|
rblz.|1|
Kamerstukken II
1997-1998, 25 900
Wijziging
van de Algemene nabestaandenwet in verband met
gebleken onbillijkheden
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
De achtergrond van de
wijzigingen |
| 2.1 |
Uitbreiding
tijdelijke overgangsregeling |
| 2.2 |
Bepalingen met
betrekking tot de gezamenlijke huishouding |
| 2.3 |
Wijzigingen die
betrekking hebben op het overgangsrecht voor voormalig AWW-ers. |
| 2.4 |
Andere wijzigingen |
| 3 |
Financiële gevolgen |
|
xArtikelsgewijs |
| xxx |
Artikelen
I t/m VI |
Algemeen deel
1.
Inleiding
Naar aanleiding van verzoeken
van leden van de Tweede Kamer heeft het kabinet besloten de Algemene
nabestaandenwet (Anw) op enkele punten te wijzigen. De bedoeling hiervan
is onbedoelde en ongewenste effecten die bij de uitvoering van
de wet naar voren zijn gekomen en naar verwachting zullen
optreden te repareren. De voorstellen tot wijziging zijn in de brief van 15
september 1997 (Kamerstukken II 1996-1997, 25 517, nr. 2) aan de Tweede Kamer
kenbaar gemaakt. De Tweede Kamer heeft met deze voorstellen
ingestemd. In dit wetsvoorstel worden de aangekondigde wijzigingen geregeld, met
uitzondering van die voorstellen die betrekking hebben op het Inkomens-
en samenloopbesluit Anw.
Aanleiding voor de
voorgestelde wijzigingen was het gevoelen bij veel betrokkenen (kamerleden,
maatschappelijke groeperingen en burgers) dat de Anw
onevenredig zwaar
uitwerkt voor zowel oud AWW-gerechtigden (dat wil zeggen
nabestaanden die een uitkering hadden op grond van de Algemene Weduwen- en
Wezenwet (AWW) vóór de inwerkingtreding van de Anw; hierna te noemen
voormalig AWW-ers) als voor personen die nabestaande zijn geworden
of zullen worden na inwerkingtreding van de Anw. Hierbij werd dan
gedacht aan het feit dat sommige voormalig AWW-ers per 1 januari 1998
de gehele uitkering zouden verliezen, dat de inkomenstoets voor
bepaalde vormen van inkomen in verband met arbeid niet redelijk werd geacht
en dat het voeren van een gezamenlijke huishouding door de
nabestaande het in sommige gevallen maatschappelijk ongewenste gevolg van het
beëindigen van de uitkering zou hebben. Daarnaast werd
het ongewenst geacht dat sommige personen in de toekomst geen
uitkering zullen krijgen, terwijl zij die onder de AWW wel gehad zouden hebben.
Tijdens het overleg met
de Tweede Kamer is besloten tot de volgende wijzigingen:
1. een
inkomensonafhankelijke bodem ter hoogte van 30% minimumloon voor voormalig AWW-ers;
rblz.|2|
2. het beschouwen van
arbeidsvoorwaardelijke regelingen als inkomen uit arbeid;
3. uitbreiding van de
tijdelijke overgangsregeling voor personen geboren na 1 januari 1950 en
vóór
1 juli 1956 waarvan de echtgenoot naar verwachting zal
overlijden op of na 1 juli 1999 terwijl hij zijn overlijdensrisico niet particulier kan
verzekeren gezien zijn gezondheidstoestand;
4. het beschouwen van
meerderjarige aangehuwde en pleegkinderen als eerstegraads
bloedverwanten;
5. het toekennen van een
herlevingsperiode na het beëindigen van het uitkeringsrecht bij het
gaan voeren van een gezamenlijke huishouding;
6. het tegengaan van
uitkeringsverlies bij thuisverzorging van een hulpbehoevende.
In
dit wetsvoorstel
worden de wijzigingen ad 3, 4, 5 en 6 in de
Anw
geregeld ten behoeve van
personen die vanaf 1 juli 1996 nabestaande zijn geworden. Voor voormalig AWW-ers
is inmiddels op basis van artikel 67, achtste lid, van de
Anw
bij ministeriële regeling de Tijdelijke regeling reparaties overgangsrecht
Anw getroffen die betrekking heeft op de punten 1, 4, 5 en 6. Deze
punten zijn overigens ook opgenomen in dit wetsvoorstel; de
ministeriële regeling zal worden ingetrokken als dit wetsvoorstel in werking
is getreden. Het tweede punt is geregeld in een wijziging van het
Inkomens- en samenloopbesluit Anw (Stb. 1997, 610). Bovendien worden in dit
wetsvoorstel enkele andere artikelen gewijzigd, die deels een technisch
karakter hebben.
De bepalingen in dit
wetsvoorstel hebben terugwerkende kracht tot en met 1 juli 1996.
2. De achtergrond van de
wijzigingen
2.1. Uitbreiding
tijdelijke overgangsregeling
Op grond van de huidige
wetgeving (artikel 66a van de Anw) is de situatie als volgt.
Nabestaanden geboren tussen 1 januari 1950 en 1 juli 1956 hebben recht op
nabestaandenuitkering tot hun 65ste jaar indien hun huwelijkspartner
overlijdt tussen 1 juli 1996 en 1 juli 1999. De bedoeling daarvan was om gedurende
enige tijd iedereen die minimaal 40 jaar was bij inwerkingtreding van
de Anw
dezelfde rechten te geven als onder de AWW. Aanleiding voor deze
regeling was de problematiek van mensen die het overlijdensrisico
niet particulier konden verzekeren en onder de Anw geen, en onder de AWW
wel uitkeringsrecht zouden hebben.
De huidige regeling is
problematisch voor met name potentiële nabestaanden die onder de
tijdelijke overgangsregeling vallen, namelijk: nabestaanden geboren na 1
januari 1950 en vóór 1 juli 1956, die gehuwd waren vóór 1 juli 1996 en
die gehuwd zijn op de dag van overlijden van de echtgenoot, en waarvan de
echtgenoot overlijdt op of na 1 juli 1999 terwijl deze zich nu niet kan
verzekeren voor het overlijdensrisico wegens zijn gezondheidstoestand. De
personen waarvoor dit dreigt, hebben naar verwachting geen recht op nabestaandenuitkering onder de huidige wet
(tenzij zij jonge
kinderen hebben of arbeidsongeschikt zijn), terwijl hun echtgenoot zich ook niet
particulier kan verzekeren.
Om hieraan tegemoet te
komen, wordt een aanvullende regeling getroffen door middel van een
uitbreiding van de huidige tijdelijke overgangsregeling, die betrekking heeft op
nabestaanden geboren op of na 1 januari 1950 en vóór 1 juli 1956,
die gehuwd waren op 1 juli 1996 en die gehuwd zijn bij overlijden van
de echtgenoot. Deze aanvullende regeling houdt in dat betrokkenen zich in
1998 aanmelden bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en te zijner tijd
in aanmerking komen voor een nabestaandenuitkering. Betrokkenen moeten
daarbij aantonen dat zij niet geaccepteerd worden door een
verzekeraar of alleen tegen een hogere premie dan rblz.|3|
gebruikelijk voor
dezelfde overlijdensrisicoverzekering. De SVB registreert deze mensen en
incasseert
een maatschappelijk aanvaardbare bijdrage. Indien deze mensen op
enig moment na 30 juni 1999 nabestaande worden (dit is niet in de tijd
begrensd), krijgen zij een nabestaandenuitkering onder de gebruikelijke
condities (alsof het overlijden had plaatsgevonden vóór 1 juli 1999), dus
tot hun 65ste, en met de inkomenstoets.
Om praktische redenen
zullen de voorwaarden waaronder bovengenoemde personen in aanmerking
kunnen komen voor de regeling in een algemene maatregel van
bestuur op grond van de Anw
worden uitgewerkt. De algemene maatregel van
bestuur zal de volgende inhoud hebben.
Voor de toepassing van de
regeling wordt als onverzekerbaar beschouwd degene die óf door een verzekeraar op medische gronden geweigerd
wordt voor een
overlijdensrisicoverzekering, óf slechts wordt geaccepteerd tegen een premie die
minimaal 2,5 keer zo hoog is als de premie voor een persoon zonder gezondheidsrisico’s in
dezelfde leeftijdscategorie
voor dezelfde
verzekering. Bij een overlijdensrisicoverzekering kan het gaan om een
willekeurig pakket bij een door betrokkene zelfgekozen verzekeraar. Hierbij is
het niet relevant of betrokkene een verzekering op zijn eigen leven afsluit
met zijn vrouw of haar man als begunstigde of dat de vrouw dan wel de man
de verzekering afsluit op het leven van betrokkene. De hoogte van
het uit te keren bedrag is hierbij niet van belang. De
onverzekerbaarheid wordt bepaald door het verschil in premie voor eenzelfde pakket
tussen iemand met een gezondheidsrisico en een vergelijkbaar iemand van
hetzelfde geslacht en binnen dezelfde leeftijdscategorie zonder gezondheidsrisico.
Men kan zelf beide premies met elkaar vergelijken, omdat
beide premies (de reguliere en de verhoogde premie) door de
verzekeraar worden geleverd. De verzekeraar kan bij de vaststelling van zijn
premie desgewenst overleg plegen met de eigen herverzekeraar.
Het gaat dus niet om de
hoogte van de premie als zodanig, maar om het verschil tussen beide
premies. De factor 2,5 is vastgesteld naar analogie van de factor bij de
Wet
medefinanciering aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (Maav). Een premie die
2,5 keer of meer hoger is, wordt beschouwd als een
maatschappelijk gezien te hoge premie.
Na melding bij de SVB als
onverzekerbaar en nadat gebleken is dat ook aan de overige
voorwaarden is voldaan, dient betrokkene een bijdrage aan de SVB te betalen. De
hoogte hiervan is bepaald door uit te gaan van de premie die betaald zou
moeten worden voor een particuliere overlijdensrisicoverzekering
die een maandelijkse uitkering verstrekt die qua hoogte vergelijkbaar
is met de nabestaandenuitkering op grond van de Anw, met
inkomenstoets. Er is hierbij uitgegaan van de berekening door een onafhankelijk
actuarieel bureau. De bijdrage is bepaald op 2,5 keer de premie zonder
winstmarge, zonder onderscheid naar geslacht en zonder rekening te houden
met leeftijd. Deze bijdrage wordt bij ministeriële regeling vastgesteld en
zal jaarlijks worden aangepast aan de ontwikkelingen van het
prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie. Thans zou de bijdrage
vastgesteld kunnen worden op circa ƒ100,-
per maand; de bijdrage hoeft
pas betaald te worden vanaf juli 1999. Restitutie van de betaalde bijdragen
vindt niet plaats, ook niet als niet langer voldaan wordt aan de
voorwaarden van de regeling.
Voor de volledigheid
wordt nog vermeld dat de te betalen bijdrage geen directe relatie heeft met
de situatie op de markt. Het betreft in feite een fictieve premie voor een
fictief product. Immers, de markt kent geen inkomensgetoetste
uitkeringen en de kosten voor een Anw-nabestaandenuitkering
te zijner tijd zijn gegeven het hogere risico per definitie hoger dan
de opbrengst van de bijdragen. Meestal zal in de markt sprake zijn van
leeftijds- en sekseafhankelijke premies. De regeling rblz.|4|
moet gezien worden als
een tijdelijke maatregel in het kader van de overgang van AWW naar Anw. De regeling heeft betrekking op een ander product dan de markt
kent. Het betreft ook geen verzekering bij de SVB, maar het voldoen aan
aanvullende uitkeringsvoorwaarden voor de Anw. Bij niet betalen bestaat
na overlijden geen recht op nabestaandenuitkering. Voor de volledigheid zij
vermeld dat betaling van deze bijdrage losstaat van de gewone
procentuele premie die betaald wordt aan de belastingdienst bij de
belasting en premieheffing voor de volksverzekeringen.
Melding bij de
SVB kan
geschieden zowel door beide echtgenoten of één van beiden. Wie van
beiden de bijdrage betaalt, is niet relevant. De melding dient te
geschieden vóór 1 januari 1999. Op die manier zal tijdig duidelijk zijn op hoeveel
mensen deze regeling betrekking heeft.
Verzekeraars kunnen de
kosten van de medische keuring, indien betrokkene zich meldt bij
de SVB en voor de regeling geaccepteerd wordt, van de SVB vergoed
krijgen. Hierbij worden standaardtarieven gehanteerd, die in de hierboven
genoemde ministeriële regeling worden vastgesteld.
De procedure om zich als
onverzekerbaar te melden bij de SVB heeft alleen zin als de man of
vrouw van de onverzekerbare geboren is tussen 1 januari 1950 en 1 juli
1956. Is de man of vrouw die nabestaande wordt, geboren vóór 1950, dan
bestaat al recht op uitkering. Is de man of vrouw geboren op of na 1 juli
1956, dan ontstaat ook met deze regeling geen recht op uitkering tot
het 65ste jaar. Er bestaat immers geen recht op grond van de hoofdregel van
artikel 14 Anw
("recht op nabestaandenuitkering heeft de nabestaande
geboren vóór 1950") en ook niet op grond van artikel 66a
gezien de
voorwaarde "geboren vóór 1 juli 1956". Omdat de inkomenstoets van kracht
is, kan aanmelding minder zinvol zijn als de (potentiële) nabestaande
inkomen heeft na het overlijden van de echtgenoot. Eén en ander
is afhankelijk van de verwachtingen die men heeft over zijn inkomen
en de hoogte daarvan. Een nabestaande die geboren is tussen januari
1950 en juli 1956 kan recht hebben op uitkering als hij een kind onder de
18 heeft of arbeidsongeschikt is. Desalniettemin kan aanmelding bij de SVB
in dat geval zinvol zijn; dit is ter persoonlijke afweging.
Personen die niet gehuwd
waren op 1 juli 1996 en op moment van aanmelding, kunnen zich
niet melden bij de SVB. De regeling geldt dus bijvoorbeeld niet voor
personen die een gezamenlijke huishouding voeren, die later gehuwd
of gescheiden zijn of die hun partnerschap hebben laten registreren.
De betaalde bijdragen
worden gestort in het Nabestaandenfonds; hiertoe wordt in dit wetsvoorstel
de Wet financiering volksverzekeringen aangepast.
2.2. Bepalingen met
betrekking tot de gezamenlijke huishouding
Aanleiding voor de
wijzigingen met betrekking tot de gezamenlijke huishouding wordt gevormd
door het gegeven dat er een aantal situaties is waarin de SVB
tot het
oordeel komt of zou kunnen komen dat sprake is van een gezamenlijke
huishouding waardoor het uitkeringsrecht van de nabestaande eindigt,
terwijl dit maatschappelijk gezien ongewenst wordt geacht.
Het gaat bijvoorbeeld om
de volgende situaties:
- een nabestaande heeft
een aangehuwd kind of pleegkind in huis dat 18 jaar wordt; omdat hier
geen sprake is van de uitzondering voor eerstegraads
bloedverwanten, verliest de nabestaande de uitkering;
- een echtpaar woont
samen met de broer van één van hen; na
rblz.|5|
overlijden van de
echtgenoot krijgt zijn vrouw geen nabestaandenuitkering omdat zij een
gezamenlijke huishouding voert met haar zwager/broer;
- een grootmoeder heeft
haar studerende kleindochter op kamers wonen en deze
kleindochter helpt in het huishouden van haar oma; indien dit een
gezamenlijke huishouding is, verliest de grootmoeder haar nabestaandenuitkering;
- een nabestaande heeft
een hulpbehoevende in huis genomen ter verzorging, zodat deze
niet hoeft te worden opgenomen in een instelling op grond van
de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ); indien hier
sprake is van een gezamenlijke huishouding, verliest de nabestaande
de uitkering.
Indien in dergelijke
situaties naar het oordeel van de SVB sprake is van een gezamenlijke
huishouding, betekent dit dat de nabestaande de uitkering geheel
verliest, terwijl het uitkeringsrecht niet kan herleven, ook niet als de andere
persoon het huishouden verlaat. De uitkeringsgevolgen van een gezamenlijke
huishouding zijn daardoor voor de Anw
veel ingrijpender dan voor
andere wetten (bijvoorbeeld de Algemene Ouderdomswet (AOW) en de
Algemene
bijstandswet (Abw)). Om die reden acht de regering het gewenst de Anw op dit punt aan te passen.
Met betrekking tot het
punt van de meerderjarige aangehuwde kinderen en pleegkinderen wordt
bepaald dat in de bepaling met betrekking tot de gezamenlijke huishouding
dergelijke kinderen gelijk worden gesteld met bloedverwanten in de
eerste graad. Dit ligt ook voor de hand omdat ook voor het recht op nabestaandenuitkering aangehuwde kinderen en
pleegkinderen gelijk
worden gesteld met "gewone" kinderen. Door de gelijkstelling met
bloedverwanten in de eerste graad wordt bereikt dat het recht op nabestaandenuitkering ontstaat of niet eindigt.
In andere gevallen gaat
het om situaties waarin mensen, voor hen onverwacht, als
gezamenlijke huishouding aangemerkt worden. Het gevolg is dat het recht
op nabestaandenuitkering eindigt. Dit gevolg kan niet meer ongedaan
gemaakt worden, ook niet als de andere persoon elders gaat wonen of als
zij hun situatie anders vormgeven. Het is echter gewenst dat de
nabestaande die met deze gevolgen geconfronteerd wordt de gelegenheid
krijgt zich te bezinnen op de wenselijkheid van het voeren van een
gezamenlijke huishouding.
Indien betrokkenen van
mening zijn geen gezamenlijke huishouding te willen voeren, kunnen zij
deze beëindigen, waarna het uitkeringsrecht weer kan herleven of
ontstaan.
In het wetsvoorstel wordt
nu bepaald dat er een periode van zes maanden is waarin de SVB
een
nieuwe beslissing of er al dan niet sprake is van een gezamenlijke huishouding
kan nemen. Betrokkenen kunnen in die periode besluiten of zij een
gezamenlijke huishouding willen gaan of blijven voeren (met de gevolgen van dien, namelijk einde van de
nabestaandenuitkering)
of dat zij de
gezamenlijke huishouding beëindigen door uit elkaar te gaan of de
situatie een andere, zakelijke vorm te geven (bijvoorbeeld een onderhuursituatie).
Vanaf het moment dat de nabestaande volgens de SVB geen
gezamenlijke huishouding (meer) voert, wordt de uitkering (weer)
uitbetaald, mits de nieuwe situatie binnen zes maanden een feit is. Overigens
zal dit niet licht aannemelijk gemaakt kunnen worden.
Een dergelijke
herlevingsperiode geldt niet alleen voor de hierboven genoemde voorbeelden,
maar om redenen van rechtszekerheid voor alle gevallen waarin de
nabestaande een gezamenlijke huishouding gaat voeren, de
uitkeringsgevolgen daarvan aanvaardt, maar waarbij vervolgens de
gezamenlijke huishouding binnen korte tijd weer beëindigd wordt.
rblz.|6|
Voor nabestaanden waarvan
de nabestaandenuitkering al geëindigd is omdat zij, nadat zij
nabestaande zijn geworden op een moment vanaf 1 juli 1996, een
gezamenlijke huishouding zijn gaan voeren, bestaat alsnog recht op uitkering als
zij binnen zes maanden na inwerkingtreding van deze wet geen
gezamenlijke huishouding meer voeren (artikel
III [zie artikel IV van de
wet, red.]).
Voor de achtergrond van
de regeling voor hulpbehoevenden wordt verwezen naar de brief
van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over dit
punt aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 1996-1997, 25 517, nr. 1).
Indien een nabestaande een hulpbehoevende in huis neemt ter
verzorging, eindigt de uitkering niet, maar wordt de uitkering verlaagd tot
een hoogte van 50% minimumloon (rekening houdend met
schaalvoordelen). Hetzelfde geldt als de nabestaande zelf hulpbehoevend
is en bij
een ander gaat wonen om verzorgd te worden. Indien de gezamenlijke
huishouding eindigt doordat één van beiden naar elders vertrekt of
doordat de partner van de nabestaande overlijdt, gaat de uitkering weer omhoog
naar het gangbare niveau van 70% minimumloon. Voor de volledigheid zij
vermeld dat op de uitkering (50% of 70%) uiteraard de
inkomenstoets van toepassing is. Ook anderszins gelden de gebruikelijke uitkeringsvoorwaarden; indien de nabestaande bijvoorbeeld
hertrouwt, eindigt de
uitkering. De 50%-uitkering wordt gebruteerd op identieke wijze als de
nabestaandenuitkering.
Een soortgelijke bepaling
is getroffen voor de "huishoudwees" (een wees met recht op
wezenuitkering op grond van artikel 26,
tweede lid, onderdeel
c, van de Anw) die een
gezamenlijke huishouding voert met een hulpbehoevende; deze kan de
wezenuitkering behouden.
Wat verstaan wordt onder
een hulpbehoevende wordt uiteengezet in de artikelsgewijze
toelichting. Het kan daarbij voorkomen dat de hulpbehoevende zich aan een geneeskundig
onderzoek moet onderwerpen (onderdeel M); veelal zal
de beoordeling aan de hand van medische dossiers kunnen gebeuren.
2.3. Wijzigingen die
betrekking hebben op het overgangsrecht voor voormalig AWW-ers.
Op grond van het huidige
artikel 67 van de Anw
is de situatie als volgt. Voormalig AWW-ers geboren vóór 1941 behouden met ingang van 1998 in alle gevallen een
uitkeringsdeel ter hoogte van 30%, dus ook als zij op 1 juli 1996 en 31 december
1997 samenwonen (en tengevolge van de gelijkstelling van
ongehuwd samenwonenden met gehuwden hun uitkering zouden
verliezen) en ongeacht hun inkomen. Voormalig AWW-ers geboren op of na 1
januari 1941 kunnen wel de hele uitkering verliezen. De inkomensachteruitgang
die AWW-ers per 1 januari 1998 zouden ondervinden, is in veel
gevallen problematisch. Het is vaak voor betrokkenen moeilijk hun
uitgavenpatroon aan te passen en zo de inkomensterugval te compenseren. De
tijdsperiode van anderhalf jaar tot januari 1998 is daarvoor te kort
gebleken. Bovendien werd het onderscheid op grond van het
geboortejaar onvoldoende onderbouwd geacht.
Om meer recht te doen aan
het beginsel van rechtszekerheid is daarom in de hiervoor genoemde ministeriële regeling op grond van
artikel 67 van
de Anw
geregeld dat de
leeftijdsgrens vervalt. Dit betekent dat alle voormalig AWW-ers per 1
januari 1998 in beginsel een inkomensonafhankelijk uitkeringsdeel ter hoogte
van 30% minimumloon behouden. Voor de volledigheid zij
vermeld dat dit uitkeringsdeel eindigt als de nabestaande een
gezamenlijke huishouding gaat voeren of hertrouwt, of als de partner waarmee
wordt samengewoond, overlijdt en daardoor een nieuw uitkeringsrecht
ontstaat.
rblz.|7|
Het bepaalde in de
ministeriële regeling is om redenen van overzichtelijkheid ook in dit wetsvoorstel
opgenomen. Datzelfde geldt voor de daarin geregelde bepalingen ten
aanzien van de gezamenlijke huishouding. Na inwerkingtreding van deze
wet zal de ministeriële regeling worden ingetrokken.
2.4. Andere wijzigingen
a. Einde halfwezenuitkering
Volgens de huidige
wetgeving eindigt de halfwezenuitkering als de nabestaande of de
verzorger 65 jaar wordt. Achterliggende gedachte hierbij is dat de
halfwezenuitkering meestal gecombineerd wordt met de nabestaandenuitkering;
als de nabestaande 65 wordt, ontvangt deze een AOW-uitkering ter hoogte
van 90% minimumloon (artikel 9,
eerste lid, onderdeel c; sociaal
minimum eenoudergezin). Betrokkene zit dan zowel vóór het 65ste jaar
(nabestaandenuitkering 70% en halfwezenuitkering 20% minimumloon) als daarna
op het relevante sociaal minimum.
Naast de sociaalminimumgarantie die de halfwezenuitkering heeft, heeft deze uitkering echter nog
een doelstelling, namelijk het bieden van een "verzorgingsuitkering".
Dit doel komt meer in beeld indien de nabestaande geen
nabestaandenuitkering ontvangt door de inkomenstoets of doordat hij hertrouwd
is, of als een ander dan de overgebleven ouder voor de halfwees
zorgt. In het laatste geval is het minder gewenst dat de halfwezenuitkering
eindigt bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd. Gedacht kan bijvoorbeeld
worden aan de situatie dat grootouders voor een halfwees zorgen. Om
die reden wordt thans geregeld dat de halfwezenuitkering alleen
eindigt als de nabestaande een AOW-uitkering ter hoogte van 90%
minimumloon ontvangt.
b. Halfwezenuitkering ten
behoeve van personen die halfwees zijn geworden onder de AWW en
waarvan de overgebleven ouder niet bijdraagt aan de
verzorging en opvoeding
Het gaat hierbij om de
volgende situatie. Een kind is halfwees geworden vóór 1 juli 1996. In de
meeste gevallen zal de situatie dan zo zijn dat dit kind bij de overlevende
ouder woont, die een AWW-pensioen ontving. Er zijn echter ook gevallen
waarin een dergelijke halfwees door een ander wordt opgevangen, bijvoorbeeld een familielid, omdat de overlevende
ouder niet in staat is
het kind te verzorgen. In beginsel zal de overlevende ouder in zo’n situatie
op grond van zijn wettelijke onderhoudsplicht een financiële bijdrage leveren aan de verzorger van de
halfwees. Er zijn
echter ook situaties
denkbaar dat de overlevende ouder geen substantiële financiële bijdrage
levert, omdat hij onvindbaar is, geen contact heeft met het kind dan wel geen
financiële bijdrage hoeft te leveren gezien zijn inkomen. Gezien het feit
dat in het laatste geval de verzorger verantwoordelijk is voor alle
onderhoudskosten van het kind, zonder daartoe wettelijk verplicht te zijn, en
gezien het feit dat onder de Anw
voor een dergelijke halfwees wel recht op
halfwezenuitkering zou bestaan voor de verzorger, wordt in dit wetsvoorstel
geregeld dat voor dergelijke halfwezen ook recht op halfwezenuitkering
bestaat, met terugwerkende kracht vanaf 1 juli 1996.
Concreet gaat het om het
volgende: een kind, halfwees geworden vóór 1 juli 1996, wordt door een
ander dan de overlevende ouder verzorgd. De overlevende ouder heeft
al geruime tijd vóór het overlijden van de andere ouder geen substantiële
bijdrage geleverd aan de verzorging en opvoeding van het kind,
niet in financiële zin en niet anderszins, doet dit niet na het overlijden en
zal dit naar verwachting ook niet gaan doen. De verzorger van het kind
zal dit aannemelijk moeten maken. Dit kan bijvoorbeeld door een rechterlijke uitspraak te overleggen waaruit blijkt
dat de overlevende ouder
geen bijdrage hoeft te betalen, of een verklaring rblz.|8|
dat de overlevende ouder
niet voldoet aan zijn door de rechter opgelegde alimentatieverplichting.
Het kan voorts zijn dat
de overlevende ouder niet op zijn verplichtingen kan worden aangesproken
omdat zijn verblijfplaats onbekend is. Het kan dan veelal niet van de
verzorger gevergd worden dat hij zelf naspeuringen verricht naar de
verblijfplaats. In die gevallen behoort het tot de taak van de SVB
om hiernaar
een
onderzoek in te stellen. Ook in bepaalde andere gevallen kan niet van de
verzorger gevergd worden dat hij de overlevende ouder aanspreekt op diens
verplichtingen, bijvoorbeeld als er sprake is van een ernstig en onverzoenlijk conflict tussen de overlevende ouder en
het kind of de verzorger
rond levensovertuiging en cultuur, of ernstig fysiek of geestelijk
geweld van de overlevende ouder.
Indien de overlevende
ouder wel een financiële bijdrage betaalt in één van de hiervoor geschetste
situaties, maar deze is lager dan de halfwezenuitkering, wordt de
halfwezenuitkering met dat bedrag verlaagd. Op die manier wordt bereikt dat
de verzorger in ieder geval een bedrag ontvangt dat overeenkomt met de
hoogte van de halfwezenuitkering.
Voor de duidelijkheid zij
vermeld dat voor het recht op halfwezenuitkering voor een kind dat
halfwees is geworden onder de AWW, aanvullende eisen worden gesteld
vergeleken met het recht op halfwezenuitkering voor een kind dat
halfwees is geworden na inwerkingtreding van de Anw.
3. Financiële gevolgen
De kosten van toekenning
van een 30%-uitkering aan nabestaanden met een recht verkregen vóór
1 juli 1996 en geboren op of na 1 januari 1941 worden geraamd ƒ113
miljoen voor 1998 en respectievelijk ƒ107, ƒ101 en ƒ96 miljoen voor de drie
daaropvolgende jaren. Structureel zijn er geen kosten.
De uitbreiding van de
tijdelijke overgangsregeling bij overlijden van de partner op of na 1 juli
1999 kost naar verwachting in 1999 ƒ1 miljoen, in 2000 ƒ2 miljoen
en in 2001 ƒ3 miljoen. Structureel geeft de uitbreiding geen extra
kosten.
Het toekennen van een
herlevingsperiode na het beëindigen van het uitkeringsrecht bij het
gaan voeren van een gezamenlijke huishouding kost rond de ƒ1 miljoen
per jaar, ook structureel.
De budgettaire gevolgen
van het toekennen van een uitkering bij een zorgrelatie met een
hulpbehoevende zijn tentatief geraamd op ƒ5 miljoen per jaar en ook ƒ5 miljoen
structureel.
De kosten van de overige
voorstellen zijn verwaarloosbaar, daar het slechts om kleine
aantallen nabestaanden gaat.
Samengevat [bedragen in miljoen
gulden, red.]:
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
1998 |
1999 |
2000 |
2001 |
Structureel |
| 30-%-uitkering |
113 |
107 |
101 |
96 |
0 |
| Tijdelijke
overgangsregeling |
vv0 |
vv1 |
vv2 |
v3 |
0 |
| Herlevingsperiode |
vv1 |
vv1 |
vv1 |
v1 |
1 |
| Zorgrelaties |
vv5 |
vv5 |
vv5 |
v5 |
5 |
De kosten van het totale
pakket aan maatregelen in het kader van de Anw
worden gedekt uit de
opbrengsten van het voorstel van Wet beperking export
uitkeringen.
rblz.|9|
Artikelsgewijze toelichting
Artikel I
Onderdeel A (artikel 1
van de Anw)
In
dit onderdeel wordt in
onderdeel f van artikel 1 van de Anw
een uitbreiding gegeven van
de term halfwees en worden tevens twee nieuwe definities aan het
artikel toegevoegd, namelijk de definitie van hulpbehoevende en van gezamenlijke
huishouding ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende.
Deze laatste begrippen zijn van belang bij de gevolgen die de Anw
verbindt aan de situatie dat een nabestaande een gezamenlijke huishouding
voert (bijvoorbeeld in de artikelen 15 en 16 van de
Anw).
Ten aanzien van de
uitbreiding van het begrip halfwees kan, in aanvulling op paragraaf
2.4, onder b, van
het algemeen gedeelte van deze toelichting nog het volgende worden
opgemerkt. Het gaat hier om een kind dat vóór 1 juli 1996 halfwees is
geworden. Bedoeld wordt ten behoeve van een aantal van deze kinderen een
voorziening te treffen, namelijk voor die kinderen die al geruime tijd vóór
het overlijden van de ene ouder niet door de overlevende ouder zijn
verzorgd en opgevoed en waarin door het overlijden van die ene
ouder geen wijziging is gekomen. Dit betekent dat dit kind na het
overlijden van die ene ouder bij derden verblijft. Om te voorkomen dat deze derden
volledig dienen te voorzien in de kosten voor de opvoeding en
verzorging van dat kind, daar de overblijvende ouder hiertoe geen
substantiële bijdrage levert, kunnen ook verzorgers (voor de halfwezenuitkering worden
ook deze personen als nabestaande aangemerkt (artikel
22, tweede lid, van de Anw)) aanspraak maken op een
halfwezenuitkering.
In
artikel 1, onderdeel k,
van de Anw
wordt de term hulpbehoevende geïntroduceerd. Onder hulpbehoevende wordt verstaan de persoon die
vanwege ziekte of één of
meer stoornissen van lichamelijke, verstandelijke of geestelijke aard
blijvend niet in staat is een eigen huishouding te voeren daar hij dagelijks
is aangewezen op intensieve zorg van anderen. De term "zorg" dient in
dit verband ruim te worden opgevat. Er dient bijvoorbeeld tevens onder
te worden verstaan begeleiding.
Als hulpbehoevend kunnen
daarom bijvoorbeeld worden aangemerkt personen die:
1. (ernstig) beperkt
zijn in de communicatie met anderen;
2. zich zonder hulp van
anderen binnenshuis niet of nauwelijks en buitenshuis niet kunnen
verplaatsen;
3. zonder hulp van
anderen niet of nauwelijks in staat zijn de algemeen gebruikelijke dagelijkse
levensverrichtingen uit te voeren (zich aan- en uit te kleden, zich te
wassen, te eten, te drinken en naar het toilet te gaan);
4. verstandelijk
gehandicapt zijn (bijvoorbeeld syndroom van Down); of
5. slechts bij intensief
en regelmatig medicijngebruik in staat zijn permanent zelfstandig te
wonen, doch door ontkenning van hun ziekte deze medicijnen niet of
onvoldoende gebruiken (bijvoorbeeld manische depressiviteit, schizofrenie)
Voor alle duidelijkheid:
dit is geen limitatieve opsomming. De aanwezigheid van een ziekte of
stoornis op zich is dan ook niet voldoende om als hulpbehoevende te worden
aangemerkt. Dit is individueel bepaald.
Het is derhalve dan ook
niet de bedoeling dat alle personen die een beperkt aantal uren per
week thuishulp (nodig) hebben onder de definitie van hulpbehoevende
vallen. Deze personen zijn in het algemeen, weliswaar met enige hulp,
in staat blijvend een eigen huishouding te rblz.|10|
voeren. Hierbij zal
immers in het algemeen geen sprake zijn van intensieve zorg.
In de praktijk zal dit
betekenen dat een hulpbehoevende een persoon is die ook in een op de AWBZ
gebaseerde instelling opgenomen zou kunnen worden, maar daar om hem
of haar moverende redenen van afziet of voor opname in een dergelijke
instelling op een wachtlijst staat.
Naast de term
hulpbehoevende wordt de term gezamenlijke huishouding ten behoeve van de
verzorging van een hulpbehoevende in de Anw
geïntroduceerd.
Hieronder wordt verstaan de situatie dat een nabestaande een gezamenlijke
huishouding voert met een hulpbehoevende indien de nabestaande of de
overleden verzekerde een huishouding is gaan voeren met het doel de
hulpbehoevende te gaan verzorgen, of de situatie dat een nabestaande die zelf
hulpbehoevend is een gezamenlijke huishouding voert met een ander om
door die ander te worden verzorgd. Naast het feit dat er sprake moet zijn
van een hulpbehoevende is het van belang dat het (in het verleden) samen
in een woning gaan wonen (door de overleden verzekerde vóór diens
overlijden of de nabestaande) gebeurd is met het oog op de verzorging van
die hulpbehoevende. Voor de volledigheid wordt hier nog opgemerkt
dat de hier bedoelde nabestaanden aanspraak hebben op een nabestaandenuitkering van 50% van het
nettominimumloon
(zie onderdeel F, wijziging van artikel 17 van de
Anw).
Gelet op de naar
verwachting beperkte groep van nabestaanden die van de regeling (recht
krijgen respectievelijk recht behouden op een deel van de nabestaandenuitkering)
gebruik zal maken en de expertise (in verband met de uitvoering van
andere regelingen) die op dit punt reeds bij de Sociale Verzekeringsbank
(SVB) bestaat, wordt de SVB bij het bepalen of een persoon als
hulpbehoevende in de zin van deze wet kan worden aangemerkt de vrijheid
gegeven een eigen uitvoeringsbeleid te voeren. Deze beleidsvrijheid is
noodzakelijk daar het niet mogelijk blijkt een eenduidige definitie van
hulpbehoevende te treffen. Om deze reden is volstaan met een algemene
definitie. Nader uitvoeringsbeleid is bijvoorbeeld noodzakelijk ten aanzien
van de vraag op welke wijze bepaald wordt of er sprake is van een hulpbehoevende en of het doel van de gezamenlijke
huishouding bij de
aanvang van de huishouding is geweest het verzorgen van die
hulpbehoevende. Op grond van artikel 37 van de
Anw
(zie artikel I, onderdeel
M van dit wetsvoorstel) kan de SVB de hulpbehoevende aan een geneeskundig
onderzoek onderwerpen om te beoordelen of er sprake is van
hulpbehoevendheid.
Onderdeel B (artikel 3
van de Anw)
In dit onderdeel wordt
aan artikel 3 een nieuw lid toegevoegd. Artikel 3 bepaalt in welke gevallen
men mede als gehuwd of als echtgenoot wordt aangemerkt. Dit is het
geval indien de ongehuwde meerderjarige met een andere ongehuwde
meerderjarige een gezamenlijk huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Deze uitzondering
tot bloedverwanten in de
eerste graad wordt thans als te beperkt ervaren. Een nabestaande die
achterblijft met een eigen kind van de overledene dat geen eigen kind van
hem is, heeft als gevolg hiervan geen aanspraak op een
nabestaandenuitkering. De toevoeging van een nieuw zevende lid aan artikel 3 voorziet in
de uitbreiding van het begrip bloedverwant in de eerste graad: ook een
meerderjarig aangehuwd of voormalig pleegkind van de nabestaande of een
meerderjarig eigen, aangehuwd of voormalig pleegkind van de
overleden verzekerde of van de persoon die met de nabestaande een
gezamenlijke huishouding voert, wordt aangemerkt als bloedverwant in de eerste
graad.
Dit betekent ten aanzien
van het hier bedoelde kind van de nabestaande of rblz.|11|
van de verzekerde dat een
nabestaande die samenwoont met een meerderjarig eigen,
aangehuwd of voormalig pleegkind van de overleden verzekerde of een
meerderjarig aangehuwd of voormalig pleegkind van hemzelf geen gezamenlijke huishouding voert en dus aanspraak krijgt op
een nabestaandenuitkering (artikel 14 en 15) of aanspraak behoudt op een nabestaandenuitkering
(artikel 16) of dat zijn nabestaandenuitkering met ingang van 1 januari 1998
niet wordt verminderd tot 30% van het nettominimumloon (artikel
67).
Ten aanzien van het hier
bedoelde kind van de persoon die een gezamenlijke huishouding gaat voeren
met de nabestaande betekent dit dat de nabestaandenuitkering ook
eindigt indien de nabestaande een gezamenlijke huishouding gaat voeren
met een nieuwe partner die tevens een meerderjarig eigen, aangehuwd of voormalig pleegkind in die
huishouding inbrengt.
Zonder de hier bedoelde toevoeging zou deze huishouding als
meerpersoonshuishouding kunnen worden aangemerkt en zou de nabestaandenuitkering eerst eindigen op het moment dat het
kind het huishouden
verlaat. Voor deze laatste categorie nabestaanden kan dit, gelet op de
inwerkingtredingsdatum van deze wet, leiden tot
beëindiging van de
uitkering op een datum gelegen tussen de inwerkingtreding van de Anw
en deze nieuwe
bepaling. In verband hiermee is in artikel IV [zie
artikel V van de wet,
red.] een
overgangstermijn opgenomen.
Ter toelichting op de
term meerderjarig voormalig pleegkind wordt ten slotte opgemerkt dat
een pleegkind vanaf het moment van het bereiken van de
meerderjarigheid strikt genomen geen pleegkind meer is. Om deze reden is gekozen
voor de term meerderjarig voormalig pleegkind.
Onderdelen
C, D en E
(artikelen 14, 15 en 16 van de Anw)
In
onderdeel
D worden
aan artikel 15, eerste lid, van de Anw
twee nieuwe onderdelen
toegevoegd. Geen recht op een nabestaandenuitkering heeft de nabestaande die
een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een
gezamenlijke huishouding ten behoeve van de verzorging van een
hulpbehoevende (het nieuwe onderdeel d). Analoog aan artikel 16 wordt, ook
in de jurisprudentie, aangenomen dat indien de nabestaande vanaf het
moment van overlijden van de verzekerde een gezamenlijke huishouding
voert (als gevolg van het overlijden van een persoon in een
driepersoonshuishouden ontstaat een tweepersoonshuishouden) geen recht op een
nabestaandenuitkering ontstaat. Nu in de Anw
de mogelijkheid wordt
geïntroduceerd dat een niet-ontstane uitkering alsnog op een
later moment kan ontstaan of een geëindigde nabestaandenuitkering
weer kan herleven indien er geen sprake meer is van een gezamenlijke huishouding dan wel,
ingeval er sprake is van een
gezamenlijke huishouding
met een hulpbehoevende, er toch aanspraak bestaat op een
nabestaandenuitkering, wordt het wenselijk geacht meer expliciet in de wet
vast
te leggen in welke gevallen er geen recht op een nabestaandenuitkering
bestaat indien er sprake is van een gezamenlijke huishouding. Onderdeel D
voorziet daarin.
In onderdeel E, onder 1,
wordt in verband met het voorgaande aan artikel
16, eerste lid, onderdeel b, van de Anw
een zinsnede toegevoegd zodat het recht op een
nabestaandenuitkering niet eindigt indien de nabestaande een
gezamenlijke huishouding ten behoeve van de verzorging van een
hulpbehoevende voert.
Het nieuwe onderdeel e
van artikel 15, eerste lid, van de Anw
(onderdeel D) ziet op de situatie
dat de nabestaande wederom nabestaande wordt, doch nu door het
overlijden van de hulpbehoevende met wie hij een gezamenlijke huishouding
ten behoeve van de verzorging van die hulpbehoevende voerde. In
deze situatie ontstaat nu geen nieuw recht op een
nabestaandenuitkering. Deze bepaling is met name van belang voor voormalig AWW-ers
die niet
onder artikel 67 van de Anw
vallen. Artikel 67 rblz.|12|
voorziet immers onder
andere in een overgangsbepaling ten behoeve van personen die zowel op de
dag van inwerkingtreding van de Anw als op 31 december 1997 een
gezamenlijke huishouding voeren. Voor nabestaanden die wel op
de dag van inwerkingtreding van de Anw, doch niet op 31 december 1997
een gezamenlijke huishouding ten behoeve van de verzorging van een
hulpbehoevende voerden of deze op geen van beide data voerden (doch
wel in de tussenliggende periode), ontstaat na het overlijden van de
hulpbehoevende een nieuw recht op een nabestaandenuitkering.
Dit nieuwe recht kan ongunstiger zijn. Voor voormalig AWW-ers betekent
het feit dat geen nieuw recht ontstaat dat zij onder de werking van artikel
67 van de Anw
blijven vallen.
Voor de volledigheid
wordt hier nog opgemerkt dat een persoon die geen nabestaande is en die een
gezamenlijke huishouding voert met een hulpbehoevende, na het
overlijden van die hulpbehoevende wel recht kan krijgen op een
nabestaandenuitkering op grond van de Anw. Deze persoon wordt immers nabestaande in de zin van de
Anw.
In
onderdeel C worden aan
artikel 14 van de Anw
twee nieuwe leden toegevoegd.
Het nieuwe vierde lid
regelt het op een later moment ontstaan van het recht op een
nabestaandenuitkering. Op grond van het nieuwe artikel
15, eerste lid, onderdeel
d,
ontstaat geen recht op een nabestaandenuitkering indien de nabestaande een
gezamenlijke huishouding voert (tenzij het betreft een gezamenlijke
huishouding met een hulpbehoevende). Op grond van het nieuwe
vierde lid van artikel 14 wordt de nabestaande
zes maanden in de gelegenheid
gesteld de huishouding zodanig vorm te geven dat er geen sprake
meer is van een gezamenlijke huishouding. Er kan dan op een later
tijdstip toch een recht op een nabestaandenuitkering ontstaan. In het nieuwe
vijfde lid van artikel 14 wordt de SVB
de bevoegdheid gegeven in
individuele gevallen een langere termijn vast te stellen. Gedacht wordt
aan situaties dat één van de partners van de gezamenlijke huishouding
al wel aantoonbaar andere woonruimte heeft gevonden, maar deze pas na
de termijn van zes maanden kan betrekken.
Onderdeel E
regelt in
artikel 16 dezelfde materie ingeval de nabestaandenuitkering als gevolg van het
voeren
van een gezamenlijke huishouding is geëindigd.
Onderdeel F (artikel 17
van de Anw)
In dit onderdeel wordt in
artikel 17 een nieuw tweede lid ingevoegd. Op grond van het eerste lid
van artikel 17 wordt de nabestaandenuitkering vastgesteld op 70% van
het nettominimumloon. In afwijking van dit lid wordt de
nabestaandenuitkering van personen die een gezamenlijke huishouding voeren ten
behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende vastgesteld op 50% van
het nettominimumloon. De hoogte van de nabestaandenuitkering in
deze situatie is dan gelijk aan de hoogte van andere uitkeringen
(vergelijk bijvoorbeeld de AOW) waarbij door twee personen een gezamenlijke
huishouding wordt gevoerd.
Voor de volledigheid
wordt hier nog opgemerkt dat, indien de hier bedoelde gezamenlijke
huishouding ophoudt te bestaan, de nabestaande, mits hij nog steeds aan
de voorwaarden voor het recht op een nabestaandenuitkering
voldoet, hij (wederom) aanspraak krijgt op een nabestaandenuitkering ter
hoogte van 70% van het minimumloon.
Onderdeel G (artikel 18
van de Anw)
Dit onderdeel corrigeert
een omissie in artikel 18, tweede lid, van de
Anw. Op grond van
artikel 9
van het
Inkomens- en samenloopbesluit Anw wordt bij het bepalen van
het inkomen rekening gehouden met de zogenaamde
overhevelingstoeslag. Om die reden wordt ook bij de rblz.|13|
bepaling van de
vrijlating met deze overhevelingstoeslag rekening gehouden.
Onderdeel H (artikel 24
van de Anw)
Artikel 24 regelt het
einde van het recht op een halfwezenuitkering. Op grond van de huidige
tekst van het tweede lid van artikel 24 eindigt deze uitkering indien de
nabestaande de leeftijd van 65 jaar bereikt. In het algemeen zal de
nabestaande met ingang van dat moment op grond van artikel
9, eerste lid,
onderdeel c, van de AOW een ouderdomspensioen ontvangen voor een
ongehuwde met een kind jonger dan 18 jaar. Er zijn echter ook situaties
denkbaar waarbij de halfwees in het huishouden is opgenomen van gehuwden
(bijvoorbeeld bij de grootouders). Dit onderdeel voorziet in een
zodanige wijziging van artikel 24 dat de halfwezenuitkering pas
eindigt op het moment dat de nabestaande aanspraak krijgt op een bruto-ouderdomspensioen voor ongehuwde pensioengerechtigden met
een kind jonger dan 18 jaar.
Onderdeel I (artikel 25
van de Anw)
Dit onderdeel tot
wijziging van artikel 25 regelt dat de halfwezenuitkering van de
halfwees, bedoeld
in artikel 1, onderdeel f, onder 2, wordt gekort met de financiële
bijdrage die de verzorger van de halfwees ontvangt van de overlevende ouder
waarbij het kind niet woont. Er zijn echter situaties waarbij die overblijvende
ouder voor de verzorger of het kind onvindbaar blijkt te zijn of niet betaalt. De SVB kan in verband hiermee zelf een onderzoek instellen naar
de woon- of verblijfplaats van die overblijvende ouder en om te bepalen of
die een wettelijke onderhoudsplicht heeft.
Indien het korten op de
halfwezenuitkering tot onredelijke resultaten leidt (bijvoorbeeld doordat de
overblijvende ouder, ondanks een rechterlijke veroordeling tot het bijdragen in het onderhoud van het kind, onvindbaar
blijkt te zijn en zijn
onderhoudsplicht niet nakomt), kan de SVB ervan afzien de halfwezenuitkering te
korten met de verschuldigde financiële bijdrage.
Onderdeel J (artikel 26
van de Anw)
Dit onderdeel voorziet in
wijziging van artikel 26 van de Anw
ten behoeve van de situatie dat de
wees, bedoeld in artikel 26, tweede lid, onderdeel c, een gezamenlijke
huishouding voert ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende
(vergelijkbaar met de situatie dat een nabestaande een dergelijke huishouding voert). In dit artikel kan echter niet volstaan
worden met een verwijzing
naar de definitie van gezamenlijke huishouding ten behoeve
van de verzorging van een hulpbehoevende. Deze definitie ziet immers slechts op nabestaanden als bedoeld in de
Anw. In dit artikel is
daarom, uitgaande van bedoelde definitie, een aangepaste definitie
opgenomen. Hierbij is rekening gehouden met de feitelijke omstandigheden
zoals deze zich, voordat het kind wees werd, kunnen hebben voorgedaan:
de overleden verzekerde (één van de ouders van het kind) zal dan een
hulpbehoevende in de huishouding hebben opgenomen; eerst nadat
het kind wees is geworden, zal het zelf een hulpbehoevende in de
huishouding kunnen opnemen.
De tweede situatie zoals
die voor de nabestaande is opgenomen (een nabestaande (in casu zou
dat betekenen een wees) die zelf hulpbehoevende is), is hier niet
overgenomen. Deze wees kan per definitie niet voldoen aan de (andere)
voorwaarde van het eerste lid, onderdeel c, namelijk dat zijn voor
werkzaamheden beschikbare tijd grotendeels in beslag wordt genomen door
het verzorgen van zijn huishouden.
rblz.|14|
Onderdeel K (artikel 31
van de Anw)
Dit onderdeel voorziet in
een technische wijziging in artikel 31 als gevolg van de wijziging in
artikel 17 van de Anw
(onderdeel F).
Onderdeel L (artikel 32
van de Anw)
Dit onderdeel voorziet in
een wijziging van artikel 32 van de Anw. Indien de nabestaandenuitkering
op een lager bedrag dan het standaardbedrag van 70% van het nettominimumloon is vastgesteld, wordt de
vakantie-uitkering over die uitkering naar
evenredigheid ook op een lager bedrag vastgesteld.
Onderdeel M (artikel 37
van de Anw)
Op grond van
artikel 37
van de Anw
kunnen bepaalde personen door de SVB aan een geneeskundig onderzoek worden onderworpen. Hieraan
wordt in dit onderdeel
een categorie toegevoegd, namelijk hulpbehoevenden. Deze toevoeging is
noodzakelijk om te bepalen of er sprake is van een hulpbehoevende en of
daar al sprake van was op het moment dat men (in het verleden) de
huishouding is gaan voeren. Tevens is van de gelegenheid gebruik
gemaakt de redactie van het artikel beter te redigeren.
Onderdeel N (artikel
66a
van de Anw)
Gelet op de voorwaarde in
artikel 66a, tweede lid, onderdeel c, van de Anw
kunnen slechts
personen die gehuwd zijn aanspraak maken op de in dit artikel bedoelde
regeling. Het artikel ziet dus niet op personen die een gezamenlijke huishouding
voeren, maar ook niet op personen die hun partnerschap hebben laten registreren. Ter voorkoming van misverstanden
wordt ten aanzien van
deze laatste categorie in het eerste lid van dit onderdeel, voorzien
in een correctie in onderdeel b van het tweede lid van artikel
66a van de Anw.
Zoals in paragraaf 2.1 van het
algemeen gedeelte van deze toelichting al uiteen is gezet, worden personen
die voldoen aan artikel 66a, tweede lid, van de
Anw
en die vanwege de
gezondheidssituatie van hun echtgenoot geen of slechts tegen
ongunstige voorwaarden een verzekering kunnen afsluiten tegen het ontberen van een nabestaandenuitkering, in de
gelegenheid gesteld zich
bij de SVB te melden voor het geval hun partner op of na 1 juli 1999 komt
te overlijden. Dit onderdeel voorziet in het tweede lid in het treffen
van een delegatiebepaling. In een algemene maatregel van bestuur
zullen de hoogte van een te betalen bijdrage alsmede overige
voorwaarden waaraan dient te worden voldaan, nader worden vastgelegd. Indien
zowel aan artikel 66a als aan de algemene maatregel van bestuur
wordt voldaan, wordt de persoon die geboren is tussen 1 januari 1950 en
1 juli 1956 en die nabestaande wordt op of na 1 juli 1999, aangemerkt als
geboren vóór 1 januari 1950. Deze personen krijgen, onder dezelfde
voorwaarden als andere personen die op of na 1 juli 1996 nabestaanden
zijn geworden, recht op een nabestaandenuitkering.
In deze algemene
maatregel van bestuur zullen tevens regels worden gesteld met betrekking
tot de door de SVB verschuldigde vergoeding aan derden in verband met
door hen gemaakte kosten bij de uitvoering van het besluit. Bedoeld
wordt hier regels te stellen op grond waarvan de SVB verzekeraars een
tegemoetkoming in de kosten kan verstrekken van een medisch onderzoek dat
door hen is verricht bij het beantwoorden van de vraag of betrokkene
onverzekerbaar is. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar paragraaf 2.1
van het algemeen deel van deze toelichting.
rblz.|15|
Onderdeel O (artikel 67
van de Anw)
Zoals in
paragraaf 2.3 van het
algemeen gedeelte van deze toelichting al uiteen is gezet, zijn ten behoeve
van voormalig AWW-ers
op grond van artikel 67, achtste lid, van de Anw
door middel van een ministeriële regeling afwijkende bepalingen
getroffen van artikel 67, eerste tot en met zesde lid, van de
Anw. Daar het
niet
wenselijk is voor langere tijd door middel van een ministeriële
regeling een afwijking van een wettelijke bepaling te treffen, voorziet dit
onderdeel in het omzetten van die regeling in de wet (Anw) zelf.
Kort samengevat zien de
wijzigingen in artikel 67 op de volgende punten: Iedere voormalig AWW-er
geboren vóór of na 1 januari 1941 en al dan niet samenwonend op het moment
van inwerkingtreding van de Anw, behoudt een
nabestaandenuitkering van 30% van het nettominimumloon. Nabestaanden die zowel op
de dag van inwerkingtreding van de Anw als op 31 december 1997 een
gezamenlijke huishouding voeren, krijgen tot en met 30 juni 1998
(herleving van de nabestaandenuitkering uiterlijk met ingang van 1 juni 1998)
de tijd deze samenwoning te beëindigen om zodoende weer aanspraak
te krijgen op een nabestaandenuitkering van 70% van het
nettominimumloon. De datum van 1 juni 1998 is dezelfde datum als die in de
ministeriële regeling was genoemd. Voor deze groep nabestaanden geldt dus
een andere datum dan voor de groep, bedoeld in onderdeel C en
E (artikel
14 en 16) en artikel
III [zie artikel
IV van de wet, red.]. De nabestaanden, bedoeld in artikel
67 van de Anw,
zijn immers reeds, op grond van de ministeriële regeling, in de
gelegenheid gesteld hun volledige uitkering te laten herleven.
Voor de volledigheid
worden op deze plaats nog twee opmerkingen toegevoegd:
Artikel 67 voorziet in
het treffen van een overgangsbepaling. In de aanhef van het eerste lid van
dit artikel is vastgelegd dat de vaststelling van het recht op uitkering dient
te geschieden overeenkomstig de bepalingen van de Anw. Door deze
verwijzing naar de overige bepalingen van de Anw wordt bereikt dat voor onderwerpen die niet expliciet in
artikel 67 van de Anw
zijn vastgelegd een
voorziening is getroffen in andere bepalingen van de
wet. Ten aanzien
van de te gebruiken tariefgroep bij het bruteren van de nabestaandenuitkering die gelijk is aan 30% van het nettominimumloon
dient derhalve te worden
uitgegaan van de tariefgroep 2, die op grond van artikel
17, eerste lid, van de Anw
van toepassing is op de nabestaandenuitkering van
70% van het nettominimumloon.
Onder punt 4 [subonderdeel 4, red.] van dit
onderdeel wordt de gezamenlijke huishouding van voormalig AWW-ers ten
behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende geregeld. Deze
nabestaanden ontvangen een uitkering van 50% van het nettominimumloon.
Voor het gedeelte dat deze uitkering meer bedraagt dan 30% van het
nettominimumloon is wel de inkomenstoets
van het eerste lid,
onderdeel c, van artikel 67 van de Anw
van toepassing.
In aanvulling op het
voorgaande wordt wat betreft het ontstaan van een nieuw recht als bedoeld
in artikel 67, eerste lid, van de Anw in het nieuwe tiende lid een
uitzondering gemaakt. Er ontstaat geen nieuw recht ingeval de gezamenlijke
huishouding ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende eindigt
als gevolg van het overlijden van de hulpbehoevende die niet tevens al
nabestaande was. Als gevolg van deze bepaling blijft een voormalig
AWW-er onder de voorwaarden van artikel 67 vallen.
Ten slotte het nieuwe
elfde lid van artikel 67 van de Anw. Dit lid beoogt dat deel van de
AWW-uitkering dat op grond van het eerste lid van artikel
67 van de Anw
is omgezet
in een halfwezenuitkering te beëindigen indien ten behoeve van de
halfwees, bedoeld in artikel 1, onderdeel f, onder
2º, een
halfwezenuitkering wordt toegekend aan de persoon tot wiens huishouden het kind
behoort. Zonder deze bepaling zou voor twee personen ten behoeve van hetzelfde kind aanspraak op een
halfwezenuitkering rblz.|16|
bestaan. Gelet
op de relatie tussen het kind en de overblijvende ouder ligt het voor de
hand dat de overblijvende ouder dan zijn recht verliest. Met de term
"toegekend" wordt bewerkstelligd dat deze uitkering
niet met terugwerkende
kracht kan worden beëindigd indien het recht op halfwezenuitkering op een
eerder moment ontstaat dan de datum van toekenning ervan. Overigens zal het niet in alle gevallen zo zijn dat de
overblijvende ouder van
de hier bedoelde halfwees een hoge AWW-uitkering ontving.
Onderdeel P
(artikel 71
van de Anw)
Het eerste punt
[subonderdeel 1, red.] is een
technische correctie. Het derde lid ziet immers (door de verwijzingen) op
de wezenuitkering en niet op de nabestaandenuitkering.
Het tweede punt [subonderdeel 2, red.] ziet op
de gezamenlijke huishouding van de wees, bedoeld in artikel
26,
tweede lid, onderdeel c, van de Anw. In verband met het overgangsrecht
eindigt deze uitkering om deze reden niet. Voor een nadere toelichting
wordt verwezen naar de toelichting op onderdeel J
(artikel 26)
Artikel II.
Wijziging Wet
financiering volksverzekeringen
Dit onderdeel
[dit artikel, red.] regelt dat
de bijdragen in verband met de voorziening op grond van artikel
66a van
de Anw
en de hierop gebaseerde bepalingen ten gunste van het
Nabestaandenfonds komen. In punt 2 [subonderdeel 2, red.] wordt bepaald dat de lasten
voortvloeiende uit hoofdstuk 8 van de Anw
en de daarop berustende bepalingen uit
het Nabestaandenfonds worden betaald. Deze laatste toevoeging is
noodzakelijk in verband met de kosten die gemoeid zullen zijn met het
uitvoeren van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel
66a van
de Anw.
Artikel III.
Herleving
nabestaandenuitkering in verband met gezamenlijke huishouding [zie
art. IV van de wet,
red.]
In
artikel I voorziet in
wijziging van de Anw
met ingang van de dag van inwerkingtreding van de Anw. Personen die een gezamenlijke huishouding zijn gaan
voeren op of na 1 juli 1996 en wier nabestaandenuitkering als gevolg hiervan niet
is ontstaan of is geëindigd vóór inwerkingtreding van deze wet tot
wijziging van de Anw zijn derhalve (achteraf gezien) feitelijk niet in
de gelegenheid gesteld hun gezamenlijke huishouding te
beëindigen om zodoende (weer) aanspraak te krijgen op een nabestaandenuitkering. Op grond
van artikel III [zie artikel
IV van de wet, red.] worden deze
personen, tot zes maanden
na inwerkingtreding van deze wet, alsnog in de gelegenheid gesteld hun
gezamenlijke huishouding te beëindigen.
Artikel IV.
Overgangsbepaling in verband met artikel 3, zevende lid, van de Anw [zie
art. V van de wet,
red.]
Dit artikel voorziet in
een overgangsbepaling ten behoeve van nabestaanden die een
huishouding zijn gaan voeren met een nieuwe partner die tevens een
eigen, aangehuwd of pleegkind in de huishouding inbrengt. Dit kan tot
eindiging van het recht op nabestaandenuitkering leiden. Artikel IV [zie
artikel V van de wet,
red.] beoogt
te regelen dat de eindiging van de nabestaandenuitkering eerst geschiedt zes
maanden na inwerkingtreding van deze wet. Voor een verdere
toelichting wordt verwezen naar de toelichting op artikel I, onderdeel
B.
Voor de volledigheid
wordt hier nog opgemerkt dat deze overgangsbepaling niet van toepassing is op
de personen, bedoeld in artikel 67 van de Anw. Deze personen
behouden immers een uitkering van 30% van het minimumloon.
rblz.|17|
Artikel V.
Overgangsbepaling in verband met artikel 67, achtste lid, van de Anw [zie
art. VI van de wet,
red.]
Zoals in het
algemeen
gedeelte van deze toelichting reeds is opgemerkt, is ten behoeve van
voormalige AWW-ers een ministeriële regeling getroffen. Ten behoeve van
wijzigingen in de nabestaandenuitkering van voormalig AWW-ers per 1 januari
1998 zijn door de SVB beschikkingen afgegeven op grond van deze regeling.
Met de inwerkingtreding van deze wet zal de ministeriële regeling
worden ingetrokken. Artikel 67 van de Anw
zal dan zodanig aangepast zijn
dat er aan deze regeling geen behoefte meer bestaat. Om te voorkomen
dat als gevolg van het voorgaande de wettelijke basis aan de
door de SVB genomen beschikkingen komt te ontvallen en dat deze
beschikkingen zullen moeten worden herzien, regelt artikel V [zie
artikel VI van de wet,
red.] dat deze
beschikkingen worden aangemerkt als beschikkingen op grond van artikel
67 van
de Anw
zoals dit artikel luidt na inwerkingtreding van deze wet.
Artikel VI.
Inwerkingtreding [zie
art. VII van de wet,
red.]
In dit artikel wordt
bepaald dat deze wet tot wijziging van onder andere de Anw
terugwerkt tot en met
1 juli 1996, de datum van inwerkingtreding van de Anw. Er zijn dus
nabestaanden die als gevolg hiervan alsnog recht krijgen op een uitkering
en dus na inwerkingtreding van deze wet over de afgelopen jaren een nabetaling zullen ontvangen over die periode.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave
|