|
rblz.|1|
Kamerstukken II
1996-1997, 25 477
Bepalingen
inzake de financiering van de loopbaanonderbreking (Wet
financiering loopbaanonderbreking)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Hoofdlijnen |
| 2 |
Verlof en
vervanging, een afbakening |
| 2.1 |
Inleiding |
| 2.2 |
Verlof |
| 2.3 |
Vervanging |
| 3 |
De
loopbaanonderbrekingsfinanciering en de doelgroepen |
| 3.1 |
De hoogte en de
status van de loopbaanonderbrekingsfinanciering |
| 3.2 |
De
verlofganger |
| 3.3 |
De
werkgever |
| 3.4 |
De
vervanger |
| 4 |
De
organisatie van de uitvoering |
| 4.1 |
De
uitvoeringsinstantie |
| 4.2 |
Financieringsstructuur
/ toezicht |
| 5 |
De wet op de
loopbaanonderbrekingsfinanciering in relatie tot andere wettelijke
regelingen |
| 5.1 |
Loopbaanonderbrekingsfinanciering in relatie tot de Algemene bijstandswet |
| 5.2 |
Samenloop met andere
vormen van gesubsidieerde arbeid |
| 6 |
Loopbaanonderbrekingsfinancieringsregelingen in het buitenland |
| 7 |
Budgettaire
gevolgen en macro-economische effecten |
| 7.1 |
Budgettaire effecten
voor de collectieve sector |
| 7.2 |
Bedrijfseffecten |
| 7.3 |
Macro-economische
(werkgelegenheids)effecten |
| 8 |
Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid |
|
xArtikelsgewijs |
| xxx |
Artikelen
1 t/m 17 |
Algemeen deel
1.
Hoofdlijnen
Het
kabinet constateert dat werknemers in toenemende mate behoefte hebben
aan mogelijkheden om hun loopbaan voor een kortere of langere periode te
onderbreken. Naarmate mannen en vrouwen in gelijkere mate deelnemen aan de
arbeidsmarkt groeit de behoefte aan arrangementen om de tijd voor arbeid en
die voor andere verantwoordelijkheden flexibeler en op maat in
te delen. De strikte scheiding tussen betaalde arbeid en onbetaalde
activiteiten, die bovendien grotendeels parallel liep met het onderscheid
tussen mannen en vrouwen, is aan het verdwijnen. Een betere verdeling van
betaalde en onbetaalde activiteiten zal, zo is eerder ook door de
Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO)
vastgesteld, de potentiële arbeid doen groeien, een beter gebruik van het
menselijk kapitaal bevorderen, de seksegelijkheid vergroten en de kwaliteit
van het leven verbeteren. Sociale en economische doelstellingen gaan zo
hand in hand.¹
In het regeerakkoord van
dit kabinet is een aantal kabinetsdoelstellingen geformuleerd die in dit
verband van belang zijn. Dit zijn:
* de verruiming van de
arbeidsdeelname;
* het stimuleren van meer
flexibiliteit en variatie in arbeidspatronen gedurende de hele
levensfase;
* de activering van de
werking van het sociale stelsel;
* het scheppen van ruimte
voor geëmancipeerde en economisch zelfstandige burgers.
1. "Shaping structural
change; the role of women, Report by a high
level group of experts to the secretary-general", OESO 1991.
In de nota
"Om de
kwaliteit van Arbeid en Zorg, investeren in verlof" van 5 september 1995
(Kamerstukken II 1994-1995 24 332, nrs. 1-2) heeft het kabinet aangegeven
langs drie lijnen verlof te willen stimuleren en daarmee een bijdrage te
willen leveren aan een organisatie van de arbeid die werknemers meer mogelijkheden biedt in verschillende levensfasen
volwaardig te
participeren en waarin sprake is van een hoogwaardig en flexibel arbeidsbestel.
Het kabinet heeft een aantal belangrijke voornemens uit deze nota bij brief van 21 mei 1996 voor advies
voorgelegd aan de
Stichting van de Arbeid en de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid. (Kamerstukken II
1995-1996, 24 332, nr. 10). De rblz.|2|
primaire
verantwoordelijkheid voor het inrichten van de (nieuwe) organisatie van de arbeid
ligt bij sociale partners. Waar de nieuwe vormgeving van de
organisatie van de arbeid raakt aan belangen die niet exclusief in deze sfeer
liggen (educatief verlof, zorgtaken gericht op kinderen en ouderen,
herverdeling van betaalde en onbetaalde arbeid), kan er ook reden zijn
voor de overheid in ondersteunende zin een bijdrage te leveren. In de
adviesaanvrage is onder meer aangegeven onder welke voorwaarden het kabinet
bereid is door middel van een financiële bijdrage te bevorderen dat
werknemers en werkgevers verlofafspraken maken. Vanuit het gegeven dat
werkloosheid mede veroorzaakt wordt door een vanwege meerdere redenen te groot geworden afstand tot de arbeidsmarkt,
is die bijdrage te
overwegen naarmate hiermee de arbeidsinpasbaarheid van werkzoekenden kan
worden bevorderd zonder dat een opwaartse druk op de collectieve lasten ontstaat. Geïnspireerd door de
Belgische Wet op de
loopbaanonderbreking zijn bij de adviesaanvrage de contouren van een
mogelijke Nederlands invulling van een financiële bijdrage aangereikt. Een
model dat verlof zal stimuleren en tegelijkertijd aanzienlijke kansen kan
bieden aan degenen die nu nog ongewenst buiten het arbeidsproces staan.
Een model ook dat kan bijdragen aan een hoogwaardig en flexibel
arbeidsbestel en waarmee tevens kan worden bijgedragen aan kabinetsdoelstellingen op het terrein van werkgelegenheid
en emancipatie.
Op 18 maart 1997 heeft de
Stichting van de Arbeid over de voorstellen advies uitgebracht. De
Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid adviseerde op 18 december
1996. Van groot gewicht is dat sociale partners unanimiteit
hebben kunnen bereiken. Die unanimiteit beperkt zich niet tot de visie op
die nieuwe organisatie van de arbeid, die meer ruimte biedt voor
differentiatie en flexibiliteit en maatwerk, meer ruimte ook om de arbeidssituatie
af te stemmen op de wensen van werkgever en werknemer. Eveneens is
unanimiteit bereikt in de concrete adviezen op onderdelen. Voor het
kabinet was dit een belangrijk gegeven waaraan hij niet voorbij heeft willen
gaan. In de brief van 29 april 1997 heeft het kabinet de Stichting van
de Arbeid, de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid en de Tweede Kamer
geïnformeerd over de besluitvorming betreffende het advies
van de Stichting van de Arbeid en de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid.
Daarin is onder meer aangegeven dat het kabinet het advies van de
Stichting van de Arbeid zal volgen en een regeling voor loopbaanonderbreking zal introduceren.
Het voorliggende
wetsvoorstel regelt de uitwerking van de financiering van loopbaanonderbreking.
Ter ondersteuning van afspraken die een werknemer met zijn
werkgever maakt over langerdurend voltijd- of deeltijdverlof om reden van zorg
of educatie, wordt in het voorliggende wetsvoorstel geregeld
onder welke voorwaarden aan de verlofganger die tijdens deze
loopbaanonderbreking wordt vervangen door een uitkeringsgerechtigde werkloze of herintredende
werknemer een financiële tegemoetkoming zal worden verleend: de
loopbaanonderbrekingsfinanciering.
Verlof en vervanging zijn
de kernvoorwaarden waaraan moet zijn voldaan alvorens een loopbaanonderbrekingsfinanciering zal worden
verstrekt.
Verlofafspraken kunnen, conform het geldende recht waarin het onderhavige wetsvoorstel
geen verandering brengt, gebaseerd zijn op een wettelijk recht (ouderschapsverlof), een afspraak in een collectieve
arbeidsovereenkomst of
kunnen zijn overeengekomen in het overleg tussen een individuele
werkgever en werknemer. De kring van verlofgangers die in beginsel in aanmerking kan komen voor financiering is
afgebakend tot werknemers
die ten minste één jaar in dienst zijn van een werkgever en met hem een
voltijd- of deeltijdverlof hebben rblz.|3|
afgesproken dat ten
minste twee maanden en ten hoogste zes maanden duurt. In geval van
verlof ten behoeve van het begeleiden van een persoon in de terminale
fase (palliatief verlof) kan ook een verlof van minder dan twee maanden
in aanmerking komen voor financiering.
De vraag of een werkgever
een verlofganger gedurende het verlof wil vervangen, en zo ja, op
welke wijze dat gebeurt, is én blijft een vraag die door de
arbeidsorganisatie zelf beantwoord moet worden. Een loopbaanonderbrekingsfinanciering
zoals hierna wordt
beschreven, zal echter alleen ten goede komen aan die
verlofgangers waarvoor de werkgever een uitkeringsgerechtigde
werkloze of een herintreder (in de zin van de regeling) als vervanger
heeft aangesteld, dan wel bij hem is gedetacheerd. De vervanger hoeft daarmee niet op dezelfde functie als de verlofganger
te worden aangesteld,
maar wel voor ten minste dezelfde periode en omvang als de plaats die
de verlofganger tijdelijk vrijmaakt. De aanstelling dient ten minste
achttien uur per week te bedragen, ook als de
verlofganger voor minder
dan achttien uur per week verlof opneemt. Een (voltijd)vervanger mag
echter ook meerdere (deeltijd)verlofgangers tegelijk vervangen. De
eis blijft dan dat de totale omvang van de vervanging ten minste
gelijk moet zijn aan de totale omvang van het verlof. Op deze eis van
vervanging is een uitzondering gemaakt voor de verlofganger met
palliatief verlof. Deze komt voor een periode van maximaal twee maanden ook
zonder dat hij vervangen wordt in aanmerking voor
loopbaanonderbrekingsfinanciering. Verlof kan gedurende een loopbaan
meerdere keren nodig zijn. Na een tussenpoze van minimaal één jaar kan
een verlofganger daarom opnieuw in aanmerking komen voor
financiering.
In
hoofdstuk 2 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting zal eerst worden
beschreven wat onder de kernvoorwaarden van de
loopbaanonderbrekingsfinanciering,
te weten verlof om reden van zorg of educatie en vervanging,
wordt verstaan.
In hoofdstuk 3 zal nader
worden ingegaan op de doelgroepen die in de wettelijke regeling zijn
te onderscheiden: de verlofgangers, de werkgevers en de vervangers. Ook de
status en de hoogte van de loopbaanonderbrekingsfinanciering komt in dit
hoofdstuk aan de orde.
In hoofdstuk 4 wordt de
organisatie van de uitvoering door het Landelijk instituut sociale
verzekeringen beschreven.
In hoofdstuk 5 is de
onderhavige wettelijke regeling in relatie tot andere uitkeringsregelingen
geplaatst.
Vergelijkbare
buitenlandse regelingen (België, Denemarken en Finland) worden in hoofdstuk
6
beschreven.
In hoofdstuk 7 zijn de
budgettaire gevolgen van de regeling neergelegd, voor de collectieve
sector en de bedrijfseffecten. Ook de macro-economische (inclusief de
werkgelegenheids)effecten worden daarin beschreven.
In hoofdstuk 8 is de
toets op de uitvoerbaarheid en de handhaafbaarheid neergelegd.
In deel II is de artikelsgewijze toelichting bij
het onderhavige wetsvoorstel opgenomen.
Het wetsvoorstel is voor
advies voorgelegd aan het Landelijk instituut sociale verzekeringen en
het College van toezicht sociale verzekeringen. De ontvangen
adviezen ¹ zijn, samen met het advies dat de Raad van State uitbracht, daar waar aan
de orde, verwerkt in de nu voorliggende toelichting.
1. Ter inzage gelegd bij
de afdeling Parlementaire Documentatie.
rblz.|4|
2. Verlof en
vervanging, een afbakening
2.1. Inleiding
Verlof en vervanging zijn
de kernvoorwaarden waaraan moet zijn voldaan alvorens een loopbaanonderbrekingsfinanciering wordt verstrekt.
Werknemers kunnen verlof
opnemen ten behoeve van verschillende doeleinden. Verlof kan in
verschillende fasen in een mensenleven nodig kan zijn, al naar gelang
de levensfase waarin men verkeert. Loopbaanonderbrekingsfinanciering komt uitsluitend ten
goede aan langerdurend verlof van enige omvang, opgenomen ten behoeve van het verlenen van
zorg in de brede zin van
het woord (ouderschapsverlof, zorgverlof, palliatief verlof,
adoptieverlof) of ten behoeve van educatie, waarbij het laatste alle activiteiten
die een verbetering van de arbeidskwalificatie van werknemers beogen, omvat.
In dit hoofdstuk zal worden ingegaan op de lengte en de omvang van
het verlof alsmede op de verlofdoelen zorg en educatie.
De vraag of de
verlofganger wordt vervangen en op welke wijze dat gebeurt, is een vraag die
de arbeidsorganisatie zelf dient te beantwoorden. Om voor
loopbaanonderbrekingsfinanciering in aanmerking te komen, is echter vervanging een
vereiste. In dit hoofdstuk zal eveneens de kring van vervangers worden afgebakend en zullen de voorwaarden die aan de
vervanging worden gesteld,
worden beschreven. Op deze eis van vervanging wordt in de
regeling één uitzondering gemaakt. Verlofgangers die palliatief verlof
opnemen, kunnen in aanmerking komen voor maximaal twee maanden
loopbaanonderbrekingsfinanciering, ook als de werkgever geen vervanger
heeft aangesteld. Op deze uitzondering ten behoeve van het
palliatief verlof wordt eveneens in dit hoofdstuk nader ingegaan.
2.2. Verlof
Kenmerkend voor verlof is
dat de arbeidsovereenkomst in stand blijft en op zich ongewijzigd
blijft. Tenzij er andere afspraken zijn gemaakt, is de werknemer gehouden na
afloop van het verlof weer voor het oorspronkelijk aantal uren te gaan
werken. Tijdens het verlof wordt alleen de verplichting van de
werknemer tot het verrichten van arbeid tijdelijk opgeschort. Daaraan
verbonden vervalt ook tijdelijk de verplichting van de werkgever om loon te
betalen. De onderhavige wet brengt in deze kenmerken van verlof geen
wijziging.
De
loopbaanonderbrekingsfinanciering wordt alleen toegekend voor verlof. Wordt het verlof
tussentijds afgebroken omdat de verlofganger weer arbeid gaat
verrichten, al dan niet in dienstbetrekking en ongeacht het aantal uren, dan
eindigt de loopbaanonderbrekingsfinanciering.
Als tijdens het verlof de
arbeidsovereenkomst eindigt, op welke wijze dan ook, dan is er geen
sprake meer van verlof en eindigt ook de
loopbaanonderbrekingsfinanciering.
Gedurende de opzegtermijn bestaat de arbeidsovereenkomst
nog wel en kan er dus ook nog sprake zijn van verlof.
2.2.1. De omvang en de
lengte van het verlof
De
loopbaanonderbrekingsfinanciering beoogt een financiële bijdrage te geven aan langerdurend
verlof om reden van zorg of educatie van enige omvang. Voor
financiering komen daarom alleen verlofgangers (voltijders en
deeltijders) in aanmerking die voor ten minste de helft van hun arbeidsduur verlof op
nemen.
Financiering is voorts
beperkt tot het verlof dat ten minste twee maanden en ten hoogste
zes maanden duurt. De minimumtermijn van twee maanden is ingegeven
door de aanname dat voor het vervullen van rblz.|5|
bepaalde activiteiten een
verlof van twee maanden al toereikend is. Het stellen van een
maximumtermijn is in de eerste plaats ingegeven vanuit de intentie om het risico
op mogelijke problemen bij reïntegratie en het risico op het verliezen
van de band met het werk zo klein mogelijk te houden. Tevens vloeit dit
maximum voort uit de eis dat de verlofganger tijdens en na afloop van
het verlof niet geconfronteerd mag worden met belemmeringen in de
sociale zekerheid. Het voornemen van de regering om deze belemmeringen weg
te nemen voor een verlof dat maximaal zes maanden duurt, is daarmee
tevens richtinggevend voor de maximumduur van de
loopbaanonderbrekingsfinanciering. Het moet echter mogelijk zijn, en dat vloeit voort
uit
het gegeven dat werknemers in verschillende fasen van hun leven behoefte
kunnen hebben aan verlof, dat loopbaanonderbrekingsfinanciering meerdere malen kan worden
genoten. De regeling stelt daarom geen beperking aan
het aantal keren dat de loopbaanonderbrekingsfinanciering wordt verstrekt. Wel
dient er ten minste één jaar te zijn verstreken alvorens een
volgende verlofperiode waarvoor financiering kan worden verkregen, kan
aanvangen.
2.2.2. De verlofdoelen
Beoogd wordt een
stimulans te bieden voor verlof dat wordt opgenomen om reden van
educatie of zorg. Het zijn deze verlofdoelen die bijdragen aan een
hoogwaardig en flexibel arbeidsbestel, waarbij tevens aan werknemers meer
mogelijkheden worden geboden om in verschillende levensfasen volwaardig te
participeren. Door middel van evaluatie, binnen vier jaar na
inwerkingtreding van de regeling, zal worden nagegaan of het
instrument van financiering van loopbaanonderbreking daaraan een bijdrage
heeft geleverd. De verantwoordelijkheid voor de totstandkoming en de
inhoud van de verlofafspraak in individuele gevallen ligt bij de
werkgever en de werknemer. Zij dienen in het concrete geval te beoordelen of
het verlof aan genoemde doelstellingen bijdraagt en de financiering kan
worden beschouwd als een ondersteuning ervan. In de praktijk kan zich
een scala aan verlofafspraken voordoen die aan verwezenlijking van genoemde doelstellingen bijdraagt. De grenzen van
wat nog wel onder verlof
valt en wat niet zijn hierbij ook niet op voorhand haarscherp aan te geven.
Dit is individueel en situationeel bepaald.
Duidelijk is wel dat
onbetaald verlof met een vakantie-invulling hier niet onder valt te brengen.
Het kan daarbij wel om de volgende invulling van zorg en educatie gaan,
een invulling die niet beoogd is uitputtend te zijn.
Verlof om reden van
educatie
De ontwikkeling naar een
kennismaatschappij leidt tot de economische en maatschappelijke
noodzaak om werknemers gedurende hun hele beroepsloopbaan (bij) te
scholen. Het zoeken naar wegen om voor alle werkenden het levenslang
leren te realiseren, heeft nationaal maar ook internationaal (door de
Europese Unie en de OESO) grote prioriteit. In de op 3 april 1996
vastgestelde nota van de Stichting van de Arbeid "Flexibiliteit en
zekerheid" laat de Stichting zich expliciet uit over de combinatie van arbeid en
educatie. Expliciet wordt hierbij geopperd dat zou moeten worden bezien
of, en zo ja, welke relatie gelegd kan worden tussen scholing en
loopbaanonderbreking.
De Stichting van de
Arbeid spreekt uit dat het ter ondersteuning van de arbeidsmobiliteit
noodzakelijk is dat werknemers de kans krijgen op voortdurende (bij)scholing en dat zij daartoe door de werkgever in de gelegenheid worden
gesteld. Daarbij gaat het niet alleen om scholing van werknemers in direct
verband met de aard van de functie, maar ook om scholing voor werknemers
teneinde hun positie op de arbeidsmarkt te behouden of te verbeteren.¹
In haar advies "Arbeid
en Zorg" benadrukt de Stichting van de Arbeid dat zij ervan uitgaat
dat onder het begrip educatie ook kan worden rblz.|6|
begrepen verlof dat kan
bijdragen aan het op peil houden of versterken van de employability van
de werknemer. Dit begrip wordt doorgaans opgevat als alle vormen
van scholing en ontwikkeling die gericht zijn op het in stand houden of
vergroten van de marktwaarde van de werknemer. Naast functiegerichte scholing en scholing gericht op de eigen positie op
de arbeidsmarkt biedt het
concept employability ook ruimte voor andere planmatige activiteiten
die bijdragen aan het verbeteren van de arbeidskwalificatie van de werknemer maar die
niet noodzakelijkerwijs worden verricht in de vorm van
scholing.
1. Stichting van de
Arbeid, Flexibiliteit en Zekerheid, 3 april 1996.
In de praktijk zal het
opnemen van educatief verlof in het kader van loopbaanonderbreking dus
verschillend ingevuld kunnen worden. Op de eerste plaats zal het
verlof aangewend kunnen worden om versnelling aan te brengen in een
langdurige opleiding. Op de tweede plaats kan het verlof van betekenis zijn
om kortdurende opleidingen te volgen. Ten slotte kan het verlof benut
worden om een bepaalde periode geheel afstand te nemen van het werk
teneinde nieuwe energie op te doen voor een volgende periode in de beroepsloopbaan.
Indien werkgever en
werknemer overeenkomen dat het verlof benut wordt voor scholing of
voor andere activiteiten die een verbetering van de arbeidskwalificatie
beogen, dan volstaat een dienovereenkomstige verklaring van de
werkgever en de werknemer dat verlof om reden van educatie zal worden
opgenomen.
Verlof om reden van zorg
Evenals bij educatief
verlof volstaat ook ten aanzien van verlof om reden van zorg de
verklaring van de werkgever en werknemer dat het verlof wordt opgenomen om
reden van zorg.
In de praktijk worden de
langerdurende vormen van verlof met een zorgdoel in een aantal
verlofdoelen onderverdeeld: ouderschapsverlof, zorgverlof (inclusief
palliatief verlof) en adoptieverlof.
Ouderschapsverlof
Het wettelijk recht op
ouderschapsverlof is voor werknemers geregeld in artikel 644 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek en is op 1 juli 1997 gewijzigd. De werknemer
die ten minste één jaar in dienst is bij de werkgever en in een
familierechtelijke betrekking staat tot een kind, dan wel op hetzelfde adres
woonachtig is als het kind en duurzaam de verzorging en opvoeding
van dat kind als eigen kind op zich heeft genomen, heeft recht op
onbetaald ouderschapsverlof. Het totaal aantal uren verlof waarop de
werknemer recht heeft, bedraagt de individuele arbeidsduur per week
gerekend over een periode van dertien weken. Voor wat betreft de vormgeving van
het verlof kan zowel voor deeltijdverlof als voor voltijdverlof worden
gekozen. Het recht op ouderschapsverlof vervalt op het moment dat het
kind de leeftijd van 8 jaar bereikt. Ambtenaren kennen een gelijke
regeling. De wettelijke regeling ouderschapsverlof is een minimumregeling en
grotendeels van driekwartdwingende aard.
Sociale partners kunnen
afwijkende regelingen treffen, waarbij het aantal uren verlof echter
ten minste gelijk moet zijn aan het aantal uren waarop een werknemer op
grond van de wet recht heeft.
De financiering van
loopbaanonderbreking brengt geen wijziging aan in het wettelijk recht op
onbetaald ouderschapsverlof. Loopbaanonderbrekingsfinanciering komt wel tegemoet aan de
reeds vaak, ook door de Tweede Kamer, geuite wens
voor een (gedeeltelijk) betaald ouderschapsverlof.
Zoals gezegd, is de
wettelijke regeling ouderschapsverlof een minimumregeling. Sociale partners kunnen
aanvullende afspraken maken. Vooral vanuit de invalshoek van
de combinatie van arbeid en zorg wordt onder andere rblz.|7|
door vrouwenorganisaties
gepleit voor meer mogelijkheden om, in aanvulling op het
ouderschapsverlof, de opvoeding van kinderen ruimer ter hand te kunnen nemen.
Een mogelijkheid daartoe is om ook voor oudere kinderen of voor
een tweede maal voor hetzelfde kind ouderschapsverlof overeen te komen. Aan de
behoeften daartoe kunnen verschillende
aanleidingen ten grondslag liggen. Bijvoorbeeld een crisis als gevolg van een
echtscheiding, maar ook de simpele wens om gedurende een bepaalde
periode wat intensiever bij de opvoeding van kinderen betrokken te
zijn. Het ontoereikend zijn van adequate naschoolse opvang kan dit laatste
zelfs noodzakelijk maken. Voorts hebben adoptieouders van kinderen uit het
buitenland behoefte aan verlof, bijvoorbeeld verlof dat gemoeid is met
het ophalen van het kind uit het buitenland. Strikt genomen is op dat
moment nog geen sprake van een recht op ouderschapsverlof, omdat
het kind nog niet op hetzelfde adres als dat van de adoptieouders staat
ingeschreven. Een instrument als loopbaanonderbrekingsfinanciering dat beoogt verlof te
stimuleren, kan de behoefte aan verlof in bijvoorbeeld de
hiervoor genoemde richtingen goed faciliteren.
Zorgverlof
Er bestaat een breed
draagvlak voor het creëren van meer mogelijkheden voor zorgverlof.
Te voorzien valt dat in
het komende decennium een toenemende frictie zal ontstaan als gevolg
van de sterke vergrijzing bij een gelijkblijvend aanbod aan informele
zorg.¹ Tot de mantelzorgers behoren in toenemende mate werkenden die voor
de taak staan om meerdere tijdsintensieve taken te combineren. Het
bieden van een financiële faciliteit in het kader van zorgverlof
is één van de mogelijkheden om het werknemers mogelijk te maken om
gedurende een bepaalde periode intensieve informele zorg te
verlenen. Dit kan ertoe bijdragen dat de balans in de zorg tussen professionele
en informele ondersteuning in evenwicht blijft.
In de praktijk gaat het
bij zorgverlof om de verzorging/verpleging van een persoon (een
huisgenoot, een familielid of een andere naaste) die aan een ernstige ziekte lijdt
(chronisch of acuut). Recentelijk pleitte de Raad voor de Volksgezondheid
en de Nationale Commissie Chronisch Zieken [zie Chronisch
zieken en Gehandicapten Raad Nederland, red.] voor meer mogelijkheden
voor deze vorm van verlof.² Een bijzondere vorm van zorgverlof is
het palliatieve verlof. Hoewel het begrip palliatieve zorg duidt op een
kwaliteitselement van alle vormen van zorg voor ongeneeslijk zieke
patiënten, wordt, zoals dat ook in België gebeurt, onder palliatief verlof
verstaan het verlof ten behoeve van het begeleiden van een persoon in de
terminale fase. Over de wijze waarop de zorg aan ernstig zieke terminale
patiënten het beste vormgegeven kan worden, heeft de Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport bij brief van 18 april 1996 de Kamer
geïnformeerd (Kamerstukken II 1995-1996, 24 400 XVI, nr. 82). Palliatieve zorg
in de laatste fase van het leven ondersteunt en begeleidt de patiënt en
diens naasten bij de voorbereiding op het sterven. De kwaliteit van het
leven is in deze fase belangrijker dan de lengte ervan, zo schreef zij. Omdat
er
behoefte is die zorg zoveel als mogelijk is in de vertrouwde sfeer plaats
te laten vinden, is niet alleen aan formele zorg behoefte, maar ook aan
mantelzorg.
1. Sociaal en Cultureel
Planbureau: Informele zorg, een verkenning van
huidige en toekomstige ontwikkelingen, maart 1994.
2. Nationale Commissie
Chronisch Zieken (1996), advies mantelzorg
chronisch zieken. Raad voor de Volksgezondheid en Zorggerelateerde dienstverlening
(1996), advies inzake de scenariostudie "Onbetaalde zorg ongelijk verdeeld".
2.3. Vervanging
2.3.1. De kring van
vervangers
Met inachtneming van het
uitgangspunt van de budgettaire neutraliteit worden er zo weinig
mogelijk beperkingen gesteld aan de kring van vervangers. Als vervanger
komen in aanmerking uitkeringsgerechtigde werklozen en
arbeidsongeschikten. Daarbij wordt in eerste instantie gedacht aan personen met
een uitkering krachtens de Werkloosheidswet en de
Algemene
bijstandswet (WW- en Abw-gerechtigden), dan wel aan rblz.|8|
uitkeringen die naar aard
en strekking daarmee overeenkomen, bijvoorbeeld uitkeringen voor het overheidspersoneel. Er worden geen
voorwaarden gesteld aan
de duur van de werkloosheid. Het niet stellen van eisen aan de
uitkeringsperiode van een vervanger wordt ingegeven door de hiervoor genoemde
wens de kring van de vervangers zo breed mogelijk te maken. Voor
uitkeringsgerechtigde werklozen kan het opdoen van arbeidsmarktervaring
via een vervangingsplaats een springplank bieden naar een vaste
baan. Buitenlandse ervaringen maar ook Nederlandse wijzen in die richting.
Voorts wordt gedacht aan personen met een uitkering krachtens één
van de arbeidsongeschiktheidsregelingen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
(WAO), de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), de
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
(Wajong), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers (Ioaw) en de
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen (Ioaz). De onderhavige regeling kan hen kansen
bieden op reïntegratie op de arbeidsmarkt.
Een andere groep
uitkeringsgerechtigden die in aanmerking komt om als vervanger op te
treden, bestaat uit nabestaanden met een nabestaandenuitkering op
grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Verwacht kan
worden dat met name nabestaanden met een kind onder de 18 jaar, waarvan
het uitkeringsrecht eindigt als het kind 18 jaar wordt, zich zullen melden
als vervanger.
Daarnaast is er met
inachtneming van de budgettaire neutraliteit ruimte om binnen bepaalde
grenzen ook personen tot de kring van vervangers toe te laten die geen
uitkering achterlaten. (Zie voor wat betreft de kosten en baten voor de
collectieve sector paragraaf 7.1). Van deze ruimte is gebruik gemaakt om ook de
zogenaamde herintreders als vervanger toe te laten. Herintreders zijn
gedefinieerd als personen die voorafgaande aan de vervanging ten minste
twee jaar lang geen betaalde arbeid hebben verricht en als werkzoekende staan ingeschreven bij de
Arbeidsvoorziening.
Het zal hierbij
overwegend om vrouwen gaan die door het verrichten van zorgtaken
een afstand tot de arbeidsmarkt hebben opgelopen. Het is
wenselijk dat ook zij aan regelingen die mede tot doel hebben om de
arbeidsinpasbaarheid te vergroten, deelnemen. De budgettaire neutraliteit
vereist echter dat het aandeel van personen die geen uitkering achterlaten in de kring van vervangers jaarlijks aan een maximum wordt gebonden.
Het quotum voor één jaar kan worden afgeleid aan de hand van
de maatstaf van het aantal personen met een uitkering dat in het jaar
daaraan voorafgaand als vervanger is gaan werken. Vaststelling van
dit quotum geschiedt bij ministeriële regeling, op grond van jaarlijks door
de uitvoeringsinstellingen (uvi’s) te verstrekken gegevens, waaruit de
aantallen vervangers en de aard van de door de vervangers achter gelaten
uitkering blijkt. Vaststelling van het quotum ten behoeve van het eerste
jaar geschiedt aan de hand van een raming.
Vervangers kunnen in
dienst komen van de werkgever van de verlofganger, maar dat is niet strikt
noodzakelijk. De mogelijkheid om de vervangers niet in dienst
te laten zijn van de werkgever maar van een arbeidspool, biedt
mogelijk voor bepaalde sectoren van het bedrijfsleven en het midden- en
kleinbedrijf betere mogelijkheden om makkelijk inzetbare vervangers te
vinden. De praktijk laat inmiddels een heel scala aan vormen van
arbeidspools zien en de ontwikkeling naar nieuwe vormen lijkt nog niet ten
einde. Naast de uitzendbureaus zijn er door sociale partners arbeidspools
opgericht ten behoeve van scholing en arbeidsbemiddeling voor een specifieke
bedrijfstak, dan wel opgericht ten behoeve van een
beroepsgroep, om in een bepaalde regio de tijdelijke vervanging bij
bijvoorbeeld ziekte of verlof te verzorgen. Ook zijn er binnen bedrijven of
concerns arbeidspools ontstaan, al dan niet teneinde (dreigend) ontslag van
zittend personeel te voorkomen. Voorts zijn rblz.|9|
arbeidspools bekend die
gericht zijn op de instroom op de arbeidsmarkt van groepen minder
kansrijke werknemers. Van recente datum zijn ontwikkelingen om
arbeidspools op te richten op een bepaalde lokatie, bijvoorbeeld een
winkelcentrum, teneinde de doorgaans kleinere werkgevers aan snel
inzetbare werknemers te helpen.
Op grond van de
onderhavige regeling kunnen daarom als vervanger ook in aanmerking komen
personen die in dienst zijn van een arbeidspool die tot doel heeft om
uitkeringsgerechtigden ter beschikking te stellen. In dat geval gaat de
werkgever van de verlofganger niet zelf een arbeidsovereenkomst aan met de
vervanger,
maar heeft de vervanger een dienstverband met deze
rechtspersoon/arbeidspool en wordt hij door die pool als vervanger ter
beschikking gesteld aan de werkgever van de verlofganger. Niet alle arbeidspools komen in aanmerking. De doelstelling
van de onderhavige wet,
mede gericht op het bevorderen van de arbeidsinpasbaarheid van
werkzoekenden, stelt eisen aan de doelstelling van de arbeidspool, van
waaruit in het kader van de toepassing van deze wet gedetacheerd mag
worden. De arbeidspool moet dus duidelijk een allocatiefunctie hebben
ten behoeve van de arbeidsmarkt. De eis dat de arbeidspool waarbij de
vervanger in dienst is tot doel moet hebben om uitkeringsgerechtigden
ter beschikking te stellen, verhindert dat arbeidsorganisaties die via een eigen
uitzendbureau personeel ter beschikking stellen van de eigen
organisatie of binnen het eigen concern op grond van deze regeling vervangers
kunnen detacheren.
2.3.2. De aan de
vervanging te stellen voorwaarden
Wil een verlofganger in
aanmerking kunnen komen voor loopbaanonderbrekingsfinanciering, dan is vervanging
verplicht. De aan te trekken vervanger in de zin van
deze regeling behoeft echter niet te worden aangetrokken voor de
functie die de verlofganger tijdelijk achterlaat, maar kan ook elders in de
arbeidsorganisatie te werk worden gesteld, bijvoorbeeld op de plaats die degene
die de verlofganger feitelijk gaat vervangen achterlaat. Deze uitleg
van "vervanger" maakt het voor de werkgever mogelijk om vervanging
"op maat" te zoeken.
De werkgever dient met
een vervanger een (tijdelijke) arbeidsovereenkomst te sluiten, een arbeidsovereenkomst voor ten minste de periode en
het aantal uren dat de
verlofganger verlof opneemt. Ook in het geval de vervanger in dienst is
van een arbeidspool zal de terbeschikkingstelling moeten plaatsvinden voor
ten minste de periode en het aantal uren dat de verlofganger verlof
opneemt.
Als deeltijders verlof
opnemen, kan het voorkomen dat slechts voor een gering aantal uren
vervanging nodig is. Dat is voor een vervanger echter niet aantrekkelijk. Het
dienstverband van de vervanger dient ook een substantiële omvang te
hebben, wil er voor de vervanger nut te behalen zijn die zijn
arbeidsinpasbaarheid vergroot. Het uitgangspunt van budgettaire neutraliteit
betekent voorts dat de uitkeringsbesparing enige substantialiteit
[substantie, red.] dient te
hebben.
Daarom is tevens bepaald
dat de arbeidsovereenkomst met de vervanger voor ten minste achttien uur per week moet worden aangegaan. Dit is dus ook het geval als de
verlofganger minder dan achttien uur verlof per week zou opnemen. De vervanger
zal overigens ook mogen worden ingezet voor de vervanging van
meerdere verlofgangers tegelijk. In dat geval geldt dat de totale som
van vervangingsuren ten minste gelijk moet zijn aan de totale som van de
verlofuren. Onder deze zelfde voorwaarde is ook het tegenovergestelde (de
(voltijd)verlofganger mag door méér dan één (deeltijd) vervanger
worden vervangen) toegestaan, mits de vervanger voor ten minste achttien
uur
per week wordt aangesteld.
Voor het ter beschikking
stellen via een arbeidspool is geen minimum aan het aantal te
vervangen uren gesteld. Als een verlofganger die minder dan achttien uur verlof opneemt
derhalve via een arbeidspool wordt vervangen, rblz.|10|
dan kan de gedetacheerde
vervanger voor hetzelfde aantal uren ter beschikking worden
gesteld als de verlofganger verlof opneemt. Reden om niet ook de
detachering aan een minimumomvang te binden, vloeit voort uit het feit dat de
omvang van de detachering nog niets zegt over de omvang van het dienstverband van de vervanger met de arbeidspool. De
arbeidspool zal namelijk
doorgaans in staat zijn om voor zijn werknemer in geval van een
tijdelijke vervanging voor een gering aantal uren aanvullende werkzaamheden
of scholing te regelen.
Voor wat betreft het
moment waarop de arbeidsovereenkomst met de vervanger moet ingaan, is
het moment van verlofopname van belang. Die arbeidsovereenkomst met
de vervanger moet namelijk aanvangen niet eerder dan vier weken vóór en niet later dan vier weken na de aanvang van het verlof. Hetzelfde
geldt voor de terbeschikkingstelling.
Arbeidsovereenkomsten/terbeschikkingstellingen
die met vervangers worden aangegaan in een
andere periode dan deze periode rond het verlof vormen geen
vervanging in de zin van deze regeling. Dit is ook het geval als die persoon
feitelijk de werkzaamheden van de verlofganger zou gaan overnemen.
De consequentie van deze
bepaling is dat een vervanger die tegelijkertijd meerdere - bijvoorbeeld
deeltijd- - verlofgangers vervangt dat alleen kan doen als het
moment waarop de verlofgangers verlof opnemen niet al te ver uit elkaar
ligt.
Zodra de
arbeidsovereenkomst of de terbeschikkingstelling met de vervanger voortijdig
eindigt, is de werkgever van de verlofganger verplicht om binnen drie
weken opnieuw een arbeidsovereenkomst met een vervanger aan te
gaan, dan wel een nieuwe vervanger in te lenen. Indien de werkgever
hieraan niet voldoet, zal de uitvoeringsinstelling de loopbaanonderbrekingsfinanciering
die aan de verlofganger wordt uitgekeerd op de
werkgever kunnen verhalen. Ook als de arbeidspool de arbeidsovereenkomst met
de terbeschikkinggestelde voortijdig eindigt (en daarmee ook aan de
terbeschikkingstelling een einde komt), dient de werkgever binnen drie
weken een nieuwe terbeschikkingstellingsovereenkomst af te sluiten dan wel een
arbeidsovereenkomst met een uitkeringsgerechtigde aan
te gaan.
De
Arbeidsvoorzieningsorganisatie zal de werkgever behulpzaam kunnen zijn bij het
zoeken van een uitkeringsgerechtigde werkloze die een geschikte vervanger kan
zijn. In hoofdstuk 5 wordt nader ingegaan op de relatie tussen de
loopbaanonderbrekingsfinanciering en de overige uitkeringsregelingen,
waaronder regelingen die de werkgever een tegemoetkoming geven in
geval van het in dienst nemen van een (langdurig) werkloze.
Het niet stellen van een
duureis aan de uitkering betekent dat de vervanger na ommekomst
van zijn vervangingsperiode direct weer beschikbaar is voor een
volgende vervangingsbaan, ingeval hij anders zou terugvallen naar een
uitkering. Die volgende vervanging kan bij dezelfde werkgever zijn. Als de
werkgever bijvoorbeeld bij aanvang van de zwangerschaps- en
bevallingsverlof een vervanger aanstelt die na afloop van die vervanging aan de
voorwaarden van de onderhavige wettelijke regeling voldoet, dan is
deze vervanger dus in geval van direct aansluitend
ouderschapsverlof direct ook weer beschikbaar voor een
vervolgvervanging. Ook
de vervanger die in dienst is van een arbeidspool is direct weer
beschikbaar voor een nieuwe vervangingsbaan in het kader van deze
wet.
Herintreders zijn, als zij na een vervangingsbaan niet terugvallen naar een
uitkering, niet direct beschikbaar voor een nieuwe vervanging in het kader
van de onderhavige wet: de definiëring van een herintreder als een
persoon die ten minste twee jaar voorafgaande aan de rblz.|11|
vervanging niet in
dienstbetrekking of als zelfstandige heeft gewerkt, verzet zich daartegen.
Eenmaal als vervanger aan het werk geweest, onderscheiden zij zich
niet langer van andere werkzoekenden die niet als vervanger in aanmerking
komen
2.3.3. Geen plicht tot
vervanging bij palliatief verlof
Op de eis dat om in
aanmerking te komen voor loopbaanonderbrekingsfinanciering de verlofganger voor de
periode en de omvang van het verlof moet worden vervangen
door een vervanger in de zin van de regeling is in
de onderhavige
wettelijke regeling een uitzondering gemaakt voor de verlofganger die ten
behoeve van de begeleiding van een terminale zieke verlof opneemt, het
zogenaamde palliatieve verlof. Zo is evident dat deze specifieke vorm van
verlof niet in alle gevallen een geruime periode van te voren te voorzien valt en
kan derhalve de beschikbare tijd om een vervanger te zoeken te
kort zijn. De werknemer heeft geen recht op palliatief verlof, maar
dient met de werkgever een dergelijk verlof overeen te komen. Dat het verlof
om reden van de verzorging van een terminaal zieke wordt opgenomen,
blijkt uit hun verklaring ter zake. Het ligt in de rede om in het geval van
palliatief verlof ook de bepaling met betrekking tot de duur van het verlof aan
te passen. Daar waar de minimumomvang van het verlof is gesteld op twee
maanden zal in het geval van palliatief verlof mogelijk een periode
korter dan twee maanden volstaan. Ook verlof dat ten minste één maand
duurt komt daarom voor financiering in aanmerking. Verlof van
kortere duur dan één maand komt om de reden dat
loopbaanonderbrekingsfinanciering een betaling per maand is evenwel niet voor
financiering in aanmerking.
Een verklaring dat verlof
ten behoeve van de verzorging van een terminaal zieke is
opgenomen, is voldoende om voor een periode van maximaal twee maanden in
aanmerking te komen voor loopbaanonderbrekingsfinanciering ook als de werkgever geen
vervanger in de zin van de onderhavige regeling
aanstelt. Die zieke behoeft niet tot de familie van de verlofganger te
behoren, het verlof kan ook ten behoeve van een andere naaste worden
opgenomen.
3. De
loopbaanonderbrekingsfinanciering en de doelgroepen
Om voor
loopbaanonderbrekingsfinanciering in aanmerking te komen, dient de verlofganger
vervangen te worden door een vervanger. Dit betekent dat bij
loopbaanonderbrekingsfinanciering drie partijen betrokken zijn: de
verlofganger, de werkgever en de vervanger.
Deze partijen worden in
dit hoofdstuk nader beschreven en afgebakend. Om voor loopbaanonderbrekingsfinanciering in aanmerking te komen en
om een eenmaal toegekende loopbaanonderbrekingsfinanciering te behouden, moeten de
verlofganger en de werkgever ook tijdens het verlof aan een aantal
voorwaarden voldoen. Die voorwaarden worden in dit hoofdstuk per doelgroep
nader toegelicht. Allereerst wordt ingegaan op de hoogte en de status
van de loopbaanonderbrekingsfinanciering.
3.1. De hoogte en de
status van de loopbaanonderbrekingsfinanciering
Voor een goed beeld van
de positie van de verlofganger en de werkgever is inzicht in
de status van de loopbaanonderbrekingsfinanciering van belang. De
loopbaanonderbrekingsfinanciering is geen loon op grond waarvan de
verlofganger verzekeringsplichtig is en in aanmerking komt voor socialezekerheidsrechten en een
Ziekenfondswetverzekering.
Om in aanmerking te komen
voor loopbaanonderbrekingsfinanciering is het niet van belang of er
tijdens het verlof (loon)betalingen plaatsvinden. Partijen kunnen nadere
afspraken maken over de betaling van het verlof. rblz.|12|
Zij
kunnen een
(gedeeltelijk) betaald verlof overeenkomen. Ook kan de verlofganger zelf hebben
gespaard voor verlof; spaarbronnen kunnen zijn geld of tijd. Dergelijke
loonbetalingen mogen naast de loopbaanonderbrekingsfinanciering worden genoten.
Het feit dat
loopbaanonderbrekingsfinanciering gezien moet worden als een aanvullende
financiering op overige financiële middelen brengt geen verandering aan in de
situatie dat op grond van de Algemene bijstandswet
de
verlofganger gedurende de verlofperiode in beginsel geen aanspraak kan maken
op bijstand. In hoofdstuk 5 komt de relatie van de
loopbaanonderbrekingsfinanciering met andere uitkeringsregelingen uitgebreid aan de orde.
De
loopbaanonderbrekingsfinanciering is een uitkering aan de verlofganger. Betaling
aan de verlofganger door tussenkomst van de werkgever is echter
mogelijk, als bij collectieve arbeidsovereenkomst, of een publiekrechtelijke
regeling, partijen hebben afgesproken dat over de verlofperiode
(gedeeltelijk) loon wordt doorbetaald. In dat geval kan de werkgever de
uitvoeringsinstantie verzoeken om de loopbaanonderbrekingsfinanciering via hem uit te betalen.
Hij zal van dit verzoek melding moeten maken aan de
werknemer. De loondoorbetaling aan de verlofganger zal door deze constructie
van uitbetaling via de werkgever ten minste het bedrag van de
financiering moeten zijn. Dat de financiering vervolgens de verlofganger in de vorm van (gedeeltelijke) doorbetaling
van loon bereikt, laat
onverlet dat loondoorbetaling tijdens verlof op zichzelf niet méér
behoeft te bedragen dan het loon dat de verlofganger zou verdienen als hij
geen verlof zou opnemen.
Wat betreft de fiscale
aspecten rond de verstrekking van de loopbaanonderbrekingsfinanciering kan
opgemerkt worden dat
de normale fiscale regels toegepast worden,
zoals dit ook het geval is bij bijvoorbeeld uitkeringen ingevolge socialeverzekeringswetten. Dit betekent dat in beginsel loonheffing
(loonbelasting en premies volksverzekeringen) op deze uitkeringen
ingehouden dient te worden volgens de normale regels. Dit betekent dat als de
uitkeringen rechtstreeks door het Lisv [Landelijk
instituut sociale verzekeringen, red.] aan de verlofganger worden
betaald, het Lisv daarvoor de inhoudingsplichtige is. Als de uitkering echter
via de werkgever loopt, bijvoorbeeld omdat hij ook nog een deel van het loon
doorbetaalt, dan is de werkgever de inhoudingsplichtige voor het geheel.
Daartoe
zal hoofdstuk VI van de Uitvoeringsregeling
loonbelasting 2001 worden aangevuld.
Bij een gelijke
bruto-uitkering kunnen de nettobedragen voor verlofgangers afhankelijk van de
tariefgroep uiteenlopen, zoals onderstaande tabel laat zien.
Tabel 1. Bruto-netto-overzicht 1997 per maand (alleen loonheffing) naar tariefgroep en
aantal inkomenstrekkers
(x1000 personen):
WITTE TABEL
Inclusief effect
arbeidskostenforfait |
| |
37,30% |
50,00% |
60,00% |
Aantal
¹ |
| Bruto ad
ƒ960,- |
| Netto: |
| tariefgroep 1 |
ƒ637,75 |
ƒ528,00 |
ƒ441,67 |
v193,5 |
| tariefgroep 2 |
ƒ858,50 |
ƒ823,92 |
ƒ796,75 |
5416,8 |
| tariefgroep 3 |
ƒ960,00 |
ƒ960,00 |
ƒ960,00 |
1224,5 |
| tariefgroep 4/5 |
ƒ960,00 |
ƒ960,00 |
ƒ960,00 |
vv54,8 |
1. Bron: CPB [Centraal
Planbureau, red.]; bewerking SZW.
De financiële
tegemoetkoming is evenwel niet aangemerkt als loon in de zin van de
Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV). De financiële rblz.|13|
tegemoetkoming is een
betaling met een eigen karakter. De uitkering kan niet worden aangemerkt
als een reële loonbetaling en is ook niet te vergelijken met de
betaling van fooien door derden. Een fooi is een vergoeding van een derde
voor arbeid die iemand in de vervulling van zijn dienstbetrekking
verricht. Daarvan is in het geval van de financiële tegemoetkoming geen
sprake. Voorts is de financiële tegemoetkoming geen titel voor
verzekering voor de Ziektewet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
en Werkloosheidswet.
Betrokkene zal nimmer een recht op uitkering kunnen
ontlenen aan deze tegemoetkoming en derhalve worden geen premies
geheven of afgedragen voor die wetten. Voor alle duidelijkheid is in de
CSV vastgelegd dat de financiële tegemoetkoming geen loon is in de zin
van die wet.
De hoogte van de
uitkering is afhankelijk van het aantal uren dat verlof wordt opgenomen. Een
verlofganger die ten minste de helft van zijn individuele arbeidsduur
verlof opneemt, komt in beginsel in aanmerking voor
loopbaanonderbrekingsfinanciering. Die verlofganger kan voltijder zijn, maar ook
deeltijder. Dit betekent dat het aantal uren verlof per werknemer verschilt en in
beginsel tussen de één uur en de 40 uur per week ligt. De vergoeding van
ƒ960,- bruto per maand komt toe aan werknemers die 30 uur per week of
meer verlof opnemen. De loopbaanonderbrekingsfinanciering neemt af als minder
verlof wordt opgenomen, verlofgangers die tussen de één en 10
uur verlof opnemen, krijgen een loopbaanonderbrekingsfinanciering van ƒ80,- bruto per maand.
3.2. De
verlofganger
3.2.1. De kring van
verlofgangers
Voor het vaststellen van
de kring van werkenden die in beginsel in aanmerking komt voor een loopbaanonderbrekingsfinanciering is
aansluiting gezocht bij
de wettelijke regeling inzake ouderschapsverlof. Dit betekent dat
verlofgangers werknemers zijn in de zin van het Burgerlijk
Wetboek, alsmede degenen
die daar in het kader van de wettelijke regeling
ouderschapsverlof aan zijn gelijkgesteld: werknemers die krachtens
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht of publiekrechtelijke aanstelling, dan
wel
ingevolge de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW) (Stb. 1967, 687) werkzaam
zijn in dienst van een publiekrechtelijk lichaam. (Indien het voorstel van
wet houdende nieuwe regeling inzake de sociale werkvoorziening (Kamerstukken II
1995-1996, 24 787) kracht van wet heeft gekregen, is een
dienstbetrekking ingevolge de WSW een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel
1637a van Boek
7a van het Burgerlijk Wetboek).
Voorts dient er sprake te
zijn van een zekere binding met de arbeidsorganisatie alvorens men voor loopbaanonderbrekingsfinanciering in
aanmerking zal kunnen
komen: eveneens in aansluiting op de wettelijke regeling
ouderschapsverlof dient de dienstbetrekking met de werkgever ten minste één jaar te
hebben geduurd.
3.2.2. De positie van de verlofganger
tijdens en na afloop van het verlof
Kenmerk van verlof is dat tijdens het verlof de arbeidsovereenkomst
onveranderd in stand blijft. Tijdens het verlof wordt alleen het
verrichten van arbeid tijdelijk opgeschort. Ook vervalt tijdens het
verlof, tenzij anders is overeengekomen, de verplichting tot het betalen
van loon door de werkgever. De werknemer is verplicht om na afloop van
het verlof weer voor het oorspronkelijke aantal uren te gaan werken,
tenzij anders wordt overeengekomen.
Voor de sociale zekerheid is de vraag of het een betaald of onbetaald
verlof is relevant. In geval van voltijds onbetaald verlof doet zich
namelijk rblz.|14|
een aantal belemmeringen voor tijdens en na afloop van het
verlof dat langer dan twee maanden duurt. De
loopbaanonderbrekingsfinanciering lost deze problemen niet op, anders
gezegd: aan de loopbaanonderbrekingsfinanciering kunnen geen socialezekerheidsrechten worden ontleend.
Het kabinet heeft echter het voornemen geuit om
deze belemmeringen in geval van onbetaald verlof weg te nemen voor een
periode van maximaal zes maanden. De regering zal één dezer weken een
wetsvoorstel bij het parlement indienen waarin dit voornemen is
geconcretiseerd. Het gaat om maatregelen in de sfeer van
Werkloosheidswet (WW), de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
(WAO)
en de Ziektewet (ZW), die zullen voorkomen dat werknemers na afloop van
een periode van onbetaald verlof nadeel ondervinden bij de vaststelling
van het dagloon, de toepassing van de referte-eisen voor de WW en de
acceptatie in de ZW en WAO-verzekering. Daarnaast stelt het kabinet voor
om, in aanvulling op de onlangs aangebrachte wijziging in het Aanwijzingsbesluit
verzekerden Zfw met betrekking
tot voltijds ouderschapsverlof, te bewerkstelligen dat de
ziekenfondsverzekering ook gedurende maximaal zes maanden onbetaald
verlof gecontinueerd kan worden door voor alle vormen van onbetaald
verlof een dergelijk bijzonder premieregime voor de Ziekenfondswetverzekering te introduceren.
Dit wetsvoorstel met betrekking tot onbetaald
verlof en sociale verzekeringen is van betekenis voor het onderhavige
wetsvoorstel en dient kracht van wet te hebben op het moment dat
onderhavige wet in werking treedt. De maximale verlofperiode van zes
maanden waarvoor belemmeringen zullen worden weggenomen, bepaalt tevens
de maximale verlofperiode waarvoor een loopbaanonderbrekingsfinanciering
wordt verstrekt. Immers, verlof dat langer duurt dan zes maanden leidt
voor de verlofganger tot problemen in de sociale verzekeringen en dient
om die reden ook niet met een regeling als de onderhavige te worden
gestimuleerd.
Voorts kan zich de situatie voordoen dat een verlofganger voorafgaand
aan het verlof zowel inkomsten uit zijn werkzaamheden als werknemer als
een arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft. Het verlof heeft geen invloed
op die uitkering, tenzij er sprake was van een situatie waarin
toepassing werd gegeven aan artikel 44 van de
WAO (anticumulatie door
middel van een zogenaamde "fictieve schatting"). Indien het verlof
leidt tot het verlagen of vervallen van de arbeidsinkomsten, kan dat
leiden tot de uitbetaling van een hoger bedrag aan
arbeidsongeschiktheidsuitkering. Aldus zou zich de situatie kunnen
voordoen dat een verlofganger zowel een ongekorte
arbeidsongeschiktheidsuitkering als een
loopbaanonderbrekingsfinanciering ontvangt. Teneinde dit te voorkomen,
zal de loopbaanonderbrekingsfinanciering worden gelijkgesteld met
inkomsten uit arbeid in de Regeling
samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomsten uit arbeid.
Naast de sociale zekerheid is het voor de verlofganger van belang om de
gevolgen in ogenschouw te nemen van een inkomensachteruitgang bij
onbetaald verlof voor de op hem van toepassing zijnde
inkomensafhankelijke regelingen, zoals individuele
huursubsidie,
schuldsaneringsregelingen, regelingen voor rechtsbijstand,
enz.
Voorkomen moet worden dat de verlofganger onvoldoende geïnformeerd is
over belangrijke financiële neveneffecten van het opnemen van verlof.
De voorlichting zal derhalve met name ook op deze aspecten zijn gericht.
Het is op grond van de onderhavige regeling niet toegestaan dat tijdens
het verlof arbeid wordt verricht. Mocht de verlofganger het verlof
tussentijds afbreken, omdat hij bij de eigen werkgever weer aan de slag rblz.|15|
gaat, dan wel omdat hij in eigen bedrijf of elders werkzaamheden gaat
verrichten, dan eindigt de loopbaanonderbrekingsfinanciering. Als er
arbeid wordt verricht, is er immers geen sprake meer van verlof en
vervalt de noodzaak van een verlofstimulans. Het is hierbij niet
relevant voor hoeveel uren de arbeid wordt hervat. Elke vermindering van
het oorspronkelijk op te nemen aantal uren verlof leidt tot beëindiging
van de financiering, ook als de werknemer (nog) niet volledig terugkeert
naar het aantal uren van zijn oorspronkelijke dienstverband.
Als tijdens het verlof het dienstverband met de
werkgever eindigt, bijvoorbeeld omdat de verlofganger ontslag neemt of
ontslagen wordt, dan wel omdat het tijdelijke arbeidscontract afloopt,
eindigt de loopbaanonderbrekingsfinanciering eveneens. Ook dan is er
immers geen sprake meer van verlof.
De loopbaanonderbrekingsfinanciering vervalt
echter niet als de verlofganger niet langer wordt vervangen door een
uitkeringsgerechtigde werkloze. De verlofganger houdt voor de
overeengekomen verlofperiode zijn loopbaanonderbrekingsfinanciering, ook
als de arbeidsovereenkomst die de werkgever met de vervanger heeft
gesloten voortijdig wordt beëindigd.
3.3. De
werkgever
3.3.1. De kring van werkgevers
Alle werkgevers die verlofgangers in dienst hebben, zullen in beginsel in
aanraking kunnen komen met de onderhavige wettelijke
regeling.
De werkgever zal daarin een centrale rol
vervullen. Allereerst is van belang dat hij met de werknemer tot
afspraken komt over verlof. Deze afspraken kunnen voortvloeien uit een
wettelijke regeling zoals het ouderschapsverlof, kunnen gebaseerd zijn
op afspraken in de collectieve arbeidsovereenkomst (CAO) of kunnen tot
stand zijn gekomen in het overleg met een individuele werknemer.
Essentie van de onderhavige wettelijke regeling is echter dat de
verlofganger alleen dan in aanmerking komt voor een
loopbaanonderbrekingsfinanciering als de werkgever vervanging
realiseert. Aan beide condities (verlof en vervanging) moet worden
voldaan opdat aan de verlofganger een loopbaanonderbrekingsfinanciering
kan worden toegekend. Of aan beide condities wordt voldaan, is aan de
werkgever en kan niet door de werknemer worden afgedwongen.
3.3.2. De relatie van de werkgever tot de
verlofganger en de vervanger
De loopbaanonderbrekingsfinanciering brengt geen wijziging aan in de
arbeidsrelatie tussen de werkgever en de verlofganger: de
arbeidsovereenkomst blijft in stand, zij het dat tijdens het verlof de
plicht van de verlofganger om arbeid te verrichten, is opgeschort en er
voor de werkgever, tenzij anders overeengekomen, geen
loondoorbetalingsverplichting bestaat. De verlofafspraak tussen de
werkgever en de verlofganger kan gebaseerd zijn op een wettelijke
bepaling (ouderschapsverlof) of op een afspraak, al dan niet gebaseerd
op een CAO. De onderhavige wet geeft de verlofganger geen nieuwe
aanspraken op verlof. Ook vervanging kan de verlofganger zoals gezegd
niet van de werkgever afdwingen.
De werkgever kan met betrekking tot de door hem aan te stellen vervanger
gebruik maken van reeds bestaande regelingen voor gesubsidieerde arbeid.
Daarop wordt in paragraaf 5.2 ingegaan. Voorts zijn ten aanzien van
vervangers met een arbeidsongeschiktheidsuitkering alle specifiek op
arbeidsongeschikten toegespitste reïntegratieregelingen in beginsel van
toepassing. Bij ziekte van een vervanger die, in de drie jaren rblz.|16|
voorafgaand aan zijn arbeidsovereenkomst tot vervanging, recht had op
een AAW- of WAO-uitkering is bijvoorbeeld artikel
29b van de Ziektewet
van toepassing. Er bestaat, gedurende de duur van het arbeidscontract,
recht op ziekengeld indien de periode van ziekte gelegen is in de drie
jaar na aanvang van de dienstbetrekking. De loonkostensubsidie van
artikel 62 van de WAO kan aan de werkgever worden toegekend indien de
vervanger is bemiddeld door het Landelijk instituut sociale
verzekeringen of het Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering
overheidspersoneel.
Die tewerkstelling van de vervanger kan gebaseerd zijn op een
arbeidsovereenkomst tussen de vervanger en de werkgever, een
arbeidsovereenkomst die van tijdelijke aard kan zijn. De rechtspositie
van de vervanger is daarmee die van een gewone werknemer. Ook is het
mogelijk dat de vervanger in dienst treedt van een arbeidspool en door
die pool ter beschikking wordt gesteld aan de werkgever van de
verlofganger. Ook in dat geval heeft de vervanger de status van
werknemer, doch zijn de arbeidsvoorwaarden van de arbeidspool op hem van
toepassing.
3.4. De
vervanger
3.4.1. De kring van vervangers
Vervangers kunnen zoals eerder opgemerkt in de eerste plaats
uitkeringsgerechtigde werklozen en arbeidsongeschikten zijn. Dit kunnen
zowel WW-gerechtigden, wachtgeldgerechtigde ambtenaren en
onderwijspersoneel zijn als Abw, Anw-,
Ioaw-, Ioaz-, WAO-,
WAZ- en
Wajong-gerechtigden.
Vervangers kunnen tevens personen zijn die als
werkzoekende staan ingeschreven bij de Arbeidsvoorziening en die
voorafgaande aan de vervanging ten minste twee jaar geen betaalde arbeid
hebben verricht. Met deze toevoeging wordt beoogd om ook herintreders
als vervanger toe te laten tot de regeling.
Vervangers kunnen in dienst komen van de
werkgever. Voorts kunnen vervangers in dienst zijn van een arbeidspool.
In dat geval stelt de arbeidspool de vervanger ter beschikking aan de
werkgever van de verlofganger.
3.4.2. De rechtspositie van de vervanger
tijdens en na afloop van de vervanging
De vervanger sluit een arbeidsovereenkomst met de werkgever. Dat
betekent dat de vervanger alle aan die overeenkomst verbonden rechten en
plichten toekomen. Het dienstverband is ten minste achttien uur in de week.
De arbeidsovereenkomst kan van tijdelijke aard
zijn, de bepalingen van titel 7.10 van Burgerlijk
Wetboek zijn van
toepassing. Het feit dat de arbeidsovereenkomst tussen werkgever en
vervanger niet afwijkt van een gewone (tijdelijke) arbeidsovereenkomst
betekent dat ten aanzien van de sociale zekerheid evenmin afwijkende
regels gelden.
In het navolgende wordt aangegeven hoe de
positie van de vervanger is in relatie tot de sociale zekerheid, zowel
tijdens als na afloop van het verlof.
Sociale zekerheid tijdens vervanging
Indien men vóór aanvang van de arbeidsovereenkomst een uitkering
ingevolge de WW ontving en men gaat evenveel of meer uren werken als het
aantal uren waarop de WW-uitkering was gebaseerd, dan vervalt de
uitkering. Indien men gaat werken voor minder uren dan waarvoor men de
WW-uitkering ontving, eindigt het recht voor het aantal uren van de
werkhervatting. Had iemand bijvoorbeeld een uitkering van 30 uur per rblz.|17|
week en gaat hij 20 uur vervangen, dan behoudt hij voor tien uur zijn
WW-uitkering.
Was de vervanger voorheen bijstandsgerechtigd
en is het loon tijdens de vervanging hoger of gelijk aan de bijstand,
dan bestaat er gedurende de vervanging geen recht op bijstand. Is het
loon lager dan de bijstand, dan bestaat recht op aanvullende bijstand.
Voor die vervangers die een uitkering ontvangen
op basis van de Anw geldt dat de ontvangst van loon zal leiden tot een
korting op de nabestaandenuitkering. De gebruikelijke vrijlating van
inkomen (artikel 18 Anw)
¹ is in dat geval van toepassing.
Indien het een vervanger betreft die vóór
aanvang van de vervanging geen recht had op een
socialezekerheidsuitkering, dan bestaat tijdens de vervanging vanzelfsprekend
evenmin recht op een eventuele aanvullende uitkering.
Bij ziekte van de vervanger is de werkgever
gedurende de duur van het arbeidscontract verplicht tot loondoorbetaling
ter hoogte van 70% van het loon (met als minimum - bij volledige
werktijd - het minimumloon).
Indien de vervanger vóór aanvang van de
arbeidsovereenkomst tot vervanging recht had op een gehele of
gedeeltelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, is het effect op die
uitkering niet anders dan bij het aangaan van een "gewone"
arbeidsovereenkomst. Alleen als de inkomsten uit de arbeid meer bedragen
dan de theoretisch vastgestelde resterende verdiencapaciteit, wordt
bezien of betrokkene zich die inkomsten duurzaam kan verwerven. Als dat
zo is - en er dus sprake van is dat (een deel van) de verzekerde
gebeurtenis zich niet langer voordoet - dan is er aanleiding de
resterende verdiencapaciteit bij te stellen, hetgeen een lagere
arbeidsongeschiktheidsuitkering betekent (herziening of intrekking). Als
de inkomsten niet "duurzaam" zijn, is de toepassing van
artikel 44 van
de WAO aan de orde (anticumulatie door middel van een zogenaamde
"fictieve schatting").
1. Van het inkomen uit
arbeid wordt 50% van het brutominimumloon
vrijgelaten, alsmede een derde van het meerdere inkomen.
Sociale zekerheid na afloop van de
vervanging
Mocht het de vervanger na afloop van de arbeidsovereenkomst niet lukken
om een vaste arbeidsplaats te verwerven, dan valt hij weer terug op een
uitkeringsregeling. Indien een WW-gerechtigde vóór het bereiken van de
maximumduur van de uitkering een vervangingsbaan accepteert en binnen
zes maanden wederom werkloos wordt, dan herleeft het oude WW-recht voor
de resterende duur. Voorts geldt dat na zes maanden een nieuw recht op
WW-uitkering is opgebouwd. Indien dat nieuwe recht een kortdurende
WW-uitkering betreft, gaat de herleving van een loongerelateerde of
vervolguitkering WW evenwel voor. Een bijstandsgerechtigde die gedurende
zes maanden een vervangingsbaan heeft en niet doorstroomt naar een
reguliere baan komt ook in de kortdurende WW terecht. Indien de
WW-uitkering lager is dan de relevante bijstandsnorm voor betrokkene, kan
men in aanmerking komen voor een toeslag op grond van de Toeslagenwet of
voor aanvullende bijstand.
Indien de vervanger voorheen een
bijstandsuitkering ontving en gedurende een periode korter dan zes
maanden vervangt, zijn hiermee onvoldoende WW-rechten opgebouwd en kan
hij een beroep op de Abw doen.
Ten aanzien van een uitkering ingevolge de Anw
geldt dat na de periode van vervanging de korting vervalt zoals die werd
toegepast tijdens de vervanging, waardoor de nabestaandenuitkering weer
volledig tot uitbetaling komt.
Met betrekking tot de
arbeidsongeschiktheidsuitkering geldt het volgende. Indien de uitkering
is herzien of ingetrokken, leidt de beëindiging van de
arbeidsovereenkomst tot vervanging niet tot een verhoging van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering. Uiteraard kan er wel sprake zijn van
een nieuwe of herlevende WW-uitkering (zie hiervoor). Als er sprake was
van anticumulatie door middel van een "fictieve schatting", wordt de
rblz.|18|
arbeidsongeschiktheidsuitkering
weer uitbetaald naar het niveau van vóór de vervanging.
De vervanger die voorheen geen recht had op een
socialezekerheidsuitkering heeft na een vervanging van zes maanden
recht opgebouwd op een kortdurende WW-uitkering.
Indien de vervanger tijdens de vervanging ziek
is geworden en na afloop van het tijdelijk arbeidscontract nog ziek is,
krijgt hij tot maximaal één jaar (periode inclusief
loondoorbetalingsperiode) ziekengeld uitgekeerd (vangnet Ziektewet).
De vervanger kan ook in dienst zijn van een arbeidspool. In dat geval
sluit de arbeidspool een terbeschikkingstellingsovereenkomst met de
werkgever waar de vervanger te werk wordt gesteld. De arbeidspool is op
grond van geldend recht ¹ verplicht de vervanger een salaris te betalen
dat vergelijkbaar is met het salaris van de werknemers in gelijkwaardige
functies bij de inlenende organisatie, tenzij bij CAO anders is overeengekomen. Het einde van de terbeschikkingstelling heeft geen gevolgen
voor de rechtspositie van de vervanger, zolang zijn arbeidsovereenkomst
met de arbeidspool niet wordt beëindigd.
De voorstellen zoals verwoord in het
wetsvoorstel flexibiliteit en zekerheid en het wetsvoorstel
allocatie arbeidskrachten door intermediairs
die de regering recent heeft
aangeboden aan het parlement (Kamerstukken II 1996-1997, 25 263 nrs. 1-3)
zijn ook van betekenis voor de rechtspositie van de vervanger. Het gaat
hierbij met name om de voorstellen rond de tijdelijke contracten en de
voorstellen die betrekking hebben op de rechtspositie van werknemers die
bij derden te werk worden gesteld.
1. In de (door het
Centraal Bureau Arbeidsvoorziening vastgestelde) Regeling voor het ter
beschikking stellen van arbeidskrachten is een systeem vastgelegd
betreffende de verhouding tussen de lonen en de ingeleende
arbeidskrachten en die van de vergelijkbare eigen werknemers in dienst
van het inlenende bedrijf. Dit systeem komt er in essentie op neer dat,
behalve wanneer in een CAO anders is bepaald, de ter beschikking
gestelde arbeidskracht overeenkomstige lonen en overige vergoedingen
dient te ontvangen als de werknemers van de inlener die in gelijke of
gelijkwaardige functies werkzaam zijn (Kamerstukken II 1996-1997, 25 264,
nr. 3, blz. 12 en 13).
4. De
organisatie van de uitvoering
4.1. De uitvoeringsinstantie
De
verantwoordelijkheid voor de toekenning van de
loopbaanonderbrekingsfinanciering zal in handen worden gelegd van het
Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). De feitelijke
uitvoering zal geschieden door uitvoeringsinstellingen. De werkzaamheden
zijn sterk verwant aan het verzorgen van uitkeringen op grond van
bijvoorbeeld de WW. Immers het gaat om het op aanvraag vaststellen van
een recht op een periodieke betaling. Vervolgens moet die betaling
worden uitgevoerd en is er sprake van controleactiviteiten om na te
gaan of de voorwaarden voor de uitkering vervuld zijn. De betrokkenen
zijn daarom ook verplicht om de relevante inlichtingen te verstrekken.
Het Lisv is gerechtigd om nadere regels te stellen met betrekking tot de
aanvraag. De bevoegdheid om eigen beleidsregels op te stellen, stelt het
Lisv in staat om tot een doelmatige procedure te komen en op effectieve
wijze controle uit te oefenen op alle in het wetsvoorstel genoemde
voorwaarden. Bij het uitwerken van de uitvoeringsprocedure zal worden
gestreefd naar een model dat, de randvoorwaarden van rechtmatigheid in
aanmerking nemend, een minimum aan uitvoeringstaken met zich brengt.
Met het registreren van de voorwaarden waaraan
moet zijn voldaan om voor een loopbaanonderbrekingsfinanciering in
aanmerking te komen, is het Lisv tevens in staat om gegevens te
verstrekken waaruit de aantallen vervangers en de door de vervangers
achter gelaten uitkering blijkt. Aan de hand van deze gegevens zal
jaarlijks, zoals in paragraaf 2.3.1 is genoemd, het quotum aan
herintreders worden vastgesteld. Het tijdens een jaar bijhouden van het
aantal herintreders dat daadwerkelijk als vervanger aan de slag gaat, kan
eveneens uit de inlichtingen die de betrokken werkgevers aan de uvi’s
dienen te overleggen, worden afgeleid. In de ministeriële regeling
waarin het quotum jaarlijks wordt vastgelegd, rblz.|19|
zal tevens de bewaking
tegen overschrijding van het quotum worden geïnstrumenteerd.
4.1.1. De aanvraag voor de
loopbaanonderbrekingsfinanciering
De wettelijke regeling schrijft een aantal elementen voor die in ieder
geval voor de aanvraag van belang zijn. Basis voor de aanvraag vormt het
verzoek van de potentiële verlofganger aan het Lisv om over te gaan tot
toekenning van loopbaanonderbrekingsfinanciering. De aanvraag bestaat
uit drie onderdelen. De persoonlijke gegevens van de verlofganger,
gegevens waaruit de inhoud van de verlofafspraak blijkt, respectievelijk
gegevens over de vervanging.
De aanvraag dient uiterlijk vier weken na de
aanvang van het verlof bij het Lisv te worden ingediend.
4.1.2. Beoordelen van de aanvraag
Het Lisv toetst of de aanvraag aan de bij deze wet gestelde eisen
voldoet. Het Lisv kan derhalve overlegging van (administratieve)
bescheiden verlangen waaruit blijkt dat aan de in artikel
2 van de
wet genoemde voorwaarden is voldaan. Aangezien de verlofganger een
werknemer is, heeft hij reeds een relatie met het Lisv, hetzelfde geldt
voor de werkgever. Ook kan het Lisv controleren of de vervanger al dan
niet een uitkeringsgerechtigde werkloze is. In het geval van een
uitkering in het kader van de werknemersverzekeringen kan de verificatie
plaatsvinden via de Gemeenschappelijke Verwijsindex (GVI) van het Lisv.
Op korte termijn zal verificatie van het bestaan van een Abw-uitkering
handmatig bij de gemeente dienen plaats te vinden. Op dit moment wordt
volautomatisch berichtenverkeer hiervoor ontwikkeld. In de toekomst
zullen alle individuele Abw-uitkeringen namelijk gemeld worden aan het
Lisv, zodat gemeenten automatisch bericht kunnen ontvangen als er
inkomen uit arbeid wordt gesignaleerd.
Dezelfde GVI geeft uitsluitsel over de vraag of
de afgelopen twee jaar reguliere arbeid is verricht. De GVI is bij
uitstek ingericht om arbeidsverleden te registreren.
Als aan de wettelijke voorwaarden is voldaan,
kan de Lisv de loopbaanonderbrekingsfinanciering toekennen. De
verlofganger kan bij weigering in beroep gaan.
4.2.
Financieringsstructuur / toezicht
Gegeven de
bereidheid van de werkgever tot vervanging van een verlofganger door een
werkloze, kan de loopbaanonderbrekingsfinanciering worden bekostigd uit
de bespaarde WW- en Abw-uitkeringen. Overwegende de voorgestelde
betrokkenheid van het Lisv bij de uitvoering van de
loopbaanonderbrekingsregeling en de wens van het kabinet om bij het
vormgeven van de financieringsstructuur zoveel als mogelijk aansluiting
te zoeken bij bestaande structuren, ligt het in de rede om de
financiële tegemoetkoming, alsmede de uitvoeringskosten, ten laste van
het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf) te laten komen. Een deel van de
voor de uitvoering van de loopbaanonderbrekingsregeling benodigde
financiële middelen is immers in de vorm van bespaarde WW-uitkering
reeds in het AWf beschikbaar. Het resterende deel van de benodigde
middelen - afkomstig van de bespaarde Abw-uitkeringen als gevolg van
vervanging van een verlofganger door een Abw-gerechtigde, alsmede de
bespaarde wachtgelduitkeringen van ambtenaren en onderwijspersoneel - zal door een bijdrage van het
Rijk in het
AWf worden gestort. Op deze
wijze behoeft geen separaat fonds te worden opgericht en kan het
vereiste toezichts- en verantwoordingsproces worden ingebed in de
bestaande structuur.
rblz.|20|
Jaarlijks
maakt de rijksoverheid een raming van de besparing op uitkeringsgelden
van anderen dan WW-gerechtigden als gevolg van vervanging van
verlofgangers door deze andere uitkeringsgerechtigden. Op basis van deze
raming stort het Rijk een (geoormerkt) voorschot in het AWf ter
bekostiging van de loopbaanonderbrekingsfinanciering. Na afloop van het
jaar moet het werkelijke aantal gerechtigden met een andere uitkering
dan uit hoofde van de WW dat een verlofganger heeft vervangen, worden
bepaald en moet de hiermee samenhangende besparing op de
uitkeringsgelden worden vastgesteld en verrekend. De uitkomsten van de
nacalculatie vormen de basis voor de raming van de omvang van de
rijksbijdrage voor het volgende jaar.
Ten aanzien van het toezicht op de rechtmatige
uitvoering van de loopbaanonderbrekingsregeling heeft het kabinet
zoveel mogelijk aangesloten bij het financiële verantwoordingsproces
zoals beschreven in de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997
(Osv 1997).
Daarin is bepaald dat het Lisv aan het Ctsv
[College van toezicht sociale verzekeringen,
red.] verantwoording aflegt over
de rechtmatigheid van het fondsbeheer. De uitvoeringsinstellingen zullen
derhalve de rechtmatigheid van de verlofuitkering verklaren aan het Ctsv. Naar analogie van de Osv 1997 zorgt het Ctsv vervolgens voor een
verklaring omtrent de rechtmatigheid van de
loopbaanonderbrekingsregeling. Ten behoeve van de handhaving komt het
Lisv dezelfde bevoegdheden toe als bij bestaande loondervingsregelingen,
zoals de Werkloosheidswet. Daarvan zal het Lisv gebruik kunnen maken al
naar gelang de voorwaarden vergelijkbaar zijn.
5. De wet op de
loopbaanonderbrekingsfinanciering in relatie tot andere wettelijke
regelingen
5.1. Loopbaanonderbrekingsfinanciering in
relatie tot de Algemene bijstandswet
In beginsel
geldt dat werknemers die onbetaald verlof opnemen niet voor bijstand in
aanmerking komen. Betrokkene kiest immers vrijwillig voor dat verlof en
er mag derhalve van worden uitgegaan dat bij deze keuze de
inkomensconsequenties zijn meegewogen. Wanneer desondanks een beroep op
bijstand zou worden gedaan, is sprake van een tekortschietend besef van
verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan en zal in het
algemeen bijstand moeten worden geweigerd. In de Algemene bijstandswet
zal voor alle duidelijkheid expliciet worden bepaald dat de verlofganger
voor de duur van de overeengekomen verlofperiode geen aanspraak kan
maken op bijstand. Het ligt ook niet voor de hand de verlofganger in
aanmerking te laten komen voor aanvullende bijstand. De regeling is
immers bedoeld als een aanvullende voorziening op overige financiële
middelen, zoals het sparen door de werknemer zelf voor verlof en
eventuele afspraken over betaald verlof in het kader van het
arbeidsvoorwaardenoverleg. Dit wordt doorkruist wanneer bovenop
financiële vergoeding in het kader van een regeling
loopbaanonderbreking aanvullend bijstand wordt verstrekt.
De reeds nu geldende uitzondering voor de eenoudergezinnen die ouderschapsverlof opnemen, zoals bedoeld in het
Burgerlijk
Wetboek, blijft gehandhaafd. Wanneer het inkomen van een
eenoudergezin door het opnemen van ouderschapsverlof onder het sociaal
minimum daalt, kan dat gezin in aanmerking komen voor aanvullende
bijstand. Voor tweeoudergezinnen bestaat deze mogelijkheid niet. Zij
kunnen immers hun werk- en zorgverdeling onderling zodanig afstemmen dat
het gezin niet onder het bestaansminimum behoeft te komen. Deze
voorgenomen wijziging van de Algemene bijstandswet zal worden
gerealiseerd in het wetgevingstraject waarin ook de andere aanpassingen
in verband met het wegnemen van belemmeringen tijdens en na afloop van
onbetaald verlof worden geregeld.
rblz.|21|
5.2. Samenloop met andere
vormen van gesubsidieerde arbeid
Nagegaan is of
samenloop van de vervanging met vormen van gesubsidieerde arbeid
mogelijk is. In de loopbaanonderbrekingsregeling gaat het bij de
vervanging om reguliere arbeid, van beperkte duur en waarvan de beloning
gerelateerd is aan de functie die de vervanger gaat vervullen. Aan de
hand van deze aspecten zijn in het kader van de vervanging de
verschillende vormen van gesubsidieerde arbeid nagelopen.
Bij de banenpoolregeling gaat het om additionele arbeid die alleen
verricht mag worden in de collectieve en de non-profitsector. De
banenpooldeelnemer is in dienst van de banenpoolorganisatie. De
arbeidsovereenkomst wordt aangegaan voor onbepaalde tijd of bepaalde
tijd met een minimum van twee jaar en de beloning vindt plaats tegen het
minimumloon. Dit betekent dat van samenloop geen sprake zal zijn.
Bij de Jeugdwerkgarantiewet (JWG) gaat het om additionele arbeid in de
vorm van een werkervaringsplaats die zowel verricht kan worden in de
collectieve en non-profitsector als in de marktsector. De jongere is in
dienst van de JWG-organisatie; de arbeidsduur bedraagt maximaal 32 uur
en de arbeidsovereenkomst wordt aangegaan tegen het minimumloon. Ook in
deze situatie zal zich geen samenloop voordoen.
Indien het voorstel van Wet inschakeling werkzoekenden
(Wiw)
(Kamerstukken II 1996-1997, 25 122), dat eind 1996 bij het parlement is
ingediend, kracht van wet krijgt, zullen beide voorgaande regelingen
ophouden te bestaan. Van het instrumentarium dat de gemeenten ingevolge
de nieuwe wet ter beschikking staat, maken deel uit 1. het laten opdoen
van werkervaring door het verrichten van arbeid, 2. alsmede het
verstrekken van een subsidie aan een werkgever die met een persoon uit
de doelgroep een arbeidsovereenkomst sluit teneinde hem werkervaring te
laten opdoen.
ad 1. Bij het laten opdoen van werkervaring door het verrichten van
arbeid gaat het om arbeid die zowel in de collectieve- en non-profitsector als in de marktsector kan worden vervuld, waarbij deze
arbeid niet mag leiden tot verdringing van reguliere arbeid of tot
ongewenste verstoring van de concurrentieverhoudingen. Hiertoe is onder
andere geregeld dat het medezeggenschapsorgaan instemt met het inlenen
van Wiw-werknemers, dat binnen het toegestane maximumpercentage
ingevolge de regeling wordt gebleven, dat een passende inleenvergoeding
wordt gevraagd en dat geen ontslag om bedrijfseconomische redenen is
aangevraagd. De deelnemer is in dienst van de gemeente die de betrokkene
detacheert bij een werkgever. De arbeidsduur bedraagt in beginsel 32 uur
en het loon is aan voorgeschreven maxima gebonden. Voor jongeren tot 23
jaar geldt een sluitende benadering en voor langdurig werklozen van 23
jaar of ouder wordt de dienstbetrekking in eerste instantie aangegaan
voor de duur van twee jaar. Gelet op het vorenstaande zal de situatie
van samenloop zich niet voordoen.
ad 2. Wat betreft het verstrekken van een subsidie aan een werkgever die
met een persoon uit de doelgroep een arbeidsovereenkomst sluit teneinde
hem werkervaring te laten opdoen, wordt opgemerkt dat de situatie van
samenloop zich hierbij kan voordoen, aangezien de werkgever hierbij de
werkloze in dienst neemt en in het voorstel van Wet
inschakeling
werkzoekenden vooralsnog geen beperkende voorwaarden zijn opgenomen.
rblz.|22|
Bij de
Regeling extra werkgelegenheid voor langdurig werklozen gaat het om
reguliere arbeid met in beginsel een maximale arbeidsduur van 32 uur. De
arbeid in het kader van deze regeling kan alleen worden verricht in
delen van de collectieve sector, waarvan de beloning begint op 100% van
het minimumloon en kan oplopen tot 120% daarvan. Voorts moet de
arbeidsplaats gerealiseerd worden in aanvulling op reeds bestaande
werkgelegenheid. Het is daarom niet denkbaar dat vervangingsarbeid in de
praktijk wordt geïnterpreteerd als een extra arbeidsplaats in de zin
van de Regeling extra werkgelegenheid voor langdurig werklozen. Tussen
beide regelingen zal samenloop zich dan ook niet voordoen.
De Kaderregeling arbeidsinpassing is een loonkostensubsidieregeling en
is gericht op het bevorderen van duurzame (weder)opneming van werklozen
in het arbeidsproces. De arbeidsplaats moet additioneel zijn en kan
alleen worden toegepast op basis van een CAO-afspraak of op basis van
een afspraak tussen werkgever en werknemer en ondernemingsraad. Voorts
dient de werkervaringsplaats een reëel perspectief te bieden op
doorstroming naar een reguliere arbeidsplaats bij de werkgever of een
derde. Ook moet worden nagegaan dat de werkervaringsplaats niet voorzien
is in de begroting van de werkgever in het jaar voorafgaand aan de
subsidieaanvraag. Gezien deze voorwaarden zal samenloop tussen deze
regelingen zich niet voordoen.
De Wet
vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen
zal kunnen samengaan met een loopbaanonderbrekingsfinanciering.
Bij het voldoen aan bepaalde voorwaarden is de
afdrachtskorting langdurig werklozen van toepassing bij het in dienst
nemen van een persoon die langer dan twaalf maanden (respectievelijk zes
maanden in een aantal aangewezen regio’s) als werkloos werkzoekende
staat ingeschreven bij Arbeidsvoorziening. De afdrachtskorting geldt bij
een dienstverband van minimaal twaalf weken en bij een arbeidsduur van
gemiddeld vijftien uur per week en zij is maximaal voor een periode van 48
maanden van toepassing. De aan te stellen werknemer mag bij een werkweek
van 32 uur of meer niet meer verdienen dan 130% van het minimumloon. Bij
het aanstellen van een langdurig werkloze voor minimaal 32 uur heeft de
werkgever recht op de maximale afdrachtskorting van ƒ4500,- per jaar. De
Arbeidsvoorzieningsorganisatie verstrekt voor de toepassing van de
afdrachtskorting een verklaring langdurig werklozen, die bij de
administratie van de werkgever moet worden gevoegd. Bij beëindiging van
het dienstverband vervalt de afdrachtskorting.
De afdrachtskorting lage lonen bedraagt met ingang van 1 januari 1997 ƒ1830,- per jaar voor een volwassen werknemer met een dienstverband van
ten minste 32 uur. Deze afdrachtskorting kan bovenop de afdrachtskorting
langdurig werklozen komen tot een maximum van ƒ6000,- per jaar. De aan
te stellen werknemer mag bij een werkweek van 32 uur of meer niet meer
verdienen dan 115% van het voor de betrokkene van toepassing zijnde minimumloon. Bij een werkweek van minder dan 32 uur moeten de
verdiensten navenant lager liggen. Voor de toepassing van de
afdrachtskorting lage lonen is geen verklaring van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie nodig. Tevens is
- in tegenstelling tot
de afdrachtskorting langdurig werklozen - er geen beperking in de duur
van de toepassing.
Voorts is per 1 januari 1997 een zogenaamde doorstroomkorting ingevoerd.
Tot de doelgroep om voor deze korting in aanmerking te komen, behoren de
werknemers voor wie de werkgever geen lagelonenkorting meer krijgt,
maar voor wie bij dezelfde werkgever korter dan 24 maanden geleden nog
wel de lagelonenkorting van toepassing rblz.|23|
was, tenzij deze incidenteel
werd verstrekt. Voor een persoon van 23 jaar of ouder die met de
lagelonenkorting in dienst is geweest, kan de werkgever aansluitend nog
twee jaar de doorstroomkorting ontvangen. Deze bedraagt de helft van de
lagelonenkorting.
Voor de goede orde wordt opgemerkt dat voor
zover zij voldoen aan de criteria van de wet, personen die werkzaam
zijn ingevolge een regeling van gesubsidieerde [gesubsidieerde arbeid, red.]
in beginsel eveneens in
aanmerking kunnen komen om met loopbaanonderbrekingsverlof te gaan.
Tot slot wordt nog ingegaan op een aspect waarmee de werkgever van de
verlofganger in het kader van de afdrachtskorting lage lonen en
langdurig werklozen bij loopbaanonderbreking kan worden geconfronteerd.
Gedurende de periode van de loopbaanonderbreking wordt het dienstverband
van de verlofganger in stand gehouden, maar wordt geen loon uitbetaald.
Derhalve is het in deze periode niet mogelijk om de afdrachtskorting
lage lonen noch de afdrachtskorting langdurig werklozen toe te passen
voor de betrokken verlofganger. Indien na hervatting van het werk het
loon wederom aan de vereisten voldoet van de afdrachtskorting lage
lonen, kan deze weer worden toegepast tot het moment dat de 115% wordt
overschreden. Ook de afdrachtskorting langdurig werklozen kan na
hervatting - mits nog steeds aan de voorwaarden wordt voldaan - weer
worden toegepast. De periode van de loopbaanonderbreking wordt echter
wel meegeteld in de totale duur waarvoor de verklaring is afgegeven,
zijnde 48 maanden. Bij een loopbaanonderbreking van bijvoorbeeld zes maanden is derhalve een maximale afdrachtskorting langdurig werklozen
mogelijk van ƒ15 750,- (42/48 x (4 x ƒ4500,-).
6. Loopbaanonderbrekingsfinancieringsregelingen in het buitenland
Een
loopbaanonderbrekingsregeling als de onderhavige functioneert slechts
in een beperkt aantal landen. Vergelijkbare buitenlandse regelingen die
aanknopingspunten bieden voor het Nederlandse voorstel functioneren
alleen in België, Denemarken en Finland.
In België kent men sinds
tien jaar een wettelijke regeling voor loopbaanonderbreking. Een Belgische
werknemer
kan een uitkering ontvangen op voorwaarde dat de
werkgever zich ertoe verbindt om de betrokken werknemer te vervangen
door een uitkeringsgerechtigde werkloze. Deze uitkering bedraagt ongeveer
ƒ600,- per maand bij een voltijds verlof. Per
arbeidsleven is het
toegestaan om vijf keer de loopbaan te onderbreken. Er geldt een minimum van
drie maanden (bij de overheid zes maanden) en een maximum van één jaar.
Tevens bestaat de mogelijkheid om de periode van vijf jaar
aaneengesloten op te nemen.
Het doel van het verlof
is vrij. In de praktijk wordt het verlof vooral opgenomen ten behoeve
van de zorg voor kinderen. België kent overigens nog geen wettelijke
recht op ouderschapsverlof. Wel bestaat er een aparte regeling voor
betaald educatief verlof waarbij vervanging niet vereist is.
Hoewel de Belgische wet
aanvankelijk geen recht op loopbaanonderbreking regelde, zijn in de
afgelopen jaren op beperkte schaal rechten op
loopbaanonderbreking vastgelegd.
Nadat al in veel CAO’s
afspraken waren opgenomen, is in de wet vastgelegd dat, indien er niets
bij CAO geregeld is, een werkgever verplicht is om minimaal 1% van de
werknemers loopbaanonderbreking toe te staan. Ook werknemers die
zogenaamd palliatief verlof (terminaal verzorgingsverlof) willen opnemen,
kunnen sinds 1995 gebruik maken van rblz.|24|
een wettelijk recht ter zake.
Vervanging is in geval van palliatief verlof niet verplicht.
Uit de ervaringen met de
loopbaanonderbrekingsregeling in België blijkt dat jaarlijks 50 000
werknemers van deze regeling gebruik maken en eenzelfde aantal
vervangers instroomt. De verdeling bij de verlofgangers tussen vrouwen
en mannen is 85%/15%.
Betrouwbare gegevens over
de mate waarin de vervanging tot eventuele problemen leidt, ontbreken.
Wel is het zo dat een tekort aan vervangers in de zorgsector geleid
heeft tot het toelaten tot de regeling van herintredende vrouwen zonder
werkloosheidsuitkering. Daarnaast is in sommige CAO’s het recht voor
werkgevers opgenomen om moeilijk te vervangen personeel uit te sluiten
van loopbaanonderbreking.
Per saldo is de Belgische
regeling voor de overheid batig: de besparingen op de uitkeringen
overtreffen de uitgaven voor de verlofuitkeringen.
Evaluatieve onderzoeken
naar het functioneren van de regeling in België ontbreken.
De Deense regeling
vertoont veel overeenkomsten met de Belgische, maar kent een aantal
belangrijke afwijkingen. Op de eerste plaats maakt men in Denemarken in
tegenstelling tot België wat betreft de hoogte van de
loopbaanonderbrekingsuitkering wel onderscheid naar verlofdoel. Zowel
duur, voorwaarden en hoogte van de uitkering variëren al naar gelang het doel waarvoor
het verlof wordt opgenomen. De uitkering die de verlofganger ontvangt,
is afgeleid van de Deense werkloosheidsuitkering. Voor scholingsverlof
ontvangt men 100%, voor ouderschapsverlof 60% en voor sabbatsverlof
eveneens 60% van de maximale werkloosheidsuitkering (ongeveer ƒ2000,- bruto).
De percentages voor ouderschapsverlof en voor sabbatsverlof
zijn de laatste jaren herhaaldelijk verlaagd. Toch is de
hoogte van de verlofuitkering nog steeds aanzienlijk hoger dan in België. Een
ander opmerkelijk verschil is dat de Deense regeling vervanging
alleen verplicht stelt bij sabbatsverlof. Ondanks deze beperkte verplichting
worden, zo blijkt uit een Deense evaluatie uit 1996, ook
scholingsverlofgangers en ouderschapsverlofgangers in 63% van de gevallen vervangen. In
een derde van de gevallen vindt vervanging plaats door een werkloze. In
1995 waren er in totaal ongeveer 136 000 verlofgangers tegenover ongeveer 87
000
vervangers. Een laatste opmerkelijk aspect van de Deense
regeling is dat het ouderschapsverlof en het educatieve verlof ook
opgenomen kan worden door werklozen. Tijdelijk vervalt dan hun
sollicitatieplicht en krijgen zij een lagere uitkering.
Uit de genoemde evaluatie
naar het gebruik en de effecten van de verlofregelingen blijkt
dat van de verlofgangers 20% man en 80% vrouw is. Opmerkelijk is dat
van alle verlofgangers die het verlof opnemen omwille van educatie ruim
60% vrouw is. Met name het educatief verlof wordt door werkgevers en werknemers als zeer succesvol getypeerd als
gevolg van zowel het
economisch als het individuele rendement. In de praktijk blijkt educatief
verlof vaak door werkgevers aangeboden te worden in de vorm van een
groepsgewijze training van werknemers. In die situaties betalen
werkgevers het verlof ook doorgaans door.
De OESO heeft over de
Deense verlofregelingen opgemerkt dat deze op lange termijn negatieve
effecten kunnen hebben doordat het arbeidsaanbod vermindert.¹ In de
Deense evaluatie wordt echter gesteld dat de verhouding tussen
positieve- en negatieve langetermijneffecten nog niet geheel te
overzien is. De mate waarin effecten zullen optreden, wordt beïnvloed
door de mogelijkheid om de verlofregelingen af te stemmen op bewegingen
op de arbeidsmarkt.² De OESO vraagt zich tevens af of deze
verlofregelingen leiden tot grotere kansen om een reguliere baan te
krijgen. Uit de Deense evaluatie blijkt dat ongeveer 42% rblz.|25|
van de vervangers na
afloop van de vervangingsperiode doorstroomt naar een reguliere
functie binnen de onderneming.
1. OESO Economic Survey
Denmark 1996.
2. Zo wordt ook gesteld in een artikel van J. Spapens, Verlofbeleid in
Denemarken, ESB november 1996, jaargang 81, nr. 4083.
In Finland is sinds begin
1996 een tijdelijke regeling voor loopbaanonderbreking van start gegaan.
Het Finse model is een mengvorm van het Deense en Belgische systeem. Het
unieke van het Finse model bestaat met name uit de ontstaansgeschiedenis
van het experiment. De vergrijzing van de beroepsbevolking was in
Finland aanvankelijk de drijfveer om met een
loopbaanonderbrekingsregeling te komen, de later oplopende werkloosheid
een tweede argument. Sterker dus dan in de beide andere landen
overheerst in Finland de overweging dat een tijdelijke
loopbaanonderbreking in de vorm van opfrisverlof essentieel is voor het
op peil houden van de arbeidsproductiviteit van oudere werknemers.
De overeenkomsten met het
Belgische systeem zijn dat er geen recht op verlof is gecreëerd en dat
er in alle gevallen sprake moet zijn van vervanging. Ook in Finland
wordt er geen onderscheid gemaakt naar verlofdoel. Wat betreft de hoogte
van de uitkering komt het Finse model overeen met het Deense in die zin
dat de hoogte van de tegemoetkoming is afgeleid van het de
werkloosheidsuitkering. Op dit moment ontvangt een verlofganger 60% van
de werkloosheidsuitkering met een maximum van 4500 Finse marken (ƒ1700,-
bruto). In Finland kan het verlof in het kader van deze
tijdelijke regeling alleen voltijd worden opgenomen. In Finland wordt
het experiment met nauwkeurige metingen bijgehouden. Na negen maanden
hadden 5000 werknemers gebruik gemaakt van de regeling, waarvan 70%
vrouwen en 30% mannen. Ook over de verlofdoelen is informatie
beschikbaar. 37% van de verlofgangers neemt het verlof op om uit te
rusten; 18% voor zorgdoeleinden; 14% voor educatie en 14% voor het
uitoefenen van hobby’s. 17% besteedt het verlof aan andere doeleinden.
Daarnaast kent Finland een regeling die het (tijdelijk) in deeltijd gaan
werken stimuleert door voor een periode van maximaal één jaar een
suppletie op het deeltijdloon te verstrekken. Ook in die regeling is
vervanging van de persoon die in deeltijd gaat werken een vereiste; de
werkgever moet bovendien de deeltijder garanderen dat deze desgewenst na
afloop van de periode waarvoor suppletie op het loon is verstrekt weer
een voltijdbaan krijgt. Van deze deeltijdregeling wordt met name door
vrouwen met kinderen gebruik gemaakt.
7. Budgettaire
gevolgen en macro-economische effecten
7.1. Budgettaire effecten
voor de collectieve sector
Met een regeling voor de
loopbaanonderbrekingsfinanciering zijn voor de collectieve sector kosten
maar ook baten gemoeid.
Op
microniveau kan de
financiële uitwerking van de loopbaanonderbrekingsregeling als volgt
geïllustreerd worden: De werknemer die met verlof gaat, ziet voor de
duur en omvang hiervan af van een arbeidsloon. In zijn/haar plaats wordt
een uitkeringsgerechtigde werkloze vervanger aangetrokken (voor ten
minste achttien uur per week; niet noodzakelijk op de vrijvallende
arbeidsplaats). De vervanger ontvangt een arbeidsloon van de werkgever.
Zijn uitkering vervalt. Tegenover de besparingen op uitkeringen staat
een bedrag van ƒ960,- bruto per maand dat aan de fulltimeverlofganger
wordt uitgekeerd.
Ter illustratie zijn van
vier situaties die zich voor kunnen doen wanneer
loopbaanonderbrekingsverlof wordt opgenomen en de vervanger afkomstig is
uit respectievelijk de WW (situatie 1 tot en met
3) en de Abw
(situatie 4), de
kosten en de baten geraamd (zie tabel 2). In het eerste voorbeeld wordt
vier maanden gebruik gemaakt van de loopbaanonderbrekingsfinanciering. rblz.|26|
De
verlofvergoeding, die gedurende deze vier maanden wordt uitgekeerd, kost
ƒ3840,- (4 * ƒ960,-). De uitvoeringskosten zijn geraamd op ƒ250,-. De
vervanger is afkomstig uit een WW-uitkeringssituatie; op het moment dat
hij gaat vervangen, heeft hij nog recht op vier maanden WW. Deze WW-lasten
worden in eerste instantie bespaard. Dit levert ƒ8680,- (4 * ƒ2170,-) op.
Aan het eind van de vervangingsperiode herleven de WW-rechten van de
vervanger. Hij valt terug in de WW en maakt alsnog gebruik van de vier maanden WW-uitkering waarop hij nog recht had. Daarmee wordt de in
eerste instantie gerealiseerde besparing van ƒ8680,- tenietgedaan. Na
afloop van de WW-periode heeft betrokkene geen recht op Abw. Netto
bedragen de kosten van deze loopbaanonderbrekingsperiode ƒ4090,-.
De tweede situatie is
identiek aan de eerste, maar nu heeft de vervanger wel recht op
Abw-uitkering na de WW-periode. De Abw-uitkering gaat vier maanden later in
dan zonder de loopbaanonderbreking het geval was geweest en er wordt dus
ƒ6052,- (4 * ƒ1513,-) bespaard. In dit geval wordt netto ƒ1962,- bespaard.
Ook in de derde situatie
wordt vier maanden gebruik gemaakt van de
loopbaanonderbrekingsfinanciering.
De verlofvergoeding, die gedurende deze vier maanden wordt uitgekeerd, kost
ƒ3840,- (4 * ƒ960,-). De uitvoeringskosten bedragen ƒ250,-. De vervanger is
afkomstig uit een WW-uitkeringssituatie; op het moment dat hij gaat
vervangen, heeft hij nog recht op vier maanden WW. Deze WW-lasten worden in
eerste instantie bespaard. Dit levert ƒ8680,- op (4 * ƒ2170,-). Aan het eind
van de vervangingsperiode vindt de vervanger een baan. Hij maakt dus
geen gebruik meer van zijn WW-rechten. Dit loopbaanonderbrekingsverlof
levert per saldo ƒ4590,- op.
In situatie 4 is de
vervanger uit de Abw afkomstig. Gedurende de periode dat hij gaat
vervangen, wordt dus een Abw-uitkering bespaard. Dit levert ƒ6052,- (4
* ƒ1513,-) op. De verlofvergoeding en de uitvoeringskosten bedragen respectievelijk
ƒ3840,- en ƒ250,-. Per saldo wordt in deze situatie ƒ1952,- bespaard.
Tabel 2. Illustratie van
de budgettaire effecten van een LBO-regeling [loopbaanonderbrekingsregeling, red.] op microniveau, bij een verlofduur van
vier maanden (in guldens; + = kosten, – = besparing):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
Situatie 1:
de vervanger komt uit de WW
en valt terug in de WW |
Situatie 2:
de vervanger komt uit de WW en valt terug in de WW/Abw |
Situatie 3:
de vervanger komt uit de WW en valt niet terug in de WW |
Situatie 4:
de vervanger komt uit de Abw en valt terug in de Abw |
| Kosten
LBO-vergoeding |
3840xxxx |
3840xxxx |
3840xxxx |
3840xxxx |
| Uitvoeringskosten |
250xxxx |
250xxxx |
250xxxx |
250xxxx |
| Besparing
WW-uitkeringen |
0xxxx |
0xxxx |
–8680xxxx |
0xxxx |
| Besparing
Abw-uitkeringen |
0xxxx |
–6052xxxx |
0xxxx |
0xxxx |
| Saldo
kosten/besparingen |
4090xxxx |
–1962xxxx |
–4590xxxx |
–1962xxxx |
Bij de raming van
budgettaire effecten van de regeling voor de collectieve sector is met
de volgende aspecten rekening gehouden:
Kosten bestaan uit
verlofvergoedingen en uitvoeringskosten van de loopbaanonderbrekingsregeling
(LBO-regeling). Baten bestaan uit de besparingen op WW- en
bijstandsuitkeringen voor werklozen die als vervanger bij een
werkgever in dienst treden. Positieve en negatieve effecten voor de fiscus
en doorwerkingseffecten op de WW (vervangers bouwen immers gedurende
een vervangingsperiode rechten in het kader van de Werkloosheidswet
op) zijn buiten beschouwing gelaten.
rblz.|27|
Op
basis van het onderzoeksrapport "De mogelijkheden van
loopbaanonderbreking in Nederland", van april 1996,¹ hierna te noemen het
OSA-behoefteonderzoek,
veronderstellen ongeveer 840 000 werknemers binnen een termijn van
vijftien jaar behoefte te hebben aan een langerdurend verlof, op basis van een
vergoeding van overheidswege ad ƒ600,- netto, naast sparen in de vorm
van tijd en/of geld. Verondersteld is dat - na een aanloopfase van vijf jaar
- op jaarbasis circa 56 000 personen in het kader van een
loopbaanonderbrekingsregeling met verlof zullen gaan.
Voorts kan op basis van
het OSA-behoefteonderzoek worden aangenomen dat (met inachtneming van
de eis dat verlof ten minste de helft van de individuele
arbeidsduur bedraagt) 50% van de verlofgangers 30 of meer uur per week verlof
opneemt, dat 30% van hen wekelijks 20-30 uur met verlof gaat en 20% 10-20
uur. De spreiding naar verlofomvang beïnvloedt - via de
staffeling van verlofvergoedingsbedragen per maand - de kosten van de
regeling.
1. Dit onderzoek is
uitgevoerd door Research voor Beleid, J. Spaans,
in opdracht van de Organisatie voor Strategisch Arbeidsonderzoek (OSA), werkdocument W142
van de OSA.
De raming is gebaseerd op
brutokosten en -baten, dat wil zeggen als kostenpost zijn gebruteerde
verlofvergoedingen (netto + belasting/sociale premies volksverzekeringen)
ingeboekt. De gehanteerde bedragen zijn respectievelijk ƒ960,- (voor de meeste gevallen
neerkomend op een nettobedrag dat ligt tussen ƒ800,- en ƒ1000,-), ƒ480,-
en ƒ160,-. De verlofganger wordt achteraf belast via de inkomstenbelasting. De
totale uitgaven voor loopbaanonderbrekingsvergoedingen worden vervolgens tegen
brutobesparingen op uitgaven voor uitkeringen afgezet.
De door de vervanging gemiddeld bespaarde brutobijstandsuitkering
is ruim ƒ18 000,- (per jaar) geraamd. Voor de gemiddelde bruto-WW-uitkering is met
ƒ26 000,- op jaarbasis gerekend. Voor de uvi’s zijn
uitvoeringskosten ingeboekt in verband met het verzorgen van de
loopbaanonderbrekingsvergoedingen.
Op basis van het
OSA-behoefteonderzoek is een (gewogen) gemiddelde duur van het
loopbaanonderbrekingsverlof van 3,4 maanden verondersteld.
Aangenomen is dat
vervangers voor 50% uit de WW en voor 50% uit de
bijstand gerecruteerd
zullen worden. Hoewel Anw-gerechtigden in principe ook tot de kring
van vervangers behoren, zijn ze uit praktische overwegingen buiten de
raming gelaten.¹ Hetzelfde geldt voor de WAO-,
WAZ-,
Wajong-,
Ioaw- en Ioaz-gerechtigden. In de hier gepresenteerde berekeningen is dus geen
rekening gehouden met vervangers die niet afkomstig zijn uit een
WW- of Abw-uitkeringssituatie.
1. Het aantal vervangers
met een uitkering op basis van de Algemene
nabestaandenwet (Anw) zal in de eerste
jaren van de regeling voor
loopbaanonderbrekingsfinanciering naar verwachting zeer
gering zijn. Dit omdat de meest voor
vervanging in aanmerking komende categorie Anw-ers (i.e. degenen die in of na 1950
geboren zijn, van wie het jongste kind
binnenkort 18 jaar zal worden en die
geen inkomen uit of in verband met arbeid hebben)
voorlopig nog gering van omvang zal
zijn. Deze groep loopt het risico de
Anw-uitkering te verliezen. Naar schatting zal de
jaarlijkse uitstroom van deze groep
uit de Anw in de periode 1996-2001
slechts van 35 naar 275 personen oplopen. Om
die reden is vooralsnog afgezien van
een aanpassing van de Anw-meerjarenraming.
Terugval: De raming houdt
rekening met een percentage vervangers dat na afloop van het
arbeidscontract in een uitkeringssituatie terugvalt. Voor WW-vervangers is het
percentage terugval in de WW op 60% geschat. Aangenomen is dat na
voltooiing van de WW-periode 50% van de ex-vervangers geen recht
heeft op Abw. Voor bijstandsvervangers is ervan uitgegaan dat 60%
uiteindelijk terugvalt in de uitkeringssituatie.
De raming van budgettaire
effecten voor de collectieve sector is in de volgende tabel weergegeven:
rblz.|28|
Tabel 3. Budgettaire
effecten van een LBO-regeling op jaarbasis in de structurele situatie (in
miljoen gulden; +
= kosten, – = besparing):
| Kosten
LBO-vergoeding |
125xxxxxxxxxx |
| Uitvoeringskosten |
14xxxxxxxxxx |
| Totaal |
139xxxxxxxxxx |
| x |
x |
| Besparingen WW-uitkeringen |
61xxxxxxxxxx |
| Besparingen
Abw-uitkeringen |
138xxxxxxxxxx |
| Totaal |
199xxxxxxxxxx |
| x |
x |
| Saldo
kosten/besparingen |
–60xxxxxxxxxx |
Samengevat: de raming
leidt tot een batig saldo van kosten en besparingen voor de
collectieve sector van rond de ƒ60 miljoen per jaar. Aldus wordt een
budgettair neutrale financiering van de loopbaanonderbrekingsregeling gewaarborgd. Dit opent de
mogelijkheid om 15 000 à 20 000 personen
zónder vrijvallende uitkering als vervanger een kans te geven (bij een
gemiddelde verlofduur van 3,4 maanden). Hierbij is geen rekening gehouden
met het feit dat vervangers nieuwe WW-rechten kunnen opbouwen.
De becijferingen van de
budgettaire effecten zijn gebaseerd op de structurele situatie. Dit
is de situatie waarin het jaarlijks volume verlofgangers een stabiel niveau heeft
aangenomen. Deze situatie zal echter pas na een aantal jaren
ontstaan. Dientengevolge zullen aanvankelijk zowel de kosten als de baten van
de regeling lager uitvallen. Voor de budgettaire neutraliteit heeft dit
overigens geen gevolgen.
In oktober 1996 heeft ook
het Centraal Planbureau (CPB) een ex-anteberekening gemaakt van de
effecten van een regeling voor loopbaanonderbrekingsfinanciering op de overheidsfinanciën
en de sociale fondsen (ook exclusief de kosten
vanwege doorwerkingseffecten in de sfeer van de werkloosheidsverzekering).
Het CPB heeft zijn
berekeningen op een variant afgestemd met een substantieel aandeel
vervangers waarop geen uitkering wordt bespaard (i.e. 10% van de
vervangers). De CPB-ex-anteraming resulteerde in een positief netto saldo
ad ƒ67 miljoen. Het verschil met de hierboven in tabel 3 gegeven raming is in
belangrijke mate terug te voeren op het feit dat er in de CPB-berekeningen
met betrekking tot vervangers die uit de WW afkomstig
zijn geen
rekening mee is gehouden dat deze vervangers na afloop van de WW-periode
bij terugval in de uitkeringssituatie alsnog recht hebben op de
resterende WW-duur.
7.2. Bedrijfseffecten
Bedrijfseffecten
In deze paragraaf worden
de kosten en baten van het wetsvoorstel voor bedrijven en instellingen
toegelicht. Het wetsvoorstel kan in beginsel voor alle categorieën
bedrijven/instellingen in de economie gevolgen hebben. In de praktijk zal een
loopbaanonderbrekingsregeling voornamelijk gevolgen hebben voor de
gezondheids- en welzijnszorg (SBI ’93: 85) [SBI "93: Standaard
bedrijfsindeling 1993 (van het Centraal Bureau
voor de Statistiek), red.], de zakelijke dienstverlening (SBI ’93: 70-74), cultuur en overige dienstverlening
(SBI ’93: 90-93), het
openbaar bestuur (SBI ’93: 75) en financiële instellingen (SBI ’93:
65-67). Dit zijn de bedrijfstakken waar relatief veel vrouwen werken, die
relatief veel grote bedrijven bevatten, waar werkgevers redelijk
welwillend tegenover een loopbaanonderbrekingsregeling staan en/of waar relatief
veel zorg- of ouderschapsverlof is opgenomen.¹
1. Zie het OSA-behoefteonderzoek. Uit dit onderzoek is ook gebleken
dat de animo voor verlofregelingen bij
vrouwen groter is dan bij mannen. Bij de
ouderschapsverlofregeling bijvoorbeeld is het
percentage vrouwen dat verlof
opneemt bijna drie keer zo groot als
het percentage mannen (uitgaande van de
rechthebbenden). Ook blijkt dat het met
name grotere bedrijven en instellingen zijn
waar werkgevers iets voelen voor een loopbaanonderbrekingsregeling. Werkgevers in de
overheids- en zorgsector blijken
relatief het meest positief te
reageren (respectievelijk 64% en 50% van de
geënquêteerden).
rblz.|29|
Voor
bedrijven/instellingen brengt het gebruik van de regeling voor
loopbaanonderbrekingsfinanciering
zowel kosten als beperkingen op uitgaven met zich mee. De
uitgavenbeperkingen bestaan uit de arbeidskosten van de verlofganger. Deze
hoeven immers gedurende de verlofperiode niet betaald te worden.
De kosten bestaan uit de arbeidskosten van de vervanger en uit
kosten in verband met werving en selectie, administratie, inwerken
en dergelijke. Daarnaast kan nog sprake zijn van productiviteitsverliezen.
In het onderstaande wordt
een schatting gepresenteerd van de effecten voor het bedrijfsleven
als geheel. Hierbij zijn de navolgende veronderstellingen gehanteerd:
Op basis van het OSA-behoefteonderzoek is uitgegaan van 56 000 verlofgangers per jaar,
die gemiddeld 28 uur per week gedurende een periode van 3,4 maanden
verlof opnemen. Verder is op basis van dit onderzoek aangenomen dat
de verlofganger gemiddeld ruim ƒ2700,- netto per maand verdient (bij
een 40-urige werkweek). De kosten van werving en selectie,
administratie, inwerken, etc., zijn geraamd op 7,5% van de arbeidskosten van de
vervanger.
De berekeningen zijn
gebaseerd op de structurele situatie, waarbij 56 000 personen per jaar
loopbaanonderbrekingsverlof opnemen. Het is aannemelijk dat het een
jaar of vijf duurt vóór deze situatie bereikt zal zijn. Zowel de kosten als de
uitgavenbeperkingen zullen in de eerste jaren na invoering van de regeling
dus geleidelijk oplopen naar de in tabel 4 gepresenteerde niveaus.
Voor de schatting van
bedrijfseffecten zijn twee extreme scenario’s doorgerekend:
1. De vervanger wordt
aangesteld op de functie van de verlofganger.
Naar verwachting zijn de
arbeidskosten van de vervanger lager dan die van de verlofganger,
omdat hij/zij in het algemeen minder ervaren is. Dit verschil kan worden
aangewend om de kosten van werving en selectie, administratie, inwerken
en mogelijke productiviteitsverliezen te neutraliseren. Voor
bedrijven/instellingen is in dit geval het saldo van kosten en uitgavenbeperkingen van
deelname aan de loopbaanonderbrekingsregeling nul.
2. De vervanger wordt
niet op de functie van de verlofganger aangesteld, maar elders in de
organisatie op een lager- c.q. laagbetaalde functie ingezet.
De beperking op
arbeidskosten door verlofopname is geraamd op ƒ900 miljoen. Wanneer 50% van de
vervangers het wettelijk minimumloon ontvangt en 50% een
modaal inkomen krijgt, bedragen de arbeidskosten van de vervangers ruim ƒ700
miljoen. De kosten van werving en selectie zijn te ramen op ƒ55 miljoen.
Hiernaast moet rekening gehouden worden met mogelijke
productiviteitsverliezen. De omvang hiervan is moeilijk te kwantificeren.
Tabel 4
laat zien dat voor deze productiviteitsverliezen een marge in de gemaakte
becijfering aanwezig is van ƒ135 miljoen. Hierbij moet opgemerkt worden dat
naarmate collega’s meer werkzaamheden van de verlofganger overnemen,
eerder sprake zal zijn van een verhoging van de werkdruk dan van
productiviteitsverliezen. Verder kan het uitgangspunt dat geen recht van de
werknemer op verlof is gecreëerd en de verlofganger dus
instemming/medewerking van de werkgever behoeft, mogelijke
productiviteitsverliezen aanzienlijk beperken. Wanneer in dit scenario alle vervangers
het wettelijk minimumloon ontvangen, zijn de bespaarde arbeidskosten
van de verlofganger ƒ380 miljoen hoger dan de arbeidskosten van de
vervanging. Rekening houdend met kosten van werving en selectie van ƒ40
miljoen geeft dit een marge van ƒ340 miljoen om productiviteitsverliezen
op te vangen.
rblz.|30|
Tabel 4.
Kosten-batenbalans
voor bedrijven van loopbaanonderbreking (in miljoen gulden):
| Vervanging: 50%
wettelijk minimumloon/50%
modaal |
| Baten |
Kosten |
| Arbeidskosten
verlofganger |
900 |
Arbeidskosten vervanging |
710 |
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
x |
Werving/selectie, administratie,
inwerken, etc. |
v55 |
| x |
x |
Marge voor
productiviteitsverlies |
135 |
| Totaal |
900 |
Totaalxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
900 |
| Vervanging: 100%
wettelijk minimumloon |
| Baten |
Kosten |
| Arbeidskosten
verlofganger |
900 |
Arbeidskosten vervanging |
520 |
| x |
x |
Werving/selectie, administratie,
inwerken, etc. |
v40 |
| x |
x |
Marge voor
productiviteitsverlies |
340 |
| Totaal |
900 |
Totaal |
900 |
Samengevat: de
loopbaanonderbrekingsregeling hoeft voor bedrijven/instellingen niet tot een
kostenstijging te leiden. Het verschil tussen de arbeidskosten van de
vervanger en de verlofganger kan worden aangewend om mogelijke
productiviteitsverliezen te neutraliseren
7.3. Macro-economische
(werkgelegenheids)effecten
Op verzoek van het
ministerie van SZW heeft het Centraal Planbureau enkele indicaties gegeven
van de macro-economische gevolgen van een regeling voor de
loopbaanonderbrekingsfinanciering. De indicaties zijn gebaseerd op een variant,
die volgens het CPB erg weinig verschilt van de variant die in het
onderhavige wetsvoorstel wordt gepresenteerd.
Het CPB benadrukt hierbij
dat de impulsen en dus ook de macro-economische effecten van een regeling
voor de loopbaanonderbrekingsfinanciering betrekkelijk gering zijn.
Initieel wordt het
arbeidsaanbod als gevolg van de regeling 7500 arbeidsjaren kleiner (30
000 verlofgangers gedurende gemiddeld drie maanden per
verlofganger). Dit veroorzaakt enige verkrapping op de arbeidsmarkt, hetgeen in
het door het CPB gehanteerde algemeen evenwichtsmodel MIMIC [Micro Macro
model to analyze the Institutional Context, red.] een
licht loonopdrijvend effect tot gevolg heeft. Hierdoor zal de
werkgelegenheid iets afnemen. De werkloosheid kan toch licht dalen omdat, als
gevolg van de verlofregeling, het effectieve arbeidsaanbod afneemt.
In de integrale
doorrekening van de macro-economische effecten overheersen de loon- en
prijsopdrijvende effecten van de initiële beperking van het
arbeidsaanbod. Binnen de beperkingen van het model werkt dit licht negatief
uit op het financieringstekort, wat in de berekeningen is gecompenseerd door een
lichte verhoging van het belastingtarief in de eerste schijf.
Opgemerkt zij hierbij dat van een loopbaanonderbrekingsregeling ook gunstige effecten
mogen worden verwacht, die in het gehanteerde
model evenwel niet goed tot hun recht komen. Gewezen zij bijvoorbeeld
op het feit dat vervangers gedurende de vervangingsperiode nieuwe
arbeidsmarktervaring opdoen en zodoende hun
arbeidsmarktkwalificaties verbeteren, waarvan een gunstige invloed mag worden verwacht op de
ontwikkeling van werkgelegenheid en werkloosheid.
Een
loopbaanonderbrekingsregeling zal verder de arbeidsmotivatie van werknemers ten goede
kunnen komen en een bijdrage leveren aan het rblz.|31|
tegengaan van voortijdige
uitval van (met name oudere) werknemers uit het arbeidsproces.
Tabel 5.
Macro-economische gevolgen van een regeling voor de
loopbaanonderbrekingsfinanciering: ¹
| Procentuele mutaties |
| Loonsom per werknemer |
0,22xxxxxxxx |
| Prijs productie bedrijven |
0,13xxxxxxxx |
| Productie bedrijven |
–0,07xxxxxxxx |
| Werkgelegenheid |
–0,10xxxxxxxx |
| Arbeidsaanbod (uren) |
–0,14xxxxxxxx |
| Absolute mutaties |
| Werkloosheidsquote |
–0,06xxxxxxxx |
| Arbeidsinkomensquote |
0,04xxxxxxxx |
| Financ.
tekort (p BBP) |
0,00xxxxxxxx |
| Belastingen (p
BBP) |
0,01xxxxxxxx |
| Sociale premies (p
BBP) |
0,06xxxxxxxx |
| Tarief 1e schijf |
0,10xxxxxxxx |
| Inactiviteitsratio |
0,00xxxxxxxx |
1. CPB-berekeningen op
basis van MIMIC; de cijfers staan voor gecumuleerde afwijkingen ten
opzichte van de basisprojectie.
8:
Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid
Doelgroepen
De doelgroepen die met de
effecten van de voorgestelde regelgeving geconfronteerd zullen
worden, zijn: loonafhankelijke werknemers, werkgevers, WW- en
daarmee naar aard en strekking gelijkgestelde werknemers, Abw- en
Anw-gerechtigden en gedeeltelijk arbeidsgeschikten met een
WAO-, WAZ-,
Wajong-, Ioaw- of Ioaz-uitkering. Gelet op het veronderstelde aantal
verlofgangers op jaarbasis in de structurele situatie (56 000) is het
aantal WW-ers en Abw-ers dat in theorie beschikbaar is om als
vervanger op te treden ruim voldoende. Er zijn alleen al circa 100 000
WW-ers en circa 80 000 Abw-ers die minder dan één jaar werkloos zijn en die
als vervanger kunnen optreden. Als daarbij de langdurig werklozen (langer
dan één jaar) worden geteld, is het potentieel aan vervangers aanzienlijk
groter. Het potentieel bereik onder Anw-gerechtigden en
personen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering lijkt vooralsnog gering
te zijn.
Gevolgen voor de
rechterlijke macht
Dit wetsvoorstel is
bedoeld als ondersteuning van afspraken die een werknemer met zijn
werkgever maakt over langerdurend verlof of deeltijdverlof ten
behoeve van zorg en educatie. Dit betekent dat de werkgever en werknemer
het eens zullen zijn over het feit dat de werknemer verlof gaat
opnemen. In dat geval komt de werknemer in aanmerking voor
loopbaanonderbrekingsfinanciering, als aan de in het voorstel gestelde
voorwaarden is voldaan.
De voorwaarden voor het
recht op uitkering zijn eenvoudig van aard en ook overigens niet
conflictopwekkend. Ook de hoogte van de uitkering is duidelijk vastgelegd in
normbedragen, die niet voor betwisting vatbaar zijn. De regering
verwacht van de invoering van het onderhavige wetsvoorstel dan ook geen
(structureel) verhoogd beslag op de rechterlijke macht.
Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid
Op grond van een analyse
van de met de uitvoering van de wettelijke regeling voor
loopbaanonderbrekingsfinanciering gemoeide taken is besloten deze te leggen
bij de uitvoerders van de werknemersverzekeringen. Het Lisv
is ingevolge de Osv 1997 verantwoordelijk voor de
rblz.|32|
uitvoering. Het Lisv
besteedt de feitelijke uitvoering uit aan uitvoeringsinstellingen. De bevoegdheid van het
Lisv om eigen beleidsregels op te stellen, stelt het Lisv in
staat om tot een doelmatige procedure te komen en op effectieve wijze
controle uit te oefenen op alle in het wetsvoorstel genoemde voorwaarden.
Deze voorwaarden zijn in artikel 2 van de wet opgesomd. Deze controle
betreft nadrukkelijk niet de toetsing van de verlofdoelen tijdens het
verlof. Of de regeling zal bijdragen aan meer mogelijkheden voor zorg
of educatie zal door middel van een evaluatieonderzoek worden nagegaan. Met
betrekking tot de aanvraag kan het Lisv bovendien de te volgen
procedure stroomlijnen conform reeds bestaande procedures en deze op een
effectieve wijze inrichten.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel
1. Algemene
bepalingen
Het eerste lid van dit
artikel bevat enige omschrijvingen van in de wet gehanteerde begrippen.
Op enkele begrippen wordt
hieronder nader ingegaan.
De regeling creëert geen
recht op verlof: daarom staat in de definitie van het begrip "verlofganger" dat een verlofganger op grond van een wettelijk recht
(bijvoorbeeld ouderschapsverlof) dan wel een overeenkomst (een CAO-afspraak of een
afspraak tussen de individuele werknemer en werkgever) verlof
opneemt.
Personen die een
uitkering ontvangen als bedoeld in het eerste lid, onder 1º, onder a tot en
met c, zullen die uitkering op het moment van in dienst treden als
vervanger doorgaans verliezen: het ontvangen van een dergelijke uitkering dan
wel het hebben van een latente aanspraak hierop is, behalve voor de
categorie als bedoeld onder 1º, onder d, een voorwaarde om als
vervanger te gaan optreden.
Op basis van onderdeel c, onder 2º, wordt het mogelijk dat werknemers die in dienst zijn van een
zogenaamde
arbeidspool als vervangers gaan optreden. Een vervanger die in dienst
is van een arbeidspool wordt door die pool ter beschikking gesteld aan
diverse werkgevers. Met name in het midden- en kleinbedrijf kan het
bezwaarlijk zijn als een werkgever een (ingewerkte) werknemer voor langere
tijd zou moeten missen. De werkgever zal er echter veelal wel belang
bij hebben dat een werknemer (bijvoorbeeld parttimescholing) volgt. Door de
mogelijkheid te scheppen dat ook werknemers in dienst van een
arbeidspool als vervanger kunnen gaan optreden, kunnen verschillende werkgevers
die allen een werknemer als gevolg van bijvoorbeeld scholingsverlof
(gedeeltelijk) missen gezamenlijk één fulltimevervanger ter beschikking gesteld
krijgen.
Op grond van het tweede
lid kan het aantal niet-uitkeringsgerechtigde vervangers jaarlijks bij
ministeriële regeling worden gemaximeerd.
Artikel
2. Toekenning
financiële tegemoetkoming
In het tweede lid van
onderhavig artikel zijn de voorwaarden voor toekenning van een
financiële tegemoetkoming vastgelegd. Het Lisv
kan geen nadere voorwaarden stellen of toekenning van een financiële tegemoetkoming weigeren
indien aan de in dit lid gestelde voorwaarden is voldaan.
De voorwaarde gesteld
onder a, eerste zin, garandeert dat er sprake moet zijn van een zekere
binding met de werkgever alvorens de verlofganger in aanmerking kan komen
voor een financiële tegemoetkoming.
Door artikel 673, eerste
lid, van Boek 7
van het Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige
toepassing te verklaren, wordt geregeld onder welke voorwaarden
arbeidsovereenkomsten tussen dezelfde partijen die elkaar rblz.|33|
binnen korte tijd zijn
opgevolgd, geacht worden eenzelfde, niet-onderbroken arbeidsovereenkomst te
vormen. Beide voorwaarden zijn overgenomen uit de Wet op
het ouderschapsverlof (artikel 644, derde lid).
Op de voorwaarden gesteld
in de onderdelen c, d en e wordt ingegaan in het algemeen deel in
paragraaf 2.2.1 en 2.3.2.
De in onderdeel
f
gestelde voorwaarde dat de arbeidsovereenkomst tussen de werkgever en de
vervanger niet eerder dan één maand vóór de aanvang van het verlof
dient aan te vangen, maakt het mogelijk dat gedurende korte tijd de
vervanger al in dienst is bij de werkgever, terwijl de verlofganger nog niet
met verlof is gegaan. Deze periode kan gebruikt worden om de vervanger
door de verlofganger te laten inwerken.
Op de voorwaarde gesteld
in het derde lid wordt ingegaan in hoofdstuk 4 van het algemeen deel.
Op de voorwaarden gesteld
in het vierde en vijfde lid wordt ingegaan in paragraaf 2.3.2 van het
algemeen deel.
Indien een vervanger in
dienst is van een arbeidspool en vervolgens ter beschikking wordt gesteld
aan de werkgever waarbij de verlofganger in dienst is, komt er geen
arbeidsovereenkomst tot stand tussen deze laatste en de vervanger. In dat
geval zijn de voorwaarden gesteld in het tweede lid van overeenkomstige
toepassing. Dit wordt geregeld in het
zesde lid.
Verlof ten behoeve de
verzorging van een terminale zieke mag op basis van het zevende lid
worden opgenomen voor een periode korter dan twee maanden zonder dat in die
periode de eis van vervanging geldt. Indien dit verlof twee maanden of
langer gaat duren (met uiteraard een maximum van zes maanden), geldt
voor de resterende periode wel de eis dat een verlofganger door een
vervanger moet worden vervangen.
In paragraaf 2.3.3 van
het algemeen deel wordt nader ingegaan op het verlof ten behoeve van de
verzorging van een terminale zieke.
Artikel
3. Aanvraag
financiële tegemoetkoming
Met name als er sprake is
van zorgverlof, kan de situatie zich voordoen dat een werknemer
plotseling verlof wenst op te nemen. Om de werknemer ruim de tijd te
geven om een aanvraag om een financiële tegemoetkoming in te
dienen, is in het eerste lid bepaald dat de mogelijkheid hiertoe
bestaat tot uiterlijk vier weken na de aanvang van het verlof.
Indien deze termijn wordt
overschreden, betekent dat niet dat er geen aanspraak op een
financiële tegemoetkoming bestaat. In het tweede lid is bepaald dat in dat geval
de tegemoetkoming aanvangt op de eerste dag van de kalendermaand
volgend op die waarin de aanvraag is ingediend. Betaling vindt immers
plaats over volle kalendermaanden.
Uiteraard moet er dan wel
sprake zijn van een vervanger.
Artikel
4. Hoogte
financiële tegemoetkoming
De hoogte van de
financiële tegemoetkoming is afhankelijk van het aantal uren dat de
verlofganger verlof opneemt. Ter wille van de eenvoud is gekozen voor vier
verschillende categorieën met daarbij behorende bedragen.
Artikel
5. Voortijdig
einde financiële tegemoetkoming
Het is niet de bedoeling
dat de verlofganger in de verlofperiode - hetzij in dienstbetrekking,
hetzij als zelfstandige - (elders) arbeid gaat verrichten.
Indien daarvan toch
sprake is, eindigt op grond van het in dit artikel bepaalde de financiële
tegemoetkoming. Ook als de dienstbetrekking rblz.|34|
tussen de werkgever en de
verlofganger eindigt, eindigt de tegemoetkoming. In dit artikel is tevens
bepaald op welk moment de tegemoetkoming in dergelijke gevallen
eindigt.
Artikel
6. Geen
beëindiging financiële tegemoetkoming bij voortijdige beëindiging
vervanging
Eerste lid
In het eerste lid van dit artikel is
bepaald dat als de
arbeidsovereenkomst tussen de werkgever en de
vervanger voortijdig eindigt, dit wil zeggen voordat de
overeengekomen periode van vervanging is geëindigd, dit niet leidt tot
beëindiging van de financiële tegemoetkoming aan de verlofganger. De
verlofganger moet er immers op kunnen vertrouwen dat omstandigheden waarop hij
zelf geen invloed kan uitoefenen geen wijziging of intrekking
van de aan hem door het Landelijk instituut sociale verzekeringen toegekende
financiële tegemoetkoming teweegbrengen.
Tweede lid
Eindigt de
arbeidsovereenkomst tussen de werkgever en de vervanger voortijdig, dan dient de
werkgever binnen drie weken een nieuwe vervanger in dienst te
nemen voor het deel van de overeengekomen verlofperiode dat nog
niet is verstreken. Ook kan hij met een reeds bij hem in dienst zijnde
vervanger overeenkomen dat deze voor meer uren in dienst komt. Gelet op het
voornemen om de loopbaanonderbrekingsregeling budgettair neutraal te
laten verlopen door de regeling te financieren uit bespaarde
uitkeringen, is het niet meer dan logisch dat voorgeschreven is dat de
werkgever zo spoedig mogelijk, binnen een termijn van drie weken,
een nieuwe vervanger in dienst moet nemen.
De eis, als geformuleerd
in artikel 2, tweede lid, onderdeel e, dat de werkgever een
arbeidsovereenkomst met een vervanger sluit voor ten minste dezelfde periode
als waarvoor de verlofganger verlof opneemt, geldt in deze situatie
niet: een deel van de verlofperiode is immers al verstreken.
Derde lid
Heeft de werkgever niet
binnen de in het tweede lid genoemde termijn een nieuwe vervanger in
dienst genomen, dan staan daar in het algemeen niet genoeg besparingen
in de uitkeringssfeer tegenover om de resterende financiële
tegemoetkoming aan de verlofganger uit het Algemeen Werkloosheidsfonds
budgettair neutraal te kunnen bekostigen. Zoals in de toelichting op het eerste
lid is gesteld, blijft die tegemoetkoming als de arbeidsovereenkomst
tussen de werkgever en de vervanger voortijdig eindigt, immers
doorlopen. In verband hiermee is in dit lid bepaald dat het Landelijk instituut
sociale verzekeringen de financiële tegemoetkoming over de periode vanaf de
datum van eindiging van de arbeidsovereenkomst tussen de werkgever en de
vervanger en het einde van de overeengekomen
verlofperiode op de werkgever verhaalt als deze niet binnen de in het tweede
lid genoemde termijn een nieuwe vervanger in dienst heeft genomen.
Vierde lid
Het verhaalsbesluit van
het Lisv levert een executoriale titel op in de zin van het
Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering.
rblz.|35|
Artikel
7. Terugvordering
Dit artikel bevat
bepalingen inzake terugvordering van de financiële tegemoetkoming die
onverschuldigd is betaald.
Eerste lid
Het eerste lid bevat de
hoofdbepaling die de verplichting tot terugvordering van de onverschuldigd
betaalde financiële tegemoetkoming vastlegt.
Er wordt daarbij
uitgegaan van het principe: altijd terugvorderen, tenzij dringende redenen zich
daartegen verzetten. In beginsel maakt het daarbij niet uit wat de oorzaak
is voor het onverschuldigd zijn van de betaling. Het kan daarbij gaan om
gevallen waarin een wijziging in de omstandigheden of (nieuw) gebleken
feiten nopen tot herziening van de (primaire) toekenning. De oorzaak
kan ook zijn dat een verlofganger door een administratieve
vergissing van het Landelijk instituut
sociale verzekeringen meer krijgt dan waarop
hij op grond van de correcte toekenningsbeschikking recht heeft. In al deze
gevallen zal terugvordering moeten plaatsvinden.
Voor de goede orde wordt
erop gewezen dat de bepaling niet ziet op foutieve
(onverschuldigde) betalingen aan willekeurige derden (bijvoorbeeld doordat naar een onjuist
giro- of bankrekeningnummer is overgemaakt). Dit blijkt uit het feit
dat sprake moet zijn van terugvordering van "de verlofganger". In die
gevallen dient terugvordering te geschieden met toepassing van het BW.
Voor de verjaringstermijn
bij terugvorderingen geldt de algemeen geldende
verjaringstermijn voor rechtsvorderingen uit onverschuldigde betaling (artikel 309 van
Boek 3 van het Burgerlijk
Wetboek). Overigens wordt erop gewezen dat
binnen de verjaringstermijn de algemene beginselen van behoorlijk
bestuur in acht moeten worden genomen.
Tweede lid
Aan de
terugvorderingsbepaling kan niet een absoluut karakter worden toegekend. Het moet
mogelijk zijn dat op de algemene regel een uitzondering moet worden
gemaakt, in die zin dat geheel of gedeeltelijk van uitoefening van de
betrokken verplichting wordt afgezien indien voor de verlofganger
onaanvaardbare consequenties zouden optreden. Uit het woord "dringend" blijkt
dat er wel iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand moet zijn, wil een
afwijking van het algemene principe gerechtvaardigd zijn. Daarbij dient het
uiteraard om incidentele gevallen te gaan, gebaseerd op een
individuele afweging van alle relevante omstandigheden; van algemene of
categoriale afwijkingen kan geen sprake zijn.
Voor de goede orde zij
vermeld dat de toepassing van "dringende redenen" dient te
geschieden met inachtneming van de algemene beginselen van behoorlijk
bestuur.
In dit verband zij er
voorts op gewezen dat met dringende redenen niet tevens wordt gedoeld op
doelmatigheidsoverwegingen, in die zin dat op grond van een
kosten-batenafweging van uitoefening van de verplichting tot terugvordering kan
worden afgezien. Gelet op de eenvoudige wijze waarop de
tenuitvoerlegging van de terugvorderingsbesluiten zal kunnen plaatsvinden, zal zelden
of nooit daarvan kunnen worden afgezien op de grond dat daarmee slechts
een zeer gering bedrag gemoeid is. Daarbij dient ook in aanmerking
te worden genomen dat de kosten van invordering ook voor rekening van de
betrokkene zijn. Dit is geregeld in artikel 27g van de
Werkloosheidswet, welk artikel bij het zevende lid van overeenkomstige
toepassing is verklaard.
rblz.|36|
Derde lid
In een
terugvorderingsbesluit zal informatie moeten worden verstrekt over de wijze waarop dat
besluit ten uitvoer gelegd kan worden.
Voor zover mogelijk zal
tevens in hetzelfde besluit moeten worden aangegeven hoe (dat wil zeggen
met welke bedragen en termijnen) in het concrete geval die
tenuitvoerlegging zal plaatsvinden; aangezien daarvoor in een aantal gevallen nader
onderzoek nodig zal zijn, zal dat niet altijd tegelijkertijd kunnen. Voorts zullen
soms later wijzigingen nodig zijn.
Vierde lid
Evenals bij de boete is
met betrekking tot de terugvordering een afzonderlijke
informatieverplichting nodig naast de andere informatieverplichtingen. Ook bij terugvordering
betreffen de te geven inlichtingen immers niet altijd het
recht op financiële tegemoetkoming.
Vijfde lid
Een besluit van het
Landelijk instituut
sociale verzekeringen tot terugvordering van de
financiële tegemoetkoming levert een executoriale titel op die met
toepassing van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan worden ten
uitvoer gelegd. Weliswaar is vooropgesteld dat aan het
terugvorderingsbesluit executoriale kracht toekomt, doch daarmee is niet gezegd
dat daarvan ook altijd direct in die zin gebruik gemaakt behoeft te
worden. Dat niettemin het besluit altijd een executoriale titel oplevert, is zo
geregeld om te voorkomen dat, afhankelijk van de toevallige
executiemogelijkheden, het besluit die status nu eens wel en dan weer niet zou
bezitten. Voorts kan aldus in de gevallen dat moet worden gevreesd dat de
latere executie zou worden gefrustreerd omdat vermogensbestanddelen dan
niet meer aanwezig zouden zijn, dit worden voorkomen door direct tot
executie over te gaan. Ten slotte wordt ook het voeren van dubbele
procedures hierdoor tegengegaan.
Zesde en
zevende lid
In het zesde lid worden
de artikelen 27g en 36b
van de Werkloosheidswet van
overeenkomstige toepassing verklaard.
Artikel 27g geeft een
zekere voorkeur aan voor de volgorde van te hanteren executiewijzen.
Voorop staat verrekening tussen dezelfde partijen en met dezelfde
uitkering (tweede lid); daarna volgt inhouding door een andere
uitvoeringsinstelling met afdracht aan de instelling die het besluit tot
terugvordering heeft genomen (derde lid); de derde mogelijkheid is executie
met behulp van de middelen van Rv
(vierde lid). De bepalingen zijn alle
imperatief geredigeerd. Het kan evenwel wenselijk zijn af te wijken van de
aangegeven volgorde dan wel om tegelijkertijd of achtereenvolgens
verschillende vormen toe te passen, bijvoorbeeld als voor verrekening maar een
gering bedrag in aanmerking komt of nadat met een uitkering verrekening
heeft plaatsgevonden andere verhaalsbronnen aanwezig zijn; dit
laatste kan ook tegelijk met verrekening gebeuren (bijvoorbeeld als naast inkomen ook
vermogen aanwezig is). In combinatie van de verschillende
mogelijkheden wordt voorzien door het vijfde lid van genoemd artikel 27g. In
het zesde lid van dat artikel is bepaald dat kosten die voortvloeien uit
additionele werkzaamheden, noodzakelijk om tot invordering te komen bij
niet-tijdige betaling, voor rekening van de betrokkene komen, terwijl
in het zevende lid de mogelijkheid van vereenvoudigd
derdenbeslag bij de tenuitvoerlegging van een besluit tot terugvordering is
geregeld. In het achtste lid is bepaald dat in het algemeen bij de
tenuitvoerlegging van een besluit tot terugvordering een rblz.|37|
bedrag in acht dient te
worden genomen dat gelijk is aan de beslagvrije voet van de artikelen
475c en 475d Rv.
Artikel 36b van de
Werkloosheidswet voorziet in door het Landelijk instituut
sociale verzekeringen te stellen regels met betrekking tot de terugvordering en de
tenuitvoerlegging van besluiten tot terugvordering. Nadere regelgeving op het
gebied van de terug- en invordering kan bepalingen bevatten met
betrekking tot procedures en het vaststellen van termijnen waarbinnen
bijvoorbeeld een betalingsregeling tot stand gekomen of opgelegd moet
zijn.
In het zevende lid is, in
navolging van het negende lid van artikel 27g,
bepaald dat het niet
nakomen van de informatieverplichting, neergelegd in het vierde lid, om
desgevraagd aan het Landelijk instituut
sociale verzekeringen de
inlichtingen te geven die voor de tenuitvoerlegging van de terugvordering van
belang zijn, leidt tot het verlies van de bescherming van de beslagvrije voet.
Artikel
8.
Onvervreemdbaarheid
In navolging van de
socialeverzekeringswetten is in dit artikel
neergelegd dat de
financiële tegemoetkoming in een aantal gevallen niet kan worden aangetast.
In het vierde lid is een
uitzondering gemaakt op de regel dat de financiële
tegemoetkoming uitsluitend met machtiging van de werknemer aan een derde betaalbaar
kan worden gesteld. Dit is namelijk het geval indien bij CAO of
publiekrechtelijke regeling is overeengekomen dat gedurende het verlof een
uitkering van de werkgever aan de werknemer wordt betaald, naast de
financiële tegemoetkoming. Voorts dient de werkgever schriftelijk
aan het Lisv te verzoeken om uitbetaling door diens tussenkomst en de
werknemer daarvan in kennis te stellen. In de praktijk kan zo’n verzoek worden
ingediend tezamen met (of onderdeel uitmaken van) de aanvraag om
financiële tegemoetkoming. Voor alle duidelijkheid wordt hier opgemerkt dat
de betaling aan de werkgever juridisch geldt als betaling aan de
werknemer; deze is immers rechthebbende. Het Lisv heeft alsdan dus bevrijdend
betaald aan laatstgenoemde. Indien de werkgever de financiële
tegemoetkoming - om wat voor reden dan ook - niet heeft (door)betaald aan de
werknemer, kan deze niet aan het Lisv verzoeken nogmaals te betalen.
Artikel
9. Verplichting
tot het verstrekken van inlichtingen
In dit artikel is een
tweetal verplichtingen opgenomen tot het verstrekken van
inlichtingen.
In het eerste lid van dat
artikel is de verplichting voor de verlofganger opgenomen om aan het Landelijk instituut
sociale verzekeringen mededeling te doen van
een eerdere eindiging van zijn verlofperiode dan was overeengekomen, van
een wijziging van het aantal overeengekomen verlofuren en van het
verrichten van arbeid in dienstbetrekking of als zelfstandige in de
verlofperiode.
Deze verplichtingen zijn
opgenomen met het oog op de beëindiging of vermindering daarvan.
Niet nakomen van deze verplichting leidt tot het opleggen van een boete
en, indien de financiële tegemoetkoming daardoor onverschuldigd
is betaald, tot terugvordering van de financiële tegemoetkoming.
Het tweede lid bevat de
verplichting voor de werkgever om aan het Landelijk instituut
sociale verzekeringen mededeling te doen van de voortijdige eindiging van
een arbeidsovereenkomst met een vervanger, zulks met het oog op het
verhaal door het Landelijk instituut sociale verzekeringen op de
werkgever van de financiële tegemoetkoming over rblz.|38|
de periode vanaf de datum
van eindiging van de arbeidsovereenkomst tussen de werkgever en de
vervanger en het einde van de overeengekomen verlofperiode.
Artikel
10. Boete
In navolging van de
socialeverzekeringswetten is in dit artikel
neergelegd dat het
Landelijk instituut sociale verzekeringen in geval van het niet
nakomen van de
in artikel 10 neergelegde verplichtingen door de verlofganger of de
werkgever een boete oplegt. In verband hiermee zijn de artikelen
27a tot en
met 27g van de Werkloosheidswet van overeenkomstige toepassing verklaard.
Artikel
11. Algemeen
Werkloosheidsfonds
Dit artikel strekt ertoe
te bewerkstelligen dat, zoals in het algemeen deel van de toelichting is
gesteld, de financiering van het onderbrekingsverlof plaatsvindt vanuit het
Algemeen Werkloosheidsfonds.
Artikel
12.
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997
In
artikel 12 wordt de
Osv 1997 aangepast aan de introductie van de
Wet
financiering loopbaanonderbreking.
Artikel
13.
Werkloosheidswet
Onderdeel A
In dit onderdeel is
bepaald dat de bedragen die het Landelijk instituut
sociale verzekeringen ontvangt door de terugvordering van onverschuldigd betaalde financiële
tegemoetkomingen en door het verhaal op de werkgever als bedoeld
in artikel 6, derde lid, in geval van voortijdige beëindiging van de
vervanging, ten gunste van het Algemeen Werkloosheidsfonds komen.
Ook de bijdrage van het Rijk in de financiering van de
Wet
financiering loopbaanonderbreking
voor vervangers die uit de sfeer van de
bijstand komen, komt ten gunste van het Algemeen Werkloosheidsfonds.
Hetzelfde geldt voor de uitkeringsbedragen die als gevolg van artikel 18 van
de Algemene nabestaandenwet op de nabestaandenuitkering in
mindering worden gebracht ingeval een vervanger met een
uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet in dienst wordt genomen
ter vervanging van een verlofganger.
Opgemerkt wordt
nog dat
de financiële tegemoetkoming van een verlofganger die
vervangen wordt door een persoon met een uitkering op grond van de
Werkloosheidswet in de gevallen waarin deze uitkering nog ten laste van het
wachtgeldfonds kwam, toch uit het Algemeen Werkloosheidsfonds
betaald wordt.
Onderdeel B
Zoals bij de
toelichting
op artikel 12 is gesteld, komen de financiële tegemoetkomingen op grond
van de
Wet
financiering loopbaanonderbreking
ten laste van het
Algemeen Werkloosheidsfonds. Dit geldt ook voor de daaraan
verbonden uitvoeringskosten. Dit onderdeel strekt ertoe dit te
bewerkstelligen.
Artikel
14. Wet
financiering volksverzekeringen
Wanneer een vervanger met
een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet in dienst
wordt genomen ter vervanging van een rblz.|39|
verlofganger, dient
ingevolge artikel 18 van die wet het met die vervanging verdiende
inkomen op de nabestaandenuitkering in mindering te worden gebracht. Dit
aldus bespaarde bedrag dient op grond van het derde lid door de Sociale
Verzekeringsbank te worden overgeheveld naar het Landelijk instituut
sociale verzekeringen ten gunste van het Algemeen Werkloosheidsfonds, uit
welk fonds de financiële tegemoetkoming van de verlofgangers wordt
betaald. In verband hiermee is in artikel 30, tweede lid, van de
Wet
financiering volksverzekeringen bepaald dat het bedrag van de
nabestaandenuitkering dat als gevolg daarvan niet tot uitbetaling komt ten laste van het
Nabestaandenfonds komt.
Artikel
15. Beroepswet
Tegen besluiten van het
Landelijk instituut
sociale verzekeringen op grond van deze wet staat
op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bezwaar en beroep
open. Op grond van artikel 8:41 van de Awb is een griffierecht
verschuldigd wanneer ter zake een beroepschrift wordt ingediend. Ingevolge het
derde lid van dat artikel geldt het lage griffierecht indien een
natuurlijk
persoon beroep heeft ingesteld tegen een besluit genomen op grond
van een wettelijk voorschrift opgenomen in onderdeel
C, onder 1 tot
en met 25 en 29, van de bijlage bij de Beroepswet. Teneinde
mogelijk te maken dat door een verlofganger een beroepschrift kan worden
ingediend tegen het lage griffierecht, is de
Wet
financiering loopbaanonderbreking
in onderdeel C van
die bijlage als nummer 24a opgenomen.
Tevens wordt hierdoor bereikt dat zo nodig ook hoger beroep kan worden
ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Ingevolge
artikel 18 van de Beroepswet kan namelijk slechts hoger beroep worden ingesteld tegen
een besluit genomen op grond van een wettelijk voorschrift dat is
opgenomen in de bij de Beroepswet behorende
bijlage. Door de Wet financiering
loopbaanonderbreking op te nemen als nummer 24a in onderdeel C van
die bijlage geldt, gelet op artikel 22, tweede lid, van de
Beroepswet, het
lage griffierecht dan tevens voor het door natuurlijke personen in
te stellen hoger beroep.
Artikel 16
In dit artikel is bepaald
dat de financiële tegemoetkoming geen loon is in de zin van de
Coördinatiewet Sociale Verzekeringen.
Artikel 17
In dit artikel is de
doorvertaling van de
Wet
financiering loopbaanonderbreking
naar overheidspersoneel
geregeld. Voor overheidswerknemers geldt dat ook zij gebruik
kunnen maken van deze regeling. Zij zullen hun aanvraag
indienen bij het Lisv, net als de overige werknemers. Het
Lisv zal de
uitvoering van de werkzaamheden voor deze sector voorshands uitbesteden
aan de USZO [Uitvoeringsinstelling Sociale Zekerheid
voor Overheid en onderwijs, red.].
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
|