
van deel II van het Verdrag 96 van de International Labour
Organisation (ILO), welk deel arbeidsbemiddeling met winstoogmerk
verbiedt. Naar aanleiding van de invoering van de Arbeidsvoorzieningswet
1990 is de ratificatie van dit verdrag daarom gewijzigd in die zin dat
Nederland thans deel III van het verdrag, dat wel arbeidsbemiddeling met
winstoogmerk mogelijk maakt, onderschrijft.
1.1. Thans geldende
regulering
De houders van een
vergunning voor zowel arbeidsbemiddeling als voor het ter beschikking
stellen van arbeidskrachten zijn onderworpen aan een regime dat deels is
opgenomen in het nog niet vervallen deel van de Arbeidsvoorzieningswet
1990, deels in door het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening
(CBA)
met gekwalificeerde meerderheid vastgestelde regelingen. De verdeling
tussen de in de wet neergelegde bepalingen enerzijds en in de
CBA-regeling opgenomen bepalingen anderzijds stoelt op de gedachte dat de
gedragsnormen, die als essentieel worden gezien, in de wet zelf verankerd
moeten worden. Nadere regelgeving is overgelaten aan het CBA.
De materieel
belangrijkste bepaling van de CBA-regeling voor arbeidsbemiddeling is dat
aan een werkzoekende geen tegenprestatie voor de verleende
bemiddeling in rekening mag worden gebracht. De materieel belangrijkste
bepalingen van de CBA-Regeling voor het ter beschikking stellen van
arbeidskrachten betreffen de vaststelling van de maximumtermijn van ter
beschikkingstelling (zes maanden/1000 uur) en de beloning van de ter
beschikking gestelde arbeidskrachten.
Van de in het nog niet
vervallen deel van de Arbeidsvoorzieningswet 1990 vastgelegde
gedragsnormen is de bepaling dat vergunninghouders geen arbeidskrachten ter
beschikking mogen stellen voor andere dan tijdelijke arbeid wel de
meest belangrijke.
Door de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen ambtenaren zijn belast
met de controle op het gedrag van de vergunninghouders.
De in de
Arbeidsvoorzieningswet 1990 opgenomen bepalingen en de daarop berustende
regelingen van het CBA zijn krachtens artikel 19 van de
Invoeringswet Arbeidsvoorzieningswet 1996
nog van kracht. Ingevolge artikel 34 van
deze
Invoeringswet kunnen deze bepalingen vervallen bij koninklijk besluit.
Behalve in het nog niet
vervallen deel van de Arbeidsvoorzieningswet 1990 en daaraan
gerelateerde regelingen is het ter beschikking stellen van arbeidskrachten eveneens
gereguleerd door de CSV. Artikel
16a CSV bepaalt dat degene die
gebruik maakt van hem door een ander ter beschikking gestelde arbeidskrachten (de
"inlener") hoofdelijk aansprakelijk
is voor de afdracht van
premies en belastingen die verschuldigd zijn over de met de inlening
gemoeide loonsom. De Invorderingswet
1990 bevat in artikel 34 een
parallelle bepaling. Deze zogenoemde inlenersaansprakelijkheid is een belangrijke
bouwsteen van het beleid bij de bestrijding van fraude
met premies en belastingen. De inlener die gebruik maakt van arbeidskrachten
die hem door een vergunninghouder ter beschikking zijn gesteld,
kan zich van deze aansprakelijkheid vrijwaren.
rblz.|4|
2. Achtergronden van het
wetsvoorstel
Het kabinet is van mening
dat er zwaarwegende argumenten zijn om het beschreven stelsel te
herzien, op grond van de volgende overwegingen in hun onderlinge
samenhang.
Naar de huidige inzichten
inzake de verdeling van de verantwoordelijkheden tussen het publiek domein
en het private domein dient de overheid zich te beperken tot haar
kerntaken. Wat aan de private sector kan worden overgelaten, valt buiten
de bemoeienis van de overheid. Slechts waar basisniveaus van
bescherming en ordening in het geding zijn, ligt er een taak voor de overheid. In
de vigerende regulering van de intermediairs op de arbeidsmarkt schuilen
elementen die het kabinet thans niet meer tot het publiek domein zou
rekenen.
Een argument van zeker
even groot belang ziet het kabinet in de omstandigheid dat de
regulering van de intermediairs beperkingen oplegt aan de marktwerking. De
markt van intermediaire diensten op de arbeidsmarkt kent thans
een toetredingsdrempel en de activiteiten van de toegelaten
dienstverleners zijn nauwkeurig gereglementeerd. Door deze rigiditeiten bestaat de
kans dat er geen optimaal werkende markt voor allocatieve diensten tot
stand komt. Dit kan een nadelig effect hebben op de werking van de arbeidsmarkt in zijn totaliteit en is aldus ook nadelig
voor een optimale
arbeidsparticipatie. Bij de huidige hoge werkloosheid is ook dit een factor die
tot herbezinning noopt.
Ten derde acht het
kabinet het onjuist regels in stand te houden die niet, of slechts tegen
aanzienlijke kosten, te controleren en te handhaven zijn. Uit de praktijk blijkt
dat verschillende onderdelen van de vigerende regelingen in
aanzienlijke mate worden overtreden of ontweken. Tegen geconstateerde
overtredingen wordt noch strafrechtelijk (tegen niet-vergunninghouders),
noch bestuursrechtelijk (tegen vergunninghouders) stelselmatig opgetreden.
Hierdoor heeft het systeem in ernstige mate aan
geloofwaardigheid verloren. Consequente handhaving zou slechts mogelijk zijn
tegen aanzienlijk hogere uitvoeringslasten. Daarmee rijst de vraag of de
kosten van het handhaven wel opwegen tegen de baten gelegen in de
doeleinden van de regeling.
2.1. Heroverweging
De hiervoor genoemde
constateringen hebben reeds in de vorige kabinetsperiode
aanleiding gegeven tot een bezinning op de doelstellingen en de effecten van de
geldende regelingen.
Het resultaat van deze
reflectie is neergelegd in een heroverwegingsnota, welke
als bijlage bij de hierna te melden adviesaanvrage aan de
Sociaal-Economische Raad (SER) en het CBA is gepubliceerd.
Kort samengevat waren de
conclusies van deze nota:
A. Voor particuliere
arbeidsbemiddeling hebben de doelstellingen die aan de huidige regulering
ten grondslag liggen hun waarde niet behouden, dan wel worden
deze ook via andere regelgeving beschermd. Er is eigenlijk geen
aanleiding om particuliere arbeidsbemiddelaars anders te behandelen dan
andere ondernemers en derhalve zou het vergunningenstelsel voor
arbeidsbemiddeling dan ook kunnen vervallen. Het Verdrag nr. 96 van de
Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) schept echter (als enige factor)
de plicht tot een vergunningensysteem voor arbeidsbemiddeling.
B. Voor het ter
beschikking stellen van arbeidskrachten behoudt uitsluitend de
bestrijding van fraude met premies en belastingen haar waarde als doelstelling
van overheidsoptreden. Daar deze doelstelling ook rblz.|5|
op andere wijze
geïnstrumenteerd kan worden, is dit op zichzelf onvoldoende reden om degenen die
arbeidskrachten ter beschikking stellen anders dan anderen te
behandelen door hen aan een vergunningplicht te onderwerpen.
Het toenmalige kabinet
heeft de conclusies van de heroverwegingsnota overgenomen en in de nota
"Meer werk, weer werk" (Kamerstukken II 1993-1994, 23 406)
aangekondigd de particuliere arbeidsbemiddeling en het ter beschikking stellen
van arbeidskrachten vergaand te willen dereguleren.
In november 1993 is
advies gevraagd aan de SER en aan het CBA. Begin januari 1994 is over een
alternatieve regeling voor de bestrijding van fraude met premies en
belasting bij het ter beschikking stellen van arbeidskrachten een
advies gevraagd aan de Sociale Verzekeringsraad (SVr).
2.2. Adviezen SER, CBA en
SVr
In zijn advies (SER-publicatie 94/07) wijst de SER voor wat betreft arbeidsbemiddeling op de
plicht die het ILO-verdrag nr. 96 op Nederland legt om een
vergunningensysteem te hebben. De SER is unaniem van mening dat dit systeem in
de praktijk sober en ruimhartig moet worden uitgevoerd.
In dit kader is de SER
unaniem voor handhaving van het verbod om aan een werkzoekende een
tarief voor verleende arbeidsbemiddeling in rekening te brengen, zij
het dat de SER de mogelijkheid van ontheffing van dit verbod wil
openen.
Voor wat betreft het ter
beschikking stellen van arbeidskrachten (uitzenden) is de SER
verdeeld. Een deel van de SER, grotendeels bestaande uit werknemers,
is voorstander van handhaving van de vergunningplicht en stelt dat, indien deze zou verdwijnen, enkele
gedragsnormen voor
uitzendbureaus op andere wijze in de wetgeving moeten worden vastgelegd.
Een ander deel van de SER, grotendeels bestaande uit werkgevers,
is voorstander van afschaffing van de vergunningplicht.
Het eerstgenoemde deel
van de SER bepleit specifieke normen voor intermediairs met
betrekking tot de belemmering van mobiliteit van werknemers; eveneens voor
de verhouding tussen de beloning van ingeleende
arbeidskrachten en eigen personeel. Tevens stelt dit deel voor om aan het toestaan van
uitleningen van langer dan zes maanden rechtspositionele voorwaarden te verbinden.
Unaniem bepleit de SER
handhaving van het verbod voor intermediairs om arbeidskrachten ter
beschikking te stellen aan een bedrijf waar een collectief
arbeidsconflict heerst.
Het
CBA heeft zich in
zijn antwoord op de adviesaanvrage beperkt tot het bericht dat de
werkgevers- en de werknemersgeleding zich aansluiten bij de respectieve in de
SER ingenomen standpunten.
De SVr heeft in zijn
advies van 15 december 1994 afgezien van advisering in engere zin
en zich beperkt tot het geven van een inventarisatie van de diverse
modaliteiten voor vrijwaring met de daaraan zijns inziens verbonden voor-
en nadelen.
2.3. Standpunt naar
aanleiding van het SER-advies
Mede naar aanleiding van
de voorwaarde welke het grotendeels uit rblz.|6|
werknemers bestaande deel
van de SER adviseerde te verbinden aan het vervallen van de
maximumtermijn heeft het huidige kabinet verband gelegd met de op 4
december 1995 uitgebrachte nota "Flexibiliteit en Zekerheid" (Kamerstukken
II 1995-1996, 24 543). Een belangrijk deel van de in deze nota vervatte
voorstellen is bij brief van 4 december 1995 voor advies voorgelegd aan de
Stichting van de Arbeid.
De Stichting van de
Arbeid stelde op 3 april 1996 unaniem een advies vast inzake onder meer de
rechtspositie van arbeidskrachten op zogenoemde flexibele
contracten, waaronder de uitzendkrachten. De Stichting adviseert dat,
wanneer deze op verbetering van de rechtspositie gerichte voorstellen zijn
ingevoerd, het vereiste van een vergunning voor het ter beschikking
stellen van arbeidskrachten alsmede de daarmee verbonden maximumtermijn
voor het uitzenden van een arbeidskracht kunnen vervallen.
Het kabinet neemt dit
advies over en is bij de opzet van dit wetsvoorstel uitgegaan van de
wenselijkheid van zo vergaand mogelijke deregulering. Alleen waar de wenselijke
ordening nog door de overheid te stellen regels vergt, wordt van dit
uitgangspunt afgeweken. Aldus wordt in dit wetsvoorstel een
specifieke regulering voor intermediairen op de arbeidsmarkt in zekere,
zij het verminderde, mate gehandhaafd. Voor arbeidsbemiddeling omdat
de genoemde verdragsverplichting dit thans nog vergt. Voor het ter
beschikking stellen van arbeidskrachten omdat het kabinet - mede naar
aanleiding van de advisering - van oordeel is dat het belang van goede
verhoudingen op de arbeidsmarkt alsmede het belang van een correcte incasso
van loonbelasting en sociale premies een zekere specifieke ordening
wenselijk maken.
3. Resterend systeem van
ordening intermediairen
3.1. Arbeidsbemiddeling
Verdrag nr. 96 van de ILO
bepaalt in de artikelen 10 en 11 (deel III) dat bemiddelingsbureaus die
voor hun bemiddeling betaling vragen:
a. onderworpen moeten
zijn aan toezicht van de bevoegde autoriteit;
b. een vergunning moeten bezitten; en
c. slechts beloning en
kosten in rekening mogen brengen volgens een door de bevoegde
autoriteit goedgekeurde schaal.
Wordt het
bemiddelingsbureau gedreven met winstoogmerk, dan is een "jaarlijkse" vergunning
nodig. Over de hoogte van de tarieven laat het ILO-verdrag zich niet
uit. Dat wordt aan de bevoegde autoriteit overgelaten.
Dit verdrag is door
Nederland voor de tweede maal geratificeerd bij akte van 4 februari 1992, die
op 13 februari 1992 bij de ILO is gedeponeerd. Opzegging is niet eerder
mogelijk dan tegen 2002. Nederland heeft arbeidsbemiddeling in de
zin van dit verdrag steeds beschouwd overeenkomstig de definitie van arbeidsbemiddeling zoals deze in artikel 1,
eerste lid,
onderdeel h, van de
Arbeidsvoorzieningswet 1990 is opgenomen.
Het kabinet is met de
adviesorganen van oordeel dat, naast de verplichting
voortvloeiend uit het verdrag, een noodzaak om het gedrag van particuliere
arbeidsbemiddelaars te beïnvloeden slechts op een enkel punt aanwezig is.
Dit
wetsvoorstel gaat daarom uit van handhaving van de thans geldende
regulering. Deze wordt overgenomen uit het nog niet vervallen deel van de
Arbeidsvoorzieningswet 1990, met slechts enkele wijzigingen van
technische aard. De regulering voldoet aan het minimaal door het verdrag
voorgeschreven niveau.
In de adviesaanvrage aan
de SER was voorgesteld om de bestaande regelingen ten aanzien
van het (niet) beïnvloeden van collectieve rblz.|7|
arbeidsconflicten en het
vragen van vergoedingen aan werkzoekenden te laten vervallen. De
adviesorganen adviseren de regulering op deze punten te handhaven.
Het verbod om bemiddeling
te verlenen tot het plaatsen van een werkzoekende in een
bedrijf waar een collectief arbeidsconflict heerst, wordt zowel door de SER
als door de Stichting van de Arbeid unaniem gekenmerkt als
noodzakelijk voor het handhaven van goede arbeidsverhoudingen. Beide colleges adviseren
het thans in artikel 85, tweede lid, onderdeel b, van de
Arbeidsvoorzieningswet 1990 neergelegde verbod te continueren.
Het kabinet erkent het
belang van dit verbod voor het bewaren van goede
arbeidsverhoudingen. Daarom neemt het kabinet dit advies over.
Met betrekking tot het
vragen van een vergoeding aan een werkzoekende wijst de SER
op de
navolgende afweging. Enerzijds bestaat de mogelijkheid dat de
intermediairs actiever zullen gaan zoeken naar mogelijk voor hun cliënt
geschikte vacatures waardoor de arbeidsparticipatie wordt vergroot.
Anderzijds zal de ongelijkheid tussen werkzoekenden in kansen
bij het zoeken naar werk kunnen toenemen. Waar de werkloosheid zich
concentreert aan de zogenoemde onderkant van de arbeidsmarkt weegt
de SER de toename van ongelijkheid in kansen zwaar en adviseert
hij het bestaande verbod te handhaven, doch de mogelijkheid van een
ontheffing te introduceren.
Het ILO-verdrag kent de
mogelijkheid om beloning en kosten in rekening te brengen aan
een werkzoekende, doch slechts onder de voorwaarde dat dit
geschiedt volgens een schaal goedgekeurd of vastgesteld door de bevoegde autoriteit.
Het kabinet erkent dat
door afschaffing van het verbod de ongelijkheid in kansen van
werkzoekenden kan toenemen. Bovendien brengt de door het ILO-verdrag
voorgeschreven schaal, alsook de door de SER
gesuggereerde ontheffing, aanzienlijke
uitvoeringslasten met zich. Dit nog afgezien van het feit dat het moeilijk zal zijn criteria te ontwikkelen voor de
beoordeling of al dan
niet ontheffing van het verbod moet worden verleend.
Het kabinet heeft daarom,
alles tegen elkaar afwegende, ervoor gekozen het verbod te handhaven.
Er zij aan herinnerd dat
het vergunningensysteem voor particuliere arbeidsbemiddeling
uitsluitend wordt gehandhaafd, omdat en zolang de ILO Nederland daartoe
verplicht. Vanwege de verdragsverplichting wordt de status quo
gecontinueerd.
Voorts wordt hier
gememoreerd dat in de Arbeidsvoorzieningswet 1996 niet meer sprake is van
een speciale functie van het CBA jegens de niet-openbare
arbeidsbemiddeling.
Het kabinet is van mening
dat het status-quokarakter van het vergunningensysteem,
gepaard aan het vervallen van de zogenoemde "regiefunctie" van het
CBA, gevolgen dient te hebben voor de bevoegdheid van het CBA
om nadere regels te geven voor de vergunninghouders. Genoemde wijzigingen in
de situatie maken het niet passend dat de verordenende
bevoegdheid van het CBA betrekking zou hebben op dezelfde materie als in
de Arbeidsvoorzieningswet 1990. De materie die het CBA door middel van
nadere regels kan ordenen, dient uitsluitend betrekking te hebben op
het functioneren van het vergunningensysteem als zodanig. Te denken
valt aan het vaststellen van procedures en dergelijke. Essentiële
gedragsnormen voor vergunninghouders behoren in deze nieuwe situatie niet via
de verordenende bevoegdheid van het CBA te worden vastgelegd. Het
verbod om arbeidskrachten ter beschikking te stellen aan een bedrijf
waar een arbeidsconflict heerst en het verbod om rblz.|8|
aan een werkzoekende een
tegenprestatie voor de arbeidsbemiddeling te bedingen, hebben dan ook
in de wet zelf een plaats gevonden.
3.1.1. "Impresario’s"
Ingevolge het bepaalde in
het tweede lid van artikel 77 van de Arbeidsvoorzieningswet
1990 is het verlenen van bemiddelingsdiensten welke niet zijn gericht
op het tot stand brengen van een arbeidsovereenkomst, doch op een vrijere
arbeidsverhouding, voor wat betreft kunsten, amusement en beroepssport
met arbeidsbemiddeling gelijkgesteld.
Daar het hier geen
arbeidsbemiddeling in eigenlijke zin betreft, wordt de vergunning niet
voorgeschreven door het meergenoemde verdrag van de ILO. De SER
wijst evenwel
op het feit dat in deze sector de arbeidskrachten voor het verwerven van
inkomen veelal in zeer sterke mate afhankelijk zijn van de intermediair, alsmede op de omstandigheid dat de
vergunningplicht nog pas
gedurende korte periode in deze sector geldig is, zodat er nog geen
sprake kan zijn van een reële toetsing van de regulerende werking van
dit stelsel. De SER adviseert daarom (overgangs)maatregelen te treffen
dan wel het vergunningenstelsel voor de sector te handhaven. Uit
het als bijlage bij het SER-advies gevoegde advies van de
Sectorcommissie Artiesten en Musici (een adviescommissie van het CBA) blijkt dat
de organisaties van werkgevers en werknemers in de sector kunsten en
amusement met klem hebben aangedrongen op handhaving gedurende ten
minste enkele jaren van het vergunningensysteem
voor intermediairen in
deze sector.
Het kabinet laat daarom
deze gelijkstelling ongewijzigd voortbestaan, waardoor voor deze sector
het vergunningsvereiste in stand blijft. Indien op een later tijdstip
mocht blijken dat het vergunningenstelsel in deze sector niet langer nodig
of effectief is, dan zal alsnog tot afschaffing worden overgegaan.
Hierboven is uiteengezet dat de bevoegdheid van het CBA
om gedragsregels voor
de vergunningplichtige dienstverleners vast te stellen, vervalt. In de
algemene maatregel van bestuur, waarbij voor de vergunning inzake
bepaalde categorieën werkzoekenden regels worden gesteld, kan tegemoet
gekomen worden aan de speciale wensen ten aanzien van flexibiliteit
van deze sector.
3.2. Ter beschikking
stellen van arbeidskrachten
Zoals vermeld in
paragraaf 3.1 heeft Nederland de werkingssfeer van het ILO-verdrag nr. 96
steeds gezien als congruent met de definitie van arbeidsbemiddeling in de
Nederlandse wetgeving. Met betrekking tot het ter beschikking stellen
van arbeidskrachten acht het kabinet zich dan ook niet gebonden aan een uit
internationaal recht volgende verplichting van een vergunningensysteem.
Zoals eerder vermeld, acht het kabinet in navolging van de
adviesorganen geen redenen meer aanwezig om de ondernemers die deze dienst op de arbeidsmarkt aanbieden aan een
vergunningsvereiste te
onderwerpen. Wel blijft de bestrijding van fraude met belasting en premies
doelstelling van beleid. Het is echter een oneigenlijk gebruik van
het instrument vergunning om dit te hanteren voor een doelstelling die
ook langs andere weg bereikt kan worden.
Naast de doelstelling fraudebestrijding geeft ook het belang van de goede verhoudingen op de
arbeidsmarkt aanleiding om het ter beschikking stellen van
arbeidskrachten aan een zekere regulering te onderwerpen. De
voorstellen voor de resterende regulering komen hierna aan de orde.
Het kabinet is van
oordeel dat wanneer zoals voorgesteld het vergunningsvereiste voor
het ter beschikking stellen van arbeidskrachten vervalt, er geen
aanleiding is de bevoegdheid van het CBA om nadere
rblz.|9|
regels te geven te
handhaven. De gedragsnormen die voor het ter beschikking stellen
worden vastgelegd, het "onderkruipersverbod" (zie paragraaf
3.2.2) en de
"loonverhoudingsnorm"
(zie paragraaf 3.2.3) worden daarom beide in de
wet opgenomen.
3.2.1.
Inlenersaansprakelijkheid en vrijwaring
Zoals eerder aangeduid, is
de inlenersaansprakelijkheid, die uit artikel
16a CSV
onderscheidenlijk artikel 34 van de Invorderingswet
1990 voortvloeit, een
belangrijke bouwsteen van het fraudebeleid. Deze aansprakelijkheid van
degene die gebruik maakt van aan hem ter beschikking gestelde
arbeidskrachten blijft dan ook als beginsel gehandhaafd. Onder de huidige regeling
kan de inlener zich van deze aansprakelijkheid bevrijden door te voldoen
aan twee voorwaarden: hij moet het inlenen melden aan zijn
bedrijfsvereniging én hij moet de arbeidskrachten
alleen betrekken van een
houder van een vergunning voor het ter beschikking stellen
van arbeidskrachten. Wanneer aan beide voorwaarden is voldaan,
vervalt de aansprakelijkheid. In een aantal gevallen behoeft thans
maar aan één voorwaarde te worden voldaan. Met het oog daarop spreekt
het huidige artikel
16a CSV over "een aan die werkgever verleende
vergunning (...) zo deze vergunning is vereist". Het vereiste van een
vergunning geldt niet voor het zogenoemde collegiaal hulpbetoon, bedoeld in
artikel 1, derde lid, onderdeel a, en de zogenoemde naservice bij een
geleverde zaak, bedoeld in artikel 1, derde lid, onderdeel b, van de Arbeidsvoorzieningswet
1990.
Tengevolge van dit
wetsvoorstel zal de vergunning voor het ter beschikking stellen van
arbeidskrachten vervallen. Deze vergunning zal dus niet meer haar rol
als constituerend element in de vrijwaring kunnen vervullen. Het kabinet
onderkent echter dat er ten behoeve van een flexibele
personeelsvoorziening wel behoefte is aan een instrument waarmee het bedrijfsleven
(met inbegrip van de non-profitsector) dat van ingeleende
arbeidskrachten gebruik maakt de aan het inlenen verbonden aansprakelijkheid
hanteerbaar kan maken. Daarom opent dit wetsvoorstel de mogelijkheid dat de
inlener gebruik kan maken van een speciale geblokkeerde rekening
(een g-rekening), in grote lijnen overeenkomend met het gebruik van de
g-rekening door de bonafide aannemer in de ketenaansprakelijkheid
(anders dan bij de ketenaansprakelijkheid het geval is, zal in het
kader van de inlenersaansprakelijkheid het zogenoemde doorstorten niet
geoorloofd zijn; dit aspect zal hierna nog nader worden toegelicht). De inlener
zal zijn aansprakelijkheidsrisico kunnen afdekken overeenkomstig de nieuwe
regeling voor vrijwarende stortingen op g-rekeningen, zoals
voorzien in het op 28 september 1996 bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal
ingediende voorstel van wet tot wijziging van de
Coördinatiewet Sociale Verzekering en de Invorderingswet 1990 in
verband met de invoering van de opdrachtgeversaansprakelijkheid en de
kopersaansprakelijkheid in de confectiesector en invoering van een
vrijwaringsregeling in de ketenaansprakelijkheid (Kamerstukken II
1996-1997, 25 035, nr. 2). Uitgangspunt is dat de nieuwe regeling
van de inlenersaansprakelijkheid zoveel mogelijk op dezelfde leest geschoeid dient te worden als de regeling van de
ketenaansprakelijkheid.
Dit vooral om te voorkomen dat ondernemers er in de toekomst nog belang
bij kunnen hebben inlening van arbeidskrachten voor te stellen als
aanneming van werk en omgekeerd; door dit belang weg te nemen, kan
een belangrijk aantal geschillen, waarvan de afdoening een zware
uitvoeringslast alsmede een niet geringe belasting van de rechterlijke macht
oplevert, voortaan worden voorkomen. Voor het zoveel mogelijk wegnemen
van het onderscheid tussen de inleners- en de ketenaansprakelijkheid
valt ook veel te zeggen op grond van de overweging dat zich in de
praktijk vele situaties voordoen die zozeer op elkaar lijken dat het
onderscheid tussen inlening van arbeidskrachten en rblz.|10|
aanneming van werk
ternauwernood gemaakt kan worden en dat een verschil in juridische
consequenties moeilijk te rechtvaardigen is.
In het onderhavige
wetsvoorstel wordt met zoveel woorden vastgelegd dat, ingeval doorlening
van arbeidskrachten plaatsvindt, zowel de doorlener als degene die
personeel inleent van een doorlener eveneens als inlener aansprakelijk
is op dezelfde wijze als geldt voor het normale geval van inlening annex
uitlening, namelijk indien de uitlening geschiedt door de werkgever van de
desbetreffende arbeidskracht en de inlener de hem ter beschikking gestelde
arbeidskrachten daadwerkelijk onder zijn toezicht of leiding tewerkstelt.
Hoewel dit, wat betreft de doorlener, mogelijk reeds kan worden aangenomen op
grond van de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB 22
juni 1994, nr. 1993/111, RSV 1995/45), verdient het ter wille van de
zekerheid en de duidelijkheid de voorkeur één en ander zowel voor de
doorlener als voor degene die arbeidskrachten inleent van een doorlener
in de wet zelf vast te leggen. Deze gelijkstelling is gerechtvaardigd en
noodzakelijk om fraude op loonbelasting- en socialepremiegebied,
alsmede met betrekking tot de in verband met de terbeschikkingstelling
van arbeidskrachten verschuldigde omzetbelasting, te voorkomen. Degene die
feitelijk beschikt over arbeidskrachten dient aansprakelijk te worden
gehouden voor de voldoening van de loonbelasting- en
premieverplichtingen die corresponderen met die feitelijke
beschikkingsmacht. Eenzelfde benadering geldt met betrekking tot de ter
zake van de
terbeschikkingstelling verschuldigde omzetbelasting, welke overigens veelal
door de inlener in mindering kan worden gebracht op zijn
omzetbelastingschuld. Door het scheppen van de hiervoor bedoelde duidelijkheid
worden pogingen tot ontwijking van de inlenersaansprakelijkheid voorkomen, met als gevolg
dat zich op dit vlak geen onnodige geschillen
zullen voordoen.
Het op de hiervoor
omschreven wijze rekening houden met het gegeven dat in de praktijk
doorlening nu eenmaal voorkomt, houdt niet in dat het verschijnsel
"doorlening" in zijn algemeenheid als een normale en aanvaardbare figuur
binnen het functioneren van de arbeidsmarkt kan worden beschouwd. De
praktijk wijst uit - de voor zover bekend overigens vrij zeldzame gevallen
waarin doorlening plaatsvindt tussen bonafide partijen en waarbij niet
gevreesd hoeft te worden voor de niet-nakoming van de verplichtingen op
het vlak van de belasting en sociale premies niet te na gesproken - dat
doorlening meestal plaatsvindt als onderdeel van de activiteiten van malafide
intermediairs, koppelbazen, wier ondernemingen veelal een kort bestaan leiden en doorgaans eindigen in faillissement met
achterlating van
belangrijke bedragen aan niet-betaalde belasting- en premieschulden. Hieraan
wordt de consequentie verbonden dat de inlener die op uitzendbasis arbeidskrachten inleent van doorleners, niet op
dezelfde wijze als degene
die rechtstreeks arbeidskrachten inleent van hun werkgever, gebruik zal
kunnen maken van het g-rekeningenstelsel en dat het zogenaamde doorstorten in het kader van de inlenersaansprakelijkheid
niet geoorloofd zal zijn.
Dat betekent dat een inlener zijn aansprakelijkheid ter zake van de inlening
alleen zal kunnen verminderen door het verrichten van
vrijwarende stortingen op de g-rekening van degene die de formele werkgever is, de
uitlener. Als uitlener kan, gezien de daaraan in het eerste lid van de
artikelen 16a CSV
en 34 Invorderingswet
1990 gegeven definitie,
uitsluitend de (formele) werkgever van de uitgeleende arbeidskrachten worden
beschouwd.
Indien
- in
doorleensituaties - de doorlener dat wenst, kan hij zijn risico aansprakelijk te worden
gesteld voor de door de werkgever/uitlener verschuldigde belasting
en sociale premies afdekken door een voldoende hoog bedrag te storten op
de g-rekening van de uitlener. Aan de doorlener als zodanig zal echter
door de belastingdienst en het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv) niet de mogelijkheid worden geboden een rblz.|11|
g-rekening te openen
waarop de uiteindelijke inlener, die arbeidskrachten heeft ingeleend van de
doorlener, stortingen kan doen ter afdekking van het
aansprakelijkheidsrisico. Mocht de doorlener tevens als aannemer optreden en werk
uitbesteden aan één of meer opvolgende onderaannemers, dus zich bevinden
in een
situatie waarop de ketenaansprakelijkheid van toepassing is en hij
in dat kader al wel beschikt over een g-rekening, zullen de belastingdienst en het Lisv er niet mee akkoord gaan de reikwijdte van de ter
zake bestaande g-rekeningovereenkomst uit te breiden tot
doorleensituaties. Eén en ander zal overeenkomstig de in de artikelen 16a
CSV
en 34 Invorderingswet
1990 opgenomen delegatiebepalingen worden geregeld bij ministeriële regeling. Het resultaat is dat
een inlener die
arbeidskrachten leent van een doorlener zijn aansprakelijkheidsrisico
niet kan afdekken door het verrichten van stortingen op een
g-rekening van een doorlener.
Daarmee wordt het de
laatstbedoelde inlener nog niet geheel onmogelijk gemaakt zijn aansprakelijkheidsrisico af te dekken door
stortingen op een
g-rekening te verrichten. Niet uitgesloten is namelijk de mogelijkheid dat de
laatstbedoelde inlener dergelijke stortingen verricht, als het ware met een
boog
om de doorlener heen, op de g-rekening van de werkgever/uitlener.
Daartoe zal wel een overeenkomst moeten bestaan tussen die inlener en de
uitlener, een overeenkomst die op civielrechtelijke gronden slechts tot stand
kan komen met deelname aan de overeenkomst door de doorlener; deze
zal er immers mee akkoord moeten gaan dat de vergoeding die de
uiteindelijke inlener hem, de doorlener, schuldig is voor het doorlenen van
arbeidskrachten, ten dele feitelijk niet aan hem wordt uitbetaald, maar namens
hem op de rekening van de uitlener wordt voldaan.
Voorts bestaat de
mogelijkheid voor de uiteindelijke inlener, zoals die ook bestaat voor de
inlener die inleent van de werkgever van de uitzendkrachten, om zijn
aansprakelijkheidsrisico af te dekken [door, red.] het verrichten van zogenoemde rechtstreekse
stortingen bij de belastingdienst en het Lisv ter delging van de belasting-
en premieschulden waarvoor die inlener aansprakelijk is. Ook in
dit geval zal die inlener er verstandig aan doen hieromtrent een
overeenkomst met de doorlener te sluiten, omdat ook hier een deel van de door die
inlener aan de doorlener verschuldigde vergoeding feitelijk niet
aan die doorlener wordt voldaan.
Ten slotte kan nog worden
opgemerkt dat de sector van de uitzendondernemingen en uitleenbedrijven geenszins verplicht is de inleners de
mogelijkheid aan te
reiken om gebruik te maken van het g-rekeningenstelsel of de
mogelijkheid tot rechtstreeks storten. Voor zowel uitleners als
inleners kan een kosten-batenanalyse tot de slotsom voeren dat men van die
mogelijkheden geen gebruik wenst te maken.
Verder staat het de
sector uitzend- en uitleenbedrijven uiteraard vrij om - naast deze
mogelijkheid om wettelijke vrijwaring te verkrijgen - aan hun cliënten, het inlenende
bedrijfsleven, een op privaatrechtelijke leest geschoeide regeling aan
te bieden. Het is het kabinet bekend dat de brancheorganisatie van uitzendbureaus in samenwerking met de
betrokken
uitvoeringsinstantie een regeling in voorbereiding heeft waarbij de deelnemende
uitzendbureaus frequent periodiek worden getoetst op hun
betalingsgedrag en de soliditeit van hun financiële positie. Aan deze
privaatrechtelijke regeling kan geen wettelijke vrijwaring verbonden. Wel kan ook
langs deze weg het risico van de inlenersaansprakelijkheid voor het inlenende
bedrijfsleven worden gereduceerd en hanteerbaar worden
gemaakt.
Internationale aspecten
Met betrekking tot de
werking van de voorgestelde inlenersaansprakelijkheidsregeling rblz.|12|
in het buitenland kan - wellicht ten overvloede - nog het volgende worden
opgemerkt.
De aansprakelijkheid van
de inlener voor de belasting en de socialeverzekeringspremies die
de werkgever/uitlener ter zake van het ter beschikking stellen van
werknemers verschuldigd is, is in de aansprakelijkheidswetgeving
niet territoriaal beperkt. Daarom is op de situatie waarin een
Nederlandse werkgever/uitlener, in het kader van uitlening, werknemers aan
een buitenlandse inlener ter beschikking stelt de
inlenersaansprakelijkheid volledig van toepassing. De buitenlandse inlener kan zich
- net
zoals een Nederlandse inlener - vrijwaren van de aansprakelijkheid door
middel van een storting van de met de inlening samenhangende belasting
en socialeverzekeringspremies op de g-rekening van de werkgever/uitlener. In de memorie van toelichting bij
het hiervoor genoemde
wetsvoorstel 25 035 is op het internationale aspect uitvoerig
ingegaan.
Aan de
extraterritoriale
werking van de inlenersaansprakelijkheid staat in de visie van het
kabinet het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
van 18 mei 1995 (zaak C-327/92, Rheinhold en Mahla NV) echter niet
in de weg.
Voor het antwoord op de
vraag of de werkgever/uitlener in Nederland premies en belasting
verschuldigd is, zijn naar Nederlands recht de woonplaats van de
werknemer en de plaats waar de werkzaamheden worden verricht bepalend.
Internationale regelingen knopen in beginsel aan bij de plaats waar de
werkzaamheden worden verricht. Het laatste geldt ook voor de inzake
de terbeschikkingstelling van arbeidskrachten verschuldigde
omzetbelasting. Deze regelingen bevatten daarnaast veelal ook voorschriften
betreffende detachering van werknemers. In die situatie kunnen werknemers, die
tijdelijk werkzaam zijn in het buitenland, onder bepaalde voorwaarden toch
onderworpen blijven aan de Nederlandse wetgeving. Dit geldt ook
in de situatie dat sprake is van het ter beschikking stellen van
werknemers aan derden.
3.2.2. Het "onderkruipersverbod"
Naast het
antifraudebeleid hebben ook andere bestanddelen van de adviezen het kabinet
aanleiding gegeven om in dit wetsvoorstel een zekere mate van
regulering van het ter beschikking stellen van arbeidskrachten op te nemen.
Evenals bij de
particuliere arbeidsbemiddeling wil het kabinet gehoor geven aan het unanieme
pleidooi van de SER en van de Stichting van de Arbeid om het verbod om
arbeidskrachten ter beschikking te stellen aan een bedrijf waar een
arbeidsconflict heerst te continueren. De adviesorganen zijn op verschillende
gronden van oordeel dat het geen pas geeft wanneer door het ter
beschikking stellen van arbeidskrachten het verloop van een collectief
arbeidsconflict wordt beïnvloed. Daarom wordt het handhaven van het huidige
verbod noodzakelijk geacht voor de bescherming van goede
arbeidsverhoudingen.
Het kabinet is het eens
met de hier weergegeven opvatting: het schaadt de arbeidsverhoudingen
wanneer een onderneming waarin gestaakt wordt de aan zijn
bedrijf toegebrachte schade en daardoor de kracht van de staking tracht te
beperken door het inlenen van ter beschikking gestelde arbeidskrachten.
Het sluitstuk daarvan is dat het ter beschikking stellen van
arbeidskrachten in dergelijke situaties verboden moet zijn.
Daarom wordt in dit
wetsvoorstel het verbod gehandhaafd.
3.2.3. De "loonverhoudingsnorm"
Thans is in de (door het
CBA vastgestelde) Regeling voor het ter beschikking stellen van
arbeidskrachten een systeem vastgelegd rblz.|13|
betreffende de verhouding
tussen de lonen van de ingeleende arbeidskrachten en die van de
vergelijkbare eigen werknemers in dienst van het inlenende bedrijf. Dit
systeem komt er in essentie op neer dat, behalve wanneer in een CAO anders
is bepaald, de ter beschikking gestelde arbeidskracht overeenkomstige lonen en overige vergoedingen dient te
ontvangen als de
werknemers van de inlener die in gelijke of gelijkwaardige functie werkzaam zijn. De
toevoeging "behalve wanneer in een CAO anders is bepaald"
wijst erop dat deze regel alleen tot gelding komt buiten het CAO-gebied en
in het "buitengebied" een vangnetfunctie vervult.
Deze bepaling strekt ertoe dat de arbeidsvoorwaarden van de ingeleende
arbeidskrachten geen verstorende invloed hebben op het bij de inlener vigerende
systeem van arbeidsvoorwaarden. Het arbeidsverhoudingenstelsel
is het te beschermen belang.
De Stichting van de
Arbeid heeft in haar advies van 3 april 1996 inzake flexibiliteit en
zekerheid unaniem bepleit deze regel te handhaven.
Een wetsbepaling omtrent
de verhoudingen in de beloning lijkt niet te passen in de huidige
opvattingen over de verdeling van verantwoordelijkheden tussen het
privaat domein
en het publiek domein. Niettemin heeft het kabinet oog voor de
verstorende werking op het loonpeil en op de arbeidsverhoudingen welke
kan uitgaan van het gebruik van ter beschikking gestelde arbeidskrachten wanneer zij een loon ontvangen dat afwijkt van de beloning
van het personeel in rechtstreekse dienst van de inlener. Daardoor kan het
gehele stelsel van arbeidsvoorwaardenvorming via het sluiten van CAO’s
onnodig onder druk komen te staan. Het kabinet wil een dergelijke
consequentie vermijden. Daarom heeft het kabinet in zijn reactie op dit
advies van de Stichting, brief van 21 mei 1996 (Kamerstukken II 1995-1996,
24 543, nr. 3), verklaard deze gedragsnorm te willen continueren. Dit
wetsvoorstel bevat dan ook een bepaling omtrent de loonverhouding tussen
ter beschikking gestelde arbeidskrachten en de vergelijkbare werknemers
van de inlener.
Het vervallen van de
vergunningplicht en van de strafbaarstelling heeft tot gevolg dat
sanctionering van de resterende regels niet meer een zaak is van het
verantwoordelijke bestuur of van het strafrecht. Degene die zich geschaad acht door een
overtreding van een regel kan zich ter zake tot de burgerlijke rechter
wenden.
3.2.4. Sectorspecifieke
regelingen
Een deel van de
SER adviseert om voor het ter beschikking stellen van arbeidskrachten in de wet
de mogelijkheid op te nemen om bij algemene maatregel van bestuur ten
aanzien van een bepaalde sector een verbod of een speciaal regime voor
het ter beschikking stellen van arbeidskrachten vast te stellen. De Stichting van de Arbeid heeft in haar advies deze
gedachte unaniem
overgenomen.
Het kabinet acht deze
mogelijkheid eveneens gewenst. Een dergelijk specifiek regime kan
zeker nuttig zijn ter correctie van ongewenste situaties op de
arbeidsmarkt. Te denken valt hierbij aan situaties waarin een dermate sterke
onevenwichtigheid bestaat tussen vraag en aanbod dat daardoor de
werkzoekenden in te grote mate afhankelijk worden van de intermediair. De
wenselijkheid om de mogelijkheid tot een ingreep te hebben, wordt nog groter
wanneer daadwerkelijk misstanden optreden, zoals bijvoorbeeld "zwarte" betaling, het niet nakomen van
CAO-verplichtingen,
incorrecte afdrachten of het stelselmatig overtreden van andere algemeen
geldende wetten. Wanneer in dergelijke bijzondere omstandigheden de
gebruikelijke handhavingsmechanismen tekortschieten, acht het
kabinet de mogelijkheid om in te grijpen noodzakelijk.
rblz.|14|
Het
instellen van een specifiek regime veroorzaakt een verandering in de normaal geldende
regulering en is daarom slechts gerechtvaardigd bij (dreiging) van ernstige
schade aan de goede verhoudingen op de arbeidsmarkt of aan het
belang der betrokken arbeidskrachten. Dit wetsvoorstel opent de
mogelijkheid dat, indien schade aan de zoëven genoemde belangen
optreedt of dreigt, bij algemene maatregel van bestuur voor bepaalde
sectoren of bepaalde segmenten van de arbeidsmarkt hetzij regels worden
gesteld die dan zullen gelden voor het ter beschikking stellen van
arbeidskrachten in bedoelde sector of segment, hetzij het ter
beschikking stellen van arbeidskrachten wordt onderworpen aan een vergunning van de
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Het zwaardere middel van
de (partiële) vergunningplicht zal eerst worden ingezet wanneer
blijkt dat het lichtere middel, het vaststellen van specifieke gedragsnormen,
onvoldoende corrigerend effect heeft.
Van deze mogelijkheid zal
gebruik worden gemaakt om een overgangsregeling te treffen voor de bouwnijverheid. In deze sector is het ter
beschikking stellen van
arbeidskrachten sinds 1970 verboden geweest. Zoals in de nota "Flexibiliteit en Zekerheid" is vermeld, zal deze overgangsregeling gelden tot 1
januari
1998.
3.2.5. Implementatie
EG-richtlijn
In
artikel 21 van de Invoeringswet
Arbeidsvoorzieningswet 1996 is gevolg gegeven aan de Richtlijn nr. 91/383/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 juni
1991 (PbEG L 206) ter bevordering van de verbetering van de
veiligheid en de gezondheid op het werk van de werknemers met
arbeidsbetrekkingen voor bepaalde tijd of uitzendarbeidbetrekkingen. Deze richtlijn verplicht
de lidstaten de nodige maatregelen te nemen opdat de
inlenende onderneming aan het uitzendbureau een omschrijving geeft van de
verlangde beroepskwalificaties en de kenmerken van de
arbeidsplaats en tevens de nodige maatregelen te nemen dat het
uitzendbureau deze gegevens ter kennis van de uitzendkracht brengt. Daar
het
onderhavige wetsvoorstel de enige plaats in de Nederlandse wetgeving is
waar aan uitzendbureaus specifieke verplichtingen worden opgelegd, wordt
van dit wetsvoorstel gebruik gemaakt om het laatste deel van deze
verplichting te implementeren. Bij de artikelsgewijze toelichting wordt hier
nader op ingegaan.
3.2.6. Andere kaders voor
het ter beschikking stellen van arbeidskrachten
Naast de in
dit
wetsvoorstel vervatte resterende noodzakelijke ordening voor het ter beschikking
stellen van arbeidskrachten gelden voor de betrokken verleners van
deze diensten tevens bepalingen die reeds uit andere wet- en
regelgeving voortvloeien.
Zo hebben de
uitzendbureaus bij het beheren van hun bestanden van vacatures en van
werkzoekenden rekening te houden met de bepalingen van de Wet op de
persoonsregistraties. Voorts heeft het in de Wet
op de ondernemingsraden neergelegde adviesrecht van de OR ter zake van het groepsgewijs inlenen van
arbeidskrachten rechtstreekse invloed op de dagelijkse praktijk van
het ter beschikking stellen van arbeidskrachten.
De wetgeving inzake de
scheepvaart en het beroepsvervoer kent bepalingen die
voorschrijven dat ondernemers in deze sectoren hun activiteiten slechts
mogen uitoefenen met personeel in eigen dienst. Dit komt materieel neer op
een verbod van het ter beschikking stellen van arbeidskrachten in deze
sectoren.
Ook partijen bij een
collectieve arbeidsovereenkomst kunnen nadere kaders aangeven voor het
ter beschikking stellen van arbeidskrachten ter nadere ordening van de
verhoudingen in hun sector.
rblz.|15|
4.
Niet-terugkerende
punten van regulering
De tijdelijkheid
In 1970 is het beginsel
van de tijdelijkheid geïntroduceerd. Het was gericht op het tegengaan
van aanzienlijke substitutie van arbeid in rechtstreekse
dienstbetrekking door uitzendarbeid. In de sedertdien verlopen kwart eeuw werd
steeds meer onderkend dat een onderneming snel en flexibel moet
kunnen voorzien in een onverwachte behoefte aan extra personeel. De
maatschappelijke ontwikkelingen hebben laten zien dat het inlenen van
arbeidskrachten van een derde, zonder dat met deze arbeidskrachten een arbeidsovereenkomst wordt gesloten, in deze wens
voorziet. Bovendien is de vrees dat de rechtstreekse dienstbetrekking en masse vervangen zou
worden door flexibeler arbeidsrelaties ongegrond gebleken.
Het blijkt dat zeker 90%
van de uitzendingen door uitzendbureaus worden beëindigd voordat de
maximumtermijn is bereikt. Dit wijst erop dat althans in dit
segment van de markt een natuurlijke rem op langer durende ter
beschikkingstellingen bestaat.
Tegelijkertijd vertonen
de activiteiten van detacheerbedrijven een sterke groei. Dit zijn
ondernemingen die werknemers die een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde of
bepaalde tijd hebben ter beschikking stellen buiten het vergunningenregime om en dit veelal voor aanmerkelijk langer dan de toegestane
maximumtermijn.
Voeg daarbij dat van de
10% uitzendingen die wegens het bereiken van de zesmaandentermijn
worden afgebroken een, onbekend doch vermoedelijk aanzienlijk, aantal
uitzendingen via ontwijkingsconstructies feitelijk langer dan de maximumtermijn wordt voortgezet, dan is duidelijk dat er in andere segmenten van
de markt toch behoefte bestaat aan langer durende ter
beschikkingstelling van arbeidskrachten.
Uit deze ontwikkelingen
blijkt dat de maximumtermijn als instrument om vast werk te
beschermen slechts een (zoals boven weergegeven) zeer beperkte functie heeft.
Daar komt bij dat voor
arbeidsvoorzieningsmaatregelen, waarbij de figuur van het ter
beschikking stellen wordt gebruikt als instrument om de intrede op de
arbeidsmarkt van moeilijk plaatsbare werkzoekenden te vergemakkelijken, zoals
de "regeling experimenten met inzet van uitkeringsgelden" en de
zogenoemde "banenpools", de maximumtermijn een hinderlijk knelpunt
vormt.
Een deel van de
SER heeft
bepleit om, in het geval dat de maximumtermijn zou komen te
vervallen, een rechtsvermoeden op te nemen dat voor de terbeschikkinggestelde die langer dan zes maanden bij dezelfde inlener werkzaam
is een
arbeidsovereenkomst tussen de terbeschikkinggestelde en de
terbeschikkingsteller ontstaat. Voorts adviseert dit deel van de Raad wettelijk te
bepalen dat slechts bij CAO van de loondoorbetalingsplicht (artikel 1638d
BW [Burgerlijk
Wetboek, red.]) mag
worden afgeweken.
Beide voorstellen zijn
door het kabinet overgenomen en nader uitgewerkt in de nota "Flexibiliteit en
Zekerheid". Daarin wordt onder meer voorgesteld om in het BW
een (weerlegbaar) rechtsvermoeden op te nemen inhoudende dat
degene die gedurende drie maanden voor een ander arbeid verricht,
vermoed wordt met die ander een arbeidsovereenkomst te hebben gesloten.
Voorts wordt voorgesteld om de arbeidsrelatie die in het spraakgebruik
wordt aangeduid als "uitzendovereenkomst" aan te merken als een arbeidsovereenkomst. Verder wordt in deze nota
voorgesteld te bezien hoe
de mogelijkheid om af te wijken van de rblz.|16|
risicoverdeling tussen
werkgever en werknemer kan wijzigen naargelang het tijdsverloop van de arbeidsovereenkomst.
Over deze voorstellen uit
de nota "Flexibiliteit en Zekerheid" is, zoals vermeld, advies gevraagd
aan de Stichting van de Arbeid. De Stichting van de Arbeid heeft in
haar unaniem advies van 4 april 1996 met betrekking tot de
rechtspositie van uitzendkrachten aanbevelingen gedaan, welke het kabinet
overneemt.
In het BW zal worden
vastgelegd dat de "uitzendovereenkomst" een species van de
arbeidsovereenkomst is. Daarbij zal gedurende de eerste 26 weken waarin arbeid is
verricht de arbeidsovereenkomst beëindigd kunnen worden door
beëindiging van de opdracht door de inlener. Daarna gelden de algemene regels
voor het beëindigen van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd.
Voorts zal het risico van loondoorbetaling na zes maanden slechts bij
CAO kunnen worden uitgesloten. Deze voorstellen zijn uitgewerkt in het
voorstel van Wet flexibiliteit en zekerheid.
Gelet op de verbetering
van de rechtspositie van uitzendkrachten die op basis van laatstgenoemd wetsvoorstel tot stand komt, acht het kabinet het
vervallen van de
tijdelijkheidseis voor het ter beschikking stellen van arbeidskrachten alleszins
aanvaardbaar.
5. Effecten van het
wetsvoorstel
Effecten voor de
uitvoeringsorganisatie
Het vergunningensysteem
voor arbeidsbemiddeling wordt, materieel ongewijzigd,
gecontinueerd. Op dit punt wordt de status quo gehandhaafd.
Door het afschaffen van
het vergunningsvereiste voor het ter beschikking stellen van
arbeidskrachten vervallen de werkzaamheden verbonden aan behandeling van de
aanvragen voor deze vergunningen. Bij het Landelijk Bureau Arbeidsvoorziening
zijn thans circa vijf personen met deze taak belast.
Voorts vervallen bij de
Arbeidsinspectie de werkzaamheden inzake de controle op de naleving
door de vergunninghouders. Hiermee zijn thans circa tien mensjaren
gemoeid. Wanneer gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid tot het doen
verrichten van onderzoek, bedoeld in artikel 14
van het wetsvoorstel [zie artikel
15 Waadi, red.],
wordt daarentegen weer een thans niet te schatten extra beroep op de
Arbeidsinspectie gedaan.
Effecten voor het
bedrijfsleven
Ten aanzien van
arbeidsbemiddeling wordt de bestaande praktijk gecontinueerd. Dit deel
van het wetsvoorstel brengt derhalve geen wijziging in de voor
bedrijven geldende verplichtingen. Financiële effecten voor het bedrijfsleven
zijn derhalve afwezig.
Ten aanzien van het ter
beschikking stellen van arbeidskrachten is enerzijds sprake van een
verlichting van de huidige situatie, waarin steeds een vergunning moest
worden aangevraagd. Er zijn thans 1200 vergunningen voor het ter beschikking
stellen van arbeidskrachten afgegeven. Het vervallen van het vergunningsvereiste
leidt zonder meer tot lastenverlichting
voor het betreffende
bedrijfsleven die, wanneer uitgegaan wordt van een verhouding
tussen door de vergunningaanvrager en door de vergunningverlenende
instantie te maken kosten van tien staat tot één, geschat kan worden
op minimaal enkele miljoenen guldens.
Als enige nieuwe
verplichting is in artikel 10 [zie
artikel 11 Waadi,
red.] opgenomen de bepaling inzake de informatie
betreffende de veiligheid. Deze informatie is voor personeelsleden op
arbeidsovereenkomst reeds verplicht. In verreweg de meeste gevallen zal het
bepaalde in artikel 10 [zie artikel
11 Waadi, red.]
niet tot meerkosten voor het inlenende bedrijf leiden,
omdat het een kopie betreft van informatie die ook reeds aan het eigen
personeel beschikbaar wordt gesteld. Voor zover rblz.|17|
dit niet het geval is,
zullen aanmerkelijke onderdelen van de informatie reeds voor het selecteren
van geschikte personeelsleden moeten zijn verzameld en beschreven,
zodat ook hier geen sprake kan zijn van aanmerkelijke meerkosten.
Verder kan worden
opgemerkt dat de openstelling van de zogenoemde g-rekening voor de
inlenende bedrijven die daarvan gebruik zullen maken enige verzwaring van
administratieve lasten met zich brengt.
Per saldo is de
verwachting dat uit dit wetsontwerp een vermindering van de lasten van het
bedrijfsleven van enkele miljoenen guldens zal voortvloeien. Dit bedrag
staat los van de niet goed in geldbedragen uit te drukken allocatiewinst
door middel van een verbeterde aanpassing van de omvang van de
arbeidsinzet in verhouding tot de productie die met het onderhavige wetsontwerp
binnen bereik komt.
Effecten voor
arbeidskrachten
Overigens is het kabinet
van mening dat afschaffing van het vergunningsvereiste
voor het ter beschikking
stellen van arbeidskrachten niet leidt tot afname van het
beschermingsniveau van de flexibele arbeidskracht. Het vergunningensysteem voor
het ter beschikking stellen van arbeidskrachten had niet in eerste
instantie de bescherming van de uitzendkracht als doel. Waar een
verband met bedoelde rechtspositie natuurlijk niet ontkend kan worden, meent
het kabinet dat door het wetsvoorstel Wet
flexibiliteit en zekerheid zeker zodanige verbeteringen in de rechtspositie van uitzendkrachten
worden aangebracht dat uitzendkrachten op het punt van de mogelijkheid om
naleving van hun aanspraken in rechte af te dwingen in gelijke
positie met andere werknemers komen. Erkend moet worden dat
civielrechtelijke handhaving voor wat betreft vorderingen verband houdend met de
rechtspositie van flexibele arbeidskrachten veelal plaats zal moeten
hebben vanuit economisch ongelijke uitgangspositie. Mede om die reden is
gekozen voor de voorziening opgenomen in artikel 14 van het
wetsvoorstel [zie artikel
15 Waadi, red.].
Artikelsgewijs
Artikel
1.
Begripsbepalingen
In onderdeel
d wordt een
definitie gegeven van het begrip arbeidsbemiddeling. De omschrijving is gelijk
aan die in de Arbeidsvoorzieningswet 1990. Arbeidsbemiddeling
heeft alleen betrekking op het tot stand brengen van
arbeidsovereenkomsten of ambtelijke aanstellingen. Het behulpzaam zijn bij
andere overeenkomsten tot het verrichten van arbeid valt hier niet onder. In
het vierde lid is hierop een uitzondering gemaakt. Het betreft de
dienstverlening met het doel de totstandkoming van overeenkomsten te
bevorderen tot het verrichten van arbeid, niet zijnde arbeidsovereenkomsten,
ten behoeve van beroepsbeoefenaars op het gebied van kunsten, amusement en beroepssport onder het begrip
arbeidsbemiddeling gebracht. De achtergrond van deze gelijkstelling is toegelicht in paragraaf
3.1.1 van het algemene deel van deze toelichting.
In onderdeel e wordt een
definitie gegeven van het begrip ter beschikkingstelling van
arbeidskrachten. Er is aangesloten bij de bestaande omschrijving
van het ter beschikking stellen van arbeidskrachten in de Arbeidsvoorzieningswet 1990. Het begrip is ruimer dan het
voorzien in
uitzendovereenkomsten als bedoeld in titel 7.10 van het Burgerlijk
Wetboek (na
aanname van het wetsvoorstel Wet flexibiliteit en
zekerheid). Voor deze
omschrijving is niet van belang of de persoon die ter beschikking gesteld
wordt in een arbeidsverhouding tot de ter beschikkingstellende
staat, hoewel dat meestal wel het geval zal zijn. In afwijking van de
omschrijving in de Arbeidsvoorzieningswet 1990 is het rblz.|18|
vereiste van
"in diens onderneming" komen te vervallen. Voor de ruime definitie, waarop in het
derde lid uitzonderingen worden gemaakt, is dit element niet van
betekenis en onnodig beperkend.
In het tweede lid wordt
het begrip arbeidsbemiddeling ingeperkt. Het gaat er met name om dat
het plaatsen van advertenties in communicatiemedia er niet onder valt. In
het derde lid wordt uitgewerkt wat niet onder ter beschikking stellen
van arbeidskrachten wordt verstaan. Onderdeel c van dit artikellid
regelt dat intra-concern uitlenen niet valt onder de regels die van toepassing zijn
voor het ter beschikking stellen van arbeidskrachten, die in deze wet zijn
opgenomen. Hiertoe is aangesloten bij het begrip ondernemer in de
zin van de Wet
op de ondernemingsraden (artikel 1, eerste lid,
onderdeel d, van die
wet: ondernemer is de natuurlijke persoon of rechtspersoon
die een onderneming in stand houdt).
Artikel
2. Vergunning
voor niet-openbare arbeidsbemiddeling
Arbeidsbemiddeling is
ingevolge dit artikel slechts toegestaan met een vergunning. Op deze wijze
wordt het toezicht op bemiddelingsbureaus, waarvan het ILO-verdrag
nr. 96 uitgaat, vormgegeven. Zowel arbeidsbemiddeling met als zonder
winstoogmerk is aan het vergunningsvereiste onderworpen. In het tweede lid wordt de arbeidsbemiddeling die in een
wet is geregeld,
uitgesloten van de vergunningsplicht. Zo’n regeling in de wet biedt dan voldoende
regulering.
Ten aanzien van de
verenigbaarheid van het in dit artikel opgenomen vergunningsvereiste met
het gemeenschapsrecht wordt het volgende opgemerkt. Het vrij
verrichten van diensten kan slechts worden beperkt door regelingen die hun
rechtvaardiging vinden in het algemeen belang en die gelden voor ieder persoon of onderneming die op het grondgebied
van de lidstaat waar de
dienst wordt verricht werkzaam is, voor zover dit belang niet wordt
gewaarborgd door de regels waaraan de dienstverrichter is onderworpen in
de lidstaat waar hij is gevestigd. Artikel 59 van het EG-verdrag staat
er niet aan in de weg dat een lidstaat die een vergunning eist van
ondernemingen die arbeidsbemiddeling verrichten een in een andere
lidstaat gevestigde dienstverrichter die dergelijke werkzaamheden op zijn
grondgebied uitoefent, verplicht aan deze voorwaarde te voldoen (zaak 279/80,
Webb, jur. 1981, 3305). Omdat het in dit artikel opgenomen vergunningsvereiste geen onderscheid maakt naar
een dienstverlener
gevestigd in Nederland of een andere lidstaat en met dit vergunningsvereiste
een algemeen belang wordt beschermd dat ook met het ILO-verdrag nr.
96 wordt gediend, is dit vereiste verenigbaar met het gemeenschapsrecht.
Artikel
3. Verplichtingen
vergunninghouder
In het eerste lid wordt
het de vergunninghouder verboden aan de werkzoekende een
tegenprestatie te vragen voor de verleende arbeidsbemiddeling. Dit verbod om geen
tegenprestatie te vragen, komt overeen met de huidige Regeling
voor de arbeidsbemiddeling door derden (Stcrt. 1992, 25, laatstelijk
gewijzigd d.d. 11 maart 1993, Stcrt. 1993, 63). Deze regeling heeft in de praktijk geen
problemen opgeroepen en maakt overigens ook deel uit van de bestaande
gedragscodes van brancheorganisaties. Hoewel het ILO-verdrag nr. 96
niet tot deze norm verplicht, is om deze reden deze norm nu in de wet
opgenomen (zie ook paragraaf 3.1 van het algemene deel van deze
toelichting).
Het onderkruipersverbod
in het tweede lid verbiedt de vergunninghouder om te bemiddelen voor arbeidskrachten bij een bedrijf waar een
arbeidsconflict heerst.
In het derde lid wordt
bepaald dat de vergunninghouder alle personen die hij bemiddelt gelijk
behandelt. Hiermee wordt beoogd nadrukkelijk als rblz.|19|
norm te stellen dat bij
de arbeidsbemiddeling niet mag worden gediscrimineerd.
Artikel
4. Vergunning
voor bepaalde categorieën
Dit artikel biedt de
mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur ten aanzien van bepaalde
categorieën van werkzoekenden of werkgevers nadere regels te stellen.
Het betreft nadere regels bij de vergunningverlening als in dit hoofdstuk
bedoeld. Dit hoofdstuk is voor het overige ook bij deze vergunningen van toepassing. Deze regels hebben in ieder
geval betrekking op
nadere regels voor de arbeidsbemiddeling in de kunst- en cultuursector.
Nadere regelgeving kan ook noodzakelijk zijn voor arbeidsbemiddeling van
zeelieden, waarvoor in het ILO-verdrag nr. 9 aparte bepalingen zijn
opgenomen. Dit verdrag zal binnenkort worden herzien, maar zal ook na
herziening nog kunnen leiden tot speciale voorschriften voor
intermediairs die zich bezig houden met plaatsing en werving van zeelieden.
Nadere regelgeving kan noodzakelijk zijn wegens de specifieke kenmerken
van de zeescheepvaart.
Artikel
5.
Beschikkingsbevoegdheid
In het eerste lid wordt
bepaald welk orgaan van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
bevoegd is te beslissen
over het geven van een vergunning. Het Centraal Bestuur
krijgt de beschikkingsbevoegdheid. Het tweede lid geeft het Centraal
Bestuur de bevoegdheid nadere regels te stellen voor de voorschriften die aan
de vergunninghouder worden opgelegd.
Het derde lid geeft aan
welke inhoud die voorschriften in ieder geval hebben. Het betreft
vooral aan de vergunninghouder op te leggen administratieve
verplichtingen, zoals voor het bewaren van de vergunning. Bij de
uitwerking van deze voorschriften zal rekening moeten worden gehouden met het
evenredigheidsbeginsel in zin van het gemeenschapsrecht (zie
het bij artikel 2 genoemde arrest-Webb). Daarin wordt
uitgesproken dat
artikel 59 EG-verdrag er niet aan in de weg staat dat een lidstaat die een
vergunning eist van ondernemingen die diensten, als arbeidsbemiddeling,
verrichten een in een andere lidstaat gevestigde dienstverrichter die
dergelijke werkzaamheden op zijn grondgebied uitoefent, verplicht aan
deze voorwaarde te voldoen. Dit geldt ook indien deze over een door de
staat van vestiging afgegeven vergunning beschikt, met dien verstande
evenwel dat de lidstaat waar de dienst wordt verricht bij het onderzoek van de
aanvrage en bij de afgifte van de vergunning geen enkel onderscheid
maakt op grond van de nationaliteit of de plaats van vestiging van de
dienstverrichter en rekening houdt met de bewijsstukken die in lidstaat van
vestiging reeds zijn verschaft. Dit betekent dat het Centraal Bestuur bij
de beslissing omtrent de verlening van een vergunning rekening zal
houden met bewijsstukken en waarborgen die de aanvrager voor de
uitoefening van zijn werkzaamheden in de lidstaat van vestiging reeds heeft
verschaft. Dit kan in de regels op grond van het tweede lid worden
bepaald.
De procedures rond de
vergunningaanvraag zullen grotendeels beheerst worden door de
Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het wordt niet noodzakelijk geacht
in deze wet van de Awb afwijkende beslistermijnen op te nemen.
Artikel
6. Weigering
vergunning
Artikel 6 bepaalt dat een
aanvraag slechts op limitatieve gronden kan worden geweigerd. Een
vergunning mag slechts worden geweigerd indien de gegronde vrees
bestaat dat de regels, bedoeld in artikel 3 of
5, tweede lid, zullen worden
overtreden of dat anderszins het belang van goede verhoudingen op de arbeidsmarkt of het belang van goede
rblz.|20|
verhoudingen op de
arbeidsmarkt zal worden geschaad. Door te eisen dat de negatieve verwachting
"gegrond" is, wordt aan de vergunningverlener de plicht opgelegd argumenten te geven voor zijn negatieve verwachting.
Deze argumenten dienen
niet alleen overtuigend te zijn voor de vergunningverlener zelf,
maar ook voor anderen. Ten aanzien van de zinsnede "dat anderszins het belang van goede verhoudingen op de
arbeidsmarkt of het
belang van de betrokken arbeidskrachten zal worden geschaad" wordt
opgemerkt dat de anderszinsbepaling het Centraal Bestuur opdraagt het toebrengen van schade aan genoemde belangen
tegen te gaan. Onder meer
kan aanleiding tot weigeren van een vergunning bestaan
indien een vergunningaanvrager weet of redelijkerwijs kan weten dat door zijn
activiteiten regelmatig en stelselmatig wordt bevorderd dat
arbeidsrelaties worden aangegaan waarbij geldende rechtspositionele regels
niet in acht worden genomen (waaronder ook begrepen de CAO-voorschriften).
Artikel
7. Intrekking
vergunning
Het
Centraal Bestuur is
bevoegd een verleende vergunning weer in te trekken. Dit artikel somt
hiertoe de gronden op. De onder a genoemde grond is een
gebruikelijke. Voor de toepassing van onderdeel b gelden dezelfde
overwegingen
als die hiervoor in de toelichting op artikel 6 zijn genoemd.
Artikel
8.
Loonverhoudingsnorm
De achtergrond van deze
bepaling is toegelicht in paragraaf 3.2.3 van het algemene deel van de
toelichting. Deze norm is noodzakelijk indien werknemers niet onder een
CAO vallen waarin afspraken gemaakt zijn over de beloning. Het is
in feite een nadere bescherming voor het geval de werkzaamheden worden
verricht in omstandigheden waar voor de ter beschikking gestelde
arbeidskrachten geen CAO geldt en waar ook de CAO van het inlenende bedrijf
daarin niet voorziet. De norm geldt ook niet indien bij of krachtens
wet is bepaald wat de beloning voor de ter beschikking gestelde
arbeidskracht is. Daarbij valt met name te denken aan de wettelijke
regelingen voor gesubsidieerde arbeid, zoals de Wet inschakeling
werkzoekenden.
Met de term "overeenkomstige lonen" wordt in dit artikel gedoeld op loonbetaling in dezelfde
schaal als welke van toepassing is op gelijke of gelijkwaardige functies
in de inlenende onderneming. Voorts is het degene die
arbeidskrachten ter beschikking stelt alleen toegestaan aan ter beschikking gestelde
arbeidskrachten vergoedingen voor reisuren, reiskosten,
pensioenkosten, koffiegeld en ander noodzakelijk te achten kostenvergoedingen toe te
kennen, voor zover werknemers in dienst van de inlenende onderneming in soortgelijke omstandigheden eveneens
aanspraak daarop kunnen
doen gelden. Hiermee is het begrip "overige vergoedingen" nader
aangeduid.
Artikel
9. Verbod ter
beschikking stellen bij arbeidsconflict [zie
art. 10 Waadi,
red.]
Krachtens dit artikel is
het voor degene die arbeidskrachten ter beschikking stelt
verboden, voor zover aan hem bekend is of redelijkerwijs bekend kan zijn dat in
een bedrijf of onderneming of een gedeelte daarvan een werkstaking,
uitsluiting of bedrijfsbezetting bestaat, arbeidskrachten ter
beschikking te stellen voor het verrichten van werkzaamheden in het
bedrijf of die onderneming, ofwel dat gedeelte daarvan, waar de werkstaking, uitsluiting of bedrijfsbezetting heerst (het
zogenaamde onderkruipersverbod). De formulering van dit artikel is grotendeels gelijk aan
die van artikel 93 van de Arbeidsvoorzieningswet 1990. De achtergrond is
dat voorkomen moet worden dat met het ter rblz.|21|
beschikking stellen van
de arbeidskrachten de effectiviteit van het stakingsmiddel en daarmee
de arbeidsverhoudingen worden verstoord. Er kan met ter beschikking
stellen van arbeidskrachten niet getreden worden
in een in een onderneming
bestaand arbeidsconflict. Uitgangspunt is dat de arbeidskrachten niet
worden aangetrokken of worden ingezet met het oog op het
arbeidsconflict en voor de werkzaamheden die door de stakers normaliter worden
verricht. De bepaling ziet er zowel op toe dat "zittende"
uitzendkrachten het verloop van de staking niet beïnvloeden door neergelegd werk van
stakers over te nemen als dat gedurende de staking geen nieuwe
uitzendkrachten worden aangetrokken (deze uitleg is laatstelijk nog gegeven
door de President van de Rechtbank Roermond d.d. 2 juli 1996, KG
1996/257).
Artikel
10. Informatie
veiligheid [zie art.
11 Waadi, red.]
Deze bepaling is
opgenomen in de Invoeringswet
Arbeidsvoorzieningswet 1996 (artikel
21). De strekking is bij te dragen aan de veiligheid en
gezondheid op het werk van werknemers die als uitzendkracht werkzaam zijn. Daarvoor is
noodzakelijk dat informatie
beschikbaar is over de
specifieke kenmerken van de arbeidsplaats en de noodzakelijke
beroepskwalificatie. In de Arbeidsomstandighedenwet (artikel 4, vijfde lid)
is geregeld dat de inlenende onderneming deze informatie moet
verstrekken aan degene die de werknemers ter beschikking stelt. In dit
artikel wordt voorgeschreven dat degene die ter beschikking stelt deze
informatie doorgeeft aan de arbeidskracht die voor de werkzaamheden bij de
inlener beschikbaar wordt gesteld. Een dergelijk voorschrift dat tot doel
heeft de belangen van de arbeidskrachten die worden uitgezonden te beschermen, past bij de normstelling in dit
hoofdstuk.
Artikel
11. Speciaal
regime [zie art.
12 Waadi, red.]
Dit artikel biedt de
basis om nadere sectorspecifieke regels te stellen voor het ter beschikking
stellen van arbeidskrachten. Dat dit regime ook betrekking kan hebben op
segmenten van de arbeidsmarkt, maakt het mogelijk het speciale
regime te beperken tot een bepaalde regio. In paragraaf 3.2.4 van het
algemene deel van de toelichting is hierop ingegaan. In het eerste
lid wordt aangegeven welke belangen dit noodzakelijk maken: de
goede verhoudingen op de arbeidsmarkt of het belang van de betrokken
arbeidskrachten.
Een dergelijk specifiek
regime kan zeer nuttig zijn ter correctie van ongewenste situaties op
de arbeidsmarkt. Te denken valt aan situaties waarin een
onevenwichtigheid bestaat tussen vraag en aanbod waardoor de werkzoekenden in te
grote mate afhankelijk worden van de intermediair. De wenselijkheid om de
mogelijkheid tot een ingreep te hebben, wordt nog groter wanneer
daadwerkelijk misstanden optreden, zoals bijvoorbeeld "zwarte"
betaling, het niet nakomen van CAO-verplichtingen, incorrecte afdrachten of
het stelselmatig overtreden van andere algemene wetten. Van deze
mogelijkheid zal gebruik worden gemaakt om een overgangsregeling te
treffen voor de bouwnijverheid. In deze sector is het ter beschikking
stellen van arbeidskrachten sinds 1970 verboden.
De regels in de algemene
maatregel van bestuur kunnen een ordeningskarakter hebben of normen bevatten
die tussen partijen moeten worden gehandhaafd. Het tweede
lid opent de mogelijkheid dat voor bepaalde categorieën ook een
vergunningenstelsel wordt geïntroduceerd. Omdat de noodzaak van een
dergelijke ordening door onderzoek van de Arbeidsinspectie kan blijken, ligt het
voor de hand de vergunning, als uiterste middel, door Onze
Minister te laten verstrekken, die de uitvoering daarvan aan diezelfde Arbeidsinspectie zal opdragen.
Er wordt van uitgegaan
dat de noodzaak van een verscherpt regime in rblz.|22|
beginsel tijdelijk zal
zijn om te kunnen bijdragen aan herstel van het evenwicht op de
arbeidsmarkt. Voorts zal de overgangsregeling voor de bouwsector tijdelijk
gelden. De op grond van dit artikel vast te stellen algemene maatregel van
bestuur zal bepalingen bevatten die een tijdelijke werkingsduur
hebben.
Artikel
12. Aanwijzing
toezichthouders [zie
art. 13 Waadi,
red.]
Op grond van dit artikel
is het toezicht op de naleving van deze wet opgedragen aan de door de
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bij besluit aangewezen
ambtenaren (in de praktijk werkzaam bij de Arbeidsinspectie). De
redactie van dit artikel is aangepast aan de Derde
tranche Algemene wet bestuursrecht, conform de aanpassing aan de Awb
van artikel 116
van de Arbeidsvoorzieningswet 1990.
Artikel
13. Bevoegdheden
toezichthouders [zie
art. 14 Waadi,
red.]
Ingevolge dit artikel
zijn de toezichthouders bevoegd, met medeneming van de benodigde
apparatuur, een woning binnen te treden zonder toestemming van de
bewoner.
Artikel
14. Onderzoek op
terrein ter beschikking stellen van arbeidskrachten [zie
art. 15 Waadi,
red.]
Conform artikel
18a van
de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag kan de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid, indien uit onderzoek blijkt dat de
bepalingen in hoofdstuk 3 van die
wet niet nageleefd worden, hiervan
mededeling doen aan de betrokken arbeidskracht, aan de betrokken
werkgever, aan de ondernemingsraad en aan de daarvoor naar zijn
oordeel in aanmerking komende organisaties van werkgevers en werknemers.
Een dergelijke bevoegdheid past ook in deze wet en is daarom
opgenomen in dit artikel. Enerzijds kan met nader onderzoek (dat overigens
ook artikel 13 [zie artikel
14 Waadi, red.]
niet uitsluit) informatie worden verkregen op het terrein
van het ter beschikking stellen van arbeidskrachten, op grond waarvan de
noodzaak van een speciaal regime kan worden onderbouwd.
Anderzijds leent de bevoegdheid om de onderzoeksgegevens ter
beschikking te stellen van de genoemde personen en instanties
zich zeker ook om de arbeidskracht een sterkere positie te geven in
civiele procedures en om de ondernemingsraad zijn bevoegdheden in verband
met het inlenen van arbeidskrachten in de onderneming beter inhoud
te kunnen laten geven. In verband met deze laatste mogelijkheid om
de gegevens van het onderzoek te melden, is dit ook apart in deze wet
geregeld.
Artikelen 15 en
16.
Aansprakelijkheid van inleners voor betaling van premie en belasting
[zie artt.
16 en 17 Waadi,
red.]
Op de nieuwe regeling van
de inlenersaansprakelijkheid voor de sociale verzekeringspremies, de loonbelasting en de omzetbelasting opgenomen
in de artikelen 15 en 16
van dit wetsvoorstel [zie
artikelen 16 en 17
Waadi, red.]
welke voorzien in een nieuwe redactie van
onderscheidenlijk de artikelen 16a CSV
en 34 Invorderingswet
1990, is in
paragraaf 3.2.1 van het algemene deel van deze toelichting al uitvoerig ingegaan. Er
is voor gekozen de redactie van de artikelen 16a
CSV en 34 Invorderingswet
1990 geheel opnieuw vast te stellen. In de eerste plaats om de
vrijwaringsregeling voor de inlenersaansprakelijkheid zo nauw mogelijk af te
stemmen op de nieuwe regeling van de vrijwaring voor de
ketenaansprakelijkheid in de artikelen 16b
CSV en 35 Invorderingswet
1990,
opgenomen in het voorstel van wet tot wijziging
van de Coördinatiewet Sociale Verzekering en de Invorderingswet 1990 in
verband met de invoering van de opdrachtgeversaansprakelijkheid en de
kopersaansprakelijkheid in de confectiesector en invoering van een
vrijwaringsregeling in de ketenaansprakelijkheid. rblz.|23|
In de
tweede plaats komt het de duidelijkheid ten goede, te meer daar nu van de
gelegenheid gebruik kan worden gemaakt de te regelen onderwerpen over
een groter aantal leden te verdelen. Enkele aspecten die nog nadere
aandacht verdienen, zijn de volgende.
In het eerste lid is, met
het oog op een zo duidelijk mogelijke verdere redactie van de artikelen 16a
CSV en 34 Invorderingswet
1990, de term "uitlener" exclusief
gekoppeld aan de werkgever (voor de loonbelasting: de
inhoudingsplichtige)
van de ter beschikking gestelde arbeidskrachten, welke werkgever tevens belastingplichtige is voor de omzetbelasting,
uitsluitend of onder meer
vanwege de prestatie die bestaat uit de terbeschikkingstelling
van zijn werknemer aan derden. In het tweede lid worden de doorlener en
degene die inleent van een doorlener duidelijkheidshalve met zoveel woorden
gelijkgesteld aan de rechtstreekse inlener, bedoeld in het eerste
lid. Opgemerkt dient te worden dat, zoals dat ook thans al het geval is,
het in deze leden met betrekking tot de inlenersaansprakelijkheid gehanteerde begrip
"ter
beschikking stellen van arbeidskrachten" niet geheel dezelfde
betekenis heeft als die bewoording in de arbeidswetgeving heeft, thans
bijvoorbeeld in artikel 1 van de
Arbeidsvoorzieningswet
1990 en in het onderhavige wetsvoorstel in het in
artikel 1, eerste lid,
onderdeel e, en derde lid, omlijnde begrip "ter beschikking stellen van
arbeidskrachten"; de laatstgenoemde bepalingen
dienen uitsluitend als
begripsbepaling ten behoeve van hoofdstuk 3 van
het onderhavige
wetsvoorstel en hebben een andere strekking dan het vastleggen van de aansprakelijkheid van inleners voor de voldoening van
loonbelasting,
omzetbelasting en socialeverzekeringspremies. Het belangrijkste verschil
is dat collegiale uitlening wel onder de aansprakelijkheid valt. Dit is zo geregeld
om te voorkomen dat concurrentievervalsing tussen collegiale
uitlening en uitlening door bedrijfsmatige uitzendondernemingen zou
kunnen ontstaan. Voorts om te voorkomen dat de vorm van collegiale uitlening wordt gekozen om onder de
aansprakelijkheid uit te
komen, terwijl in de huidige situatie voor die uitleen geen vergunning
kon worden verkregen.
Omdat de
aansprakelijkheid voor de omzetbelasting ter zake van de terbeschikkingstelling
door de uitlener/werkgever aan een derde uitsluitend de
rijksbelastingdienst aangaat, onderscheidt artikel 34, eerste lid, Invorderingswet
1990 zich van artikel 16a CSV
door een slotpassage ter zake van de
aansprakelijkheid voor de omzetbelasting. In die passage is tot uitdrukking
gebracht dat in de één-op-éénrelatie uitlener/inlener de inlener aansprakelijk is
voor de voldoening van de in verband met de terbeschikkingstelling
verschuldigde omzetbelasting. Voorts dat - ingeval zich doorlening voordoet
- daarnaast in zo’n geval ook de uiteindelijke inlener (die de
ingeleende arbeidskracht feitelijk tewerkstelt) aansprakelijk is voor de omzetbelasting
die de doorlener, die zijn wederpartij is, verschuldigd is ter zake
van de zich voordoende ter beschikkingstelling.
Met het oog op het zoveel
mogelijk op dezelfde leest als die van de ketenaansprakelijkheid
schoeien van de nieuwe regeling van de inleneraansprakelijkheid wordt in het derde lid
van de artikelen 16a CSV
en 34 Invorderingswet
1990 de
premie, bedoeld in artikel 12, tweede lid, CSV,
onderscheidenlijk de
verhoging, bedoeld in de artikelen 21 en 22 van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen, niet gerekend tot de premie- en belastingschulden
waarvoor een inlener aansprakelijk kan worden gesteld. Anders gezegd:
in de regeling van de inlenersaansprakelijkheid komt de aansprakelijkheid
voor de bestuurlijke boeten die samenhangen met de premie- en
belastingverplichtingen te vervallen overeenkomstig de uitzondering die voor die
boeten thans reeds in de regeling van de ketenaansprakelijkheid
wordt gemaakt.
rblz.|24|
Het
vierde lid bevat de mogelijkheid voor een inlener (dit kan ook
een doorlener zijn) om tot
het beloop van de door hem op de g-rekening van de uitlener gestorte
bedragen een wettelijke vrijwaring te verkrijgen van zijn aansprakelijkheid
voor de door de uitlener in verband met de terbeschikkingstelling
van zijn arbeidskrachten aan het Lisv verschuldigde premies en aan de
belastingdienst verschuldigde loonbelasting, omzetbelasting en premies. Zoals in
paragraaf 3.2.1 van deze memorie is vermeld, is dit
vrijwaringsmechanisme, alsmede (in het vijfde lid) de ontzegging van vrijwaring aan de
inlener die niet te goeder trouw is, ontleend aan het in wetsvoorstel 25 035
voorgestelde nieuwe vijfde lid van de artikelen 16b
CSV en 35 Invorderingswet
1990. Voor een uitgebreidere toelichting daarop zij verwezen naar
de memorie van toelichting bij dat
wetsvoorstel. In laatstgenoemde
paragraaf is voorts reeds uiteengezet dat aan de doorlener in beginsel
niet de mogelijkheid zal worden geboden een g-rekening te openen om
daarop "g-geld" te ontvangen van een volgende inlener aan wie de
doorlener arbeidskrachten ter beschikking heeft gesteld. Mocht een
inlener toch betalingen doen op een te name van de doorlener gestelde
g-rekening, gelden die betalingen niet als vrijwarende betalingen als bedoeld in
het vierde lid van de artikelen 16a CSV
en 34 Invorderingswet
1990.
Ingevolge dat lid kunnen immers uitsluitend de door de inlener op de
g-rekening van de werkgever/uitlener verrichte stortingen gelden als
vrijwarende stortingen.
Nieuw in de regeling van
de inlenersaansprakelijkheid is het zesde lid van de voorgestelde
artikelen 16a CSV
en 34 Invorderingswet
1990, te weten de disculpatie van
aansprakelijkheid van de inlener indien aannemelijk is dat het
niet voldoen van de premieschuld of loonbelastingschuld noch te wijten is aan de
uitlener, noch aan een inlener. Gesproken wordt van "een inlener"
omdat, ingeval doorlening heeft plaatsgevonden, er meer dan één inlener
in het geding is. Deze bepaling is eveneens ontleend aan de regeling
van de ketenaansprakelijkheid in de artikelen 16b
CSV respectievelijk
35 Invorderingswet
1990. Ook hier houdt deze bepaling in dat "de
gehele keten schoon moet zijn", dat wil zeggen aan geen enkele van bij de
in-/uitlening betrokken partijen enig verwijt te maken valt dat de daarmee
samenhangende premie- en belastingschulden niet of niet ten volle
zijn voldaan.
Het zevende, achtste en
negende lid van het nieuwe artikel 16a
CSV hebben geen pendant in
het nieuwe artikel 34 Invorderingswet
1990, omdat overeenkomstige
bepalingen elders in de belastingwetgeving zijn opgenomen. Artikel
16a,
zevende lid, (de aansprakelijke kan pas aangesproken worden wanneer de werkgever/uitlener in gebreke is de door
hem verschuldigde premie,
omzet- of loonbelasting te voldoen) is ontleend aan het
bestaande zevende lid van artikel 16b
CSV. Het achtste lid
(administratievoorschrift met mogelijkheid tot uitwerking bij
ministeriële regeling) en negende lid
(gelijkstelling aansprakelijke met de werkgever/uitlener voor
de toepassing van de artikelen 10 tot en met 16
CSV) van artikel
16a CSV bevatten voortaan de
onderwerpen die thans in de tweede en vierde
volzin van het eerste lid van artikel
16a CSV zijn vervat.
Het tiende lid van
artikel 16a CSV, dat overeenkomt met zevende lid van artikel 34
Invorderingswet
1990, voorziet - eveneens ontleend aan de regeling van de
ketenaansprakelijkheid - in de mogelijkheid bij ministeriële regeling nadere regels te
stellen omtrent de toepassing van het vierde lid van de
artikelen 16a CSV
en 34 Invorderingswet
1990 (met dit verschil dat het achtste
lid van artikel
16a CSV mede voorziet in een nadere ministeriële
regeling, welke delegatiebepaling thans in het eerste lid van artikel
16a CSV is opgenomen).
rblz.|25|
De
in het elfde lid van artikel 16a
CSV en in het achtste lid van
artikel 34 Invorderingswet
1990 neergelegde bepaling (het uitzonderen van aansprakelijkheid van
voor de terbeschikkingstelling van arbeidskrachten indien de desbetreffende
werkzaamheden ondergeschikt zijn aan door een uitlener (of een
doorlener) met de (uiteindelijke) inlener gesloten overeenkomst van koop en
verkoop van een bestaande zaak) is ook ontleend aan de regeling
van de ketenaansprakelijkheid (in het vierde lid, onderdeel b, van de
artikelen 16b CSV
en 35 Invorderingswet
1990) en duidelijkshalve, alsmede
met het oog op een zoveel mogelijk eenvormig regime voor de inleners-
en de ketenaansprakelijkheid, in de voorgestelde bepalingen opgenomen.
In het tweede onderdeel
van de artikelen 15 en 16 van dit wetsvoorstel
[zie artikelen
16 en 17 Waadi,
red.] wordt, door het invoegen
in het eerste lid van de artikelen 16f
CSV en 34 Invorderingswet
1990 van
een verwijzing naar artikel 16a CSV onderscheidenlijk artikel 34
Invorderingswet
1990, de verhaalsbevoegdheid van de ene inlener op de andere
alsmede de daarbij toe te passen verdeelsleutel voor de
aansprakelijkheidsschuld uit hoofde van de inlenersaansprakelijkheid vastgelegd. Dit voor
gevallen waarin twee of meer inleners aansprakelijk zijn voor de in verband met de terbeschikkingstelling van
arbeidskrachten door de
werkgever/uitlener verschuldigde belasting en sociale premies. Zijn
twee of meer inleners aansprakelijk voor die belasting en premies
inzake dezelfde arbeidskrachten en gedurende dezelfde periode van
terbeschikkingstelling, dan zijn zij voor gelijke delen aansprakelijk. Heeft
één
van de inleners, bijvoorbeeld daartoe aangesproken door het Lisv, meer voldaan dan zijn aandeel bedraagt, dan kan
hij voor dat meerdere
verhaal nemen op zijn medeaansprakelijke(n). Echter, de bijdrage van
een inlener kan niet meer belopen dan het bedrag waarvoor zijn
aansprakelijkheid in concreto bestaat, dat wil zeggen het bedrag waarvoor hij in
eerste aanleg aansprakelijk is ten tijde van de verloning van de ter
beschikking gestelde arbeidskrachten, verminderd met het bedrag aan
vrijwarende stortingen op de g-rekening van de uitlener (of het bedrag
van de in eerste aanleg verschuldigde belasting en sociale premies
verminderd met de daarop eventueel door middel van rechtstreekse stortingen
betaalde bedragen). Uiteraard is het zo dat aandelen tot een nominaal
gelijk bedrag zich uitsluitend voordoen wanneer de
aansprakelijkheid identieke situaties betreft. Voor zover een aansprakelijke
een van
zijn medeaansprakelijken afwijkende positie inneemt, ligt dat anders.
Bijvoorbeeld indien de werkgever/uitlener twee arbeidskrachten voor twee
weken heeft uitgeleend aan een inlener die ten dele optreedt als
doorlener, door één van de twee arbeidskrachten voor diezelfde weken door te
lenen aan een tweede inlener, dan zullen de doorlener en de tweede
inlener gelijkelijk voor de op de laatstbedoelde arbeidskracht betrekking
hebbende belasting- en premieschuld over de desbetreffende periode
aansprakelijk zijn. Voor dergelijke schulden met betrekking tot de niet-doorgeleende arbeidskracht is uiteraard alleen degene die rechtstreeks
inleent van de werkgever/uitlener aansprakelijk.
Bij de redactie van de artikelen 15 en 16 van
dit wetsvoorstel [zie artikelen
16 en 17 Waadi,
red.] is ervan uitgegaan dat het voorstel van wet
tot wijziging van de Coördinatiewet Sociale Verzekering en de
Invorderingswet 1990 in verband met de invoering van de
opdrachtgeversaansprakelijkheid en de kopersaansprakelijkheid in de
confectiesector en invoering van een vrijwaringsregeling in de
ketenaansprakelijkheid (Kamerstukken II
1996-1997, 25 035)
in werking zal treden vóór het onderhavige
wetsvoorstel.
Artikel
17. Wijziging Wet
op de economische delicten [zie
art. 18 Waadi,
red.]
Het betreft hier een
technische wijziging van de Wet
op de economische delicten, die het gevolg
is van de inwerkingtreding van deze wet. De overtreding van de
bepalingen in verband met de vergunningen op grond van deze wet is strafbaar
gesteld.
rblz.|26|
Artikel
18. Wijziging
Arbeidsvoorzieningswet en Invoeringswet [zie
art. 19 Waadi,
red.]
Arbeidsvoorzieningswet 1996
Artikel 19 van de
Invoeringswet Arbeidsvoorzieningswet 1996
regelt dat de bepalingen over
intermediairs in de Arbeidsvoorzieningswet 1990 nog van kracht blijven. Deze
wet komt in de plaats van die bepalingen. De betreffende bepalingen
kunnen derhalve vervallen. Daarnaast verliezen de bepalingen in de Invoeringswet
Arbeidsvoorzieningswet 1996 hun betekenis, omdat ook deze
in deze wet zijn opgenomen of omdat de werking daarvan in deze
wet is overgenomen. Ook deze bepalingen kunnen dus vervallen. Het
tweede lid voorziet hierin.
Artikel
21. Overgang [zie
art. 22 Waadi,
red.]
De vergunningen die zijn
afgegeven op grond van afdeling 2 van hoofdstuk III, paragraaf
3, van de Arbeidsvoorzieningswet 1990, dat wil zeggen de vergunningen voor
arbeidsbemiddeling, worden na de datum van inwerkingtreding van deze
wet aangemerkt als vergunningen voor arbeidsbemiddeling op
grond van deze wet. Vergunningen voor het ter beschikkingstellen van
arbeidskrachten worden in beginsel niet meer afgegeven. De op grond
van de Arbeidsvoorzieningswet 1990 gegeven vergunningen verliezen
met de inwerkingtreding van deze wet hun betekenis.
Voor zover in het
speciale regime nog wel sprake is van een vergunning voor het ter beschikking
stellen van arbeidskrachten, zal de verhouding tot de vergunning op grond
van de Arbeidsvoorzieningswet 1990, indien noodzakelijk, in het
speciale regime moeten worden geregeld. Op dit punt is dus geen
overgangsrecht noodzakelijk.
Artikel
22. Evaluatie [zie
art. 23 Waadi,
red.]
Om na enige tijd de
effecten in de praktijk van met name de afschaffing van de vergunningsplicht
voor het ter beschikking stellen van arbeidskrachten te kunnen beoordelen, is
deze evaluatiebepaling op genomen.
Artikel
24. Tijdelijke
werking voor arbeidsbemiddeling in culturele en sportsector [zie
art. 25 Waadi,
red.]
De achtergrond van de
tijdelijkheid van deze gelijkstelling van het regime van hoofdstuk 2
van deze wet voor de arbeidsverhoudingen, bedoeld in artikel
1,
vierde lid, (culturele en sportsector) wordt toegelicht in paragraaf
3.1.1 van
het algemene deel van deze toelichting. Het onderdeel van de algemene
maatregel van bestuur op grond van artikel
4 dat betrekking heeft op
deze arbeidsbemiddeling zal dan ook worden ingetrokken.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
|