|
rblz.|1|
Kamerstukken II
1997-1998, 25 618
Wijziging
van de Ziektewet, de WAO, de
WW en enkele
andere wetten
in verband met het wegnemen van belemmeringen in socialeverzekeringswetten bij het opnemen van onbetaald verlof
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Hoofdlijnen |
| 2 |
De
juridische positie van de werknemer tijdens onbetaald verlof |
| 3 |
De consequenties en
knelpunten bij het ontstaan van ziekte en arbeidsongeschiktheid
tijdens onbetaald verlof |
| 3.1 |
Het recht op
loondoorbetaling |
| 3.2 |
ZW- en WAO-verzekering tijdens het onbetaald verlof |
| 3.3 |
De
ZW- en WAO-verzekering bij het einde van het onbetaald verlof |
| 4 |
Werkloosheid |
| 5 |
Ziekenfondsverzekering
en onbetaald verlof |
| 6 |
Inkomensafhankelijke
regelingen |
| 7 |
Ouderschapsverlof |
| 8 |
Aanvullende pensioenen |
| 9 |
Budgettaire
consequenties |
|
xArtikelsgewijs |
| xxr |
Artikelen
I t/m XI |
Algemeen deel
1.
Hoofdlijnen
In
de nota "Om de kwaliteit van Arbeid en Zorg: Investeren in verlof"
(Kamerstukken II 1994-1995, 24 332) heeft de regering voorstellen gedaan
om de combineerbaarheid van betaalde arbeid met andere
verantwoordelijkheden (zorgtaken, educatie,
maatschappelijke participatie) te verbeteren. Het toewerken naar een
andere arbeidsorganisatie, waarin betaalde arbeid, zorg en andere
verantwoordelijkheden op een evenwichtiger wijze verdeeld kunnen worden,
vergt de inzet van een combinatie van faciliteiten. Verloffaciliteiten zijn
belangrijke elementen in dit kader.
Deze andere
arbeidsorganisatie is niet alleen in het belang van de individuele werknemers.
Immers de herverdeling van betaalde en onbetaalde arbeid,
waarbij deeltijdfaciliteiten en verloffaciliteiten een belangrijke
ondersteunende rol spelen, zal de arbeidsparticipatie van met name vrouwen ten goede
komen en resulteren in een groeiend arbeidsaanbod.
Scholingsverlof zal leiden tot een verbetering van de beroepskwalificatie, een
beter gebruik van het menselijk kapitaal en zo bijdragen aan de
realisatie van sociale én economische doelstellingen. Daarnaast kan door
scholings- en omscholingsverlof een voortijdige uitstroom uit het
arbeidsproces naar de sociale zekerheid worden voorkomen. Ook mag worden
aangenomen dat bij onbetaald verlof een gedeelte van de banen
herbezet zal worden door uitkeringsgerechtigden, hetgeen zal resulteren in
een verminderd beroep op de sociale zekerheid. Het toewerken naar de
andere arbeidsorganisatie met flexibele verloffaciliteiten is derhalve een
gezamenlijk belang en een gezamenlijke verantwoordelijkheid van
alle betrokken partijen: overheid, werkgevers en werknemers. De afgelopen
jaren zijn door betrokken partijen verschillende activiteiten ondernomen
die bijdragen aan de realisatie van deze doelstelling. Zo is de
diversiteit aan verlofvormen en het deeltijdwerken toegenomen. De regering
ziet haar rol met name in het wegnemen van bestaande belemmeringen
en het aandragen van bouwstenen voor toekomstige maatregelen.
rblz.|2|
De
regering heeft in de nota "Om de kwaliteit van Arbeid en Zorg:
Investeren in verlof"
aangegeven belemmeringen in de sociale zekerheid bij het opnemen van
onbetaald verlof weg te willen nemen. Voorkomen moet worden dat
werknemers als gevolg van het verliezen van hun rechten op een sociale
verzekering afzien van onbetaald verlof. Ook voor werkgevers moeten belemmeringen om werknemers met onbetaald verlof
te laten gaan zoveel
mogelijk worden weggenomen. Met het voorliggende wetsvoorstel wordt aan
dit voornemen een nadere uitwerking gegeven. Het kabinet
heeft een aantal uitgangspunten en randvoorwaarden geformuleerd die bepalen
op welke wijze deze belemmeringen, in een evenwichtige
verantwoordelijkheidsverdeling tussen sociale partners en overheid,
kunnen worden weggenomen: ¹
* Met het wegnemen van
belemmeringen voor het opnemen van het onbetaald verlof wordt
geen wettelijk recht op onbetaald verlof geïntroduceerd. Het onbetaalde verlof
komt in overleg tussen werkgevers en werknemers tot stand en
de rol van de overheid beperkt zich in dit kader tot het wegnemen van belemmeringen op het terrein van de sociale
zekerheid.
* Bij het wegnemen van
belemmeringen in de sociale zekerheid gaat het om onbetaald verlof
opgenomen met welk doel dan ook, bijvoorbeeld ouderschapsverlof,
zorgverlof, educatief verlof of sabbatsverlof.
* Het wegnemen van deze
belemmeringen geschiedt vooralsnog voor verlofperioden voor zover
die niet langer duren dan zes maanden.
* Tijdens de periode van
onbetaald verlof worden geen additionele socialezekerheidsrechten
meer opgebouwd.
* Voorkomen moet worden
dat na afloop van de periode van onbetaald verlof nadelige effecten
optreden. Het voor betrokkene normaal geldende arbeidspatroon moet bij
de vaststelling van het recht op verstrekkingen in het kader van de sociale
verzekeringen uitgangspunt blijven.
* Omdat de werknemer
tijdens de periode van volledig onbetaald verlof geen inkomen ontvangt en
dus geen inkomen kan derven, is er geen aanleiding om deze
verzekeringen voor de Ziektewet (ZW) en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) tijdens die periode door te
laten lopen.
* De verzekering op grond
van de Ziekenfondswet (Zfw) dient tijdens perioden van onbetaald
verlof ononderbroken door te lopen.
1. Brief van 14 februari
1997 van de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid aan de Stichting van de Arbeid.
Het advies van de
Stichting van de Arbeid ¹
In het op 29 april 1997
uitgebrachte advies van de Stichting van de Arbeid over deze
voorstellen worden de hiervoor beschreven verantwoordelijkheidsverdeling
en de daarmee samenhangende uitgangspunten onderschreven. De door het kabinet voorgestelde
uitwerking wordt eveneens
op de meeste punten onderschreven.
De Stichting steunt het
voornemen van het kabinet om de ZW en WAO zodanig te wijzigen dat
de uitvoeringsinstanties niet langer bevoegd zijn een uitkering te weigeren
indien arbeidsongeschiktheid nog bestaat aan het einde van een periode
van onbetaald verlof.
De Stichting pleit ervoor dat zo spoedig mogelijk kan worden begonnen met
reïntegratie-inspanningen en dat daarmee niet wordt gewacht totdat het onbetaald verlof is
afgelopen. De Stichting stelt daarom voor de feitelijke eerste
ziektedag, tijdens de periode van onbetaald verlof, aan te merken als eerste
ziektedag voor de ZW en als peildatum voor het wachtjaar van de WAO. Het
kabinet blijft echter van mening dat het de voorkeur geniet om de
eerste werkdag na afloop van het onbetaald verlof als eerste ziektedag aan
te merken. In paragraaf 3.2 zal hierop nader worden ingegaan.
Met het kabinet is de
Stichting van mening dat een oplossing gezocht moet worden voor het
probleem dat de werkgever na invoering van het wetsvoorstel Wet
premiedifferentiatie en marktwerking in de Arbeidsongeschiktheidsverzekeringen
rblz.|3|
(Pemba), per 1 januari 1998, geconfronteerd kan worden met de gevolgen
van arbeidsongeschiktheid van zowel de verlofganger als zijn
vervanger. Dit kan voor de werkgever een belemmering opleveren om een
werknemer met onbetaald verlof te laten gaan. De Stichting pleit voor financiering van dit additionele arbeidsongeschiktheidsrisico
van de vervanger uit de
basispremie, die ten gunste komt van het
Arbeidsongeschiktheidsfonds. Het kabinet zal dit advies overnemen.
Met betrekking tot het
onbetaalde verlof in relatie tot de Werkloosheidswet (WW)
onderschrijft de Stichting het voornemen van het kabinet om de
verlofperiode buiten beschouwing te laten bij de vaststelling van het relevante urenverlies, de vaststelling van het
WW-dagloon en bij de
vaststelling of is voldaan aan de wekeneis (in de voorafgaande 39 weken in
ten minste 26 weken gewerkt hebben). Ten aanzien van de arbeidsverledeneis geeft de Stichting in overweging om
bij de vaststelling of is
voldaan aan de jareneis (in de vijf voorafgaande kalenderjaren ten
minste
gedurende vier kalenderjaren over 52 dagen of meer loon ontvangen
hebben) onbetaaldverlofperioden mee te laten wegen. Het kabinet heeft
dit advies overgenomen.
De Stichting
onderschrijft het uitgangspunt van het kabinet dat de verzekering voor de
Zfw
gedurende perioden van onbetaald verlof gecontinueerd dient te
worden.
Met betrekking tot de
ziekenfondspremie tijdens de onbetaaldverlofperiode is het advies van de
Stichting niet unaniem. Een deel van de vertegenwoordigers staat
positief tegenover het voornemen van het kabinet om de
verlofganger, naast de nominale premie, een premie ter hoogte van het
werknemersdeel op minimumloonniveau te laten betalen. Een ander deel van de
vertegenwoordigers is daarentegen van oordeel dat de procentuele premie
er tijdens volledig onbetaald verlof toe moet leiden dat slechts de nominale premie verschuldigd is.
1. Ter inzage gelegd bij
de afdeling Parlementaire Documentatie.
Het Lisv
[Landelijk instituut sociale verzekeringen, red.]
geeft in zijn
uitvoeringstechnische toets enkele technische kanttekeningen en
adviseert eveneens om ingeval van ziekte tijdens het onbetaald verlof zo
vroeg mogelijk met reïntegratie te beginnen en daartoe de feitelijke
ziektedag als eerste ziektedag aan te merken. Tevens geeft het Lisv in
overweging om de onderhavige voorstellen te relateren aan de voorstellen inzake
het ouderschapsverlof.
In
hoofdstuk 2 van het
algemene deel van deze memorie van toelichting zullen de civiel- en sociaalrechtelijke consequenties van het onbetaalde
verlof beschreven worden.
Vervolgens zal in hoofdstuk 3 worden ingegaan op de mogelijke consequenties van het
ontstaan van ziekte en arbeidsongeschiktheid tijdens onbetaald verlof.
Tevens wordt hierbij aangegeven op welke wijze het kabinet voorstelt
belemmeringen weg te nemen.
In hoofdstuk 4 zal worden
beschreven op welke wijze belemmeringen in de WW voor het opnemen
van onbetaald verlof worden weggenomen. In hoofdstuk 5 zal worden
beschreven op welke wijze de verzekering voor de Zfw
tijdens het onbetaald verlof gecontinueerd kan worden. Vervolgens zal in
hoofdstuk 6 worden
ingegaan op de relatie met inkomensafhankelijke regelingen en in hoofdstuk
7 zal de relatie met het ouderschapsverlof worden belicht. Tot slot
zullen de budgettaire consequenties van de voorgestelde maatregelen worden geschetst.
2. De
juridische positie van de werknemer tijdens onbetaald verlof
De juridische positie van
werknemers wordt beheerst door twee belangrijke
rechtscomplexen. Het eerste is het begrip arbeidsovereenkomst, met de daaraan gekoppelde
rechten en plichten, en het tweede is het systeem van sociale
verzekeringen. Een werknemer is werknemer in rblz.|4|
de zin van het Burgerlijk
Wetboek (BW) als hij een arbeidsovereenkomst heeft naar burgerlijk
recht.
Hij is verzekerd voor de
sociale verzekeringen als hij in dienstbetrekking staat tot zijn werkgever.
Voor alle werknemersverzekeringen geldt als uitgangspunt dat wie
werknemer in de zin van die wetten is verzekerd is.
Meestal is dit het geval
indien hij een arbeidsovereenkomst heeft naar burgerlijk recht, doch de
begrippen dienstbetrekking en arbeidsovereenkomst lopen niet altijd gelijk
op. Met name bij onbetaald verlof kan dit tot complicaties leiden.
Indien een werknemer
onbetaald verlof opneemt, loopt zijn arbeidsovereenkomst in principe door. De
verplichting tot werken en de aanspraak op loon zijn opgeschort,
maar er bestaat nog steeds een "lege" arbeidsovereenkomst. Aan het einde van de
verlofperiode herleeft de arbeidsovereenkomst in volle omvang. Eindigt
de arbeidsovereenkomst om enige redenen tijdens het
onbetaald verlof, dan eindigt op dat moment ook het onbetaald verlof, immers
de overeenstemming tussen de werkgever en de werknemer tot het opnemen
van verlof vloeit voort uit de arbeidsovereenkomst. Zonder
arbeidsovereenkomst kan geen sprake zijn van verlof.
Aan de
socialeverzekeringskant ligt de situatie ingewikkelder. Voor de ZW
en de WAO wordt, op
grond van artikel 6, tweede lid, van deze wetten, geen dienstbetrekking
geacht aanwezig te zijn op dagen waarop geen arbeid wordt verricht en
geen uitkering of een uitkering van minder dan de helft van het loon van
de werkgever wordt genoten. Hierdoor is men op die dagen geen
werknemer in de zin van die wetten en daardoor niet verplicht verzekerd.
De verzekering voor de Zfw
is gekoppeld aan die voor de ZW. Daarnaast vloeit voor een aantal
categorieën personen de verzekering voort uit het Aanwijzingsbesluit
verplicht verzekerden Ziekenfondswet. Indien geen sprake is van een
situatie genoemd in dit aanwijzingsbesluit valt met het wegvallen van de
verzekering voor de ZW ook de verzekering op grond van de Zfw weg. Dit laat
overigens onverlet dat men in voorkomende gevallen voor de Zfw via
de partner medeverzekerd blijft.
Als de periode van
onbetaald verlof is verstreken, treedt, als de arbeidsovereenkomst met
de werkgever in stand is gebleven, weer een nieuwe verzekering op
grond van de ZW en WAO in. Dit ongeacht het feit of men na afloop van de
verlofperiode nu aan het werk gaat of (nog) ziek is.
Voor de
WW geldt dat de
verlofganger verzekerd blijft, voor zover hij geen werkzaamheden
verricht uit hoofde waarvan hij op grond van de WW niet als werknemer
wordt beschouwd. Men wordt onder meer niet meer als werknemer
beschouwd wanneer men werkzaamheden verricht in de uitoefening van een
bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep.
Definitie onbetaald
verlof
Met de definitie van het
begrip onbetaald verlof wordt in dit wetsvoorstel, wat de ZW
en WAO betreft, aangesloten bij de bepalingen in die wetten omtrent de
dienstbetrekking. Onbetaald verlof is verlof waaraan geen verzekering
voor deze sociale verzekeringen ontleend kan worden.
In het algemeen zal het
daarbij dus gaan om verlof waarbij geen arbeid wordt verricht en geen
uitkering of een uitkering van minder dan de helft van het loon van de
werkgever wordt genoten. De definitie in de WW wijkt hier enigszins
van af
omdat de verzekering ondanks het onbetaald karakter van het verlof gecontinueerd wordt. Onbetaald verlof is hier die periode
waarin geen arbeid in
dienstbetrekking wordt verricht en waarover geen loon van de werkgever
wordt ontvangen. Tijdens de verlofperiode blijft de rblz.|5|
arbeidsovereenkomst in
stand. Dit als onderscheid met andere vormen van vrijwillige
inactiviteit.
Het kan bij het verlof
gaan om volledig onbetaald verlof en om deeltijdverlof.
Met de keuze om, voor een
periode van maximaal zes maanden, de nadelige gevolgen van het
opnemen van onbetaald verlof weg te nemen, wordt tegemoet gekomen
aan de momenteel breed levende wensen van werknemers op dit punt.¹
Met het stellen van een maximumtermijn wordt het risico dat de band
met het werk verloren gaat en er problemen ontstaan bij de reïntegratie zo klein mogelijk gehouden. De maximumtermijn gedurende welke een
verlofganger een tegemoetkoming in het kader van de voorgenomen Wet
financiering loopbaanonderbreking kan ontvangen, is eveneens op
zes maanden gesteld.
De overeengekomen
verlofperiode mag meer dan zes maanden duren. Van deze periode wordt
echter een periode van maximaal zes maanden als onbetaald verlof voor
de sociale verzekeringen aangemerkt.
1. Uit het onderzoek
"De mogelijkheden van loopbaanonderbreking in Nederland", dat
onlangs is uitgevoerd door het onderzoeksinstituut Research voor Beleid
in opdracht van de Organisatie voor Stategisch Arbeidsmarktonderzoek,
blijkt dat 73% van de werknemers er de voorkeur aan geeft tussen de
één en zes maand(en) onbetaald verlof op te nemen.
De hiervoor gegeven
omschrijving van het onbetaald verlof heeft tot gevolg dat een
verlofganger die op grond van het ingediende voorstel van Wet
financiering loopbaanonderbreking (Kamerstukken 25 477) een financiële tegemoetkoming
ontvangt
eveneens onder de werkingssfeer van de bepalingen omtrent het
onbetaalde verlof gaat vallen (voor zover geen andere werkzaamheden, in
dienstbetrekking of in beroep of bedrijf, worden verricht). De
verlofganger die ten behoeve van het onbetaalde verlof bruto- of nettoloon gereserveerd heeft, zal eveneens onder de werkingssfeer van de
bepalingen omtrent het onbetaalde verlof kunnen gaan vallen.
3. De consequenties en
knelpunten bij het ontstaan van ziekte en arbeidsongeschiktheid
tijdens onbetaald verlof
In dit hoofdstuk
wordt
ingegaan op de knelpunten die zich kunnen voordoen indien een
werknemer tijdens de verlofperiode ziek wordt. Het is belangrijk hierbij in
het oog te houden dat, hoewel alle werknemers verzekerd zijn voor de ZW, dit voor een groot deel van de werknemers geen praktische betekenis
meer heeft in die zin dat de ZW voor hen niet meer tot uitkering komt.
Voor zover en voor zolang een arbeidsovereenkomst in de zin van het BW
bestaat, geldt sinds 1 maart 1996 de regel dat de werkgever bij ziekte,
uitgezonderd enkele vormen van ziekte, van de werknemer verplicht is
70% van het loon door te betalen (artikel 629 van Boek
7 BW) tot maximaal
52 weken. Pas als er geen werkgever (meer) is, kan een werknemer
aanspraak maken op een ziekengelduitkering.
3.1. Het recht op
loondoorbetaling
Het onbetaald verlof
schort het recht op loon(door)betaling op. Indien een op
arbeidsovereenkomst werkzame werknemer tijdens een periode van geheel of
gedeeltelijk onbetaald verlof ziek wordt, zal voor het verlofdeel geen recht op
loon(door)betaling bestaan voor de duur van het verlof. Immers het niet
verrichten van de bedongen arbeid wordt op dat moment niet veroorzaakt
door die ziekte, maar is gelegen in de afspraken die omtrent het verlof
zijn gemaakt. In die situaties waarin geen recht op loonbetaling bestaat
omdat dit door het verlof is opgeschort, kan ook geen recht op
loondoorbetaling ontstaan ingeval een werknemer tijdens het verlof ziek wordt.
Ook bij afwezigheid van die ziekte zou immers vanwege het onbetaalde
karakter van het verlof geen inkomen zijn genoten.
Indien de ziekte na
afloop van het verlof voortduurt en de arbeidsovereenkomst gedurende het verlof in
stand is gebleven, zal na afloop van de verlofperiode wel recht
op loondoorbetaling ontstaan. Het niet verrichten rblz.|6|
van de bedongen arbeid is
op dat moment niet langer gelegen in de verlofafspraken, maar
vloeit voort uit de verhindering om arbeid te verrichten, wegens ziekte
van de werknemer.
Van een belemmering voor
het opnemen van onbetaald verlof kan hier niet worden gesproken. De werknemer heeft immers tijdens het onbetaald
verlof geen
inkomensderving door de ziekte, maar door de verlofafspraak. Na afloop van de
verlofperiode ontstaat het recht op loondoorbetaling indien de werknemer
op
dat moment ziek is.
3.2. ZW- en
WAO-verzekering tijdens het onbetaald verlof
Bijzonder verlof en
nawerking tijdens het verlof
Hiervoor werd al
aangegeven dat een zieke verlofganger in beginsel niet verzekerd is voor de
ZW en WAO. Op deze situatie bestaan op dit moment echter nog twee
uitzonderingen.
Eén daarvan is dat er
wel sprake is van een dienstbetrekking en daarmee van
verzekeringsplicht op grond van de ZW en de WAO, als het niet werken het gevolg is
van bijzonder verlof, zolang dat verlof niet langer dan één maand
heeft geduurd. Met deze bepalingen omtrent het bijzonder verlof is
beoogd te voorkomen dat de verzekering wordt onderbroken gedurende
betrekkelijk korte perioden van slechts enkele weken waarin niet wordt
gewerkt. De term is in de wet niet nader gedefinieerd.¹
1. Als voorbeeld wordt in
artikel 6, tweede lid, onderdeel c, ZW en
WAO genoemd studieverlof. De jurisprudentie beschouwt ook als bijzonder
verlof
verlof om familie in het buitenland te
bezoeken, verlof verleend aan vrouwen in
verband met schoolvakantie van hun kinderen,
onbetaald voltijds ouderschapsverlof en
verlof in verband met het lidmaatschap van
sommige vertegenwoordigende organen.
Een tweede uitzondering
vormen de nawerkingsbepalingen. Kort gezegd komt deze
nawerking erop neer dat degene die ziek wordt, kort nadat de verzekering voor
de ZW en WAO beëindigd is, onder bepaalde voorwaarden toch nog
aanspraak op uitkering kunnen hebben. De nawerkingsbepaling is
bedoeld voor werknemers die ziek worden kort na beëindiging van de
arbeidsovereenkomst.¹
1. Deze
nawerkingsbepalingen (artikel 46 van de ZW en in
artikel 17
van de WAO) houden in dat:
* wie in de laatste twee
maanden vóór het einde van de
verzekeringsplicht op ten minste zestien dagen verzekerd was en
binnen acht dagen na dat einde ziek
wordt, ziekengeld ontvangt als ware hij
voor de ZW verzekerd gebleven;
* wie de laatste twee
maanden vóór het einde van de verzekeringsplicht
continu verzekerd was en binnen één maand
na dat einde ziek wordt, ontvangt
eveneens ziekengeld als ware hij voor de ZW
verzekerd gebleven; en
* bij voortduren van die
ziekte later aanspraak op WAO-uitkering worden
gemaakt.
Ten aanzien van de
verzekeringsplicht op grond van de ZW, Zfw
en de WAO moet de conclusie
derhalve zijn dat bij volledig onbetaald bijzonder verlof van langere duur
deze eindigt zodra dat verlof één maand heeft geduurd. Kan het
onbetaald verlof niet als bijzonder verlof worden aangemerkt, dan eindigt
de verzekeringsplicht bij de aanvang van dat verlof. De
nawerkingsbepaling leidt er voor verlofgangers toe dat wanneer zij (bij bijzonder
verlof) in de tweede maand dan wel (bij verlof van niet-bijzondere aard) in de
eerste maand van het voltijdsverlof ziek worden, toch aanspraak hebben op
ziekengeld ¹ met eventueel uitzicht op WAO-uitkering. Gedurende
de derde tot en met de zesde maand van het onbetaald verlof is de verlofganger dus niet verzekerd voor ZW, Zfw en
WAO.
De vraag dient zich aan
of het bijzonder verlof, zoals dit thans in de wet is opgenomen, moet worden
gehandhaafd. Bijzonder verlof is in de ZW niet limitatief
omschreven. Vele redenen kunnen aanwezig zijn om een verlof als bijzonder te
beschouwen.
Waar hier wordt
voorgesteld om belemmeringen voor het opnemen van onbetaald verlof weg te
nemen, zonder naar het achterliggende doel te kijken, is er minder
aanleiding dit onderscheid tussen verlof van bijzondere en
niet-bijzondere aard te handhaven, zo dit onderscheid al aan te geven is. Waar de ene
vorm wel aanspraak geeft op verzekering en de andere niet, is nadere
afstemming gewenst.
De kernvraag is of er nog
wel behoefte bestaat aan een ziekengeldverzekering tijdens verlof. Enerzijds
kan men zich afvragen waarom een persoon wel tijdens de
eerste maand van het onbetaald verlof aanspraak zou kunnen maken op
ziekengeld en overigens niet. Gesteld kan worden dat de grondgedachte van
de ZW is inkomensderving tengevolge van ziekte te verzekeren.
Indien er gedurende verlof geen inkomen wordt rblz.|7|
genoten, zou voor een
bijzonder verlof mét recht op uitkering geen plaats meer zijn. Het kabinet
stelt derhalve voor om de bepalingen met betrekking tot het
bijzonder verlof te laten vervallen.
1. Het ontvangen van ZW-uitkering leidt ertoe dat vanaf het begin van
de uitkering weer verzekeringsplicht voor de ZW en de Zfw
ontstaat.
Aan nawerking tijdens
onbetaald verlof lijkt evenmin behoefte te bestaan. De
nawerkingsbepaling is bedoeld voor werknemers die ziek worden kort na
beëindiging van de arbeidsovereenkomst en zonder nawerking geen recht op
ziekengeld zouden hebben. Op dit moment zijn de nawerkingsbepalingen
in de ZW en WAO echter gekoppeld aan de beëindiging van de
verzekering waardoor er ook sprake is van nawerking tijdens onbetaald verlof.
Tegen de achtergrond dat
er volgens het kabinet tijdens het onbetaald verlof geen behoefte is
aan ziekengeldverzekering bestaat er geen aanleiding om, waar
sprake is van onbetaald verlof, de nawerkingsbepaling in de ZW te handhaven.
In verband hiermede
zullen de ZW en de WAO zodanig worden aangepast dat niet langer
wordt verwezen naar het moment waarop de verzekering is
geëindigd, maar naar het moment waarop de aan die verzekering ten grondslag
liggende arbeidsverhouding is geëindigd. De essentie van bovenstaande
keuze is dat bij onbetaald verlof, met welk doel dan ook, geen
dienstbetrekking en geen verzekering meer wordt aangenomen.
Eerste ziektedag
Een volgende vraag die
zich voordoet, is wat de eerste ziektedag is van een persoon die tijdens
verlof (langdurig) ziek wordt. Deze vraag is van belang voor de
vaststelling hoe lang de werkgever het loon dient door te betalen (52 weken na de
feitelijke eerste ziektedag of 52 weken na het einde van de
verlofperiode). Voorts is de eerste ziektedag van belang voor het vaststellen van het
wachtjaar van de WAO. Ook is de eerste ziektedag van belang voor de vraag
wanneer de reïntegratieverplichtingen van de werkgever ingaan.
Het kabinet is van mening
dat het wenselijk is dat het burgerlijk recht en de
socialeverzekeringswetgeving op dit punt gelijk oplopen. Immers de eerste ziektedag voor het
burgerlijk recht bepaalt op welk moment de loondoorbetalingsverplichting
start en afloopt. Het wachtjaar van de WAO zal hierop moeten
aansluiten. De Stichting van de Arbeid pleit ervoor om de feitelijke eerste
ziektedag tijdens het onbetaald verlof als eerste ziektedag aan te merken,
zodat zo spoedig mogelijk kan worden begonnen met
reïntegratie-inspanningen. Het Lisv sluit zich hier bij aan in zijn uitvoeringstechnische
toets.
Het kabinet onderkent met
de Stichting van de Arbeid en het Lisv het belang van een zo spoedig
mogelijke aanvang van de reïntegratie-inspanningen. De vraag is echter of een
succesvolle reïntegratie gerealiseerd kan worden door de
feitelijke eerste ziektedag tijdens het verlof als uitgangspunt te nemen.
Immers er kunnen een aantal argumenten van formeel-juridische, van
praktische en uitvoeringstechnische aard naar voren gebracht worden die
er juist voor pleiten, mede vanuit de optiek van een succesvolle
reïntegratie, om de eerste werkdag na afloop van het onbetaald verlof als
eerste ziektedag aan te merken.
Daarvoor gelden de
volgende argumenten:
* Hoofdregel in het BW
is
dat geen loon verschuldigd is voor de tijd gedurende welke de
werknemer de bedongen arbeid niet heeft verricht (artikel 627 van Boek
7 BW). Uitzonderingen op deze hoofdregel worden in de daaropvolgende
artikelen geformuleerd. Eén van deze uitzonderingen is het recht van de
werknemer op loondoorbetaling indien hij de bedongen arbeid niet
heeft verricht omdat hij daartoe door ziekte of door zwangerschap of bevalling
verhinderd was. Uitgaande van de hoofdregel rblz.|8|
heeft de werknemer
tijdens het onbetaald verlof geen recht op loonbetaling en zal
evenmin recht op loon(door)betaling ontstaan in geval van ziekte tijdens het
onbetaald verlof. Aan de uitzondering wordt in dit geval niet toegekomen,
omdat er geen sprake is van bedongen arbeid. Zelfs al zou aan de
uitzonderingsbepaling worden toegekomen, ook dan zou geen recht op
loondoorbetaling bestaan, omdat het niet verrichten van de arbeid niet gelegen in
de ziekte, maar in het verlof. Uitgaande van deze systematiek in het BW is
de eerste dag van ziekte de eerste dag dat de werknemer wegens ziekte
niet in staat is de bedongen werkzaamheden te verrichten, de dag dus
dat hij weer aan het werk zou gaan na afloop van het verlof. Het BW gaat
ervan uit dat er vanaf de eerste dag van ziekte gedurende 52 weken sprake
is van een loondoorbetalingsverplichting. Artikel 629 van Boek
7 BW is dwingend van karakter. De mogelijkheid om in geval van een
overeenkomst inzake onbetaald verlof van dit artikel af te wijken, zou de systematiek
in het BW en het dwingende karakter van genoemd artikel 629 doorkruisen.
* In de ZW en de WAO is
als hoofdregel aangegeven dat als eerste dag van de ongeschiktheid tot
werken geldt de eerste werkdag waarop wegens ziekte niet is
gewerkt of het werk tijdens de werktijd is gestaakt. In het geval van onbetaald
verlof zou dus ook volgens deze hoofdregel de eerste werkdag na afloop
van het verlof moeten worden aangemerkt als eerste ziektedag.
Voor het bijzonder verlof
is daarop destijds in het SVr-besluit Regels ter bepaling van de eerste
werkdag [SRv: Sociale Verzekeringsraad, red.] een uitzondering gemaakt en de feitelijke eerste
ziektedag tijdens het verlof als eerste ziektedag aangemerkt. De reden hiervoor was dat
tijdens het bijzonder verlof, van maximaal één maand,
sprake was van verzekering en ook bij ziekte tijdens de nawerkingsperiode de
feitelijk eerste ziektedag als zodanig werd aangemerkt. Met het
voorstel van het kabinet om de verzekering voor bijzonder verlof én de
nawerking tijdens het verlof te laten vervallen, vervalt ook de grondslag
voor deze uitzonderingsbepaling en zou conform de redenering van de SVr
van destijds de hoofdregel gevolgd moeten worden en de eerste
werkdag na afloop van het onbetaalde verlof aangemerkt dienen te
worden als eerste ziektedag.¹
* Omdat er tijdens het
onbetaald verlof geen sprake meer is van verzekering voor de ZW of
WAO, valt men voor de duur van het verlof niet meer onder de
werkingssfeer van deze wetten. Er kan derhalve ook geen sprake zijn van ziekte of
arbeidsongeschiktheid in de zin van deze wetten. Tijdens het verlof kan
niet (altijd) worden vastgesteld of er sprake is van ongeschiktheid tot het
verrichten van de bedongen arbeid tengevolge van ziekte, zoals bedoeld in
het BW of de ZW. Immers niet alle ziekte leidt voor de werknemer tot het niet
kunnen verrichten van zijn arbeid. Ziekte die een verhindering vormt
tot het verwezenlijken van verlofdoelen hoeft geen beletsel te zijn om
zijn arbeid te verrichten en andersom. Indien men niet daadwerkelijk van
plan is om arbeid te verrichten, laat zich het rechtstreekse en
objectief medische vast te stellen verband tussen de ziekte en het eventueel
niet kunnen verrichten van arbeid moeilijk bepalen. Civielrechtelijk
is de werknemer ziek indien hij als gevolg van deze ziekte niet in staat
is de bedongen arbeid te verrichten. Daarvan kan tijdens een periode van
onbetaald verlof geen sprake zijn.
* Indien zou worden
overgegaan tot de introductie in het BW van een eerste ziektedag tijdens
het onbetaald verlof, zou het voor de werkgever van financieel belang
worden dat de ziekte al in een zo vroeg mogelijk stadium wordt vastgelegd
en gemeld, omdat als gevolg hiervan de periode van 52 weken
loondoorbetaling ingekort zou worden met het nog resterende deel van het
onbetaalde verlof. De werknemer zou er daarentegen geen direct financieel
belang bij hebben om zijn ziekte al tijdens het verlof te melden. Immers
een vroege ziekmelding tijdens het verlof zou tot gevolg hebben dat de
verlofganger na afloop van het verlof gedurende een kortere periode recht
op loondoorbetaling zal hebben. Daarnaast zou rblz.|9|
de verlofganger moeten
gaan meewerken aan controle- en reïntegratieverplichtingen tijdens het onbetaalde
verlof, terwijl daar op dat moment geen recht op
loon(door)betaling tegenover staat. Deze tegenstrijdige financiële belangen, die
worden opgeroepen met de introductie van een eerste ziektedag tijdens
het verlof, kunnen tot handhavingsproblemen leiden. Ook zal het niet
altijd op voorhand duidelijk zijn of de ziekte van kortstondige duur is en
derhalve geen aanleiding behoeft te zijn tot onderbreking van het
verlof. Het merendeel van het ziekteverzuim is van kortstondige aard.
* De keuze voor een
eerste ziektedag tijdens het onbetaald verlof zou tot gevolg hebben dat de
stimulans voor de werkgever en de werknemer om tot een succesvolle
reïntegratie te komen veelal zal ontbreken. Een eerste ziektedag tijdens het
verlof impliceert immers dat de werknemer op het moment van ontstaan van
zijn arbeidsongeschiktheid niet in dienstbetrekking (in de zin van de WAO)
tot zijn werkgever staat. Dit zou tot gevolg hebben dat, na invoering
van de Pemba-maatregelen, deze arbeidsongeschiktheid niet zou meewegen bij de
vaststelling van het eigen risico van de werkgever of de
premieopslag. De (financiële) prikkel voor de werkgever om tot een
succesvolle reïntegratie te komen, vervalt hiermee. Ook vanuit het gezichtspunt van de werknemer zou de stimulans
ontbreken om al tijdens
het onbetaald verlof met reïntegratieactiviteiten te starten gezien het
feit dat daar op dat moment geen loondoorbetaling tegenover staat en de
reïntegratie-inspanningen tijdens de overeengekomen verlofperiode niet
gericht zullen zijn op het daadwerkelijk hervatten van de
werkzaamheden.
* Ook vanuit
uitvoeringstechnisch oogpunt verdient het de voorkeur om de eerste ziektedag na
afloop van het onbetaald verlof te leggen. De controle hierop is voor
de uitvoeringsorganen gemakkelijker. Ook worden geen tegenstrijdige
belangen geïntroduceerd, die tot handhavingsproblemen leiden.
Evenals de Stichting van
de Arbeid en het Lisv hecht het kabinet een grote waarde aan een
succesvolle reïntegratie. Een zo spoedig mogelijke start van de
reïntegratie-inspanningen kan daar aan bijdragen. Het kabinet onderkent dat hier sprake
is van een gezamenlijk belang en een gezamenlijke verantwoordelijkheid van
zowel de werkgever als van de werknemer. De voorgaande argumenten
in ogenschouw nemende, moet echter geconcludeerd worden dat,
met het aanmerken van de feitelijke ziektedag tijdens de periode van onbetaald verlof als eerste werkdag waarop
wegens ziekte niet is
gewerkt, het tegenovergestelde effect bereikt wordt. Het kabinet meent
derhalve vast te moeten houden aan zijn voornemen om de eerste werkdag na
afloop van het verlof aan te merken als eerste ziektedag. Nadrukkelijk
wordt daarbij opgemerkt dat dit alles onverlet laat dat partijen, vanuit het
oogpunt van goed werkgeverschap en goed werknemerschap, bij aanvang van het onbetaald verlof kunnen overeenkomen
dat "ziekte" een reden
kan zijn om het verlof af te breken. De met de arbeidsovereenkomst
samenhangende verplichtingen zullen op dat moment in volle omvang
herleven, zodat zo spoedig mogelijk kan worden begonnen met de
reïntegratie-inspanningen, hetgeen ook de Stichting van de Arbeid en het Lisv
voor ogen stond bij hun aanbeveling om de feitelijke eerste ziektedag tijdens
het verlof aan te merken als eerste ziektedag. In de Wet tot wijziging van
titel 7:10 van het Burgerlijk
Wetboek met betrekking tot het ouderschapsverlof (Stb. 1997, 266) is al een clausule opgenomen dat onvoorziene
omstandigheden, daaronder kan ook ziekte begrepen worden, reden
kunnen zijn om in te stemmen met het verzoek om het verlof te
beëindigen. Gezien het feit dat met dit voorstel van wet niet beoogd wordt om
nieuwe vormen van een wettelijk recht op verlof te introduceren, ligt het
niet voor de hand om voor alle vormen van onbetaald verlof
dwingende wettelijke bepalingen te formuleren ten aanzien van de
mogelijkheid tot beëindiging daarvan.
Het kabinet is van mening
dat hier met name een taak kan liggen voor rblz.|10|
sociale partners om op
collectief niveau te komen tot een gezamenlijke invulling van deze
verantwoordelijkheid.
1. De SVr gaf in zijn
besluit Regels ter bepaling van de eerste werkdag (16 december 1993, nr.
936358, Stcrt. 1993, 251) aan: "Dagen waarop niet is of zou
worden gewerkt vanwege zowel betaald als onbetaald bijzonder verlof
worden (...) aangemerkt als werkdag. Bij ziekte tijdens onbetaald,
bijzonder verlof zal in het algemeen eerst na afloop van de periode van
onbetaald verlof de toepassing van artikel 7a:1638, eerste lid, BW
aan de orde zijn. Om de aansluiting tussen ZW
en BW te bewerkstelligen, zou het voor de hand liggen een dergelijke dag
niet aan te merken als werkdag". Aangezien dit tot ongewenste
consequenties zou leiden samenhangend met het verzekerde karakter van
bijzonder verlof en de nawerking tijdens het verlof, is er destijds door
de SVr voor gekozen om bij verzekerd bijzonder verlof de feitelijke
ziektedag als uitgangspunt te nemen. Met het wegvallen van het verzekerd
karakter van het bijzonder verlof en de nawerking tijdens het onbetaald
verlof zou volgens deze redenering van de SVr de eerste werkdag na
afloop van het onbetaalde verlof aangemerkt dienen te worden als eerste
ziektedag.
In geval van deeltijd
onbetaald verlof zal de problematiek van de eerste ziektedag niet spelen,
omdat dan op grond van de resterende dienstbetrekking sprake zal zijn van een
recht op loondoorbetaling bij ziekte en een verplichte verzekering
voor de werknemersverzekeringen. De reïntegratieactiviteiten kunnen vervolgens voor
het resterende deel van dienstbetrekking ter hand genomen worden.
3.3. De ZW- en
WAO-verzekering bij het einde van het onbetaald verlof
Inperking
weigeringsbevoegdheid
Een knelpunt met
betrekking tot het opnemen van onbetaald verlof kan zich voordoen aan het
einde van het onbetaald verlof indien een werknemer nog ziek is op
de dag dat hij zijn werk zou hervatten. Op het moment dat de
arbeidsovereenkomst herleeft, ontstaat er een nieuwe verzekering voor de
ZW, Zfw en WAO. Blijft de ziekte voortduren en komt het tot een
WAO-aanvraag,
dan kan het Lisv, als sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid,
deze arbeidsongeschiktheid op grond van artikel
30, eerste lid, van de WAO geheel of gedeeltelijk buiten beschouwing
laten.¹ Gaat het om een
gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, dan blijft deze, op grond van
artikel 18, tweede lid, van de WAO, bij de arbeidsongeschiktheidsschatting
buiten beschouwing.
Deze bepaling beoogt
misbruik van de sociale verzekering te voorkomen, in die zin dat
zij voorkomt dat zieke personen zich door het sluiten van een
arbeidsovereenkomst van een uitkering verzekeren zonder dat er feitelijk ooit als
werknemer is gewerkt. Het mag echter niet zo zijn dat een verlofganger
daardoor zijn recht op WAO-uitkering verspeelt.
1. Hoewel de ZW
in artikel
44 een gelijke bepaling kent, is deze
voor de onderhavige kwestie in de praktijk niet van grote betekenis, omdat het bij
onbetaald verlof van langere duur in de
regel gaat om reguliere arbeidsovereenkomsten,
terwijl artikel 44 van de ZW
ziet
op arbeidsverhoudingen die geen arbeidsovereenkomst zijn.
Teneinde te
bewerkstelligen dat dit probleem zich niet zal voordoen, worden de ZW
en WAO zodanig gewijzigd dat het Lisv
niet langer bevoegd is een uitkering
te weigeren indien de arbeidsongeschiktheid bestaat aan het einde van
een periode van onbetaald verlof. Daarnaast stelt de regering voor de
WAO zodanig te wijzigen dat de bij de aanvang van de verzekering
bestaande gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid bij de bepaling van de mate van
arbeidsongeschiktheid buiten beschouwing blijft indien de
arbeidsongeschiktheid bestaat aan het einde van een periode van onbetaald
verlof van maximaal zes maanden.
Daartoe wordt voorgesteld
artikel 18, tweede lid, WAO te wijzigen. Het tweede lid van
artikel 18 WAO strekt ertoe
dat geen aanspraken ontleend kunnen worden aan reeds
bij aanvang van de verzekering bestaande gedeeltelijke
arbeidsongeschiktheid. Slechts de resterende arbeidsgeschiktheid is voorwerp van
verzekering. De regering stelt voor aan artikel
18, tweede lid, WAO de zinsnede toe te voegen dat deze bepaling buiten toepassing blijft
ten aanzien van degene die onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop
de verzekering een aanvang nam onbetaald verlof heeft
genoten. Uiteraard voor zover dit verlof niet langer dan zes maanden heeft
geduurd en voor zover de betreffende ongeschiktheid tot werken
niet al reeds bestond bij aanvang van het verlof.
De inperking van de
weigeringsbevoegdheid heeft eveneens uitsluitend betrekking op
arbeidsongeschiktheid die is ontstaan tijdens de periode van onbetaald verlof.
Pemba-risico
Invoering
van de Pemba per 1
januari 1998 zal tot gevolg hebben dat een werkgever wordt
aangesproken op de arbeidsongeschiktheid van de rblz.|11|
verlofganger als die
arbeidsongeschiktheid is ontstaan tijdens de periode van het onbetaald verlof
en na afloop van het verlof voortduurt. Dit hangt samen met het karakter en
de systematiek van de Pemba. Daar is immers gekozen voor het leggen
van een verantwoordelijkheid bij werkgevers en geldt als criterium voor
de toerekening van de arbeidsongeschiktheidslasten dat de betrokkene in
dienstbetrekking staat, ongeacht de oorzaak van de
arbeidsongeschiktheid. Intredende arbeidsongeschiktheid zal als gevolg van de voorstellen
in de Pemba leiden tot een verhoogde premie of zal voor eigenrisicodragers gedurende de eerste vijf jaar ten laste van de werkgever komen.
Indien de verlofganger
gedurende het verlof wordt vervangen, zal de werkgever ten behoeve van
deze vervanger gedurende de periode van vervanging premie moeten
afdragen. Indien deze vervanger gedurende de herbezetting
arbeidsongeschikt raakt, zal, zonder afwijkende regeling, het risico van deze
arbeidsongeschikte op de werkgever worden afgewenteld en zal dit in het kader
van de Pemba-maatregelen eveneens leiden tot een verhoogde
gedifferentieerde premie of de betaling van het eigen risico voor de WAO.
In het zeer incidentele
geval dat zowel de verlofganger als de vervanger arbeidsongeschikt worden,
zal de werkgever dus met een tweeledige premieverhoging of een
dubbel eigen risico geconfronteerd worden. Dit lijkt het kabinet een
risico dat een belemmering zou kunnen vormen voor de werkgever om in het
overleg met de werknemer te komen tot afspraken over onbetaald
verlof. Alhoewel incidenteel voorkomend, zou hiervan een verkeerde
beeldvorming kunnen uitgaan.
Het kabinet stelt
derhalve voor om in die gevallen waarin zowel de verlofganger als zijn
vervanger arbeidsongeschikt raken, de arbeidsongeschiktheidsuitkering
van de vervanger niet voor rekening van de eigenrisicodrager te
laten komen of mee te tellen bij de berekening van de premieopslag
vanaf het moment dat de verlofganger recht op toekenning van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft verkregen. De arbeidsongeschiktheidsuitkering
van de persoon die ter vervanging van de verlofganger in dienst
is genomen, zal vanaf dat moment gefinancierd worden vanuit de
basispremie die ten gunste komt van het Arbeidsongeschiktheidsfonds.
De reïntegratie van deze arbeidsongeschikte vervanger wordt daarmede tevens een verantwoordelijkheid van
het Lisv. De keuze om het
arbeidsongeschiktheidsriscio van de vervanger in die situatie niet toe
te rekenen aan de werkgever is in lijn met het feit dat de loondoorbetalingsplicht bij ziekte van de vervanger eindigt op het
moment dat diens contract
afloopt.
Hierna zal betrokkene
aanspraak kunnen maken op ziekengeld krachtens het ZW-vangnet. Het ligt
voor de hand om de werkgever, indien zowel de verlofganger als de
vervanger arbeidsongeschikt worden, aan te spreken op de gevolgen van
arbeidsongeschiktheid van de vaste werknemer. Immers
de reïntegratie-inspanningen van de werkgever zullen eveneens gericht zijn op de vaste
werknemer (de verlofganger). Het resultaat van deze
reïntegratie-inspanningen zal vervolgens ook het eigen risico of de
premieopslag bepalen.
Voor de definitie van het
begrip vervanger en de herkenbaarheid van de vervanger is aansluiting
gezocht bij hetgeen hieromtrent in het kader van het voorstel van Wet
financiering loopbaanonderbreking is bepaald. De vervanger dient in het
kader van de voorgenomen Wet financiering loopbaanonderbreking bij
het Lisv als zodanig te zijn aangemeld.
Voor alle duidelijkheid
kan nog het volgende worden opgemerkt. Indien een werkgever ter
vervanging van een zieke werknemer een vervanger aanstelt, zal het
arbeidsongeschiktheidsrisico wel voor rekening van de werkgever blijven. Immers
in dat geval is geen sprake van het wegnemen van een belemmering om
met verlof te laten gaan. Daarnaast zal het voor rblz.|12|
de werkgever in die
situatie duidelijk zijn dat met het aangaan van de nieuwe
arbeidsovereenkomst met een vervanger impliciet het reguliere werkgeversriscio van
arbeidsongeschiktheid van deze vervanger wordt aanvaard.
Hoogte van de ZW- en
WAO-uitkering
De dagloonregels op grond
van de ZW [zie Algemene
dagloonregelen Ziektewet, red.] houden in beginsel rekening met het inkomen dat de
werknemer gemiddeld heeft verdiend in zijn beroep over de dagen in laatste
dertien weken waarop hij gedurende de voor hem normale werktijd werkzaam
was. Deze periode kan verlengd worden tot 52 weken. In de ZW-dagloonbepalingen is sprake van evenredige vermindering
indien de werknemer
afwisselend wel en niet placht te werken. Bij een eenmalig onbetaald
verlof is een evenredige vermindering niet aan de orde.
De dagloonregels op grond
van WAO houden in beginsel eveneens rekening met het loon dat
de werknemer gemiddeld heeft verdiend over de dagen waarop hij in
voor hem normale werktijd in zijn beroep werkzaam is geweest in
het jaar voorafgaande aan de arbeidsongeschiktheid. Net als bij de
ZW-dagloonregels kan er ook bij de WAO sprake zijn van
evenredige vermindering, maar niet als gevolg van een eenmalige periode van
onbetaald verlof.
In de dagloonregels voor
de ZW en WAO [zie Dagloonregelen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, red.] zal desalniettemin een expliciete bepaling
worden opgenomen waarin wordt aangegeven dat bij de berekening van het
dagloon voor de ZW en WAO onbetaald verlof met een duur van maximaal zes
maanden buiten beschouwing wordt gelaten.
4. Werkloosheid
Indien een werknemer in
de periode van onbetaald verlof werkloos wordt, doet zich de
volgende situatie voor.
In tegenstelling tot de ZW/WAO is de werknemer tijdens volledig onbetaald verlof wel
verzekerd voor de WW en kan bij intredende werkloosheid, indien aan
alle overige wettelijke voorwaarden is voldaan, waaronder de beschikbaarheid voor arbeid, in beginsel aanspraak maken
op uitkering. Ondanks het
onbetaalde karakter van het verlof wordt de verzekering voor de WW
van rechtswege gecontinueerd, mits geen werkzaamheden verricht
worden uit hoofde waarvan men op grond van de WW niet meer als
werknemer beschouwd wordt. Zoals hiervoor al gesteld, wordt er dan van
uitgegaan dat het verlof eindigt op het moment dat de arbeidsovereenkomst eindigt. Ondanks het bestaan van een
verzekering kan het
recht op uitkering echter wel problemen opleveren.
Een eerste probleem kan
zich voordoen bij de vaststelling van het (relevante)
arbeidsurenverlies. Van werkloosheid in de zin van de WW
is sprake als een werknemer
een relevant urenverlies lijdt (en over deze uren geen recht op
loondoorbetaling heeft) en beschikbaar is voor arbeid. Indien
een periode van onbetaald verlof binnen de referentieperiode voor de vaststelling van het
gemiddeld aantal arbeidsuren (gaa) valt, kan dit van nadelige invloed zijn
op de vaststelling van het (relevante) arbeidsurenverlies. Het kabinet is van
oordeel dat dit nadelige gevolg van het onbetaald verlof kan
worden ondervangen door weken waarin niet is gewerkt wegens onbetaald
verlof met een duur van maximaal zes maanden buiten
beschouwing te laten bij de vaststelling van het relevante urenverlies.
Een tweede knelpunt kan
zich voordoen bij de vaststelling of is voldaan aan de referte-eis. Voor
het recht op een loondervingsuitkering op grond van de WW
dient aan de
referte-eisen - dat zijn de wekeneis en de rblz.|13|
arbeidsverledeneis - te
worden voldaan. Om in aanmerking te komen voor een basisuitkering
van 70% van het minimumloon gedurende een halfjaar moet in de 39
weken voorafgaand aan de werkloosheid in 26 weken zijn gewerkt. Voor
het recht op een loongerelateerde uitkering moet tevens zijn voldaan
aan de arbeidsverledeneis. In vier van de vijf kalenderjaren voorafgaand
aan het kalenderjaar waarin de werkloosheid is ontstaan, moet sprake
zijn van ten minste 52 dagen waarover loon wordt ontvangen.
Zowel bij ontslag na een
verlofperiode van ten minste drie maanden als bij ontslag binnen zes
maanden na afloop van een verlof van ten minste drie maanden kan men niet
meer voldoen aan de wekeneis die als voorwaarde geldt voor het
recht op WW-uitkering. Dit verschijnsel wordt veroorzaakt door het
gegeven dat weken waarin niet is gewerkt wegens onbetaald verlof voor de
toepassing van de wekeneis niet meetellen als weken waarin is gewerkt.
Ook hier stelt het kabinet voor om perioden waarin niet is gewerkt
wegens onbetaald verlof met een duur van maximaal zes maanden
buiten beschouwing te laten.
Doorgaans zal een
onbetaaldverlofperiode van maximaal zes maanden geen belemmering vormen
bij de vaststelling of is voldaan aan de arbeidsverledeneis.
Alleen werknemers in een kleine deeltijdbaan (van minder dan twee dagen per
week) zouden hierdoor kwetsbaar kunnen worden, omdat zij als
gevolg van zes maanden onbetaald verlof beneden de drempel van 52 dagen
in een kalenderjaar terecht kunnen komen. Met het oog hierop stelt het
kabinet voor om bij de vaststelling of is voldaan aan de jareneis dagen
waarover de werknemer onbetaald verlof heeft genoten gelijk te stellen
met dagen waarover loon is ontvangen. Dit naar analogie van het
verzorgingsforfait. Het kabinet heeft de overwegingen van de Stichting van de
Arbeid op dit punt gevolgd.
Een volgend probleem doet
zich voor met betrekking tot de vaststelling van de hoogte van de
uitkering. De dagloonregels voor de WW [zie Dagloonregels
Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid, red.] gaan uit van het gemiddeld inkomen
per gewerkte dag naar verhouding van het gemiddeld aantal
arbeidsuren ten opzichte van de gebruikelijke voltijd arbeidsduur per week,
bezien over de laatste 26 weken voorafgaand aan de werkloosheid. Ingeval
dit tot onredelijke uitkomsten door uitzonderlijke situaties in die periode
leidt, kan worden uitgegaan van de laatste 52 weken voorafgaand aan de werkloosheid. Het WW-dagloon zal op grond
van de Dagloonregelen WW [Dagloonregels Invoeringswet stelselherziening
sociale zekerheid, red.] bij
een onbetaald verlof gedurende de referteperiode evenredig verminderd
moeten worden. Ook als men uitgaat van een periode van 52 weken,
zal dat in veel gevallen een fors verlagend effect hebben op de
WW-uitkering.
Teneinde dit nadelige
effect te voorkomen, wordt het (nog niet in werking getreden) artikel
45 WW en de Dagloonregelen WW zodanig gewijzigd dat ook hier de
onbetaalde verlofperiode buiten beschouwing wordt gelaten.
5. Ziekenfondsverzekering
en onbetaald verlof
Zoals hiervoor al werd
aangegeven, is de ziekenfondsverzekering van de werknemer afhankelijk van
de vraag of hij voor de ZW verzekerd is. In paragraaf 3.2 is al
aangegeven dat de ZW-verzekering op dit moment in ieder geval niet bestaat
van de tweede tot en met de zesde maand van het onbetaald verlof. Tengevolge van de hiervoor beschreven voorstellen zal dit voor de gehele
periode van onbetaald verlof gaan gelden. Zonder nadere maatregelen zou
tijdens onbetaald verlof de verlofganger dus niet verzekerd zijn krachtens
de Zfw. Het kabinet acht dit onwenselijk en zal bewerkstelligen dat de
ziekenfondsverzekering ook gedurende maximaal zes maanden onbetaald
verlof gecontinueerd kan worden. Het rblz.|14|
Aanwijzingsbesluit
verplicht verzekerden Ziekenfondswet zal daartoe worden aangepast.
Daarbij zal geregeld
worden dat de individuele verlofganger naast de reguliere nominale premie
(van ƒ227,- per jaar in 1997) nog een maandpremie ten bedrage van het
werknemersdeel van de Zfw-premie over het wettelijk minimumloon
(circa ƒ30,- per maand) zal bijdragen.
Met dit bijzondere
premieregime wordt enerzijds voorkomen dat slechts nominale premie wordt
geheven omdat de procentuele heffing bij onbetaald verlof tot een
nihilpremie leidt en anderzijds wordt voorkomen dat werknemers op
minimumlooniveau tijdens het onbetaald verlof een hogere bijdrage aan de
ziekenfondsverzekering leveren dan voorafgaand aan de verlofperiode.
Tevens zal moeten worden
voorkomen dat een particulier verzekerde werknemer met een inkomen
boven de loongrens voor de Zfw verplicht verzekerd raakt als het
inkomen, uitsluitend tengevolge van een periode van onbetaald verlof,
beneden deze loongrens daalt. Het kabinet stelt derhalve voor om naar
analogie van de regeling die nu geldt met betrekking tot het
ouderschapsverlof, voor elke vorm van onbetaald verlof te bepalen dat de
loongrens voor de Zfw wordt gesteld op het loon dat de werknemer/verlofganger
zou hebben verdiend wanneer hij geen onbetaald verlof zou
hebben genoten. Met het oog hierop is artikel 3, vierde lid, onderdeel
d,
van de Zfw
aangepast.
Voor de toepassing van de
bepalingen met betrekking tot het kostwinnerschap zullen, evenals dit nu al
geregeld is in geval van ouderschapsverlof, de inkomensgevolgen tengevolge van het opnemen van onbetaald verlof eveneens buiten
beschouwing worden gelaten. Hiertoe zal de Regeling medeverzekering
Ziekenfondsverzekering worden aangepast.
6. Inkomensafhankelijke
regelingen
Het opnemen van onbetaald
verlof en het gebruik maken van loopbaanonderbreking is een vrijwillige keuze.
Er mag van uit worden gegaan dat bij deze keuze de
inkomensconsequenties zijn meegewogen. Wanneer desondanks een beroep op
algemene bijstand zou worden gedaan, zou dit getuigen van een
tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor deze voorziening [tekortschietend
besef
van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, red.], hetgeen
de uitkeringsinstantie de bevoegdheid verleent om het recht op en de
hoogte van de bijstand daarop af te stemmen.
Daarnaast bestaat de
verplichting tot een lagere vaststelling van de uitkering over te gaan
indien belanghebbende in de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag
onvoldoende heeft meegewerkt aan het behouden van arbeid in
dienstbetrekking (artikel 14 Algemene
bijstandswet).
Alhoewel hiermede de
mogelijkheden om bij onbetaald verlof een beroep te doen op de
Algemene bijstandswet (Abw) reeds begrensd zijn, is het kabinet van mening
dat in de wet tot uitdrukking dient te komen dat het opnemen van onbetaald
verlof niet mag leiden tot een toenemend beroep op een
minimuminkomensvoorziening. Bij inkomensvoorzieningen zoals de Abw, de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw), de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz) en
de Toeslagenwet (TW)) is het immers van belang dat de aanvrager zelf al
het mogelijke doet om in zijn inkomen te voorzien. Pas wanneer dat niet lukt,
bestaat recht op een voorziening. In de Abw, Ioaw, Ioaz en TW zal
daarom een expliciete bepaling worden opgenomen die aangeeft
dat geen aanvullend recht op deze voorzieningen bestaat als de noodzaak
tot het verstrekken van deze aanvullende voorziening is gelegen in
een inkomensachteruitgang tengevolge van het opnemen van onbetaald
verlof. De nu reeds geldende uitzondering voor de eenoudergezinnen die
ouderschapsverlof opnemen, zoals bedoeld in het BW, blijft in de Abw
gehandhaafd. Wanneer het inkomen van een
rblz.|15|
eenoudergezin door het
opnemen van onbetaald ouderschapsverlof onder het sociaal minimum
daalt, kan dat gezin in aanmerking komen voor aanvullende bijstand.
Voor tweeoudergezinnen bestaat deze mogelijkheid niet. Zij
kunnen immers hun werk- en zorgverdeling zodanig afstemmen dat het gezin
niet onder het bestaansminimum hoeft te komen. Ook bestaat in die
situatie de mogelijkheid om het verlof af te breken indien het inkomen als
gevolg van onvoorziene omstandigheden onder het relevante sociaal
minimum terecht komt.
Anders ligt dit bij de
overige inkomensafhankelijke regelingen zoals de huursubsidie of de
studiefinanciering.
Bij de toetsing van deze
inkomensafhankelijke regelingen gaat het om de relatie tussen het
inkomen van de betrokkene en de hoogte van de kosten die hij maakt. Er
wordt bij deze toetsing niet gekeken naar de achterliggende oorzaak
van het geringe inkomen. Evenmin is er sprake van een expliciet
geformuleerde inspanningsverplichting om de afhankelijkheid van deze regelingen
vanuit de inkomstenkant te verminderen. Indien men bijvoorbeeld
vanwege het vrijwillig omzetten van een voltijdbaan in een
deeltijdbaan een lager (jaar)inkomen gaat ontvangen, kan eveneens recht
ontstaan op een (hogere) subsidie. Het ligt niet in de rede om in relatie tot
het onbetaald verlof, ten aanzien van deze inkomensafhankelijke
regelingen voorstellen te doen die van deze systematiek afwijken.
7. Ouderschapsverlof
Indien er sprake is van
betaald voltijd ouderschapsverlof of deeltijd ouderschapsverlof, zal de
verzekering voor de werknemersverzekeringen in het algemeen gedurende
de gehele verlofperiode gecontinueerd worden.
Met de flexibilisering
van het ouderschapsverlof per 1 juli 1997 (Wet van 25 juni 1997, Stb.
1997, 266)
is het wettelijk recht ontstaan om voltijds onbetaald ouderschapsverlof op te
nemen.
Op grond van SVr-besluiten ¹ die door het Tica
[Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming, red.] en later het
Lisv zijn overgenomen, wordt
ouderschapsverlof aangemerkt als bijzonder verlof en zal onder vigerende
wetgeving gedurende de eerste maand van voltijds onbetaald
ouderschapsverlof de verzekering voor de werknemersverzekeringen
blijven bestaan. Daarna zal over het algemeen nog gedurende één maand
sprake zijn van nawerking. In de SVr-besluiten wordt aangegeven dat
indien betrokkene tengevolge van onbetaald ouderschapsverlof enige
tijd niet verzekerd is geweest voor de ZW en WAO
en in die periode
arbeidsongeschikt is geworden, dit geen aanleiding behoeft te
zijn om gebruik te maken van de weigeringsbevoegdheid. Er is in dat geval immers
geen sprake van mogelijk misbruik.
Het niet verzekerd zijn
voor de ZW vanaf de tweede maand onbetaald ouderschapsverlof
betekent ook dat men vanaf dat moment niet meer verzekerd is voor de Zfw.
Teneinde dit te voorkomen,
is het Aanwijzingsbesluit verplicht verzekerden Ziekenfondswet al
gewijzigd en het hierbovenbeschreven bijzondere premieregime
op deze situatie van toepassing verklaard.
1. SVr-circulaires nr. 970
van 2 april 1991, nr. 985 van 28 mei 1993
en 997 van 30 mei 1994.
Na de inwerkingtreding
van het voorliggende voorstel van wet zullen de socialezekerheidseffecten
van het onbetaald ouderschapsverlof inbegrepen zijn in
hetgeen hier is voorgesteld omtrent het onbetaald verlof in het algemeen.
rblz.|16|
8. Aanvullende pensioenen
Het opnemen van onbetaald
verlof kan ook gevolgen hebben voor het aanvullend pensioen.
Indien in het kader van het opnemen van verlof gedurende een bepaalde
periode minder of geen arbeid wordt verricht, hetgeen resulteert in
minder of geen loon, is dat in principe van invloed op de premiebetaling en
daarmede op de pensioenaanspraken. In de meeste pensioenregelingen
wordt de hoogte van pensioenaanspraken bepaald door het salaris
en de diensttijd. De consequenties voor de opbouw van het
ouderdomspensioen zijn in het algemeen beperkt wanneer het gaat om een
verlofperiode die in verhouding tot de totale diensttijd kort is. Ten
aanzien van de dekking van het nabestaanden- en invaliditeitspensioen
kunnen de consequenties, wanneer overlijden plaatsvindt of
invaliditeit intreedt tijdens de verlofperiode, veel groter zijn.
De systematiek van het
nabestaanden- of invaliditeitspensioen kan bij voltijd- of
deeltijdverlof een sterke daling van het pensioen tot gevolg hebben. Wanneer het
verlof voor een bepaalde periode is afgesproken, ligt het voor de hand
daarmee in de berekening van de op te bouwen pensioenaanspraken
rekening te houden en niet, zoals bij deeltijd werken gebruikelijk is, ervan
uit te gaan dat de betrokkene in deeltijd blijft werken.
Indien het opnemen van
voltijd onbetaald verlof in het systeem van de pensioenregeling ertoe
zou leiden dat ervan wordt uitgegaan dat in de toekomst het aantal
gewerkte arbeidsuren nihil wordt, zijn de gevolgen voor het
nabestaandenpensioen tijdens het verlof nog veel verstrekkender. De hoogte
van de pensioenaanspraken zou dan uitsluitend worden bepaald op basis
van de verstreken diensttijd. Het is daarom van groot belang dat sociale
partners onderzoeken welke financiële consequenties het intreden van het
risico van arbeidsongeschiktheid en overlijden tijdens het
verlof heeft als gevolg van de bestaande systematiek van de pensioenregeling.
Overlijden of arbeidsongeschiktheid tijdens verlof mag niet
leiden tot een onevenredige achteruitgang in de hoogte van het
nabestaanden- of invaliditeitspensioen aangezien het verlof slechts een
tijdelijke vermindering of stopzetting van het salaris inhoudt.
Het kabinet heeft in de
nota "Werken aan
zekerheid" aangegeven het onwenselijk te achten dat
het arbeidsongeschiktheidspensioen van deelnemers drastisch
verlaagd wordt wanneer zij tijdens het onbetaalde verlof arbeidsongeschikt
zouden raken, hetgeen eveneens geldt ten aanzien van het
nabestaandenpensioen in geval van overlijden tijdens het verlof. Naar het oordeel
van het kabinet is het primair een taak van sociale partners om adequate
maatregelen te treffen, bijvoorbeeld door de werknemers in staat te
stellen de wegvallende dekking voor eigen rekening aan te vullen.
Het initiatief ligt derhalve naar het oordeel van het kabinet bij de sociale
partners. Wanneer blijkt dat sociale partners er onvoldoende in slagen in
de pensioenregelingen hiervoor een oplossing te vinden, overweegt het
kabinet alsnog over te gaan tot het doen van voorstellen tot
wetgeving.
In 1998 zal door het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een evaluatie
plaatsvinden van de pensioenregelingen op genoemd punt.
Ten aanzien van het
ouderdomspensioen kan worden opgemerkt dat het effect van het opnemen
van (ouderschaps)verlof in het algemeen relatief gering is op de
uiteindelijk te bereiken aanspraak op ouderdomspensioen. Het kabinet stelt zich
dan ook op het standpunt dat ten aanzien van de opbouw van
ouderdomspensioen tijdens verlof vooralsnog geen wettelijke regeling moet
worden voorgesteld, teneinde sociale partners in de gelegenheid te stellen
zelf oplossingen te bieden.
rblz.|17|
9. Budgettaire
consequenties
Bepalend voor de omvang
van de kwantitatieve gevolgen is niet alleen de mate waarin van
onbetaald verlof gebruik gemaakt gaat worden, maar ook in hoeverre er sprake
is van herbezetting.
Op grond van het al
eerder genoemde onderzoek van Research voor Beleid is de verwachting
dat circa 26 000 personen op jaarbasis van onbetaald verlof gebruik
gaan maken.
Bij het berekenen van de
budgettaire gevolgen van de voorgestelde maatregelen moet worden
meegewogen dat onder de vigerende socialezekerheidswetgeving
werknemers al gedurende één maand onbetaald verlof
verzekerd blijven voor de ZW en de WAO. Voorts bestaat er in die wetten een
zogenaamde nawerkingsbepaling waardoor de werknemer na de maand
bijzonder verlof onder bepaalde voorwaarden nog één maand in
aanmerking kan komen voor een uitkering. Bij de berekening van de
budgettaire gevolgen moet worden uitgegaan van de additionele effecten ten
opzichte van de vigerende bepalingen.
Het onderzoek heeft
uitgewezen dat bij ouderschapsverlof sprake is van een herbezetting van 40%.
Aangenomen mag worden dat bij volledig onbetaald verlof van
langere duur een groter deel van het opgenomen verlof herbezet zal
worden.
Indien jaarlijks 26 000
personen gemiddeld drie maanden onbetaald verlof opnemen en circa
50% van dit opgenomen verlof herbezet wordt, resulteert dit in een
belasting- en premiederving van ƒ23 miljoen.
Indien de herbezetting
plaats vindt door uitkeringsgerechtigden, zal dit leiden tot een verminderd
beroep op de sociale zekerheid. De exacte omvang hiervan valt
moeilijk in te schatten. Indien circa 20% van de door verlof opengevallen
plaatsen herbezet wordt door uitkeringsgerechtigden, zal het bedrag aan
bespaarde uitkeringen het bedrag aan belasting- en premiederving
compenseren.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel
I. Wijziging
Ziektewet
Onderdeel A
(artikel 1 ZW)
De essentie van deze
definitie van onbetaald verlof is dat het gaat om verlof waaraan geen
verzekering in de zin van de ZW en de WAO
kan worden ontleend. In het
algemeen zal het daarbij dus gaan om verlof onder het voortbestaan
van de arbeidsovereenkomst waarbij geen arbeid wordt verricht en geen
uitkering of een uitkering van minder dan de helft van het loon van de
werkgever wordt genoten. In dit laatste geval is dus wel sprake van (enige)
betaling. Indien geen arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht (meer)
aanwezig is, is geen sprake (meer) van onbetaald verlof. Deze definitie
van onbetaald verlof is ook opgenomen in artikel 1 van de
WAO.
Onderdeel B (artikel 6 ZW)
Uit
artikel 6, tweede
lid, van de ZW blijkt dat als hoofdregel geen dienstbetrekking aanwezig
wordt geacht op dagen waarop - kort gezegd - geen arbeid wordt
verricht en geen uitkering van de werkgever wordt genoten. Het tweede lid
bevat eveneens de uitzonderingen op deze hoofdregel. Eén van deze
uitzonderingen, opgenomen in onderdeel c, is het zogenaamde bijzonder
verlof, zolang dit niet langer dan één maand heeft geduurd. Gedurende die
(eerste) maand is er naar huidig recht dus wel een dienstbetrekking en
verzekering. De wet geeft overigens niet aan wat rblz.|18|
onder "bijzonder"
verlof moet worden verstaan; wel wordt als voorbeeld studieverlof genoemd.
Zoals in het
algemeen
deel van deze memorie is uiteengezet, is de keuze gemaakt om bij
verlof in het algemeen, dus met welk doel dan ook, de eerste zes maanden
geen dienstbetrekking en verzekering meer aan te nemen. Dit betekent dat
het genoemde onderdeel c kan komen te vervallen. Deze wijziging
is ook opgenomen in - het gelijkluidende - artikel
6, tweede lid,
van de WAO.
Onderdeel C
(artikel 29
ZW)
In
artikel 29, tweede
lid, ZW, zijn limitatief de situaties opgesomd waarin recht kan bestaan op
uitkering uit hoofde van de (vangnet) ZW. Onderdeel
c van genoemd artikellid
betreft de situatie waarin "de
dienstbetrekking" binnen de wachttijd van
52 weken is geëindigd (en uiteraard nog steeds sprake is van ziekte).
Dit onderdeel is ontleend aan artikel 29, zevende lid,
ZW zoals dit was komen te
luiden bij invoering van de Wet terugdringing ziekteverzuim in
1994.
Daarbij moet, blijkens de memorie van toelichting, worden gedacht aan het
einde van een voor bepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomst,
ontslag in proeftijd, vrijwillig ontslag, ontslag op staande voet en
ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de rechter (Kamerstukken II
1992-1993,
22 899, nr. 3, blz. 54). Kortom, dit betreft situaties waarin de
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is geëindigd.
De begrippen "dienstbetrekking" in de werknemersverzekeringen en
"arbeidsovereenkomst
naar burgerlijk recht" omvatten echter niet steeds dezelfde
arbeidsverhoudingen. In het algemeen is het begrip dienstbetrekking ruimer. Het kan echter
ook zo zijn dat wel een arbeidsovereenkomst bestaat, maar geen
dienstbetrekking. Dit laatste is bijvoorbeeld het geval bij langerdurend
onbetaald verlof.
Teneinde te
verduidelijken dat op de voet van genoemd artikelonderdeel alleen ZW-uitkering wordt
verleend indien de arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is
geëindigd, wordt in onderdeel c voortaan gerefereerd aan de dienstbetrekking,
bedoeld in artikel 3 van de ZW. Dit artikel verwijst immers naar de
privaatrechtelijke dienstbetrekking, waaronder - sinds 1 april jl. - wordt
verstaan de arbeidsovereenkomst in artikel 610 van Boek
7 BW. Uitsluitend
op (het eindigen van) die privaatrechtelijke dienstbetrekking ziet dit
onderdeel c. De verstrekking van ZW-uitkering ter zake van
dienstbetrekkingen op grond van de artikelen 4,
5 (de zogenaamde rariteiten) en 7
ZW
(zieke werklozen) zijn overigens geregeld in de onderdelen a en d van
artikel 29, tweede lid, ZW.
Onderdeel D (artikel 44 ZW)
In
artikel 44, eerste
lid, is aan het Lisv de bevoegdheid toegekend de ZW-uitkering te weigeren
indien de ongeschiktheid tot werken bestond op het tijdstip dat de
verzekering een aanvang nam, respectievelijk binnen een halfjaar nadien is
ontstaan, terwijl dit gelet op de gezondheidstoestand van betrokkene kennelijk
moest worden verwacht. Hiervan zou sprake kunnen zijn indien
een werknemer tijdens een periode van onbetaald (en derhalve
onverzekerd) verlof ziek wordt en dat na ommekomst van het verlof
(wanneer de verzekering weer aanvangt) nog steeds is. In het algemeen
deel van deze memorie is reeds aangegeven dat het bestaan van die
bevoegdheid onwenselijk wordt geacht in de situatie van onbetaald
verlof. Daarom wordt thans bepaald dat genoemde bevoegdheid in die
situatie buiten toepassing blijft zolang het verlof niet langer dan zes maanden
heeft geduurd. Eén en ander laat overigens onverlet de bevoegdheid
van het Lisv om ziekengeld te weigeren in de situatie dat de
ongeschiktheid tot werken reeds bestond voordat betrokkene met verlof
ging. In artikel 30, eerste lid, van de WAO
is een rblz.|19|
overeenkomstige
bevoegdheid opgenomen voor het Lisv voor de toepassing van die
wet. Dat artikel is eveneens aangepast.
Onderdeel E (artikel 46 ZW)
Artikel 46
ZW regelt de zogenaamde nawerking van de verzekering. Kort gezegd komt deze nawerking erop
neer dat degene die ziek wordt nadat de ZW-verzekering is
geëindigd, onder bepaalde voorwaarden toch nog aanspraak op ZW-uitkering
kan hebben jegens het Lisv, alsof hij verzekerd was gebleven. Maatstaf
voor het eindigen van de verzekering is - uiteraard - het
eindigen van de dienstbetrekking in de zin van de ZW. Het kan derhalve voorkomen
dat wanneer werkgever en werknemer onbetaald verlof overeenkomen onder
handhaving van de arbeidsovereenkomst, niettemin de
dienstbetrekking in de zin van de ZW - en daarmee de verzekering - eindigt
(op grond van artikel 6, tweede lid). Dit zou betekenen dat bij ziekte de werkgever geen loon
behoeft te betalen op grond van artikel 629 van Boek
7 BW omdat verlof is
overeengekomen, maar dat wel onmiddellijk ZW-uitkering door het
Lisv moet worden verleend op de - technische - grond dat de verzekering
is geëindigd (artikel 29, tweede lid, onderdeel
b, juncto artikel 46 ZW).
Zolang een
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht bestaat, dient bij ziekte geen aanspraak op
een publieke uitkering te bestaan. Het is bovendien onwenselijk dat
zo’n aanspraak zou kunnen ontstaan door de enkele partijafspraak
tot verlof. Dit opent mogelijkheden voor manipulatie en ontduiking van de
loondoorbetalingsplicht. Daarnaast is het zo dat partijen vrijwillig
gekozen hebben voor een periode van onbetaald verlof, zodat bij ziekte geen
inkomensderving optreedt.
Aangenomen mag worden dat
de nawerkingsregeling oorspronkelijk bedoeld was voor de
situatie van kortdurende werkloosheid in een tijd dat de WW
(waaraan ook
ZW-verzekering wordt ontleend) nog niet bestond.
Daarom wordt voorgesteld
om, wanneer de verzekering is ontleend aan een privaatrechtelijke
dienstbetrekking, bedoeld in artikel 3, de nawerkingsregeling eerst
van toepassing te laten zijn indien die dienstbetrekking is geëindigd.
Wanneer de verzekering
berust op de artikelen 4, 5 of
7 ZW, kan de nawerkingsregeling op de
gebruikelijke wijze toepassing vinden.
In artikel 17 van de
WAO is de nawerking van de verzekering voor die wet geregeld. Dit artikel
is in gelijke zin aangepast.
Artikel
II. Wijziging Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Onderdeel A (artikel 1
WAO)
Zie hiervoor de
toelichting op artikel I, onderdeel A (wijziging artikel 1
ZW).
Onderdeel B (artikel 6
WAO)
Zie hiervoor de
toelichting op artikel I, onderdeel B (wijziging artikel 6
ZW).
Onderdeel C
(artikel 17 WAO)
Zie hiervoor de
toelichting op artikel I, onderdeel E (wijziging artikel 46
ZW).
Onderdeel D (artikel 18 WAO)
Artikel
18, tweede lid,
van de WAO ziet op de situatie dat bij aanvang
rblz.|20|
van de verzekering
feitelijk reeds gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid bestaat. Het artikellid
bepaalt dat betrokkene dan slechts verzekerd is voor de op dat moment nog
bestaande verdiencapaciteit.
Deze bepaling dient
buiten toepassing te blijven indien betrokkene onverzekerd was om reden
van onbetaald verlof en hij raakt tijdens dat verlof (meer)
arbeidsongeschikt, uiteraard voor zover dit niet langer dan zes maanden heeft
geduurd. Eén en ander laat overigens onverlet dat gedeeltelijke
arbeidsongeschiktheid wel een rol blijft spelen bij de latere vaststelling van de
arbeidsongeschiktheid in de situatie dat de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid
reeds bestond voordat betrokkene met verlof ging.
Onderdeel E (artikel 30
WAO)
Zie hiervoor de
toelichting op artikel I, onderdeel D (wijziging artikel 44
ZW).
Onderdelen F en
G (artikel
75a en 76f WAO)
Zoals in het
algemeen
deel van deze memorie is toegelicht, wordt het risico van "dubbele
WAO-uitkering" ten laste van een werkgever onwenselijk geacht.
Hiermee wordt bedoeld het risico dat zowel de verlofganger tijdens de
verlofperiode als diens vervanger tijdens de vervangingsperiode
arbeidsongeschikt worden in de zin van de WAO. Zowel eigenrisicodragers als omslagleden zouden met dit fenomeen te maken kunnen krijgen: de
eigenrisicodrager draagt voor beiden het risico van betaling van de
WAO-uitkering en het omslaglid heeft een "dubbele" kans op verhoging van
zijn arbeidsongeschiktheidsrisico en gedifferentieerde premie. Daarom wordt
voorgesteld om in het specifieke geval dat de verlofganger en de
vervanger tegelijkertijd recht hebben op WAO-uitkering, de
WAO-uitkering van de vervanger niet ten laste te brengen van de eigenrisicodrager, respectievelijk de
Arbeidsongeschikheidskas. Deze
arbeidsongeschiktheidsuitkering komt daarmee ten laste van het
Arbeidsongeschiktheidsfonds. Voor alle duidelijkheid wordt opgemerkt dat het
uitsluitend de situatie betreft van twee naast elkaar lopende WAO-rechten in de
eerste vijf jaar na ingang van de WAO-uitkering. Dat
betekent dus dat als een verlofganger die van januari tot en met juni onbetaald
verlof heeft en arbeidsongeschikt wordt in mei en de vervanger die voor
die periode is aangetrokken in februari arbeidsongeschikt wordt, er pas in juli van
het daaropvolgende jaar sprake is van "dubbele"
WAO-uitkering. De WAO-uitkering van de vervanger in de periode van februari tot
juli van het daaropvolgende jaar ten laste komt van de eigenrisicodrager, respectievelijk de Arbeidsongeschiktheidskas. Zodra, in juli van het
daaropvolgende jaar, ook de (gewezen) verlofganger recht heeft op
WAO-uitkering, komt de WAO-uitkering van de vervanger ten laste van het
Arbeidsongeschiktheidsfonds totdat de eerst ingegane WAO-uitkering van de
verlofganger vijf jaar heeft geduurd.
Voor de afbakening
wanneer sprake is van vervanging is aangesloten bij de definities in de Wet
financiering loopbaanonderbreking. Dit heeft voor alle betrokkenen als
voordeel dat de persoon van de vervanger reeds vooraf, voordat een
eventueel WAO-risico intreedt, voldoende is geïdentificeerd.
Indien derhalve het
Lisv heeft geconstateerd dat verlofganger en vervanger voldoen aan de
voorwaarden in de voorgenomen Wet financiering
loopbaanonderbreking, weet de werkgever dat de lasten van een eventuele WAO-uitkering van de vervanger niet aan hem zullen worden toegerekend indien
tezelfdertijd de verlofganger aanspraak op WAO-uitkering maakt.
rblz.|21|
Artikel
III. Wijziging
Werkloosheidswet
Onderdeel A (artikel 1 WW)
In
artikel 1, onderdeel
i,
wordt een definitie gegeven van onbetaald verlof. Het gaat daarbij
om overeengekomen verlof. De overeengekomen verlofperiode mag meer
dan zes maanden duren. Van deze periode wordt echter een duur van
maximaal zes maanden als onbetaald verlof aangemerkt. In het algemeen
deel van deze memorie van toelichting is reeds ingegaan op de
redenen voor de keuze uitsluitend belemmeringen in de
socialeverzekeringswetten weg te nemen bij verlof met een duur van maximaal zes maanden.
De redenen waarom de
definitie van onbetaald verlof in de WW enigszins afwijkt van die
in de ZW en de WAO zijn de volgende. De maximale duur van zes
maanden is in artikel 1 WW
opgenomen, omdat op diverse plaatsen in de
WW, anders dan in de ZW en WAO, het begrip onbetaald verlof
terugkomt, waarbij de toevoeging telkenmale van de maximale duur van zes
maanden de leesbaarheid van de desbetreffende artikelen niet ten goede
zou komen. Op de voet van de ZW en de WAO is voorts het bestaan van
een dienstbetrekking en verzekering tijdens het verlof afhankelijk van
het ontvangen van een uitkering van de werkgever. De WW kent een systeem
waarbij "de
werknemer" verzekerd is voor de WW. Tijdens verlof
behoudt men het werknemerschap (en derhalve de verzekering), omdat de
dienstbetrekking in de zin van de WW niet eindigt.
Ten slotte is in de
WW-definitie aangegeven dat over het verlof geen loon wordt ontvangen, dit
ter onderscheiding onder meer van vakantieverlof, gedurende welk de
werknemer evenmin arbeid verricht, doch wel loon ontvangt.
Onderdeel B (artikel 16 WW)
In
artikel 16, tweede
lid, wordt een berekeningsregel gegeven voor het gemiddeld aantal
arbeidsuren per week. Op basis van dat gemiddelde (over 26 kalenderweken)
wordt het verlies aan arbeidsuren berekend. Met de toevoeging van de
voorgestelde zin wordt voor de berekening van het aantal arbeidsuren per
kalenderweek het aantal weken niet in aanmerking genomen en dus buiten
beschouwing gelaten dat wegens onbetaald verlof niet is gewerkt.
Immers, meetelling van die weken zou tot een lager gemiddeld aantal
arbeidsuren leiden en dus tot een kleinere werkloosheidsomvang. De
weken van onbetaald verlof worden dus als het ware uit de
26-kalenderwekenperiode geknipt. Er is echter een uitzondering, namelijk als het buiten
beschouwing laten van de onbetaald verlofperiode tot een lager gemiddelde
leidt dan het meetellen van die periode. Dat kan alleen het geval
zijn bij een gedeeltelijk onbetaald verlof. Iemand heeft bijvoorbeeld in het jaar
1997 de maanden januari tot en met maart niet als werknemer arbeid
verricht, in de maanden april en mei volledig als werknemer gewerkt,
vervolgens in de maanden juni tot en met augustus half onbetaald verlof
genoten en de maand september weer volledig als werknemer gewerkt.
Vervolgens raakt hij werkloos. Het buiten beschouwing laten van de
weken van onbetaald verlof leidt tot een gemiddeld aantal
arbeidsuren(verlies) van 20. Wanneer de weken van het gedeeltelijk onbetaald
verlof (half werkzaam zijn) worden meegenomen, leidt dat tot een
gemiddeld aantal arbeidsuren(verlies) van 30.
In deze situatie worden
dan de weken van onbetaald verlof meegeteld en dus niet buiten
beschouwing gelaten.
Voor alle duidelijkheid
kan nog worden opgemerkt dan het niet in aanmerking nemen van een
periode van onbetaald verlof slechts een periode betreft van
maximaal zes maanden. Immers op grond van de definitie in artikel
1,
onderdeel h, WW wordt een duur van maximaal zes
rblz.|22|
maanden als onbetaald
verlof aangemerkt. Dat betekent dat als een verlof feitelijk bijvoorbeeld
zeven maanden heeft geduurd, de weken gelegen in zes maanden van dat
verlof buiten beschouwing worden gelaten. De weken in de zevende maand
daarentegen worden gewoon meegerekend in de berekeningsregel
van het tweede lid en zullen als gevolg daarvan tot een lager gemiddeld
aantal arbeidsuren leiden.
Onderdeel C (artikel
17a WW)
De toevoeging van het
nieuwe onderdeel c aan artikel 17a, eerste lid, leidt ertoe dat de weken
waarin geen arbeid is verricht als gevolg van onbetaald verlof niet in
aanmerking worden genomen en dus buiten beschouwing worden gelaten bij de vraag of de werknemer in de 39 weken voorafgaande aan de
eerste werkloosheidsdag in ten minste 26 weken als werknemer heeft
gewerkt. Er is hierbij dus geen sprake van gelijkstelling met
gewerkte weken. Betrokken werknemer moet dus daadwerkelijk in 26 weken
als werknemer hebben gewerkt. Voor alle duidelijkheid kan nog
worden opgemerkt dat een werknemer die gedeeltelijk onbetaald
verlof heeft, tijdens dát verlof tevens als werknemer werkzaam is. In dat geval
is onderdeel c voor hem niet van belang. Voor de werknemer die een
langer verlof heeft genoten dan zes maanden geldt dat op grond van genoemd
onderdeel c de verlofperiode van 26 weken buiten beschouwing wordt
gelaten en het aantal weken dat die 26 weken overstijgt, meetellen voor
de in artikel 17, onderdeel a, genoemde 39 weken.
Onderdeel D (artikel
17b WW)
Het nieuwe
artikel
17b,
zesde lid, is met name van belang voor die werknemers die een
arbeidspatroon hebben van gemiddeld minder dan twee dagen per week. Het is
mogelijk dat deze werknemers bij verlof de norm van 52 dagen loon
ontvangen niet halen, hetgeen nadelig voor hen kan uitwerken bij de vraag of
zij aan de jareneis voldoen. Door de gelijkstelling met loondagen wordt dat
nadeel weggenomen. In verband met deze gelijkstelling in de
wet zelve is in het nieuwe achtste lid nog een kleine technische
wijziging aangebracht.
Onderdeel E (artikel 45 WW)
Artikel 45 van de
WW is
nog niet van kracht. Op basis van artikel 34 van de
Invoeringswet
stelselherziening sociale zekerheid vindt formeel tot op heden vaststelling van
het dagloon plaats. Niettemin vindt toch aanpassing van dit
artikel plaats, omdat de wijziging in logische lijn is met de wijziging van
artikel 16, tweede lid. Voor een verdere inhoudelijke toelichting op deze
wijziging van artikel 45 van de WW
kan worden verwezen naar de
toelichting op de wijziging van artikel 16, tweede lid, WW (onderdeel
B).
Artikel IV.
Wijziging
Ziekenfondswet
In
artikel 3, vierde lid,
onderdeel d, van de Zfw is een bepaling toegevoegd die inhoudt dat voor de
bepaling van de zogenaamde loongrens op de voet van die
wet met
loonwijzigingen die het gevolg zijn van onbetaald verlof geen rekening wordt
gehouden. Zie hiervoor mede hoofdstuk 5 van de algemene toelichting.
Artikelen
V, VI,
VII en
VIII
Wijziging:
- Algemene bijstandswet;
rblz.|23|
- Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;
- Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
- Toeslagenwet.
In vorengenoemde wetten
is een bepaling opgenomen die inhoudt dat geen recht op een
(aanvullende) uitkering bestaat als gevolg van de vrijwillige opname van
onbetaald verlof. Het moet niet zo zijn dat iemand die vrijwillig afziet van
inkomsten door onbetaald verlof op te nemen, dat inkomensverlies tracht
(gedeeltelijk) te compenseren door (hogere) bijstand, Ioaw- of Ioaz-uitkering of toeslag. In verband daarmee worden in de artikelen
9 van de Abw, 6 van de
Ioaw,
6 van de Ioaz
en 6 van de TW bepaald dat voor de
persoon in dergelijke gevallen in beginsel geen recht op algemene
bijstand respectievelijk uitkering bestaat. Dit geldt overigens niet alleen de
direct betrokken persoon (bijvoorbeeld werkloze werknemer), maar ook zijn
echtgenoot of daarmee gelijk te stellen persoon.
In het artikel is het
recht op bijstand of uitkering afgesloten voor zover het ontbreken van
middelen te wijten is aan het opgenomen onbetaalde verlof.
Niet beoogd is immers
diegenen die reeds nu, in aanvulling op een deeltijdbaan, aanvullende
bijstand krijgen tot het voor hen geldende sociaal
minimum het
recht op de reeds bestaande aanvullende bijstand te ontnemen. Met andere
woorden, mocht in dergelijke (naar verwachting beperkt aantal) gevallen
een beroep op extra aanvullende bijstand worden gedaan in verband met het
opgenomen onbetaalde verlof, dan zal een dergelijk beroep niet
kunnen worden gehonoreerd.
Een uitzondering is
daarnaast getroffen in artikel 9 van de Abw voor de alleenstaande die
onbetaald ouderschapsverlof op grond van artikel 644 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek opneemt en overigens niet gehouden is aan de
verplichtingen van artikel 107, tweede lid, van
die wet te voldoen.
Artikelen
IX, X en XI.
Overgangsbepalingen
De
artikelen I, II en
III
bevatten materiële wijzigingen van de ZW, WAO
en de WW. Een aantal van
deze wijzigingen is van invloed op het recht op of de hoogte van de
uitkeringsrechten op grond van deze wetten. Enkele wijzigingen in de ZW en
de WAO (artikel I en II) hebben bijvoorbeeld gevolgen voor het (moment
van) ontstaan van aanspraak op ziekengeld of op
arbeidsongeschiktheidsuitkering. Zo kan de aanspraak op ziekengeld op grond van de nawerking
voortaan niet meer ontstaan indien de arbeidsovereenkomst naar
burgerlijk recht niet is geëindigd. Teneinde niet in strijd te komen met
het rechtszekerheidsbeginsel kunnen dergelijke wijzigingen niet met
onmiddellijke ingang van toepassing worden op zogenaamde "lopende
gevallen", die nog onder het oude regime zijn ontstaan.
Voor de wijzigingen van
de WW (artikel III) geldt dat zij hoofdzakelijk begunstigend van aard
zijn. Het opnemen van onbetaald verlof heeft thans vaak een verlagend
effect op bijvoorbeeld het dagloon en op het gemiddeld aantal
arbeidsuren; in de toekomst zal dit niet meer het geval zijn. Indien het
gewijzigde regime met onmiddellijke ingang van toepassing zou worden op
lopende gevallen, zou dit betekenen dat de uitvoeringsinstellingen
met ingang van de inwerkingtreding van deze wet op grote schaal tot
herbeoordelingen moeten overgaan, ook wanneer dit leidt tot marginale
wijzigingen of tot aanpassingen die slechts zeer kort zullen gelden.
Het vorenstaande betekent
dat ervoor gekozen is om de relevante oude wetsbepalingen van
toepassing te laten blijven op personen die, kort gezegd, vóór de
inwerkingtreding van deze wet recht hebben verkregen op rblz.|24|
ZW-, WAO- of
WW-uitkering. Tevens houdt dit in dat de gewijzigde bepalingen niet van
toepassing zijn op deze oude gevallen, zolang er nog sprake is van die oude
aanspraak of dat oude recht. Deze regel geldt dus voor de aanspraak of het
recht dat vóór de inwerkingtreding van deze wet is ontstaan. Een
onderbreking van die aanspraak of dat recht doordat de aanspraak eindigt en weer
wordt heropend, dan wel het recht eindigt en weer herleeft, doet niet
af aan het feit dat er nog steeds sprake is van die oude aanspraak of dat
oude recht.
Deze wet zal derhalve
niet in alle situaties met onmiddellijke werking hebben; de artikelen
IX,
X en XI bepalen dat enkele oude wetsbepalingen nog enige tijd zullen
gelden ten aanzien lopende uitkeringen.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
|