|
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 1985-1986, 19 261.
Handelingen II 1985-1986, blz. 4304-4367, 4369-4397, 4402-4455, 4458,
4463-4489, 4515-4542, 4558-4604, 4607-4630, 4633-4644, 4699-4751,
4836-4860, UCV 62(1-75), UCV 65(1-55), 4926-4941, 4944-4945, 4954-4958,
5017-5023.
Kamerstukken I 1985-1986, 19 261 (199, 199a, 199b); 1986-1987, 19 261
(25, 25a, 25b, 45, 45a, 45b, 45c, 45d, 45e, 45f).
Handelingen I 1986-1987, zie vergadering van 4 november 1986.
BESCHIKKING van de Minister
van Justitie van 21 januari 1999, Stb. 1999, 21, houdende
plaatsing in het Staatsblad van de tekst van de Werkloosheidswet,
zoals deze luidt met ingang van 1 januari 1999
De Minister
van Justitie;
Gelet op artikel 75
van de Invoeringswet Organisatiewet sociale
verzekeringen 1997;
Besluit:
De
tekst van de Werkloosheidswet, zoals deze luidt
met ingang van 1 januari 1999, in het Staatsblad te plaatsen als
bijlage bij deze beschikking.
’s-Gravenhage, 21 januari
1999
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
Uitgegeven de achtentwintigste
januari 1999
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
Tekst van
de Werkloosheidswet, zoals deze wet luidt op 1 januari 1999 ¹
1. De voetnoten bij de
artikelen zijn geplaatst door de wetgever, red.
[WET van 6 november 1986, Stb.
1986, 566, tot verzekering van werknemers tegen geldelijke gevolgen van
werkloosheid (Werkloosheidswet). Inwerkingtreding: 1 januari 1987 (Stb. 1986, 597).
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods,
Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen
lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben,
dat het wenselijk is opnieuw regels te stellen met betrekking tot de
verzekering van werknemers tegen geldelijke gevolgen van werkloosheid,
ter vervanging van de Werkloosheidswet (Stb. 1967, 421) en de Wet
Werkloosheidsvoorziening (Stb. 1964, 485);
Zo is het, dat Wij, de Raad van State
gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden
en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:, red.]
HOOFDSTUK
I
Algemene
bepalingen
§ 1.
Algemeen
Art. 1.
In deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. uitvoeringsinstelling:
een uitvoeringsinstelling als bedoeld in artikel 41, derde lid van de
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997;
c. College van toezicht
sociale verzekeringen: het College van toezicht sociale verzekeringen,
genoemd in hoofdstuk 2 van de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997;
d. Landelijk instituut
sociale verzekeringen: het Landelijk instituut sociale
verzekeringen,
genoemd in hoofdstuk 4 van de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997;
e. wachtgeldfonds: een fonds
als bedoeld in artikel 102;
f. Algemeen
Werkloosheidsfonds: het fonds, bedoeld in artikel 103;
g. lichamen: rechtspersonen,
maat- en vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder rechtspersoonlijkheid die met verenigingen
maatschappelijk gelijk
kunnen worden gesteld, ondernemingen van publiekrechtelijke
rechtspersonen en doelvermogens;
h. sector: een sector als
bedoeld in artikel 51 van de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997;
i. onbetaald verlof: een
tussen werkgever en werknemer voor een gedeelte of het geheel van
de arbeidstijd overeengekomen verlof waarin de werknemer geen arbeid
jegens de werkgever verricht.
j. vreemdeling: hetgeen
daaronder wordt verstaan in de Vreemdelingenwet.
Art. 2.
-1. Waar een natuurlijk
persoon woont en waar een lichaam gevestigd is, wordt naar de
omstandigheden beoordeeld.
-2. Voor de toepassing van
het eerste lid worden schepen en luchtvaartuigen die binnen Nederland hun
thuishaven hebben, beschouwd als deel van Nederland.
Art. 2a.
Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de termijn
waarbinnen een beschikking op aanvraag ingevolge deze wet dient te
worden gegeven. Deze algemene maatregel van bestuur vervalt op 1
januari 2000.
§ 2.
De werknemer
Art. 3.
-1. Werknemer is de
natuurlijke persoon jonger dan 65 jaar die in privaatrechtelijke of in
publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.
-2. Wie zijn dienstbetrekking
buiten Nederland vervult, wordt niet als werknemer beschouwd, tenzij
hij in Nederland woont en zijn werkgever eveneens in Nederland woont
of gevestigd is. Voor zover een werkgever:
a. in Nederland een vaste
inrichting voor de uitoefening van zijn bedrijf of beroep of een in
Nederland wonende of gevestigde vaste vertegenwoordiger heeft; of
b. in Nederland één of meer
personen in dienst heeft en hij door of vanwege Onze Minister als
werkgever is aangewezen, wordt hij voor de toepassing van de eerste
volzin gelijkgesteld met een in Nederland wonende of gevestigde
werkgever.
-3. In afwijking van het
eerste en tweede lid wordt niet als werknemer beschouwd de vreemdeling die
niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 1b,
aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet.
-4. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kan worden bepaald dat:
a. personen die buiten
Nederland wonen ook als werknemer worden beschouwd, voor zover zij
hun dienstbetrekking buiten Nederland vervullen;
b. personen die in
Nederland wonen ook als werknemer worden beschouwd, voor zover zij
hun dienstbetrekking buiten Nederland vervullen en hun werkgever
buiten Nederland woont of gevestigd is.
-5. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kan van het eerste, tweede en derde lid worden afgeweken ten aanzien van:
a. vreemdelingen;
b. personen op wie een
regeling van toepassing is inzake verzekering tegen geldelijke gevolgen
van werkloosheid van de Nederlandse Antillen, van Aruba, van een andere
mogendheid of van een volkenrechtelijke organisatie; en
c. personen die slechts
tijdelijk in Nederland verblijven of tijdelijk in Nederland werkzaam zijn.
-6. Bij een maatregel als
bedoeld in het vijfde lid kan worden afgeweken van het derde lid
ten aanzien van:
a. vreemdelingen die
rechtmatig in Nederland arbeid verrichten dan wel hebben verricht;
b. vreemdelingen die, na
rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van
artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet, tijdig toelating in
aansluiting op dat verblijf hebben aangevraagd, dan wel bezwaar hebben
gemaakt of beroep hebben ingesteld tegen de intrekking van het besluit
tot toelating, totdat op die aanvraag, dat bezwaar of dat beroep is
beslist.
Art. 3a.
Zo nodig in afwijking van
artikel 3 en de daarop berustende bepalingen:
a. wordt als werknemer
beschouwd de persoon van wie de verzekering op grond van deze wet
voortvloeit uit de toepassing van bepalingen van een verdrag of van een
besluit van een volkenrechtelijke organisatie;
b. wordt niet als werknemer
beschouwd de persoon op wie op grond van een verdrag of een
besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere
mogendheid van toepassing is.
Art. 4.
-1. Als dienstbetrekking
wordt mede beschouwd de arbeidsverhouding van de persoon die:
a. anders dan in de
uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep,
en anders dan als thuiswerker, op grond van een overeenkomst tot
aanneming van werk als bedoeld in artikel 1639 van Boek
7a van het Burgerlijk Wetboek, persoonlijk een werk tot stand brengt;
b. de in onderdeel a
bedoelde persoon bij het tot stand brengen van dat werk bijstaat;
c. krachtens overeenkomst
met een ander tegen beloning geregeld zijn bemiddeling verleent tot het
tot stand komen van overeenkomsten tussen daartoe door hem te bezoeken
personen en die ander, mits hij de bedoelde bemiddeling
uitsluitend voor die ander verleent, het verlenen van die bemiddeling niet een
voor hem bijkomstige werkzaamheid is en hij zich daarbij doorgaans
door niet meer dan twee andere personen laat bijstaan;
d. krachtens overeenkomst
met een ander tegen beloning geregeld zijn bemiddeling verleent tot het
tot stand komen van overeenkomsten tussen daartoe door hem te bezoeken
personen en een opdrachtgever van die ander, mits hij de bedoelde
bemiddeling uitsluitend voor die ander verleent, het verlenen van
die bemiddeling niet een voor hem bijkomstige werkzaamheid is en hij zich
daarbij doorgaans door niet meer dan twee andere personen laat
bijstaan;
e. vervallen;
f. als lid van de bemanning
van een vissersvaartuig aanspraak heeft op een aandeel in de besomming,
tenzij hij:
1º. als zodanig tegen
geldelijke gevolgen van arbeidsongeschiktheid is verzekerd bij het Sociaal
Fonds voor de Maatschapsvisserij; of
2º. exploitant of
mede-exploitant van het vaartuig is;
g. zijn militaire
dienstplicht of in plaats daarvan vervangende dienst vervult;
h. degene die als
bestuurder werkzaam is ten behoeve van een coöperatie die met haar
leden uitsluitend arbeidsovereenkomsten als bedoeld in artikel 610,
eerste lid, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek sluit, indien hij lid is van
de coöperatie en deze blijkens haar statuten en met inachtneming van de
vereisten gesteld in het derde lid en krachtens het vierde lid kan worden
beschouwd als een coöperatie met werknemerszelfbestuur.
-2. Het eerste lid, onderdeel
a en b, blijft buiten toepassing indien de in onderdeel a bedoelde
overeenkomst rechtstreeks is aangegaan met een natuurlijk persoon ten
behoeve van diens persoonlijke aangelegenheden.
-3. Een coöperatie als
bedoeld in het eerste lid, onderdeel h, dient te voldoen aan de
vereisten
dat:
a. doorgaans ten minste twee
derde deel van het aantal personen met wie de coöperatie een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 610,
eerste lid, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek heeft gesloten, lid van de coöperatie is;
b. het lidmaatschap van de
coöperatie door ieder van de in onderdeel a bedoelde personen onder
dezelfde voorwaarden kan worden verkregen en voorwaarden van
geldelijke aard geen wezenlijke belemmering vormen voor de verkrijging
van het lidmaatschap;
c. de leden van de
coöperatie ieder één stem hebben;
d. de arbeidsvoorwaarden van
de leden van de coöperatie niet wezenlijk verschillen van
hetgeen gebruikelijk is bij gelijksoortige ondernemingen in de
desbetreffende sector;
e. een lid van de
coöperatie, behoudens in geval van liquidatie van de coöperatie, bij
beëindiging van zijn lidmaatschap ten hoogste aanspraak kan maken op het door hem
uit hoofde van een geldelijke voorwaarde als bedoeld in onderdeel b,
hetzij uit anderen hoofden aan de coöperatie betaalde bedrag, herrekend
naar geldontwaarding.
-4. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld waarbij de in het derde lid
genoemde vereisten:
a. nader worden bepaald;
b. worden aangevuld met
andere vereisten op grond waarvan de coöperatie kan worden
beschouwd als een coöperatie met werknemerszelfbestuur.
Art. 5.
Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld op grond waarvan
eveneens als dienstbetrekking wordt beschouwd de
arbeidsverhouding van de persoon die:
a. als thuiswerker arbeid
verricht;
b. de in onderdeel a
bedoelde persoon als hulp bij het verrichten van de arbeid bijstaat;
c. als musicus of anderszins
als artiest optreedt of als beroep een tak van sport beoefent; en
d. tegen beloning
persoonlijk arbeid verricht en wiens arbeidsverhouding niet reeds op grond van dit
artikel en de artikelen 3 en 4 als dienstbetrekking wordt
beschouwd, doch hiermee maatschappelijk gelijk kan worden gesteld.
Art. 6.
-1. Als dienstbetrekking
wordt niet beschouwd de arbeidsverhouding van de persoon:
a. bedoeld in artikel 2,
eerste lid, onderdeel a, van de Ambtenarenwet;
b. die als vrijwilliger
werkzaamheden verricht als politiebeambte, alsmede van degene die als
vrijwilliger al dan niet tegen loon werkzaamheden verricht bij de
gemeentelijke brandweer;
c. die ten behoeve van de
natuurlijke persoon tot wie hij in dienstbetrekking staat, uitsluitend of
nagenoeg uitsluitend huiselijke of persoonlijke diensten in diens
huishouding verricht en die diensten doorgaans op minder dan drie dagen per
week verricht;
d. die
directeur-grootaandeelhouder is.
-2. Door Onze Minister
worden, in overeenstemming met Onze Minister van
Financiën, regels
gesteld omtrent hetgeen onder directeur-grootaandeelhouder, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel d, wordt verstaan.
Art. 7.
-1. Tot een bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur, op voordracht van Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tezamen met Onze Minister
van Binnenlandse Zaken, te bepalen tijdstip wordt niet als
dienstbetrekking beschouwd de arbeidsverhouding van de overheidswerknemer, bedoeld
in artikel 1, onderdeel l, van de Wet overheidspersoneel onder de
werknemersverzekeringen.
-2. Het in het eerste lid
bedoelde tijdstip kan voor groepen van overheidswerknemers
verschillend worden vastgesteld.
-3. Bij of krachtens de
algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, kunnen nadere
en, zo nodig, van deze wet afwijkende regels worden gesteld.
Art. 8.
-1. Een persoon wiens
dienstbetrekking is geëindigd, behoudt de hoedanigheid van werknemer,
voor zover hij geen werkzaamheden verricht uit hoofde waarvan
hij op grond van deze wet niet als werknemer wordt beschouwd.
-2. Een persoon wiens
werknemerschap is geëindigd door het verrichten van werkzaamheden
in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van
een beroep, herkrijgt bij beëindiging van die werkzaamheden de
hoedanigheid van werknemer, voor zover die beëindiging plaatsvindt
binnen een tijdvak van anderhalf jaar nadat die werkzaamheden een aanvang
hebben genomen.
-3. Een persoon wiens
werknemerschap is geëindigd door het verrichten van werkzaamheden
als lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, van een
vertegenwoordigend orgaan van een publiekrechtelijk lichaam dat bij
rechtstreekse verkiezing wordt samengesteld, of van een algemeen bestuur van een
waterschap, herkrijgt bij beëindiging van die werkzaamheden de
hoedanigheid van werknemer, voor zover die beëindiging plaatsvindt
binnen het tijdvak van de bij de aanvang van die werkzaamheden voor die
persoon nog geldende uitkeringsduur krachtens deze wet.
-4. Onverminderd het tweede
en derde lid herkrijgt de persoon na afloop van de in het eerste lid
bedoelde werkzaamheden de hoedanigheid van werknemer indien deze niet
langer hebben geduurd dan zes maanden.
§ 3.
De werkgever
Art. 9.
Werkgever is de natuurlijke
persoon tot wie, of het lichaam tot welk, één of meer natuurlijke personen
in dienstbetrekking staan.
Art. 10.
Als werkgever wordt
beschouwd:
a. in de gevallen, bedoeld
in artikel 4, eerste lid, onderdeel:
a en b: de aanbesteder;
c en d: degene met wie de
overeenkomst tot bemiddeling is gesloten;
f: de exploitant of
mede-exploitant van het vaartuig;
g: Onze Minister van
Defensie of Onze Minister;
h. de coöperatie.
b. in de gevallen, bedoeld
in artikel 5, onderdeel:
a: de opdrachtgever;
b: de thuiswerker;
c: degene met wie het
optreden of de sportbeoefening is overeengekomen;
d: degene die bij de in
artikel 5 bedoelde algemene maatregel van bestuur als werkgever wordt aangewezen.
Art. 11.
-1. Als werkgever wordt
beschouwd in de gevallen waarin ziekengeld wordt betaald op grond van
de verplichte verzekering krachtens de Ziektewet
(Stb. 1967, 473), het Landelijk instituut sociale
verzekeringen dat het ziekengeld betaalbaar stelt.
-2. Als werkgever wordt
beschouwd in de gevallen waarin uitkering op grond van de verplichte
verzekering of hoofdstuk IV krachtens deze wet wordt betaald, het Landelijk
instituut sociale verzekeringen dat deze uitkering betaalbaar stelt.
-3. Als werkgever wordt
beschouwd in de gevallen waarin uitkering op grond van de verplichte
verzekering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
(Stb. 1987, 89) wordt
betaald, het Landelijk instituut sociale
verzekeringen dat deze uitkering betaalbaar stelt.
-4. Ingeval het Landelijk
instituut sociale verzekeringen de uitkering, bedoeld in het eerste tot en
met derde lid, vermeerderd met de daarover door de werkgever
verschuldigde premies, betaalt aan de werkgever, bedoeld in artikel
9, 10 of 12, teneinde deze uitkering door diens tussenkomst te doen uitbetalen, treedt
voor de toepassing van het eerste tot en met derde lid deze in de
plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen, onafhankelijk
van het voortbestaan van de dienstbetrekking met die werkgever.
Art. 12.
Onze Minister is bevoegd, in
afwijking van de artikelen 9 en 10, andere dan de aldaar bedoelde
personen of lichamen aan te wijzen als werkgever ten aanzien van de persoon
die:
a. krachtens overeenkomst
met een ander tegen beloning geregeld zijn bemiddeling verleent tot het
tot stand komen van overeenkomsten tussen daartoe door hem te bezoeken
personen en een opdrachtgever van die ander;
b. een thuiswerker als hulp
bij het verrichten van de arbeid bijstaat;
c. als musicus of anderszins
als artiest optreedt dan wel als beroep een tak van sport beoefent.
Art. 13.
De werkgever is verplicht de
werknemer de gelegenheid te geven tot het uitoefenen van de hem op
grond van deze wet of de daarop berustende bepalingen toegekende
bevoegdheden en tot het nakomen van de hem op grond van deze wet of
de daarop berustende bepalingen opgelegde verplichtingen,
voor zover de uitoefening van die bevoegdheden en de nakoming van die
verplichtingen niet buiten de arbeidstijd kan geschieden.
§ 4.
Het loon
Art. 14.
-1. Loon is het loon in de
zin van de Coördinatiewet Sociale Verzekering
(Stb. 1966, 64).
-2. Minimumloon is het
minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van
de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag (Stb. 1968, 657), of, indien
het een werknemer jonger dan 23 jaar betreft, het voor zijn
leeftijd geldende minimumloon per maand, bedoeld in artikel 7, derde lid, en
artikel 8, derde lid, van genoemde
wet, beide vermeerderd met de daarover
berekende vakantietoeslag, bedoeld in artikel 15 van die
wet, en
vervolgens gedeeld door 21,75.
-3. Loon door verschillende
personen tezamen onverdeeld ontvangen, wordt, voor zover niet
blijkt van een andere verdeling, geacht door ieder van hen voor een gelijk deel
te zijn ontvangen.
HOOFDSTUK
IIA
De
verplichte verzekering van loongerelateerde uitkering en
vervolguitkering bij werkloosheid
AFDELING 1
Algemene
bepalingen
§ 1.
De voorwaarden voor
het recht op loongerelateerde uitkering en vervolguitkering
Art. 15.
Met inachtneming van de
artikelen 16 tot en met 21 en de daarop berustende bepalingen heeft
de werknemer die werkloos is recht op loongerelateerde uitkering
en vervolguitkering.
Art. 16.
-1. Werkloos is de werknemer
die:
a. ten minste vijf of ten
minste de helft van zijn arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren,
alsmede het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon
over die uren; en
b. beschikbaar is om arbeid
te aanvaarden.
-2. Onder de in het eerste
lid bedoelde arbeidsuren per kalenderweek wordt verstaan het aantal
uren waarin de werknemer in de 26 kalenderweken onmiddellijk voorafgaande
aan het intreden van zijn verlies van arbeidsuren gemiddeld per
week als werknemer arbeid heeft verricht. Indien de werknemer minder
dan vijf arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren, wordt bij de
bepaling van het aantal arbeidsuren, bedoeld in de eerste volzin, mede in
aanmerking genomen het aantal uren waarin de werknemer in de 26 kalenderweken onmiddellijk voorafgaande aan het
intreden van zijn verlies
van arbeidsuren gemiddeld per week werkzaamheden heeft verricht uit hoofde
waarvan hij niet als werknemer wordt beschouwd. Voor de vaststelling van de periode van 26 kalenderweken,
bedoeld in de eerste en
tweede zin, worden weken, tot een maximum van 78 weken, waarin de
werknemer onbetaald verlof heeft genoten, niet in aanmerking genomen, tenzij
dit leidt tot een lager aantal uren dan wanneer die weken wel in
aanmerking zouden worden genomen.
-3. Met het recht op
onverminderde doorbetaling van zijn loon, bedoeld in het eerste lid, worden
gelijkgesteld de inkomsten waarop de werknemer recht heeft in
verband met de beëindiging van de dienstbetrekking, tot aan het bedrag aan loon
dat de werknemer zou hebben ontvangen indien de
dienstbetrekking door opzegging met inachtneming van de rechtens geldende
termijn zou zijn geëindigd. Onder inkomsten als bedoeld in de eerste zin
wordt niet verstaan een door de rechter toegewezen vergoeding van proceskosten.
Onder de rechtens geldende termijn, bedoeld in de eerste zin,
wordt verstaan de termijn die de werkgever of de werknemer op grond van
artikel 672 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek ieder voor zich bij
opzegging in acht behoort te nemen. Ingeval de dienstbetrekking is
geëindigd met wederzijds goedvinden, wordt onder de rechtens geldende
termijn, bedoeld in de eerste zin, verstaan de termijn die de werkgever op
grond van artikel 672 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek bij
opzegging in acht behoort te nemen. Het in de eerste zin bedoelde bedrag
wordt:
a. indien de
dienstbetrekking door opzegging is geëindigd, toegerekend aan de periode onmiddellijk
volgend op de datum waarop de dienstbetrekking is opgezegd;
b. indien de
dienstbetrekking is geëindigd door ontbinding, toegerekend aan de periode onmiddellijk
volgend op de datum van de beschikking tot ontbinding;
c. indien de
dienstbetrekking is geëindigd met wederzijds goedvinden, toegerekend aan de periode
onmiddellijk volgend op de datum waarop de beëindiging schriftelijk is
overeengekomen, dan wel, bij gebrek aan een schriftelijke
beëindigingsovereenkomst, aan de periode onmiddellijk volgend op het tijdstip
waarop de dienstbetrekking is geëindigd. Indien de dienstbetrekking
is geëindigd door ontbinding op verzoek van de werkgever, is artikel 672,
vierde lid, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige
toepassing.
-4. Het derde lid vindt geen
toepassing indien de werkgever na het einde van de dienstbetrekking
verkeert in een toestand als bedoeld in artikel 61, eerste lid, en
voor zover de
werknemer als gevolg van die toestand de in het derde lid bedoelde
inkomsten niet ontvangt.
-5. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen met betrekking tot het eerste en het tweede lid
regels worden gesteld:
a. omtrent de berekening van
het verlies van arbeidsuren bij een opeenvolgend verlies van
arbeidsuren, waarbij andere perioden voor de berekening van het aantal
gewerkte arbeidsuren in aanmerking kunnen worden genomen;
b. waarbij voor bepaalde
groepen werknemers een kortere of langere periode voor de berekening
van het aantal gewerkte arbeidsuren geldt.
-6. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen is bevoegd ten aanzien van groepen van werknemers
die in de regel meer dan 50 uren per kalenderweek werken, bij
verlies van arbeidsuren uit een dienstbetrekking waarin over de laatste 26
kalenderweken onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van het verlies
van arbeidsuren gemiddeld meer dan 50 uren is gewerkt, voor de
toepassing van het tweede lid te bepalen welk aantal uren ten hoogste in
aanmerking wordt genomen.
-7. Het Landelijk instituut
sociale verzekeringen is bevoegd:
a. voor de berekening van
het aantal arbeidsuren, bedoeld in het tweede lid, uren waarin geen
arbeid is verricht gelijk te stellen met arbeidsuren en uren waarin
arbeid is verricht buiten beschouwing te laten;
b. voor de berekening van
het verlies van arbeidsuren regels te stellen met betrekking tot
wisselende arbeidspatronen.
-8. Voor de toepassing van
deze wet en de daarop berustende bepalingen is de eerste dag
van werkloosheid de eerste dag waarop een verlies van één of meer
uren, alsmede een verlies van het recht op onverminderde doorbetaling
van het loon over die uren, intreedt in de kalenderweek waarin zich een
situatie voordoet als bedoeld in het eerste of tiende lid.
-9. Indien bij het intreden
van het arbeidsurenverlies, bedoeld in het eerste lid, aan één van de
overige in dat lid genoemde voorwaarden niet wordt voldaan of zich een
omstandigheid voordoet als bedoeld in de artikelen 19, eerste lid, of
19a, wordt in afwijking van het achtste lid voor de toepassing van deze wet
en de daarop berustende bepalingen als eerste werkloosheidsdag
aangemerkt de dag van de kalenderweek waarop aan de overige
voorwaarden als bedoeld in het eerste lid wordt voldaan en zich geen omstandigheid meer voordoet als bedoeld in de
artikelen 19, eerste lid, of 19a.
-10. In afwijking van het
eerste lid is tevens werkloos de werknemer die voldoet aan het eerste lid,
onderdeel a, doch niet voldoet aan het eerste lid, onderdeel b, wegens het
enkele feit dat hij voorafgaand aan of aansluitend op het
arbeidsurenverlies deelneemt of gaat deelnemen aan een naar het oordeel van het
Landelijk instituut sociale verzekeringen noodzakelijke opleiding of
scholing als bedoeld in artikel 76. Voor de toepassing van het negende
lid wordt een werknemer op wie de eerste volzin van toepassing is, beschouwd als een werknemer die voldoet aan
de voorwaarden van het
eerste lid.
-11. Voor de toepassing van
deze wet en de daarop berustende bepalingen is de maandag de
eerste dag van de kalenderweek.
Art. 17.
Recht op uitkering ontstaat
voor de werknemer, indien hij:
a. in 39 weken onmiddellijk
voorafgaande aan de eerste dag van werkloosheid in ten minste
26 weken als werknemer arbeid heeft verricht; en
b.
1º. aantoont in de
periode van vijf kalenderjaren onmiddellijk voorafgaande aan het jaar
waarin zijn eerste werkloosheidsdag is gelegen, in ten minste vier
kalenderjaren over 52 of meer dagen per jaar loon te hebben ontvangen; of
2º. onmiddellijk
voorafgaande aan of op zijn eerste dag van werkloosheid recht heeft op
een uitkering op grond van een wet als genoemd in artikel
19,
eerste lid, onderdeel b, c of d.
Art. 17a.
-1. Voor de vaststelling van
het in artikel 17, onderdeel a, bedoelde aantal van 39 weken worden
niet in aanmerking genomen weken gedurende welke de
werknemer:
a. wegens ziekte of
arbeidsongeschiktheid geen arbeid kon verrichten;
b. werkzaamheden heeft
verricht als bedoeld in artikel 8 en hij op grond van dat artikel de
hoedanigheid van werknemer heeft herkregen;
c. met toepassing van
artikel 23, tweede lid, van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten een reïntegratie-uitkering ontvangt als bedoeld in het eerste
lid van dat artikel; of
d. wegens het genieten van
onbetaald verlof geen arbeid heeft verricht, tot een maximum van 78
weken.
-2. Voor de vaststelling van
het in artikel 17, onderdeel a, bedoelde aantal van 26 weken wordt de
in een week verrichte arbeid slechts in aanmerking genomen voor
zover deze betrekking heeft op de dienstbetrekking waaruit de werknemer
werkloos is geworden en op één of meer dienstbetrekkingen waarvoor eerstgenoemde dienstbetrekking in de
plaats is gekomen, en voor
zover deze niet reeds eerder heeft geleid tot het ontstaan van een recht
op uitkering ingevolge dit hoofdstuk of hoofdstuk IIb.
-3. Bij algemene maatregel
van bestuur kan voor bepaalde groepen werknemers het in artikel
17, onderdeel a, bedoelde aantal van 26 weken lager worden gesteld.
-4. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen is bevoegd met betrekking tot het in
artikel 17, onderdeel a, bedoelde aantal van 26 weken zo
nodig in afwijking van het
tweede lid:
a. weken waarin geen arbeid
is verricht in de dienstbetrekking waaruit de werknemer werkloos is
geworden gelijk te stellen met weken als bedoeld in artikel
17,
onderdeel a; en
b. regels te stellen omtrent
het meer keren in aanmerking nemen van weken waarin arbeid is
verricht.
Art. 17b.
-1. Voor de toepassing van
artikel 17, onderdeel b, onder 1º, worden met dagen waarover loon is
ontvangen, gelijkgesteld:
a. dagen waarover een
persoon recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de
Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of een reïntegratie-uitkering
ontvangt als bedoeld in artikel 23 van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten, die al dan niet vermeerderd met
een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
70% of meer bedraagt van het dagloon waarnaar zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn
berekend, dan wel een
uitkering ontvangt die naar aard en strekking daarmee overeenkomt;
b. dagen waarover een
persoon een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk III van de
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen,
berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van ten minste 80% of een toelage op grond van dat
hoofdstuk, die al dan niet vermeerderd met de arbeidsongeschiktheidsuitkering
70% of meer bedraagt van het dagloon waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn berekend.
-2. Voor de toepassing van
artikel 17, aanhef en onderdeel b, onder 1º, worden niet reeds in
aanmerking genomen kalenderjaren waarin een persoon een tot zijn
huishouden behorend kind verzorgt dat bij de aanvang van dat
kalenderjaar:
a. de leeftijd van zes jaar
niet heeft bereikt, gelijkgesteld met kalenderjaren waarin over 52 of meer dagen
loon is ontvangen;
b. de leeftijd van zes jaar
doch die van twaalf jaar nog niet heeft bereikt, voor de helft
gelijkgesteld met kalenderjaren waarin over 52 of meer dagen loon is
ontvangen.
-3. Het tweede lid vindt geen
toepassing, indien:
a. de verzorgende persoon in
een kalenderjaar voor een periode langer dan een halfjaar als
werknemer in de zin van een wettelijke regeling inzake werkloosheid recht
heeft op een uitkering ter zake van werkloosheid; of
b. de verzorging uitsluitend
of vrijwel uitsluitend buiten Nederland plaatsvindt.
-4. Indien er in een
gezamenlijke huishouding meer verzorgende personen zijn als bedoeld in
het tweede lid, wordt voor de toepassing van dat lid als verzorgende
persoon van het kind beschouwd degene van deze personen die zij als zodanig
hebben aangewezen. Ingeval geen verzorgende persoon wordt aangewezen, is het
Landelijk instituut sociale verzekeringen bevoegd
één
van hen die naar zijn oordeel als verzorgende persoon moet worden
beschouwd, als zodanig aan te wijzen.
-5. Voor de toepassing van
het tweede en vierde lid wordt onder:
a. een kind verstaan een
eigen, aangehuwd of pleegkind;
b. een pleegkind verstaan
een kind dat als een eigen kind wordt onderhouden en opgevoed.
-6. Voor de toepassing van
artikel 17, onderdeel b, onder 1º, worden dagen, tot een maximum van
achttien maanden, waarover de werknemer onbetaald verlof heeft
genoten, gelijkgesteld met dagen waarover loon is ontvangen.
-7. Voor de toepassing van
dit artikel en van artikel 17, onderdeel b, onder 1º, wordt
a. de persoon, bedoeld in
artikel 7, geacht als werknemer in een dienstbetrekking in de zin
van deze wet te staan;
b. niet als loon beschouwd
een uitkering op grond van deze wet, met uitzondering van een
uitkering op grond van hoofdstuk IV van deze wet, alsmede een uitkering op
grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%;
c. het aantal dagen
waarover loon wordt ontvangen, vastgesteld overeenkomstig artikel
9,
vijfde en zesde lid, van de Coördinatiewet Sociale
Verzekering.
-8. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld:
a. op grond waarvan voor het
bepalen van het aantal van 52 dagen, bedoeld in artikel
17,
onderdeel b, onder 1º, dagen waarover, anders dan bedoeld in het zesde lid,
geen loon is ontvangen, worden gelijkgesteld met dagen waarover loon is
ontvangen;
b. ter zake van de
aanwijzing van de verzorgende persoon, bedoeld in het vierde lid.
Art. 17c.
-1. Indien in de kalenderweek
na het ontstaan van een recht op uitkering ter zake van gedeeltelijke werkloosheid uit een
dienstbetrekking een
nieuw recht op uitkering
ontstaat ter zake van toegenomen werkloosheid uit dezelfde
dienstbetrekking of een dienstbetrekking die voor eerstgenoemde
dienstbetrekking in de
plaats is gekomen, worden beide rechten samengevoegd tot één recht.
-2. Het eerste lid vindt geen
toepassing met betrekking tot een recht dat reeds door samenvoeging van
rechten is ontstaan.
Art. 18.
-1. De werknemer die
werkloos is uitsluitend als gevolg van vorst, sneeuwval, hoog water of
andere buitengewone natuurlijke omstandigheden heeft recht op uitkering
voor de duur van de buitengewone natuurlijke omstandigheden.
-2. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen is bevoegd ten aanzien van één of meer bepaalde
groepen van bij hem verzekerde werknemers, in afwijking van artikel
16,
eerste lid, regels te stellen op grond waarvan voor de toepassing van het
eerste lid ook als werkloos wordt beschouwd de werknemer die minder dan
vijf arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren, alsmede het recht
op onverminderde doorbetaling van zijn loon over die uren.
-3. Artikel 17 is niet van
toepassing op de in het eerste lid bedoelde werknemer.
-4. Bij de vaststelling van
de uitkeringsduur op grond van afdeling II en III
blijven perioden waarin
recht op uitkering op grond van het eerste lid bestaat buiten beschouwing.
Art. 19.
-1. Geen recht op uitkering
heeft de werknemer die:
a. een uitkering ontvangt op
grond van de Ziektewet of een uitkering die naar aard en strekking
daarmee overeenkomt;
b.
1º. een uitkering
ontvangt op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of de
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, berekend
naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of een
uitkering ontvangt die naar aard en strekking met één van de genoemde
uitkeringen overeenkomt; of
2º. een uitkering ontvangt
op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen, berekend
naar
een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, tenzij de
werknemer werkloos is geworden uit een dienstbetrekking die hij,
voorafgaand aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, vervulde
naast de werkzaamheden uit hoofde waarvan hij verzekerd was op grond van
de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;
c. een uitkering ontvangt op
grond van de Liquidatiewet
ongevallenwetten (Stb. 1967,
99), berekend naar volledige arbeidsongeschiktheid;
d. een uitkering ontvangt op
grond van hoofdstuk III van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
militairen (Stb. 1972, 313), berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of een toelage op grond van dat
hoofdstuk,
die, al dan niet vermeerderd met de arbeidsongeschiktheidsuitkering,
70% of meer bedraagt van het dagloon waarnaar de
arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn berekend;
e. vakantiebonnen of daarmee
overeenkomende aanspraken, bestemd voor bij of krachtens
collectieve arbeidsovereenkomst aangewezen feestdagen en verplichte
snipperdagen, heeft verkregen over die dagen, tenzij deze vakantiebonnen
of daarmee overeenkomende aanspraken zijn verstrekt als een deel van
een uitkering op grond van dit hoofdstuk, dan wel naast een uitkering op
grond van de Ziektewet indien de ziekengeldverzekering is ontleend aan artikel 7
van die wet;
f. buiten Nederland woont of
verblijf houdt anders dan wegens vakantie;
g. niet rechtmatig in
Nederland verblijf houdt als bedoeld in artikel 1b van de Vreemdelingenwet;
h. rechtens zijn vrijheid is
ontnomen;
i. de eerste dag van de
maand waarin hij 65 jaar wordt, heeft bereikt;
j. op grond van artikel 17
van de Coördinatiewet Sociale Verzekering een vrijstelling wegens gemoedsbezwaren heeft of wiens werkloosheid
binnen drie maanden na de datum
van intrekking van een zodanige vrijstelling is aangevangen;
k. vakantie geniet;
l. werkloos is tengevolge
van werkstaking of uitsluiting;
m. een uitkering ontvangt
als bedoeld in artikel 23 van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten in verband met het volgen van scholing of opleiding.
-2. Indien een uitkering als
bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, b, c of d, niet wordt betaald wegens
voor de werknemer geldende wachtdagen of wegens enig handelen of
nalaten dat hem redelijkerwijs kan worden verweten, wordt het niet
betalen daarvan voor de toepassing van het eerste lid gelijkgesteld met
het ontvangen van die uitkering.
-3. Geen recht op uitkering
heeft de werknemer over een dag waarop zijn arbeid wordt
onderbroken uitsluitend doordat:
a. deze dag voor hem als
rustdag geldt;
b. deze dag een nationale of
algemeen erkende christelijke feestdag is, dan wel een kerkelijke
feestdag die ter plaatse waar de werknemer pleegt te werken algemeen als
zodanig wordt gevierd.
-4. Het eerste lid blijft
buiten toepassing ten aanzien van de werknemer die uitsluitend uit hoofde
van een andere dienstbetrekking dan de dienstbetrekking waaruit hij
werkloos is geworden in een omstandigheid verkeert als bedoeld in het
eerste lid.
-5. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen is bevoegd:
a. regels te stellen met
betrekking tot het begrip vakantie genieten, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel k;
b. in afwijking van het
eerste lid, onderdeel k, regels te stellen met betrekking tot de
vaststelling van de periode gedurende welke de werknemer met behoud van
zijn recht op uitkering vakantie kan genieten;
c. regels te stellen met
betrekking tot het buiten aanmerking laten van vakantiebonnen en daarmee
overeenkomende aanspraken, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e.
-6. Het Landelijk instituut
sociale verzekeringen is bevoegd ten aanzien van een werknemer of groep werknemers in bijzondere gevallen af te
wijken van het eerste lid,
onderdeel l.
-7. Onze Minister
is bevoegd
voor gevallen waarin toepassing van het eerste lid, onderdeel a tot
en met h, tot onbillijkheden zou kunnen leiden, regels te stellen op grond
waarvan kan worden afgeweken van het bepaalde in die onderdelen.
Art. 19a. Vervallen.
Art. 20.
-1. Het recht op uitkering
eindigt:
a. voor zover de werknemer
zijn hoedanigheid van werknemer verliest;
b. voor zover de werknemer
niet langer werkloos is;
c. indien ter zake van na
het ontstaan van het recht verrichte arbeid een nieuw recht op uitkering is
ontstaan, voor zover het aantal arbeidsuren waarnaar beide rechten samen
zijn berekend, vermeerderd met het resterend aantal arbeidsuren
per kalenderweek, groter is dan het aantal arbeidsuren, bedoeld in
artikel 16, voorafgaande aan het intreden van het verlies van arbeidsuren
waarnaar het eerstgenoemde recht is berekend;
d. zodra zich een
omstandigheid voordoet als bedoeld in de artikelen 19, eerste lid, of
19a;
e. zodra de voor de
werknemer geldende uitkeringsduur is verstreken.
-2. Voor de werknemer op wie
het eerste lid, onderdeel a, van toepassing is, eindigt het
recht op uitkering ter zake van het aantal uren dat hij werkzaamheden
verricht uit hoofde waarvan hij niet als werknemer in de zin van deze wet wordt
beschouwd.
-3. Op grond van het eerste
lid, onderdeel b, eindigt het recht op uitkering geheel, indien de
werknemer:
a. al dan niet opeenvolgend
een zodanig aantal uren arbeid als werknemer verricht dat een
verlies aan arbeidsuren resteert van minder dan vijf en minder dan de
helft van zijn arbeidsuren, bedoeld in artikel 16;
b. beschikbaar is voor
arbeid voor minder dan vijf en minder dan de helft van zijn arbeidsuren,
bedoeld in artikel 16.
-4. Op grond van het eerste
lid, onderdeel b, eindigt het recht op uitkering gedeeltelijk,
indien de werknemer:
a. al dan niet opeenvolgend ten minste vijf of de helft van zijn arbeidsuren arbeid als
werknemer verricht en nog een verlies aan arbeidsuren resteert van ten
minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren, bedoeld in
artikel 16;
b. beschikbaar is voor
arbeid voor minder arbeidsuren dan het aantal dat hij heeft verloren, doch
voor ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren, bedoeld in
artikel 16.
-5. Voor de werknemer op wie:
a. het vierde lid, onderdeel a, van toepassing is, eindigt het recht op uitkering ter zake van het
aantal arbeidsuren dat hij arbeid als werknemer verricht;
b. het vierde lid, onderdeel b, van toepassing is, eindigt het recht op uitkering ter zake van het
aantal arbeidsuren dat hij minder beschikbaar is voor arbeid.
-6. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen is bevoegd:
a. voor de berekening van
het aantal arbeidsuren, bedoeld in het derde en vierde lid, ter zake
waarvan het recht op uitkering eindigt, uren waarin arbeid wordt verricht buiten
beschouwing te laten en uren waarin geen arbeid is verricht gelijk te
stellen met uren waarin arbeid wordt verricht;
b. regels te stellen met
betrekking tot het geheel of gedeeltelijk eindigen van een recht op
uitkering bij samenloop van uitkeringen op grond van dit hoofdstuk;
c. voor de berekening van
het aantal arbeidsuren, bedoeld in het derde en vierde lid, ter zake
waarvan het recht op uitkering eindigt, regels te stellen met betrekking tot
wisselende arbeidspatronen.
Art. 21.
-1. Indien het recht op
uitkering op grond van artikel 20, eerste lid, onderdeel a, b,
c of d,
geheel of gedeeltelijk is geëindigd en vervolgens de omstandigheid die tot dat
eindigen heeft geleid, heeft opgehouden te bestaan, herleeft het recht
op uitkering met inachtneming van het tweede lid, de in artikel 8 en het
derde lid genoemde termijnen en de op grond van het vierde lid gestelde
regels, voor zover geen nieuw recht op uitkering ingevolge dit
hoofdstuk bestaat.
-2. In afwijking van het
eerste lid herleeft een recht dat geheel geëindigd is niet, indien:
a. het recht op uitkering
dat zou herleven een omvang zou hebben van minder dan één arbeidsuur
per kalenderweek;
b. een nieuw recht op
uitkering ingevolge dit hoofdstuk is ontstaan uit een volledige
dienstbetrekking en het verschil tussen het geëindigde recht en het nieuwe recht minder
dan vijf arbeidsuren per kalenderweek bedraagt;
c. na de dag waarop het
recht dat zou herleven geheel geëindigd is, één jaar is verstreken en het
recht dat zou herleven een omvang zou hebben van minder dan vijf
arbeidsuren per kalenderweek.
-3. Een recht op uitkering
dat geheel of gedeeltelijk is geëindigd:
a. wegens een omstandigheid
als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel f, h of k; of
b. op grond van artikel 20,
eerste lid, onderdeel b, als gevolg van het niet kunnen voldoen aan de voorwaarde, bedoeld in
artikel 16, eerste lid,
onderdeel b, wegens andere
omstandigheden dan ziekte of arbeidsongeschiktheid of het volgen van scholing
of opleiding, ter zake waarvan de werknemer een uitkering ontvangt als bedoeld in
artikel 19, eerste lid, onderdeel a, b, c, d of m;
of
c. wegens een combinatie van
de hier bedoelde omstandigheden;
kan, ook indien deze
omstandigheden zich aaneensluitend voordoen, slechts herleven indien de
periode tussen de eindiging van het recht en het vervallen van de
omstandigheid of omstandigheden als hier bedoeld niet langer is dan zes
maanden.
-4. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen is bevoegd regels te stellen op grond waarvan
voor groepen van werknemers de termijn, genoemd in het derde lid,
buiten toepassing wordt verklaard.
§ 2.
Het geldend maken van
het recht op loongerelateerde uitkering en vervolguitkering
Art. 22.
-1. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen stelt op aanvraag vast of recht op uitkering bestaat.
-2. Een aanvraag wordt
ingediend door middel van een door het Landelijk instituut sociale
verzekeringen beschikbaar gesteld aanvraagformulier.
-3. Op de toekenning en de
beëindiging van een uitkering als bedoeld in artikel 18 of van een
uitkering die verband houdt met een verleende ontheffing op grond van artikel
8, derde lid, van het Buitengewoon
Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 zijn de artikelen 3:40 en 3:45 van de
Algemene wet bestuursrecht niet van
toepassing indien redelijkerwijs mag worden aangenomen dat aan de
bekendmaking van de beschikking geen behoefte bestaat.
-4. Verzoekt de
belanghebbende binnen een redelijke termijn echter om bekendmaking van de in het
derde lid bedoelde beschikking, dan wordt deze zo spoedig mogelijk
verstrekt.
Art. 22a.
-1. Onverminderd het elders
in deze wet bepaalde ter zake van herziening of intrekking van
een besluit tot toekenning van uitkering en ter zake van weigering van
uitkering, herziet het Landelijk instituut sociale
verzekeringen een dergelijk
besluit of trekt het dat in:
a. indien het niet of niet
behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel
24, 25 of
26 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
uitkering;
b. indien anderszins de
uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
c. indien het niet of niet
behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 25, ertoe
leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op uitkering bestaat.
-2. Indien daarvoor dringende
redenen aanwezig zijn, kan het Landelijk instituut sociale
verzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af
te zien.
Art. 23.
Het recht op uitkering kan
niet worden vastgesteld over perioden gelegen vóór 26 weken
voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag om een uitkering werd
ingediend. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen is bevoegd in bijzondere
gevallen af te wijken van de eerste volzin.
Art. 24.
-1. De werknemer voorkomt dat
hij:
a. verwijtbaar werkloos
wordt;
b. werkloos is of blijft,
doordat hij:
1º. in onvoldoende mate
tracht passende arbeid te verkrijgen;
2º. nalaat aangeboden
passende arbeid te aanvaarden of door eigen toedoen geen passende arbeid
verkrijgt;
3º. door eigen toedoen geen
passende arbeid behoudt; of
4º. in verband met door hem
te verrichten arbeid eisen stelt die het aanvaarden of verkrijgen van
passende arbeid belemmeren.
-2. De werknemer is
verwijtbaar werkloos geworden, indien:
a. hij zich verwijtbaar
zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat dit
gedrag de beëindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen
hebben;
b. de dienstbetrekking
eindigt of is beëindigd zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige
bezwaren zijn verbonden dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem
zou kunnen worden gevergd.
-3. De werknemer is niet
verwijtbaar werkloos geworden indien voor de opzegging van de
dienstbetrekking toestemming is verleend krachtens artikel
6 van het Buitengewoon Besluit
Arbeidsverhoudingen 1945 en die toestemming uitsluitend is
gemotiveerd door bedrijfseconomische omstandigheden.
-4. Als passende arbeid,
bedoeld in het eerste lid, wordt beschouwd alle arbeid die voor de krachten
en bekwaamheden van de werknemer is berekend, tenzij aanvaarding
om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem
kan worden gevergd. Niet als passende arbeid wordt beschouwd arbeid op grond van een arbeidsovereenkomst als
bedoeld in hoofdstuk 2 van
de Wet sociale werkvoorziening.
-5. Bij algemene maatregel
van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent het begrip passende
arbeid, bedoeld in het eerste en derde lid.
-6. De werknemer is verplicht
zich zodanig te gedragen dat hij door zijn doen en laten het Algemeen Werkloosheidsfonds of het wachtgeldfonds
niet benadeelt of zou kunnen
benadelen. Onder benadeling in de zin van dit artikel is niet begrepen
een gedraging als bedoeld in artikel 25.
-7. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen is bevoegd regels te stellen waarbij bepaalde
groepen werknemers worden vrijgesteld van verplichtingen hun op grond
van het eerste lid, onderdeel b, onder 1º, 2º en 4º, opgelegd.
Art. 25.
De werknemer is verplicht
aan het Landelijk instituut sociale
verzekeringen op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mede te
delen waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van
invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht
op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag
van de uitkering dat aan de werknemer wordt betaald. Deze verplichting
geldt niet voor zover een recht op uitkering niet geldend kan worden gemaakt
als gevolg van een blijvend gehele weigering.
Art. 26.
-1. De werknemer is
verplicht:
a. uiterlijk de eerste
werkdag volgend op de eerste dag van werkloosheid bij het Landelijk instituut sociale
verzekeringen aangifte te doen van zijn
werkloosheid;
b. binnen één week na
het intreden van zijn werkloosheid bij het Landelijk instituut
sociale verzekeringen een aanvraag om een uitkering in te dienen;
c. de voorschriften op te
volgen die het Landelijk instituut sociale verzekeringen ten behoeve
van een doelmatige controle stelt;
d. zich als werkzoekende
bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie te laten registreren en die
registratie tijdig te doen verlengen, indien hem daartoe het recht toekomt op
grond van artikel 69 van de Arbeidsvoorzieningswet 1996;
e. gevolg te geven aan
een verzoek van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie om inlichtingen van
belang voor de uitvoering van deze wet en de daarop berustende
bepalingen te verstrekken;
f. mee te werken aan een
scholing of opleiding die noodzakelijk wordt geacht voor zijn
inschakeling in de arbeid dan wel aan andere aangewezen activiteiten die daarvoor
bevorderlijk zijn, beschikbaar te zijn voor de voorzieningen van de
Wet inschakeling werkzoekenden en mee te werken aan het verkrijgen
van die voorzieningen;
g. mee te werken aan een
voor hem gewenst onderzoek naar zijn arbeidsgeschiktheid door
een arts, een psycholoog of een beroepskeuzeadviseur;
h. te voldoen aan de
andere voorwaarden die het Landelijk instituut sociale verzekeringen op
grond van artikel 101, tweede lid, stelt;
i. de hem op grond van
hoofdstuk VI opgelegde verplichtingen na te komen; en
j. de voorschriften op te
volgen die het Landelijk instituut sociale verzekeringen stelt in
verband met het genieten van vakantie tijdens de duur van de uitkering.
-2. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen is bevoegd regels te stellen met betrekking
tot het tijdstip van registratie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d.
-3. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen is bevoegd regels te stellen waarbij bepaalde
groepen werknemers worden vrijgesteld van verplichtingen hun op
grond van het eerste lid, onderdeel d, f of g, opgelegd.
Art. 27.
-1. Indien de werknemer
een verplichting hem op grond van artikel 24, eerste lid, onderdeel a,
of onderdeel b, onder 3º opgelegd, niet is nagekomen, weigert het
Landelijk instituut sociale verzekeringen de uitkering blijvend
geheel, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in
overwegende mate kan worden verweten. In dat geval weigert het Landelijk
instituut sociale verzekeringen de uitkering over een periode van 26 weken
gedeeltelijk door het uitkeringspercentage te verlagen van 70 naar 35.
-2. Indien de werknemer
een verplichting hem op grond van artikel 24, eerste lid, onderdeel b,
onder 2º, opgelegd, niet is nagekomen, weigert het Landelijk instituut
sociale verzekeringen de uitkering blijvend over het aantal uren waarover het
recht op uitkering zou zijn geëindigd of niet zou zijn ontstaan indien de
werknemer de betreffende arbeid zou hebben aanvaard of verkregen.
-3. Indien de werknemer
een verplichting hem op grond van de artikelen 24, eerste lid,
onderdeel b, onder 1º of 4º, vijfde lid, of 26 opgelegd, of de
verplichting, bedoeld in artikel 89, vierde lid, van de
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997, niet of niet behoorlijk is nagekomen, dan wel de
verplichting, bedoeld in artikel 25, niet binnen de door het Landelijk
instituut sociale verzekeringen daarvoor vastgestelde termijn is nagekomen,
weigert het Landelijk instituut sociale verzekeringen de uitkering tijdelijk of
blijvend, geheel of gedeeltelijk.
-4. Een maatregel als
bedoeld in het derde lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en
de mate waarin de werknemer de gedraging verweten kan worden. Van
het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien indien
elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
-5. Indien het niet tijdig
nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 25, niet heeft geleid tot
het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering,
of indien de werknemer zich niet houdt aan de voorschriften, bedoeld in
artikel 26, eerste lid, onderdeel a, b of d, kan het Landelijk instituut
sociale verzekeringen afzien van het opleggen van een maatregel als bedoeld
in het derde lid en volstaan met het geven van een schriftelijke
waarschuwing ter zake van het niet tijdig nakomen van de verplichting of het
zich
niet houden aan de voorschriften, tenzij het niet tijdig nakomen van de
verplichting of het zich niet houden aan de voorschriften
plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop
eerder aan de werknemer een zodanige waarschuwing is gegeven.
-6. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn, kan het Landelijk instituut sociale
verzekeringen besluiten van het opleggen van een maatregel af te zien.
-7. Het opleggen van een
maatregel blijft achterwege indien voor dezelfde gedraging een
boete als bedoeld in artikel 27a wordt opgelegd.
-8. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met
betrekking tot het derde en vierde lid.¹
1. Dit artikellid is nog
niet in werking getreden. Tot het moment van
inwerkingtreding is de volgende tekst van toepassing: Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen stelt nadere regels met betrekking tot
het derde en vierde lid.
Art. 27a.
-1. Indien de werknemer de
verplichting bedoeld in artikel 25 niet of niet behoorlijk is nagekomen,
legt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen hem een boete op van ten
hoogste ƒ5000,00.
-2. De hoogte van de boete
wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin
de werknemer de gedraging verweten kan worden en de
omstandigheden waarin hij verkeert. Van het opleggen van een boete wordt in elk
geval afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
-3. Indien het niet of
niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel
25,
niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
uitkering, kan het Landelijk instituut sociale verzekeringen afzien van
het opleggen van een boete als bedoeld in het eerste lid en volstaan
met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet of
niet behoorlijk nakomen van de verplichting, tenzij het niet of niet
behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar
te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de werknemer een zodanige
waarschuwing is gegeven.
-4. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn, kan het Landelijk instituut sociale
verzekeringen besluiten van het opleggen van een boete af te zien.
-5. Degene aan wie een
boete is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan het Landelijk instituut
sociale verzekeringen de inlichtingen te verstrekken die voor de
tenuitvoerlegging van de boete van belang zijn.
-6. Voor zover de boete
nog niet is geïnd, vervalt zij door het overlijden van degene aan wie zij is
opgelegd.
-7. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met
betrekking tot het eerste en het tweede lid.¹
1. Dit artikellid is nog
niet in werking getreden. Tot het moment van
inwerkingtreding is de volgende tekst van toepassing: Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen stelt nadere regels met betrekking tot
het eerste en het tweede lid.
Art. 27b.
-1. Indien het Landelijk instituut sociale
verzekeringen jegens de werknemer een handeling
verricht waaraan deze in redelijkheid de gevolgtrekking kan
verbinden dat aan hem wegens een bepaalde gedraging een boete zal
worden opgelegd, is de werknemer niet langer verplicht ter zake van
die gedraging enige verklaring af te leggen, voor zover het betreft de
boeteoplegging. De werknemer wordt hiervan in kennis gesteld alvorens
hem mondeling om informatie wordt gevraagd.
-2. Indien het Landelijk
instituut sociale verzekeringen voornemens is om aan de werknemer een
boete op te leggen, wordt hiervan kennisgegeven aan de werknemer
onder vermelding van de gronden waarop het voornemen berust. De
kennisgeving is een handeling als bedoeld in het eerste lid.
-3. Op verzoek van de
werknemer die de in het vorige lid bedoelde kennisgeving wegens zijn
gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt,
draagt het Landelijk instituut sociale verzekeringen er zoveel mogelijk zorg
voor dat de in die kennisgeving vermelde gronden aan de werknemer worden
medegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.
-4. In afwijking van
afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht stelt het Landelijk instituut sociale verzekeringen de werknemer in de gelegenheid om naar keuze
schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren te brengen voordat
de boete wordt opgelegd.
-5. Indien de werknemer
zijn zienswijze mondeling naar voren brengt, draagt het Landelijk
instituut sociale verzekeringen er op verzoek van de werknemer die de
Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, zorg voor dat een tolk wordt benoemd
die de werknemer kan bijstaan, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat
daaraan geen behoefte bestaat.
Art. 27c.
-1. Het besluit waarbij de
boete wordt opgelegd, vermeldt de termijn of de termijnen waarbinnen
deze moet worden betaald, alsmede de wijze waarop het besluit bij
gebreke van tijdige betaling, overeenkomstig artikel 27g
zal worden ten uitvoer gelegd.
-2. Op verzoek van de
werknemer die het in het eerste lid bedoelde besluit wegens zijn
gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, draagt het
Landelijk instituut sociale verzekeringen er zoveel mogelijk zorg voor
dat de in dat besluit vermelde informatie aan de werknemer wordt
meegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.
-3. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen stelt nadere regels met betrekking tot het eerste
lid.
Art. 27d.
-1. Een boete wordt niet
opgelegd zolang de gedraging wordt onderzocht door het openbaar
ministerie.
-2. De oplegging van een
boete blijft definitief achterwege indien ter zake van de gedraging
tegen de werknemer een strafvervolging is ingesteld en het
onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot
strafvordering is vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek
van Strafrecht.
-3. Het openbaar
ministerie doet van een omstandigheid als bedoeld in het eerste en het tweede
lid mededeling aan het Landelijk instituut sociale
verzekeringen.
Art. 27e.
-1. Een boete wordt
opgelegd binnen één jaar nadat het Landelijk instituut sociale
verzekeringen de werknemer overeenkomstig het bepaalde in artikel 27b,
vierde lid, in de gelegenheid heeft gesteld zijn zienswijze naar voren te
brengen. Indien ter zake aangifte is gedaan of proces-verbaal is
opgemaakt en ingezonden, vangt de termijn van één jaar aan op de dag na die
waarop het openbaar ministerie aan het Landelijk instituut sociale
verzekeringen heeft medegedeeld dat geen strafvervolging wordt ingesteld.
-2. Een boete wordt in elk
geval niet opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de desbetreffende
gedraging heeft plaatsgevonden.
Art. 27f.
In afwijking van artikel
8:69 van de Algemene wet bestuursrecht kan de rechter in beroep of
hoger beroep het bedrag waarop de boete is vastgesteld ook ten
nadele van de werknemer wijzigen.
Art. 27g.
-1. Het besluit waarbij
een boete is opgelegd, levert een executoriale titel op in de zin van het
Tweede
Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De titel
heeft mede betrekking op de rente en kosten, bedoeld in het zesde lid.
-2. Indien degene aan wie
een boete is opgelegd uitkering ontvangt op grond van deze wet, de Ziektewet, de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de
Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
militairen of een toeslag op grond van de Toeslagenwet, wordt
het besluit waarbij de boete is opgelegd ten uitvoer gelegd door
verrekening met die uitkering of toeslag.
-3. Indien degene aan wie
een boete is opgelegd een uitkering ontvangt op grond van de Algemene
Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet, de
Algemene bijstandswet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen of de Wet inkomensvoorziening
kunstenaars, betaalt
de
Sociale Verzekeringsbank, onderscheidenlijk de betrokken gemeente, het
bedrag van die boete, zonder dat daarvoor een machtiging
nodig is van hem, op zijn verzoek aan het Landelijk instituut sociale
verzekeringen.
-4. Indien degene aan wie
een boete is opgelegd geen uitkering als bedoeld in het tweede of
derde lid ontvangt of meer ontvangt, dan wel ten aanzien van zodanige
uitkering toepassing van het tweede of derde lid niet mogelijk is, wordt
het besluit waarbij de boete is opgelegd bij gebreke van tijdige betaling met
toepassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op zijn
kosten betekend en ten uitvoer gelegd.
-5. De tenuitvoerlegging
van een besluit waarbij een boete is opgelegd, vindt plaats met
toepassing van het tweede of derde lid, dan wel van het vierde lid, dan wel van
het tweede of derde lid in combinatie met het vierde lid.
-6. Bij gebreke van
tijdige betaling wordt de verschuldigde boete verhoogd met de
wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten.
-7. Op het executoriaal
beslag ingevolge dit artikel door het Landelijk instituut sociale
verzekeringen op loon, sociale uitkeringen of andere periodieke
betalingen
welke derden verschuldigd zijn of worden aan degene aan wie een boete
is opgelegd, zijn de artikelen 479b tot en met 479g, behoudens artikel
479e, tweede lid, van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering van
overeenkomstige toepassing. De in artikel 479g aan de raad voor de
kinderbescherming toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan het
Landelijk instituut sociale verzekeringen.
-8. De tenuitvoerlegging
van een besluit met toepassing van dit artikel geschiedt zodanig dat de
werknemer blijft beschikken over een inkomen gelijk aan de beslagvrije
voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het
Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering.
-9. Het achtste lid geldt niet zolang de werknemer zijn verplichting, bedoeld in artikel 27a,
vijfde lid, niet of niet behoorlijk nakomt.
Art. 28.
-1. Indien het Landelijk instituut sociale
verzekeringen een maatregel als bedoeld in artikel 27
heeft opgelegd, zet het Landelijk instituut sociale verzekeringen in geval
van herleving van het recht op uitkering als bedoeld in artikel 21 of
52d, eerste lid, een weigering van de uitkering voort.
-2. In afwijking van het
eerste lid zet het Landelijk instituut sociale verzekeringen een
weigering van de uitkering over de uren waarover het recht op uitkering
ingevolge artikel 21 herleeft niet voort indien ter zake van arbeid verricht sinds
de eerste dag waarop het recht op uitkering is ontstaan, is voldaan aan
artikel 52b, eerste lid, en op grond van het derde lid van dat artikel geen
recht op uitkering ingevolge hoofdstuk IIb is ontstaan.
-3. Voor de toepassing van
het eerste lid wordt een weigering van de uitkering geacht te zijn
voortgezet gedurende de periode dat het recht op uitkering geheel is
geëindigd op grond van artikel 20, eerste lid,
onderdeel a of d, en de betrokkene
recht heeft op een reïntegratie-uitkering op grond van artikel 23 van
de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten.
Art. 29.
Vervallen.
§ 3.
De betaling van de
loongerelateerde uitkering en van de vervolguitkering
Art. 30.
-1. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen betaalt de uitkering zo spoedig mogelijk, doch
uiterlijk binnen één maand nadat het het recht op die uitkering heeft
vastgesteld.
-2. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen schort de betaling van de uitkering op of
schorst de betaling, indien het op grond van duidelijke aanwijzingen van oordeel
is of het gegronde vermoeden heeft dat:
a. het recht op uitkering
niet of niet meer bestaat;
b. recht op een lagere
uitkering bestaat; of
c. de werknemer een verplichting hem op grond van de artikelen 24, 25 of
26 opgelegd niet is
nagekomen.
Art. 31.
-1. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen betaalt uit eigen beweging een naar
redelijkheid vast te stellen voorschot op een uitkering indien uitsluitend
onzekerheid bestaat omtrent de hoogte van die uitkering, omtrent het
van de uitkering aan de werknemer te betalen bedrag of omtrent het
nakomen van een verplichting als bedoeld in de artikelen
24, 25 en 26.
-2. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen is bevoegd op verzoek van de werknemer een naar
redelijkheid vast te stellen voorschot op een uitkering te betalen
indien onzekerheid bestaat omtrent het recht op uitkering.
-3. In afwijking van het
tweede lid betaalt het Landelijk instituut sociale verzekeringen uit eigen
beweging of op verzoek van de werknemer een naar redelijkheid vast te
stellen voorschot op hetgeen hem krachtens een aanspraak naar burgerlijk
recht of krachtens deze wet kan toekomen, indien:
a. onzekerheid bestaat
omtrent het recht op onverminderde doorbetaling van loon
ingeval niet vaststaat dat de dienstbetrekking rechtsgeldig is
geëindigd; of
b. het recht, bedoeld in
onderdeel a, vaststaat, doch de werkgever het loon niet voldoet.
-4. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen is bevoegd aan een voorschot, bedoeld in het
derde lid, voorschriften te verbinden.
-5. In afwijking van het
derde lid betaalt het Landelijk instituut sociale verzekeringen geen
voorschot over tijdvakken waarin het loon niet wordt doorbetaald in verband
met een geschil tussen de werknemer en zijn werkgever over het
bestaan van ziekte van de werknemer.
-6. Voor zover bij of
krachtens deze wet niet anders is bepaald, wordt een voorschot als bedoeld
in het eerste tot en met het derde lid beschouwd als een
uitkering op grond van deze wet.
Art. 32.
De uitkering die niet in
ontvangst is genomen of is ingevorderd binnen drie maanden na de dag
van betaalbaarstelling wordt niet meer betaald. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen is bevoegd in bijzondere gevallen ten gunste van
de werknemer af te wijken van de in de eerste volzin genoemde drie maanden.
Art. 33.
-1. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen betaalt de uitkering in de regel per vier
kalenderweken of per maand achteraf.
-2. In afwijking van het
eerste lid is het Landelijk instituut sociale verzekeringen bevoegd, op
verzoek van de werknemer of uit eigen beweging, de uitkering
over een kortere periode te betalen indien de werknemer over die
kortere periode loon ontving.
-3. In afwijking van het
eerste lid betaalt het Landelijk instituut sociale verzekeringen aan de
werknemer die werkloos is tengevolge van de eindiging van zijn
dienstbetrekking en in wiens dagloon vakantiebijslag is berekend, een gedeelte
van de uitkering als vakantiebijslag jaarlijks in de maand mei over de aan die
maand voorafgaande twaalf maanden of, indien het recht op uitkering
eerder dan in de maand mei geheel eindigt, in de desbetreffende maand. De
vakantiebijslag bedraagt 8/108 van de uitkering.
-4. Indien het percentage
van de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, wordt gewijzigd, treedt dit
gewijzigde percentage in de plaats van de teller en het getal boven het
honderd in plaats van de noemer van de in het derde lid genoemde breuk. Het
gewijzigde percentage wordt in aanmerking genomen over de uitkering
waarop recht bestaat vanaf de dag waarop de wijziging ingaat.
-5. Op de toekenning van
vakantiebijslag zijn de artikelen 3:41 en
3:45 van de Algemene wet
bestuursrecht niet van toepassing.
Art. 34.
-1. Op de uitkering worden
geheel in mindering gebracht:
a. inkomsten wegens
loonderving;
b. inkomsten wegens
ouderdomspensioen;
c. inkomsten wegens
uitkering op grond van het bepaalde bij of krachtens dan wel op de
voet van de Algemene
pensioenwet politieke ambtsdragers (Stb. 1969,
594).
-2. De inkomsten, bedoeld
in het eerste lid, dienen betrekking te hebben op de periode waarover de
werknemer recht heeft op uitkering op grond van deze wet.
-3. Indien de werknemer
wegens eindiging van een dienstbetrekking ouderdomspensioen
ontvangt, wordt, voor zoveel nodig in afwijking van het eerste lid, de
uitkering per dag niet hoger gesteld dan op het verschil tussen de uitkering zoals
die is of zou zijn vastgesteld op de eerste werkdag na die eindiging
en het bedrag van het pensioen per dag dat op die dag is ontvangen.
-4. Voor de toepassing van
het derde lid wordt het dagloon zoals dat is of zou zijn vastgesteld
op de eerste dag waarop ouderdomspensioen wordt ontvangen, voor
zoveel nodig herzien overeenkomstig artikel 46.
-5. In afwijking van het
eerste lid worden de in onderdeel a van dat lid bedoelde inkomsten niet
op de uitkering in mindering gebracht, indien zij:
a. verband houden met de
eindiging van een dienstbetrekking;
b. ter zake van
werkloosheid tengevolge van een niet-geëindigde dienstbetrekking worden
ontvangen;
c. bestaan uit een
uitkering als bedoeld in artikel 45, vierde lid;
d. uit hoofde van een
tijdens het recht op uitkering vervulde dienstbetrekking worden ontvangen.
-6. In afwijking van het
eerste lid worden de in onderdeel a en c van dat lid bedoelde inkomsten
niet op de uitkering in mindering gebracht, indien zij:
a. door de werknemer
reeds vóór het intreden van de werkloosheid werden ontvangen naast de
inkomsten uit de dienstbetrekking waaruit hij werkloos is geworden;
b. door de werknemer na
het intreden van de werkloosheid worden ontvangen en zij
betrekking hebben op een andere dienstbetrekking dan de dienstbetrekking
waaruit de werkloosheid is ontstaan en die dienstbetrekkingen vóór het intreden van de
werkloosheid naast elkaar werden vervuld.
-7. In afwijking van het
eerste lid worden de in onderdeel b van dat lid bedoelde inkomsten niet
op de uitkering in mindering gebracht indien zij door de werknemer na het
intreden van de werkloosheid worden ontvangen en zij
betrekking hebben op een andere dienstbetrekking dan de dienstbetrekking
waaruit de werkloosheid is ontstaan en die dienstbetrekkingen vóór het intreden van de
werkloosheid naast elkaar werden vervuld.
-8. Voor de toepassing van
het eerste lid, onderdeel b, wordt onder ouderdomspensioen
verstaan een uit een vervulde dienstbetrekking voortvloeiende, in
beginsel levenslange periodieke uitkering bij wijze van oudedagsvoorziening.
Onze Minister is bevoegd uitkeringen gelijk te stellen met
ouderdomspensioen.
Art. 34a.
-1. De uitkering wordt
niet betaald over dagen waarop de werknemer vakantie geniet en over
bij of krachtens collectieve arbeidsovereenkomst aangewezen feest- en
verplichte snipperdagen, en de werknemer vakantiebonnen of daarmee
overeenkomende aanspraken, bestemd voor die vakantie-, feest- of snipperdagen, heeft verkregen, mits deze vakantiebonnen
of daarmee overeenkomende
aanspraken zijn verstrekt als een deel van een uitkering op
grond van dit hoofdstuk, dan wel naast een uitkering op grond van de Ziektewet indien de ziekengeldverzekering is ontleend aan
artikel 7
van die wet.
-2. Artikel 19, vijfde
lid, is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het eerste
lid.
Art. 35.
Indien de werkloze
werknemer arbeid als werknemer gaat verrichten gedurende minder dan vijf
en minder dan de helft van de arbeidsuren, bedoeld in artikel
16,
wordt de uitkering verminderd met 70% van hetgeen hij met die arbeid
verdient.
Art. 35a.
Indien de werknemer
deelneemt aan een voor hem naar het oordeel van het Landelijk instituut sociale
verzekeringen noodzakelijke opleiding of scholing en het recht op
uitkering op grond van artikel 76 blijft bestaan, worden op de uitkering
geheel in mindering gebracht de inkomsten uit of in verband met de opleiding of scholing voor zover zij meer bedragen dan
een nader door Onze Minister vast te stellen bedrag.
Art. 35b.
Indien tegelijkertijd
recht bestaat op meerdere vervolguitkeringen, op meerdere kortdurende
uitkeringen of op één of meer vervolguitkeringen in combinatie met
één of
meer kortdurende uitkeringen, en de som van de bedragen die aan deze
uitkeringen zouden moeten worden betaald groter is dan 70% van het minimumloon, wordt van elk van deze uitkeringen 70% van het minimumloon
betaald, vermenigvuldigd met het aantal arbeidsuren ter zake
waarvan het betrokken recht bestaat, gedeeld door het totaal aantal
arbeidsuren ter zake waarvan recht op vervolguitkering of kortdurende uitkering
bestaat.
Art. 36.
-1. De uitkering die als
gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 22a
of 27 onverschuldigd is
betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door
het Landelijk instituut sociale verzekeringen
van de betrokken
werknemer teruggevorderd.
-2. In afwijking van het
eerste lid kan het Landelijk instituut sociale verzekeringen besluiten
van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien, indien de
betrokken werknemer:
a. gedurende vijf jaar
volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan;
b. gedurende vijf jaar
niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het
achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de
daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking
hebbende kosten, alsnog heeft betaald;
c. gedurende vijf jaar
geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig
moment zal gaan verrichten; of
d. een bedrag
overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in één keer aflost.
-3. De in het tweede lid,
onderdeel a en b, genoemde termijn is drie jaar, indien:
a. het gemiddeld inkomen
van de belanghebbende in die periode de beslagvrije voet, bedoeld
in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, niet te boven is gegaan; en
b. de terugvordering niet
het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de
verplichting, bedoeld in artikel 25.
-4. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn, kan het Landelijk instituut sociale
verzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te
zien.
-5. Het besluit tot
terugvordering vermeldt hetgeen wordt teruggevorderd, de termijn of termijnen
waarbinnen moet worden betaald, alsmede dat het besluit
bij gebreke van tijdige betaling zal worden ten uitvoer gelegd op de
wijze als omschreven in artikel 36a.
-6. Degene van wie wordt
teruggevorderd, is verplicht desgevraagd aan het Landelijk instituut
sociale verzekeringen de inlichtingen te verstrekken die voor de
terugvordering van belang zijn.
-7. In afwijking van het
eerste lid kan het Landelijk instituut sociale verzekeringen, onder
voorwaarden die Onze Minister kan stellen, besluiten van
terugvordering af te zien indien het terug te vorderen bedrag een door Onze
Minister vast te stellen bedrag niet te boven gaat.
Art. 36a.
-1. Het besluit tot
terugvordering levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede
Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
-2. Artikel 27g
is van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat indien het gemiddeld
inkomen van de belanghebbende gedurende drie jaar de beslagvrije
voet, bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, niet te boven is gegaan, het Landelijk instituut sociale
verzekeringen de aflossingsbedragen lager vaststelt.
Art. 36b.
-1. Bij ministeriële
regeling kunnen met betrekking tot artikel 36, tweede en derde lid, nadere
regels worden gesteld.
-2. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen stelt regels met betrekking tot de
artikelen 36, eerste, vierde, vijfde en zesde lid, en 36a.
Art. 37.
Het Landelijk instituut sociale verzekeringen
stelt regels voor de betaalbaarstelling van de
uitkering door tussenkomst van een andere uitvoeringsinstelling
indien de werknemer recht heeft op een uitkering over een periode waarover
hij tevens uitkering op grond van deze wet of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering ontvangt van een andere
uitvoeringsinstelling.
Art. 38.
-1. Voor het in ontvangst
nemen en het verlenen van kwijting voor de betaling van de uitkering wordt een minderjarige met een meerderjarige gelijk gesteld.
-2. Indien de wettelijke
vertegenwoordiger van de minderjarige zich schriftelijk bij het Landelijk instituut sociale
verzekeringen verzet tegen betaling aan de
minderjarige, wordt de uitkering aan de wettelijke vertegenwoordiger
betaald.
Art. 39.
-1. Indien degene aan wie
een uitkering is toegekend, ingevolge het bepaalde bij of krachtens
artikel 6, derde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
een bijdrage verschuldigd is in de kosten van een verstrekking als bedoeld
in de artikelen 6 en 11 van
die wet of een vergoeding als bedoeld in
de artikelen 11 en 12 van
die wet, is het Landelijk instituut sociale
verzekeringen bevoegd de uitkering tot het bedrag van die bijdrage
in plaats van aan degene aan wie de uitkering is toegekend, zonder diens
machtiging uit te betalen aan de Ziekenfondsraad.¹
-2. Indien degene aan wie
een uitkering is toegekend in een inrichting ter verpleging van
geesteszieken of van zwakzinnigen is opgenomen en het Landelijk instituut
sociale verzekeringen van de desbetreffende inrichting of van de
gemeente die de opnamekosten betaalt het verzoek ontvangt om de uitkering
aan die inrichting of die gemeente uit te betalen, is het Landelijk
instituut sociale verzekeringen bevoegd dat verzoek zonder het stellen van
andere voorwaarden in te willigen.
-3. Indien het eerste lid
toepassing vindt, heeft de in het tweede lid bedoelde bevoegdheid
betrekking op het gedeelte van de uitkering dat niet aan de
Ziekenfondsraad wordt uitbetaald.
-4. Op de herziening van
een beschikking op grond van het eerste lid als gevolg van een wijziging
van de verschuldigde bijdrage zijn de artikelen 3:41 en
3:45 van de
Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
1. Tot het moment van
inwerkingtreding van artikel 66 van de
Overgangswet verzorgingshuizen is de volgende tekst van
toepassing: Indien degene aan wie
een uitkering is toegekend, ingevolge het
bepaalde bij of krachtens artikel 6,
derde lid, van de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten een bijdrage verschuldigd is
in de kosten van een verstrekking als bedoeld
in de artikelen 6 en 11 van
die wet of een
vergoeding als bedoeld in de artikelen 11 en
12
van die wet, dan wel een bijdrage verschuldigd
is ingevolge het bepaalde bij of krachtens
artikel 15 van de Overgangswet
verzorgingshuizen, is het Landelijk instituut sociale
verzekeringen bevoegd de uitkering tot
het bedrag van die bijdrage in plaats van
aan degene aan wie de uitkering is toegekend,
zonder diens machtiging uit te betalen
aan de Ziekenfondsraad.
Art. 39a.
Vervallen.
Art. 40.
-1. De uitkering is
onvervreemdbaar en niet vatbaar voor verpanding of belening.
-2. Een machtiging tot het
in ontvangst nemen van de uitkering, onder welke vorm of benaming
ook verleend, is steeds herroepelijk.
-3. Elk beding strijdig
met het eerste of tweede lid is nietig.
Art. 41.
De uitkering wordt niet
betaald indien deze per week doorgaans minder bedraagt dan een achtste
deel van het minimumloon.
Art. 41a. Vervallen.
AFDELING
II
De
loongerelateerde uitkering
§ 1.
De duur van de
uitkering
Art. 42.
-1. Te rekenen vanaf de
eerste dag waarop het recht op uitkering is ontstaan, is de duur van
de loongerelateerde uitkering bij een arbeidsverleden van ten minste:
4 jaren, zes maanden;
5 jaren, negen maanden;
10 jaren, één jaar;
15 jaren, anderhalf jaar;
20 jaren, twee jaar;
25 jaren, twee en een half
jaar;
30 jaren, drie jaar;
35 jaren, vier jaar; en
40 jaren, vijf jaar.
-2. De duur van de
loongerelateerde uitkering voor de werknemer die voldoet aan artikel
17,
onderdeel b, onder 2º, is bij een arbeidsverleden van minder dan
vier jaar zes
maanden.
-3. Het arbeidsverleden
wordt berekend door samentelling van:
a. het aantal kalenderjaren gelegen in de in artikel 17, onderdeel b, onder 1º, bedoelde
periode waarover de werknemer aantoont over 52 of meer dagen per jaar loon
te hebben ontvangen; en
b. het aantal
kalenderjaren vanaf en met inbegrip van het jaar waarin de werknemer zijn 18e
verjaardag bereikte tot die periode.
-4. Bij de vaststelling
van het aantal kalenderjaren, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, is
artikel 17b van overeenkomstige toepassing.
Art. 43.
-1. Telkens nadat het
recht op uitkering na gehele eindiging van dat recht is herleefd op
grond van artikel 21, eindigt de loongerelateerde uitkering, met
inachtneming van het tweede en derde lid, zoveel later dan de in artikel
42, eerste
en tweede lid, genoemde periode als de periode tussen de eindiging en
herleving van het recht op uitkering heeft geduurd.
-2. Voor de vaststelling
van de periode tussen de eindiging en de herleving van het recht
op uitkering worden, telkens nadat het recht op uitkering geheel is
geëindigd wegens ziekte, de eerste drie maanden waarin de werknemer een
uitkering ontvangt als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a,
buiten beschouwing gelaten. De eerste zin blijft buiten toepassing voor
zover de laatstgenoemde uitkering wordt ontvangen op grond van
artikel 29a, eerste lid, van de Ziektewet.
-3. Voor de bepaling van
de periode van drie maanden, bedoeld in het tweede lid, worden
perioden waarover de in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, bedoelde
uitkeringen worden ontvangen samengeteld indien zij elkaar met een
onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. Bij de
toepassing van de eerste zin vormt het ontvangen van ziekengeld op grond van
artikel 29a, eerste lid, van de Ziektewet
geen onderbreking van de
periode waarover de in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, bedoelde
uitkeringen worden ontvangen.
-4. Artikel 19, tweede
lid, is van toepassing op het tweede en derde lid.
§ 2.
De hoogte van de
uitkering
Art. 44.
De uitkering op grond van
deze afdeling wordt berekend naar het dagloon.
Art.
45.¹
-1. Voor de berekening van
de uitkering waarop op grond van deze afdeling recht bestaat,
wordt als dagloon beschouwd het loon dat de werknemer in de regel in
de periode van 26 weken onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van het
arbeidsurenverlies als bedoeld in artikel 16, eerste lid, gemiddeld
per dag in de dienstbetrekking waaruit hij werkloos is geworden
verdiende, voor zover dat loon in de sector algemeen gebruikelijk,
vast, gegarandeerd en regelmatig verstrekt is, of inherent is aan de
functie. Voor de vaststelling van de periode van 26 weken, bedoeld in de
eerste zin, worden weken, tot een maximum van 78 weken, waarin de
werknemer onbetaald verlof heeft genoten, niet in aanmerking genomen,
tenzij dit leidt tot een lager verdiend loon dan wanneer die weken wel in
aanmerking zouden worden genomen.
-2. Onze Minister
stelt
met betrekking tot de vaststelling van het dagloon nadere regels.
-3. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen kan, zo nodig in afwijking van de door
Onze Minister op grond van het tweede lid gestelde regels, regels stellen
met betrekking tot de vaststelling van het dagloon voor één of meer
categorieën van werknemers.
-4. De in het tweede en
derde lid bedoelde regels bevatten voor zover nodig bepalingen op grond
waarvan voor een werknemer die naast een uitkering op grond van
deze afdeling een uitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten
ontvangt, dan wel een uitkering ontvangt die naar aard en strekking daarmee
overeenkomt op grond van een regeling voor de persoon, bedoeld in
artikel 7, eerste lid, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%, een
evenredige verlaging van het dagloon plaatsvindt,
overeenkomend met een percentage dat gelijk is aan het verschil tussen 100
en het midden van de arbeidsongeschiktheidsklasse waarin de werknemer is
ingedeeld.
-5. Onverminderd het
bepaalde in artikel 46 kunnen de in het tweede en derde lid bedoelde regels
bepalingen bevatten op grond waarvan het dagloon tijdens de
uitkering kan worden herzien.
1. Dit artikel is nog niet
in werking getreden. Tot het moment van
inwerkingtreding is artikel 34 van de Invoeringswet
stelselherziening sociale zekerheid van
toepassing.
Art. 46.
-1. De daglonen worden
herzien met ingang van de dag waarop en in de mate waarin het bedrag,
genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel c, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, wordt herzien.
-2. Onze Minister
maakt in
de Staatscourant bekend met ingang van welke dag en met welk
percentage een herziening als bedoeld in het eerste lid plaatsvindt.
-3. Op een beschikking als
gevolg van een herziening van het dagloon ingevolge het bepaalde in
dit artikel zijn de artikelen 3:41 en 3:45 van de
Algemene wet
bestuursrecht niet van toepassing.
Art. 47.
-1. De uitkering bedraagt
per dag 70% van het dagloon.
-2. Voor de werknemer die
bij het ontstaan van zijn recht op uitkering zijn arbeidsuren, bedoeld
in artikel 16, niet volledig heeft verloren of wiens verlies van
arbeidsuren tijdens de duur van de uitkering wijziging ondergaat, bedraagt
de
uitkering 70% van het dagloon, vermenigvuldigd met het aantal uren
werkloosheid per kalenderweek, gedeeld door het aantal arbeidsuren
voorafgaande aan het intreden van het verlies van arbeidsuren waarnaar zijn
recht is berekend. Het aantal arbeidsuren voorafgaande aan het
intreden van het verlies van arbeidsuren wordt bepaald met toepassing
van artikel 16.
-3. Het tweede lid vindt
geen toepassing voor zover bij de vaststelling onderscheidenlijk een
herziening van het dagloon met de omstandigheden, bedoeld in dat lid,
rekening is gehouden.
AFDELING
III
De
vervolguitkering
§ 1.
De duur van de
uitkering
Art. 48.
De vervolguitkering gaat
in zodra het einde van de duur van de loongerelateerde
uitkering is bereikt.
Art. 49.
De duur van de
vervolguitkering is voor de werknemer die op de eerste dag van werkloosheid:
jonger is dan 57,5 jaar,
twee jaar;
57,5 jaar of ouder is, drie en een half jaar.
Art. 50.
-1. Telkens nadat het
recht op uitkering na gehele eindiging van dat recht is herleefd op
grond van artikel 21, eindigt de vervolguitkering, met inachtneming van het
tweede lid, zoveel later dan de in artikel 49 genoemde periode als de
periode tussen de eindiging en de herleving van het recht op uitkering
heeft geduurd.
-2. Artikel 43, tweede,
derde en vierde lid, is van toepassing.
-3. Indien de resterende
duur van de vervolguitkering bij herleving korter is dan zes maanden
en zich tevens de situatie, bedoeld in artikel 52b, derde lid, eerste
volzin, voordoet, wordt de resterende duur van de vervolguitkering zodanig
verlengd dat deze gelijk is aan zes maanden.
-4. Herhaalde toepassing
van het derde lid vindt slechts plaats indien ter zake van sinds de
herleving, bedoeld in het derde lid, verrichte arbeid opnieuw is voldaan aan
artikel 52b, eerste lid. Artikel 17a
en de daarop berustende bepalingen
zijn van overeenkomstige toepassing.
§ 2.
De hoogte van de
uitkering
Art. 51.
-1. De uitkering bedraagt
per dag 70% van het minimumloon.
-2. Voor de werknemer die
bij het ontstaan van zijn recht op uitkering zijn arbeidsuren, bedoeld
in artikel 16, uit de dienstbetrekking waaruit hij werkloos werd niet
volledig heeft verloren of wiens verlies van arbeidsuren tijdens de
duur van de uitkering wijziging ondergaat, bedraagt de uitkering 70%
van het minimumloon, vermenigvuldigd met het aantal uren
werkloosheid per kalenderweek, gedeeld door het aantal arbeidsuren voorafgaande
aan het intreden van het verlies van arbeidsuren waarnaar zijn
recht is berekend. Het aantal arbeidsuren voorafgaande aan het
verlies van arbeidsuren wordt bepaald met toepassing van artikel
16.
-3. Voor de werknemer,
bedoeld in artikel 45, vierde lid, bedraagt de uitkering per dag 70% van
een percentage van het minimumloon. Het percentage, bedoeld in de
eerste volzin, is gelijk aan het verschil tussen 100 en het midden van de
arbeidsongeschiktheidsklasse waarin de werknemer is ingedeeld.
-4. Op de herziening van
de uitkering als gevolg van een wijziging van het minimumloon zijn de
artikelen 3:41 en 3:45 van de Algemene wet bestuursrecht niet van
toepassing.
Art. 52.
-1. Indien de uitkering op
grond van afdeling II berekend was naar een dagloon lager dan het
minimumloon, bedraagt de uitkering per dag 70% van het dagloon.
-2. De artikelen 45 en 46
en de daarop berustende bepalingen zijn van overeenkomstige
toepassing.
-3. Artikel 51, tweede
lid, is van toepassing, met dien verstande dat in plaats van het
minimumloon het dagloon in aanmerking wordt genomen. Artikel
47, derde lid, is
van overeenkomstige toepassing.
HOOFDSTUK
IIB
De
verplichte verzekering van kortdurende uitkering bij werkloosheid
AFDELING
I
Algemene
bepalingen
§ 1.
De voorwaarden voor
het recht op kortdurende uitkering
Art.
52a.
Met inachtneming van de
artikelen 16 en 52b tot en met 52d
en de daarop berustende
bepalingen heeft de werknemer die werkloos is recht op kortdurende uitkering.
Art. 52b.
-1. Recht op uitkering
ontstaat voor de werknemer die in 39 weken onmiddellijk voorafgaande
aan de eerste dag van werkloosheid in ten minste 26 weken als
werknemer arbeid heeft verricht, doch die geen recht op loongerelateerde
uitkering en vervolguitkering heeft omdat hij noch aan de voorwaarde van
artikel 17, onderdeel b, onder 1º, noch aan de voorwaarde van
artikel 17, onderdeel b, onder 2º, voldoet.
-2. In afwijking van het
eerste lid heeft een werknemer die ter zake van werkloosheid uitsluitend
als gevolg van vorst, sneeuwval, hoog water of andere buitengewone
omstandigheden op grond van artikel 18 recht op uitkering heeft, ter zake
van dezelfde werkloosheid geen recht op kortdurende uitkering.
-3. In afwijking van het
eerste lid ontstaat geen recht op uitkering voor het aantal arbeidsuren
waarover een recht op uitkering ingevolge hoofdstuk IIa
herleeft,
dan wel, indien een recht ingevolge hoofdstuk IIa
na herleving nogmaals
herleeft, voor het totaal aantal uren van dat recht na de laatste herleving.
Tevens ontstaat geen recht op uitkering indien, na toepassing van de vorige
volzin, het recht op uitkering dat zou ontstaan een omvang zou hebben van
minder dan vijf arbeidsuren per kalenderweek en minder
dan de helft van de arbeidsuren per kalenderweek.
Art. 52c.
De artikelen 17a, 17c,
19, 19a en 20 en de daarop berustende
bepalingen zijn van overeenkomstige
toepassing.
Art. 52d.
-1. Indien het recht op
uitkering op grond van artikel 52c in verbinding met
artikel 20, eerste
lid, onderdeel a, b, c of d, geheel of gedeeltelijk is geëindigd en vervolgens
de omstandigheid die tot dat eindigen heeft geleid, heeft opgehouden
te bestaan, herleeft het recht op uitkering met inachtneming van de in
artikel 8 en artikel 21, derde lid, genoemde termijnen, voor zover
geen nieuw recht op uitkering ingevolge dit hoofdstuk of ingevolge hoofdstuk
IIa bestaat.
-2. Artikel 21, tweede en
vierde lid, en de daarop berustende bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing.
-3. Indien ter zake van na
het ontstaan van het recht op kortdurende uitkering verrichte
arbeid recht op loongerelateerde uitkering en vervolguitkering is ontstaan nadat het
recht op kortdurende uitkering is herleefd, eindigt het recht op
kortdurende uitkering voor zover het aantal arbeidsuren waarnaar
beide rechten samen zijn berekend, vermeerderd met het resterende aantal
arbeidsuren per kalenderweek, groter is dan het aantal arbeidsuren,
bedoeld in artikel 52c in verbinding met artikel
16, voorafgaande aan het
intreden van het verlies van arbeidsuren waarnaar het eerstgenoemde recht
is berekend.
-4. Indien na het ontstaan
van het recht op kortdurende uitkering aansluitend of na
verrichte arbeid het recht op loongerelateerde uitkering of vervolguitkering is
herleefd, eindigt het recht op kortdurende uitkering voor zover het aantal
arbeidsuren waarnaar beide rechten zijn berekend, vermeerderd met het
resterende aantal arbeidsuren per kalenderweek, groter is dan het aantal
arbeidsuren, bedoeld in artikel 52a in verbinding met
artikel 16,
voorafgaande aan het intreden van het verlies van arbeidsuren op grond
waarvan het recht op kortdurende uitkering is ontstaan.
-5. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen is bevoegd bij samenloop van rechten op
loongerelateerde uitkering en vervolguitkering enerzijds en op
kortdurende uitkering anderzijds nadere regels te stellen met betrekking tot het
geheel of gedeeltelijk eindigen van deze rechten.
§ 2.
Het geldend maken
van het recht op kortdurende uitkering
Art. 52e.
De artikelen 22 tot en
met 28, eerste lid, en 29 en de daarop berustende
bepalingen zijn van
toepassing.
§ 3.
De betaling van de
kortdurende uitkering
Art. 52f.
De artikelen 30 tot en
met 41, alsmede de daarop berustende bepalingen, zijn van
toepassing.
AFDELING
II
De duur
van de kortdurende uitkering
Art. 52g.
De duur van de
kortdurende uitkering is zes maanden, te rekenen vanaf de eerste dag waarop het
recht op uitkering is ontstaan.
Art. 52h.
-1. Telkens nadat het
recht op kortdurende uitkering na gehele eindiging van dat recht is herleefd
op grond van artikel 52d, eindigt de kortdurende uitkering, met
inachtneming van het tweede lid, zoveel later dan de in artikel 52g
genoemde
periode als de periode tussen de eindiging en de herleving van het recht
op kortdurende uitkering heeft geduurd.
-2. Artikel 43, tweede,
derde en vierde lid, is van toepassing.
AFDELING
III
De
hoogte van de kortdurende uitkering
Art. 52i.
-1. De kortdurende
uitkering bedraagt per dag 70% van het minimumloon.
-2. Artikel 51, tweede tot
en met vierde lid, is van toepassing.
-3. In afwijking van het
eerste lid bedraagt de uitkering per dag 70% van het dagloon indien het
dagloon lager is dan het minimumloon. De artikelen 45 en
46 en de
daarop berustende bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing.
-4. Artikel 52, derde lid,
is van overeenkomstige toepassing.
-5. Indien:
a. het recht op
kortdurende uitkering is ontstaan na toepassing van artikel 52b, derde lid;
of
b. tegelijkertijd een
recht op kortdurende uitkering herleeft en een recht op uitkering ingevolge
hoofdstuk IIa ontstaat;
bedraagt de kortdurende
uitkering per dag het op grond van de vorige leden berekende bedrag, verminderd met de hoogte van de uitkering
ingevolge hoofdstuk IIa.
HOOFDSTUK
IIC
Verhaal
op de werkgever
Art. 52j.
-1. Indien degene die de
wachttijd, bedoeld in artikel 19 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, heeft doorgemaakt en aansluitend aan die wachttijd recht
heeft op werkloosheidsuitkering, door zijn werkgever zonder
deugdelijke grond niet in de gelegenheid wordt gesteld hem passende arbeid te
verrichten, is deze werkgever aan het Landelijk instituut sociale
verzekeringen een bedrag verschuldigd gelijk aan het loon dat betrokkene zou
hebben ontvangen, vermeerderd met de daarover door de
werkgever verschuldigde premies, indien hij die arbeid wel had verricht.
-2. Het eerste lid blijft
buiten toepassing indien op de werkgever ten aanzien van dezelfde
werknemer tevens artikel 46 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering van toepassing is.
HOOFDSTUK
III
De
vrijwillige verzekering van uitkering bij werkloosheid
Art. 53.
-1. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen laat, op zijn verzoek, tot de vrijwillige
werkloosheidsverzekering toe de persoon jonger dan 65 jaar die op grond van
het bepaalde bij of krachtens artikel 3, tweede, derde en vierde lid, niet
als werknemer wordt beschouwd en
a. wiens werknemerschap
is geëindigd en die buiten Nederland woont, aldaar direct aansluitend
op de beëindiging van zijn werknemerschap een dienstbetrekking vervult
voor de duur van maximaal vijf jaar en wiens werkgever binnen
Nederland woont of gevestigd is;
b. die Nederlander is en
die is uitgezonden om door de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking
aan te wijzen werkzaamheden in het kader van
ontwikkelingssamenwerking te verrichten;
c. die Nederlander is en
die is uitgezonden om werkzaamheden te verrichten voor een
volkenrechtelijke organisatie waarvan Nederland lid is dan wel waarvan de
werkzaamheden door Nederland worden ondersteund; of
d. die in Nederland woont en buiten Nederland een dienstbetrekking vervult.
-2. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen laat, op zijn verzoek, tot de vrijwillige
werkloosheidsverzekering toe de persoon jonger dan 65 jaar wiens
arbeidsverhouding op grond van artikel 6, onderdeel c, niet als dienstbetrekking wordt
beschouwd.
-3. Voorafgaand aan het
vervullen van een dienstbetrekking, bedoeld in het eerste lid, onderdeel
a, dient de persoon gedurende een aaneengesloten periode van ten
minste
één jaar de hoedanigheid van werknemer te bezitten.
-4. Met de Nederlander,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel b en c, wordt gelijkgesteld de
persoon die onderdaan is van één van de lidstaten van de Europese
Gemeenschap of onderdaan is van een staat waarmee Nederland een verdrag
inzake sociale zekerheid heeft gesloten, mits hij vóór hij werd uitgezonden
in Nederland woonde.
Art. 54.
-1. Het verzoek om
toelating tot de vrijwillige werkloosheidsverzekering moet worden ingediend bij
de uitvoeringsinstelling overeenkomstig de regels die het
Landelijk instituut sociale verzekeringen daaromtrent krachtens artikel
55,
eerste lid, stelt.
-2. Het verzoek om
toelating als bedoeld in het eerste lid moet worden ingediend:
a. door de in artikel 53,
eerste lid, onderdeel a, bedoelde persoon: binnen vier weken na de
dag waarop zijn werknemerschap is geëindigd;
b. door de in artikel
53,
eerste lid, onderdeel b en c, bedoelde persoon: binnen vier weken na de
dag van zijn vertrek naar het buitenland;
c. door de in artikel
53,
eerste lid, onderdeel d, bedoelde persoon: binnen vier weken na de
dag waarop zijn werkzaamheden buiten Nederland een aanvang
hebben genomen.
-3. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen is bevoegd te verklaren dat een verzoek om
toelating tot de vrijwillige werkloosheidsverzekering, ingediend na de ingevolge
het tweede lid geldende termijn, tijdig is ingekomen, indien de
persoon die het verzoek heeft gedaan redelijkerwijs niet geacht kan worden in
verzuim te zijn geweest.
-4. De vrijwillige
werkloosheidsverzekering vangt aan:
a. voor de in artikel 53,
eerste lid, onderdeel a, bedoelde persoon: op de dag na die waarop zijn
werknemerschap is geëindigd;
b. voor de in artikel
53,
eerste lid, onderdeel b en c, bedoelde persoon: op de dag van zijn
vertrek naar het buitenland;
c. voor de in artikel
53,
eerste lid, onderdeel d, bedoelde persoon: op de dag waarop zijn werkzaamheden
een aanvang hebben genomen;
d. voor de in artikel
53,
tweede lid, bedoelde persoon: op de dag van ontvangst van zijn
verzoek om toelating.
Art. 55.
-1. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen stelt regels waaruit blijkt welke uitvoeringsinstelling
ten aanzien van de in artikel 54 bedoelde personen met betrekking
tot besluiten omtrent toelating tot de vrijwillige verzekering
werkzaamheden verricht als bedoeld in artikel 39 van de Organisatiewet sociale verzekeringen.¹
-2. Toelating van een
persoon tot de vrijwillige werkloosheidsverzekering vindt slechts plaats
indien hij zich tegelijkertijd verzekert op grond van de vrijwillige
verzekering krachtens de Ziektewet.
1. Volgens de redactie dient
"artikel 39 van de Organisatiewet sociale verzekeringen" te
worden vervangen door: artikel 41 van de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997.
Art.
56.
De persoon die is toegelaten tot de vrijwillige werkloosheidsverzekering
wordt voor de duur van die verzekering als werknemer beschouwd.
Art.
56a.
Het Landelijk instituut sociale verzekeringen
beëindigt de vrijwillige
werkloosheidsverzekering:
a. op verzoek van de vrijwillig
verzekerde met ingang van een door hem te bepalen datum;
b. met ingang van de dag waarop de
termijn van vijf jaar, bedoeld in artikel 53, eerste lid, onderdeel a,
is verstreken;
c. met ingang van de dag waarop de
werkzaamheden, bedoeld in artikel 53, eerste en tweede lid, worden
beëindigd;
d. met ingang van de dag waarop de
vrijwillig verzekerde verplicht verzekerd wordt ingevolge deze wet;
e. indien de verschuldigde premie
over een periode van twee volle kalendermaanden niet, niet volledig of
niet-tijdig is betaald; of
f. indien niet langer wordt voldaan
aan andere vereisten voor toelating tot de vrijwillige verzekering,
bedoeld in artikel 53, eerste lid.
Art.
57.
De persoon, bedoeld in artikel 53, eerste lid, onderdeel a, b en
c, die
werkloos is, heeft eerst recht op uitkering na terugkeer in Nederland.
Art.
58.
-1. De persoon die om toelating tot de
vrijwillige werkloosheidsverzekering verzoekt, bepaalt bij de aanvang
van de vrijwillige werkloosheidsverzekering de hoogte van het dagloon,
met dien verstande dat dit niet meer kan bedragen dan:
a. het in artikel
9, eerste lid, van
de Coördinatiewet Sociale Verzekering genoemde bedrag eventueel
verhoogd of verlaagd krachtens artikel 9a
van die wet; en
b. het loon of het inkomen dat hij
in geval van werkloosheid naar het oordeel van het Landelijk instituut sociale
verzekeringen derft.
-2. De premie voor de vrijwillige
werkloosheidsverzekering wordt geheven over het in het eerste lid
bedoelde dagloon.
-3. De premie bedraagt een door het
Landelijk instituut sociale verzekeringen te bepalen percentage van het
in het eerste lid bedoelde dagloon, met dien verstande dat de premie
niet meer bedraagt dan het bedrag dat de werkgever op grond van artikel
83 zou moeten betalen indien de persoon in verband met de
werkzaamheden, bedoeld in artikel 53, eerste en tweede lid, verplicht
verzekerd op grond van deze wet zou zijn geweest. Voor de toepassing van
de eerste zin blijft bij het bedrag dat de werkgever op grond van
artikel 83 zou moeten betalen, artikel 9, derde en vierde lid, van de
Coördinatiewet Sociale Verzekering buiten beschouwing.
-4. Voor de vaststelling van de hoogte van
het recht op uitkering op grond van de vrijwillige
werkloosheidsverzekering wordt, zo nodig in afwijking van artikel 45 en
de daarop berustende bepalingen, onder dagloon verstaan het in het
eerste lid bedoelde dagloon.
Art.
59.
Het Landelijk instituut sociale verzekeringen
stelt nadere regels met
betrekking tot de vrijwillige werkloosheidsverzekering. Deze regels
bevatten in ieder geval bepalingen met betrekking tot:
a. de toelating tot de vrijwillige
werkloosheidsverzekering;
b. het einde van de vrijwillige
werkloosheidsverzekering;
c. de premie voor de vrijwillige
werkloosheidsverzekering; en
d. het dagloon, bedoeld in artikel
58, eerste lid.
Art.
60.
Voor zover bij of krachtens dit hoofdstuk niet anders is bepaald, zijn
de overige artikelen van deze wet en de daarop berustende bepalingen,
voor zoveel nodig, van overeenkomstige toepassing op het recht op
uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering, de betaling van
de uitkering, de hoogte en de duur van de uitkering op grond van dit
hoofdstuk.
HOOFDSTUK
IV
Overneming
van uit de dienstbetrekking voortvloeiende verplichtingen bij onmacht
van de werkgever te betalen
Art.
61.
-1. Een werknemer heeft recht op uitkering
op grond van dit hoofdstuk indien hij van een werkgever die in staat
van faillissement is verklaard, aan wie surseance van betaling is
verleend, ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke
personen van toepassing is of die anderszins verkeert in de blijvende
toestand dat hij heeft opgehouden te betalen, loon, vakantiegeld of
vakantiebijslag te vorderen heeft of indien hij geldelijk nadeel kan
ondervinden doordat deze werkgever bedragen die hij in verband met de
dienstbetrekking met de werknemer aan derden verschuldigd is, niet heeft
betaald.
-2. Over de in artikel 64, onderdeel b,
bedoelde termijn van opzegging heeft de werknemer slechts recht op
uitkering op grond van dit hoofdstuk, voor zover hij arbeidsuren heeft
verloren en beschikbaar is om arbeid te aanvaarden als bedoeld in
artikel 16, eerste lid, of voor zover hij voor de in het eerste lid
bedoelde werkgever arbeid blijft verrichten. Aan de werknemer die wegens
ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling ongeschikt is tot het
verrichten van zijn arbeid wordt het in de vorige volzin bedoelde
vereiste van beschikbaarheid om arbeid te aanvaarden niet gesteld.
Art.
62.
Geen recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk heeft de werknemer
wiens dienstbetrekking met de werkgever reeds was geëindigd voordat de
werkgever kwam te verkeren in een toestand als bedoeld in artikel
61,
eerste lid, tenzij:
a. een duidelijke samenhang bestaat
tussen de omstandigheden die tot het eindigen van de dienstbetrekking
leidden en de omstandigheden die tot die toestand hebben geleid;
b. de werknemer een recht heeft op
betaling van loon, vakantiegeld, vakantiebijslag of andere bedragen als
bedoeld in artikel 61, eerste lid, dat geen verband houdt met een
toestand als bedoeld in artikel 61, eerste lid, en dat niet geldend kan
worden gemaakt uitsluitend wegens die toestand.
Art.
63.
-1. De werknemer wiens werkgever verkeert
in een toestand als bedoeld in artikel 61, eerste lid, is verplicht:
a. indien geen tijdige betaling van
loon, vakantiegeld of vakantiebijslag heeft plaatsgevonden, binnen één
week na de dag waarop hij deze betaling normaal zou hebben ontvangen
daarvan aangifte te doen bij de het Landelijk instituut sociale
verzekeringen; en
b. binnen één week na de dag waarop
het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat zijn werkgever de
bedragen, bedoeld in artikel 61, eerste lid, niet heeft betaald, daarvan
aangifte te doen bij de het Landelijk instituut sociale verzekeringen.
-2. Indien de werknemer een verplichting
hem op grond van het eerste lid opgelegd niet of niet behoorlijk is
nagekomen, weigert het Landelijk instituut sociale verzekeringen de
uitkering op grond van dit hoofdstuk tijdelijk of blijvend, geheel of
gedeeltelijk.
-3. Indien het de werknemer vóór de
totstandkoming van de dienstbetrekking of vóór een wijziging in de
arbeidsvoorwaarden tijdens de dienstbetrekking redelijkerwijs duidelijk
moet zijn geweest dat in verband met een toestand als bedoeld in artikel
61, eerste lid, geen of slechts ten dele betaling zou plaatsvinden van
loon, vakantiegeld, vakantiebijslag of aan derden verschuldigde bedragen
in verband met de dienstbetrekking van de werknemer, is het tweede lid
van overeenkomstige toepassing.
Art.
64.
Het recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk omvat:
a. het loon over ten hoogste dertien
weken onmiddellijk voorafgaande aan de dag van opzegging van de
dienstbetrekking of, indien de dienstbetrekking niet of op een later dan
het daarvoor redelijkerwijs in aanmerking komende moment is opgezegd,
onmiddellijk voorafgaande aan de dag waarop de dienstbetrekking naar het
oordeel van het Landelijk instituut sociale
verzekeringen redelijkerwijs
had moeten worden opgezegd;
b. het loon over ten hoogste de voor
de werknemer geldende termijn van opzegging of de termijn van opzegging
die zou hebben gegolden als deze termijn was aangevangen op de op grond
van onderdeel a door het Landelijk instituut sociale verzekeringen
vastgestelde dag, met dien verstande dat de krachtens artikel 40 van de Faillissementswet
(Stb. 1893, 140) ten aanzien van de werknemer geldende
termijn, zowel in als buiten faillissement, niet wordt overschreden;
c. het vakantiegeld, de
vakantiebijslag en de bedragen die de werkgever in verband met de
dienstbetrekking met de werknemer aan derden verschuldigd is, over ten
hoogste het jaar onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip waarop de in
onderdeel b bedoelde termijn eindigt.
Art.
65.
Op de uitkering, bedoeld in artikel 64, worden geheel in mindering
gebracht de inkomsten uit arbeid als werknemer en uit werkzaamheden als
bedoeld in artikel 16, tweede lid, tweede volzin, alsmede inkomsten
wegens loonderving over de in die onderdelen bedoelde periode, tenzij de
werknemer deze inkomsten reeds ontving naast het loon uit de
dienstbetrekking uit hoofde waarvan hij recht op uitkering op grond van
dit hoofdstuk heeft.
Art.
66.
-1. Voor zover het Landelijk instituut sociale
verzekeringen op grond van dit hoofdstuk een vordering van een
schuldeiser van de werkgever voldoet, treedt het in alle rechten die de
schuldeiser ter zake van die vordering heeft.
-2. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen heeft met betrekking tot de premies op grond van de socialeverzekeringswetten over de uitkering op grond van dit hoofdstuk
verhaal op de werkgever.
Art.
67.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt:
a. onder loon verstaan: al hetgeen
de werkgever in verband met de dienstbetrekking aan de werknemer
rechtens verschuldigd is met uitzondering van vakantiegeld en
vakantiebijslag;
b. onder vakantiegeld en
vakantiebijslag ook verstaan: vakantiebonnen, vakantiezegels en andere
dergelijke waardepapieren; en
c. onder werknemer ook verstaan: de
persoon die uitsluitend omdat hij 65 jaar of ouder is niet als werknemer
wordt beschouwd.
Art.
68.
-1. De artikelen 17 tot en met
21, 28, 41
en 52a tot en met 52i zijn niet van toepassing op het recht op
uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering en de betaling
van de uitkering op grond van dit hoofdstuk.
-2. Voor zover bij of krachtens dit
hoofdstuk niet anders is bepaald, zijn de overige artikelen van deze wet
en de daarop berustende bepalingen, voor zoveel nodig, van
overeenkomstige toepassing op het recht op uitkering, het geldend maken
van het recht op uitkering en de betaling van de uitkering op grond van
dit hoofdstuk.
HOOFDSTUK
V
Subsidies
Art.
69.
Het Landelijk instituut sociale verzekeringen
kan, met inachtneming van
bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels, subsidies
verstrekken voor tijdelijke projecten die ten doel hebben het beroep op
een uitkering krachtens deze wet terug te dringen.
Art.
70. Vervallen.
Art.
71. Vervallen.
HOOFDSTUK
VI
Reïntegratiemaatregelen
Art.
72.¹
-1. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen heeft mede tot taak de inschakeling in de arbeid te
bevorderen van werknemers die recht op uitkering hebben op grond van hoofdstuk
IIa of IIb, behoudens voor zover het betreft de taken van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie, bedoeld in artikel 4, eerste lid,
onderdeel a, van de Arbeidsvoorzieningswet 1996.
-2. Bij de uitvoering van de in het eerste
lid bedoelde taak werken het Landelijk instituut sociale verzekeringen
en de uitvoeringsinstellingen samen met de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
-3. Voor zover de in het eerste lid
bedoelde taak inhoudt dat moeilijk plaatsbare werkloze werknemers, niet
zijnde arbeidsgehandicapten als bedoeld in artikel 10 van de
Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten, geschikt worden gemaakt voor
inschakeling in de arbeid, in het bijzonder door middel van scholing, en
bijzondere inspanningen voor hun arbeidsbemiddeling, draagt het
Landelijk instituut sociale verzekeringen deze werkzaamheden op aan de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie of aan derden, niet zijnde
uitvoeringsinstellingen als bedoeld in artikel 41, derde lid, van de
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997, waarbij betaling aan de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie uitsluitend kan plaatsvinden indien de
aanwending van de rijksbijdrage door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
ten behoeve van die moeilijk plaatsbare werkloze werknemers in een
schriftelijke overeenkomst tussen het Landelijk instituut sociale
verzekeringen en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie is geregeld.
-4. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur kunnen regels worden gesteld die door het Landelijk instituut
sociale verzekeringen bij de toepassing van dit artikel en artikel 93a
in acht worden genomen.
1. Het derde en vierde lid
zijn nog niet in werking getreden.
Art.
73.
-1. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen heeft mede tot taak de werknemers die recht op uitkering
hebben op grond van hoofdstuk IIa of IIb
in aanmerking te laten komen
voor de voorzieningen op grond van de Wet inschakeling
werkzoekenden, voor zover het Landelijk instituut sociale verzekeringen aan de
werknemers die arbeidsgehandicapte zijn als bedoeld in artikel 2 van de
Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten niet al voorzieningen
toekent die overeenkomen met die voorzieningen. De eerste zin is niet
van toepassing indien de uitkeringsgerechtigde een jongere is voor wie
de periode van één jaar als bedoeld in artikel 9 van de
Wet inschakeling
werkzoekenden is verstreken.
-2. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
stellen voor iedere werknemer jonger dan 23 jaar die recht op uitkering heeft op grond van
hoofdstuk IIa
of IIb, gezamenlijk een traject vast gericht op de
inschakeling in het arbeidsproces.
Art.
74. Gereserveerd.
Art.
75.
Onze Minister is bevoegd regels te stellen op grond waarvan, in bij die
regels aan te geven gevallen en met inachtneming van bij die regels te
stellen beperkingen, de werknemer bevoegd is deel te nemen aan een
opleiding of scholing in dagonderwijs.
Art.
76.
-1. Indien de werknemer die recht heeft op
een uitkering op grond van hoofdstuk IIa of IIb deelneemt of gaat
deelnemen aan een voor hem, naar het oordeel van het Landelijk instituut sociale
verzekeringen, noodzakelijke opleiding of scholing, blijft
volgens door Onze Minister te stellen regels het recht op uitkering op
grond van het desbetreffende hoofdstuk bestaan totdat die opleiding of
scholing is beëindigd.
-2. In de door Onze Minister te stellen
regels, die voor verschillende groepen werknemers verschillend kunnen
luiden, worden in ieder geval voorschriften en beperkingen gegeven met
betrekking tot de aard, de omvang en de duur van de opleiding of
scholing als bedoeld in het eerste lid.
-3. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen kan nadere regels stellen omtrent het tweede lid.
Art.
77.¹
-1. De werknemer die onbeloonde
activiteiten verricht, doet daarvan mededeling aan het Landelijk instituut sociale
verzekeringen.
-2. De werknemer heeft voor het verrichten
van bijzondere vormen van onbeloonde activiteiten voorafgaande
toestemming van het Landelijk instituut sociale verzekeringen nodig.
-3. Onze Minister
kan regels stellen
omtrent het eerste en het tweede lid.
-4.
Het Landelijk instituut sociale verzekeringen kan nadere regels stellen
omtrent het eerste en tweede lid.
1. Dit artikel is nog niet
in werking getreden.
Art.
78.
De werknemer ten aanzien van wie artikel 75, 76 of
77 wordt toegepast,
wordt geacht werkloos te zijn en te blijven zolang die toepassing duurt.
HOOFDSTUK
VII
Financiering
Art.
79.
De financiële middelen tot dekking van de uitgaven ten laste van de
wachtgeldfondsen en het Algemeen Werkloosheidsfonds, alsmede de
financiële middelen voor het vormen en in stand houden van reserves
voor bedoelde fondsen, worden gevonden door het heffen van premie.
Art.
80.
De premie wordt onderscheiden in een deel dat ten gunste komt van het
wachtgeldfonds dat het Landelijk instituut sociale
verzekeringen voor de
betrokken sector afzonderlijk administreert en een deel dat ten gunste
komt van het Algemeen Werkloosheidsfonds.
Art.
81.
-1. De premie is verschuldigd door
werkgevers en werknemers.
-2. Het deel van de premie dat ten gunste
komt van het wachtgeldfonds dat het Landelijk instituut sociale
verzekeringen voor de betrokken sector afzonderlijk administreert, is
verschuldigd door de werkgever.
-3. Het deel van de premie dat ten gunste
komt van het Algemeen Werkloosheidsfonds is gedeeltelijk verschuldigd
door de werkgever en gedeeltelijk door de werknemer. Bij ministeriële
regeling wordt bepaald welk gedeelte door de werkgever en welk gedeelte
door de werknemer is verschuldigd.
-4. Bij de vaststelling van de door
werkgevers en werknemers verschuldigde premie die ten gunste komt van
het Algemeen Werkloosheidsfonds blijft de premie, bedoeld in artikel 68
van de Ziektewet, buiten beschouwing.
Art.
82.
In afwijking van artikel 81 is de premie geheel door de werkgever
verschuldigd ten aanzien van de werknemer wiens loon geheel bestaat uit verstrekkingen in
natura, huisvesting en onderricht.
Art.
83.
-1. De werkgever is gehouden zowel de door
de werknemer als de door hemzelf verschuldigde premie aan het Landelijk instituut sociale
verzekeringen te betalen. De werkgever mag op het loon
van de werknemer inhouden het door deze verschuldigde deel van de premie
over de tijd waarover dat loon wordt betaald.
-2. Indien de verschuldigde premie na de
loonbetaling met terugwerkende kracht wordt verhoogd of indien een
voorschotpremie wordt gevorderd, mag bij de definitieve vaststelling van
de kosten niets van een eventueel door de werkgever bij te betalen of
bijbetaald bedrag op de werknemer worden verhaald.
Art.
84.
De maatstaf voor de heffing van de premies is het loon over het tijdvak waarover dat loon wordt betaald.
Art.
85.
-1. Het deel van de premie dat ten gunste
komt van het wachtgeldfonds wordt door het Landelijk instituut sociale
verzekeringen bepaald op een percentage van het loon van de werknemer
dat voor verschillende categorieën van werkgevers kan verschillen. Bij
algemene maatregel van bestuur kunnen hieromtrent nadere regels worden
gesteld.
-2. Op gelijke wijze als in het eerste lid
bepaald kan een vastgesteld percentage te allen tijde worden herzien.
-3. In afwijking van artikel 80 wordt met
inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels
bij ministeriële regeling over een uitkering op grond van deze wet, de Ziektewet, de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, over een
toeslag op grond van de Toeslagenwet en over loon ingevolge een
arbeidsovereenkomst als bedoeld in hoofdstuk 2 van de
Wet sociale
werkvoorziening in plaats van het deel van de premie dat ten gunste komt
van een wachtgeldfonds een vervangende premie vastgesteld. Deze
vervangende premie wordt bepaald op een gemiddelde van de percentages
welke zijn vastgesteld op grond van het eerste lid.
-4. De in het derde lid bedoelde
vervangende premie is door de werkgever verschuldigd.
-5. Het deel van de in het derde lid
bedoelde vervangende premie dat ten gunste komt van het wachtgeldfonds
bedraagt ten hoogste de premie die op grond van het eerste lid is
vastgesteld. Het resterende deel van de vervangende premie komt ten
gunste van het Algemeen Werkloosheidsfonds.
-6. Behalve voor degene die loon ontvangt
uit een arbeidsovereenkomst als bedoeld in hoofdstuk 2
van de Wet sociale
werkvoorziening wordt het derde lid niet toegepast ingeval het
Landelijk instituut sociale verzekeringen de uitkering, vermeerderd met
de daarover door de werkgever verschuldigde premies, betaalt aan de
werkgever, bedoeld in artikel 9, 10 of
12 van deze wet en de Ziektewet
en in artikel 8, 9 of
11 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, onafhankelijk van het voortbestaan
van de dienstbetrekking met die werkgever.
Art.
86.
-1. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen stelt het deel van de premie dat ten gunste komt van het
Algemeen Werkloosheidsfonds vast op een percentage van het loon van de
werknemer, met dien verstande dat dit percentage voor alle takken van
het bedrijf en beroep hetzelfde is.
-2. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen stelt de premie vast voor de vrijwillige verzekering,
bedoeld in artikel 68 van de Ziektewet.
-3. Op dezelfde wijze als in het eerste en
het tweede lid bepaald kan een vastgesteld percentage te allen tijde
worden herzien.
-4. Indien een herziening van het in het
eerste lid bedoelde premiepercentage of een wijziging in de verdeling
van de premie op grond van artikel 81, derde lid, ingaat op een ander
tijdstip dan met ingang van 1 januari, stelt het Landelijk instituut
sociale verzekeringen een voor alle takken van bedrijf en beroep
gemiddeld percentage vast voor werkgevers respectievelijk werknemers dat
zal gelden voor het gehele kalenderjaar.
Art.
87. Gereserveerd.
Art.
88. Gereserveerd.
Art.
89.
-1. Ten gunste van een wachtgeldfonds
komen:
a. de premies op grond van het
bepaalde bij of krachtens artikel 85, met uitzondering van de premies
die op grond van het derde en het vijfde lid van dat artikel ten gunste
komen van het Algemeen Werkloosheidsfonds;
b. de bedragen die het Landelijk instituut sociale
verzekeringen ontvangt door de toepassing van artikel
36 voor zover deze bedragen betrekking hebben op uitkeringen die ten
laste van dat fonds zijn gebracht;
c. de bedragen die het Landelijk
instituut sociale verzekeringen op grond van artikel 93, onderdeel d,
ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds brengt;
d. het door de werkgever
verschuldigde bedrag, bedoeld in artikel 52j en in artikel 46 van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
e. de bedragen die het Landelijk
instituut sociale verzekeringen ontvangt door toepassing van artikel 27a;
f. de bedragen die het Landelijk
instituut sociale verzekeringen ontvangt door toepassing van artikel
38,
vierde lid, van de Ziektewet en artikel 71a, tweede en derde lid, van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
g. de bijdragen van de werkgever of
werknemer in de kosten van het onderzoek, bedoeld in artikel
38, eerste
lid, onderdeel g, van de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997;
h. de bedragen die het Landelijk
instituut sociale verzekeringen ontvangt door toepassing van artikel 45a
van de Ziektewet, voor zover deze verband houden met op grond van
artikel 29, tweede lid, onderdeel a, b en c, van de
Ziektewet te betalen
uitkeringen.
-2. In afwijking van het eerste lid,
onderdeel d en f, komen niet ten gunste van het wachtgeldfonds:
a. het door de overheidswerkgever, bedoeld in
artikel 1,
onderdeel k, van de Wet overheidspersoneel onder de
werknemersverzekeringen, verschuldigde bedrag, bedoeld in artikel 46 van
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering; en
b. de bedragen die het Landelijk
instituut sociale verzekeringen van de overheidswerkgever ontvangt door
toepassing van artikel 71a, tweede en derde lid, van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
-3. Het tweede lid en dit lid vervallen op
het tijdstip van aanvang van fase 2 van de Wet overheidspersoneel onder
de werknemersverzekeringen, bedoeld in artikel 53 van
die wet.
Art.
90.
-1. Ten laste van een wachtgeldfonds komen:
a. de op grond van deze wet over de
eerste zes maanden na de eerste werkloosheidsdag te betalen uitkering
aan de werknemer die in de kalenderweek onmiddellijk voorafgaande aan
het intreden van zijn werkloosheid en in de in artikel 17, onderdeel a,
artikel 17a, eerste lid, en artikel 52b, eerste lid, bedoelde periode in
ten minste 26 weken onderscheidenlijk het op grond van de algemene
maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 17a, derde lid, van toepassing
zijnde aantal weken in dezelfde sector werkzaam is geweest;
b. de op grond van artikel 18 te
betalen uitkeringen;
c. de op grond van artikel
29,
tweede lid, onderdeel a, b en c, van de Ziektewet
te betalen
uitkeringen.
d. de uitvoeringskosten, voor zover
deze betrekking hebben op de in onderdelen a, b en c bedoelde
uitkeringen;
e. de op grond van enige wet over de
uitkeringen, bedoeld in onderdeel a, b en c, door het
Landelijk instituut sociale verzekeringen verschuldigde premies die niet op deze
uitkeringen in mindering kunnen worden gebracht;
f. uitgaven die op grond van artikel
74, vijfde lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 ten
laste van een wachtgeldfonds worden gebracht;
g. de kosten van het onderzoek,
bedoeld in artikel 38, eerste lid, onderdeel g, van de
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997;
h. de premies voor de betaling
waarvan aan werkgevers op grond van artikel 5 van de
Wet premieregime
bij marginale arbeid vrijstelling is verleend;
i. de uitvoeringskosten, voor zover
deze betrekking hebben op de uitvoering van de artikelen
38, vierde lid,
en 39 van de Ziektewet
en niet reeds op grond van onderdeel d ten laste
van een wachtgeldfonds worden gebracht, alsmede de uitvoeringskosten,
voor zover deze betrekking hebben op de uitvoering van artikel 629,
derde lid, onderdeel c, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek;
j. de subsidies, bedoeld in artikel
69.
-2. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen is bevoegd in bijzondere gevallen voor de toepassing van
het eerste lid, onderdeel a, werkzaamheden in de ene sector gelijk te
stellen met werkzaamheden in een andere sector.
-3. De artikelen 21 en 52d
zijn met
betrekking tot de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde periode
waarover de uitkering ten laste van een wachtgeldfonds komt, van
overeenkomstige toepassing.
-4. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen brengt hetgeen ten laste van het wachtgeldfonds komt, ten
laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds voor zoveel dit meer bedraagt
dan het voor het wachtgeldfonds op grond van artikel 94 vastgestelde
maximum.
Art.
91. Vervallen.
Art.
92.
Ten gunste van het Algemeen Werkloosheidsfonds komen:
a. de premies op grond van artikel
85, derde en vijfde lid;
b. de premies op grond van artikel
86;
c. de premies op grond van artikel
68 van de Ziektewet;
d. de bedragen die het Landelijk instituut sociale
verzekeringen ontvangt door de toepassing van artikel
36, voor zover deze bedragen betrekking hebben op uitkeringen die ten
laste van dat fonds zijn gebracht;
e. de bedragen die het Landelijk
instituut sociale verzekeringen ontvangt door de uitoefening van zijn
bevoegdheid op grond van artikel 66;
f. de bedragen die het Landelijk
instituut sociale verzekeringen ontvangt door toepassing van artikel 45a
van de Ziektewet, voor zover deze verband houden met te betalen
uitkeringen op grond van de Ziektewet, anders dan op grond van
artikel 29, tweede lid, onderdeel a, b en c, van
die wet;
g. de bijdrage van het Rijk in de
financiering van de Wet financiering
loopbaanonderbreking;
h. de bedragen die het Landelijk
instituut sociale verzekeringen ontvangt door de toepassing van de
artikelen 6, derde lid, en 7 van de
Wet financiering
loopbaanonderbreking;
i. het bedrag van de uitkeringen dat
op grond van artikel 18 van de Algemene nabestaandenwet niet tot
uitbetaling komt in verband met het ontvangen van een inkomen als
vervanger als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de
Wet financiering
loopbaanonderbreking en door de Sociale Verzekeringsbank op grond van
artikel 30, derde lid, van de Wet financiering volksverzekeringen wordt
overgeheveld naar het Landelijk instituut sociale verzekeringen ten
gunste van het Algemeen Werkloosheidsfonds.
Art.
93.
Ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds komen:
a. de op grond van deze wet te
betalen uitkeringen, met uitzondering van de uitkeringen, bedoeld in
artikel 90, eerste lid;
b. de op grond van artikel
29,
tweede lid, onderdeel d, e en f, en artikel 70 van de
Ziektewet te
betalen uitkeringen;
c. de uitvoeringskosten, voor zover
deze betrekking hebben op de in de onderdelen a en b bedoelde
uitkeringen;
d. de op grond van enige wet over de
uitkeringen, bedoeld in onderdeel a en b, door het Landelijk instituut sociale
verzekeringen verschuldigde premies die niet op deze uitkeringen
in mindering kunnen worden gebracht;
e. de bedragen die op grond van
artikel 90, vierde lid, door het Landelijk instituut sociale
verzekeringen ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds zijn
gebracht;
f. de subsidies op grond van de Wet
tijdelijke bijdrage herstructurering arbeidsvoorziening havens;
g. de premies voor de betaling
waarvan aan werkgevers op grond van artikel 5 van de
Wet premieregime
bij marginale arbeid vrijstelling is verleend, voor zover deze niet ten
laste komen van een wachtgeldfonds;
h. het op grond van artikel 42 van
de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten aan het
Reïntegratiefonds af te dragen bedrag;
i. de financiële tegemoetkomingen op grond van de
Wet financiering
loopbaanonderbreking en de daaraan verbonden uitvoeringskosten.
Art.
93a.¹
-1. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen stelt jaarlijks, ten laste van het Algemeen
Werkloosheidsfonds, een budget vast voor de uitvoering van artikel
72,
derde lid, alsmede voor de met de uitvoering van het derde lid van dat
artikel verband houdende kosten van beheer en administratie door de uitvoeringsinstellingen.
-2. Het Landelijk instituut vermeldt in het
plan van werkzaamheden, bedoeld in artikel 38, vierde lid, van de
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997, op welke wijze dit instituut
en de uitvoeringsinstellingen uitvoering zullen geven aan artikel
72.
1. Dit artikel is nog niet
in werking getreden.
Art.
93b.
-1. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen stelt jaarlijks, ten laste van het Algemeen
Werkloosheidsfonds, een budget vast voor vergoedingen aan de gemeenten
voor de voorzieningen op grond van de Wet inschakeling
werkzoekenden
waarvoor die gemeenten werknemers woonachtig in die gemeenten die recht
op uitkering hebben op grond van hoofdstuk IIa
of IIb in aanmerking
hebben laten komen.
-2. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen vermeldt in het plan van werkzaamheden, bedoeld in artikel
38, vierde lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997, de
inhoud van de overeenkomsten die dit instituut en de uitvoeringsinstellingen
ter uitvoering van artikel 73, eerste lid, met
gemeentebesturen hebben gesloten over het aanbod van voorzieningen op
grond van de Wet inschakeling werkzoekenden.
Art.
94.
Het Landelijk instituut sociale verzekeringen
stelt elk jaar voor elk
wachtgeldfonds afzonderlijk een maximum vast dat in een boekjaar op
grond van artikel 90 ten laste van dat wachtgeldfonds komt. Voor het
vaststellen van het maximum blijven de premies ten laste van een
wachtgeldfonds op grond van artikel 90, eerste lid, onderdeel h, buiten
beschouwing. Voor het vaststellen van het maximum blijven de bedragen
ten laste van een wachtgeldfonds op grond van artikel 90, eerste lid,
onderdeel c, buiten beschouwing. Voor de toepassing van de eerste volzin
blijven de lasten die op grond van artikel 90, vierde lid, bij het
Landelijk instituut sociale verzekeringen ten laste van het Algemeen
Werkloosheidsfonds in rekening worden gebracht, buiten beschouwing.
Art.
95.
-1. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen vergoedt, ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds,
aan het Rijk bijdragen die vanwege het Rijk worden verleend aan uit het
buitenland afkomstige werknemers die geen Nederlander zijn en die
terugkeren naar hun land van herkomst of emigreren naar een ander land
en tot het tijdstip van vertrek uitkering op grond van deze wet
ontvangen.
-2. De in het eerste lid bedoelde
vergoedingen zijn ten hoogste gelijk aan de bedragen die de in het
eerste lid bedoelde werknemers op grond van deze wet zouden hebben
kunnen ontvangen indien zij werkloos waren gebleven en niet naar hun
land van herkomst of een ander land waren vertrokken.
-3. Onze Minister
stelt regels met
betrekking tot de aan het Rijk te vergoeden bijdragen, bedoeld in het
eerste lid.
Art.
96. Vervallen.
Art.
97.
Het Landelijk instituut sociale verzekeringen
kan regelen stellen
omtrent de verrekening tussen het Algemeen Werkloosheidsfonds en de
wachtgeldfondsen enerzijds en de uitvoeringsinstellingen
anderzijds van
ontvangen premies en overige ontvangsten enerzijds en van verstrekte
uitkeringen en gemaakte kosten anderzijds.
HOOFDSTUK
VIII
De
uitvoeringsinstanties
Art. 98.
In de uitvoering van deze wet wordt voorzien door het Landelijk instituut sociale
verzekeringen en door uitvoeringsinstellingen
die
werkzaamheden als bedoeld in artikel 41 van de
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 verrichten.
Art. 99.
-1. De werknemer is verzekerd bij het Landelijk instituut sociale
verzekeringen.
-2. Ten aanzien van de werknemer worden de werkzaamheden als bedoeld in
artikel 41 van de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 verricht
door de uitvoeringsinstelling die deze werkzaamheden verricht voor de
sector waarbij zijn werkgever is aangesloten of het sectoronderdeel
waartoe zijn werkgever behoort.
-3. Indien de werkgever is aangesloten bij meer dan één sector, worden
werkzaamheden als bedoeld in artikel 41 van de
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 ten aanzien van de werknemer verricht door de
uitvoeringsinstelling die deze werkzaamheden verricht voor de sector
waartoe de werkzaamheden die deze werkgever doet verrichten uitsluitend
of in hoofdzaak behoren.
-4. Indien de werkzaamheden die de werkgever doet verrichten, behoren tot
meer dan één sectoronderdeel, worden werkzaamheden als bedoeld in artikel 41
van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997
verricht
door de uitvoeringsinstelling die deze werkzaamheden verricht voor het
sectoronderdeel waartoe de werkzaamheden die deze werkgever doet
verrichten uitsluitend of in hoofdzaak behoren.
Art. 100.
-1. Ten aanzien van de werknemer wiens uitkering op grond van
artikel 21
of 52d is herleefd, verricht, onverminderd artikel
99, de uitvoeringsinstelling de werkzaamheden als bedoeld in artikel 41
van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997, die dergelijke werkzaamheden
bij de vaststelling van de uitkering verrichtte.
-2. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen is bevoegd regels te
stellen, waarbij in geval van:
a. onderbreking van werkloosheid door korte perioden van werken;
b. gelijktijdig of opeenvolgend verlies van arbeidsuren uit
één of meer
dienstbetrekkingen;
c. samenloop van meer dan één uitkering op grond van deze wet; of
d. samenloop van een uitkering op grond van deze wet en een uitkering op
grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen, de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten of de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering;
zo nodig in afwijking van artikel 99
en van het eerste lid, een uitvoeringsinstelling wordt aangewezen die
ten aanzien van de werknemer werkzaamheden als bedoeld in artikel 41
van
de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 verricht.
-3. Ten aanzien van de werknemer die recht heeft op uitkering op grond
van hoofdstuk IV worden werkzaamheden als bedoeld in artikel 41
van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997
verricht door de
uitvoeringsinstelling die deze werkzaamheden verricht voor de sector
waarbij zijn werkgever die verkeert in een toestand als bedoeld in
artikel 61, eerste lid, is aangesloten of het sectoronderdeel waartoe
zijn werkgever die verkeert in een toestand als bedoeld in artikel
61,
eerste lid, behoort.
Art. 101.
-1. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen stelt een
uitkeringsreglement werkloosheidsverzekeringen vast.
-2. Onverminderd het elders in deze wet dienaangaande
bepaalde bevat het
uitkeringsreglement bepalingen omtrent:
a. voorschriften ten behoeve van een doelmatige controle die ten
aanzien van de werknemers moeten worden genomen;
b. voorschriften met betrekking tot het genieten van vakantie tijdens
de duur van de uitkering;
c. voorschriften in verband met de betaling van de uitkering door
tussenkomst van de werkgever indien tijdens werkloosheid de
dienstbetrekking voortduurt;
d. andere voorwaarden die aan het ontvangen van uitkering zijn
verbonden;
e. het betalen van een deel van de uitkering in de vorm van bijdragen
aan sociale fondsen, waaronder begrepen bonnen, zegels en certificaten
die door het desbetreffende fonds worden uitgegeven of voorgeschreven;
en
f. samenloop van uitkeringen en inkomsten uit of in verband met arbeid.
-3. Het uitkeringsreglement mag geen bepalingen
bevatten welke strijdig
zijn met deze wet en de daarop berustende bepalingen.
Art. 102.
-1. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen stelt voor een sector
als bedoeld in artikel 51, eerste lid, van de
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 een wachtgeldfonds in.
-2. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen beheert de middelen,
bedoeld in artikel 89, en de uitgaven, bedoeld in artikel
90, eerste
lid, gezamenlijk en administreert deze middelen en uitgaven met
betrekking tot elk wachtgeldfonds afzonderlijk.
-3. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen beheert en
administreert de middelen, bedoeld in artikel 89, tweede lid, in de vorm
van een afzonderlijke rekening per betrokken sector en brengt die
middelen, uiterlijk op het tijdstip van aanvang van fase 2 van de Wet
overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen, bedoeld in artikel
53 van die wet, ten gunste van het wachtgeldfonds van de betrokken
sector.
-4. Het derde lid en dit lid vervallen op het tijdstip van aanvang van
fase 2 van de Wet overheidspersoneel onder de
werknemersverzekeringen,
bedoeld in artikel 53 van die
wet.
Art. 103.
Het Landelijk instituut sociale verzekeringen
beheert en administreert
afzonderlijk de in artikel 92 bedoelde middelen tot dekking van de
uitgaven en de uitgaven, bedoeld in de artikelen 69, eerste lid,
93 en
95, in de vorm van een Algemeen Werkloosheidsfonds dat deel uitmaakt van
het Landelijk instituut sociale verzekeringen.
Art. 104.
Vervallen.
Art. 105.
Vervallen.
Art. 106.
Vervallen.
Art. 107.
Vervallen.
Art. 108.
Vervallen.
Art. 109.
Vervallen.
Art. 110.
Vervallen.
HOOFDSTUK
IX
Bepalingen
van procedurele aard
Art. 111.
Tussen Onze Minister en Onze Minister van Financiën dient
overeenstemming te bestaan omtrent te stellen regels als bedoeld in
artikel 12.
Art. 112.
Alvorens regels te stellen als bedoeld in artikel 95, derde lid, wordt
door Onze Minister overleg gepleegd met de minister wie dat mede
aangaat.
Art. 113.
Vervallen.
Art. 114.
Vervallen.
Art. 114a.
Vervallen.
Art. 115.
Vervallen.
Art. 116.
-1. De door het Landelijk instituut sociale
verzekeringen op grond van de
artikelen 16, zesde en zevende lid, 17a, vierde lid,
20, zesde lid, 24,
zesde lid, 26, derde lid, 45, derde lid,
76 derde lid, en 77, vierde
lid, gestelde regels behoeven de goedkeuring van Onze Minister.
-2. Een door het Landelijk instituut sociale verzekeringen vastgesteld
besluit inzake een gemiddeld premiepercentage voor alle sectoren als
bedoeld in artikel 86, eerste lid, behoeft de goedkeuring van Onze
Minister.
-3. Een door het Landelijk instituut sociale verzekeringen vastgesteld
maximum als bedoeld in artikel 94, eerste zin, behoeft de goedkeuring
van Onze Minister. Indien Onze Minister zijn goedkeuring onthoudt aan
het door het Landelijk instituut sociale verzekeringen vastgestelde
maximum, stelt hij dat maximum zelf vast.
Art. 117.
Vervallen.
Art. 118.
Vervallen.
Art. 119.
Vervallen.
Art. 120.
Vervallen.
Art. 121.
Vervallen.
Art. 122.
Vervallen.
Art. 123.
Vervallen.
Art. 124.
Het door het Landelijk instituut sociale
verzekeringen vastgestelde
besluit met betrekking tot het premiepercentage dan wel met betrekking
tot het door de werkgevers en werknemers verschuldigde deel van de
premie, bedoeld in artikel 86, eerste lid, behoeft goedkeuring van
Onze Minister. Indien Onze Minister goedkeuring onthoudt aan het door het
Landelijk instituut sociale verzekeringen vastgestelde percentage dan
wel vastgesteld verschuldigd deel, stelt hij het percentage dan wel het
verschuldigde deel zelf vast.
Art. 125.
Het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in
artikel 7 wordt bekendgemaakt in de Staatscourant.
Art. 126.
Een voordracht tot een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in
artikel 7 wordt niet gedaan dan nadat twee maanden na de in artikel 125
bedoelde mededeling zijn verstreken. Gelijktijdig met de mededeling
wordt het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd.
Binnen 30 dagen na de overlegging kan door één der kamers of door ten
minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van
één der
kamers de wens te kennen worden gegeven dat het in de maatregel
geregelde onderwerp bij wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe
strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend.
Art. 127.
Vervallen.
HOOFDSTUK
X
Bezwaar
en administratief beroep
Art. 128.
In afwijking van artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht
wordt de
belanghebbende in een bezwaarschriftprocedure ten aanzien van een
besluit inzake de verschuldigde premie gehoord op zijn verzoek.
Art. 129.
In afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht beslist het Landelijk instituut sociale
verzekeringen binnen dertien weken na ontvangst van het bezwaarschrift.
Art. 130.
Vervallen
HOOFDSTUK
XI
Straf-
en slotbepalingen
Art. 131.
-1. De werkgever die zijn verplichting als bedoeld in
artikel 13 niet
nakomt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste één maand of
geldboete van de tweede categorie.
-2. Met gelijke straf wordt gestraft hij die door hem op grond van deze
wet betaalde of verschuldigde premie inhoudt op het loon van, of op
enige andere wijze verhaalt op, een werknemer of gewezen werknemer,
zonder dat dit bij deze wet is toegestaan.
Art. 132.
Overtreding van bepalingen van een op grond van deze wet uitgevaardigde
algemene maatregel van bestuur, voor zover uitdrukkelijk als strafbaar
feit in de zin van dit artikel aangeduid, wordt gestraft met hechtenis
van ten hoogste één maand of geldboete van de tweede categorie.
Art. 133.
Hij die op grond van deze wet of de daarop berustende bepalingen
gehouden is inlichtingen of gegevens te verstrekken, een aangifte of
mededeling te doen, of een verklaring af te leggen en daarbij
opzettelijk een valse opgave doet, of opzettelijk in strijd met bedoelde
gehoudenheid iets verzwijgt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.
Art. 134.
Hij die op andere wijze dan door het valselijk opmaken of vervalsen van
een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen,
opzettelijk een opgave in strijd met de waarheid doet, zulks met het
oogmerk aldus een uitkering of een hogere uitkering op grond van deze
wet te verkrijgen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste
twee jaren of geldboete van de vierde categorie.
Art. 135.
De in de artikelen 131 en 132 omschreven strafbare feiten zijn
overtredingen. De in de artikelen 133 en 134 omschreven strafbare feiten
zijn misdrijven.
Art. 135a.
Het recht tot strafvordering vervalt indien het Landelijk instituut sociale
verzekeringen aan de werknemer ter zake van hetzelfde feit reeds
een boete heeft opgelegd.
Art. 136.
Deze wet treedt in werking op een bij of krachtens wet te bepalen
tijdstip.¹
1. Bij Besluit van 26
november 1986, Stb. 1986, 597, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 januari 1987, red.
Art. 137.
Deze wet kan worden aangehaald onder de titel: Werkloosheidswet.
[Lasten
en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat
alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 18
februari 1966
JULIANA
De Minister van Sociale Zaken en
Volksgezondheid,
G.M.J. Veldkamp
Uitgegeven de zeventiende maart
1966
De Minister van Justitie,
Samkalden, red.]
|
|