|
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 1997-1998, 25 900.
Handelingen II 1997-1998, blz. 5450-5466, 5545-5564, 5643-5644.
Kamerstukken I 1997-1998, 25 900 (314, 314a, 314b, 314c, 314d).
Handelingen I 1997-1998, zie vergadering d.d. 16 juni 1998.
MEMORIE
VAN TOELICHTING
WET van 18 juni 1998, Stb.
1998, 377, tot wijziging van de Algemene nabestaandenwet
in verband met gebleken
onbillijkheden. Inwerkingtreding: 1 juli 1998, zie artikel
VII.
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is, met het oog op het voorkomen van onbillijkheden en
teneinde enige correcties aan te brengen in de Algemene nabestaandenwet,
de Algemene nabestaandenwet ¹ en de Wet
financiering volksverzekeringen te wijzigen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
1. Volgens de redactie
dient "Algemene nabestaandenwet" te worden vervangen door: Wet op de inkomstenbelasting 1964.
Art.
I. Wijziging Algemene nabestaandenwet [MvT]
De Algemene nabestaandenwet
wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:
1. Onderdeel f komt te luiden:
f. halfwees: een ongehuwd kind van wie de vader of de moeder is
overleden en van wie die vader of moeder op de dag van overlijden:
1º. verzekerd was op grond van deze wet en dat als gevolg van dat
overlijden nog één overlevende ouder heeft; of
2º. verzekerd was op grond van de Algemene Weduwen- en Wezenwet, zoals
die wet luidde op de dag vóór inwerkingtreding van deze wet, en dat als
gevolg van dat overlijden nog één overlevende ouder heeft die het kind
al geruime tijd vóór het overlijden niet heeft verzorgd en opgevoed noch
op substantiële wijze heeft bijgedragen in de kosten van diens
levensonderhoud en dit ook na het overlijden niet doet en naar
verwachting niet zal doen;.
2. Na onderdeel j worden, onder vervanging
van de punt door een puntkomma aan het einde van dat onderdeel j, twee
nieuwe onderdelen toegevoegd, luidende:
k. hulpbehoevende: de persoon die vanwege ziekte of één of meer
stoornissen van lichamelijke, verstandelijke of geestelijke aard
blijvend niet in staat is een eigen
huishouding te voeren, daar hij dagelijks is aangewezen op intensieve
zorg van anderen;
l. gezamenlijke huishouding ten behoeve van de verzorging van een
hulpbehoevende:
1º. de gezamenlijke huishouding van een nabestaande met een
hulpbehoevende indien de nabestaande of de overleden verzekerde een
huishouding is gaan voeren met het doel de hulpbehoevende te gaan
verzorgen; of
2º. de gezamenlijke huishouding van een nabestaande die hulpbehoevende
is met een ander, indien de nabestaande een huishouding is gaan voeren
met het doel door die ander te worden verzorgd.
B. [MvT]
Aan artikel 3 wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:
-7. Onder bloedverwant in de eerste graad als bedoeld in het tweede lid
wordt mede verstaan een meerderjarig aangehuwd of voormalig pleegkind
van de nabestaande of een meerderjarig eigen, aangehuwd of voormalig
pleegkind van de overleden verzekerde of van de persoon die met de
nabestaande een gezamenlijke huishouding voert.
C. [MvT]
Aan artikel 14 worden twee nieuwe leden toegevoegd, luidende:
-4. Voor de nabestaande die geen recht heeft op een
nabestaandenuitkering op grond van artikel 15, eerste lid, onderdeel
d,
gaat het recht op een nabestaandenuitkering in op de eerste dag van de
maand dat hij, uiterlijk binnen zes maanden na het overlijden van de
verzekerde, deze gezamenlijke huishouding niet meer voert.
-5. De Bank kan, in afwijking van het vierde lid, een langere termijn
vaststellen indien de toepassing wat de termijn van zes maanden betreft,
zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
D. [MvT]
Artikel 15 wordt als volgt gewijzigd:
Aan het eerste lid worden, onder vervanging van de puntkomma door een
punt aan het einde van onderdeel c, twee nieuwe onderdelen toegevoegd,
luidende:
d. die een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een
gezamenlijke huishouding ten behoeve van de verzorging van een
hulpbehoevende;
e. die al recht op een nabestaandenuitkering op grond van deze
wet heeft en die nadien wederom nabestaande is geworden als gevolg van
het overlijden van de hulpbehoevende met wie hij een gezamenlijke
huishouding voerde ten behoeve van de verzorging van die hulpbehoevende.
E. [MvT]
Artikel 16 wordt als volgt gewijzigd:
1. In artikel 16, eerste lid, onderdeel
b,
wordt na de zinsnede "dan wel een gezamenlijke huishouding gaat
voeren" toegevoegd: anders dan ten behoeve van de verzorging van een
hulpbehoevende.
2. Aan het artikel worden twee nieuwe leden
toegevoegd, luidende:
-3. Voor de nabestaande wiens uitkering op grond van het eerste lid,
onderdeel b, wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding is
geëindigd,
herleeft het recht op een nabestaandenuitkering met ingang van de eerste
dag van de maand dat hij, uiterlijk binnen zes maanden na het eindigen
van de nabestaandenuitkering, deze gezamenlijke huishouding niet meer
voert.
-4. De Bank kan, in afwijking van het derde lid, een langere termijn
vaststellen indien de toepassing wat de termijn van zes maanden betreft,
zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
F. [MvT]
Onder vernummering van het tweede lid tot derde lid wordt in artikel 17
een nieuw lid ingevoegd, luidende:
-2. In afwijking van het eerste lid wordt de brutonabestaandenuitkering
van de nabestaande, zolang hij een gezamenlijke huishouding ten behoeve
van de verzorging met een hulpbehoevende voert, zodanig vastgesteld dat
na aftrek van de in te houden loonbelasting en premie voor de
volksverzekeringen naar tariefgroep 2 en de in te houden procentuele
premie op grond van de Ziekenfondswet, de nettonabestaandenuitkering
gelijk is aan 50% van het nettominimumloon.
G. [MvT]
In artikel 18, tweede lid, onderdeel a, wordt na de zinsnede
"brutominimumloon" ingevoegd: vermeerderd met de
overhevelingstoeslag, bedoeld in artikel 1 van de Wet
overhevelingstoeslag opslagpremies.
H. [MvT]
Artikel 24, tweede lid, komt te luiden:
-2. Het recht op halfwezenuitkering eindigt met ingang van de eerste dag
van de maand waarin de nabestaande een bruto-ouderdomspensioen voor de
ongehuwde pensioengerechtigde als bedoeld in artikel
9, eerste lid,
onderdeel c, van de Algemene Ouderdomswet ontvangt.
I. [MvT]
Artikel 25 wordt als volgt gewijzigd:
1. Voor de tekst wordt de aanduiding
"-1."
geplaatst.
2. Aan het artikel wordt een tweede lid
toegevoegd, luidende:
-2. Op de halfwezenuitkering ten behoeve van de halfwees, bedoeld in
artikel 1, aanhef en onder f, onder 2º, wordt de financiële
bijdrage die de overlevende ouder betaalt of op grond van een
rechterlijke uitspraak in verband met zijn onderhoudsplicht als bedoeld
in Boek 1 van het
Burgerlijk Wetboek dient te betalen in mindering
gebracht. De Bank kan hiertoe zelf een onderzoek instellen. Indien de
toepassing van de eerste zin tot een onbillijkheid van overwegende aard
leidt, kan de Bank hiervan afzien.
J. [MvT]
Aan artikel 26 wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:
-5. Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel c, wordt mede als
ongehuwd aangemerkt het kind dat een gezamenlijke huishouding voert met
een hulpbehoevende indien de verzekerde vóór diens overlijden een
huishouding met de hulpbehoevende is gaan voeren met het doel de
hulpbehoevende te gaan verzorgen of indien het kind na het overlijden
van de verzekerde een huishouding is gaan voeren met een hulpbehoevende
met het doel de hulpbehoevende te gaan verzorgen.
K. [MvT]
In artikel 31, eerste lid, wordt de zinsnede
"over de
nabestaandenuitkering" vervangen door: over de nabestaandenuitkering,
bedoeld in artikel 17, eerste lid,.
L. [MvT]
In artikel 32, eerste lid, wordt de zinsnede
"met toepassing van
artikel 18 of artikel 67" vervangen door: met toepassing van
artikel 17, tweede of derde lid, 18 of
67.
M. [MvT]
Artikel 37 komt te luiden:
Art. 37.
Voor de toepassing van de artikelen 5, tweede lid,
11, 14, eerste lid,
aanhef en onder b, 26, tweede lid, aanhef en
onder b, dan wel om
te bepalen of een gezamenlijke huishouding ten behoeve van de verzorging
van een hulpbehoevende wordt gevoerd, onderwerpt de betrokken persoon
zich op verzoek van de Bank aan een geneeskundig onderzoek.
N. [MvT]
Artikel 66a wordt als volgt gewijzigd:
1. In het tweede lid, onderdeel b, wordt de
zinsnede "artikel 3, tweede lid" vervangen door:
artikel 3.
2. Aan het artikel wordt een nieuw lid
toegevoegd, luidende:
-3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden in afwijking
van het eerste lid regels gesteld waarbij een persoon die voldoet aan
die regels alsmede aan het tweede lid, doch wiens echtgenoot overlijdt
op of na de dag gelegen drie jaar na de dag van inwerkingtreding van
deze wet, wordt aangemerkt als geboren vóór 1 januari 1950. Deze regels
hebben in elk geval betrekking op de periode waarbinnen en de
voorwaarden waaronder een aanvraag om als zodanig te worden aangemerkt
bij de Bank moet worden ingediend en op de hoogte van een daartoe
verschuldigde bijdrage. Daarnaast hebben deze regels betrekking op de
door de Bank verschuldigde vergoeding aan derden in verband met door hen
gemaakte kosten ten behoeve van de uitvoering van de in de eerste zin
bedoelde algemene maatregel van bestuur.
O. [MvT]
Artikel 67 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid, onderdeel c, komt als
volgt te luiden:
c. met ingang van 1 januari 1998 op de nabestaandenuitkering het
overig inkomen in mindering wordt gebracht overeenkomstig het tweede
lid, waarbij van de nabestaandenuitkering een bedrag gelijk aan 30% van
het brutominimumloon buiten aanmerking blijft.
2. In het tweede lid wordt de zinsnede
"50% van het brutominimumloon" telkens vervangen door: 70% van het
brutominimumloon.
3. Het derde lid komt als volgt te luiden:
-3. Van de persoon, bedoeld in het eerste lid, die op de dag van
inwerkingtreding van deze wet een gezamenlijke huishouding voert anders
dan ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende en deze
gezamenlijke huishouding nog steeds voert op 31 december 1997, wordt de
nabestaandenuitkering met ingang van 1 januari 1998 verminderd tot een
bedrag van 30% van het brutominimumloon, waarop in mindering wordt
gebracht een uitkering als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b. Deze
nabestaandenuitkering wordt verhoogd tot 70% van het nettominimumloon
met ingang van de eerste dag van de maand dat de nabestaande vóór 1 juli
1998 geen gezamenlijke huishouding meer voert. De Bank kan indien de
toepassing van de tweede zin wat de datum 1 juli 1998 betreft tot een
onbillijkheid van overwegende aard leidt, een latere datum vaststellen.
4. In het achtste lid vervalt de zinsnede
"met betrekking tot het eerste tot en met zesde lid".
5. Aan het artikel worden drie nieuwe leden
toegevoegd, luidende:
-9. In afwijking van het derde lid wordt de nabestaandenuitkering van de
persoon, bedoeld in het eerste lid, die op de dag van inwerkingtreding
van deze wet een gezamenlijke huishouding voert ten behoeve van de
verzorging van een hulpbehoevende en deze gezamenlijke huishouding nog
steeds voert op 31 december 1997, met ingang van 1 januari 1998
verminderd tot een bedrag van 50% van het nettominimumloon, waarop in
mindering wordt gebracht een uitkering als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel b. Op het deel van de nabestaandenuitkering dat meer bedraagt
dan 30% van het brutominimumloon wordt het overig inkomen, bedoeld in
het eerste lid, onderdeel c, in mindering gebracht. De in de eerste zin
bedoelde nabestaandenuitkering wordt verhoogd tot 70% van het
nettominimumloon met ingang van de eerste dag van de maand waarin geen
gezamenlijke huishouding ten behoeve van de verzorging van een
hulpbehoevende meer wordt gevoerd.
-10. Indien de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het negende lid,
eindigt door het overlijden van de hulpbehoevende die niet tevens
nabestaande is, ontstaat geen nieuw recht op nabestaandenuitkering.
-11. Van de persoon, bedoeld in het eerste lid, eindigt de in dat lid
bedoelde halfwezenuitkering met ingang van de eerste dag van de maand
waarin een recht op halfwezenuitkering ten behoeve van een halfwees als
bedoeld in artikel 1, onderdeel f, onder 2º, wordt toegekend.
P. [MvT]
Artikel 71 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het derde lid wordt de zinsnede
"de nabestaandenuitkering" vervangen door: de wezenuitkering.
2. Aan het artikel wordt een nieuw lid
toegevoegd, luidende:
-5. In afwijking van het derde lid eindigt de wezenuitkering van de
aldaar bedoelde persoon niet zolang de persoon die gezamenlijke
huishouding voert met een hulpbehoevende en indien de persoon of de
overleden verzekerde een huishouding is gaan voeren met het doel de
hulpbehoevende te gaan verzorgen.
Art.
II. Wijziging Wet financiering volksverzekeringen [MvT]
Artikel 30 van de Wet
financiering volksverzekeringen wordt als volgt
gewijzigd:
1. In het eerste lid, onderdeel a, wordt na
de zinsnede "vrijwillige nabestaandenverzekering" toegevoegd: alsmede
de te ontvangen bijdragen op grond van artikel
66a van de Algemene nabestaandenwet
en de daarop berustende bepalingen.
2. In het tweede lid, onderdeel b, wordt na
de zinsnede "Algemene nabestaandenwet"
toegevoegd: en de daarop berustende bepalingen.
Art.
III. Wijziging van de Wet op de inkomstenbelasting 1964
De Wet op de inkomstenbelasting 1964 wordt als volgt gewijzigd:
A.
In artikel 5, derde lid, onderdeel d, wordt "onderdelen g en
j"
vervangen door: onderdelen g, j en k.
B.
In artikel 45 wordt het slot van het eerste lid, vanaf onderdeel i,
vervangen door:
i. verliezen ter zake van geregistreerde, achtergestelde
geldleningen welke zijn verstrekt aan een beginnende ondernemer waarbij
de geldlening dient ter financiering van bestanddelen die behoren tot
het verplichte ondernemingsvermogen van die ondernemer;
j. premies ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen;
k. bijdragen ingevolge artikel 66a, derde lid,
Algemene nabestaandenwet;
één en ander voor zover met die verplichtingen niet reeds rekening is
gehouden bij het bepalen van winst uit onderneming, dan wel voor zover
die verplichtingen niet dienen tot voldoening aan een
stamrechtverplichting die heeft behoord tot het vermogen van een
onderneming.
Art.
IV. Herleving nabestaandenuitkering in verband met
gezamenlijke huishouding [MvT]
-1. Voor de nabestaande wiens uitkering op
grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en
onder b, zoals dit
onderdeel op de dag vóór inwerkingtreding van deze wet luidde, is
geëindigd in verband met het voeren van een gezamenlijke huishouding
anders dan ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel l, van de
Algemene nabestaandenwet,
herleeft het recht op een nabestaandenuitkering met ingang van de eerste
dag van de maand dat hij deze gezamenlijke huishouding uiterlijk binnen
zes maanden na inwerkingtreding van deze wet niet meer voert.
-2. De Bank, bedoeld in
artikel 1, eerste
lid, onderdeel c, van de Algemene nabestaandenwet,
kan, in afwijking van het eerste lid, een langere termijn vaststellen
indien de toepassing wat de termijn van zes maanden betreft, zal leiden
tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Art.
V. Overgangsbepaling in verband met artikel 3, zevende lid,
van de Algemene nabestaandenwet [MvT]
Indien de toepassing van artikel 3, zevende lid, van de
Algemene nabestaandenwet
in verband met de uitbreiding van
het begrip bloedverwant in de eerste
graad tot de persoon die met de nabestaande een gezamenlijke huishouding
voert, leidt tot het beëindigen van het recht op nabestaandenuitkering,
gaat deze wijziging eerst in zes maanden na inwerkingtreding van deze
wet.
Art.
VI. Overgangsbepalingen in verband met artikel 67, achtste
lid, van de Algemene nabestaandenwet [MvT]
Beschikkingen vóór de inwerkingtreding van deze wet gegeven door de Bank, bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de
Algemene nabestaandenwet,
op grond van artikel 67, achtste lid, van die wet en de daarop
berustende bepalingen, worden in overeenstemming gebracht met de
bepalingen van deze wet en aangemerkt als beschikkingen op grond van
artikel 67 van de Algemene nabestaandenwet
zoals dat artikel luidt na
inwerkingtreding van deze wet.
Art.
VII. Inwerkingtreding [MvT]
-1. Deze wet treedt in werking met ingang
van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt
geplaatst en werkt terug tot en met 1 juli 1996.
-2. In afwijking van het eerste lid treedt
artikel III in werking met ingang van 1 juli 1999.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst
en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
18 juni 1998
BEATRIX
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave
Uitgegeven de dertigste
juni 1998
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|
|