|
rblz.|1|
Kamerstukken II
1997-1998, 25 822
Wijziging
van de Algemene bijstandswet in verband met
de verlening van bijstand aan zelfstandigen die zich uit hoofde van hun
bedrijf of beroep tijdelijk in het buitenland bevinden
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
[Algemeen,
red.]
Algemeen
Bij
de herinrichting van de Algemene bijstandswet, die op 1 januari 1996 is
ingegaan, is de mogelijkheid om aan Nederlanders die in het buitenland
in financiële moeilijkheden komen te verkeren bijstand te verlenen
niet meer opgenomen voor nieuwe aanvragers.
Nog in dezelfde winter
van 1996 kwam een aantal Nederlandse binnenschippers in het buitenland vast te
zitten in het ijs. Sommige onder hen kwamen hierdoor in
ernstige financiële moeilijkheden. Door het vastzitten in het ijs verwierven
deze binnenschippers geen inkomen meer; ze waren immers niet in staat hun
bedrijf uit te oefenen. Als bovendien geen financiële reserves
aanwezig bleken en op grond van de financiële belasting van de
onderneming de bank niet meer bereid was de kredietverlening uit te breiden,
konden
deze schippers niet meer voorzien in de kosten van het bestaan.
De omstandigheden maakten
het ook onmogelijk om een bijstandsaanvraag in Nederland in te
dienen, immers men kon het schip niet in de steek laten. Een
oplossing die vóór de wijziging van de Abw voorhanden was, namelijk
bijstandverlening aan Nederlanders in het buitenland, was er niet meer. Ook in de
winter van 1996/1997 deden zich deze problemen voor.
Hierdoor is een situatie
ontstaan die ertoe leidt dat door het ontbreken van de mogelijkheid van
financiële hulp in de vorm van bijstandverlening binnenschippers in het
buitenland in zodanige problemen kunnen komen dat zij hun
bedrijf moeten beëindigen en terug in Nederland van de bijstand
afhankelijk worden. Dit acht het kabinet niet acceptabel.
Om deze moeilijkheden in
een volgende strenge winter te voorkomen, is besloten de Algemene
bijstandswet zodanig te wijzigen dat aan Nederlandse binnenschippers die in
het buitenland met onoverkomelijke financiële moeilijkheden
worden geconfronteerd bijstand kan worden verleend. Daarmee worden
ook zoveel mogelijk waarborgen geschapen om de bestaansvoorziening
voor de zelfstandige in stand te houden.
Aangezien de bedrijven
van deze schippers in Nederland zijn ingeschreven, zij in
Nederland inkomstenbelasting en premies volksverzekering betalen en deze schippers
voor de uitoefening van hun bedrijf rblz.|2|
tijdelijk in het
buitenland verblijven, wordt voor dergelijke zelfstandigen in de Algemene bijstandswet
een mogelijkheid opgenomen dat zij in het buitenland een
bijstandsaanvraag kunnen indienen indien zij niet in staat zijn onmiddellijk naar
Nederland terug te keren.
Gelet op de
uitzonderlijke situatie van deze zelfstandigen die voor hun inkomensvoorziening zijn
aangewezen op het tijdelijk verrichten van werkzaamheden in het
buitenland is besloten de mogelijkheid van bijstandverlening te
beperken tot zelfstandigen en niet open te stellen voor andere Nederlanders.
Deze mogelijkheid zal in
de praktijk met name soelaas bieden aan de binnenschippers die als
gevolg van de winter in het buitenland langdurig in het ijs komen vast te
zitten.
Financiële effecten
De financiële effecten
van openstelling van de Abw voor zelfstandigen die
zich uit hoofde van hun
bedrijf of beroep tijdelijk in het buitenland bevinden, zijn naar
verwachting beperkt.
Met de openstelling wordt
feitelijk de situatie van vóór invoering van de Abw per 1 januari 1996
voor bovengenoemde groepen hersteld. Bij de raming van de financiële
effecten is daarom aangesloten bij het beroep dat in de jaren vóór
1996 op de regeling is gedaan. Op grond van deze historische ervaringen is
te verwachten dat jaarlijks maximaal tien zelfstandigen gedurende
gemiddeld drie maanden een beroep op de regeling zullen doen. Het
jaarlijkse budgettaire beslag bedraagt daarmee structureel ƒ50
000,-.
Artikelsgewijs
Artikel
I
Onderdeel
A
In het
voorgestelde artikel 25a van de Abw
is vastgelegd dat de bijstand die wordt
verleend aan de zelfstandige die in het buitenland verblijft voorlopig de
vorm heeft van een renteloze geldlening. Het bepaalde bij en krachtens
artikel 23, tweede lid, van de Abw is op deze
geldlening van
overeenkomstige toepassing. In het geval dat de zelfstandige over het
gehele jaar een inkomen blijkt te hebben dat geen aanleiding geeft om de
bijstand op een lager bedrag vast te stellen, dan wel voor zover het
vermogen van de zelfstandige de in het Besluit bijstandverlening
zelfstandigen gestelde grens niet te boven gaat, wordt de aanvankelijk als
lening versterkte bijstand omgezet in bijstand om niet. Blijkt op grond van zijn
jaarinkomen de zelfstandige achteraf wel over voldoende inkomen te
beschikken of blijkt zijn eigen vermogen de gestelde grens te
overschrijden, dan blijft de bijstand het karakter van een lening behouden en dient
te worden terugbetaald.
Onderdeel
B
In het
nieuwe artikel 144a, eerste lid, van de
Abw is bepaald dat bij zeer dringende
redenen van tijdelijke aard aan de zelfstandige die als ingezetene in de
basisadministratie persoonsgegevens van een gemeente is ingeschreven
en die zich uit hoofde van zijn bedrijf of beroep tijdelijk in het
buitenland bevindt, door Onze Minister bijstand kan worden verleend volgens door hem
te stellen regels.
Deze regels zullen in elk
geval procedurele voorschriften bevatten en zullen zo spoedig
mogelijk na de inwerkingtreding van het voorgestelde artikel
144a van de Abw worden
vastgesteld [zie Regeling bijstandverlening aan
zelfstandigen in het buitenland, red.]. Daarin zal worden
vastgelegd dat de
betreffende bijstandsaanvragen door tussenkomst van ambassade of consulaat
bij Onze Minister kunnen worden ingediend. Ook zullen uitgangspunten
worden gegeven over de hoogte en de duur van de te verlenen bijstand. Op
het moment dat er daadwerkelijk aanvragen rblz.|3|
worden ingediend, zal
worden nagegaan of op grond van de dan aanwezige specifieke
omstandigheden nog nadere regelgeving nodig is. De zinsnede "zeer
dringende redenen van tijdelijke aard" maakt duidelijk dat deze vorm van
bijstandverlening slechts in uitzonderlijke situaties aan de orde kan zijn. In
het geval er reële verzekeringsmogelijkheden zijn, kan niet worden gesproken
van dringende redenen. Daarnaast wordt in beginsel iedere
zelfstandige in staat geacht om gedurende een zekere periode zijn kosten van
levensonderhoud, alsmede die van zijn gezinsleden, uit eigen middelen te
kunnen betalen. Hierbij wordt uitgegaan van een periode van circa
drie weken; pas daarna kunnen de "zeer dringende redenen" aanwezig
zijn.
Voorts moeten de zeer
dringende redenen "van tijdelijke aard" zijn. De Abw
is in de eerste
plaats bedoeld voor het grondgebied van Nederland. Het onderhavige
wetsvoorstel voorziet niet in inkomensondersteuning van Nederlanders die zich
definitief in het buitenland hebben gevestigd.
Het begrip zelfstandige
in het eerste lid van het voorgestelde artikel
144a is omschreven in artikel 5, eerste
lid, onderdeel b, van de Abw. Door het
begrip "zelfstandige"
in het eerste lid op te nemen, wordt bereikt dat alleen zelfstandigen die
in Nederland rechtmatig hun bedrijf of beroep uitoefenen voor bijstand
in het buitenland in aanmerking kunnen komen.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
|