|
rblz.|1|
Kamerstukken II
1996-1997, 25 258
Wijziging
van de Ziekenfondswet en de Wet op de toegang
tot ziektekostenverzekeringen in verband met het invoeren van de
aanspraak op medisch-specialistische zorg, verleend door of vanwege een
ziekenhuis dan wel door of vanwege een samenwerkingsverband van een
ziekenhuis en de daar werkzame medisch-specialisten
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
Algemeen deel
Aan het onderhavige wetsvoorstel is een lang traject voorafgegaan.
Op 11 september 1989 heeft de Staatssecretaris
van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur de Gezondheidsraad verzocht een
advies uit te brengen met betrekking tot de grenzen van de zorg. De Gezondheidsraad
heeft op 12 december 1991
zijn rapport "Medisch handelen op een tweesprong" (uitgave Gezondheidsraad, nr. 1991/23) uitgebracht.
Op 30 augustus 1990 is de Commissie keuzen in de zorg ingesteld met als taak strategieën te
ontwikkelen voor de wijze waarop keuzevraagstukken op de verschillende
niveaus hanteerbaar kunnen worden gemaakt. De Commissie keuzen in de zorg heeft op 14 november 1991 haar rapport "Kiezen en
delen" (ISBN 90-346-268-30) uitgebracht.
Uit deze rapporten blijkt
dat er een sterke verwevenheid is tussen de bekostigingssystematiek
en de kwaliteit van zorg. De rapporten bevestigen hetgeen al sinds jaren
door velen naar voren is gebracht, namelijk dat het bestaande
declaratiesysteem van medisch-specialisten, dat gebaseerd is op
verrichtingen, te weinig prikkels bevat voor doelmatigheid en doeltreffendheid van
medisch handelen en dus niet bevorderend is voor de kwaliteit van
zorg.
In 1992 is besloten een
gemengde werkgroep van zorgverzekeraars en aanbieders van zorg in te
stellen die zou nagaan onder welke nadere condities en wanneer het
geheel van huisartsenhulp, medisch-specialistische zorg en ziekenhuiszorg
onderdeel uit zou kunnen maken van de toen beoogde
moderne zorgverzekering voor iedereen. Daarbij werd van belang geacht
goed na te gaan hoe voldaan zou kunnen worden aan de eisen van
doelmatigheid (geen onnodige medicalisering) en kostenbeheersing (Kamerstukken II
1991-1992, 22 393, nr. 20). Dit voornemen leidde tot het instellen
van de Commissie modernisering positie huisartsenzorg, specialistische zorg en ziekenhuiszorg
(commissie-Biesheuvel) op 27 januari
1993. Deze commissie kreeg tot taak om, in het licht van de
modernisering van het zorgstelsel, waarin op dat moment voorzien was in het tot
stand komen van een basisverzekering, op hoofdlijnen onderzoek te
doen naar de positionering van het totaal aan medische zorg zoals die
geleverd zou moeten worden door huisartsen, rblz.|2|
medisch-specialisten en ziekenhuizen in dat beoogde moderne stelsel.
Deze modernisering hield
onder meer een stelsel in dat zo is ingericht dat daarmee een doelmatige
organisatie van zorgverlening zou worden bereikt. Voorop stond daarbij de kwaliteit van zorg en het vergroten van
de mogelijkheid van zorg
op maat alsmede de wens om de financiële organisatie van de
curatieve zorg te wijzigen.
Bij haar instelling kreeg
de Commissie tevens de opdracht om zorgaanbieders, zorgverzekeraars en deskundigen uit de kring van de
patiënten/consumenten bij haar
werkzaamheden te raadplegen.
De
commissie-Biesheuvel
heeft in januari 1994 haar rapport "Gedeelde zorg: betere zorg" (ISBN
90-74364-59-4) uitgebracht.
In het rapport wordt
vooropgesteld dat de gezondheidszorg in Nederland tot de beste in
de wereld behoort. Opgemerkt wordt dat Nederland, wat betreft de
kwaliteit van de zorg en de toegankelijkheid van het stelsel, internationaal een goede naam heeft. De
Commissie stelt dat
de prijs die daarvoor
betaald moet worden weliswaar aanzienlijk is, maar, blijkens cijfers van de
Organisatie van Economische Samenwerking en Ontwikkeling,
internationaal bezien niet onredelijk hoog is, zeker indien het brede pakket aan zorg
in ogenschouw wordt genomen. Toch meent de Commissie dat het systeem
van gezondheidszorg kritisch moet worden gevolgd, te meer omdat de
vraag naar zorg de komende jaren zal stijgen. Meer dan ooit zijn daarom naar de mening van de
Commissie een
doelmatige organisatie
van de zorg en kostenbeheersing nodig. Tegen deze achtergrond heeft de Commissie haar aandacht vooral gericht op de organisatie van het curatieve zorgaanbod en aandacht besteed aan het
instrumentarium dat van
invloed is op de curatieve zorg. Van daaruit heeft de Commissie
aanbevelingen gedaan over gewenste veranderingen in de organisatie van de zorg.
De Commissie heeft de
curatieve zorg in drie hoofdgebieden onderscheiden, te weten de
generalistische zorg waarin de huisarts als centraal wordt beschouwd, de
transmurale zorg en de specialistische zorg.
Ten aanzien van de
huisartsenzorg is de Commissie van mening dat de rol van de huisarts als
poortwachter moet worden versterkt.
De Commissie constateert
dat er op het gebied van de transmurale zorg een toenemende behoefte
aan zorg op maat ontstaat.
Bij de specialistische
zorg constateert de Commissie een toenemende verwevenheid tussen de
zorgverlening door medisch-specialisten en de zorgverlening door
ziekenhuizen. De Commissie onderschrijft deze ontwikkelingen en is van
mening van dit zijn organisatorische beslag moet krijgen in het
ziekenhuis nieuwe stijl.
In het regeerakkoord
(Kamerstukken II 1993-1994, 23 715, nr. 11) is vastgelegd dat de
aanbevelingen van de commissie-Biesheuvel zullen worden uitgevoerd.
In de nota "Modernisering curatieve zorg" van 23 juni 1995 heeft het
kabinet een nader
standpunt over het advies van de Commissie ingenomen en zijn
beleidsvoornemens daaromtrent geschetst (Kamerstukken II 1994-1995, 23 619, nrs.
3 en 4). De regering heeft in de desbetreffende nota aangegeven van
mening te zijn dat de rode draad in het advies is de wens om voor de
patiënt tot een continuüm van zorg te komen. De schotten in de
ziekenhuisorganisatie en tussen het ziekenhuis en de extramurale zorg moeten
worden afgebroken. De mogelijkheid voor transmurale zorg moet
worden vergroot. De huisarts blijft voor de patiënt en diens omgeving het
eerste aanspreekpunt. Hij moet in het zorgcontinuüm poortwachter en gids
zijn.
Het zijn deze
zorginhoudelijke verbeteringen die de regering ertoe hebben gebracht de
aanbevelingen over te nemen.
De regering heeft verder
aangegeven van mening te zijn dat de Commissie een aantal
belangrijke aanbevelingen heeft gedaan voor rblz.|3|
verbetering van de
betalingswijze, capaciteitsbepaling en de kwaliteit van zorg van huisartsen,
medisch-specialisten en ziekenhuizen. Met deze aanbevelingen worden voor
het veld mogelijkheden geschapen om zich in te spannen voor de
zorginhoudelijke vernieuwing van de curatieve zorg en zo onder meer zorg op
maat te bevorderen. Ook bieden de aanbevelingen voor de overheid mogelijkheden om tot een oplossing te komen
voor enkele weerbarstige
vraagstukken die te maken hebben met de toegankelijkheid,
kwaliteit en betaalbaarheid van de zorg. De positie van de medisch-specialist is
daarbij een in het oog springend onderwerp.
Voor de huisartsenzorg
gaat het bij het overnemen van de aanbevelingen om versterking van de poortwachtersfunctie en een verdere
ontwikkeling van de
kwaliteit van deze zorg, zoals het ontwikkelen van standaarden en bevorderen
van intercollegiale toetsing. Ook gaat het om zaken als wijziging van
de bekostiging van deze zorg. De wijzigingen op dit terrein van zorg
moeten geheel tot stand komen door middel van de afspraken die op basis
van het in september 1995 uitgebrachte rapport "Poortwachter in
praktijk" (uitgave ministerie VWS, VDB 95-177) met de besturen van de
Landelijke Huisartsen Vereniging, Zorgverzekeraars Nederland en de
Kontaktkommissie Publiekrechtelijke Ziektekostenregelingen voor ambtenaren zijn
gemaakt. Aangezien de aanspraak op huisartsenzorg met dit
wetsvoorstel niet wordt gewijzigd, wordt deze aangelegenheid verder
buiten beschouwing gelaten.
Het onderhavige
wetsvoorstel strekt ertoe de omschrijving van de aanspraak op de
medisch-specialistische zorg in het kader van de Ziekenfondswet te
wijzigen. In verband daarmee wordt met dit voorstel van wet tevens de
omschrijving van de aanspraak op vergoeding van de kosten voor deze hulp
door particuliere ziektekostenverzekeraars ingevolge de
verzekeringsovereenkomst op grond van de Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen gewijzigd. Aan de wijziging liggen
de volgende overwegingen
ten grondslag.
Medisch-specialistische
zorg en ziekenhuiszorg zijn voor het overgrote deel onlosmakelijk met
elkaar verbonden. Er is sprake van een gezamenlijke taak, waarbij de patiënt
centraal staat. Om deze taak goed vorm te geven, is het gewenst dat
gekomen wordt tot geïntegreerde organisaties van ziekenhuizen en de daar werkzame
medisch-specialisten. Ziekenhuisdirecties en medisch-specialisten
dragen in dergelijke organisaties een gemeenschappelijke
verantwoordelijkheid voor integrale zorgverlening, die zij als gelijkwaardige partners samen invullen. Zij hebben gelijkgerichte
belangen. De verhouding
en de taakverdeling tussen de medisch-specialisten en ziekenhuisdirecties
worden niet dwingend voorgeschreven.
Deze benadering van de
medisch-specialistische zorg dient tevens tot uitdrukking te komen in
de ziekenhuisorganisatie.
In de nota "Modernisering curatieve zorg" is gesteld dat zowel uit
zorginhoudelijk als uit doelmatigheidsoogpunt een verdergaande stroomlijning in de
organisatorische en financiële integratie van specialistenmaatschappen
en ziekenhuizen wenselijk is. In die situatie kunnen op het niveau van
de patiëntenzorg op de afdeling alsmede op het niveau van de
ziekenhuisorganisatie geïntegreerde afwegingen worden gemaakt over de optimale
inzet van menskracht en middelen. In die visie van de regering dienen de
contractuele relaties tussen verzekeraars en ziekenhuizen enerzijds en
verzekeraars en medisch-specialisten binnen een ziekenhuis anderzijds te worden afgestemd op de nieuwe aanspraak op
medisch-specialistische zorg die wordt beoogd met dit
wetsvoorstel. De nieuwe contractuele
relatie dient de totale geïntegreerde medisch-specialistische organisatie te
omvatten.
rblz.|4|
In het licht van het
vorenstaande is van belang dat vanwege de gewenste veranderingen in
de zorgsector alsmede vanwege de voortdurende overschrijding van het
macrobudget dat jaarlijks voor de hulp, verleend door
vrijgevestigde specialisten, ter beschikking wordt gesteld en de in verband daarmee
te treffen tariefmaatregelen, al enige tijd geleden aan
medisch-specialisten, ziekenhuizen en verzekeraars de mogelijkheid is geboden
om op lokaal niveau met initiatieven te komen en projectvoorstellen in te
dienen die gericht zijn op doelmatiger handelen van medisch-specialisten
(Kamerstukken II 1992-1993, 22 393, nr. 50 en 1994-1995, 23 904, nr. 4).
In de loop der tijd zijn dergelijke initiatieven tot stand gekomen (Kamerstukken II
1995-1996, 23 619, nr. 6 en 8).
Inmiddels zijn bij
vrijwel alle ziekenhuizen lokale initiatieven ontstaan, met een alternatieve
honoreringsstructuur met als oogmerk het uniformeren van de
bekostigingssystematiek voor medisch-specialisten en ziekenhuizen en het
stimuleren van kwaliteit en doelmatigheid in de zorgverlening. Het zijn
tripartite afspraken die gemaakt zijn binnen de door mij gestelde
randvoorwaarden, tussen het ziekenhuis, de daar werkzame
medisch-specialisten (van wie de meesten niet in dienstbetrekking werkzaam
zijn) en de
lokale zorgverzekeraar(s). Met deze afspraken wordt tevens
bereikt dat de vicieuze cirkel tussen volumeoverschrijdingen en tariefkortingen
doorbroken wordt.
Bij de lokale
initiatieven is per jaar een honorariumbudget vastgesteld voor de
medisch-specialisten op het niveau van het ziekenhuis. De onderlinge verdeling van
dit budget over de deelnemende specialisten en specialismen is een zaak
van de betrokken partijen zelf.
Met de initiatieven wordt
een bijdrage geleverd aan de doelstelling van de regering te komen tot
een geïntegreerde organisatie van de medisch-specialistische zorg. In dit kader wordt
tevens gewerkt aan de ontwikkeling van producttyperingen en
productprijzen, waarin vergoedingen voor ziekenhuis en medisch-specialist verdisconteerd zijn. Het bestaande
verrichtingensysteem voor
medisch-specialisten zal daarmee verdwijnen.
De ervaringen die nu
opgedaan worden met de lokale initiatieven zullen ter plaatse bepalend zijn
voor de nadere invulling. De ontwikkelingen dienaangaande zijn op dit
moment divers.
De regering is van
oordeel dat het thans noodzakelijk is om de omschrijving van de
aanspraken op de zorg die door de medisch-specialist en het ziekenhuis wordt
verleend aan te passen alsmede om soortgelijke wijzigingen
ook in het kader van de Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen
door te voeren. Deze aanpassing is naar de mening van de regering
aangewezen in die situaties waarbij er als gevolg van de lokale
initiatieven al een volledige integratie heeft plaatsgevonden dan wel, in de overige
situaties, om de voltooiing van het proces van integratie te bevorderen.
De aanpassing van de aanspraken houdt het volgende in.
De vigerende aanspraken
op grond van de Ziekenfondswet behelzen dat de verzekerde aanspraak
heeft op niet-klinische genees-, heel- en verloskundige hulp, te
verlenen door een medisch-specialist. Hieronder valt alle
medisch-specialistische hulp, behalve wanneer die hulp verleend wordt als onderdeel van
opname en verblijf in een ziekenhuis. Het gaat dus om een consult door
de medisch-specialist in de polikliniek van het ziekenhuis tot en met
medisch-specialistische hulp tijdens dagbehandeling in het ziekenhuis.
Daarnaast is de aanspraak op medisch-specialistische hulp, indien de
verzekerde gedurende het etmaal in het ziekenhuis verblijft,
apart geregeld. Gezien de hiervoor geschetste ontwikkelingen worden
deze aparte aanspraken met het onderhavige wetsvoorstel als één
aanspraak geformuleerd.
rblz.|5|
Het ziekenfonds sluit,
ingevolge artikel 44, eerste lid van de Ziekenfondswet,
overeenkomsten met personen of instellingen die de ziekenfondsverstrekkingen
verlenen. Voor de medisch-specialistische zorg waarbij een ziekenhuis is
betrokken, moeten dus overeenkomsten met geïntegreerde
ziekenhuisorganisaties worden gesloten, te weten met het ziekenhuis of met het
desbetreffende samenwerkingsverband. Op deze wijze wordt hetgeen met
de lokale initiatieven wordt beoogd krachtig gestimuleerd.
Noodzakelijke elementen
van zo’n geïntegreerde organisatie zijn naar buiten toe één prijs
per product, één geïntegreerd budget, één financieringsstroom van
verzekeraars naar de ziekenhuisorganisatie en één aanspreekpunt voor
de verzekeraar. Het wetsvoorstel regelt niet de onderlinge relatie binnen
de geïntegreerde organisatie en bemoeit zich derhalve niet met de
huidige discussie over dienstverband dan wel handhaven van het vrije
beroep, zoals die thans in het kader van de lokale initiatieven wordt
gevoerd.
Met
het onderhavige
wetsvoorstel is voorts de aanspraak op medisch-specialistische zorg zo geformuleerd dat
daarmee ook transmurale zorg wordt bevorderd. Immers,
door de formulering "door of vanwege een ziekenhuis dan wel door
of vanwege een samenwerkingsverband van een ziekenhuis en de daar
werkzame medisch-specialisten" wordt het mogelijk om, ook als ziekenhuis of
samenwerkingsverband, medisch-specialistische zorg buiten de muren van
het ziekenhuisgebouw te verlenen.
Op dit moment zijn de
aanspraken in het kader van de Ziekenfondswet geheel bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur geregeld. Ook wat betreft de
onderhavige materie had gekozen kunnen worden voor regeling bij algemene
maatregel van bestuur. Echter, door de gewijzigde formulering van de
aanspraak vervalt de juridische basis aan de aparte overeenkomsten die
ziekenfondsen met de medisch-specialisten en de ziekenhuizen hebben
gesloten. De consequenties van de beoogde wijziging zijn dusdanig
ingrijpend dat de regering meent dat regeling bij wet is aangewezen.
Voorts is van de
gelegenheid gebruik gemaakt om ook voor andere zorgvormen in de wet zelf
in hoofdlijnen te regelen waarop de verzekerden aanspraak hebben.
De onderhavige wet heeft
onmiddellijke werking. Dat impliceert dat alle bestaande overeenkomsten
voor zover die niet met de gewijzigde wet in overeenstemming zijn, op
het moment van inwerkingtreding van deze wet van rechtswege komen te
vervallen. Op dat moment zullen alle overeenkomsten voor deze zorg derhalve
in overeenstemming moeten zijn met de geherformuleerde
aanspraak. Dit betekent dat er een uitkomst van overleg voor de geïntegreerde
ziekenhuisorganisaties tot stand moet zijn gekomen, op basis waarvan
er in het hele land op tijd nieuwe overeenkomsten kunnen worden gesloten.
Met deze zaken is enige tijd gemoeid. Daarom wordt het tijdstip
van inwerkingtreding van deze wet geregeld bij koninklijk besluit. De
beoogde inwerkingstredingsdatum van dit wetsvoorstel is 1 januari
1998. Het is de bedoeling om te bevorderen dat dit koninklijk besluit op
een zodanig tijdstip in het Staatsblad wordt gepubliceerd dat er na die publicatie voldoende tijd voor partijen
beschikbaar is om de
uitvoering voor te bereiden. De regering gaat daarbij uit van een periode van
zes maanden.
De ontwikkelingen in het
veld en hetgeen met dit voorstel van wet in aansluiting daarop wordt
geregeld, komen de patiënt ten goede. Immers, de patiënt is erbij
gebaat dat hij op basis van afweging van alle binnen de ziekenhuisorganisatie
aanwezige mogelijkheden zorg krijgt. Een dergelijke rblz.|6|
afweging draagt bij aan
de kwaliteit van de zorg. Dit proces leidt ertoe dat integrale afweging van de
voor de patiënt geëigende zorgmogelijkheden uitgangspunt is. De
geïntegreerde afweging en intercollegiale toetsing die hierbij aan de orde is,
passen bij de voorwaarde dat verantwoorde zorg dient te worden geleverd,
zoals die is vastgelegd in de Kwaliteitswet
zorginstellingen. De
gekozen nieuwe omschrijving van de aanspraak omvat alle zorg die door
of vanwege het ziekenhuis dan wel door of vanwege een
samenwerkingsverband van een ziekenhuis en de daar werkzame specialisten
wordt geleverd, dus ook transmurale zorg, en bevordert ook in dit
opzicht de door iedereen gewenste zorg op maat.
Een goede afweging welke
zorg in welke situatie in aanmerking komt, is bevorderlijk voor de
doelmatigheid en daarmee voor de kostenbeheersing. Zeker in een tijd waarin
de technologische en wetenschappelijke ontwikkelingen steeds
meer mogelijk maken, terwijl er nog steeds sprake is van een
begrenzing aan de financiële middelen die voor de gezondheidszorg
beschikbaar kunnen worden gesteld, is het van belang dat de beschikbare
financiële middelen zo doelmatig mogelijk worden besteed.
Dit wetsvoorstel
faciliteert de beoogde veranderingen. De feitelijke werking hangt af van de
wijze waarop de ziekenhuizen, de medisch-specialisten en de verzekeraars aan de
integratie uitvoering geven.
Artikelsgewijs deel
Artikel I
A
Met
artikel I wordt
artikel 8 van de Ziekenfondswet gewijzigd. Behalve
de integratie van de
aanspraken op medisch-specialistische zorg en ziekenhuiszorg is nieuw
dat de aanspraken in hoofdlijnen op wetsniveau worden geregeld.
In het eerste lid van
artikel 8 worden de verschillende zorgvormen geregeld op verstrekking
waarvan de verzekerden aanspraak hebben.
Onderdeel
a betreft de
nieuwe omschrijving voor de aanspraak op medisch-specialistische zorg verleend door of vanwege een ziekenhuis dan wel door of vanwege
een samenwerkingsverband van een ziekenhuis en de daar werkzame
medisch-specialisten. De gekozen formulering houdt in dat het ziekenfonds,
ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Ziekenfondswet, voor de
in onderdeel a omschreven zorg slechts overeenkomsten kan
sluiten hetzij met het ziekenhuis, hetzij met een samenwerkingsverband dat
bestaat uit het ziekenhuis en de daar werkzame
medisch-specialisten. Ingeval er sprake is van een ziekenhuis waar slechts
medisch-specialisten werkzaam zijn die in dienstbetrekking staan tot dat ziekenhuis,
sluit het ziekenfonds derhalve uitsluitend met het ziekenhuis een
overeenkomst. Op deze situatie - de eerste mogelijkheid - ziet de zinsnede
"door
of vanwege een ziekenhuis".
Indien er sprake is van
een samenwerkingsverband van een ziekenhuis en de daar werkzame medisch-specialisten die niet in dienstbetrekking
staan tot dat ziekenhuis,
maar er sprake is van zelfstandige beroepsuitoefening van die
medisch-specialisten in dat ziekenhuis, sluit het ziekenfonds een
overeenkomst met een samenwerkingsverband van het ziekenhuis en deze
medisch-specialisten tezamen. Aldus is gewaarborgd dat ook in gevallen
waarin specialisten niet in dienstverband in een ziekenhuis werkzaam zijn
de beoogde geïntegreerde organisatie van de medisch-specialistische
zorg wordt gerealiseerd.
rblz.|7|
Dit wetsvoorstel regelt
niet de organisatie en samenwerking binnen ziekenhuizen en derhalve
ook niet de relatie tussen de medische staf en het ziekenhuis. Dit is
aan ziekenhuizen en medisch-specialisten zelf.
Onder de omschrijving is
alle hulp die verleend wordt door of vanwege een ziekenhuis dan wel
door of vanwege een samenwerkingsverband van een ziekenhuis en de daar
werkzame medisch-specialisten begrepen. Het gaat daarbij om alle
genees-, heel- en verloskundige hulp die verleend wordt door medisch-specialisten die in dienstverband of als vrije
beroepsbeoefenaar in het
ziekenhuis werkzaam zijn. Of het nu gaat om hulp op de EHBO, in de
polikliniek, tijdens dagbehandeling of aan patiënten die gedurende het etmaal in het ziekenhuis verblijven, al deze
hulp is onder deze
aanspraak begrepen. Bij de hier geregelde geïntegreerde zorg gaat het ook om de
aan de medisch-specialistische zorg verbonden zorg, zoals verzorging, verpleging, paramedische en farmaceutische
hulp. Ook deze zorg is
dus onder de aanspraak in onderdeel a begrepen. Op welke
onderdelen iemand in concreto aanspraak heeft, wordt op basis van indicatiestelling vastgesteld. Onder de in onderdeel
a omschreven zorg is voorts
transmurale zorgverlening begrepen.
De uitwerking van de zorg
wordt, zoals dat ook geldt voor de overige onderdelen van het eerste
lid, bij algemene maatregel van bestuur geregeld. Bij die AMvB zal ook worden bepaald dat de aanspraak op verblijf in een
ziekenhuis is beperkt tot een periode van verblijf van één jaar. Hetzelfde geldt
voor de revalidatiezorg, bedoeld in onderdeel b.
Onderdeel
c betreft de
medisch-specialistische zorg die niet verleend wordt in het kader van de
geïntegreerde ziekenhuisorganisatie. Het gaat om zorg die wordt
verleend door een medisch-specialist die in het geheel niet of in ieder geval
niet voor die zorg aan een ziekenhuis of een samenwerkingsverband van een ziekenhuis en de daar werkzame
medisch-specialisten
verbonden is en die dus voor het verlenen van de onderhavige zorg op geen
enkele wijze gebruik maakt van ziekenhuisfaciliteiten. De zorg wordt dus niet
alleen buiten het ziekenhuis verleend, maar er is tevens sprake
van een praktijkuitoefening die geheel los staat van de
ziekenhuisorganisatie. Het is, uit overwegingen van kwaliteit, doelmatigheid en kosten
van de gehele sector, uitdrukkelijk de bedoeling om de zorg die geheel los
van het ziekenhuis wordt verleend beperkt te houden.
Indien een ziekenfonds
met een medisch-specialist een medewerkersovereenkomst sluit, kan die overeenkomst alleen betrekking hebben op de
zorg, bedoeld in dit
onderdeel. Het is aan het ziekenfonds om te beslissen of hij, gezien zijn
zorgplicht, neergelegd in artikel 8, vijfde lid (nieuw),
naast overeenkomsten met
betrekking tot de zorg, bedoeld in artikel 8,
eerste lid, onderdeel a,
(nieuw), overeenkomsten met buiten het ziekenhuis werkzame
medisch-specialisten wier praktijkuitoefening geheel los staat van de
ziekenhuisorganisatie nodig heeft. Het ziekenfonds is niet
verplicht om
overeenkomsten met individuele beroepsbeoefenaren te sluiten. Immers, met de
Wet van 20 november 1991, houdende beperking van de contracteerplicht
in de ziekenfondsverzekering en de bijzondere ziektekostenverzekering,
invoering van de mogelijkheid een lager tarief in rekening te brengen dan
het overeenkomstig de Wet
tarieven gezondheidszorg goedgekeurd of
vastgesteld tarief, alsmede enige andere wijzigingen in de Ziekenfondswet,
de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en de Wet tarieven
gezondheidszorg (Stb. 1991, 584), is de verplichting voor ziekenfondsen om met
iedere beroepsbeoefenaar een overeenkomst aan te gaan met ingang
van 1 januari 1992 opgeheven.
De onderdelen
b tot en
met j bevatten de overige zorgvormen waarop ingevolge de Ziekenfondswet
aanspraak bestaat. Daarnaast kan er op grond van het tweede lid
van artikel 8 nog bij algemene maatregel van
rblz.|8|
bestuur andere zorg
worden geregeld op verstrekking waarvan aanspraak bestaat. Het gaat hierbij
niet om hoofdvormen van zorg, die liggen immers vast in de wet
zelf. Het gaat om ondersteunende aan de in de wet aangeduide hoofdvormen of
een verbijzondering van de in de wet aangeduide hoofdvormen.
Bij de ondersteunende zorg valt te denken aan ziekenvervoer. Bij de
verbijzondering gaat het onder meer om verpleging en verzorging ten huize
van de verzekerde die met ingang van 1 januari 1998 als aanspraak in de ziekenfondsverzekering in aansluiting op
ziekenhuiszorg wordt
ingevoerd. Verder kan de verbijzondering nodig zijn vanwege de planning of de
organisatie van de zorg. In de loop ter tijd kunnen veranderingen optreden. Een voorbeeld is erfelijkheidsadvisering.
Destijds is besloten om
vanwege het bijzondere karakter de organisatie en de aanspraak apart te
regelen. Inmiddels is er een ontwikkeling gaande waarbij, naar het zich
thans laat aanzien, deze zorg gewoon onderdeel kan gaan uitmaken van
ziekenhuiszorg. De aparte aanspraak kan dus op termijn komen te
vervallen. Dergelijke flexibiliteit moet kunnen blijven bestaan. Daarom is
gekozen voor het tweede lid.
In het derde lid van
artikel 8 (nieuw) wordt bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur de
omvang van zorg, bedoeld in het eerste lid, wordt geregeld. Bij die
algemene maatregel van bestuur kunnen verder de voorwaarden voor het tot
gelding brengen van de aanspraak op zorg worden vastgesteld. Bij
die voorwaarden gaat het om wie de zorg verleent, waar de zorg
wordt verleend, indicatievoorschriften, toestemmingsvereisten en
dergelijke. Zo valt te denken aan een voorwaarde dat de
revalidatiezorg, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel
b, (nieuw) van de Ziekenfondswet, wordt verleend door een aan een
instelling voor
revalidatie verbonden multidisciplinair team van deskundigen, staande onder leiding van
een medisch-specialist, zoals nu ook is geregeld in het
Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering. Voor de zorg, bedoeld in artikel
8, eerste lid, onderdeel a, is in de wet geregeld wie de
zorg verleent.
In het vierde lid (nieuw)
van artikel 8 wordt de bevoegdheid tot het vaststellen van eigen
bijdragen geregeld. Het systeem is dat bij algemene maatregel van bestuur
wordt geregeld voor welke zorg en volgens welke regels een eigen bijdrage
bij ministeriële regeling wordt vastgesteld. Inhoudelijk is hier niets
veranderd. Er is alleen duidelijk bepaald wat bij algemene maatregel van
bestuur en wat bij ministeriële regeling kan worden geregeld en tot
hoever de bevoegdheid reikt.
Het nieuwe zesde en het
zevende lid van artikel 8 regelen dat wat thans
in artikel 8, eerste en
derde lid, geregeld is.
B en
C
De wijziging van
artikel 44, eerste lid, en 45, onderdeel
c, is louter van technische aard. Met dit
voorstel van wet wordt de zorg waarop aanspraak bestaat immers
bij wet en niet meer bij algemene maatregel van bestuur geregeld.
Volledigheidshalve zij
nogmaals opgemerkt dat, na inwerkingtreding van dit voorstel van
wet,
het ziekenfonds voor de medisch-specialistische zorg, bedoeld in artikel
8, eerste lid, onderdeel a, (nieuw) een overeenkomst dient te gaan sluiten met
een instelling, zijnde een op grond van artikel
8a toegelaten ziekenhuis of
samenwerkingsverband van een ziekenhuis en de daar werkzame
medisch-specialisten.
rblz.|9|
Artikel II
Deze bepaling strekt tot
wijziging van artikel 2, tweede lid, van de Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen om zodoende aan te sluiten
bij de Ziekenfondswet en
ook hier de aparte omschrijvingen van de hulp door een
medisch-specialist en van verpleging en behandeling in een ziekenhuis te vervangen
door één omschrijving.
Artikel IV
De regering streeft
ernaar de onderhavige wettelijke maatregel met ingang van 1 januari 1998
van kracht te laten worden. De wet heeft onmiddellijke werking.
Het is daarom van belang dat tijdig het koninklijk besluit tot het regelen
van het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet wordt vastgesteld. De
regering meent dat een periode van zes maanden voldoende is voor
betrokkenen om de noodzakelijke voorbereidende maatregelen te treffen.
De Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers
|
|