|
rblz.|1|
Kamerstukken II
1998-1999, 26 239
Nadere
wijziging van een aantal socialezekerheidswetten
en enige andere wetten, houdende technische alsmede enige andere
wijzigingen (Veegwet SZW 1998)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Samenloop
bevallingsuitkering en uitkering op grond van de Werkloosheidswet |
| 3 |
Premievrijstelling Wet
bevordering arbeidsinpassing |
| 4 |
Stagiairs uit kring
der verzekerden Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering |
| 5 |
Subsidieartikel in de
WW |
| 6 |
Vrijlating van
subsidies op vrijwilligerswerk voor bepaalde groepen
bijstandsgerechtigden |
| 7 |
Raming van de
financiële effecten |
|
xArtikelsgewijs |
| Hoofdstuk
I. Doelgroep Wagw en uitvoering loonkostensubsidie in de periode
van 1 januari tot 1 juli 1998 |
| x |
Artikelen
1 en 2 |
| Hoofdstuk
II. Wijzigingen |
| xx |
Artikelen
3 t/m 42 |
Algemeen
1.
Inleiding
Met
de Veegwet SZW 1997, die in werking is getreden per 31 december 1997, is
een aantal technische onvolkomenheden weggenomen in de socialezekerheidswetten. Bij brief van 15 december 1997 zijn door het
Landelijk instituut
sociale verzekeringen (Lisv) voorstellen gedaan voor aanpassingen van een
aantal onderdelen van genoemde veegwet. Gelet op het feit dat het
voorstel van wet houdende de Veegwet SZW 1997 toen al in behandeling was bij
de Eerste Kamer der Staten-Generaal besefte het Lisv dat de voorgestelde
aanpassingen niet meer in dat wetsvoorstel konden worden
gerealiseerd. Daarnaast deed het Lisv bij separate brief van dezelfde datum het
voorstel tot een tweetal aanpassingen van de regelgeving in verband
met (het toenmalige voorstel houdende) de Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet Rea).
De voorgestelde
aanpassingen zijn opgenomen in het onderhavige wetsvoorstel. Daarnaast
is van de gelegenheid gebruik gemaakt om in dit wetsvoorstel ook enkele
andere - met name redactionele - wijzigingen onder te brengen.
2. Samenloop
bevallingsuitkering en uitkering op grond van de Werkloosheidswet
In zijn brief van 11
februari 1998 heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de
Voorzitter van de Tweede Kamer de reactie van het kabinet op het
rapport van de commissie-Groenman "Het Vrouwenverdrag in Nederland anno
1997" gezonden.¹ In aanbeveling 27 heeft de commissie-Groenman aanbevolen de Werkloosheidswet (WW) aan te
passen in die zin dat zwangerschaps- en bevallingsverlof niet nadelig uitwerkt voor werkloze
zwangere en pas bevallen vrouwen. Het kabinet heeft deze aanbeveling overgenomen en de Tweede Kamer in het
vooruitzicht gesteld om
op korte termijn een wetswijziging te entameren die ertoe strekt dat de
regeling van artikel 43, tweede lid, van de WW zich niet langer uitstrekt tot
de bevallingsuitkering op grond van artikel 29a
van de Ziektewet (ZW).
Met het onderhavige
voorstel wordt deze belofte nagekomen.
rblz.|2|
Zoals in de
kabinetsreactie reeds is uiteengezet, ziet het door de commissie-Groenman
gesignaleerde probleem op de samenloop van het recht op ziekengeld in
verband met bevalling (bevallingsuitkering) met het recht op WW-uitkering.
De vrouwelijke verzekerde
met een WW-uitkering die op grond van de ZW recht op
bevallingsuitkering heeft, ziet zich geconfronteerd met een verlies van de haar toekomende
WW-uitkering in die zin dat zij de resterende uitkeringsduur van haar
WW-uitkering niet volledig behoudt. Bij een eventuele herleving van
het recht op WW-uitkering na afloop van de bevallingsuitkering geldt
namelijk dat de eerste drie maanden waarin de ZW-uitkering wordt
ontvangen, bij de verlenging van de uitkeringsduur niet meetellen. Dit
vloeit voort uit de regeling van artikel 43, tweede lid, van de
WW.
1. Kamerstukken II 1997-1998, 25 893, nr. 2.
Het kabinet is van
oordeel dat de regeling van artikel 43, tweede lid, van de
WW voor zover van
toepassing ten aanzien van vrouwen met een recht op een
bevallingsuitkering, op gespannen voet staat met het bepaalde in artikel 11, tweede lid,
onderdeel b, van het VN-verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen
(Trb. 1981, 61). Op grond van deze
verdragsbepaling dienen de staten die partij zijn bij het verdrag passende
maatregelen te nemen om verlof wegens bevalling in te voeren met behoud van
loon of met vergelijkbare sociale voorzieningen, zonder dat dit leidt tot
verlies van (...) de hun toekomende uitkeringen. Hoewel bij
de toekenning van een bevallingsuitkering het recht op de WW-uitkering niet verloren gaat, meent het kabinet dat toch
van een verlies in de zin
van de genoemde verdragsbepaling kan worden gesproken. Immers, bij de
eventuele herleving van het WW-recht kan niet meer gedurende de volledige, bij de ingang van het recht op bevallingsuitkering
nog resterende,
uitkeringsduur WW-uitkering worden genoten. Aan de bovengenoemde
verdragsverplichting wordt naar het oordeel van kabinet ten volle voldaan
door van de toepassing van artikel 43, tweede lid, van de
WW uit te
zonderen degenen die recht hebben op bevallingsuitkering als bedoeld in artikel
29a, eerste lid, van de ZW.
3. Premievrijstelling Wet
bevordering arbeidsinpassing
De Wet bevordering
arbeidsinpassing (Wba) is alleen nog in 1998 van toepassing. De regeling
geldt nog voor personen behorend tot minderheidsgroepen die
langer dan één jaar werkloos waren en andere langdurig werklozen die
langer dan twee jaar werkloos waren voorafgaand aan hun indiensttreding.
De premievrijstelling geldt voor deze groep voor ten hoogste
drie jaar. In 1999 speelt dit niet meer. Door de inwerkingtreding van
diverse maatregelen, die onder meer samenhangen met de invoering van de
Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen
(Pemba), zijn de betrokken werkgevers per 1 januari
1998 geconfronteerd met een verminderd voordeel. De werkgevers,
die een premievrijstelling op grond van de Wba
hebben, moeten per 1
januari 1998 de premie op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
(WAO) betalen. In dit wetsvoorstel is, in artikel
35, met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 1998 de
noodzakelijke wettelijke
basis opgenomen voor de reparatie van dit effect.
4. Stagiairs uit kring
der verzekerden Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Ingevolge artikel
4,
eerste lid, onderdeel g, van de WAO wordt thans mede als dienstbetrekking
beschouwd de arbeidsverhouding van degene die als leerling van een
instelling van onderwijs praktisch werkzaam is, alsmede degene die aan
een bedrijfsschool opleiding ontvangt. Kort gezegd gaat het in dat
onderdeel om stagiairs. In het kader van rblz.|3|
dit wetsvoorstel wordt
voorgesteld hen onder te brengen in de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten (Wajong). Hiermee worden stagiairs wat
betreft het recht op uitkering bij arbeidsongeschiktheid op één lijn gesteld met
studenten. Dit voorstel kan als volgt worden toegelicht.
Stagiairs zijn nu
verzekerd voor de WAO. Zij nemen echter een bijzondere positie in. Allereerst
kunnen zij bij arbeidsongeschiktheid voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering
in aanmerking komen, ongeacht of zij een beloning ontvangen.
Voor de berekening van het WAO-dagloon wordt namelijk uitgegaan van
het loon van werknemers die geen opleiding genieten en het beroep
uitoefenen dat voor de stagiair is vastgesteld (de daadwerkelijke verrichte
werkzaamheden). Voor het WAO-dagloon van stagiairs wordt dus thans
uitgegaan van het loon van werknemers die, bij wijze van beroep en in
loondienst, dezelfde werkzaamheden verrichten als de stagiair in het kader
van zijn studie of opleiding feitelijk verrichtte toen hij arbeidsongeschikt
werd. In tegenstelling tot andere groepen werknemers gaat het
echter bij stagiairs niet om personen die tegen beloning arbeid
verrichten. Aangezien stagiairs voor een WAO-uitkering in aanmerking kunnen komen,
kan dat sinds de invoering van de Pemba gevolgen hebben voor de
hoogte van de gedifferentieerde WAO-premie, bedoeld in artikel 78 van
de WAO, die een werkgever moet betalen. Bij een kleine werkgever waarbij het zich voordoet dat een stagiair arbeidsongeschikt
wordt, zal de
gedifferentieerde premie bijvoorbeeld al snel op het maximumniveau worden
vastgesteld. Dit heeft een ontmoedigend effect op het aanbieden van
stageplaatsen door werkgevers. Uit een oogpunt van bevordering van
arbeidsdeelname en het verwerven van vakbekwaamheid is het in het algemeen
belang dat de mogelijkheid om stage te lopen niet wordt
ontmoedigd.
In de tweede plaats
verdient overweging dat de positie van stagiairs meer verwant is met de positie
van studenten dan met andere werknemers. Kenmerkend voor stagiairs
is immers dat zij in het kader van leren en studeren praktische
vakbekwaamheid opdoen, waartegen geen loon staat, maar hooguit een
bescheiden vergoeding. In die zin is hun positie vergelijkbaar met
studenten die onder de Wajong vallen. Om deze overwegingen wordt
derhalve voorgesteld om artikel 4, eerste lid, onderdeel g, van de
WAO te laten vervallen. De daarin genoemde groepen zullen door middel van
een algemene maatregel van bestuur op grond van artikel
5, derde lid,
van de Wajong onder het bereik van die wet worden gebracht. Hiermee worden stagiairs wat betreft het recht op
uitkering bij
arbeidsongeschiktheid voor het arbeidsongeschiktheidsrisico op één lijn gesteld met
studenten.
De voorgestelde wijziging
heeft uitsluitend betrekking op stagiairs wier arbeidsongeschiktheid op
of na de datum van inwerkingtreding van deze wet is ingetreden.
Stagiairs met een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de verplichte
WAO-verzekering die vóór die datum is ingegaan, blijven op grond van
artikel 7b van de WAO voor die wet verzekerd. Stagiairs aan wie
vóór
bedoelde datum ziekengeld is toegekend op grond van de verplichte
verzekering ingevolge de ZW blijven op grond van
artikel 7a van de WAO
eveneens voor die wet verzekerd.
5. Subsidieartikel in de
WW
Uit verzoeken die in de
loop der jaren zijn gedaan, is een behoefte gebleken aan een
financieringsbron voor activiteiten die tot een verlaging van het volume in de
WW kunnen leiden, doch die binnen de reguliere uitvoering van de WW niet
financierbaar zijn. Een soortgelijke mogelijkheid bestaat
bijvoorbeeld wel in de WAO, op grond waarvan subsidies verleend kunnen
worden aan instellingen of organisaties die ten doel hebben het nemen of
bevorderen van maatregelen die strekken tot rblz.|4|
behoud, herstel of
bevordering van arbeidsgeschiktheid (artikel 74 van de
WAO). Naar aanleiding van
een daartoe strekkend verzoek van de GWW [grond-, weg- en waterbouw, red.]
om subsidie voor een
praktijkproef om het beroep op de WW door seizoenwerkloosheid terug
te dringen, heeft het vorige kabinet besloten een regeling in de WW op
te nemen waarmee financiering van dit soort initiatieven mogelijk
wordt. Het gaat hierbij om praktijktoepassingen waarbij alle regels van
de WW in acht worden genomen.
Dit voornemen is reeds
neergelegd in de Sociale Nota 1998. Met betrekking tot een
wetsvoorstel inzake experimenteren en anticiperen, waarvan een dergelijk
subsidieartikel onderdeel uitmaakte, heeft de Raad van State bezwaar gemaakt
en in overweging gegeven dat niet aldus aan de Tweede Kamer te
zenden. Het bezwaar van de Raad van State richtte zich evenwel niet tegen
het subsidieartikel. Teneinde vertraging van invoering van het
subsidieartikel zoveel mogelijk te voorkomen - dit mede gezien het feit dat reeds
een praktijkproef gaande is in de sector grond-, weg- en waterbouw (GWW)
(zie ook hierna) - heeft het kabinet ervoor gekozen deze
wetswijziging, met beleidsinhoudelijke implicaties, via deze veegwet in te dienen.
Overigens is er - vanwege de wetssystematiek - voor gekozen om, anders
dan in het wetsvoorstel inzake experimenteren en anticiperen zoals dat
aan de Raad van State is voorgelegd, het subsidieartikel niet in
zijn geheel in artikel 90 van de WW
neer te leggen, maar dat artikel te
splitsen over artikel 69 van de WW, waarin wordt neergelegd dat het
Lisv
bovengenoemde activiteiten kan financieren, en artikel 90 van
die wet,
waarin wordt opgenomen dat de subsidies op grond van artikel 69 van
de WW
worden gefinancierd uit de wachtgeldfondsen.
De praktijkproef van de
GWW-sector gaat om het volgende.
Een belangrijk deel van
de werkzaamheden in de grond-, weg- en waterbouw vindt plaats in
de zomer, waardoor er veel moet worden overgewerkt, terwijl er in
de winter sprake is van leegloop. Vanuit de sector worden in
samenwerking met de ministeries van Verkeer en Waterstaat
(VW) en
van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)
pogingen ondernomen om het werk meer over het jaar te spreiden door de
opdrachten ook in de winter te laten uitvoeren. Van de zijde van de
GWW-sector wordt getracht werknemers ook in de winter aan het werk te
houden, zodat zij in dienst kunnen blijven. Het is de bedoeling dat werkgevers
in de zomer overgewerkte uren uitbetalen in de winter ter overbrugging
van een periode van zeven weken van de overbruggingsperiode van dertien weken. Over de
resterende zes weken wordt door de werkgever loon
doorbetaald, zodat over deze periode geen WW-rechten kunnen worden geclaimd.
De te creëren faciliteit bestaat daaruit dat de ministeries van VW
en VROM alsmede het wachtgeldfonds van de betreffende sector zich
garant stellen voor het uitbetalen van het loon in het geval de werkgevers
die aan de praktijkproef meedoen er niet in zouden slagen de
resterende periode van zes weken te overbruggen.
Bij de vormgeving van het
subsidieartikel is gestreefd naar ruimte voor eigen initiatief van
sectoren in combinatie met eigen verantwoordelijkheid van die sectoren. Aan
sectoren wordt de maximale ruimte geboden doordat wel financiële
middelen ter beschikking worden gesteld, maar niet limitatief wordt vastgelegd voor welke doeleinden deze middelen
mogen worden aangewend.
Gekozen is voor een algemene formulering, namelijk dat inzet van
middelen uit de sectorale wachtgeldfondsen erop gericht moeten zijn het
beroep op de WW terug te dringen.
Er dient voor gewaakt te
worden dat de ter beschikking te stellen middelen voor andere
doeleinden worden aangewend of dat door aanwending van deze
middelen bedrijfseconomische doeleinden worden rblz.|5|
geschaad. Dit heeft tot
gevolg dat heldere criteria zullen moeten worden neergelegd in een op te
stellen algemene maatregel van bestuur. Hierbij kan aan de
volgende toetsingscriteria worden gedacht:
- Doelgericht: Het
project dient expliciet gericht te zijn op terugdringing van het beroep op het
wachtgeldfonds. Het project dient zodanig te zijn opgezet dat verwacht
mag worden dat er van een verminderd beroep op het
wachtgeldfonds sprake is. Deze verwachting moet op te kwantificeren effecten
zijn gebaseerd.
- Vernieuwend: Het
voorgestelde project moet feitelijk vernieuwende elementen bevatten, dat
wil zeggen elementen die nog niet eerder zijn uitgeprobeerd of nog niet
in een dergelijke combinatie zijn verkend of nog niet in de duidelijk
afwijkende context van de bedrijfstak zijn onderzocht.
- Geen afdekking van
ondernemersrisico: De subsidiegelden mogen niet worden aangewend voor het
afdekken van kosten die verband houden met het normale
ondernemersrisico. Voorafgaand aan de subsidietoekenning vindt een
bedrijfseconomische toets plaats die erop is gericht vast te stellen
of ook andere doeleinden worden nagestreefd. Voorts dient te worden
nagegaan of ook andere bestaande instrumenten zoals werktijdverkorting
kunnen worden ingezet.
- Tijdelijk: Bij
aanvraag voor het project wordt de tijdsduur aangegeven. Deze mag maximaal
twee jaar
bedragen. Tevens dient aannemelijk te worden gemaakt dat na
beëindiging het onderzochte project zonder externe middelen kan
blijven doorfunctioneren. Er dient een reëel perspectief te zijn.
Voorts is het wenselijk
dat, aangezien het toekennen van financiële middelen aan een bedrijf
gevolgen kan hebben voor de sector als geheel, ook binnen de sector zelf
van draagvlak sprake zal moeten zijn. De bevoegdheid tot
subsidieverlening is daarom toegekend aan het Lisv,
dat zich bij de beoordeling
van een aanvraag zal baseren op advies van de betrokken sector.
Het
Lisv merkt op dat
voor het subsidieartikel in de WW een andere procedure wordt gevolgd
dan bij het vergelijkbare artikel 74 WAO, met name waar het betreft de
opstelling van de subsidievoorwaarden. Het kabinet is echter van mening dat het subsidieartikel een breder toepassingsbereik heeft
en dat het daarom noodzakelijk is dat bij algemene maatregel van
bestuur enige randvoorwaarden worden geformuleerd. Daarbij wil
het kabinet voldoende ruimte laten voor initiatieven uit een sector en wanneer meer sectoren betrokken zijn, ligt het voor de hand dat het
Lisv bij de beoordeling van een subsidieaanvraag de adviezen van alle
sectoren zal moeten laten meewegen. Verder wordt de visie van
het Lisv onderschreven dat de lasten daar moeten worden gelegd waar
het profijt ligt.
Zoals ook door het
Lisv aangegeven, bestaat er enige overlap met artikel 44 van de
Wet Rea. Het
onderhavige subsidieartikel heeft betrekking op bestrijding van de
werkloosheid in het algemeen, terwijl het bedoelde artikel 44 van de
Wet Rea doelt op projecten die uitsluitend op de integratie van
arbeidsgehandicapten zijn gericht. De door het Lisv benoemde aanvullende
subsidievoorwaarden zullen bij de op te stellen algemene maatregel van
bestuur worden meegenomen.
Met de uitvoering van het
subsidieartikel is slechts een gering bedrag gemoeid, aangezien de
projecten erop zijn gericht de uitgaven aan WW-uitkeringen uit het
wachtgeldfonds te verminderen. De subsidiebedragen zullen derhalve worden
terugverdiend. Zo zal de invoering van het jaarmodel in de
GWW-sector ertoe leiden dat naar schatting 100 rblz.|6|
werknemers die
normaliter tijdens de winterperiode een beroep zouden doen op de WW, nu bij de
werkgever in dienst blijven. Hierdoor wordt een besparing voor het
wachtgeldfonds gerealiseerd. Naar verwachting zal dit voor alle projecten die
op grond van dit artikel worden gesubsidieerd, gelden. Wellicht zullen
de projecten een geringe stijging van de uitvoeringskosten van de uitvoeringsinstellingen en het
Lisv tot gevolg
hebben, onder meer omdat
ieder project geëvalueerd zal moeten worden, maar ook dit effect wordt
waarschijnlijk ruimschoots gecompenseerd door de besparingen in de
wachtgeldfondsen.
Een subsidie voor een
project komt ten laste van het wachtgeldfonds van de sector die dat project
heeft voorgesteld. Indien meer sectoren bij een project zijn betrokken,
wordt het subsidiebedrag over de verschillende wachtgeldfondsen
verdeeld. De verdeelsleutel zal per project worden bepaald. De besparingen
die als gevolg van de projecten worden gerealiseerd, komen ten
goede aan de betrokken wachtgeldfondsen.
Er is voor gekozen het
nieuwe artikel 69 van de WW
alsmede de bovengenoemde wijziging van artikel 90
van die wet met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 1998 in
werking te laten treden aangezien er reeds uitgaven zijn gedaan ten
behoeve van de praktijkproef in de GWW-sector.
6. Vrijlating van
subsidies op vrijwilligerswerk voor bepaalde groepen
bijstandsgerechtigden
In het kader van de
bijstandsexperimenten ex artikel 144 van de Algemene bijstandswet (Abw) is
thans reeds voorzien in de mogelijkheid voor daartoe aangewezen
gemeenten om af te wijken van een aantal bepalingen van de Abw.
Eén van de mogelijke
afwijkingen betreft een vrijlating van subsidies die een gemeente kan
verstrekken voor het verrichten van vrijwilligerswerk. Een dergelijke vrijlating
is een incentive voor uitkeringsgerechtigden om deel te nemen aan
activiteiten die eraan kunnen bijdragen dat sociaal isolement wordt voorkomen
dan wel doorbroken of dat een eerste stap wordt gezet in de
richting van de arbeidsmarkt. Het gaat hierbij uitdrukkelijk om onbetaalde
activiteiten (vrijwilligerswerk) die niet het karakter hebben van een werkervaringsplaats, stage noch reguliere baan.
In het debat over
vrijwilligerswerk heeft de Tweede Kamer de minister verzocht om,
vooruitlopend op de afloop en evaluatie van de bijstandsexperimenten ex artikel 144 van de
Abw, een algemene vrijlating van subsidies/premies op
vrijwilligerswerk te realiseren. Het verrichten van dergelijke
maatschappelijk nuttige activiteiten wordt gezien als middel om sociaal isolement van
uitkeringsgerechtigden te doorbreken of te voorkomen en om de
arbeidscapaciteiten van betrokkenen in stand te houden of mogelijk te
verbeteren. Het gaat om maatschappelijk nuttige activiteiten die
onbetaald en onverplicht in enig georganiseerd verband worden verricht
(vrijwilligerswerk). In het voorgestelde artikel
43, tweede lid, onderdeel
o, van de Abw wordt geregeld dat een subsidie die de betrokkene ontvangt voor
het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten tot een
bedrag van ƒ150,- per kalendermaand niet in mindering wordt gebracht
op de bijstandsuitkering voor zover deze subsidie wordt verstrekt
aan een in dat onderdeel bedoelde belanghebbende. De vrijlating van
verstrekte subsidies is bedoeld ter stimulering van de inschakeling en houdt derhalve geen verband met de aard en
omvang van de verrichte
maatschappelijk nuttige activiteiten. De opname van een
vrijlatingsbepaling aangaande subsidies op vrijwilligerswerk is een uitwerking van een
toezegging aan de Tweede Kamer, gedaan in de rblz.|7|
brief van 29 januari 1998 (Kamerstukken II
1997-1998, 25 600 XV, nr. 42) naar aanleiding van de motie-Bakker (Kamerstukken II
1997-1998, 25 600 XV, nr. 21).
7. Raming van de
financiële effecten
Samenloop
bevallingsuitkering en uitkering op grond van de Werkloosheidswet
De meeruitgaven voor de
sociale fondsen die ontstaan doordat samenloop van een
bevallingsuitkering en een WW-uitkering niet meer leidt tot een verkorting
van de duur van de WW-uitkering worden geraamd op ƒ6,5 mln. Naar verwachting zullen jaarlijks
7500 zwangere vrouwen een
samenloop van een bevallingsuitkering en een uitkering op grond van de
WW kennen. Voor een klein deel daarvan (waarschijnlijk minder
dan 25%) geldt dat de verlenging van de maximale WW-duur inderdaad leidt
tot meeruitgaven voor de fondsen.
Premievrijstelling Wet
bevordering arbeidsinpassing
De omvang van de
premievrijstelling Wba in 1998 wordt geraamd op ƒ5,1 mln. De
premievrijstelling geldt alleen voor 1998, omdat na 1998 de Wba
niet meer van toepassing
is.
Stagiairs uit de kring
der verzekerden Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Door arbeidsongeschikt
geworden stagiairs onder te brengen bij de Wajong
zal naar
verwachting een structurele verschuiving van ƒ5 à 10 mln van WAO
naar Wajong plaatsvinden. Per saldo treedt dus geen verandering in de
arbeidsongeschiktheidsuitkeringslasten op.
Subsidieartikel in de WW
De projecten die onder
het subsidieartikel uitgevoerd kunnen worden, dienen erop gericht te
zijn de uitgaven aan WW-uitkeringen uit het wachtgeldfonds te
verminderen. De verwachting is dan ook dat de subsidiebedragen zullen
worden terugverdiend. Wellicht zullen de projecten een geringe
stijging van de uitvoeringskosten van de uitvoeringsinstellingen en het Lisv
tot gevolg
hebben, onder meer omdat ieder project geëvalueerd zal
moeten worden, maar ook dit effect wordt waarschijnlijk
gecompenseerd door de besparingen in de wachtgeldfondsen.
Vrijlating van subsidies
op vrijwilligerswerk voor bepaalde groepen
bijstandsgerechtigden
In de huidige situatie
worden subsidies op vrijwilligerswerk verrekend met de Abw-uitkering van de
betrokkene. Door de introductie van de vrijlatingsbepaling voor
deze subsidies wordt deze verrekening niet meer toegepast. De financiële
consequenties voor de rijksbegroting van deze vrijlating zijn naar
verwachting echter nihil, omdat aangenomen mag worden het aantal
vrijwilligerspremies dat thans wordt verstrekt zeer gering is. Gemeenten
moeten namelijk in de huidige situatie een premie (en uitvoeringskosten)
financieren uit de eigen middelen en deze vervolgens in mindering
brengen op de bijstandsuitkering, waardoor de betrokken
bijstandsgerechtigde hiervan geen financieel voordeel zal ondervinden.
rblz.|8|
Artikelsgewijze
toelichting
Hoofdstuk I. Doelgroep
Wagw en uitvoering loonkostensubsidie in de periode van 1 januari tot 1
juli 1998
Artikel
1. Doelgroep Wagw
Artikel 1, onderdeel
b,
van de Wet arbeid gehandicapte werknemers (Wagw) is per 1 januari
1998 gewijzigd met artikel 58 van de Wet overheidspersoneel onder
de werknemersverzekeringen (OOW). Daarmee is de wijziging van
artikel 1, onderdeel b, van de Wagw, zoals neergelegd in artikel XLI van de
Invoeringswet Pemba, als het ware terzijde geschoven, waardoor
personen met een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen (WAZ) of van de Wajong niet tot de
doelgroep van de Wagw zouden behoren. Met de thans voorgestelde tekst
wordt de doelgroep van de Wagw, welke wet overigens met de
inwerkingtreding van de Wet Rea per 1 juli 1998 is ingetrokken, met
terugwerkende kracht tot en met 1 januari 1998 uitgebreid met werknemers
met een WAZ- of Wajong-uitkering.
Artikel
2.
Uitvoering
loonkostensubsidie
In
artikel 70 van de WAO,
zoals dat per 1 januari 1998 in werking is getreden, is de
uitvoering van de reïntegratiemaatregelen opgedragen aan de
uitvoeringsinstelling die de werkzaamheden met betrekking tot de arbeidsongeschiktheidsuitkering
van de betrokkene verricht. Gelet op de Mededeling Tica 95:77
werden de werkzaamheden met betrekking tot de loonkostensubsidie tot
die datum evenwel verricht door de uitvoeringsinstelling die de werkzaamheden
verricht voor de sector waartoe de werkgever behoort. Van de wijziging van
artikel 70 van de WAO
is geen
signaal uitgegaan van het Lisv naar de uitvoeringsinstellingen en ook de uitvoeringsinstellingen
hebben die wijziging in eerste instantie niet spontaan onderkend. Gelet
op het feit dat aanpassingen van de systemen waarin de beslissingen
inzake loonkostensubsidie zijn verwerkt enige tijd zou vergen, alsmede dat
de sinds 1 januari 1998 afgegeven beslissingen inzake loonkostensubsidie
allemaal bezien zouden moeten worden op juistheid van
uitvoeringsinstelling en juiste budgetbelasting, kortom een niet geringe inspanning
van de uitvoering zonder dat dat zou bijdragen aan de reïntegratie van de arbeidsgehandicapten, is
ervoor gekozen met
het onderhavige onderdeel
de werkzaamheden met betrekking tot de loonkostensubsidie - in
afwijking van artikel 70 van de WAO, dat per 1 juli 1998 overigens is vervallen met de inwerkingtreding van de
Wet Rea
- met terugwerkende kracht
tot en met 1 januari 1998 op te dragen aan de uitvoeringsinstelling die
de werkzaamheden verricht voor de sector waartoe de werkgever behoort.
Hoofdstuk II. Wijzigingen
Artikel
3. Algemene
bijstandswet
Onderdeel A
In artikel 8 van de Wet
bevordering speur- en ontwikkelingswerk zijn verschillende leden van
artikel 44m van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 vernummerd. Als
gevolg hiervan moet de verwijzing in artikel 5, eerste lid, onder
2º, van
de Abw worden aangepast.
rblz.|9|
Onderdelen B en
G
In
artikel 26 van de Wet
inschakeling werkzoekenden (Wiw) zijn in artikel
113, eerste lid, van de Abw, de onderdelen e, f, en g vervangen door twee nieuwe onderdelen,
luidende: e. mee te werken aan een onderzoek naar de geschiktheid voor
scholing of opleiding en aan een scholing of opleiding die noodzakelijk wordt geacht;
f. beschikbaar te zijn voor de voorzieningen van de Wiw,
mee te werken aan het verkrijgen van die voorzieningen, daarvan
gebruik te maken en daartoe op een aangegeven tijd en plaats te verschijnen. In verband hiermee worden de in de
artikelen 9, tweede lid, onderdeel c, en 36, eerste lid, onderdeel b, van de
Abw voorkomende verwijzingen
naar artikel 113, eerste lid, onderdeel g, van de
Abw aangepast.
Onderdeel C
In
artikel
14a van de Abw is opgenomen dat, indien de belanghebbende de op hem rustende informatieverplichting niet of niet behoorlijk is
nagekomen door geen,
onjuiste of onvolledige mededelingen te doen, burgemeester en
wethouders hem een boete opleggen van ten hoogste ƒ5000,-. In dit kader
geeft artikel 14f van de Abw
een zekere voorkeur aan voor de volgorde van te
hanteren executiewijzen. Zo is in het tweede lid van dit artikel bepaald
dat, indien degene aan wie de administratieve boete is opgelegd algemene bijstand of een uitkering op grond van de
Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw) of de
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
(Ioaz) ontvangt,
het besluit waarbij de
boete is opgelegd ten uitvoer wordt gelegd door verrekening met die
bijstand of uitkering. Artikel 87, tweede lid, van de
Abw
verklaart deze
verrekeningsmethodiek van overeenkomstige toepassing bij
terugvordering van bijstand in gevallen dat deze bijstand te veel of ten onrechte is
verstrekt.
De in onderdeel C
opgenomen wijziging strekt ertoe om tenuitvoerlegging van een administratieve
boete, dan wel terugvordering van bijstand, door middel van
verrekening met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening
kunstenaars een zekere mate van prioriteit te geven, net zoals dat al eerder
is gebeurd ten aanzien van algemene bijstand of een uitkering op grond
van de Ioaw of de Ioaz.
Onderdeel D
In
artikel 19 van de Wet
op bijzondere medische verrichtingen is abusievelijk een verwijzing naar het
vijfde lid van artikel 17 van de Abw
opgenomen, in plaats van
een verwijzing naar het vierde lid. De beoogde vervanging van "artikel
18c, eerste lid, van de Wet ziekenhuisvoorzieningen" door
"artikel 7,
eerste lid, van de Wet
op bijzondere medische verrichtingen"
kon als gevolg hiervan niet worden doorgevoerd. Dit wordt thans
rechtgezet.
Onderdeel E
In
artikel 20, derde lid,
van de Abw is geregeld dat van het vermogen dat is vastgelegd in een
woning buiten beschouwing blijft ƒ15 000,- alsmede de helft van het
meerdere, doch in totaal ten hoogste ƒ60 000,- en het bedrag waarmee het bij de
aanvraag om bijstand aanwezige overige vermogen minder bedraagt
dan de toepasselijke vermogensgrens. In een enkel geval kan de
vermogenspositie van de belanghebbende tussen het tijdstip van de aanvraag
om bijstand en het tijdstip van de aanvang van de bijstandverlening
wijziging ondergaan. Een aanvraag om bijstand kan immers worden ingediend
op een tijdstip voorafgaande aan de feitelijke bijstandsbehoevendheid
van de belanghebbende. Om deze reden wordt in de artikelen
20, derde lid, onderdeel
b, en 52, eerste lid, onderdeel c, van de
Abw "aanvraag om
bijstand" vervangen door: aanvang van de bijstandverlening.
rblz.|10|
Onderdeel F
Bij amendement van
mejuffrouw Ten Broecke Hoekstra c.s. (Kamerstukken II 1962-1963, 6796, nr.
32) is de citeertitel "Algemene Bijstandwet" gewijzigd in
"Algemene Bijstandswet". In het verlengde hiervan geniet het de voorkeur om niet te
spreken van "bijstandverlening", maar van "bijstandsverlening",
zoals thans ook "Van Dale" doet.
Op dit moment worden in
de Abw de termen "bijstandverlening" en "bijstandsverlening"
nog door elkaar gebruikt om hetzelfde begrip aan te duiden. Onderdeel F
brengt hierin wijziging door in de betreffende artikelen "bijstandverlening" steeds te vervangen
door "bijstandsverlening".¹
1. Gelet op de officiële
citeertitel "Besluit bijstandverlening
zelfstandigen" en de handhaving van de gebruikte spelling in de
citeertitel "Besluit bijstandverlening
zelfstandigen 2004", hanteert de redactie consistent de
spelling "bijstandverlening".
Onderdelen H en
I
In het voorgestelde
artikel 43, tweede lid, onderdeel o, wordt geregeld dat een subsidie die de
betrokkene ontvangt voor het onverplicht, in georganiseerd verband,
verrichten van onbetaalde maatschappelijk nuttige activiteiten
(vrijwilligerswerk) tot een bedrag van ƒ150,- per kalendermaand niet in
mindering wordt gebracht op de bijstandsuitkering voor zover deze subsidie
wordt verstrekt aan een in dat onderdeel bedoelde belanghebbende.
Dit bedrag van ƒ150,-
per maand sluit aan op het landelijk gemiddelde dat de betrokken gemeenten in
het kader van de bijstandsexperimenten ex artikel 144 van de
Abw
verstrekken en vervolgens vrijlaten. Een algemeen uitgangspunt van de Abw
is dat de zelfstandige bestaansvoorziening door uitkeringsgerechtigden waar mogelijk bevorderd dient te worden. Om dit
uitgangspunt overeind te
houden, is het vrij te laten bedrag van de subsidie op
vrijwilligerswerk lager vastgesteld dan de maximale vrij te laten premie bij
aanvaarding van deeltijdwerk. Daardoor blijft er een stimulans bestaan om door
te stromen naar betaalde arbeid.
Gekozen is voor een
beperkte doelgroep om de vrijlatingsregeling zoveel mogelijk aan te laten
sluiten bij op de doelgroep van sociale activering. De vrijlating als bedoeld in
artikel 43, tweede lid, onderdeel o, van de Abw
is slechts aan de orde voor
zover de subsidie wordt verstrekt aan:
- een langdurig
werkloze als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de
Wet inschakeling werkzoekenden. In deze bepaling wordt onder "langdurig werkloze"
verstaan: de persoon die langer dan twaalf maanden zonder onderbreking als
werkloos werkzoekende bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie staat
geregistreerd;
- een belanghebbende
die behoort tot een categorie van personen voor wie één of meer van de verplichtingen, bedoeld in
artikel 113, eerste
lid, van de Abw,
niet
gelden op grond van het bepaalde bij of krachtens de artikelen
107, tweede
lid, of 113, vierde lid van die
wet. Hierbij gaat het om ouders met een volledige verzorgende taak voor
één of meer
ten laste komende
kinderen, dan wel pleegkinderen, jonger dan vijf jaar en belanghebbenden
ouder dan 57,5 jaar die ingevolge de ministeriële regeling op
grond van artikel 113, vierde lid, van de Abw
(Stcrt. 1995, 83) van de
normale arbeidsverplichtingen zijn vrijgesteld.
Onderdeel J
In
artikel 84, tweede
lid, van de Abw is geregeld dat, indien de bijstand op grond van
artikel 13,
tweede lid, als gezinsbijstand had moeten worden verleend, maar zulks
achterwege is gebleven omdat de belanghebbende de verplichtingen, bedoeld
in artikel 65, niet of niet behoorlijk is nagekomen, de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand mede worden
teruggevorderd van de
persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had
moeten worden gehouden. Hiermee is beoogd om, indien het voeren van een
gezamenlijke huishouding niet of niet tijdig aan de gemeente is gemeld, de
kosten van bijstand mede terug te kunnen vorderen van de partner
van de betrokkene. Terugvordering van de rblz.|11|
betrokkene die de
bijstand heeft ontvangen, geschiedt ingevolge artikel 81 van de
Abw.
De tekst van artikel 84,
tweede lid, van de Abw is vrijwel gelijkluidend aan die van artikel 59a,
tweede lid, van de oude Algemene Bijstandswet (ABW). De Hoge Raad heeft
in zijn arrest van 14 februari 1997 (rek.nr. 8841) de reikwijdte van
de laatstgenoemde bepaling aanzienlijk ingeperkt. Terugvordering op de
verzwegen persoon kan niet plaatsvinden over de periode waarin bijstand
mede is verleend voor de zich in het gezin bevindende kinderen. In
dat geval is de bijstand immers wel als gezinsbijstand verleend, namelijk naar
de norm voor een eenoudergezin (thans de bijstandsnorm voor een
alleenstaande ouder). Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van
artikel 59a van de ABW is dit niet de bedoeling van de wetgever geweest
(Kamerstukken II 1987-1988, nr. 3, blz. 14). Om deze reden wordt het
mankement, dat ook voorkomt in artikel 84, tweede lid, van de
Abw, nu verholpen.
Onderdeel K
In
artikel 36 van het
onderhavige wetsvoorstel wordt artikel I, onderdeel
C, van de Wet van 9 april 1998, Stb. 1998, 278, houdende
wijziging van de Algemene bijstandswet, de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere
en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de Werkloosheidswet,
de Ziektewet, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, de Toeslagenwet, de Algemene
Ouderdomswet, de Algemene Kinderbijslagwet,
de Algemene nabestaandenwet, de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten met betrekking
tot terugvordering en verhaal (terugvordering en
verhaal in verband met herziening van het debiteurenbeleid), in
verband met een onvolkomen wijzigingsopdracht betreffende artikel 95
van de Abw, gewijzigd. Het hierbij voorgestelde onderdeel voorziet in een
aanpassing van artikel 95 van de Algemene bijstandswet voor het
geval dat artikel I, onderdeel C, van de Wet van 9 april 1998, Stb.
1998, 278, houdende wijziging van de Algemene
bijstandswet, de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, de Toeslagenwet, de Algemene
Ouderdomswet, de
Algemene Kinderbijslagwet, de Algemene
nabestaandenwet, de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten met betrekking tot
terugvordering en verhaal (terugvordering en verhaal in verband met
herziening van het debiteurenbeleid),
eerder in werking treedt dan de
onderhavige wet.
Onderdeel L
Dit onderdeel betreft een
correctie van een onjuiste verwijzing in artikel
122, eerste lid,
onderdeel c, van de Abw die voortkomt uit de vernummering van de
Ioaw
ingevolge artikel 57 van de Invoeringswet
herinrichting Algemene Bijstandswet per 1 januari 1996.
Onderdeel M
Dit onderdeel betreft een
correctie van een onjuiste verwijzing in artikel
125, eerste lid,
onderdeel a, van de Abw die voortkomt uit de vervanging van de Organisatiewet
sociale verzekeringen door de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997. Voorts wordt aan de opsomming in onderdeel c de Wet
inkomensvoorziening kunstenaars (Wik) toegevoegd.
Artikel
4.
Algemene
Kinderbijslagwet
Onderdeel A en de
artikelen
5, onderdeel B, en
19, onderdeel B
Met de wijziging van
artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW)
wordt geregeld dat lessen en stages die in de avonduren worden gevolgd
in het vervolg ook tot de in dat artikellid genoemde eis van 213
klokuren mogen worden gerekend. Indien aan deze voorwaarde wordt voldaan,
bestaat voor kinderen van 16 en 17 jaar in beginsel aanspraak op kinderbijslag. Door wijziging artikel 26, tweede lid, onderdeel a, van de
Algemene nabestaandenwet en artikel 5, tweede lid, onderdeel e, van de
Wajong wordt dezelfde wijziging in die wetten
doorgevoerd. Ook in die
wetten komt de hier bedoelde klokureneis voor als voorwaarde voor het
recht op een uitkering.
De klokureneis is
overgenomen uit de Wet
op de studiefinanciering (WSF) en de Wet
tegemoetkoming studiekosten (WTS). Het beleid van de Minister van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschappen (OCW) op het rblz.|12|
gebied van de klokureneis
wordt in de hierboven genoemde wetten telkens gevolgd.
Met ingang van het
schooljaar 1998-1999 zullen in het kader van de WSF
en WTS ook de klokuren
die in de avonduren worden gemaakt, meetellen bij de klokureneis. Door
wijziging met terugwerkende kracht tot en met 1 oktober 1998 van de hier
bedoelde drie wetten wordt de onderwijswetgeving op dit punt gevolgd.
Onderdeel B
Artikel
7, twaalfde lid,
van de AKW is met ingang van 1 januari 1998 vernummerd tot het elfde
lid. Verzuimd is daarbij artikel 8, onderdeel a, van
die wet aan te
passen. Deze omissie wordt hierbij hersteld.
Artikel
5.
Algemene
nabestaandenwet
Onderdeel B
Zie de
toelichting op artikel 4, onderdeel A.
Artikel
7.
Arbeidstijdenwet
Onderdeel A
Bij de
Veegwet SZW 1997 is aan artikel 2:4, derde lid, onderdeel
a, van de Arbeidstijdenwet
toegevoegd het element "vliegen". Daarbij is echter vergeten om onderdeel
b
van het betreffende artikellid aan te passen. In deze omissie wordt in
onderdeel A van dit artikel voorzien.
Onderdeel B
Het verrichten van
duikwerkzaamheden ten behoeve van mijnbouwinstallaties kan risico’s met zich
brengen voor de personen die op de mijnbouwinstallatie
aanwezig zijn en voor de installatie zelf. Om deze risico’s zoveel
mogelijk te beperken, is de arbeids- en rusttijdnormering met betrekking
tot deze
duikwerkzaamheden opgenomen in het Arbeidstijdenbesluit. Of deze duikwerkzaamheden
worden verricht vanaf de mijnbouwinstallatie zelf of vanaf een
zeeschip is voor de daaraan verbonden risico’s niet relevant. Door een
nieuw onderdeel c aan artikel 2:8 toe te voegen, worden de normering van
de Arbeidstijdenwet
en het daarop gebaseerde Arbeidstijdenbesluit ook
van toepassing op duikwerkzaamheden wanneer deze vanaf een zeeschip
worden uitgevoerd.
Onderdeel C
Door aan artikel 2:9 een
nieuw tweede lid toe te voegen waarin allereerst wordt aangegeven dat
"het eerste lid niet geldt voor havensleepboten" wordt bereikt dat ook
zeeschepen die niet de Nederlandse vlag voeren, maar wel in de
Nederlandse havens werkzaamheden als havensleepboot verrichten, ook onder de
toepasselijkheid van de Arbeidstijdenwet
vallen. De arbeids- en
rusttijdennormering van deze schepen is opgenomen in hoofdstuk 5 van het
Arbeidstijdenbesluit
vervoer, dat gaat over de binnenvaart. Zie voorts
de toelichting op artikel 34.
Door in dit tweede lid
tevens aan te geven dat het eerste lid van artikel 2:9 niet van toepassing is op
duikwerkzaamheden ten behoeve van mijnbouwinstallaties die
plaatsvinden op of vanaf een zeeschip, wordt bereikt dat ook wanneer
deze duikwerkzaamheden worden verricht vanaf een schip dat niet de
Nederlandse vlag voert, de Arbeidstijdenwet en het daarop gebaseerde Arbeidstijdenbesluit
van toepassing is. Zie voorts de toelichting
op onderdeel
B.
Onderdeel D
Het wijzigingsvoorstel
van artikel 4:6 in onderdeel D hangt samen met de
rblz.|13|
Wet beroepen individuele
gezondheidszorg. In verband hiermee wordt de term "geneeskundige"
vervangen door de term "arts".
Onderdeel E
Bij de wijziging
van
artikel 5:9 bij de Veegwet SZW 1997 is beoogd te voorkomen dat wanneer men
één keer door overwerk nachtarbeid gaat verrichten ("de nacht
inschiet"), het regime van de arbeid in nachtdienst van toepassing wordt. Bij
die wijziging is in die situatie het regime van artikel 5:8 en de
krachtens artikel 5:12 gestelde regels ten aanzien van arbeid in nachtdienst
niet van toepassing verklaard. Deze wijziging bevat echter een
onvolkomenheid. Niet buiten toepassing is verklaard hetgeen in artikel 5:9 zelf over
arbeid in nachtdienst is geregeld. Door de voorgestelde wijziging wordt deze
omissie hersteld.
Onderdeel F
Artikel 5:11 regelt de
zogenoemde consignatie. Consignatie kan alleen opgelegd worden aan
werknemers van 18 jaar of ouder. In het zesde lid van artikel 5:11 wordt
verwezen naar artikel 5:3, maar een verwijzing naar artikel 5:3, eerste lid,
is in verband met het vorenstaande een verbetering. De voorgestelde wijziging
voorziet hierin.
Onderdeel G
In de
Aanpassingswet derde tranche Awb I is artikel 8:1 gewijzigd, maar is het opschrift van dit
artikel niet aangepast aan de nieuwe terminologie. Onderdeel G herstelt deze
omissie.
Onderdeel H
De
artikelen 12:14 en 12:15
bevatten het overgangsrecht voor de vervoerssectoren. De regeling van de
arbeids- en rusttijden voor de betreffende sectoren wegvervoer,
binnenvaart, zeevaart, loodsen en luchtvaart zullen in de loop van 1998 in
het Arbeidstijdenbesluit
vervoer worden opgenomen. Zodra deze
wijzigingen van het Arbeidstijdenbesluit vervoer zijn gerealiseerd en in
werking zijn getreden, kan dit onderdeel van artikel 7 in werking treden.
De artikelen 12:16 tot en
met 12:19 bevatten overgangsrecht dat dan inmiddels is uitgewerkt
en om die reden kunnen zij vervallen. Artikel 12:21 bevat een wijziging van
de Arbeidswet 1919. Ook die wijziging kan vervallen.
Artikel
8.
Arbeidsvoorzieningswet 1996
Onderdeel A
Deze wijziging hangt
samen met de wijziging van de Wet Rea opgenomen in
artikel 32, onderdeel
A, onder 2.
Onderdeel B
Met ingang van 1 januari
1998 is artikel 7 van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW)
gewijzigd. In het zesde lid van dat artikel 7 is
bepaald dat een kind
niet als werkloos wordt aangemerkt indien dat kind een passende
dienstbetrekking niet heeft aanvaard of door eigen toedoen niet heeft verkregen of
behouden. Zo’n kind is als werkzoekende geregistreerd bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. In artikel 7 van de Arbeidsvoorzieningswet
1996 is geregeld dat de Arbeidsvoorzieningsorganisatie het Lisv
of burgemeester
en wethouders kennis geeft van aanwijzingen dat een
werkzoekende uitkeringsgerechtigde door eigen toedoen geen passende
arbeid aanvaardt of onvoldoende meewerkt aan het verkrijgen of
behouden van werk. Voor een goede uitvoering van genoemd artikellid van
artikel 7 van de AKW is het wenselijk dat de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
op gelijke wijze de Sociale Verzekeringsbank in kennis stelt van de
omstandigheid dat een kind door eigen rblz.|14|
toedoen geen arbeid
verkrijgt of behoudt. De wijziging van artikel 7 strekt hiertoe. Omdat het hier
gedragingen en omstandigheden betreft die vanaf 1 januari 1998 van belang
zijn voor de uitvoering van de AKW, is om een goede aansluiting te
krijgen bij deze wijziging van de AKW per 1 januari 1998 aan deze wijziging
terugwerkende kracht verleend tot en met 1 januari 1998.
Artikel
10.
Invoeringswet
herinrichting Algemene Bijstandswet
Met het in werking treden
van de Abw per 1 januari 1996 is de uitkeringssystematiek in
die wet gewijzigd.
Bij het bepalen van de landelijke normen wordt in de Abw
nog slechts een onderscheid gemaakt naar leefvorm van
uitkeringsgerechtigden. Het landelijk onderscheid naar woonsituatie van de
betrokkene is vervallen. Gelijktijdig is de gemeentelijke verantwoordelijkheid en
beleidsruimte vergroot met als doel een betere afstemming te
bereiken op de woon- en leefomstandigheden van de aanvrager van de
bijstand. De gemeenten hebben de bevoegdheid gekregen om, met
inachtneming van de lokale omstandigheden en op basis van een hiertoe op
te stellen verordening, toeslagen te verlenen op de landelijke
vastgestelde normen. Om de gemeenten de gelegenheid te geven ervaring op te doen
met de toeslagverlening is in artikel 16, eerste lid, van de
Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet
vastgelegd dat, bij wijze van
overgang, gedurende een periode van drie jaar de toeslagen voor 90 procent
door het Rijk vergoed zullen worden. Voor een goede uitvoering van de
beleidsmatige verantwoordelijkheid met betrekking tot de
toeslagen is het van belang dat gemeenten ook meer budgettaire
verantwoordelijkheid voor de toeslagen krijgen. In het bijstandsakkoord
Rijk-VNG [VNG: Vereniging van Nederlandse
Gemeenten, red.] is daarom afgesproken de bij de toeslagen behorende financiële
middelen gebudgetteerd over te dragen aan de gemeenten. Een
wetsvoorstel hiertoe is thans bij de Tweede Kamer in behandeling (wijziging
van de Algemene bijstandswet in verband met de financiering van gemeentelijke
toeslagen als bedoeld in artikel 33 van de Algemene bijstandswet;
Kamerstukken II 1997-1998, 25 761).¹ Beoogd was inwerkingtreding per 1
januari 1999, derhalve gelijktijdig met het moment waarop de in artikel
16,
eerste lid, van de Invoeringswet herinrichting
Algemene Bijstandswet opgenomen termijn afloopt.
Het kabinet heeft met het
oog op de "millenniumproblematiek", waarvan de oplossing gedurende de komende periode een groot beslag zal leggen
op de capaciteit van de
sociale diensten en hun softwareleveranciers, besloten tot uitstel met
één jaar van de overdracht van het toeslagenbudget aan de gemeenten (Kamerstukken II
1997-1998, 25 674, nr. 5). Concreet betekent dit,
dat de gemeenten de kosten van toeslagen nog tot 1 januari 2000 bij het
Rijk kunnen declareren. Teneinde een "gat" in deze periode te voorkomen, zal
de hierbij voorgestelde wijziging van de Invoeringswet
herinrichting Algemene Bijstandswet - bij een latere inwerkingtreding van
de
hierbij voorgestelde wet dan 1 januari 1999 - met terugwerkende kracht tot
en met die datum in werking treden.
1. Bij brief van de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 12 december 2000
(Kamerstukken II 2000-2001, 25 761, nr. 12) is in verband met de
inwerkingtreding met ingang van 1 januari 2001 van de Wet
financiering Abw, Ioaw en Ioaz het genoemde wetsvoorstel
ingetrokken, red.
Artikel
11.
Invoeringswet
nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen
Onderdeel A
Met
artikel XVI,
onderdeel Ab, van de Aanpassingswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen (Aanpassingswet
Pemba)
is in hoofdstuk 1 van de
Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen (Invoeringswet
Pemba) een
nieuw artikel III ingevoegd. Daarbij is per
abuis artikel III
zoals dat tot dat moment was opgenomen in hoofdstuk
2 van laatstgenoemde wet niet komen te vervallen. Deze omissie
wordt hierbij hersteld.
rblz.|15|
Onderdeel B
Met de
Aanpassingswet Pemba is de samenloopregeling in de WAZ gewijzigd. Teneinde voor overgangsgevallen de
vóór 1 januari 1998
geldende
samenloopregeling ook vanaf die datum van kracht te laten blijven, is in artikel
XVI, onderdeel I, onder 4, van de Aanpassingswet
Pemba in artikel XIII,
vierde lid, van de Invoeringswet Pemba de verwijzing naar artikel
59 van de WAZ vervallen. In genoemd onderdeel van de
Invoeringswet
Pemba zijn de artikelen van de WAZ opgesomd die van toepassing zijn op de
bedoelde overgangsgevallen. Verzuimd is evenwel tegelijkertijd in
artikel XIII, tweede lid, van de Invoeringswet Pemba
- dat opsomt
welke artikelen van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) niet van toepassing
blijven op overgangsgevallen - artikel 43 van de AAW
te
laten vervallen. Op grond van dat laatste artikel is een algemene maatregel
van bestuur getroffen inzake de samenloop van AAW-uitkering met
uitkering ingevolge de sociale wetgeving van andere mogendheden. Dat
verzuim wordt hierbij, met terugwerkende kracht tot en met 1
januari 1998, hersteld.
Artikel
13.
Invoeringswet
stelselherziening sociale zekerheid
Onderdeel A
Met het hierbij
voorgestelde onderdeel wordt artikel 10 van de
Invoeringswet
stelselherziening sociale zekerheid (IWS) redactioneel aangepast aan de aanvang
- per 1 januari 1998 - van fase 1 van de OOW.
Onderdelen B en
D
Per 1 juli 1998 is in de
IWS artikel 64a ingevoegd. Dat artikel bevat een zogeheten "kopjesregeling" met betrekking tot de
ZW-uitkering. Dergelijke kopjesregelingen waren al
in de artikelen 24 en 48 van de
IWS opgenomen met betrekking
tot de WW- en de WAO-uitkering. Op grond van het tweede lid van
artikel 64a van de IWS bedraagt het kopje ten hoogste het verschil
tussen het bedrag, genoemd in het eerste lid (ƒ79,47 per 1 juli 1998 voor
personen van 23 jaar of ouder) en een uitkering als bedoeld in artikel 29 van
de ZW berekend naar een dagloon gelijk aan het minimumloon. Het
minimumloon is krachtens het derde lid van artikel 64a
van de IWS het wettelijk
minimumloon vermeerderd met de daarover berekende
vakantiebijslag. Deze definitie van het begrip minimumloon leidt evenwel
- waar
het de bepaling van het maximumbedrag van het kopje betreft - onbedoeld tot een andere
- lagere - uitkomst dan de artikelen
24, tweede lid,
en 48, tweede lid, van de IWS. Gelet hierop wordt in onderdeel C, onder
1, [onderdeel D, onder 1, red.] met terugwerkende kracht tot en met 1 juli 1998, op dit punt de tekst van
artikel 48, tweede lid, van de IWS overgenomen in
artikel 64a, tweede lid,
van die wet. In onderdeel
C, onder 2, [onderdeel D, onder 2, red.]
wordt de tekst van het derde lid van
laatstgenoemd artikel hieraan aangepast. Ter bevordering van de
duidelijkheid wordt in onderdeel A [onderdeel
B, red.] in de tekst van artikel
24, tweede lid,
van de IWS - waar het de bepaling van het
maximumbedrag van het
kopje betreft - eveneens de tekst van artikel
48, tweede lid, van die wet
overgenomen.
Onderdeel C
Met artikel XVII,
onderdeel B, onder 1, [artikel XVIII,
onderdeel B, onder 1, red.] van de Aanpassingswet Pemba is de tekst van artikel
48,
eerste lid, van de IWS aangepast aan de vervanging van de
AAW
door de WAZ en de Wajong. Voor het recht op een kopje op een WAO-uitkering gold tot dat moment de voorwaarde dat de WAO-uitkering berekend
was naar een dagloon dat ten minste gelijk was aan 108/100-maal 70%
van het minimumloon, bedoeld in artikel 10 van de
AAW
(het wettelijk
minimumloon exclusief de daarover berekende vakantiebijslag). Na
voormelde aanpassing was dat begrip minimumloon vervangen door het
minimumloon, bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de
WAO (het wettelijk
minimumloon vermeerderd met de daarover rblz.|16|
berekende
vakantiebijslag). Doordat daarbij voormelde breuk "108/100" niet is komen te
vervallen, is de voorwaarde voor het recht op een kopje op de WAO-uitkering
onbedoeld verzwaard. Om deze reden komt de term "108/100" in de tekst
van artikel 48, eerste lid, van de IWS met terugwerkende kracht tot en met 1
januari 1998 te vervallen.
Artikel
14.
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997
Onderdeel B
Met ingang van 1 januari
1998 is paragraaf 6 van hoofdstuk 4 van de
Organisatiewet sociale
verzekeringen 1997 (Osv 1997) vervallen. Artikel
1, onderdeel m, van die wet
is daarmee overbodig geworden en kan vervallen.
Onderdeel C, onder 1
De
Wet financiering loopbaanonderbreking zal op 1 oktober 1998 in werking treden. De
uitvoering is in handen van het Lisv. Aangezien artikel 12, onderdeel
A, van die
wet - waarmee beoogd is de Wet financiering loopbaanonderbreking op
te nemen in de opsomming in artikel 38, eerste lid, onderdeel a, van de
Osv 1997 van de wetten die uitgevoerd worden door het Lisv - geen
werking heeft omdat na de inwerkingtreding per 1 juli 1998 van de Wet
Rea de term [de zinsnede, red.]
"de Wet arbeid gehandicapte werknemer," daarin niet
langer voorkomt, wordt hierbij alsnog met terugwerkende kracht tot
en met 1 oktober 1998 de Wet financiering loopbaanonderbreking
daarin opgenomen.
Onderdeel D
In
artikel 63 van de Osv
1997 wordt de zinsnede "erkenning als uitvoeringsinstelling"
gebruikt, terwijl in de artikelen 61 en 62 van
die wet de zinsnede "op artikel
59 gebaseerde erkenning" wordt gehanteerd. Aangezien met beide
zinsnedes hetzelfde wordt bedoeld en de in de artikelen 61 en
62 van de
Osv 1997 gehanteerde zinsnede wetstechnisch correcter is, wordt - om verwarring te voorkomen
- de tekst van artikel 63 van
die wet aangepast.
Onderdeel F
In
artikel 80, derde lid,
van de Osv 1997 worden de fondsen genoemd waaraan de
uitvoeringskosten van het Lisv worden toegerekend.
Aangezien het Lisv vanaf
1 juli 1998 de Wet Rea uitvoert, moeten de uitvoeringskosten vanaf
die datum ook aan het Reïntegratiefonds worden toegerekend. De hierbij
voorgestelde tekst voorziet daar, met terugwerkende kracht tot en met die
datum, in.
Artikel
16.
Werkloosheidswet
Onderdeel B
Dit onderdeel bevat een
redactionele verbetering van artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van de
WW.
Onderdeel C
Aan
artikel
17a, eerste
lid, van de WW is, op grond van artikel 68, onderdeel
A, van de Wet Rea, per 1 juli 1998 een onderdeel c toegevoegd. Met
artikel III,
onderdeel C, van de Wet van 11 juni 1998 tot wijziging van de Ziektewet, de WAO, de
WW en enkele
andere wetten in verband met het wegnemen van
belemmeringen in socialeverzekeringswetten bij het opnemen van onbetaald
verlof (Stb. 1998, 412) (Wet onbetaald
verlof) wordt per 1 oktober 1998 aan
artikel 17a, eerste lid, van de WW wederom een onderdeel c toegevoegd.
In verband hiermee wordt in dit onderdeel voorgesteld om het met de
Wet onbetaald verlof toegevoegde onderdeel c te wijzigen in onderdeel
d.
rblz.|17|
Onderdeel D en
artikel
41, onderdeel A
Op grond van
artikel 19,
eerste lid, onderdeel b, van de WW, zoals dat luidt sinds 1 januari
1998, heeft geen recht op een WW-uitkering de werknemer die een
uitkering ontvangt op grond van de WAZ berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%. Dit betekent onder meer dat de werknemer die
naast werkzaamheden uit hoofde waarvan hij verzekerde op grond van
de WAZ was, ook werkzaamheden in dienstbetrekking verrichtte, bij het
intreden van werkloosheid uit die dienstbetrekking geen recht op uitkering
zou hebben als hij op dat moment bovengenoemde
WAZ-uitkering zou ontvangen. Dit is een ongewenst gevolg van de thans
geldende tekst, welk gevolg door de hierbij voorgestelde tekst wordt opgeheven.
Gelet op de wijziging per
1 juli 1998 van artikel 19, eerste lid, onderdeel b, van de
WW op grond van
artikel 68, onderdeel C, onder 1, van de Wet
Rea is het noodzakelijk om
een nieuwe tekst van artikel 19, eerste lid, onderdeel b, van de
WW vast te stellen over de periode 1 januari tot 1 juli 1998 en vanaf 1 juli
1998. Dit geschiedt door middel van de hierbij, met terugwerkende kracht tot
en met 1 juli 1998 respectievelijk 1 januari 1998, voorgestelde artikelen
16, onderdeel D, en 41, onderdeel A.
Onderdeel G
Dit onderdeel bevat een
aanpassing van artikel 26, tweede lid, van de
WW aan de tekst van artikel
26, eerste lid, onderdeel d, van die wet.
Onderdeel H
Met de wijziging in de
Veegwet SZW 1997 van onder meer artikel 45g, achtste lid, van de
ZW
is erin voorzien dat bij de tenuitvoerlegging van een boete- of
terugvorderingsbeschikking op grond van de sociale verzekeringen of de Toeslagenwet, met uitzondering van de WW, voor in het buitenland wonenden
het bijzondere regime voor de vaststelling van de beslagvrije voet van
artikel 475e van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering van
toepassing is.
De WW is daarbij ten
onrechte buiten aanmerking gelaten. Op grond van artikel 71 van de Verordening (EG) nr. 1408/71 van de Raad van de Europese Gemeenschap van
14 juni 1971 betreffende de toepassing van socialezekerheidsregelingen
op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich
binnen de Gemeenschap verplaatsen (PbEG L 149), is het immers
mogelijk een WW-uitkering te betalen aan een in het buitenland wonende. Bij
de tenuitvoerlegging van een boete- of terugvorderingsbesluit op
grond van de WW met betrekking tot een in het buitenland wonende moet
artikel 475e van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering eveneens
van toepassing zijn. Het onderhavige onderdeel voorziet
hierin.
Onderdeel I
Op grond van
artikel 27,
eerste lid, van de Wet Rea is de hoogte van de reïntegratie-uitkering
gelijk aan het bedrag van de uitkering op grond van de WW
of Tijdelijke wet
beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria (WBIA) dat zonder
toepassing van artikel 33, derde lid, van de
WW zou zijn betaald. Bij
de vaststelling van de hoogte van de reïntegratie-uitkering wordt dan ook rekening
gehouden met een - op grond van de WW of WBIA -
opgelegde
maatregel. Indien de duur van de opgelegde maatregel verstrijkt op
een moment dat er nog recht bestaat op een reïntegratie-uitkering,
wordt die uitkering dan ook verhoogd. Het ligt in een dergelijke situatie niet
in de rede dat, in geval van herleving van het recht op WW- of WBIA-uitkering
na eindiging van het recht op reïntegratie-uitkering, de maatregel wordt
voortgezet op grond van (overeenkomstige toepassing van) artikel
28, eerste lid van de WW. Indien de duur van de opgelegde maatregel niet
is verstreken tijdens het recht op reïntegratie-uitkering, dient in de situatie van
herleving van het recht op WW- of rblz.|18|
WBIA-uitkering de
maatregel weliswaar te worden voortgezet, maar dient met betrekking tot de
duur van die voortzetting de maatregel geacht te hebben doorgelopen
tijdens de reïntegratie-uitkering. Het thans voorgestelde derde lid van
artikel 28
van de WW
voorziet in beide situaties. Deze wijziging werkt terug tot
en met de datum van inwerkingtreding van de Wet
Rea, zijnde 1 juli
1998.
Onderdeel L
Voor een toelichting op
de in dit onderdeel opgenomen wijzigingen wordt verwezen naar paragraaf
2
van het algemeen deel van de toelichting.
Onderdelen M en
N, onder
2
Voor een toelichting op
de in dit onderdeel opgenomen wijziging wordt verwezen naar paragraaf 5
van het algemeen deel van de toelichting.
Onderdeel P en
artikel
41, onderdeel B
Per 1 januari 1998 kent
artikel 93 van de WW een tweede onderdeel g dat bij de
Invoeringswet Pemba tot stand is gekomen. Voorts is met
artikel 13 van de Wet
financiering loopbaanonderbreking nogmaals een onderdeel g aan dat artikel
toegevoegd, terwijl in artikel 68, onderdeel G, van de
Wet Rea onderdeel
g wordt
vervangen. Daarmee is bedoeld onderdeel g dat bij de Invoeringswet
Pemba tot stand is gekomen te vervangen. Met de voorgestelde onderdelen
- en de daaraan te geven terugwerkende kracht - wordt bereikt dat
artikel 93 van de WW
in de verschillende periodes in 1998 komt te luiden zoals
beoogd is.
Artikel
17.
Wet
aanpassing uitkeringsregelingen overheveling opslagpremies
In
artikel XV van de Veegwet
SZW 1997 is voorzien in de intrekking van de Wet
Werkloosheidsvoorziening (WWV). Op grond van artikel LXXII van
die wet treedt genoemd
artikel in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Op dat
tijdstip kan ook artikel 70 van de Wet aanpassing uitkeringsregelingen overheveling opslagpremies, dat betrekking heeft op
de toepassing van artikel
40 van de WWV, vervallen.
Artikel
18.
Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
Onderdeel B
Op grond van
artikel 28
van de Wet Rea heeft de WAZ-verzekerde die arbeidsgehandicapt is
recht op een toelage indien het treffen van een voorziening tot gevolg
heeft dat hij geen of slechts gedeeltelijk arbeid kan verrichten en uit dien
hoofde inkomen derft. Als hij door het treffen van de voorziening geen arbeid
kan verrichten en daarnaast geen recht heeft op een WAZ-uitkering, dient
betrokkene evenwel wel verzekerd te zijn op grond van de WAZ. Het
onderhavige onderdeel voorziet daarin.
Onderdeel C, onder 1
In
artikel 8, elfde tot
en met dertiende lid, wordt de grondslag per dag bepaald van de WAZ-uitkering in geval van samenloop van de inkomsten als WAZ-verzekerde met
inkomsten in dienstbetrekking of een uitkering op grond de
werknemersverzekeringen op de eerste arbeidsongeschiktheidsdag. Daarbij wordt in de
berekening verwezen naar het op grond van artikel
72, tweede lid,
van de WAZ aangewezen bedrag. Dat laatste bedrag betreft een jaarbedrag.
Beoogd is te verwijzen naar dat bedrag herleid naar een bedrag per dag.
De voorgestelde wijziging past de tekst daarop aan.
Onderdeel C, onder 2
Artikel
8, veertiende
lid, van de WAZ strekt ertoe een minimumbescherming
rblz.|19|
te waarborgen
indien iemand zowel als verzekerde in de zin van de WAZ
als als
verzekerde in de zin van de WAO beneden het minimumloon verdient,
doch uit beide werkzaamheden tezamen wel het minimumloon of meer
ontvangt. Dit wordt geacht bereikt te worden door als grondslag voor de
WAZ-uitkering te nemen het minimumloon verminderd met
respectievelijk het dagloon, bedoeld in het elfde lid, het loon, bedoeld in het
twaalfde lid, of bedrag van de uitkering, bedoeld in het dertiende lid. Doordat
enerzijds in het minimumloon, zoals gedefinieerd in het achtste lid, de
minimumvakantiebijslag niet is opgenomen en anderzijds, op grond van het
huidige
zestiende lid, onder genoemd loon en genoemde uitkering wel
tevens wordt verstaan de daaraan verbonden vakantie-uitkering en tot
de elementen die zijn begrepen in het dagloon tevens behoort de vakantietoeslag, komt de grondslag voor de
WAZ-uitkering, bedoeld in
het veertiende lid, te laag uit. Dit wordt met terugwerkende kracht tot
en met 1 januari 1998 hersteld door middel van de hierbij voorgestelde aanpassing van
artikel 8, zestiende lid, van de WAZ.
Onderdeel C, onder 3 en
4
In
artikel 8, twintigste
lid, van de WAZ is geregeld dat de onderdelen a tot en met c van het
negentiende lid van dat artikel vervallen bij de aanvang van fase 1 van de
OOW,
bedoeld in artikel 50 van die
wet. Die fase is aangevangen per 1 januari
1998. Artikel 8, twintigste lid, van de WAZ
kan daarmee eveneens
vervallen. Artikel 8, negentiende lid, van de
WAZ bevat thans slechts nog
onderdeel d. In het eenentwintigste lid van dat artikel is geregeld dat dat lid en
het negentiende lid, onderdeel d, vervallen op het tijdstip dat fase 3 als
bedoeld in artikel 54 van de OOW een aanvang neemt.
In het thans voorgestelde
onderdeel vervalt artikel 8, twintigste lid, van de
WAZ, onder gelijktijdige
samenvoeging van het negentiende en eenentwintigste lid tot een nieuw
negentiende lid.
Onderdeel D
Dit betreft een
redactionele aanpassing ter verduidelijking van de relatie tussen artikel 20 van de
WAZ en artikel 32a van de ZW.
Onderdeel E
Artikel 29 van de
WAZ geeft een grondslaggarantie voor verzekerden van 45 jaar of ouder wier
uitkering wordt beëindigd wegens het gaan genieten van WAZ-verzekerde
inkomsten. Evenals in artikel 20 van de WAZ, waarin ook een grondslaggarantie
is opgenomen, is het de bedoeling dat die gegarandeerde grondslag wordt vastgesteld zoals die sinds de beëindiging
van de uitkering op grond
van artikel 8 van de WAZ
zou zijn herzien. De tekst van
artikel 29 van de WAZ wordt hieraan, met terugwerkende kracht tot en met 1
januari 1998, aangepast.
Onderdeel F
Op grond van
artikel 59,
derde lid, van de WAZ wordt, in de situatie van samenloop van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de
WAZ met een uitkering in
verband met bevalling op grond van diezelfde wet, de uitkering in
verband met bevalling slechts uitbetaald voor zover deze de arbeidsongeschiktheidsuitkering overtreft. Dit levert een
bevredigende uitkomst op
in de situatie dat de bevallingsuitkering ingaat tijdens de wachttijd van
52 weken voorafgaand aan het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Ingeval de betrokkene
reeds een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt op het moment
dat het recht op bevallingsuitkering ontstaat, is de hoogte van de
bevallingsuitkering evenwel gerelateerd aan het, door de eerder ontstane
arbeidsongeschiktheid verminderde, verdienvermogen. In dat geval is het
redelijk de bevallingsuitkering naast de rblz.|20|
arbeidsongeschiktheidsuitkering
tot uitbetaling te laten komen. Er dient evenwel wel anticumulatie
plaats te vinden indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering over dezelfde periode
waarover recht op bevallingsuitkering bestaat, wordt verhoogd.
Dit wordt bereikt door het totaal van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
en de bevallingsuitkering te maximeren op de grondslag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, dan wel, indien
deze hoger is, de
grondslag van de bevallingsuitkering.
Met dit thans
voorgestelde onderdeel wordt artikel 59, derde lid, van de
WAZ, met terugwerkende
kracht tot en met 1 januari 1998, zodanig gewijzigd dat de hiervoor
beschreven redelijke uitkomst wordt bereikt.
Onderdeel H en
artikel
19, onderdeel E
Bij de
Wet van 9 april
1998 tot wijziging van de Algemene bijstandswet,
de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen, de Werkloosheidswet, de Ziektewet,
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, de Toeslagenwet,
de Algemene Ouderdomswet, de Algemene
Kinderbijslagwet, de Algemene nabestaandenwet,
de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen en de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten met betrekking tot terugvordering en verhaal
(terugvordering en verhaal in verband met herziening
van het debiteurenbeleid) (Stb. 1998, 278) komt abusievelijk het opschrift van de
artikelen 65 van de WAZ
en 57 van de Wajong
te vervallen. Met de hierbij
voorgestelde onderdelen wordt dit hersteld.
Onderdeel I en
artikel
19, onderdeel E
De formulering van het
regresrecht van het Lisv wijkt in de artikelen 69, tweede lid, van de
WAZ en 61, tweede lid, van de
Wajong af van die in artikel
90, tweede lid,
van de WAO. De WAO-bepaling ziet op afkoop van individuele schadeclaims,
de WAZ- en Wajong-bepaling zien op collectieve afkoop. De
reden van deze discrepantie is dat de WAZ- en Wajong-bepalingen zijn
gebaseerd op het regresartikel in de Algemene
nabestaandenwet. In het
kader van die wet is een collectieve afkoop van regresclaims geregeld. Voor de arbeidsongeschiktheidsregelingen is dat
evenwel (nog) niet het
geval. Om deze reden is het gewenst in de artikelen 69, tweede lid, van de
WAZ en 61, tweede lid, van de
Wajong de formulering van artikel
90, tweede lid, van de WAO over te nemen.
Onderdeel L en
artikel
19, onderdeel H
In het met
artikel 86,
tweede lid, van de WAZ en artikel 66b, tweede lid, van de
Wajong vergelijkbare artikel 39, tweede lid, van de
AAW
werd
- sinds de wijziging van
dat artikel met artikel XXXV, onderdeel J, van de
Veegwet SZW 1997 - onder meer verwezen naar artikel 29a van de
AAW. In de artikelen 86,
tweede lid, van de WAZ
en 66b, tweede lid, van de Wajong ontbreekt ten
onrechte een verwijzing naar de, met artikel 29a van de AAW
overeenkomende, artikelen 16 van de WAZ
respectievelijk 15 van de Wajong. Deze
omissie wordt hierbij hersteld.
Onderdeel M
In
artikel 70, onderdeel
D, van de Wet Rea is bepaald dat artikel 88 van de
WAZ vervalt. Dit diende
evenwel artikel 87 van de WAZ
te zijn. Deze omissie wordt hierbij
hersteld.
Artikel
19.
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
Onderdeel B
Zie de
toelichting op artikel 4, onderdeel A.
rblz.|21|
Onderdeel C
Dit betreft een
redactionele aanpassing ter verduidelijking van de relatie tussen artikel 19 van de
Wajong en artikel 32a van de ZW.
Onderdeel E
Zie de
toelichting op
artikel 18, onderdeel H.
Artikel
20.
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen
Onderdeel A
Met
artikel 60 van de
Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 werd artikel 7 van
de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen
(Wamil) in die
zin aangepast dat de uitvoering daarvan per 1 maart 1997 werd
opgedragen aan het Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel
(FAOP). Tot die datum was die uitvoering opgedragen aan de
Bedrijfsvereniging voor Overheidsdiensten, die de daaraan verbonden
werkzaamheden liet uitvoeren door GAK Nederland BV. Het FAOP heeft de
uitvoering van de Wamil evenwel nooit ter hand genomen, die uitvoering
is feitelijk in handen van het GAK gebleven. Mede gelet op het feit
dat het FAOP per 1 januari 1998, als gevolg van de OOW, ook geen andere
wetten meer uitvoert, ligt het in de rede de uitvoering van de Wamil
met terugwerkende kracht tot en met 1 maart 1997 op te dragen aan het Lisv, als rechtsopvolger van de Bedrijfsvereniging voor Overheidsdiensten.
Artikel
21.
Wet
financiële voorzieningen privatisering ABP
Beleidsmatig is de
inhouding inzake werkloosheid, bedoeld in artikel 31 van de Wet
financiële voorzieningen privatisering ABP (Wet FVP/ABP), op het loon van
overheidswerknemers gekoppeld aan werknemerspremie WW. Dat wil zeggen dat
wijzigingen in de samenstelling of hoogte van de werknemerspremie WW op
gelijke wijze worden doorvertaald naar de inhouding inzake
werkloosheid bij overheidspersoneel. Sinds 1 januari 1998 wordt het premieloon
voor de heffing van (onder meer) de werknemerspremie WW
verminderd met een franchise (ƒ104,- per dag). Die franchise
dient, gelet op bedoelde beleidsmatige koppeling, eveneens te gelden voor
de genoemde inhouding inzake werkloosheid bij overheidspersoneel. De
daarvoor noodzakelijke wijziging van artikel 29, tweede lid, van de Wet
FVP/ABP was opgenomen in artikel XLVII, onderdeel F, [artikel
XVI, onderdeel Y, onder artikel XLVII, onderdeel F, red.] van de
Aanpassingswet Pemba. Echter, deze wijziging is ongedaan gemaakt door
artikel 68, onderdeel D, onder 2, van de OOW. Dit was onbedoeld. Het
onderhavige onderdeel heeft tot doel dit te herstellen door alsnog met
terugwerkende kracht tot en met 1 januari 1998 een tweede lid aan artikel 29
van de Wet
FVP/ABP toe te voegen met daarin de vorenbedoelde franchise
in de genoemde inhouding.
Artikel
22.
Wet
financiering loopbaanonderbreking
Onderdeel A
In de
Wet financiering loopbaanonderbreking wordt als voorwaarde voor toekenning van een
financiële tegemoetkoming de eis gesteld dat een verlofganger gedurende
een periode van ten minste twaalf maanden voorafgaand aan het
moment waarop hij verlof opnam in dienst moet zijn geweest bij dezelfde
werkgever. Artikel 673, eerste lid, van Boek
7 van het BW [Burgerlijk
Wetboek, red.] is van overeenkomstige
toepassing verklaard (zoals ook bij ouderschapsverlof is gebeurd). In deze
bepaling is geregeld in welke gevallen arbeidsovereenkomsten geacht worden
eenzelfde, niet-onderbroken,
arbeidsovereenkomst te vormen (bijvoorbeeld als ze elkaar binnen 31 dagen opvolgen). Als de Wet
flexibiliteit en zekerheid in werking treedt, vervalt artikel 673 van
Boek
7 van het BW. Daarom is bij nota van wijziging een rblz.|22|
"indien-bepaling"
opgenomen, inhoudende dat, als de Wet/het wetsvoorstel
flexibiliteit en zekerheid in werking is getreden, artikel 673, eerste lid, vervangen
moet worden door artikel 668a. Deze wijziging is niet geheel juist. In artikel
673, eerste lid, onderdeel c, van Boek
7 van het BW werd bepaald dat
arbeidsovereenkomsten ook geacht worden eenzelfde arbeidsovereenkomst te
vormen in geval van herstel van de dienstbetrekking ingevolge artikel 682 van
dat Boek (veroordeling tot herstel van de dienstbetrekking door
de rechter). Als de Wet flexibiliteit en zekerheid in werking treedt, wordt
het bepaalde in het huidige artikel 673, eerste lid, onderdeel c, niet
opgenomen in artikel 668a, maar in artikel 672, negende lid, van Boek
7 van het BW. Dit betekent dat dan ook naar deze bepaling moet worden verwezen.
Wat betreft
ouderschapsverlof, waar hetzelfde speelde, heeft in het kader van het wetsvoorstel
flexibiliteit en zekerheid bij nota van wijziging wél de juiste aanpassing
plaatsgevonden.
Gelet op de
inwerkingtreding van de Wet flexibiliteit en zekerheid per 1 januari 1999 krijgen de
in dit artikel opgenomen wijzigingen - bij een latere inwerkingtreding
van de hierbij voorgestelde wet - terugwerkende kracht tot en met die
datum.
Onderdeel B
De hantering van de term
"kalendermaanden" in artikel 4, tweede lid, van de
Wet financiering loopbaanonderbreking heeft tot gevolg dat periodes
van verlof die niet een
volle kalendermaand beslaan niet kunnen leiden tot een financiële
tegemoetkoming. Dat is ongewenst. Het kan immers zo zijn dat de verlofganger goede
reden heeft om zijn verlof in te laten gaan op een dag die niet gelegen
is op de eerste van de kalendermaand dan wel om zijn verlof te laten
eindigen op een andere dag dan de laatste van de kalendermaand. Zo zou een
verlofganger wiens verlof ingaat op maandag 12 oktober 1998
(bijvoorbeeld omdat dan een te volgen cursus begint) en eindigt op vrijdag 18
december 1998 (omdat dat de laatste dag van die cursus is) slechts recht
hebben op een financiële tegemoetkoming over de maand november. De verlofperiode beslaat evenwel meer dan twee
maanden. Om in deze
situatie een financiële tegemoetkoming over twee maanden mogelijk te maken,
wordt voorgesteld de term "kalendermaanden" in artikel
4, tweede lid, van de Wet financiering loopbaanonderbreking
met terugwerkende kracht
tot en met 1 oktober 1998 - de datum van
inwerkingtreding van die wet - te vervangen door "maanden". Bij de toepassing van
artikel 5 van de Wet financiering loopbaanonderbreking dient uiteraard mede acht
te worden geslagen op de aldus gewijzigde formulering
van artikel 4, tweede lid.
Artikel
23.
Wet
financiering volksverzekeringen
De
belastingdienst heft
en int de premies voor de volksverzekeringen. De kosten die hieruit
voortvloeien, de zogenaamde perceptiekosten, bracht de belastingdienst tot
1998 in rekening bij de fondsen. Bij ministeriële regeling op grond van
artikel 44, eerste lid, van de Wet financiering
volksverzekeringen, de Regeling perceptiekosten volksverzekeringen, waren regels gesteld met
betrekking tot de berekening van de perceptiekosten en de verdeling van die
kosten over de betrokken fondsen. Die regeling is met ingang
van 1 januari 1998 ingetrokken. Het kabinet had besloten om de
doorberekening van de perceptiekosten aan de sociale fondsen met ingang van
die datum af te schaffen, omdat deze niet bijdroeg aan een betere
allocatie. De feitelijke en normatieve (ijklijn) uitgaven van de sociale
zekerheid en zorg werden neerwaarts aangepast onder een gelijke
opwaartse bijstelling van de ijklijn rijksbegroting in enge zin. Gelet hierop kan
artikel 44, eerste lid, van de Wet financiering
volksverzekeringen vervallen.
rblz.|23|
Artikel
24.
Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen
De wijzigingen in de
Wet
gelijke behandeling van mannen en vrouwen betreffen in hoofdzaak
aanpassingen van wettekst en indeling aan wijzigingen in de
wetgeving en verduidelijking van de interpunctie.
Artikel
25.
Wet
inkomensvoorziening kunstenaars
Onderdeel A
Het betreft hier een
redactionele aanpassing waardoor de tekst van dit artikelonderdeel
overeenstemt met de formulering van artikel 6, eerste lid, onderdeel b, van de
Wik.
Onderdeel B
In
artikel 5, onderdeel
a,
van de Wik is thans vastgelegd dat de kunstenaar die algemene bijstand op
grond van de Abw ontvangt, tenzij hij voldoet aan artikel
47, eerste lid,
van de Wik, geen recht op uitkering heeft. Met deze bepaling is niet beoogd
om de verlening van bijstand, respectievelijk bijstand in de vorm van
een voorschot, in afwachting van de beslissing op de Wik-aanvraag
onmogelijk te maken, dan wel in een zodanig geval de toegang tot de Wik af te
sluiten. In verband hiermee wordt de tekst aangevuld met de zinsnede
"of de bijstand wordt verleend in afwachting van het besluit op de
aanvraag, bedoeld in artikel 19, tweede lid".
De wijzigingen onder 2 en
4 houden verband met de zogenoemde Koppelingswet
op grond
waarvan aan bepaalde categorieën vreemdelingen het recht op een
socialezekerheidsuitkering wordt ontzegd. Met de wijzigingen wordt bereikt
dat de formulering van de uitsluitingsgrond overeenstemt met de
terminologie die in de Vreemdelingenwet en in de Abw, de
Ioaw en de Ioaz wordt gehanteerd. Voorts is de mogelijkheid opgenomen om bij algemene
maatregel van bestuur af te wijken van het eerste lid, onderdeel c,
net als dat het geval is bij de hiervoor genoemde socialezekerheidsregelingen.
Met de wijziging onder 3
wordt aangegeven dat het recht op uitkering eindigt met ingang van de
eerste dag van de maand waarin door de kunstenaar de leeftijd
van 65 jaar wordt bereikt. Met ingang van die dag heeft betrokkene immers
aanspraak op AOW.
Onderdeel C
Deze wijziging is van
louter redactionele aard.
Onderdeel D
De wijziging van
artikel
7 van de Wik is opgenomen ter verduidelijking van het feit dat niet
alleen opnieuw uitkering kan worden aangevraagd als een grond voor
beëindiging als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de
Wik is komen te vervallen,
doch tevens als de grond voor eindiging van het recht (bijvoorbeeld
"rechtens zijn vrijheid ontnomen") ophoudt te bestaan.
Onderdeel E
In
artikel 4 van de Wik
is geregeld dat een kunstenaar recht op uitkering heeft als hij niet over
voldoende middelen van bestaan beschikt. In het eerste lid van artikel 9
van de Wik is geregeld dat een kunstenaar recht op uitkering heeft als het
in aanmerking te nemen inkomen lager is dan het voor hem geldende uitkeringsbedrag op grond van de
Wik. Dit zou
betekenen dat een
kunstenaar met een inkomen boven het hiervoor genoemde bedrag maar
lager dan het bedrag van de bijstandsnorm vermeerderd met het maximumbedrag van de op grond van de
Abw toe
te kennen toeslag, niet
voor een Wik-uitkering in aanmerking komt, terwijl rblz.|24|
hij daar op grond van
artikel 4 van de Wik wel recht op heeft. Door de voorgestelde wijziging
van het eerste lid van artikel 9 van de Wik, waarin geregeld wordt dat een
kunstenaar recht op uitkering heeft als het inkomen lager is dan de
voor hem geldende bijstandsnorm vermeerderd met het maximumbedrag van
de op grond van de Abw toe te kennen toeslag, wordt deze
discrepantie opgeheven.
Met de wijziging van het
tweede lid van artikel 9 van de Wik
wordt beoogd een duidelijker
structuur aan te brengen tussen de artikelen 9 en
10 van de Wik, waarbij
artikel 9 alleen betrekking heeft op de voorlopig in de vorm van een renteloze
lening verleende uitkering en artikel 10 alleen betrekking heeft op de
definitieve vaststelling van de uitkering. Om die reden wordt het eerste
lid van artikel 10 verplaatst naar het tweede lid van
artikel 9.
In
artikel 32 van de Abw
is geregeld dat als één van de partners geen recht op algemene
bijstand heeft, de bijstandsnorm
voor de rechthebbende echtgenoot wordt
vastgesteld op het niveau dat geldt voor een alleenstaande of een
alleenstaande ouder. Het ligt in de rede in de Wik
een gelijksoortige
regeling te treffen voor de situatie waarin de partner van de kunstenaar in een
omstandigheid verkeert als bedoeld in artikel 5, onderdeel b, c of
d, van de Wik. Het nieuwe derde lid van artikel 9 van de
Wik strekt hiertoe.
In het voorgestelde
vierde lid van artikel 9 van de Wik
- dat in feite het derde lid vervangt - is geregeld dat, vooruitlopend op de definitieve vaststelling van de
hoogte van de uitkering, het inkomen van de kunstenaar en zijn gezin
op de in de vorm van een renteloze lening verleende uitkering in
mindering moet worden gebracht als de som van het inkomen en het bedrag
van de uitkering in een kalendermaand hoger is dan het bedrag, genoemd
in respectievelijk artikel 10, tweede lid, onderdeel a, b of c, van de
Wik.
Hiermee wordt bereikt dat als op voorhand reeds bekend is dat de
kunstenaar bij het verlenen van uitkering over een bepaald inkomen zal
beschikken - hetgeen bij inkomsten uit een dienstbetrekking veelal het geval zal zijn
- niet pas achteraf bij de definitieve vaststelling van de
uitkering tot verrekening (en mogelijkerwijs terugvordering van uitkering) behoeft te
worden overgegaan.
Met de formulering van
het voorgestelde vierde lid wordt aangesloten bij de berekeningsregel van
artikel 10 van de Wik
voor het in mindering brengen van het inkomen
op de definitief vast te stellen uitkering. In zoverre is er dan ook
sprake van een verduidelijking ten opzichte van het derde lid van artikel 9
van de Wik, waarin bepaald is dat de hoogte van de uitkering gelijk is aan
het verschil tussen het in aanmerking te nemen inkomen en het bedrag van
de uitkering, genoemd in het tweede lid van artikel 9 van de
Wik.
Deze formulering lijkt geen ruimte te bieden voor vrijlating van een deel
van het inkomen, terwijl het de bedoeling is - zoals ook blijkt uit het
huidige artikel 10, derde lid, van de Wik
- dat de kunstenaar tot een
bepaald bedrag mag bijverdienen alvorens tot verrekening van inkomsten
wordt overgegaan.
Hetgeen in het eerste,
vierde, vijfde en zesde lid van artikel 9 van de
Wik is geregeld met
betrekking tot de in aanmerking te nemen beroepskosten wordt thans geregeld in
het voorgestelde artikel 10a (zie onderdeel
G). Hierin wordt geregeld
dat op het inkomen als bedoeld in de artikelen 9 en
10 van de Wik de beroepskosten in mindering moeten worden gebracht.
Dit wordt met de
onderhavige wijzigingen in een apart artikel geregeld, omdat het in mindering
brengen van de beroepskosten niet alleen dient te geschieden bij de
toepassing van artikel 9 van de Wik, maar ook bij de
rblz.|25|
toepassing van
artikel 10 van de Wik,
waarin thans niet in een zodanige anticumulatieregeling is
voorzien.
Onderdeel F
Artikel 10, tweede en
derde lid, van de Wik betreft de definitieve vaststelling van de
hoogte van de uitkering, bedoeld in artikel 9 van de
Wik, waarbij het inkomen
van de kunstenaar en zijn gezin over het kalenderjaar waarin recht
op uitkering bestaat in mindering wordt gebracht, voor zover de
som van het uitkeringsbedrag, genoemd in artikel
9, tweede lid, en het - naar een gemiddeld maandbedrag omgerekende -
inkomen over het
kalenderjaar meer bedraagt dan het op de kunstenaar van toepassing zijnde
bedrag, bedoeld in artikel 10, derde lid, van de
Wik. De definitief
vastgestelde uitkering wordt omgezet in een bedrag om niet.
Het voorgestelde eerste
en tweede lid van artikel 10 van de Wik
zijn in redactionele zin
aangepast, doch praktisch gelijkluidend aan het tweede en derde lid van artikel 10
van de Wik en - gelezen in samenhang met het nieuwe derde lid
- qua
strekking niet veranderd. Vervallen is de zinsnede "inclusief de vakantietoeslag, bedoeld in
artikel 11, eerste
lid". Deze
vakantietoeslag is immers
al begrepen in het uitkeringsbedrag, genoemd in artikel
9, tweede lid,
van de Wik.
Het voorgestelde derde
lid van artikel 10
van de Wik
is nieuw en betreft de omzetting van de als
renteloze geldlening verleende uitkering in een bedrag om niet. Onderdeel
a van dit artikellid voorziet in de situatie dat de definitief vastgestelde
hoogte van uitkering hoger is dan de in de vorm van een renteloze
geldlening verleende uitkering. In dat geval wordt voor het verschil ambtshalve
aan de kunstenaar uitkering toegekend en wordt de als renteloze
geldlening verleende uitkering omgezet in een bedrag om niet. Ambtshalve
toekenning van uitkering is aan de orde als op de in de vorm van een renteloze
geldlening verleende uitkering het inkomen van een kunstenaar in één of
meer kalendermaanden in mindering is gebracht (artikel
9, vierde lid,
van de Wik) en in de overige kalendermaanden waarin uitkering is
verleend geen (of minder) ander inkomen is genoten. Bij de definitieve
vaststelling van de hoogte van de uitkering moet het in de hiervoor genoemde
kalendermaanden genoten inkomen worden gemiddeld over het gehele
kalenderjaar en zal het in aanmerking te nemen inkomen (per maand)
op een lager bedrag uitkomen. In dat geval zal de definitief
vastgestelde uitkeringshoogte van de uitkering in de kalendermaanden waarin
inkomen werd genoten hoger zijn dan de hoogte van de in die
maanden verleende uitkering in de vorm van een renteloze geldlening. Aan
de hand van het volgende voorbeeld (waarbij uitgegaan wordt van de
bedragen zoals die gelden vanaf 1 juli 1998) wordt één en ander
verduidelijkt. Een alleenstaande kunstenaar aan wie een uitkering op grond
van artikel 9 is toegekend, verwerft over de eerste zes maanden van het jaar
per maand ƒ1000,- aan inkomsten uit dienstbetrekking. Op grond van artikel 9,
vierde lid, wordt het bedrag van de renteloze geldlening (ƒ1013,90) verminderd met ongeveer
ƒ200,-. De som van de uitkering en het
inkomen bedraagt immers ƒ2013,90, hetgeen ongeveer ƒ200,- hoger
is dan het bedrag, genoemd in artikel 10, tweede lid, onderdeel a,
(ƒ1810,54). Over de laatste zes maanden van het jaar heeft betrokkene geen ander
inkomen dan de Wik-uitkering. Gemiddeld over het hele jaar gerekend
heeft betrokkene een inkomen van ƒ500,- per maand, dat bij de
definitieve vaststelling van de uitkeringshoogte wordt betrokken. Aangezien het
inkomen (ƒ500,-) en de uitkering
(ƒ1013,90) lager zijn dan ƒ1810,54,
is er geen reden om de bij de definitieve vaststelling de
uitkeringshoogte op een lager bedrag vast te stellen dan het bedrag, genoemd in
artikel 9, tweede lid, onderdeel a, van de Wik
(ƒ1013,90). Met andere
woorden, achteraf blijkt dat betrokkene over de eerste zes maanden van
het jaar - gezien zijn jaarinkomen - te weinig Wik-uitkering heeft
ontvangen, hetgeen gecorrigeerd moet worden.
rblz.|26|
Het
voorgestelde
onderdeel b van artikel 10, derde lid, van de
Wik, betreft de omzetting van de
renteloze geldlening in een bedrag om niet in de situatie dat de
definitief vastgestelde hoogte van de uitkering gelijk is aan het bedrag van de als
renteloze geldlening verleende uitkering.
Het voorgestelde
onderdeel c van artikel 10, derde lid, van de
Wik betreft de situatie waarin de
definitief vastgestelde hoogte van de uitkering lager is dan het bedrag van de
als renteloze geldlening verleende uitkering. In dat geval wordt de als
renteloze geldlening verleende uitkering omgezet in een bedrag om niet tot
een bedrag gelijk aan de definitief vastgestelde hoogte van de uitkering.
Het restant blijft een renteloze geldlening en wordt op grond van
artikel 23 van de Wik teruggevorderd.
In het nieuwe vierde lid
van artikel 10 van de Wik
is geregeld dat als de in de vorm van een renteloze
geldlening verleende uitkering als gevolg van het opleggen van een
maatregel tijdelijk geheel of gedeeltelijk is geweigerd of als gevolg
van het opleggen van een boete is gekort, bij de vaststelling van de hoogte van de ambtshalve toe kennen
uitkering wordt
uitgegaan van het bedrag
van de in de vorm van een renteloze geldlening verleende uitkering alsof
die maatregel niet was opgelegd respectievelijk de korting niet had
plaatsgevonden. Hiermee wordt voorkomen dat een eerder opgelegde
maatregel of boete door toepassing van het derde lid, onderdeel a, van
artikel 10 van de Wik
ongedaan wordt gemaakt. Zonder nadere regeling zou
immers bij een tijdelijk geheel of gedeeltelijk geweigerde of gekorte
uitkering - waardoor het bedrag van de verleende uitkering lager is dan de
definitief vastgestelde hoogte van de uitkering - de ongewenste situatie
zich voordoet dat op grond van het derde lid, onderdeel a, van artikel 10
van de Wik voor het verschil ambtshalve uitkering wordt verleend.
Het laten vervallen van
het huidige vierde en vijfde lid van artikel 10
van de Wik houdt verband met
het volgende. Zoals hiervoor reeds aangegeven, wordt een uitkering op
grond van de Wik in eerste instantie verleend in de vorm van
een renteloze geldlening. Zodra het inkomen van een kunstenaar over het kalenderjaar waarin uitkering is
verleend bekend
is, wordt de hoogte van
de uitkering definitief vastgesteld. Hierbij wordt het inkomen van de
kunstenaar (en zijn gezin) over dat kalenderjaar, voor zover dat inkomen hoger is dan een bepaald bedrag, op de uitkering
in mindering gebracht.
Dit is de in artikel 10, tweede en derde lid, van de
Wik neergelegde algemene
regel die geldt voor de definitieve vaststelling van de hoogte van de
uitkering.
Op deze algemene regel is
in artikel 10, vierde lid, van de Wik
een uitzondering gemaakt voor
de situatie waarin het recht op een uitkering op grond van de Wik in de
loop van een kalenderjaar wordt beëindigd. In dat geval wordt bij de
definitieve vaststelling van de hoogte van de uitkering uitgegaan van
het inkomen dat is verworven in de periode van het kalenderjaar
voorafgaande aan de beëindiging van het recht op uitkering. Er wordt dus
geen rekening gehouden met het inkomen dat na de beëindiging van het
recht in datzelfde kalenderjaar is verworven. Dit is om administratieve
redenen zo geregeld om zo snel mogelijk na een beëindiging van het
recht de hoogte van de uitkering definitief te kunnen vaststellen. In het
vijfde lid van artikel 10 van de Wik
is geregeld dat indien toepassing is
gegeven aan het vierde lid van artikel 10 van de
Wik en betrokkene in
datzelfde kalenderjaar opnieuw een uitkering aanvraagt, de hoogte van de
uitkering definitief wordt vastgesteld op basis van de over het gehele
kalenderjaar verworven middelen. In dat geval is de algemene regel dus weer
van toepassing en moet de eerdere definitieve vaststelling van de
hoogte van de uitkering worden herzien.
rblz.|27|
De
in het vierde lid van artikel 10 van de
Wik gemaakte uitzondering op de algemene regel kan
ertoe leiden dat een kunstenaar die in de loop van een kalenderjaar in de
Wik komt slechter af is dan de kunstenaar die in de loop van een kalenderjaar
uit de Wik gaat. Bij de eerstgenoemde kunstenaar moet het inkomen verworven in de periode van het kalenderjaar
voorafgaande aan het
(weer) ontstaan van een recht op uitkering bij de definitieve
vaststelling van de hoogte van de uitkering in aanmerking genomen. Bij
de laatstgenoemde kunstenaar wordt het inkomen verworven in de
periode van het kalenderjaar na de beëindiging van het recht op
uitkering niet bij de definitieve vaststelling in aanmerking genomen (tenzij hij in
datzelfde kalenderjaar weer een recht op uitkering op grond van de Wik verwerft). Verder kan de situatie zich voordoen dat een kunstenaar die in de
loop van een kalenderjaar (1) uit de Wik gaat, in de loop van het volgende
kalenderjaar (2) weer in de Wik komt. In dat geval wordt - op grond
van de huidige regeling - het over de "Wik-loze" periode verworven inkomen
deels niet (kalenderjaar 1) en deels wel (kalenderjaar 2) in aanmerking genomen bij de definitieve vaststelling van
de hoogte van de
uitkering.
Het vierde lid van
artikel 10 en het daarmee verband houdende vijfde lid kunnen aldus bij gelijke
netto-inkomsten over een kalenderjaar verschillen veroorzaken in de
definitief vast te stellen hoogte van de uitkering, hetgeen ongewenst wordt
geacht. Deze mogelijke ongelijke uitkomsten hebben bovendien, bij de voor de uitvoering van deze regeling verantwoordelijken,
geleid tot verschillende
interpretaties over hoe de definitief vast te stellen hoogte
van de uitkering moet worden berekend, hetgeen evenzeer onwenselijk is. Vandaar dat thans wordt voorgesteld het vierde
lid (en in het verlengde daarvan, het vijfde lid) van artikel 10 van de
Wik te laten vervallen, zodat
voor een ieder, bij de definitieve vaststelling van de hoogte van de uitkering
op grond van de Wik, wordt uitgegaan van de inkomsten over een geheel
kalenderjaar.
Onderdeel G
Voor een toelichting op
dit onderdeel wordt verwezen naar de toelichting op onderdeel E
betreffende de wijzigingen van artikel 9 van de
Wik.
Onderdeel H
In het tweede lid van
artikel 11 van de Wik is geregeld dat bij de definitieve vaststelling
van de hoogte van de uitkering de uitkering wordt verhoogd met de
loonbelasting en de premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die
de uitkering verleent, krachtens de Wet
op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is, alsmede met de over die uitkering verschuldigde
ziekenfondspremie. Nu kan het zo zijn dat aan het einde van een
kalenderjaar blijkt dat de over dat jaar verworven inkomsten als
zelfstandige zodanig hoog zijn geweest dat de verleende uitkering volledig of
grotendeels moet worden teruggevorderd. Dit zou betekenen dat de
desbetreffende kunstenaar in dat jaar gratis of bijna gratis verzekerd is
geweest voor de Ziekenfondswet (Zfw). Immers de premie is verschuldigd
over het bedrag van de definitief vastgestelde uitkering (en niet tevens
over zijn inkomen als zelfstandige). Om aan dit bezwaar tegemoet te komen,
wordt thans in het voorgestelde tweede lid van artikel 11
geregeld
dat de uitkering wordt verhoogd met de verschuldigde loonbelasting, premies
volksverzekeringen en ziekenfondspremie. De belemmering in de huidige formulering van het tweede lid van
artikel 11, namelijk dat de
procentuele ziekenfondspremie niet over het bedrag van de voorlopig in de
vorm van een renteloze geldlening verstrekte uitkering kan worden geheven, wordt hiermee weggenomen. In het
Aanwijzingsbesluit
verzekerden Zfw zal als grondslag voor de verzekeringsplicht
ingevolge de Zfw worden aangewezen het ontvangen van een uitkering op
grond van de Wik die voorlopig in de vorm van een
rblz.|28|
renteloze geldlening
wordt verstrekt. Tevens zal in het Aanwijzingsbesluit verzekerden Zfw worden
geregeld dat de procentuele ziekenfondspremie geheven zal worden over
de voorlopig in de vorm van een renteloze geldlening verstrekte
uitkering. Hiermee wordt de systematiek van de Zfw gehandhaafd waarbij de
ziekenfondspremie vooraf verschuldigd is en niet pas achteraf. Indien
de definitief vastgestelde uitkering nadien op een ander bedrag wordt
vastgesteld dan de voorlopig in de vorm van een renteloze geldlening
verstrekte uitkering, treedt geen wijziging op in de verzekeringssituatie en
evenmin in de verschuldigde ziekenfondspremie. Wat betreft de
verschuldigde loonbelasting en premies volksverzekeringen wordt hierbij nog het
volgende opgemerkt. Net als bij de renteloze geldlening die op grond
van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen kan worden verstrekt, zal
de afdracht van belasting en premies plaatsvinden nadat de uitkering
definitief is vastgesteld. Dit ontmoet geen bezwaren, omdat de
kunstenaar immers verplicht is aangifte te doen van het inkomen dat hij in
een kalenderjaar heeft verworven, dat langs die weg kan worden betrokken
in de heffing van (inkomsten) belasting en premies
volksverzekeringen. Met andere woorden, indien het definitief vastgestelde
uitkeringsbedrag lager is dan het bedrag van de voorlopig in de vorm van een renteloze
geldlening verleende uitkering, wordt dit voor de belasting en premies
volksverzekeringen gecorrigeerd bij de belastingaangifte van de kunstenaar over
het betreffende kalenderjaar.
Onderdeel I
Deze wijziging is een
gevolg van de vernummering van artikelleden in artikel 10.
Onderdeel J
In
artikel 24 van de Wik
worden bepalingen van de Abw die betrekking hebben op terugvordering
van overeenkomstige toepassing verklaard. Bij de de Veegwet
SZW 1997 en
bij de Wet van 9 april 1998 tot wijziging van de Algemene
bijstandswet, de Wet inkomensvoorziening oudere
en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen, de Werkloosheidswet, de Ziektewet,
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, de Toeslagenwet,
de Algemene Ouderdomswet, de Algemene
Kinderbijslagwet, de Algemene nabestaandenwet,
de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen en de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten met
betrekking tot terugvordering en verhaal (terugvordering
en verhaal in verband met herziening van het debiteurenbeleid) (Stb.
1998, 278) zijn de artikelen 78b en 78c
aan de terugvorderingsbepalingen van de
Abw toegevoegd. Deze toevoeging
maakt het noodzakelijk om
de laatstgenoemde artikelen in de opsomming van de artikelen die in
artikel 24 van de Wik van overeenkomstige toepassing worden
verklaard op te nemen.
Onderdeel K
Het voorgestelde artikel
47a [artikel 48, red.] van de Wik maakt het mogelijk om de
normbedragen die zijn
opgenomen in artikel 47, tweede lid, van die
wet te kunnen indexeren aan
de hand van de ontwikkeling van het nettominimumloon.
Gelet op inwerkingtreding
van de Wik per 1 januari 1999 krijgen de in dit artikel opgenomen
wijzigingen - bij een latere inwerkingtreding van de hierbij voorgestelde wet
- terugwerkende kracht tot en met die datum.
rblz.|29|
Artikel
26.
Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen
Voor de toelichting op
dit artikel (betreffende de Ioaz) wordt
verwezen naar de
onderdelen D, E,
F en G
van het volgende artikel (betreffende de Ioaw).
Artikel
27.
Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers
Onderdeel A
Bij de
Aanpassingswet derde tranche Awb I is in artikel 1, eerste lid, van de
Ioaw onderdeel a
vervallen, onder verlettering van de onderdelen b tot en met f tot
onderdelen a tot en
met e. Verzuimd is om in het tweede lid de verwijzing naar het
eerste lid, onderdeel f, overeenkomstig aan te passen. De verwijzing moet zijn:
eerste lid, onderdeel e.
Onderdeel B
Op grond van de
OOW, die
per 1 januari 1998 in werking is getreden, dienen het derde, vierde
en vijfde lid van artikel 2 van de Ioaw
te vervallen. Bij de Wet van
25 april 1996, Stb. 1996, 248 [Wet
boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid, red.], is evenwel per 1 juli 1997 het derde lid van
artikel
2 vernummerd tot een tweede lid, zodat de wijzigingsopdracht
slechts ten dele kan worden uitgevoerd. Het beoogde lid wordt thans alsnog
geschrapt.
Onderdelen C en
D
Bij de
Wiw is met ingang
van 1 januari 1998 artikel 20, derde lid, van de
Ioaw vervallen, onder vernummering van het vierde tot en met zevende
lid tot derde tot en met
zesde lid. Verzuimd is om de verwijzingen in het vijfde en zevende lid
overeenkomstig aan te passen. Deze verwijzingen wordt in onderdeel D
gecorrigeerd.
Verder wordt, onder
vernummering van de overige leden, artikel 34, derde lid, van de
Ioaw geschrapt. Deze bepaling zag op de verordeningsplicht van het gemeentebestuur
ter zake van het verstrekken van subsidies voor het aanvaarden of
behouden van arbeid en voor het voltooien van scholing of opleiding.
Dit onderwerp is thans in de Wiw geregeld.
Onderdeel E
Bij de
Aanpassingswet derde tranche Awb I is zijn in artikel 43 van de
Ioaw en in artikel 43 van
de Ioaz enkele redactionele fouten geslopen. In dit
onderdeel F en
onderdeel C van het vorige artikel (betreffende de Ioaz) worden de nodige
correcties aangebracht.
Onderdeel F
Dit onderdeel betreft een
correctie van een onjuiste verwijzing in artikel
125, eerste lid,
onderdeel a, van de Abw, die voortkomt uit de vervanging van de Organisatiewet
sociale verzekeringen door de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997. Voorts wordt aan de opsomming in onderdeel c de Wik
toegevoegd.
Artikel
28.
Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
Onderdeel B
Voor een toelichting op
de in dit onderdeel opgenomen wijziging wordt verwezen naar paragraaf 4
van het algemeen deel van de toelichting.
Onderdeel C
Dit onderdeel bevat een
redactionele verbetering van artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van de
WAO.
rblz.|30|
Onderdeel D
Met het hierbij
voorgestelde onderdeel wordt de redactie van artikel
25, eerste lid, onderdeel
a,
van de WAO gelijk aan die van de artikelen 45, eerste lid, onderdeel a,
van de WAZ en 37, eerste lid, onderdeel a, van de
Wajong.
Onderdelen G,
H en J,
onder 2
Per 1 januari 1998 is het
overheidspersoneel door middel van de OOW onder de werkingssfeer
van de WAO gebracht. Met artikel 50, onderdeel
B, van de OOW is beoogd
het huidige artikel 43c van de WAO
daaraan aan te passen. Omdat dat
artikel met artikel XXXIV, onderdeel H, van de Veegwet
SZW 1997 per 31 december
1997 werd vernummerd van artikel 43b
tot artikel 43c van de WAO
en
in genoemd artikel van de OOW wordt verwezen naar artikel 43b
van de WAO, is de beoogde aanpassing niet tot stand gekomen. Met het
hierbij voorgestelde artikel 28, onderdeel
J, onder 2, wordt die
aanpassing alsnog met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 1998
gerealiseerd. Voorts worden met de onderdelen G en
H de artikelen 40 en
41 van
de WAO met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 1998 aangepast
aan de inwerkingtreding van de OOW.
Onderdeel I, onder 1
In
artikel
43a, derde
lid, van de WAO wordt het dagloon van de WAO-uitkering in bepaalde
situaties niet lager gesteld dan de grondslag van de laatstelijk
ontvangen WAZ- of Wajong-uitkering respectievelijk de grondslag die in
aanmerking genomen zou zijn indien na het einde van de wachttijd recht op een
WAZ-of Wajong-uitkering zou hebben bestaan. Het dagloon is evenwel
inclusief de vakantietoeslag, terwijl de grondslag exclusief de
vakantietoeslag is. Om deze reden wordt in het hier voorgesteld onderdeel
artikel
43a,
derde lid, zodanig aangepast dat het dagloon niet lager wordt gesteld
dan 108/100-maal de bedoelde grondslag.
Onderdeel I, onder 2
Met
artikel XLV, vierde lid, onderdeel A, van de
Wet van 21 december 1995 tot nadere wijziging van
een aantal socialezekerheidswetten (technische
verbeteringen in verband met de wetten TAV, TBA en TZ, alsmede enige
andere wijzigingen) (Stb. 1995, 691) is in artikel 43a, vierde lid, onderdeel b, van de
WAO opgenomen dat dat
artikel geen toepassing vindt indien artikel 29b
van de ZW toepassing
kan vinden. De achterliggende gedachte van dit artikel is dat het
reeds toekennen van een WAO-uitkering na een wachttijd van
vier weken betrokkene benadeelt indien hij tevens 52 weken
lang recht heeft op
ziekengeld. De eerste 48 weken van de loondervingsuitkering op grond van de WAO loopt
alsdan samen met het ziekengeld, waarbij de WAO-uitkering
in mindering wordt gebracht op het ziekengeld. Voorts kan de hoogte van
de vervolguitkering lager zijn indien de wachttijd vier weken
bedraagt in plaats van 52 weken.
Het buiten toepassing
laten van artikel 43a van de WAO
heeft evenwel tot gevolg dat een betrokkene, die tegen een laag loon is gaan werken (bijvoorbeeld voor een
gering aantal uren), bij uitval uit zijn werk wegens ziekte slechts een
- lage - ZW-uitkering ontvangt, terwijl de
- mogelijk veel hogere - WAO-uitkering pas na 52 weken kan worden toegekend. Met het hier voorgestelde
onderdeel wordt bereikt dat artikel 43a
van de WAO
wel van toepassing is en
dus al na vier weken een WAO-uitkering wordt toegekend als het ziekengeld op grond van
artikel 29b
van de ZW
lager is
dan die WAO-uitkering.
Onderdeel J, onder 1
In het hierbij
voorgestelde onderdeel wordt de werking van artikel 43c
van de WAO uitgebreid met de
situaties van herziening als bedoeld in de artikelen 37 en
39 van de WAO. Met
artikel 43c is beoogd dat de verhoging van de
WAO-uitkering - bij te late ziekmelding door de
rblz.|31|
werkgever
- eerst wordt
uitbetaald na het verstrijken van het tijdvak dat gelijk is aan het tijdvak
dat de werkgever te laat was met de ziekmelding. Situaties van herziening
van de WAO-uitkering op grond van de artikelen 37 en
39 van de WAO
dienen hier onder te vallen.
Onderdelen N,
onder
1 tot en met 3, en P
In
artikel
71a, eerste
lid, van de WAO is aan de werkgever de verplichting opgelegd om, tegelijk met
de aangifte van arbeidsongeschiktheid, bedoeld in artikel
38,
eerste lid, van de ZW, aan het Lisv
een reïntegratieplan over te
leggen ten behoeve van de herintreding van de werknemer in het
arbeidsproces. Hiermee is beoogd om het overleggen van een reïntegratieplan
in die situatie, evenals de aangifte van arbeidsongeschiktheid, te binden aan een
maximumtermijn van dertien weken en aan de overschrijding van die termijn een boete te verbinden
(artikel
71a,
vierde lid, van de WAO).
Die bedoeling volgt evenwel niet zonneklaar uit de tekst van artikel 71a,
eerste lid, van de WAO. De tekst van artikel 71a, tweede lid, die ziet op
de situatie van artikel 38a, derde lid, van de
ZW, is in dat opzicht
duidelijker. Om deze reden worden het eerste en tweede lid samengevoegd op de wijze
als voorgesteld in onderdeel N, onder 1, onder vernummering van de
overige leden. Voorts worden het nieuwe tweede lid en artikel 75e,
eerste lid, van de WAO aangepast aan die wijzigingen.
Onderdeel N, onder 4
Op
grond van het eerste
lid van artikel 71a van de WAO
stelt het Lisv regels inzake
reïntegratieplannen en stelt het minimumeisen waaraan deze reïntegratieplannen
moeten voldoen.
In het op grond van
onderdeel N, onder 2, tot derde lid vernummerde vierde lid van artikel
71a van de WAO is neergelegd dat, indien de werkgever de
verplichting, bedoeld in het eerste lid, zonder deugdelijke grond niet of niet
behoorlijk is nagekomen, het Lisv hem een boete oplegt van ten hoogste ƒ1000,-.
Uit deze tekst volgt niet in alle duidelijkheid dat ook het zonder
deugdelijke grond overtreden van de door het Lisv gestelde regels en
minimumeisen dient te leiden tot een boete op grond van dit vierde lid. Met
de voorgestelde wijziging wordt die duidelijkheid wel bereikt.
Onderdelen O en
S
Indien een
werknemer
waarvan de arbeidsongeschiktheidsuitkering is ingetrokken wegens
afneming van de arbeidsongeschiktheidsuitkering tot minder dan 15% of die na
ommekomst van de wachttijd van 52 weken geen WAO-uitkering is
toegekend terwijl hij wegens ziekte of gebrek wel ongeschikt is voor de
eigen functie, van werkgever verandert en hem daarna een WAO-uitkering
wordt toegekend met toepassing van artikel 43a
van die wet, komt die
WAO-uitkering op grond van artikel 75a
van de WAO gedurende een
bepaalde periode voor risico van de eerste werkgever (indien die
eigenrisicodrager is). Indien de eerste werkgever geen eigenrisicodrager is,
zou die WAO-uitkering, gedurende die periode, op grond van artikel 76f,
eerste juncto tweede of derde lid, van de WAO ten laste van de
Arbeidsongeschiktheidskas dienen te komen en in aanmerking te worden
genomen bij de bepaling van de gedifferentieerde WAO-premie van die eerste
werkgever. Artikel 76f, vierde lid, onderdeel c, van de
WAO, zoals dat
luidt sinds de inwerkingtreding van de Wet Rea, staat in veel gevallen
aan de toepassing van het eerste lid in de weg als de WAO-uitkering is toegekend met toepassing van
artikel
43a van die wet.
Dit onbedoelde gevolg van
de Wet Rea wordt weggenomen door de invoeging van de zinsnede "anders dan bedoeld in het tweede of derde
lid" in artikel 76f,
vierde lid, onderdeel c, van de WAO.
Voorts is het volgende
van belang. Artikel 43a van de WAO
kan geen toepassing vinden indien artikel 29b
van de ZW toepassing kan vinden (zie
onderdeel
I, waarbij een
wijziging daarop wordt voorgesteld die overigens rblz.|32|
geen belang heeft voor
het navolgende). Dit betekent dat niet na vier weken, maar na 52 weken van arbeidsongeschiktheid een WAO-uitkering wordt
toegekend. Het ligt in de
rede dat in de situatie van werkgeverswisseling als hiervoor bedoeld,
waarbij een WAO-uitkering toegekend zou worden met toepassing van
artikel 43a van de WAO, maar dat enkel niet het geval is omdat
artikel 29b
van
de ZW toepassing kan vinden, de alsnog na 52 weken toegekende
WAO-uitkering - gedurende dezelfde periode als waarbij dat het geval zou
zijn bij de WAO-uitkering toegekend met toepassing van artikel 43a
van die wet - voor rekening komt van de eerste werkgever (indien
eigenrisicodrager) dan wel de Arbeidsongeschiktheidskas. De onderdelen
O, onder 1
en 2, en S voorzien daarin met terugwerkende kracht tot en met 1
januari 1998.
Ten slotte worden in de
onderdelen O, onder 3, en S, onder 3, de artikelen 75a, derde lid, en
76f,
vierde lid, geherformuleerd. Bij de formulering van de wijziging van deze leden
bij de Wet onbetaald verlof was een eerdere wijziging van die leden
door de Wet Rea buiten beschouwing gebleven.
Onderdelen Q en R
Van oudsher komen van de
werkgever gevorderde bedragen op grond van artikel 46 van de
WAO en 52j van de
WW ten gunste van de wachtgeldfondsen. Per 1
januari 1998 is in de artikelen 76c, onderdeel e, en
76e, onderdeel
b, van
de WAO
neergelegd dat de gelden die het Lisv ontvangt met toepassing
van artikel 46 van de WAO
ten gunste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof) respectievelijk de Arbeidsongeschiktheidskas komen. Artikel
89,
onderdeel d, van de WW is daar evenwel niet aan aangepast, zodat
genoemde gelden zowel aan de wachtgeldfondsen als aan het Aof of de
Arbeidsongeschiktheidskas ten gunste dienen te komen. Gelet op het feit
dat de vordering van het Lisv op grond van artikel 46 van de
WAO
tot op
zekere hoogte gezien kan worden als een compensatie voor betaling van de
uitkering, die niet of tot een lager bedrag zou zijn uitbetaald als de
betrokken werknemer wel aan het werk had kunnen gaan, en het bij gedeeltelijk arbeidsongeschikten daarbij in veel gevallen
zal gaan om een
gedeeltelijke WW-uitkering, ligt het meer voor de hand de met toepassing van
artikel 46 van de WAO
ontvangen gelden ten gunste van de wachtgeldfondsen te laten komen. Om deze reden wordt
voorgesteld artikel 76c,
onderdeel e, en 76e, onderdeel b, van de
WAO
met terugwerkende kracht
tot en met 1 januari 1998 te laten vervallen.
Onderdeel T
Met dit onderdeel wordt
het begrip arbeidsongeschiktheidsuitkering nader gedefinieerd zodat, voor
de toepassing van artikel 77b van de
WAO, daaronder eveneens wordt
begrepen een uitkering op grond van de WAZ en de
Wajong.
Onderdeel U
Met betrekking tot
artikel 77d van de WAO is in de memorie van antwoord bij het wetsvoorstel
Wet
op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Kamerstukken I 1997-1998,
25 478, nr. 141c, blz. 45) geconstateerd dat het taalkundig ontspoort.
Daarbij is toegezegd dat in de redactie van het artikel verbetering zal
worden aangebracht. Die toezegging wordt hierbij nagekomen.
Onderdelen W en
X, onder
2 en 3
Op grond van de
OOW is
per 1 januari 1998 de WAO van toepassing geworden op het
overheidspersoneel. Door middel van het Besluit van 22 januari 1998, houdende
wijziging van het Besluit uitbreiding en
beperking kring verzekerden werknemersverzekeringen 1990 (Stb.
1998, 47), zijn bepaalde groepen
overheidswerknemers die in het buitenland werken per die datum onder de verplichte
verzekering op grond van de WAO gebracht. Na inwerkingtreding van
dat besluit zijn een aantal groepen buiten rblz.|33|
Nederland werkzame
overheidswerknemers buiten de verplichte verzekering voor de WAO
gebleven. In de nota van toelichting bij het Besluit van 22 januari
1998 wordt daarbij aangegeven dat voor één van die groepen de
mogelijkheid van het afsluiten van een vrijwillige verzekering - met
terugwerkende kracht tot en met 1 januari 1998 - met een wijziging van
artikel
81 van de WAO
zal worden geopend. Het betreft de Nederlandse
overheidswerknemers die werkzaam zijn op Aruba of de Nederlandse Antillen,
daartoe uitgezonden door de Nederlandse overheid, waaronder begrepen
onderwijspersoneel dat wordt uitgezonden door een privaatrechtelijke
rechtspersoon, tenzij op een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon de
verplichting rust het loon te betalen. De achterliggende gedachte is dat deze
overheidswerknemers die werkzaamheden verrichten in het
algemeen belang. Bij nader inzien is er daarom voor gekozen om, in het
voorgestelde onderdeel W, onder
2, de mogelijkheid niet te beperken tot
degenen die zijn uitgezonden om op Aruba of de Nederlandse Antillen
werkzaam te zijn, maar de mogelijkheid te openen voor de Nederlander die,
waar dan ook in het buitenland, werkzaamheden verricht die worden
bekostigd door het Rijk en die tevens in opdracht van het Rijk worden verricht
in het kader van een wettelijke taakomschrijving of ter uitvoering van een
internationaal verdrag dan wel een daarmee gelijk te stellen
overeenkomst tussen bewindspersonen of een besluit van een volkenrechtelijke
organisatie. Met de term "in opdracht van het Rijk" wordt overigens niet
louter beoogd dat het Rijk de opdracht rechtstreeks geeft aan de betrokken
werknemer.
Voorts wordt, door middel
van het voorgestelde in onderdeel W, onder
1, met terugwerkende kracht
tot en met 1 januari 1998 de mogelijkheid geopend tot het afsluiten
van een vrijwillige WAO-verzekering voor de Nederlander die is
uitgezonden om in Nederland werkzaamheden te verrichten voor een
volkenrechtelijke organisatie waarvan Nederland lid is dan wel waarvan de
werkzaamheden door Nederland worden ondersteund. Het ontbreken van die
mogelijkheid wordt in de praktijk als een gemis ervaren, waardoor
het gaan verrichten van dergelijke werkzaamheden, met name waar het
overheidswerknemers betreft, minder aantrekkelijk wordt
gemaakt. Voor overheidswerknemers is het recht op bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering verbonden aan het recht
op WAO-uitkering.
Onderdeel X bevat de
aanpassing van artikel 83 van de WAO
aan de wijzigingen in artikel 81
van die wet voorgesteld in onderdeel
W. Daarbij zij opgemerkt dat indien
een betrokkene eerst na de inwerkingtreding van deze wet een verzoek om
toelating tot de vrijwillige verzekering doet op grond van de aanpassing
van artikel 81, tweede lid, van de WAO
en daardoor niet voldoet aan
de termijn van vier weken, bedoeld in artikel
83, eerste lid, onderdeel e,
van die wet, het Lisv
op grond van artikel
83, derde lid, bevoegd is te verklaren dat dat verzoek geacht wordt tijdig te zijn
ingekomen, omdat
betrokkene redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest.
Artikel
29.
Wet op de
bedrijfsorganisatie
Tengevolge van een
schrijffout in artikel 2, onderdeel R, van hoofdstuk 6 van de
Aanpassingswet derde tranche Awb II wordt in artikel 136 van de
Wet op de
bedrijfsorganisatie abusievelijk verwezen naar artikel 11 in plaats van 110. Deze
schrijffout wordt thans hersteld.
Artikel
30.
Wet op de
economische delicten
Met de inwerkingtreding
van hoofdstuk 2 van het op de Arbeidstijdenwet
gebaseerde Arbeidstijdenbesluit
vervoer zal het in artikel 12:14 geregelde overgangsrecht voor het
wegvervoer zijn uitgewerkt en zal de Rijtijdenwet 1936 zijn ingetrokken. De
daarmee samenhangende strafbaarstelling in rblz.|34|
artikel 1 van de Wet
op de economische delicten kan daarmee komen te
vervallen. Het
voorgestelde artikel voorziet hierin. Dit artikel kan eerst in werking treden als de
regeling van de arbeids- en rusttijden van de sector wegvervoer in het Arbeidstijdenbesluit vervoer is opgenomen en in
werking is getreden.
Artikel
32.
Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten
Onderdeel A, onder 1
Op grond van artikel
31a
van de Arbeidsomstandighedenwet kan een certificaat als bedoeld
in artikel 18, tweede lid, van die wet worden verstrekt aan
natuurlijke- of rechtspersonen of instellingen. Met dit onderdeel wordt de tekst
van artikel 1, onderdeel f, van de Wet
Rea hieraan, met
terugwerkende kracht tot en met het tijdstip van inwerkingtreding van de
Wet Rea,
aangepast.
Onderdelen A, onder 2 en
B
Met de definitie van
artikel 1, onderdeel q, van de Wet Rea
is, in samenhang met artikel 1,
onderdeel p, onder meer beoogd het begrip werknemer in de zin van
die wet te beperken tot werknemers jonger dan 65 jaar. Teneinde de
bedoeling duidelijker tot uitdrukking te laten komen in de tekst van de wet
worden thans onderdeel A, onder 2, en onderdeel B voorgesteld.
Onderdeel D
Hoewel, mede gelet op het
derde lid, uitdrukkelijk niet zo bedoeld, lijkt de huidige tekst van artikel
16, eerste lid, van de Wet Rea als voorwaarde voor het verstrekken van
een herplaatsingsbudget te stellen dat de werknemer gedurende ten minste
één jaar na de subsidievaststelling arbeid in een andere
functie verricht. De voorgestelde tekst laat de bedoeling van dit
artikellid beter tot uitdrukking komen.
Onderdeel G
De wijziging van
artikel 20, tweede en derde lid, van de Wet
Rea is van redactionele aard en
wordt als volgt toegelicht. In het nieuwe tweede lid wordt geregeld dat het
besluit tot vaststelling van een subsidie als bedoeld in artikel 16 of
17 van die wet ook wordt ingetrokken of gewijzigd als de dienstbetrekking
eindigt, of de arbeid in de dienstbetrekking geheel of ten dele niet langer
wordt verricht, binnen de periode waarvoor de subsidie is verstrekt.
In het nieuwe derde lid
wordt geregeld dat als de dienstbetrekking eindigt, of de arbeid in de dienstbetrekking geheel of ten dele niet langer wordt
verricht, binnen de
periode waarvoor de subsidie is verstrekt, de subsidie wordt verminderd met een
bedrag dat gelijk is aan het bedrag van de verstrekte subsidie
vermenigvuldigt met een breuk waarvan de teller gelijk is aan het aantal
zo nodig herleide werkdagen dat de arbeidsgehandicapte in de periode waarvoor
subsidie is verstrekt de arbeid in dienstbetrekking niet
heeft verricht en de noemer gelijk is aan het totaal aantal werkdagen in die
periode.
In het vierde lid wordt geregeld dat het besluit tot vaststelling niet wordt ingetrokken of gewijzigd
als de werkgever aannemelijk maakt dat de kosten die hij heeft
gemaakt ten behoeve van het verrichten van arbeid door de
arbeidsgehandicapte werknemer ten minste gelijk zijn aan het op grond van het derde lid
op de subsidie in mindering te brengen bedrag. Verder is geregeld dat
als de kosten van de werkgever lager zijn dan laatstgenoemd bedrag bij
de wijziging, bedoeld in het tweede lid, de subsidie wordt verminderd
met een bedrag dat gelijk is aan het verschil tussen dat bedrag en de
kosten van de werkgever.
rblz.|35|
Het
voorgaande wordt aan
de hand van het volgende voorbeeld verder toegelicht. Er is een
plaatsingsbudget toegekend voor het aangaan van een dienstbetrekking voor
een periode van één jaar (ƒ12 000,-). De dienstbetrekking eindigt
echter na een halfjaar. In dat geval wordt op grond van het tweede en
derde lid van artikel 20 het eerder vastgestelde subsidiebedrag (in
beginsel) verminderd met ƒ6000,-. Of dit laatste ook daadwerkelijk het geval
zal zijn, is afhankelijk van de vraag of de werkgever kosten heeft
gemaakt voor het kunnen verrichten van arbeid door de
arbeidsgehandicapte werknemer, en zo ja, hoeveel. Zijn de kosten gelijk aan het bedrag
waarmee de subsidie zou moeten worden verminderd, dan wordt het
besluit tot vaststelling van de subsidie niet ingetrokken of gewijzigd
(vierde lid, eerste zin) en wordt er ook niets teruggevorderd. Zijn de
kosten lager dan het bedrag waarmee de subsidie zou moeten worden
verminderd (bijvoorbeeld ƒ4000,-), dan wordt bij de wijziging van het
subsidiebedrag het subsidiebedrag verlaagd met een bedrag gelijk aan het
verschil tussen het bedrag waarmee de subsidie zou moeten worden verminderd
(ƒ6000,-) en het bedrag van de kosten (ƒ4000,-) (vierde lid,
tweede zin). Met andere woorden, het subsidiebedrag wordt gewijzigd en
vastgesteld op ƒ10 000,-. Van de werkgever wordt op grond van
artikel 21, eerste lid, van de Wet
Rea ƒ2000,- teruggevorderd.
Onderdeel H, onder 1
Indien aan een
WW-uitkeringsgerechtigde op grond van artikel
23, eerste lid, onderdeel a, van de Wet
Rea een reïntegratie-uitkering wordt toegekend ter zake van het
verrichten van onbeloonde werkzaamheden op een proefplaats bij een
werkgever, dan eindigt zijn recht op WW-uitkering op grond van artikel
20,
eerste lid, onderdeel a, van de WW geheel of gedeeltelijk wegens het
verliezen door de uitkeringsgerechtigde van zijn hoedanigheid van
werknemer. De tekst van artikel 27, eerste lid, van de
Wet Rea wordt hieraan,
met terugwerkende kracht tot en met het tijdstip van inwerkingtreding van
die wet, aangepast.
Onderdeel
H, onder 2
Met betrekking tot
artikel 27, tweede lid, van de Wet Rea is in de memorie van antwoord bij het
wetsvoorstel Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Kamerstukken I
1997-1998,
25 478, nr. 141c, blz. 41) geconstateerd dat de
verwijzing naar de uitkering op grond van de Tijdelijke
wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria overbodig is. Toegezegd
is dat die verwijzing zal worden geschrapt. Die toezegging wordt hierbij
nagekomen.
Artikel 27, tweede lid,
van de Wet Rea houdt aldus in dat bij de bepaling van de hoogte van de reïntegratie-uitkering geen rekening wordt
gehouden een eventuele
verlaging van de WW-uitkering die zou zijn opgetreden indien die
uitkering zou zijn doorbetaald. Dit artikellid ziet wel op de
reïntegratie-uitkering die is toegekend wegens een proefplaatsing, maar niet op de
reïntegratie-uitkering die is toegekend wegens het volgen van een noodzakelijke
scholing of opleiding. Een dergelijk onderscheid is ongewenst en wordt met
het hierbij voorgestelde onderdeel, met terugwerkende kracht tot
en met het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet Rea, ongedaan
gemaakt.
Onderdeel I
De regeling in
artikel 28
van de Wet Rea is gericht op anderen dan
werknemers voor wie
behoefte bestaat aan tegemoetkoming in inkomstenderving wegens
het treffen van een voorziening. De doelgroep van de regeling is
daarmee in feite de kring van verzekerden op grond van de WAZ. Deze kring omvat
naast de zelfstandigen ook de beroepsbeoefenaren en meewerkende
echtgenoten. Gelet hierop wordt de doelgroepomschrijving in
artikel 28 van de Wet Rea aangepast.
rblz.|36|
Onderdeel L, onder 2
Artikel
39, vijfde lid,
biedt het Lisv de mogelijkheid voor bijzondere groepen nadere, en zo
nodig, afwijkende regels te stellen omtrent de uitvoeringsinstelling die
de werkzaamheden verricht met betrekking tot de reïntegratie-instrumenten
van de hoofdstukken 3 en 4 van de
Wet Rea. Een dergelijke
mogelijkheid ontbreekt met betrekking tot de loondispensatie, bedoeld in artikel 7 van
die wet. Met het hierbij voorgestelde onderdeel wordt het Lisv
alsnog de bevoegdheid gegeven om voor bijzondere groepen
nadere, en zo nodig, afwijkende regels te stellen omtrent de
uitvoeringsinstelling die de werkzaamheden verricht met betrekking tot die
loondispensatie.
Onderdeel P
Artikel 57 van de
Wet Rea ontbeert thans een opschrift. Met het hierbij voorgestelde onderdeel
wordt dat hersteld.
Onderdeel Q
Blindengeleidehonden en
doventolken ten behoeve van de leefsfeer die vóór 1 juli 1998 zijn
aangevraagd of toegekend, worden nog op grond van de AAW
verstrekt. Dit is
bepaald in artikel 75, eerste lid, van de Wet
Rea. Op grond van artikel 75,
vijfde lid, onderdeel a, van die wet zal een ministeriële regeling
worden getroffen waarmee de verstrekking van genoemde voorzieningen op
grond van de AAW zal worden beëindigd. Naar huidige verwachting
zal de beëindiging met ingang van 1 januari 1999 plaatsvinden.
In het kader van de AAW
bestaan er met betrekking tot de verstrekking van geleidehonden
overeenkomsten van verschillende aard.
Tot medio 1996 werd er
ten aanzien van de honden van het Koninklijk Nederlands
Geleidehondenfonds (KNGF) tussen het KNGF, de cliënt en het Lisv
een overeenkomst
met betrekking tot het in gebruik geven van een geleidehond gesloten.
Bij deze overeenkomst bleef het KNGF eigenaar van de hond. Op
grond van het hierbij voorgestelde zesde en zevende lid van artikel 75 van
de Wet Rea zullen dergelijke overeenkomsten, met ingang van de datum
die is bepaald op grond van artikel 75, vijfde lid, onderdeel a, van
die wet,
worden omgezet in overeenkomsten met betrekking tot het in
gebruik geven van een blindengeleidehond tussen het KNGF, de cliënt en
de Ziekenfondsraad. Het KNGF blijft dus eigenaar van de hond.
Daarnaast kent de AAW-uitvoeringspraktijk de gangbare figuur van de bruikleenovereenkomst,
waarbij het Lisv als eigenaar van de geleidehond de hond in bruikleen
geeft aan de cliënt. Op grond van artikel 75, zesde lid, zal de
bruikleenovereenkomst tussen het Lisv en de persoon aan wie een voorziening is
toegekend op grond van artikel 57 van de AAW
betreffende de
verstrekking van een blindengeleidehond, met ingang van laatstbedoelde datum,
worden aangemerkt als een overeenkomst tussen de Ziekenfondsraad en die persoon.
Op grond van artikel
75,
zevende lid, zullen de overeenkomsten, tussen de leveranciers van honden
die door het Lisv in bruikleen zijn verstrekt en het Lisv, worden omgezet in
overeenkomsten tussen de leveranciers en de Ziekenfondsraad. In deze
overeenkomsten zijn voor de leverancier van de honden geldende garantiebepalingen
opgenomen, die gecontinueerd
dienen te worden.
Bijvoorbeeld de plicht van de leverancier om de hond terug te nemen indien
deze in een bepaalde situatie niet voldoet.
Op grond van het
voorgestelde artikel 75, achtste lid, van de
Wet Rea zal de eigendom van de
blindengeleidehond, die het Lisv als eigenaar in bruikleen heeft gegeven
aan de cliënt, overgaan op de Ziekenfondsraad. Gelet op de verwachte
beëindiging van de verstrekking van blindengeleidehonden als AAW-voorziening per 1
januari 1999 krijgt het onderhavige rblz.|37|
onderdeel - bij een
latere inwerkingtreding van de hierbij voorgestelde wet - terugwerkende
kracht tot en met die datum.
Onderdeel R
Op grond van
artikel 2,
tweede lid, van de Wet Rea blijft de persoon die recht heeft op een
WAO-, WAZ- of Wajong-uitkering arbeidsgehandicapte in de zin van de Wet
Rea voor de periode van vijf jaar na de datum waarop die
arbeidsongeschiktheidsuitkering is geëindigd. Dit geldt ook in de situatie dat de
arbeidsongeschiktheidsuitkering is geëindigd véér de inwerkingtreding van de
Wet Rea (1 juli 1998). In de periode vóór 1 januari 1998 zijn er
evenwel ook andere arbeidsongeschiktheidsuitkeringen geëindigd dan voornoemde
uitkeringen, zoals AAW-uitkeringen, WAO-conforme uitkeringen
en militaire arbeidsongeschiktheidspensioenen. Het ligt in de rede dat
de personen die recht hadden op een dergelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering eveneens voor de periode van
vijf jaar na de eindiging
van het recht op die uitkering als arbeidsgehandicapte in de zin van de Wet
Rea worden beschouwd. Het hierbij voorgestelde onderdeel
voorziet hierin met terugwerkende kracht tot en met 1 juli 1998.
Onderdeel T
Vanaf 1 januari 1998 is
met de inwerkingtreding van de Wet sociale werkvoorziening
(Wsw) artikel 29b
van de ZW onbedoeld van toepassing geworden op de
werknemer
die werkzaam is op een dienstbetrekking in de zin van de Wsw. Om die
reden is vervolgens met ingang van 1 juli 1998 (de datum van
inwerkingtreding van de Wet Rea) in artikel 29b
van de ZW bepaald dat dit
artikel niet van toepassing is voor de werknemer in een
Wsw-dienstbetrekking.
Als gevolg van het feit dat artikel 29b
ZW aldus vanaf 1 januari tot
1 juli 1998 van toepassing was voor werknemers werkzaam in een Wsw-dienstbetrekking krijgt
artikel 81 van de Wet
Rea, waarin het overgangsrecht
voor artikel 29b van de ZW
is geregeld, een onbedoelde strekking:
zonder nadere bepaling zou artikel 29b
van de ZW, zoals het artikel luidde
voorafgaand aan de datum van 1 juli 1998, op grond van artikel 81 van
de Wet Rea van toepassing blijven op alle werknemers die
vóór 1
juli 1998 werkzaam waren in een Wsw-dienstbetrekking. Dit zou
inhouden dat in
geval van ziekte van de hier bedoelde werknemers een beroep zou
kunnen worden gedaan op het oude artikel 29b
van de ZW en daarmee
dat nog gedurende maximaal drie jaar ziekengeld zou moeten
worden uitbetaald. Het nieuwe tweede lid van artikel 81 van de
Wet Rea regelt, met terugwerkende kracht tot en met 1 juli 1998, dat het oude
artikel 29b
ZW in deze gevallen ook niet van toepassing is. Deze
wijziging houdt dus in dat het ziekengeld dat betaald wordt voor een Wsw-werknemer
- onafhankelijk van het tijdstip waarop hij in het kader van de Wsw is gaan werken - vanaf 1 juli 1998 weer voor rekening komt van de
werkgever (de gemeente) op wie dan bij ziekte de loondoorbetalingsplicht
rust.
Het nieuwe derde lid van
artikel 81 van de Wet
Rea beoogt te regelen dat
artikel 29b van de ZW,
zoals dat luidt sinds 1 juli 1998, niet van toepassing wordt op de
persoon die
als arbeidsgehandicapte in de zin van de Wet Rea kan worden aangemerkt en onder de criteria van dat artikel 29b
van de ZW valt, maar die niet
onder de criteria van artikel 29b
van de ZW, zoals dat luidde tot 1
juli 1998, viel. Vóór de datum van inwerkingtreding van de Wet Rea kon die
werknemer niet in aanmerking komen voor ziekengeld en rustte op zijn werkgever bij ziekte de
loondoorbetalingsplicht. Werkgevers kunnen pas in
aanmerking komen voor subsidies op grond van de Wet Rea voor
arbeidsgehandicapte werknemers die werkzaam zijn op dienstbetrekkingen die na 1 juli 1998 zijn aangevangen.
Er is geen reden voor de
betaling van ziekengeld een uitzondering te maken. Vandaar dat in het
hier voorgestelde derde lid van artikel 81 van de
Wet Rea is bepaald
dat artikel 29b van de ZW, zoals dat luidt sinds 1
rblz.|38|
juli 1998, niet van
toepassing is op de werknemer die wel arbeidsgehandicapte is als bedoeld in
artikel
2 van de Wet Rea, maar werkzaam is in een dienstbetrekking die is aangevangen
vóór 1 juli 1998 en die niet
viel onder het bereik van artikel 29b
van de ZW, zoals dat luidde tot die datum.
Artikel
33.
Wet
overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen
Onderdeel A
Artikel 46 van de
OOW
biedt de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur, zo nodig,
tijdelijk van (hoofdstuk 1) van die wet afwijkende regels te stellen. Van
deze mogelijkheid is gebruik gemaakt in het kader van het Besluit
liquidatie FAOP. In artikel 3, derde lid, van
dat besluit is namelijk een van
artikel 44, eerste lid, van de OOW afwijkend tijdstip bepaald waarop het
Lisv het vermogen van het Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel
(FAOP)
overdraagt aan het Aof in verband met de uitbreiding van het normvermogen van het Aof als gevolg
van de toetreding van het
overheidspersoneel tot de WAO-verzekering. In artikel
44, eerste lid,
van de OOW is opgenomen dat deze overdracht plaatsvindt op 1 januari
1998. Op die datum was het evenwel niet mogelijk de omvang van het over te
dragen bedrag vast te stellen. Dat kan pas wanneer de lasten van het
FAOP en van het Aof over het kalenderjaar voorafgaand aan dat
tijdstip (1997), alsmede het vermogen van het FAOP op de dag vóór dat
tijdstip (31 december 1997), definitief zijn vastgesteld. Dat zal niet eerder het
geval zijn dan bij de vaststelling van de jaarrekening 1997 van het Aof en van
het FAOP, hetgeen in de loop van 1998 zal plaatsvinden. De
onderhavige wijziging van artikel 44 van de
OOW strekt ertoe de wettekst aan te
passen aan de artikelen 2, eerste tot en met derde lid, en
3, derde lid, van
het Besluit liquidatie FAOP.
Onderdeel C
Met
artikel III,
onderdeel D, van de Wet onbetaald verlof wordt per 1 oktober 1998 het zesde
lid van artikel 17b van de WW
vernummerd tot het zevende lid. Met het
hierbij voorgestelde onderdeel wordt artikel 54, onderdeel
B, van de OOW
hieraan aangepast.
Artikel
34.
Wet
privatisering FVP
In dit artikel wordt de
Wet privatisering FVP
gewijzigd. Die wet zal op een bij koninklijk besluit te
noemen datum in werking treden. In de Wet privatisering FVP wordt
de Wet van 13 december 1972 tot bevriezing van het kinderbijslagbedrag
voor het eerste kind, almede oprichting van het Fonds Voorheffing Pensioenverzekering (hierna te noemen: de
FVP-wet) ingetrokken. De in het
Fonds Voorheffing Pensioenverzekering (hierna te noemen: FVP-fonds)
aanwezige gelden zullen worden overgedragen aan een door de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan te wijzen stichting (hierna te
noemen: de aangewezen stichting).
In de Wet privatisering
FVP was geen voorziening getroffen in verband met het opstellen van een jaarrekening en een jaarverslag over het jaar
voorafgaande aan de
aanwijzing van de stichting. Deze worden immers eerst na ommekomst van
een boekjaar opgesteld en op dat moment zou, als gevolg van het intrekken van de
FVP-wet, er geen verantwoordelijk bestuur meer zijn.
Wijziging van het tweede lid van artikel 15 van de Wet
privatisering FVP voorziet in het aanwijzen van het oude bestuur als verantwoordelijk voor het
opstellen van een jaarrekening en jaarverslag. In de Wet privatisering
FVP is ten onrechte ook geen voorziening getroffen ten behoeve van bezwaar
en beroep met betrekking tot beslissingen die vóór inwerkingtreding van
die wet zijn genomen en waarvan bezwaar- of beroepstermijnen nog niet
zijn verstreken.
rblz.|39|
Een dergelijke
voorziening is noodzakelijk omdat op grond van recente jurisprudentie (zie
bijvoorbeeld de uitspraak van de Rechtbank ’s-Gravenhage 6
november 1997, PJ 1998, 21, waartegen door het Fonds Voorheffing
Pensioenverzekering geen hoger beroep is ingesteld) niet de kantonrechter op grond
van artikel 4e van de FVP-wet
bevoegd is kennis te nemen van burgerlijke
rechtsvorderingen inzake geschillen over een bijdrage uit het FVP-fonds, doch de bestuursrechter op grond van de
Algemene wet bestuursrecht. Op dit moment zijn er diverse gedingen bij de bestuursrechter
aanhangig. Artikel 12, eerste lid, van de Wet
privatisering FVP stelt daarentegen
expliciet dat (na de privatisering) van burgerlijke
rechtsvorderingen ter zake van geschillen inzake het voorzien in aanvullende
pensioenvoorzieningen door de aangewezen stichting de kantonrechter kennis
neemt.
Om de privatisering ook
op het punt van bezwaar en beroep zo snel mogelijk te effectueren,
wordt in het voorgestelde derde lid aan artikel 15 bepaald dat, voor
bepaalde besluiten zolang de bezwaar- en beroepstermijn nog niet is verlopen, het
systeem van bezwaar en beroep dat voortvloeit uit de FVP-wet
en de Algemene wet bestuursrecht te handhaven. Het betreft
alle besluiten die door het FVP-fonds zijn genomen en besluiten die door de
aangewezen stichting worden genomen in de situatie dat het recht op
een bijdrage is geëindigd voordat die stichting werd aangewezen. Dit kan
dus zowel een besluit zijn waarbij recht op een bijdrage wordt toegekend
als een besluit waarin de hoogte van de bijdrage wordt
vastgesteld.
In alle overige gevallen
geldt artikel 12 van de Wet
privatisering FVP.
Het
vierde lid ten slotte
regelt dat de aangewezen stichting bij eventuele (resterende)
civielrechtelijke procedures en voor de toepassing van dat derde lid in de plaats
treedt van het FVP-fonds.
Gelet op de thans
verwachte inwerkingtreding van de Wet privatisering FVP per 1 januari 1999
krijgt het hierbij voorgestelde artikel - bij een latere inwerkingtreding van
de
hierbij voorgestelde wet - terugwerkende kracht tot en met die datum.
Artikel
35.
Wet
vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart
Algemeen
In de Nederlandse havens
zijn havensleepboten werkzaam. Dit zijn zowel binnenschepen als
zeeschepen. De werkzaamheden die deze schepen uitvoeren, zijn
vergelijkbaar. De toepasselijke wetgeving verschilt echter. De binnenschepen die als
havensleepboot dienst doen, vallen onder de toepasselijkheid van de Wet
vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart (Wvbb). Zeeschepen die
als havensleepboot dienst doen, vallen daarentegen niet onder die
wet.
Op grond van artikel 2:9
is de Arbeidstijdenwet
(Atw) niet van toepassing op zeeschepen die niet op
grond van Nederlandse rechtsregels gerechtigd zijn om de Nederlandse
vlag te voeren. Deze uitzondering is in de Atw
opgenomen omdat het niet
wenselijk wordt geacht om de
wet van toepassing te laten zijn
op buitenlandse zeeschepen die varen op de Nederlandse territoriale
wateren en die de Nederlandse havens aandoen. Deze uitzondering
betekent echter dat zeeschepen die onder buitenlandse vlag varen en als havensleepboot dienst doen noch onder de normering
van de Wvbb, noch onder
normering van de Atw vallen. Deze situatie is ongewenst. Enerzijds
omdat hierdoor de veiligheid in de Nederlandse havens in het geding
komt, maar ook de gezondheid en de veiligheid van de werknemers aan boord
van deze schepen. Anderzijds ontstaat hierdoor een oneigenlijke
concurrentie met de havensleepboten die de Nederlandse vlag voeren. Zie voor de
wijziging van de Atw artikel 7, onderdeel C.
Het doel van de
wijzigingen in de Wvbb en in de Atw is ervoor te zorgen dat alle schepen die in
de Nederlandse havens als havensleepboot dienst rblz.|40|
doen onder eenzelfde
rusttijdenregime vallen en aan dezelfde bemanningseisen moeten
voldoen.
Onderdeel A
In de
Wvbb
wordt een
definitie van havensleepboot opgenomen. Het gaat om schepen die zijn
gebouwd of uitgerust om zeeschepen te slepen of te duwen. Ook wanneer deze
schepen andere werkzaamheden zouden verrichten dan het
assisteren van zeeschepen, vallen zij onder deze definitie en dus onder de
normering van de bemanningssterkte en vaar- en rusttijden die behoort
bij deze categorie schepen.
Onderdeel B
Door aan artikel 4, onderdeel
i, toe te voegen "niet zijnde havensleepboten" wordt bereikt dat
zeeschepen die als havensleepboot dienst doen onder de toepasselijkheid van
de Wvbb
worden gebracht.
Artikel
36.
Wet van 9
april 1998, Stb. 1998, 278
In
artikel I, onderdeel C, van de Wet van 9
april 1998, Stb. 1998, 278, houdende wijziging van de Algemene
bijstandswet, de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen, de Werkloosheidswet, de Ziektewet,
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, de Toeslagenwet,
de Algemene Ouderdomswet, de Algemene
Kinderbijslagwet, de Algemene nabestaandenwet,
de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen en de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten met betrekking
tot terugvordering en verhaal (terugvordering en
verhaal in verband met herziening van het debiteurenbeleid), is een onjuiste opdracht tot wijziging van artikel 95 van de
Abw gegeven. Deze wijzigingsopdracht - die per 1 januari 1999 in werking
treedt en van zuiver redactionele aard is - behelst het vervangen van
"artikel 93 en 94"
door "artikel 93 of 94". In artikel 95 van de
Abw
komt de
zinsnede "artikel 93 en 94" echter niet voor (maar wel de zinsnede
"de
artikelen 93 en 94"). De thans voorgestelde wijziging van artikel I, onderdeel
C, van de Wet van 9 april 1998, Stb.
1998, 278, voorziet erin dat de beoogde
wijziging op correcte wijze kan worden uitgevoerd.
Artikel
37.
Wet
vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de
volksverzekeringen
In artikel 35, eerste
lid, van de Wet
vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen
is geregeld voor welke werknemers de werkgever nog in
aanmerking blijft komen voor de vrijstelling van het betalen van
werkgeverspremies en dat deze vrijstelling beheerst wordt door de Wba naar de tekst
zoals die luidde op 31 december 1995. In artikel 1 van die Wba is
aangegeven wat onder werkgeverspremies wordt verstaan. De toevoeging
aan dit artikellid wijzigt het begrip werkgeverspremies met terugwerkende kracht
tot en met 1 januari 1998, zodat de sinds die datum door de
werkgever verschuldigde basispremie WAO onder dit begrip gebracht
wordt.
Artikel
38.
Wet
voorzieningen gehandicapten
De wijziging van
artikel
4 van de Wet voorzieningen gehandicapten houdt
- net als de hiervoor
besproken wijziging van artikel 5 van de Wik
- verband met de zogenaamde Koppelingswet op grond waarvan aan bepaalde categorieën
vreemdelingen het recht op een socialezekerheidsuitkering wordt ontzegd. Met de
wijziging wordt bereikt dat de formulering van de uitsluitingsgrond
overeenstemt met de terminologie die in de Vreemdelingenwet en in
de Abw, de Ioaw
en de Ioaz
wordt gehanteerd. Voorts is ook hier de mogelijkheid opgenomen om bij algemene
maatregel van bestuur af
te wijken van het eerste lid, net als dat het geval is bij de hiervoor
genoemde socialezekerheidsregelingen.
In verband met de
inwerkingtreding van de Koppelingswet per 1 juli 1998 krijgt het onderhavige
artikel terugwerkende kracht tot en met die datum.
rblz.|41|
Artikel
39.
Ziekenfondswet
Met
artikel 3, vierde
lid, onderdeel d, van de Ziekenfondswet
(Zfw) wordt beoogd te voorkomen dat
een particulier verzekerde werknemer, met een inkomen boven de
loongrens voor de Zfw, verplicht verzekerd raakt als het inkomen, uitsluitend
tengevolge van een periode van onbetaald verlof, beneden deze loongrens daalt. De huidige tekst van dat artikel ziet
echter, afgezien van de
situatie van ouderschapsverlof, alleen op de situatie van voltijds
verlof. Gelet hierop wordt in de tekst zoals deze thans wordt voorgesteld,
verwezen naar onbetaald verlof in de zin van artikel
1, onderdeel i, van de WW.
Daarin wordt onder onbetaald verlof verstaan een tussen werkgever en
werknemer voor een gedeelte of het geheel van de arbeidstijd
overeengekomen verlof, waarin de werknemer geen arbeid jegens de werkgever
verricht.
Deze wijziging werkt
terug tot en met de datum waarop de Wet onbetaald
verlof in werking is
getreden, zijnde 1 oktober 1998.
Artikel
40.
Ziektewet
Onderdeel B
Dit onderdeel bevat een
redactionele verbetering van artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van de
ZW.
Onderdeel C
In
artikel
11a van de ZW is geregeld dat het ziekengeld van de werknemer die op de eerste
ziektedag in dienstbetrekking staat tot een werkgever die eigenrisicodrager is voor
de WAO, wordt uitbetaald door tussenkomst van deze werkgever. Bij
overgang van onderneming van die eigenrisicodrager aan een andere werkgever
ligt het evenwel in de rede dat het ziekengeld niet meer via die eerste
werkgever wordt betaald. Indien de overnemende werkgever ook
eigenrisicodrager voor de WAO is, ligt het voor de hand dat het ziekengeld via
die werkgever wordt uitbetaald. Is de overnemende werkgever geen
eigenrisicodrager als hier bedoeld, dan dient het gewone betalingsregime van
toepassing te zijn, dat wil zeggen dat de ziekengelduitkering rechtstreeks aan de
werknemer wordt betaald dan wel, indien de werknemer daartoe volmacht verleend, aan een derde. Met het hier
voorgestelde onderdeel
wordt artikel 11a van de ZW
hieraan aangepast.
Onderdeel D
In
artikel 29, eerste
lid, van de ZW, zoals dit lid ingaande 1 maart 1996 bij de
Wet uitbreiding loondoorbetalingsplicht bij
ziekte (Wulbz) is komen te luiden, is bepaald dat
in beginsel geen recht op ziekengeld bestaat indien recht bestaat op loon als
bedoeld in artikel 1638c van Boek 7a (thans artikel 629 van Boek 7)
van het BW. Met artikel XXXIII, onderdeel A, onder 1, van de
Veegwet SZW 1997 is per 31 december 1997 - met terugwerkende kracht tot en met 1 maart
1996 - als uitzondering hierop genoemd artikel
29, tweede lid,
onderdeel e, van de ZW. Met de inwerkingtreding van de
OOW is, per 1
januari 1998, deze verwijzing in artikel 29, eerste lid, van de
ZW
naar het tweede
lid, onderdeel e, van dat artikel ten onrechte komen te vervallen. Deze
omissie wordt hierbij met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 1998
hersteld.
Onderdeel
E, onder 1
Sedert de
inwerkingtreding per 1 juli 1998 van de Wet Rea
strekt de werking van artikel 29b van de
ZW zich uit over perioden van ziekte die gelegen zijn in de vijf
jaren na aanvang van de dienstbetrekking. De loonbetalingsverplichting
van de werkgever die een arbeidsgehandicapte in dient neemt, wordt de
eerste vijf jaar na aanvang van de dienstbetrekking dan ook in feite
overgenomen door de ZW. Op grond van de - sinds hetzelfde moment
geldende - tekst van de artikelen 75a, derde lid, en
rblz.|42|
76f, vierde lid, van
de WAO
hoeft de werkgever met betrekking tot die arbeidsgehandicapte niet
de WAO-uitkering te betalen in de periode van zes jaar na aanvang van
de dienstbetrekking, respectievelijk leidt een door het Lisv
betaalde
WAO-uitkering over die periode niet tot een verhoging van de
gedifferentieerde WAO-premie.
Doordat de werking van artikel 29b
van de ZW
beperkt is tot de periode van vijf jaar na aanvang
van de dienstbetrekking kan zich evenwel - in de omstandigheid dat de
ziekte aanvangt in het vierde jaar na aanvang van de dienstbetrekking - de situatie voordoen dat de werkgever tot het moment dat de vijfjaarsperiode is verstreken feitelijk geen loon hoeft te
betalen, vervolgens - tot de termijn van 52 weken is verstreken - het loon voor zijn rekening dient
te nemen, waarna, tot voornoemde zesjaarsperiode is verstreken, het Lisv
de WAO-uitkering betaalt zonder die te verhalen op de
werkgever-eigenrisicodrager en zonder dat dit leidt tot verhoging van de
gedifferentieerde WAO-premie voor de werkgever-niet-eigenrisicodrager.
Het is gewenst dat in de
hiervoor geschetste situatie de werking van artikel 29b
van de ZW
zich ook uitstrekt over de periode van ziekte gelegen na de
vijfjaarsperiode.
Dat wordt met terugwerkende kracht tot en met 1 juli 1998 bereikt met de
hierbij voorgestelde aanpassing van het eerste lid van artikel 29b
van de ZW.
Onderdeel
E, onder 2
Met de
Wet Rea is aan artikel 29b
van de ZW een vijfde lid toegevoegd. Daarin wordt een tweetal
situaties geduid waarin dat artikel niet van toepassing is. Dit wordt
in de aanhef van dat artikellid aangeduid met de zinsnede "Dit artikel
is niet van toepassing wanneer". De term "wanneer" geeft evenwel aan dat er
sprake is van een zekere gebeurtenis, zij het op een onbekend tijdstip in
de toekomst, terwijl het hier gaat om een gebeurtenis waarvan het
onzeker is of die zich zal voordoen. Om deze reden wordt voorgesteld
de term "wanneer" te vervangen door de term "indien".
Onderdeel F
Op grond van
artikel 30,
derde lid, van de ZW kan het Lisv
de zieke werknemer die in staat is
hem passende arbeid te verrichten, verplichten zich als werkzoekende bij
de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, bedoeld in de Arbeidsvoorzieningswet, te laten registreren. De Arbeidsvoorzieningswet
is per 1 januari 1997
vervangen door de Arbeidsvoorzieningswet 1996. Op grond van
artikel 69 van die wet hebben vreemdelingen die niet meer beschikken over een
geldig verblijfsdocument, maar wel met instemming van Justitie
in Nederland verblijven, niet het recht hebben zich als werkzoekende
door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie te laten registreren (en in het
verlengde daarvan: te laten bemiddelen). Door middel van het hierbij
voorgestelde onderdeel wordt de bevoegdheid om zieke werknemers te
verplichten zich bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie te laten registreren,
gekoppeld aan het in artikel 69 van Arbeidsvoorzieningswet
1996 vervatte recht op registratie.
Onderdeel G
In
artikel XXXIII,
onderdeel B, van de Veegwet SZW 1997 is per 31 december 1997 de
anticumulatieregeling van artikel 32 van de ZW
uitgebreid met de
situatie van toepassing van de artikelen 29a van de AAW
en 39a
van de WAO.
Met de inwerkingtreding van artikel XXXIV, onderdeel D, van de
Invoeringswet Pemba - waarbij artikel 32 van de
ZW
is aangepast aan de
vervanging van de AAW
door de Wajong en de WAZ
- is, per 1 januari
1998, de verwijzing in artikel 32, tweede lid, van de
ZW
naar artikel 39a van
de WAO
ten onrechte komen te vervallen. Deze omissie wordt hierbij met
terugwerkende kracht tot en met 1 januari 1998 hersteld.
rblz.|43|
Onderdeel H
In
artikel XXXIII,
onderdeel C, van de Veegwet SZW 1997 is per 31 december 1997 in de
ZW een nieuw artikel 32a
ingevoegd, waarin een anticumulatieregeling is
opgenomen in geval van toepassing van de artikelen 32a van de AAW
en 43a van de WAO. Met het hier voorgestelde onderdeel wordt
artikel 32a van de Ziektewet met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 1998
aangepast aan de vervanging van de AAW
door de Wajong
en de WAZ per
die datum.
Onderdeel
J, onder 1
In
artikel 38 van de ZW is beoogd de regeling neer te leggen inzake de
ziek- en hersteldmelding
van de werknemer die bij ziekte recht heeft op loon als bedoeld in
artikel 629 van Boek
7 van het BW. Aangezien in de ZW
onder loon wordt
verstaan het loon in de zin van de CSV (artikel 14 van de
ZW) wordt in
onderdeel J, onder 1, voorgesteld in artikel
38, eerste lid, achter de term
"loon" in te voegen "als bedoeld in artikel 629 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek".
Onderdeel
J, onder 2
Op grond van
artikel 38, derde lid juncto vierde lid, van de ZW dient het
Lisv een werkgever een boete op te
leggen bij een hersteldmelding die later plaatsvindt dan op de
vierde dag van het herstel, ook indien die hersteldmelding betrekking heeft op een
ziekmelding die (ruimschoots) vóór de dertiende week van de
ziekte heeft plaatsgevonden (dus nog niet verplicht) en heeft dat
herstel ook vóór die dertiende week plaatsgevonden. Dit niet-beoogde gevolg
van de wettekst wordt met de hier voorgestelde aanpassing
van het derde lid van artikel 38 van de ZW
weggenomen.
Onderdelen
J, onder
3, en K, onder 2
Artikel 38 van de
ZW bevat de regeling met betrekking tot de hersteldmelding van de werknemer die
zowel recht heeft op loon als bedoeld in artikel 629 van Boek
7 van het BW als op ziekengeld. Artikel 38a
van de ZW bevat de regeling met
betrekking tot de ziekmelding van die werknemer. Het is gewenst
dat de regeling met betrekking tot de ziek- en hersteldmelding van
bedoelde werknemer is opgenomen in één artikel. Door het voorgestelde in
onderdeel J, onder 3, en K, onder 2, wordt geregeld dat zowel de
ziek- als de hersteldmelding met betrekking tot die werknemer zal zijn
opgenomen in artikel 38a van de ZW. Inhoudelijk wordt de regeling overigens
niet gewijzigd.
Onderdeel K, onder 1
Artikel
38a, derde lid,
van de ZW bepaalt dat als de ziekmelding door de werkgever van de
werknemer die recht heeft op ziekengeld en op loon als bedoeld in artikel 629
van Boek 7 van
het BW later geschiedt dan is voorgeschreven, het
ziekengeld niet eerder ingaat dan met ingang van de datum van de melding.
Deze bepaling laat onverlet hetgeen is bepaald in artikel
29, vijfde lid,
van de ZW, namelijk dat geen ziekengeld wordt uitgekeerd nadat een
tijdvak van 52 weken van ongeschiktheid tot werken is verstreken, te rekenen
vanaf de eerste dag van ongeschiktheid tot werken. De tekst van
artikel 38a van de ZW zou op dit punt evenwel tot onduidelijkheid kunnen
leiden. Om deze reden wordt de tekst van artikel 38a, derde lid, van de
ZW aangepast. Voorts wordt de term "aanspraak" vervangen door
"recht"
om de terminologie van dit artikellid aan te laten sluiten op die van
artikel 629, eerste lid, van Boek
7 van het BW en van artikel
38, eerste lid,
van de ZW.
Onderdeel L, onder 3
Met artikel
XXX,
onderdeel H, onder 2, [artikel XXXIII,
onderdeel H, onder 2, red.] van de Veegwet SZW 1997
is in artikel 45, eerste lid,
onderdeel e, van de ZW de bepaling vervallen dat het
rblz.|44|
Lisv het ziekengeld
geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend weigert indien een verzekerde
zich niet houdt aan de hem op grond van artikel 30 van de
ZW opgelegde verplichtingen. Deze sanctie kon - aldus de
toelichting op
eerstgenoemd artikel - vervallen omdat in artikel
30, tweede lid, van de ZW
bij
het zonder deugdelijke grond weigeren van passende arbeid een
korting van het ziekengeld is geregeld. Zou tevens een maatregel worden
opgelegd, dan zou dat voor de verzekerde feitelijk een dubbele sanctie
betekenen. Hierbij was echter buiten beschouwing gebleven dat in artikel
30, eerste lid, van de ZW
niet alleen de verplichting is opgenomen om, indien
daartoe in de gelegenheid gesteld, passende arbeid te verrichten,
maar ook om te trachten passende arbeid te verkrijgen. Bij overtreding van deze laatste verplichting kan evenwel geen
korting van het
ziekengeld worden opgelegd op grond van artikel
30, tweede lid, van de ZW.
Dat kan evenmin bij overtreding van een op grond van artikel
30, derde
lid, van de ZW opgelegde verplichting tot inschrijving bij de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Bij overtreding van die verplichtingen kan thans dus noch een
korting op het ziekengeld worden toegepast op grond van
artikel 30, tweede lid, van de ZW,
noch een maatregel worden opgelegd
op grond van artikel 45 van die
wet. Dit is ongewenst. Gelet op het
feit dat de korting van artikel 30, tweede lid, niet goed kan worden toegepast
bij overtreding van deze verplichtingen - er valt immers geen arbeid
aan te wijzen die betrokkene zou hebben verricht indien hij de
verplichting wel zou zijn nagekomen - wordt voorgesteld een nieuw onderdeel
k aan
artikel 45, eerste lid, van de ZW
toe te voegen. In dat onderdeel wordt
bepaald dat het Lisv het ziekengeld geheel of gedeeltelijk, tijdelijk
of blijvend weigert indien een verzekerde zich niet houdt aan de hem op grond
van artikel 30 van de ZW
opgelegde verplichtingen, tenzij
artikel 30, tweede lid, van die wet van toepassing is.
Onderdeel M
Door de voorgestelde
aanpassing wordt de tekst van artikel 47a, derde lid, onderdeel c, in lijn
gebracht met die van de vergelijkbare artikelen in de WAO
(artikel 50, derde
lid, onderdeel c), de WAZ (artikel
55, derde lid, onderdeel c) en de Wajong
(artikel 47, derde lid, onderdeel c).
Artikel 41
Onderdeel A
Zie de
toelichting op
artikel 16, onderdeel D.
Onderdeel B
Zie de
toelichting op
artikel 16, onderdeel P.
Onderdelen C en
D
Met de
artikelen XXXVI, onderdeel O en Q, en LXI, onder 5 en 7, van de
Veegwet SZW 1997 is met terugwerkende kracht tot en met 1 augustus
1996 geregeld dat de ZW-boetes ten gunste komen van de wachtgeldfondsen,
voor zover de boetes
verband houden met ZW-uitkeringen die ten laste komen van de wachtgeldfondsen, en van het Algemeen
Werkloosheidsfonds (AWf), voor zover de boetes verband houden met ZW-uitkeringen die ten
laste komen van het AWf. Het is voor het Lisv
evenwel zeer moeilijk
gebleken om met betrekking tot de periode vóór 1 januari 1998 na te gaan
welke opgelegde boetes betrekking hebben op de verschillende soorten
ZW-uitkeringen. Om die reden wordt hierbij voorgesteld de artikelen
89, eerste lid, onderdeel h, en 92, eerste lid, onderdeel f, van de
Werkloosheidswet met terugwerkende kracht over de periode van 1 augustus
1996 tot 1 januari 1998 zodanig te redigeren dat de door de
bedrijfsverenigingen respectievelijk het Lisv aan
de wachtgeldfondsen en het AWf afgedragen boetes met betrekking tot
ZW-uitkeringen niet opnieuw hoeven te worden rblz.|45|
bezien en de destijds
gegeven bestemming (wachtgeldfonds of AWf) kunnen behouden.
Artikel
42.
Inwerkingtreding [zie
art. 56 van de wet,
red.]
Indien bepaalde artikelen
of (sub)onderdelen daarvan op een andere datum in werking treden
dan met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het
Staatsblad waarin deze wet wordt
geplaatst en indien aan bepaalde artikelen of
(sub)onderdelen daarvan terugwerkende kracht is verleend, is daarop
ingegaan bij de toelichting op die artikelen c.q. (sub)onderdelen daarvan.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
K.G. de Vries
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst
|
|