|
BESCHIKKING van de Minister van Justitie van
21 januari 1999, Stb. 1999, 22, houdende
plaatsing in het Staatsblad van de tekst van de Ziektewet, zoals
deze luidt met ingang van 1 januari 1999
De Minister van Justitie;
Gelet op artikel XXXVI van de
Aanpassingswet nieuwe en
gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen;
Besluit:
De tekst van de
Ziektewet, zoals deze luidt met ingang
van 1 januari 1999, in het Staatsblad te plaatsen als bijlage bij deze
beschikking.
’s-Gravenhage, 21 januari 1999
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
Uitgegeven de achtentwintigste
januari
1999
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
Tekst van
de Ziektewet, zoals deze wet luidt op 1 januari 1999 ¹
1. De voetnoten bij de
artikelen zijn geplaatst door de wetgever, red.
[WET van 5 juni 1913, Stb.
1913, 204, tot regeling der arbeiders-ziekteverzekering
(Ziektewet).
Inwerkingtreding: 1 augustus 1929 (Stb. 1929, 375).
WIJ
WILHELMINA, bij de gratie Gods,
Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of hooren
lezen, saluut! doen te weten:
Alzoo Wij in overweging genomen
hebben, dat het wenschelijk is aan arbeiders een geldelijke uitkeering
bij ziekte te verzekeren, en bepalingen te maken omtrent de voorziening
tegen ziekte van arbeiders;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van
State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben
goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:, red.]
EERSTE
AFDELING
Algemene bepalingen
§ 1. Algemeen
Art. 1.
-1. Voor de toepassing van deze wet en van de tot haar
uitvoering genomen besluiten wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
b. College van toezicht sociale verzekeringen: het
College van toezicht sociale verzekeringen, genoemd in hoofdstuk 2 van de
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997;
c. Landelijk instituut sociale verzekeringen: het
Landelijk instituut sociale verzekeringen, genoemd in hoofdstuk 4 van de
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997;
d. uitvoeringsinstelling: een uitvoeringsinstelling als
bedoeld in artikel 41, derde lid, van de Organisatiewet sociale
verzekeringen 1997;
e. sector: een sector als bedoeld in
artikel 51 van de
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997;
f. lichamen: rechtspersonen, maat- en vennootschappen,
samenwerkingsvormen zonder rechtspersoonlijkheid die met
verenigingen maatschappelijk gelijk kunnen worden gesteld,
ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen en doelvermogens;
g. vreemdeling: hetgeen daaronder wordt verstaan in de
Vreemdelingenwet;
h. onbetaald verlof: een tussen werkgever en werknemer
overeengekomen periode van verlof waarbij op grond van artikel
6,
tweede lid, geen dienstbetrekking aanwezig is.
-2. Voor de toepassing van deze wet en van de tot haar
uitvoering genomen besluiten wordt gelijkgesteld met:
a. echtgenoot: geregistreerde partner;
b. echtgenoten: geregistreerde partners;
c. gehuwd: als partner geregistreerd.
-3. Voor de toepassing van deze wet en van de tot haar
uitvoering genomen besluiten wordt:
a. als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de
ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige
een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een
bloedverwant in de eerste graad;
b. als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam
gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.
-4. Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien
twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk
geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een
bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
-5. Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval
aanwezig geacht indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in
dezelfde woning en:
a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de
toepassing van deze wet daarmee gelijk zijn gesteld;
b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning
heeft plaatsgevonden van een kind van de één door de ander;
c. zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage
aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract;
of
d. zij op grond van een registratie worden aangemerkt
als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking
overeenkomt met de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het vierde lid.
-6. Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld
welke registraties, en gedurende welk tijdvak, in aanmerking worden
genomen voor de toepassing van het vijfde lid, onderdeel d.
-7. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen regels worden gesteld ten aanzien van hetgeen wordt verstaan
onder het blijk geven zorg te dragen voor een ander, zoals bedoeld in
het vierde lid.
[Art.
1a.
Vervallen, red.]
[Art.
1b.
Vervallen, red.]
Art. 2.
-1. Waar iemand woont en waar een lichaam
gevestigd is, wordt naar de omstandigheden beoordeeld.
-2. Voor de toepassing van het eerste lid
worden schepen en luchtvaartuigen die binnen Nederland hun thuishaven
hebben, beschouwd als deel van Nederland.
Art. 2a.
Bij een besluit ingevolge deze wet dat betrekking heeft op het al dan
niet bestaan of voortbestaan van de ongeschiktheid tot werken is
belanghebbende degene op wiens aanspraken het besluit betrekking heeft.
Art. 2b.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot de termijn waarbinnen een beschikking op aanvraag en
ingevolge een ziekmelding van een verzekerde aan het
Landelijk instituut sociale verzekeringen als bedoeld in de artikelen 29a, vierde lid en
38a, eerste lid, wordt gegeven. Deze algemene maatregel van bestuur
vervalt op 1 januari 2000.
[§ 2.
De werknemer, red.]
Art. 3.
-1. Werknemer is de natuurlijke persoon
jonger dan 65 jaar die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke
dienstbetrekking staat.
-2. Wie zijn dienstbetrekking buiten
Nederland vervult, wordt niet als werknemer beschouwd, tenzij hij in
Nederland woont en zijn werkgever eveneens in Nederland woont of
gevestigd is. Voor zover een werkgever:
a. in Nederland een vaste inrichting
voor de uitoefening van zijn bedrijf of een in Nederland wonende of
gevestigde vaste vertegenwoordiger heeft; of
b. in Nederland één of meer personen
in dienst heeft en hij door of vanwege Onze Minister als werkgever is
aangewezen;
wordt hij voor de toepassing van de eerste volzin
gelijkgesteld met een in Nederland wonende of gevestigde werkgever.
-3. In afwijking van het eerste en tweede
lid wordt niet als werknemer beschouwd de vreemdeling die niet
rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 1b,
aanhef
en onder 1, van de Vreemdelingenwet.
-4. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur kan worden bepaald dat:
a. personen die buiten Nederland
wonen ook als werknemer worden beschouwd, voor zover zij hun
dienstbetrekking buiten Nederland vervullen;
b. personen die in Nederland wonen
ook als werknemer worden beschouwd, voor zover zij hun dienstbetrekking
buiten Nederland vervullen en hun werkgever buiten Nederland woont of
gevestigd is.
-5. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur kan van het eerste, tweede en derde lid worden afgeweken ten
aanzien van:
a. vreemdelingen;
b. personen op wie een regeling van
toepassing is inzake verzekering tegen geldelijke gevolgen van
arbeidsongeschiktheid van de Nederlandse Antillen, van Aruba, van een
andere mogendheid of van een volkenrechtelijke organisatie; en
c. personen die slechts tijdelijk
in Nederland verblijven of tijdelijk in Nederland werkzaam zijn.
-6. Bij een maatregel als bedoeld in het
vijfde lid kan worden afgeweken van het derde lid ten aanzien van:
a. vreemdelingen die rechtmatig in
Nederland arbeid verrichten dan wel hebben verricht;
b. vreemdelingen die, na rechtmatig
in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 1b,
aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet, tijdig toelating in
aansluiting op dat verblijf hebben aangevraagd, dan wel bezwaar hebben
gemaakt of beroep hebben ingesteld tegen de intrekking van het besluit
tot toelating, totdat op die aanvraag, dat bezwaar of dat beroep is
beslist.
Art.
3a.
Zo nodig in afwijking van artikel 3 en de daarop berustende bepalingen:
a. wordt als werknemer beschouwd de
persoon van wie de verzekering op grond van deze wet voortvloeit uit de
toepassing van bepalingen van een verdrag of van een besluit van een
volkenrechtelijke organisatie;
b. wordt niet als werknemer
beschouwd de persoon op wie op grond van een verdrag of een besluit van
een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid
van toepassing is.
Art. 4.
-1. Als dienstbetrekking wordt mede
beschouwd de arbeidsverhouding van:
a. degene die anders dan in de
uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een
beroep, en anders dan als thuiswerker, ingevolge een overeenkomst tot
aanneming van werk als bedoeld in artikel 1639 van Boek
7a van het Burgerlijk Wetboek, persoonlijk een werk tot stand brengt;
b. degene die de onder a bedoelde
persoon bij het tot stand brengen van dat werk bijstaat;
c. degene die krachtens
overeenkomst met een ander tegen beloning geregeld zijn bemiddeling
verleent tot het tot stand komen van overeenkomsten tussen daartoe door
hem te bezoeken personen en die ander, mits hij de bedoelde bemiddeling
uitsluitend voor die ander verleent, het verlenen van die bemiddeling
niet een voor hem bijkomstige werkzaamheid is en hij zich daarbij
doorgaans niet door meer dan twee andere personen laat bijstaan;
d. degene die krachtens
overeenkomst met een ander tegen beloning geregeld zijn bemiddeling
verleent tot het tot stand komen van overeenkomsten tussen daartoe door
hem te bezoeken personen en een opdrachtgever van die ander, mits hij de
bedoelde bemiddeling uitsluitend voor die ander verleent, het verlenen
van die bemiddeling niet een voor hem bijkomstige werkzaamheid is en hij
zich daarbij doorgaans niet door meer dan twee andere personen laat
bijstaan;
e. vervallen;
f. degene die als lid van de
bemanning van een vissersvaartuig aanspraak heeft op een aandeel in de
besomming, tenzij hij:
1º. als zodanig tegen geldelijke gevolgen
van arbeidsongeschiktheid verzekerd is bij het Sociaal Fonds voor de
Maatschapsvisserij; of
2º. exploitant of mede-exploitant van het
vaartuig is;
g. degene die werkzaam is om
vakbekwaamheid te verwerven, onder wie mede wordt begrepen degene die
als leerling van een instelling van onderwijs praktisch werkzaam is,
alsmede degene die aan een bedrijfsschool opleiding ontvangt, één en
ander indien een beloning wordt genoten die niet uitsluitend bestaat in
het ontvangen van onderricht;
h. degene die als bestuurder
werkzaam is ten behoeve van een coöperatie die met haar leden
uitsluitend arbeidsovereenkomsten als bedoeld in artikel 610, eerste
lid, van Boek 7
van het Burgerlijk Wetboek sluit, indien hij lid is van
de coöperatie en deze blijkens haar statuten en met inachtneming van de
vereisten gesteld in het derde lid en krachtens het vierde lid kan
worden beschouwd als een coöperatie met werknemerszelfbestuur.
-2. Het bepaalde in het vorige lid, onderdeel a
en b, blijft buiten toepassing indien de onder a bedoelde overeenkomst
rechtstreeks is aangegaan met een natuurlijk persoon ten behoeve van
diens persoonlijke aangelegenheden.
-3. Een coöperatie als bedoeld in het
eerste lid, onderdeel h, dient te voldoen aan de vereisten dat:
a. doorgaans ten minste twee derde
deel van het aantal van de personen met wie de coöperatie een
arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 610, eerste lid, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek heeft gesloten, lid van de coöperatie is;
b. het lidmaatschap van de
coöperatie door ieder van de in onderdeel a bedoelde personen onder
dezelfde voorwaarden kan worden verkregen en voorwaarden van geldelijke
aard geen wezenlijke belemmering vormen voor de verkrijging van het
lidmaatschap;
c. de leden van de coöperatie ieder
één stem hebben;
d. de arbeidsvoorwaarden van de
leden van de coöperatie niet wezenlijk verschillen van hetgeen
gebruikelijk is bij gelijksoortige ondernemingen in de desbetreffende
bedrijfstak;
e. een lid van de coöperatie,
behoudens in geval van liquidatie van de coöperatie, bij beëindiging
van zijn lidmaatschap ten hoogste aanspraak kan maken op het door hem
uit hoofde van een geldelijke voorwaarde als bedoeld in onderdeel b,
hetzij uit anderen hoofde aan de coöperatie betaalde bedrag, herrekend
naar geldontwaarding.
-4. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen regels worden gesteld waarbij de in het derde lid genoemde
vereisten:
a. nader worden bepaald;
b. worden aangevuld met andere
vereisten op grond waarvan de coöperatie kan worden beschouwd als een
coöperatie met werknemerszelfbestuur.
Art. 5.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden
gesteld ingevolge welke eveneens als dienstbetrekking wordt beschouwd
de arbeidsverhouding van:
a. degene die als thuiswerker
arbeid verricht;
b. degene die de onder a bedoelde
persoon als hulp bij het verrichten van de arbeid bijstaat;
c. degene die als musicus of
anderszins als artiest optreedt dan wel als beroep een tak van sport
beoefent;
d. degene die tegen beloning persoonlijk
arbeid verricht en wiens arbeidsverhouding niet reeds ingevolge de
voorgaande bepalingen als dienstbetrekking wordt beschouwd, doch
hiermede maatschappelijk gelijk kan worden gesteld.
Art. 6.
-1. Als dienstbetrekking wordt niet
beschouwd de arbeidsverhouding van:
a. degene bedoeld in artikel 2,
eerste lid, onderdeel a, van de Ambtenarenwet;
b. degene die een verplichting
naleeft, hem opgelegd door de wet of voortvloeiende uit een verbintenis
anders dan bij arbeidsovereenkomst door hem jegens de Overheid aangegaan
ten aanzien van ’s lands verdediging of ter bescherming van de
openbare orde en de veiligheid der bevolking, alsmede van degene die
als vrijwilliger al dan niet tegen loon werkzaamheden verricht bij een
gemeentelijke brandweer;
c. degene die ten behoeve van de
natuurlijke persoon tot wie hij in dienstbetrekking staat, uitsluitend
of nagenoeg uitsluitend huiselijke of persoonlijke diensten in diens
huishouding verricht en die diensten doorgaans op minder dan drie dagen
per week verricht;
d. de directeur-grootaandeelhouder.
-2. Geen dienstbetrekking wordt geacht
aanwezig te zijn op dagen waarop geen arbeid wordt verricht en geen
uitkering of een uitkering van minder dan de helft van het normale loon
van de werkgever wordt genoten, tenzij het niet verrichten van de arbeid
zijn oorzaak vindt in:
a. een normale onderbreking van of
verhindering tot het verrichten van de arbeid, zolang deze onderbreking
of verhindering niet langer dan één maand heeft geduurd;
b. weersinvloeden, gebrek aan
materialen of dergelijke omstandigheden;
c. vervallen;
d. de omstandigheid dat de
dienstbetrekking ertoe strekt, dat slechts een gedeelte van een normale
werkweek arbeid wordt verricht;
e. de omstandigheid dat de
dienstbetrekking ertoe strekt dat niet regelmatig in elke kalenderweek
arbeid wordt verricht, voor zover het betreft de kalenderweek waarin
arbeid wordt verricht of arbeid zou worden verricht indien de
betrokkene niet arbeidsongeschikt was geworden;
f. arbeidsongeschiktheid ter zake
waarvan ziekengeld op grond van deze wet of een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering is toegekend.
-3. Het bepaalde in de vorige leden is
alleen van toepassing op de aldaar bedoelde arbeidsverhoudingen.
-4. Door Onze Minister
worden, in
overeenstemming met Onze Minister van
Financiën, regels gesteld omtrent
hetgeen onder directeur-grootaandeelhouder, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel d, wordt verstaan.
Art. 7.
Voor de toepassing van deze wet wordt als werknemer beschouwd:
a. degene die krachtens de
verplichte verzekering op grond van de Werkloosheidswet
(Stb. 1987, 93)
uitkering ontvangt;
b. in door Onze Minister
aan te
wijzen gevallen degene die ten minste vijf of ten minste de helft van
zijn arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren als bedoeld in artikel
16, eerste lid, onderdeel a, van de Werkloosheidswet, doch aan wie geen
uitkering wordt verleend op grond van enige bepaling van die wet of van
het uitkeringsreglement werkloosheidsverzekeringen van het
Landelijk instituut sociale verzekeringen.
Art. 8.
Voor de toepassing van deze wet wordt mede als werknemer beschouwd:
a. degene die krachtens de
verplichte verzekering ingevolge deze wet ziekengeld ontvangt;
b. in door Onze Minister
aan te
wijzen gevallen degene die wegens ziekte niet werkt, doch aan wie geen
ziekengeld wordt verleend op grond van enige bepaling van deze wet.
Art. 8a.
Voor de toepassing van deze wet wordt mede als werknemer beschouwd
degene die op grond van de verplichte verzekering ingevolge de Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering uitkering ontvangt.
Art. 8b.
-1. Tot een bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur, op voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid tezamen met Onze Minister van Binnenlandse
Zaken, te
bepalen tijdstip:
a. wordt niet als dienstbetrekking
beschouwd de arbeidsverhouding van de overheidswerknemer, bedoeld in
artikel 1, onderdeel l, van de Wet overheidspersoneel onder de
werknemersverzekeringen; alsmede
b. is artikel 8a
niet van toepassing
op degene die uitsluitend uit hoofde van één of meer arbeidsverhoudingen
als overheidswerknemer, dan wel uitsluitend uit hoofde van één of meer
voormalige arbeidsverhoudingen als gewezen overheidswerknemer een
uitkering ontvangt op grond van de verplichte verzekering op grond van
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
-2. Het in het eerste lid bedoelde tijdstip
kan voor groepen van overheidswerknemers als bedoeld in onderdeel a van
dat lid, alsmede voor groepen van overheidswerknemers en gewezen
overheidswerknemers met recht op een uitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering als bedoeld in onderdeel b van dat
lid, verschillend worden vastgesteld.
-3. Bij of krachtens de algemene maatregel
van bestuur, bedoeld in het eerste lid, kunnen nadere en, zo nodig,
tijdelijk van deze wet afwijkende regels worden gesteld.
§ 3. De werkgever
Art. 9.
Werkgever is de natuurlijke persoon tot wie, of het lichaam tot welk,
één of meer natuurlijke personen in dienstbetrekking staan.
Art. 10.
Als werkgever wordt beschouwd:
1º. in de gevallen, bedoeld in artikel
4,
eerste lid, onderdeel:
a en b: de aanbesteder;
c en d: degene met wie de overeenkomst tot bemiddeling is gesloten;
e: vervallen;
f: de exploitant of mede-exploitant van het vaartuig;
g: degene bij wie de werkzaamheden worden verricht of de opleiding
wordt genoten;
h. de coöperatie;
2º. in de gevallen, bedoeld in artikel
5,
onderdeel;
a: de opdrachtgever;
b: de thuiswerker;
c: degene met wie het optreden of de sportbeoefening is overeengekomen;
d: degene die bij de in artikel 5 bedoelde algemene maatregel van
bestuur als werkgever wordt aangewezen.
Art. 11.
-1. Als werkgever wordt beschouwd in de
gevallen, bedoeld in artikel 7, onderdeel:
a: het
Landelijk instituut sociale verzekeringen;
b: degene die door Onze Minister als werkgever wordt aangewezen.
-2. Als werkgever wordt beschouwd in de
gevallen, bedoeld in artikel 8, onderdeel a, en in
artikel 8a, het
Landelijk instituut sociale verzekeringen dat deze uitkering betaalbaar
stelt of in wiens naam deze uitkering betaalbaar wordt gesteld.
-3. Ingeval het Landelijk instituut sociale
verzekeringen of een uitvoeringsinstelling
in naam van dit instituut, de
uitkering, bedoeld in het eerste en het tweede lid, vermeerderd met de
daarover door de werkgever verschuldigde premies, betaalt aan de
werkgever, bedoeld in artikel 9, 10 of
12, teneinde deze uitkering door
diens tussenkomst te doen uitbetalen, treedt voor de toepassing van het
eerste tot en met het tweede lid deze in de plaats van het Landelijk
instituut sociale verzekeringen, onafhankelijk van het voortbestaan van
de dienstbetrekking met die werkgever.
Art. 11a.
-1. Het ziekengeld van de werknemer die op
de eerste dag van de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid
ter zake waarvan ziekengeld wordt uitgekeerd, in dienstbetrekking stond
tot een werkgever die het in artikel 75a, eerste lid, van de
Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering bedoelde risico zelf draagt, wordt
uitbetaald door tussenkomst van deze werkgever.
-2. In geval van overgang van een
onderneming in de zin van artikel 662 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede in geval van een dergelijke overgang bij faillissement,
waarbij de werkgever, bedoeld in het eerste lid, de onderneming
overdraagt, is het eerste lid niet langer van toepassing.
-3. Indien de onderneming van de werkgever,
bedoeld in het eerste lid, wordt overgenomen als bedoeld in het tweede
lid en de werkgever die de onderneming verkrijgt het in het eerste lid
bedoelde risico zelf draagt, wordt de uitbetaling van het ziekengeld
voortgezet door tussenkomst van laatstbedoelde werkgever.
-4. Indien slechts een deel van een
onderneming wordt overgenomen als bedoeld in het tweede lid, blijft, in
afwijking van het tweede lid, het eerste lid van toepassing als de
werknemer, bedoeld in dat lid, in dienstbetrekking blijft staan tot de
werkgever, bedoeld in dat lid. Indien de werknemer in dienstbetrekking
komt te staan tot de werkgever die een deel van de onderneming verkrijgt
en die werkgever het in het eerste lid bedoelde risico zelf draagt,
wordt de uitbetaling van het ziekengeld voortgezet door tussenkomst van
die werkgever.
-5. Artikel 11, derde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Art. 12.
Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van
Financiën,
in afwijking van het bepaalde in de artikelen 9 en 10 een ander dan de
aldaar bedoelde personen aanwijzen als werkgever met betrekking tot:
a. degene die krachtens
overeenkomst met een ander tegen beloning geregeld zijn bemiddeling
verleent tot het tot stand komen van overeenkomsten tussen daartoe door
hem te bezoeken personen en een opdrachtgever van die ander;
b. degene die een thuiswerker als
hulp bij het verrichten van de arbeid bijstaat;
c. degene die als musicus of
anderszins als artiest optreedt dan wel als beroep een tak van sport
beoefent.
Art. 13.
De werkgever is verplicht de werknemer gelegenheid te geven tot het
uitoefenen van de hem bij of krachtens deze wet toegekende bevoegdheden
en tot het nakomen van de hem bij of krachtens deze wet opgelegde
verplichtingen, voor zover de uitoefening van de bevoegdheden en de
nakoming van die verplichtingen niet buiten de arbeidstijd kan
geschieden.
§ 4. Het loon
Art. 14.
-1. Deze wet verstaat onder loon het loon
in de zin van de Coördinatiewet Sociale
Verzekering.
-2. Loon door verschillende personen
tezamen onverdeeld genoten, wordt, voor zover niet blijkt van een andere
verdeling, geacht door ieder van hen voor een gelijk deel te zijn
genoten.
Art. 15.
-1. Voor de berekening van het ziekengeld
waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat, wordt als dagloon
beschouwd: hetgeen de werknemer tijdens het genot van het ziekengeld bij
een vijfdaagse werkweek gemiddeld per dag zou hebben kunnen verdienen in
het beroep dat hij laatstelijk vóór het ontstaan van de ongeschiktheid
tot werken uitoefende.
-2. Onze Minister
stelt met betrekking tot
de vaststelling van het dagloon nadere regels.
-3. Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen kan, zo nodig in afwijking van de door Onze Minister op
grond van het tweede lid gestelde regels, regels stellen met betrekking
tot de vaststelling van het dagloon voor één of meer categorieën van
werknemers. Deze regels behoeven goedkeuring van Onze Minister.
-4. De in het tweede en derde lid bedoelde
regels kunnen bepalingen bevatten op grond waarvan het dagloon tijdens
de uitkering kan worden herzien.
Art. 16. Vervallen.
Art. 17. Vervallen.
Art. 18. Vervallen.
TWEEDE
AFDELING
Van de
verzekering van uitkering van ziekengeld
Art. 19.
-1. De verzekerde heeft bij ongeschiktheid
tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch
vast te stellen gevolg van ziekte recht op ziekengeld overeenkomstig het
bij of krachtens deze wet bepaalde.
-2. De vrouwelijke verzekerde heeft in
verband met haar zwangerschap of bevalling recht op ziekengeld
overeenkomstig het bij of krachtens deze wet bepaalde.
-3. Voor de toepassing van deze wet wordt
onder ziekte mede verstaan gebreken.
HOOFDSTUK I
Van de
verzekerden
Art. 20.
De werknemers in de zin van deze wet zijn verzekerd.
Art. 21.
In afwijking van artikel 20 wordt voor de toepassing van de
tweede
afdeling, hoofdstuk II, en van artikel 64, de werknemer niet als
verzekerde beschouwd voor zover hij werknemer is als bedoeld in artikel 8a.
Art. 22. Vervallen.
Art. 23. Vervallen.
Art. 24. Vervallen.
Art. 25. Vervallen.
Art. 26. Vervallen.
Art. 26a.
Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen kan nadere regelen geven
in geval van samenloop van verzekering ingevolge deze wet uit meerderen
hoofde.
Art. 27. Vervallen.
Art. 28.
-1. De verzekerde is bij ongeschiktheid tot
het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte verplicht, zo dikwijls dit
nodig wordt geoordeeld, zich te onderwerpen aan een geneeskundig
onderzoek door een door het
Landelijk instituut sociale verzekeringen aangewezen arts, zich op last van de arts tot het ondergaan van zodanig
onderzoek te laten opnemen in de hem aangewezen inrichting en in het
algemeen de voorschriften van de arts die ertoe strekken om een
geneeskundig onderzoek mogelijk te maken, op te volgen.
-2. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen is bevoegd met het oog op de toepassing van het bepaalde
in artikel 44, eerste lid, onderdeel a, een geneeskundig onderzoek te
gelasten bij de aanvang der verzekering.
-3. De verzekerde die bedenkingen heeft
tegen opneming in de hem aangewezen inrichting kan zijn bedenkingen
inbrengen bij het
College van toezicht sociale verzekeringen. Dit
college beslist zo spoedig mogelijk.
-4. De voor de verzekerde aan een
geneeskundig onderzoek verbonden kosten worden aan hem door het
Landelijk instituut sociale verzekeringen vergoed. Door het Landelijk
instituut sociale verzekeringen kunnen dienaangaande regelen worden
gesteld.
HOOFDSTUK II
Van het
ziekengeld
Art. 29.
-1. Behoudens het tweede lid, onderdeel e,
en de artikelen 29a en 29b
wordt geen ziekengeld uitgekeerd, indien de
verzekerde:
a. uit hoofde van de
dienstbetrekking krachtens welke hij de arbeid behoort te verrichten
recht heeft op loon als bedoeld in artikel 629 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek, dan wel indien het recht op loon door toepassing van
het derde, vierde, vijfde of achtste lid van dat artikel geheel of
gedeeltelijk ontbreekt;
b. bij verhindering wegens ziekte om
zijn dienst te verrichten of zijn ambt te vervullen recht heeft op
bezoldiging als bedoeld in de zin van het Bezoldigingsbesluit
Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, dan wel van hetgeen daarmee
overeenkomt, dan wel indien het recht op die bezoldiging op grond van
een reden overeenkomstig artikel 629, derde, vierde, vijfde of achtste
lid, van Boek 7
van het Burgerlijk Wetboek geheel of gedeeltelijk
ontbreekt.
-2. Het ziekengeld wordt uitgekeerd over
iedere dag van de ongeschiktheid tot werken, doch niet over de
zaterdagen en de zondagen, aan:
a. de verzekerde van wie de
arbeidsverhouding op grond van artikel 4 of 5 als dienstbetrekking wordt
beschouwd, vanaf de derde dag van de ongeschiktheid tot werken;
b. degene wiens aanspraak berust op
artikel 46, vanaf de derde dag van de ongeschiktheid tot werken;
c. de verzekerde van wie de
dienstbetrekking, bedoeld in artikel 3, binnen het in het vijfde lid
genoemde tijdvak van 52 weken eindigt, vanaf de eerste dag van
ongeschiktheid tot werken nadat de dienstbetrekking is geëindigd, doch
niet eerder dan vanaf de derde dag van de ongeschiktheid tot werken;
d. de verzekerde die op grond van
artikel 7 of 8a als werknemer wordt beschouwd, vanaf de eerste dag van
de ongeschiktheid tot werken;
e. de verzekerde die wegens
orgaandonatie ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, vanaf de
eerste dag van de ongeschiktheid tot werken;
f. de vrouwelijke verzekerde,
overeenkomstig artikel 29a;
g. de werknemer, bedoeld in artikel
29b.
-3. Als eerste dag van de ongeschiktheid
tot werken geldt de eerste werkdag waarop wegens ziekte niet is gewerkt
of het werken tijdens de werktijd is gestaakt. Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen kan voor bijzondere gevallen regels stellen inzake
welke dag als eerste werkdag wordt aangemerkt.
-4. Geen ziekengeld wordt uitgekeerd op en
na de eerste dag van de maand waarin de verzekerde de leeftijd van 65
jaar bereikt.
-5. Geen ziekengeld wordt uitgekeerd nadat
een tijdvak van 52 weken van ongeschiktheid tot werken is verstreken, te
rekenen vanaf de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken. Voor het
bepalen van dit tijdvak worden tijdvakken van ongeschiktheid tot werken
samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier
weken opvolgen. In de gevallen waarin de tweede volzin toepassing vindt,
worden gedurende de desbetreffende periode van 52 weken de eerste twee
dagen van de ongeschiktheid tot werken waarover op grond van het tweede
lid, onderdeel a en b, geen ziekengeld wordt uitgekeerd, slechts
eenmaal in aanmerking genomen.
-6. Het ziekengeld, bedoeld in het tweede
lid, onderdeel a tot en met d, bedraagt 70% van het dagloon van de
verzekerde.
-7. Het ziekengeld, bedoeld in het tweede
lid, onderdeel e, wordt gesteld op het dagloon.
-8. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen kan nadere regels stellen met betrekking tot het tweede
lid, onderdeel e.
Art. 29a.
-1. De vrouwelijke verzekerde heeft in
verband met haar bevalling recht op ziekengeld ter hoogte van haar
dagloon gedurende ten minste zestien weken.
-2. Het ziekengeld in verband met bevalling
wordt uitgekeerd over iedere dag, doch niet over de zaterdagen en de
zondagen vanaf de eerste dag dat de bevalling blijkens een verklaring
van een arts of van een verloskundige, aangevend de vermoedelijke datum
van de bevalling, binnen zes weken is te verwachten, of vanaf de latere
dag dat de vrouwelijke verzekerde aanspraak wenst te maken op dat
ziekengeld, doch niet later dan vanaf de eerste dag waarop de bevalling
binnen vier weken is te verwachten.
-3. De vrouwelijke verzekerde heeft, indien
zij, voorafgaand aan de dag waarop zij aanspraak maakt op het ziekengeld
in verband met bevalling, ongeschikt wordt tot het verrichten van haar
arbeid en die ongeschiktheid haar oorzaak vindt in de zwangerschap,
behoudens over de zaterdagen en de zondagen, recht op ziekengeld ter
hoogte van haar dagloon vanaf de eerste dag waarop die ongeschiktheid
bestaat.
-4. De vrouwelijke verzekerde meldt de dag
waarop zij aanspraak maakt op het ziekengeld in verband met haar
bevalling aan de werkgever zo spoedig mogelijk, doch in elk geval niet
later dan op de tweede dag. De werkgever meldt dit zo spoedig mogelijk,
doch in elk geval niet later dan op de derde dag aan het
Landelijk instituut sociale verzekeringen. Indien de vrouwelijke verzekerde geen
werkgever heeft als bedoeld in paragraaf 3 ¹ van deze wet, meldt de
verzekerde de dag waarop zij aanspraak maakt op het ziekengeld in
verband met haar bevalling aan het Landelijk instituut sociale
verzekeringen.
-5. Het ziekengeld in verband met bevalling
wordt uitgekeerd tot en met zestien weken na de dag waarop de bevalling
plaatsvond, verminderd met het aantal dagen waarover ziekengeld is
uitgekeerd of door toepassing van artikel 31, tweede lid, geen
ziekengeld is ontvangen, in de periode vanaf de eerste dag waarop de
bevalling binnen zes weken was te verwachten tot en met de vermoedelijke
datum van de bevalling of, indien eerder gelegen, tot en met de
werkelijke datum van de bevalling.
-6. De vrouwelijke verzekerde die in de
periode waarin zij aanspraak had kunnen maken op ziekengeld in verband
met bevalling, wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van haar
arbeid, heeft recht op ziekengeld ter hoogte van haar dagloon. Dit
ziekengeld wordt uitgekeerd vanaf de eerste dag van de ongeschiktheid
tot werken.
-7. Nadat het recht op ziekengeld in
verband met bevalling is geëindigd, heeft de vrouwelijke verzekerde,
indien zij aansluitend ongeschikt is tot het verrichten van haar arbeid
en die ongeschiktheid haar oorzaak vindt in de bevalling of de daaraan
voorafgaande zwangerschap, recht op ziekengeld ter hoogte van haar
dagloon zolang die ongeschiktheid duurt, doch ten hoogste gedurende 52
aaneengesloten weken. Dit ziekengeld wordt uitgekeerd vanaf de eerste
dag nadat het recht op ziekengeld in verband met bevalling is
geëindigd.
-8. Artikel 29, vijfde lid, blijft buiten
toepassing ten aanzien van de vrouwelijke verzekerde die op grond van
dit artikel, met uitzondering van het derde lid, recht heeft op
ziekengeld ter hoogte van haar dagloon.
-9. Artikel 30 blijft buiten toepassing ten
aanzien van de vrouwelijke verzekerde die op grond van dit artikel recht
heeft op ziekengeld ter hoogte van haar dagloon.
-10. Perioden waarover het ziekengeld in
verband met bevalling wordt uitgekeerd, worden bij de toepassing van
artikel 29, vijfde lid, samengeteld met perioden van ongeschiktheid tot
werken.
1. Volgens de redactie dient na
"paragraaf 3" te worden ingevoegd: van
de eerste afdeling.
Art. 29b.
-1. De werknemer die onmiddellijk
voorafgaand aan zijn dienstbetrekking arbeidsgehandicapte is in de zin
van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten heeft vanaf de
eerste dag van de ongeschiktheid tot werken recht op ziekengeld over
perioden van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte die aangevangen
zijn in de vijf jaren na aanvang van de dienstbetrekking.
-2. Het ziekengeld, bedoeld in het eerste
lid, bedraagt 70% van het dagloon van de verzekerde.
-3. In afwijking van het tweede lid wordt
het ziekengeld op verzoek van de werkgever gesteld op het dagloon, met
dien verstande dat het ziekengeld niet meer kan bedragen dan de
aanspraak van de werknemer op het loon dat de werkgever verschuldigd zou
zijn indien daarop geen ziekengeld in mindering zou zijn gebracht.
-4. Indien de werknemer, bedoeld in het
eerste lid, werkzaam is op een arbeidsovereenkomst als bedoeld in
artikel 7 van de Wet sociale werkvoorziening, wordt het dagloon, bedoeld
in het tweede en derde lid, verminderd met het, naar werkdagen herleide,
aan de werkgever verstrekte subsidiebedrag, bedoeld in artikel 7 van de
Wet sociale werkvoorziening.
-5. Dit artikel is niet van toepassing,
indien:
a. de werknemer jegens de werkgever
bij ongeschiktheid tot werken wegens ziekte geen aanspraak op betaling
van loon kan maken;
b. de werknemer werkzaam is in een
dienstbetrekking in de zin van de Wet sociale werkvoorziening of de
Wet
inschakeling werkzoekenden.
Art. 30.
-1. De zieke werknemer die in staat is hem
passende arbeid te verrichten, is verplicht te trachten deze arbeid te
verkrijgen en, indien hij daartoe in de gelegenheid wordt gesteld, deze
arbeid te verrichten.
-2. Weigert de werknemer die aanspraak
maakt op ziekengeld zonder deugdelijke grond de in het vorige lid
bedoelde arbeid te verrichten, dan stelt het
Landelijk instituut sociale verzekeringen het ziekengeld op het
bedrag waarmede het dagloon
overtreft het loon dat hij zou hebben ontvangen indien hij deze arbeid
wel verricht had.
-3. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen kan de in het eerste lid bedoelde werknemer verplichten
zich als werkzoekende bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie te laten
registreren en die registratie tijdig te doen verlengen, indien hem
daartoe het recht toekomt op grond van artikel 69 van de
Arbeidsvoorzieningswet 1996.
Art. 30a.
-1. Onverminderd het elders in deze wet
bepaalde ter zake van herziening of intrekking van een besluit tot
toekenning van ziekengeld en ter zake van weigering van ziekengeld,
herziet het
Landelijk instituut sociale verzekeringen een dergelijk
besluit of trekt hij dat in:
a. indien het niet of niet
behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel
30, 31, 38,
45 of 49 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag
verlenen van ziekengeld;
b. indien anderszins het ziekengeld
ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
c. indien het niet of niet
behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 31 of
49
ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op ziekengeld
bestaat.
-2. Indien daarvoor dringende redenen
aanwezig zijn, kan het Landelijk instituut sociale verzekeringen
besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te
zien.
Art. 31.
-1. De verzekerde die aanspraak maakt op
ziekengeld en tevens loon, inkomsten uit arbeid anders dan in
dienstbetrekking of ouderdomspensioen ontvangt, is verplicht hiervan
vóór de uitkering van ziekengeld op door het
Landelijk instituut sociale verzekeringen in zijn reglement te bepalen wijze mededeling te
doen.
-2. De verzekerde ontvangt aan ziekengeld
niet meer dan het bedrag waarmede zijn dagloon het bedrag van het door
hem ontvangen loon overtreft.
-3. Voor de toepassing van het tweede lid
wordt onder loon mede verstaan inkomsten uit arbeid anders dan in
dienstbetrekking, met dien verstande dat deze inkomsten buiten
aanmerking blijven, voor zover deze ook reeds werden verworven
onmiddellijk voorafgaande aan de eerste dag van de ongeschiktheid tot
werken wegens ziekte of de dag met ingang waarvan het ziekengeld in
verband met bevalling werd toegekend.
-4. Indien de verzekerde gedurende de
ongeschiktheid tot werken wegens ziekte tevens recht heeft op
ouderdomspensioen, wordt, volgens door het Landelijk instituut sociale
verzekeringen te stellen regels en behoudens in door hem aan te geven
gevallen, het ziekengeld slechts uitbetaald voor zover dit het
ouderdomspensioen overtreft.
-5. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen kan met betrekking tot het bepaalde in dit artikel nadere
regels stellen.
Art. 32.
-1. Indien de verzekerde ter zake van de
ongeschiktheid tot werken wegens ziekte zowel recht heeft op toekenning
van ziekengeld op grond van deze wet als op heropening van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met artikel 47 van de
Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 21 van de
Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen dan wel artikel 20 van
de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten, wordt het
ziekengeld slechts uitbetaald, voor zover het:
a. de
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen dan wel de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten overtreft indien
uitsluitend artikel 21 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen, onderscheidenlijk artikel 20 van de
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, van toepassing is;
of
b. de
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering overtreft, indien zowel artikel 47 van
de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering als artikel 21 van de
Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of artikel 20 van de
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten van toepassing zijn,
dan wel uitsluitend artikel 47 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering van toepassing is.
-2. Indien de verzekerde ter zake van de
ongeschiktheid tot werken wegens ziekte zowel recht heeft op toekenning
van ziekengeld op grond van deze wet als op herziening van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met de artikelen
38, 39 of 39a
van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, 14, 15 of
16 van
de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de
artikelen 13, 14 of
15 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten, wordt het ziekengeld slechts uitbetaald, voor zover:
a. het bedrag waarmee de
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten in verband met die
herziening is verhoogd, overtreft, indien artikel
14, 15 of 16 van de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
of artikel 13, 14 of
15 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten van
toepassing is; of
b. het bedrag waarmee de
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering in verband met die herziening is
verhoogd, overtreft, indien zowel artikel 38,
39 of 39a
van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
als artikel 14, 15 of
16 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
of artikel 13, 14 of
15
van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten van
toepassing zijn, dan wel uitsluitend artikel 38,
39 of 39a
van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
van toepassing is.
-3. Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen is bevoegd in bijzondere gevallen van het ziekengeld een
hoger bedrag uit te betalen dan in het eerste en tweede lid is bepaald.
-4. Onze Minister
kan met betrekking tot
gevallen van samenloop van ziekengeld met
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten regels stellen. Bij
deze regels kan worden afgeweken van het eerste tot en met derde lid.
Art. 32a.
Indien de verzekerde ter zake van de ongeschiktheid tot werken wegens
ziekte zowel recht heeft op ziekengeld op grond van deze wet als op
toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel
20 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen,
artikel
19 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten, dan
wel artikel 43a van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering,
wordt het ziekengeld slechts uitbetaald, voor zover het:
a. de
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten overtreft, indien
artikel 20 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
of
artikel 19 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten van toepassing is; en
b. de
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering overtreft, indien zowel artikel 20 van
de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
of artikel 19 van
de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten als artikel
43a van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering van toepassing
zijn, dan wel uitsluitend laatstgenoemd artikel van toepassing is.
Art. 33.
-1. Het ziekengeld dat als gevolg van een
besluit als bedoeld in artikel 30, tweede lid, 30a,
44 of 45
onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is
betaald, wordt door het
Landelijk instituut sociale verzekeringen van de
betrokken verzekerde teruggevorderd.
-2. In afwijking van het eerste lid kan het
Landelijk instituut sociale verzekeringen besluiten van terugvordering
of van verdere terugvordering af te zien, indien de betrokken
verzekerde:
a. gedurende vijf jaar volledig aan
zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan;
b. gedurende vijf jaar niet volledig
aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige
bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde
wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten,
alsnog heeft betaald;
c. gedurende vijf jaar geen
betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig
moment zal gaan verrichten; of
d. een bedrag overeenkomend met ten
minste 50% van de restsom in één keer aflost.
-3. De in het tweede lid, onderdeel a en
b,
genoemde termijn is drie jaar, indien:
a. het gemiddeld inkomen van de
belanghebbende in die periode de beslagvrije voet, bedoeld in de
artikelen 475c en 475d van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering,
niet te boven is gegaan; en
b. de terugvordering niet het gevolg
is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld
in artikel 49.
-4. Indien daarvoor dringende redenen
aanwezig zijn, kan het Landelijk instituut sociale verzekeringen
besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
-5. Het besluit tot terugvordering vermeldt
hetgeen wordt teruggevorderd, de termijn of termijnen waarbinnen moet
worden betaald, alsmede dat het besluit bij gebreke van tijdige betaling
zal worden ten uitvoer gelegd op de wijze als omschreven in artikel 33a.
-6. Degene van wie wordt teruggevorderd, is
verplicht desgevraagd aan de uitvoeringsinstelling
die ten aanzien van
hem werkzaamheden als bedoeld in artikel 41 van de
Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 verricht, de inlichtingen te verstrekken die
voor de terugvordering van belang zijn.
-7. In afwijking van het eerste lid kan het
Landelijk instituut sociale verzekeringen, onder voorwaarden die Onze Minister
kan stellen, besluiten van terugvordering af te zien indien het
terug te vorderen bedrag een door Onze Minister vast te stellen bedrag
niet te boven gaat.
Art. 33a.
-1. Het besluit tot terugvordering levert
een executoriale titel op in de zin van het Tweede
Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
-2. Artikel 45g
is van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat indien het gemiddeld inkomen van de
belanghebbende gedurende drie jaar de beslagvrije voet, bedoeld in de
artikelen 475c en 475d van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering,
niet te boven is gegaan, het
Landelijk instituut sociale verzekeringen de aflossingsbedragen lager vaststelt.
Art. 33b.
-1. Bij ministeriële regeling kunnen met
betrekking tot artikel 33, tweede en derde lid, nadere regels worden
gesteld.
-2. Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen stelt regels met betrekking tot de artikelen
36, eerste,
vierde, vijfde en zesde lid, en 33a.
Art. 34. Vervallen.
Art. 35.
-1. Na het overlijden van degene aan wie
ziekengeld is toegekend, wordt met ingang van de dag na het overlijden
ziekengeld in de vorm van een overlijdensuitkering uitbetaald:
a. aan de langstlevende van de
echtgenoten;
b. bij ontstentenis van de in
onderdeel a bedoelde persoon, aan de minderjarige kinderen tot wie de
overledene in familierechtelijke betrekking stond;
c. bij ontstentenis van de in de
onderdelen a en b bedoelde personen, aan degenen ten aanzien van wie de
overledene grotendeels in de kosten van het bestaan voorzag en met wie
hij in gezinsverband leefde.
-2. Met degene aan wie ziekengeld is
toegekend, wordt voor de toepassing van dit artikel gelijkgesteld
degene wiens overlijden heeft plaats gevonden in de maand waarin hij de
leeftijd van 65 jaar zou hebben bereikt doch vóór het bereiken van deze
leeftijd is overleden en die uitsluitend ingevolge artikel
29, vierde
lid, over de dag van zijn overlijden geen recht op ziekengeld had.
-3. De overlijdensuitkering is gelijk aan
het bedrag van het ziekengeld over één maand, doch niet over de
zaterdagen en zondagen, berekend naar de hoogte van dat ziekengeld op de
dag of laatstelijk vóór de dag van overlijden van degene aan wie het
ziekengeld is toegekend.
-4. In verband met het overlijden van
degene aan wie ziekengeld is toegekend, is artikel 29, vierde lid, niet
van toepassing.
-5. De overlijdensuitkering wordt op
verzoek aan de rechthebbende of rechthebbenden, genoemd in het eerste
lid, door het
Landelijk instituut sociale verzekeringen uitbetaald.
-6. De overlijdensuitkering wordt in een
bedrag ineens uitbetaald.
-7. Het bedrag van de overlijdensuitkering
wordt verminderd met het bedrag aan ziekengeld dat, over na het
overlijden gelegen dagen, reeds is uitbetaald.
-8. De overlijdensuitkering is niet vatbaar
voor beslag.
Art. 36.
-1. In de gevallen waarin op de dag van
het overlijden van de verzekerde of van degene die verzekerd is geweest,
nog geen ziekengeld is toegekend omdat aan het overlijden geen periode
van arbeidsongeschiktheid voorafging, dient de uitbetaling als bedoeld
in artikel 35, eerste lid, plaats te vinden alsof hem met ingang van de
dag na het overlijden ziekengeld is toegekend.
-2. Voor de toepassing van het eerste lid
wordt onder degene die verzekerd is geweest uitsluitend verstaan degene
die, ware hij niet overleden, doch arbeidsongeschikt geworden, nog
aanspraak op ziekengeld had kunnen ontlenen aan artikel
46.
Art. 37.
-1. Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen is bevoegd verzekerden bij ongeschiktheid tot het
verrichten van hun arbeid wegens ziekte op te roepen en te ondervragen
op plaats, dag en uur, door hem te bepalen.
-2. Opgeroepen en, indien hun toestand
geleide nodig maakt, mede hun geleiders, worden reiskosten,
verblijfkosten en tijdverlies vergoed in de gevallen en volgens regels
door het Landelijk instituut sociale verzekeringen vast te stellen.
Art. 38.
-1. De werkgever van de verzekerde die bij
ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte recht
heeft op loon als bedoeld in artikel 629 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek doet, uiterlijk op de eerste dag nadat de ongeschiktheid van die
werknemer dertien weken heeft geduurd, aangifte van die ongeschiktheid
bij het
Landelijk instituut sociale verzekeringen. De werkgever geeft
daarbij de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken op. Voor het
bepalen van het tijdvak van dertien weken worden tijdvakken van
ongeschiktheid tot werken samengeteld indien zij elkaar met een
onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
-2. Onverminderd het eerste lid doet de
werkgever van de verzekerde, bedoeld in artikel 29, tweede lid,
onderdeel c, aangifte van de ongeschiktheid tot werken van die
verzekerde aan het Landelijk instituut sociale verzekeringen op de
laatste werkdag voordat de dienstbetrekking eindigt.
-3. Indien de verzekerde, bedoeld in het
eerste lid, weer geschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, meldt de
werkgever aan het Landelijk instituut sociale verzekeringen zo spoedig
mogelijk, doch in elk geval niet later dan op de vierde dag van die
geschiktheid, dan wel, indien die vierde dag van geschiktheid gelegen is
vóór de eerste dag nadat de ongeschiktheid dertien weken heeft
geduurd, bedoeld in het eerste lid, in elk geval niet later dan die
eerste dag, de eerste dag waarop de verzekerde weer geschikt is tot het
verrichten van zijn arbeid.
-4. Indien de werkgever de verplichting,
bedoeld in het tweede of derde lid. niet of niet behoorlijk is nagekomen,
legt het Landelijk instituut sociale verzekeringen hem een boete op van
ten hoogste ƒ1000,00. De artikelen 45a, derde, vierde en zesde lid,
45b, 45c, 45e, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid, en
45g, eerste,
vierde, zesde, achtste en negende lid, zijn van overeenkomstige
toepassing.
-5. Dit artikel is niet van toepassing op
de werkgever van de verzekerde die aanspraak maakt op ziekengeld op
grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel e, f of g.
Art. 38a.
-1. De verzekerde die aanspraak maakt op
ziekengeld is in geval van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn
arbeid wegens ziekte verplicht dit zo spoedig mogelijk, doch in elk
geval niet later dan op de tweede dag van die ongeschiktheid, te melden
aan zijn werkgever of, indien de verzekerde geen werkgever heeft als
bedoeld in paragraaf 3 ¹ van deze wet, aan de het
Landelijk instituut sociale verzekeringen.
-2. De werkgever meldt, na ontvangst van de
in het eerste lid bedoelde melding, aan het Landelijk instituut sociale
verzekeringen zo spoedig mogelijk, doch in elk geval niet later dan op
de vierde dag van die ongeschiktheid tot werken, de eerste werkdag waarop
die verzekerde wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van zijn
arbeid.
-3. Indien de werkgever jegens wie de
verzekerde recht heeft op loon als bedoeld in artikel 629 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek de melding, bedoeld in het tweede lid, later
doet dan in dat lid is voorgeschreven, wordt het ziekengeld niet
uitbetaald tot de datum van die melding.
-4. Indien de verzekerde, na een
ziekmelding als bedoeld in het eerste en tweede lid, weer geschikt is
tot het verrichten van zijn arbeid, meldt hij aan de werkgever of,
indien de verzekerde geen werkgever heeft als bedoeld in paragraaf 3 van
de eerste afdeling van deze wet, aan het Landelijk instituut sociale
verzekeringen zo spoedig mogelijk, doch in elk geval niet later dan op
de tweede dag van die geschiktheid, de eerste dag waarop hij weer
geschikt is tot het verrichten van zijn arbeid.
-5. De werkgever meldt, na ontvangst van de
in het vierde lid bedoelde melding, aan het Landelijk instituut sociale
verzekeringen zo spoedig mogelijk, doch in elk geval niet later dan op
de tweede dag na de hersteldmelding door de verzekerde, de eerste dag
waarop die verzekerde weer geschikt is tot het verrichten van zijn
arbeid.
-6. Indien de werkgever de verplichting,
bedoeld in het vijfde lid, niet of niet behoorlijk is nagekomen, legt
het Landelijk instituut sociale verzekeringen hem een boete op van ten
hoogste ƒ1000,00. De artikelen 45a, derde, vierde en zesde lid,
45b, 45c, 45e, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid, en
45g, eerste,
vierde, zesde, achtste en negende lid, zijn van overeenkomstige
toepassing.
1. Volgens de redactie dient na
"paragraaf 3" te worden ingevoegd: van
de eerste afdeling
Art. 39.
-1. Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen verricht bij verzekerden van wie op grond van artikel 38
of 38a een aangifte van ziekte of van wie een ziekmelding is ontvangen,
controle op het bestaan van ongeschiktheid tot het verrichten van hun
arbeid wegens ziekte en hij beoordeelt bij gebleken ongeschiktheid of de
werkgever zijn taak met betrekking tot verzuimbegeleiding op adequate
wijze uitoefent.
-2. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen stelt ter uitvoering van de controle op het bestaan van
ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid controlevoorschriften vast,
die voor één of meer bepaalde groepen van werknemers kunnen verschillen.
-3. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen is bevoegd zijn controlebevindingen mee te delen aan de
werkgever tot wie de aan controle onderworpen werknemer in
dienstbetrekking staat. Hij deelt de werkgever op diens verzoek mee of
een bepaalde tot hem in dienstbetrekking staande werknemer volgens de
gegevens die het Landelijk instituut sociale verzekeringen ter
beschikking staan, geschikt is tot het verrichten van zijn arbeid.
Art. 39a.
-1. Indien de werkgever
ter zake van de begeleiding van zieke werknemers artikel 18,
tweede lid, van de Arbeidsomstandighedenwet in acht neemt en een
afschrift van de schriftelijke vastlegging als bedoeld in artikel 18, derde lid,
onderdeel a, van de Arbeidsomstandighedenwet of een afschrift van de
schriftelijke overeenkomst als bedoeld in artikel 18, derde lid, onderdeel b, van de
Arbeidsomstandighedenwet aan de uitvoeringsinstelling
heeft verstrekt, kan het
Landelijk instituut sociale verzekeringen de tot die werkgever in
dienstbetrekking staande werknemers aan wie op grond van artikel
29,
eerste lid, geen ziekengeld wordt uitgekeerd, gedurende het in artikel
38, eerste lid, bedoelde tijdvak van dertien weken niet verplichten:
1º. gevolg te geven aan
een ingevolge artikel 37, eerste lid, gedaan verzoek om te verschijnen
en inlichtingen te geven;
2º. zich op grond van
artikel 28 te onderwerpen aan een geneeskundig onderzoek, behalve met
het oog op de toepassing van artikel 44, eerste lid, onderdeel a;
3º. zich ingevolge
artikel 30 te doen inschrijven bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie; en
4º. de in artikel 39,
tweede lid, bedoelde controlevoorschriften na te leven.
-2. De
uitvoeringsinstelling tekent onverwijld de datum van ontvangst aan op het afschrift,
bedoeld in het eerste lid.
-3. De
uitvoeringsinstelling zendt de werkgever onverwijld een bewijs van ontvangst, waarin die
datum is vermeld.
-4. Zodra de
uitvoeringsinstelling constateert dat zij van een werkgever die is aangesloten bij de
sector waarvoor zij de wetten uitvoert, geen afschrift als bedoeld in
het eerste lid heeft ontvangen, doet zij hiervan onverwijld mededeling aan
een daartoe door Onze Minister aangewezen onder hem ressorterende
ambtenaar. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen kan dan met
betrekking tot de werknemers, bedoeld in het eerste lid, taken
verrichten als bedoeld in artikel 39, eerste lid.
-5. Op verzoek van de
werkgever kan het Landelijk instituut sociale verzekeringen met
betrekking tot werknemers als bedoeld in het eerste lid die in het buitenland
verblijven, taken verrichten als bedoeld in artikel 39, eerste lid.
-6. Indien het Landelijk
instituut sociale verzekeringen de in het vierde en vijfde lid bedoelde
taken verricht, worden de kosten die hieruit voortvloeien volgens door
hem te stellen regels in rekening gebracht bij de werkgever tot wie de
desbetreffende werknemers in dienstbetrekking staan.
[Art.
39b. Vervallen, red.]
[Art.
39c. Vervallen, red.]
[Art.
39d. Vervallen, red.]
Art. 40.
-1. Indien degene aan wie
ziekengeld is toegekend, ingevolge het bepaalde bij of krachtens
artikel 6, derde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
een bijdrage verschuldigd is in de kosten van een verstrekking als bedoeld
in de artikelen 6 en 11 van
die wet of een vergoeding als bedoeld in
de artikelen 11 en 12 van
die wet, is het
Landelijk instituut sociale verzekeringen bevoegd het ziekengeld tot het bedrag van die bijdrage
in plaats van aan degene aan wie het ziekengeld is toegekend, zonder
diens machtiging uit te betalen aan de Ziekenfondsraad.¹
-2. Indien degene aan wie
ziekengeld is toegekend in een inrichting ter verpleging van
geesteszieken of van zwakzinnigen is opgenomen en het
Landelijk instituut sociale verzekeringen van de desbetreffende inrichting of van de
gemeente die de
opnamekosten betaalt het verzoek ontvangt om het ziekengeld aan die
inrichting of die gemeente uit te betalen, is het Landelijk instituut
sociale verzekeringen bevoegd dat verzoek zonder het stellen van andere
voorwaarden in te willigen.
-3. Indien het eerste lid
toepassing vindt, heeft de in het tweede lid bedoelde bevoegdheid
betrekking op het gedeelte van het ziekengeld dat niet aan de
Ziekenfondsraad wordt uitbetaald.
-4. Op de herziening van
een beschikking op grond van het eerste lid als gevolg van een wijziging
van de verschuldigde bijdrage zijn de artikelen 3:41 en
3:45 van de
Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
1. Tot het moment van
inwerkingtreding van artikel 63 van de
Overgangswet verzorgingshuizen is de volgende tekst van
toepassing: Indien degene aan wie
ziekengeld is toegekend, ingevolge het
bepaalde bij of krachtens artikel 6,
derde lid, van de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten een bijdrage verschuldigd is
in de kosten van een verstrekking als bedoeld
in de artikelen 6 en 11 van
die wet of een
vergoeding als bedoeld in de artikelen 11 en
12
van die wet, dan wel een bijdrage verschuldigd
is ingevolge het bepaalde bij of krachtens
artikel 15 van de
Overgangswet verzorgingshuizen, is het
Landelijk instituut sociale verzekeringen bevoegd het ziekengeld
tot het bedrag van die bijdrage in plaats van
aan degene aan wie het ziekengeld is toegekend,
zonder diens machtiging uit te betalen
aan de Ziekenfondsraad.
Art. 41.
-1. Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen schort de betaling van het ziekengeld op indien
degene aan wie ziekengeld is toegekend een vreemdeling is die niet
rechtmatig in Nederland verblijf houdt als bedoeld in artikel 1b van de
Vreemdelingenwet.
-2. De betaling van het
ziekengeld wordt hervat indien betrokkene daartoe een aanvraag
indient en het het Landelijk instituut sociale verzekeringen is gebleken
dat hij feitelijk buiten Nederland woont of verblijf houdt.
Art. 42.
-1. Aan de verzekerde
wordt geen ziekengeld uitbetaald over de tijd gedurende welke hij is
opgenomen in een gevangenis, rijkswerkinrichting of rijksinrichting voor
kinderbescherming, dan wel op grond van artikel 27 van de Beginselenwet voor
de kinderbescherming (Stb. 1961, 403) is toevertrouwd aan een
instelling als bedoeld in artikel 3 van die wet.
-2. Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen is bevoegd het ziekengeld hetwelk op
grond van het bepaalde in het vorige lid niet aan de werknemer wordt
uitbetaald, geheel of gedeeltelijk uit te keren aan de personen wier kostwinner
hij is.
-3. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen kan, voor zover hij van zijn bevoegdheid, bedoeld
in het vorige lid, geen gebruik heeft gemaakt, hem die uit de gevangenis, rijkswerkinrichting of rijksinrichting voor kinderbescherming is
ontslagen, of die niet meer is toevertrouwd aan een instelling, bedoeld in
het eerste lid, alsnog in het genot stellen van het in dat lid bedoelde
ziekengeld of dit te zijnen behoeve doen aanwenden.
Art. 43.
De verzekerde aan wie
een vrijstelling als bedoeld in artikel 17 der
Coördinatiewet Sociale
Verzekering is verleend, komt geen ziekengeld toe.
Art. 44.
-1. Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen is bevoegd de uitkering van ziekengeld geheel of
gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend te weigeren indien de ongeschiktheid
tot werken wegens ziekte, anders dan wegens zwangerschap of
bevalling:
a. bestond op het
tijdstip dat de verzekering een aanvang nam;
b. binnen een halfjaar
na het tijdstip waarop de verzekering een aanvang nam, is
ingetreden, terwijl de gezondheidstoestand van de betrokkene ten tijde van
de aanvang van zijn verzekering het intreden van de ongeschiktheid tot
werken binnen een halfjaar kennelijk moest doen verwachten.
-2. Het eerste lid blijft
buiten toepassing ten aanzien van degene die onmiddellijk voorafgaande
aan het tijdstip waarop de verzekering een aanvang nam
ononderbroken onbetaald verlof, tot een maximum van achttien maanden, heeft
genoten, behoudens voor zover het betreft ongeschiktheid tot werken
in de zin van het eerste lid die bestond op de dag voorafgaande aan de
eerste dag van dit verlof. Als ononderbroken onbetaald verlof wordt
aangemerkt perioden van onbetaald verlof die elkaar met een
onderbreking van minder dan één maand opvolgen.
-3. Het bepaalde in het
eerste lid, onderdeel b, blijft buiten toepassing ten aanzien van
degene
die onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip dat de verzekering een
aanvang nam, in verband met het bepaalde in artikel 6, eerste lid,
onderdeel a of b, niet verzekerd was.
-4. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot de in dit artikel bepaalde bevoegdheid van het Landelijk
instituut sociale verzekeringen de uitkering van het ziekengeld geheel of
gedeeltelijk te weigeren.
Art. 45.
-1. Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen weigert het ziekengeld geheel of gedeeltelijk,
tijdelijk of blijvend:
a. indien de verzekerde
niet binnen redelijke termijn geneeskundige hulp inroept en niet zich
gedurende het gehele verloop van de ziekte onder behandeling blijft
stellen of indien hij de voorschriften van de behandelende arts niet
opvolgt;
b. indien de verzekerde
gedurende de ongeschiktheid tot werken zich schuldig maakt aan
gedragingen waardoor zijn genezing wordt belemmerd;
c. indien de verzekerde
zonder deugdelijke grond nalaat gevolg te geven aan een verzoek
ingevolge deze wet gedaan door het Landelijk instituut sociale
verzekeringen om te verschijnen of indien het geneeskundig onderzoek door een door
het Landelijk instituut sociale verzekeringen aangewezen deskundige
door toedoen van de verzekerde niet kan plaatshebben;
d. indien de verzekerde
het voorschrift gegeven in artikel 38a, eerste lid, niet opgevolgd
heeft;
e. indien de verzekerde
zich niet houdt aan de in artikel 39, tweede lid, bedoelde
controlevoorschriften;
f. indien met betrekking
tot de ongeschiktheid tot werken bij de uitvoering van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
onderscheidenlijk de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten toepassing wordt gegeven aan artikel
25 of 28, onderdeel a of b, van de
Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering,
artikel 45 of 46, onderdeel a of b, van de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
onderscheidenlijk artikel 37 of 38,
onderdeel a of b, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten;
g. indien de verzekerde
zijn ongeschiktheid tot werken opzettelijk heeft veroorzaakt;
h. indien de verzekerde
de verplichting, bedoeld in artikel 89, vierde lid, van de
Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997, niet of niet behoorlijk is nagekomen;
i. indien de verzekerde
de verplichting, bedoeld in artikel 31, eerste lid, of
49, niet binnen de door
het Landelijk instituut sociale verzekeringen daarvoor vastgestelde
termijn is nagekomen;
j. indien de verzekerde
door zijn doen en laten het Algemeen Werkloosheidsfonds of het
wachtgeldfonds benadeelt of zou kunnen benadelen. Onder
benadeling in de zin van dit onderdeel is niet begrepen het niet nakomen van de
verplichtingen, bedoeld in de artikelen 31, eerste lid, en
49;
k. indien de verzekerde
een hem op grond van artikel 30 opgelegde verplichting niet nakomt,
tenzij artikel 30, tweede lid, van toepassing is.
-2. Een maatregel als
bedoeld in het eerste lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en
de mate waarin de verzekerde de gedraging verweten kan worden. Van
het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien indien
elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
-3. Indien het niet tijdig
nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 49, niet heeft geleid tot
het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering,
kan het Landelijk instituut sociale verzekeringen afzien van het opleggen
van een maatregel als bedoeld in het derde lid en volstaan met het geven
van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet tijdig nakomen
van de verplichting, tenzij het niet tijdig nakomen van de verplichting
plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum
waarop eerder aan de verzekerde een zodanige waarschuwing is gegeven.
-4. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn, kan het Landelijk instituut sociale
verzekeringen besluiten van het opleggen van een maatregel af te zien.
-5. Het opleggen van een
maatregel blijft achterwege indien voor dezelfde gedraging een
boete als bedoeld in artikel 45a wordt opgelegd.
-6. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met
betrekking tot het eerste en tweede lid.¹
1. Dit artikellid is nog
niet in werking getreden. Tot het moment van
inwerkingtreding is de volgende tekst van
toepassing: Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen stelt nadere regels met betrekking tot
het eerste en het tweede lid.
Art. 45a.
-1. Indien de verzekerde
een verplichting als bedoeld in artikel 31, eerste lid, of
49 niet of niet
behoorlijk is nagekomen, legt het
Landelijk instituut sociale verzekeringen hem
een boete op van ten hoogste ƒ5000,00.
-2. De hoogte van de boete
wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin
de verzekerde de gedraging verweten kan worden en de
omstandigheden waarin hij verkeert. Van het opleggen van een boete wordt in elk
geval afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
-3. Indien het niet of
niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel
49,
niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
uitkering, kan het Landelijk instituut sociale verzekeringen afzien van
het opleggen van een boete als bedoeld in het eerste lid en volstaan
met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet of
niet behoorlijk nakomen van de verplichting, tenzij het niet of niet
behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar
te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de verzekerde een
zodanige waarschuwing is gegeven.
-4. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn, kan het Landelijk instituut sociale
verzekeringen besluiten van het opleggen van een boete af te zien.
-5. Degene aan wie een
boete is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan het Landelijk instituut
sociale verzekeringen de inlichtingen te verstrekken die voor de
tenuitvoerlegging van de boete van belang zijn.
-6. Voor zover de boete nog
niet is geïnd, vervalt zij door het overlijden van degene aan wie zij is
opgelegd.
-7. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met
betrekking tot het eerste en tweede lid.¹
1. Dit artikellid is nog
niet in werking getreden. Tot het moment van
inwerkingtreding is de volgende tekst van
toepassing: Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen stelt nadere regels met betrekking tot
het eerste en het tweede lid.
Art. 45b.
-1. Indien het
Landelijk instituut sociale verzekeringen jegens de verzekerde een handeling
verricht waaraan deze in redelijkheid de gevolgtrekking kan
verbinden dat aan hem wegens een bepaalde gedraging een boete zal
worden opgelegd, is de verzekerde niet langer verplicht ter zake van die
gedraging enige verklaring af te leggen, voor zover het betreft de
boeteoplegging. De verzekerde wordt hiervan in kennis gesteld alvorens
hem mondeling om informatie wordt gevraagd.
-2. Indien het Landelijk
instituut sociale verzekeringen voornemens is om aan de verzekerde een
boete op te leggen, wordt hiervan kennis gegeven aan de verzekerde
onder vermelding van de gronden waarop het voornemen berust. De
kennisgeving is een handeling als bedoeld in het eerste lid.
-3. Op verzoek van de
verzekerde die de in het vorige lid bedoelde kennisgeving wegens zijn
gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt,
draagt het Landelijk instituut sociale verzekeringen er zoveel mogelijk zorg
voor dat de in die kennisgeving vermelde gronden aan de verzekerde worden
medegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.
-4. In afwijking van
afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht stelt het Landelijk
instituut sociale verzekeringen de verzekerde in de gelegenheid om naar keuze
schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren te brengen voordat
de boete wordt opgelegd.
-5. Indien de verzekerde
zijn zienswijze mondeling naar voren brengt, draagt het Landelijk
instituut sociale verzekeringen er op verzoek van de verzekerde die de
Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, zorg voor dat een tolk wordt benoemd
die de verzekerde kan bijstaan, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat
daaraan geen behoefte bestaat.
Art. 45c.
-1. Het besluit waarbij de
boete wordt opgelegd, vermeldt de termijn of de termijnen waarbinnen
deze moet worden betaald, alsmede de wijze waarop het besluit bij
gebreke van tijdige betaling, overeenkomstig artikel 45g
zal worden ten uitvoer gelegd.
-2. Op verzoek van de
verzekerde die het in het eerste lid bedoelde besluit wegens zijn
gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, draagt het
Landelijk instituut sociale verzekeringen er zoveel mogelijk zorg voor
dat de in dat besluit vermelde informatie aan de verzekerde wordt
meegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.
-3. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen stelt nadere regels met betrekking tot het eerste
lid.
Art. 45d.
-1. Een boete wordt niet
opgelegd zolang de gedraging wordt onderzocht door het openbaar
ministerie.
-2. De oplegging van een
boete blijft definitief achterwege indien ter zake van de gedraging
tegen de verzekerde een strafvervolging is ingesteld en het
onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot
strafvordering is vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek
van Strafrecht.
-3. Het openbaar
ministerie doet van een omstandigheid als bedoeld in het eerste en het tweede
lid mededeling aan de betrokken uitvoeringsinstelling.
Art. 45e.
-1. Een boete wordt
opgelegd binnen één jaar nadat het
Landelijk instituut sociale verzekeringen de verzekerde overeenkomstig het bepaalde in artikel 45b,
vierde lid, in de gelegenheid heeft gesteld zijn zienswijze naar voren te
brengen. Indien ter zake aangifte is gedaan of proces-verbaal is
opgemaakt en ingezonden, vangt de termijn van één jaar aan op de dag na die
waarop het openbaar ministerie aan het Landelijk instituut sociale
verzekeringen of de betrokken uitvoeringsinstelling
heeft medegedeeld dat geen
strafvervolging wordt ingesteld.
-2. Een boete wordt in elk
geval niet opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de desbetreffende
gedraging heeft plaatsgevonden.
Art. 45f.
In afwijking van artikel
8:69 van de Algemene wet bestuursrecht kan de rechter in beroep of
hoger beroep het bedrag waarop de boete is vastgesteld ook ten
nadele van de verzekerde wijzigen.
Art. 45g.
-1. Het besluit waarbij
een boete is opgelegd, levert een executoriale titel op in de zin van het
Tweede
Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De titel
heeft mede betrekking op de rente en kosten, bedoeld in het zesde lid.
-2. Indien degene aan wie
een boete is opgelegd uitkering ontvangt op grond van deze wet, de Werkloosheidswet, de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen of een toeslag op grond van de
Toeslagenwet, wordt het besluit waarbij de boete is
opgelegd
ten uitvoer gelegd door verrekening met die uitkering of toeslag.
-3. Indien degene aan wie
een boete is opgelegd een uitkering ontvangt op grond van de Algemene
Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet, de
Algemene bijstandswet,
de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen of de Wet
inkomensvoorziening kunstenaars, betaalt de Sociale
Verzekeringsbank,
onderscheidenlijk de betrokken gemeente, het bedrag van die boete, zonder dat
daarvoor een machtiging nodig is van hem, op zijn verzoek aan het
Landelijk instituut sociale verzekeringen.
-4. Indien degene aan wie
een boete is opgelegd geen uitkering als bedoeld in het tweede of
derde lid ontvangt of meer ontvangt, dan wel ten aanzien van zodanige
uitkering toepassing van het tweede of derde lid niet mogelijk is, wordt
het besluit waarbij de boete is opgelegd bij gebreke van tijdige betaling met
toepassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op zijn
kosten betekend en ten uitvoer gelegd.
-5. De tenuitvoerlegging
van een besluit waarbij een boete is opgelegd, vindt plaats met
toepassing van het tweede of derde lid, dan wel van het vierde lid, dan wel van
het tweede of derde lid in combinatie met het vierde lid.
-6. Bij gebreke van
tijdige betaling wordt de verschuldigde boete verhoogd met de
wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten.
-7. Op het executoriaal
beslag ingevolge dit artikel door het Landelijk instituut sociale
verzekeringen op loon, sociale uitkeringen of andere periodieke
betalingen
welke derden verschuldigd zijn of worden aan degene aan wie een boete
is opgelegd, zijn de artikelen 479b tot en met 479g van het
Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing. De in artikel
479g, behoudens artikel 479e, tweede lid, aan de raad voor de
kinderbescherming toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan het
Landelijk instituut sociale verzekeringen.
-8. De tenuitvoerlegging
van een besluit met toepassing van dit artikel geschiedt zodanig dat de
verzekerde blijft beschikken over een inkomen gelijk aan de beslagvrije
voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het
Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering.
-9. Het achtste lid geldt niet zolang de verzekerde zijn verplichting, bedoeld in artikel 45a,
vijfde lid, niet of niet behoorlijk nakomt.
Art. 46.
-1. Degene die:
a. gedurende twee maanden
onafgebroken op alle dagen verzekerd is geweest; of
b. in de loop van de twee maanden voorafgaande aan het einde van zijn
verzekering op ten
minste zestien dagen verzekerd is geweest;
heeft indien hij in het onder a
bedoelde geval binnen één maand na het einde van die twee maanden en
in het onder b bedoelde geval binnen acht dagen na het einde van zijn
verzekering ongeschikt tot werken wordt, tegenover het
Landelijk instituut sociale verzekeringen aanspraak op ziekengeld alsof hij verzekerd was
gebleven. Indien de verzekering berust op een privaatrechtelijke
dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3, ontstaat de in de eerste zin bedoelde
aanspraak op ziekengeld eerst na het eindigen van die dienstbetrekking.
-2. Voor de toepassing van
het in het vorige lid, onderdeel a, bepaalde wordt de daargenoemde
termijn van twee maanden geacht niet te zijn onderbroken indien de
betrokkene gedurende niet meer dan zeven dagen niet verzekerd is
geweest. Voor de toepassing van het bepaalde in dit en het vorige lid wordt
arbeid, in een aaneengesloten nachtdienst op twee dagen verricht, gerekend
als arbeid op één dag.
-3. Voor de vaststelling
van het bedrag van het ziekengeld wordt de ongeschiktheid tot werken
geacht te zijn ingetreden in de kalenderweek waarin de verzekering is
geëindigd.
-4. De in het eerste lid
bedoelde aanspraak komt niet toe aan:
a. degene die de eerste
dag van de maand waarin hij 65 jaar wordt, heeft bereikt, of in
verband met artikel 6, eerste lid, onderdeel a of b, niet verzekerd is;
b. degene die ingevolge
de wetgeving van een andere mogendheid aanspraak heeft op
uitkering bij ziekte.
-5. De in het eerste lid
bedoelde aanspraak komt mede toe, voor zover het betreft de toepassing
van artikel 29a, aan de vrouw wier bevalling waarschijnlijk is,
onderscheidenlijk wier bevalling plaatsvindt binnen een tijdsverloop van tien
weken na het einde van haar verplichte verzekering.
-6. Voor de toepassing van
dit artikel is ongeschikt tot werken degene die ongeschikt is tot het
verrichten van de arbeid waarmede hij in zijn onderhoud placht te
voorzien.
Art. 47.
Het ziekengeld wordt zo
spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen één maand nadat het recht op
die uitkering is vastgesteld, uitbetaald.
Art. 47a.
-1. Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen kan het ziekengeld over een door hem te bepalen
tijdvak bij wege van voorschot betaalbaar stellen indien
onzekerheid bestaat over het recht op of de hoogte van het ziekengeld of de hoogte
van het te betalen bedrag aan ziekengeld. Een verleend voorschot wordt
verrekend met het definitief vastgestelde bedrag aan ziekengeld dat
over het desbetreffende tijdvak wordt betaald.
-2. In afwijking van het
eerste lid betaalt het Landelijk instituut sociale verzekeringen geen
voorschot indien onzekerheid bestaat over het recht op loon als bedoeld in
artikel 629 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek.
-3. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen schort de betaling van ziekengeld op of schorst
de betaling, indien het van oordeel is of het gegronde vermoeden heeft
dat:
a. het recht op
ziekengeld niet of niet meer bestaat;
b. recht op een lagere
ziekengelduitkering bestaat;
c. artikel 44, eerste
lid, van toepassing is of de verzekerde of zijn wettelijk
vertegenwoordiger een verplichting als bedoeld in artikel
30, 31, 45 of 49 niet of niet
behoorlijk is nagekomen.
Art. 48.
Voor zover betreft het in
ontvangst nemen van een uitkering ingevolge deze wet en het verlenen
van kwijting voor de betaling daarvan, wordt een minderjarige met een
meerderjarige gelijkgesteld. Indien de wettelijke vertegenwoordiger zich
tegen de betaling aan de minderjarige schriftelijk verzet bij het
Landelijk instituut sociale verzekeringen, geschiedt de uitbetaling aan de
wettelijke vertegenwoordiger.
Art. 49.
De verzekerde is
verplicht aan de uitvoeringsinstelling die ten aanzien van hem werkzaamheden als
bedoeld in artikel 41 van de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 verricht, op haar verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle
feiten en omstandigheden mee te delen waarvan hem redelijkerwijs
duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op of de hoogte
van een door hem aangevraagde of aan hem toegekende
ziekengelduitkering.
Art. 50.
-1. Het ziekengeld is:
a. onvervreemdbaar;
b. niet vatbaar voor
verpanding of belening.
-2. Volmacht tot ontvangst
van het ziekengeld, onder welke vorm of benaming ook verleend, is
steeds herroepelijk.
-3. Elk beding strijdig
met enige bepaling van dit artikel is nietig.
Art. 51.
In afwijking van artikel
69 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 is het Rijk niet
aansprakelijk voor het doen van uitkeringen of de verstrekking van
bijdragen als bedoeld in artikel 59.
Art. 52.
Bij de vaststelling van
de schadevergoeding waarop de verzekerde naar burgerlijk recht
aanspraak kan maken ter zake van zijn ongeschiktheid tot werken wegens
ziekte
houdt de rechter rekening met de aanspraken die hij krachtens deze wet
heeft.
Art. 52a.
Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen heeft voor de krachtens deze wet gemaakte kosten
verhaal op degene die in verband met het veroorzaken van
ongeschiktheid tot werken jegens de verzekerde naar burgerlijk recht tot
schadevergoeding is verplicht, doch ten hoogste tot het bedrag waarvoor deze
bij het ontbreken van de aanspraken krachtens deze wet naar burgerlijk
recht aansprakelijk zou zijn, verminderd met een bedrag gelijk aan dat
van de schadevergoeding tot betaling waarvan de aansprakelijke persoon
jegens de verzekerde naar burgerlijk recht is gehouden.
Art. 52b.
-1. Het bepaalde in het
vorige artikel geldt ten aanzien van de naar burgerlijk recht tot
schadevergoeding verplichte werkgever van de verzekerde,
onderscheidenlijk ten aanzien van de naar burgerlijk recht tot schadevergoeding
verplichte verzekerde die in dienstbetrekking staat tot dezelfde werkgever als de
verzekerde jegens wie naar burgerlijk recht verplichting tot
schadevergoeding bestaat, slechts indien de ongeschiktheid tot werken is te wijten
aan opzet of bewuste roekeloosheid van die werkgever
onderscheidenlijk verzekerde.
-2. Voor de toepassing van
het vorige lid wordt mede als werkgever beschouwd degene die
krachtens het bepaalde bij het eerste lid van artikel 16a
der
Coördinatiewet Sociale Verzekering mede als werkgever wordt beschouwd, ongeacht
de bij het tweede lid van dat artikel bedoelde uitzonderingen.
Art. 52c.
-1. Op de toekenning van
ziekengeld zijn de artikelen 3:40 en 3:45 van de
Algemene wet
bestuursrecht niet van toepassing indien redelijkerwijs mag worden aangenomen dat
aan bekendmaking van de beschikking geen behoefte bestaat.
-2. Op de beëindiging van
ziekengeld als gevolg van een spontane hervatting in zijn arbeid
zijn de artikelen 3:40 en 3:45 van de
Algemene wet bestuursrecht niet
van toepassing.
-3. Verzoekt de
belanghebbende binnen een redelijke termijn echter om bekendmaking van de in
het eerste of tweede lid bedoelde beschikking, dan wordt deze zo spoedig
mogelijk verstrekt.
-4. Op de herziening van
het ziekengeld als gevolg van een aanpassing van het dagloon aan het
loonpeil in het beroep van de werknemer zijn de artikelen 3:41 en
3:45
van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
HOOFDSTUK
III
Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen en de uitvoeringsinstellingen
Art. 53.
In de uitvoering van deze
wet wordt voorzien door het
Landelijk instituut sociale verzekeringen en door uitvoeringsinstellingen die werkzaamheden als bedoeld
in artikel 41 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997
verrichten.
Art. 54.
-1. Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen stelt een ziekengeldreglement vast.
-2. Het
ziekengeldreglement mag geen bepalingen bevatten welke strijdig zijn met deze
wet en de daarop berustende bepalingen of met de statuten van het
Landelijk instituut sociale verzekeringen.
-3. Het
ziekengeldreglement mag geen bepalingen bevatten inzake hogere, langere of andere
uitkeringen dan deze wet vaststelt dan wel bepaalt.
Art. 55.
-1. De werknemer is
verzekerd bij het
Landelijk instituut sociale verzekeringen. Behoudens
het bepaalde in de volgende leden worden ten aanzien van de werknemer
de werkzaamheden als bedoeld in artikel 41 van de
Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 verricht door de uitvoeringsinstelling
die
deze werkzaamheden verricht voor de sector waarbij zijn werkgever is
aangesloten of het sectoronderdeel waartoe zijn werkgever behoort.
-2. Ten aanzien van degene die als werknemer wordt beschouwd ingevolge artikel
7,
onderdeel a, worden werkzaamheden als bedoeld in artikel 41 van de
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 verricht door de uitvoeringsinstelling
die deze werkzaamheden verricht met betrekking tot de aldaar bedoelde
uitkering.
-3. Ten aanzien van degene die als werknemer wordt beschouwd ingevolge artikel
7,
onderdeel b, worden werkzaamheden als bedoeld in artikel 41 van de
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 verricht door de door het Landelijk
instituut sociale verzekeringen aan te wijzen uitvoeringsinstelling.
-4. Ten aanzien van degene die als werknemer wordt beschouwd ingevolge artikel
8
worden werkzaamheden als bedoeld in artikel 41 van de
Organisatiewet sociale
verzekeringen 1997 verricht door de uitvoeringsinstelling die deze werkzaamheden
verricht met betrekking tot de aldaar bedoelde
uitkering.
-5. Indien de werkgever is
aangesloten bij meer dan één sector, worden werkzaamheden als bedoeld
in artikel 41 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 ten
aanzien van de werknemer verricht door de uitvoeringsinstelling die
deze werkzaamheden verricht voor de sector waartoe de werkzaamheden
die deze werkgever doet verrichten uitsluitend of in
hoofdzaak behoren.
-6. Indien de
werkzaamheden die de werkgever doet verrichten, behoren tot meer dan één
sectoronderdeel, worden werkzaamheden als bedoeld in artikel 41 van de
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 verricht door de uitvoeringsinstelling
die deze werkzaamheden verricht voor het sectoronderdeel waartoe
de werkzaamheden die deze werkgever doet verrichten uitsluitend
of in hoofdzaak behoren.
-7. Voor de toepassing van
deze wet gelden aaneensluitende verzekeringen bij het Landelijk
instituut sociale verzekeringen als één verzekering.
Art. 56.
-1. Bij overgang van een
werkgever van een sector naar een andere sector blijven
ziekengelduitkeringen, verschuldigd ter zake van ongeschiktheid tot werken
van werknemers van die werkgever, ontstaan vóór de dag van diens
overgang, voor rekening van de sector welke het risico van hun
verzekering droeg op de dag waarop de ongeschiktheid tot werken is ontstaan.
-2. De ziekengelduitkeringen ingevolge artikel 46 verschuldigd ter zake van ongeschiktheid tot
werken van gewezen werknemers van de in het eerste lid bedoelde
werkgever, ontstaan na de dag van diens overgang, komen voor rekening van
de sector waarbij de werkgever laatstelijk vóór zijn overgang was
aangesloten.
Art. 57.
Vervallen.
Art. 58.
Vervallen.
Art. 59.
Bij algemene maatregel
van bestuur kan worden bepaald dat in bij die maatregel aan te wijzen
gevallen aan het
Landelijk instituut sociale verzekeringen de
bevoegdheid wordt verleend te bepalen dat aan één of meer bij hem verzekerde
groepen van werknemers, met inachtneming van bij die maatregel te
stellen regels, behalve het in deze wet geregelde ziekengeld andere
uitkeringen worden gedaan of bijdragen worden verstrekt voor één of
meer sociale fondsen.
Art. 60.
De uitkeringen op grond
van deze wet komen ten laste van de wachtgeldfondsen en ten
laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds, bedoeld in de artikelen
102 en 103 van de Werkloosheidswet.
Art. 61.
Vervallen.
Art. 62.
Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen verstrekt, volgens nadere bij ministeriële
regeling vast te stellen regels, uit de door de uitvoeringsinstelling
gevoerde administratie
aan een daartoe door Onze Minister aangewezen onder hem
ressorterende ambtenaar gegevens omtrent het ziekteverzuim van
werknemers van werkgevers die zijn aangesloten bij de sector waarvoor de
uitvoeringsinstelling werkzaamheden als bedoeld in artikel 41 van de
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 verricht.
Art. 63.
Vervallen.
Art. 63a.
Vervallen.
HOOFDSTUK
IV
De
vrijwillige verzekering
Art. 64.
-1. Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen is verplicht overeenkomstig het bij of krachtens dit
hoofdstuk bepaalde tot de vrijwillige verzekering toe te laten,
mits hij de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt en hier te lande
woont:
a. degene wiens
verplichte verzekering is geëindigd en te wiens aanzien op grond van
gebleken omstandigheden redelijkerwijze valt aan te nemen dat
onderbreking van die verplichte verzekering van korte duur zal zijn, dan wel dat het
zijn bedoeling is bij geboden gelegenheid opnieuw een
dienstbetrekking aan te gaan;
b. degene die, terwijl
hij hier te lande woonde, in het buitenland verplicht verzekerd was
tegen geldelijke gevolgen van ziekte, mits:
1º. hij niet meer in het
buitenland verzekerd is, omdat hij niet langer werkzaamheden verricht in
het buitenland;
2º. op grond van
gebleken omstandigheden redelijkerwijze valt aan te nemen dat het zijn
bedoeling is bij geboden gelegenheid opnieuw een dienstbetrekking aan te
gaan;
c. degene wiens
verplichte verzekering is geëindigd en die als zelfstandige een bedrijf
of beroep uitoefent of gaat uitoefenen, of als echtgenoot van de
zelfstandige in dat bedrijf of beroep meewerkt of gaat meewerken, indien
gedurende één jaar onmiddellijk voorafgaande aan het einde van zijn
verplichte verzekering onafgebroken, al dan niet in Nederland, bij of
krachtens een wettelijke regeling een voorziening tegen geldelijke gevolgen van
ziekte op hem van toepassing is geweest;
d. degene wiens
dienstbetrekking ertoe strekt dat slechts een gedeelte van een normale werkweek
arbeid wordt verricht - niet uitsluitend als gevolg van een voor
betrokkene geldende werktijdregeling krachtens welke een normale
werkweek van gemiddeld minder dan zes dagen van toepassing is - en die
uit hoofde van die dienstbetrekking verplicht verzekerd is, indien
gedurende de drie jaren onmiddellijk voorafgaande aan de dag van aanvang
van zijn vrijwillige verzekering onafgebroken, al dan niet hier te lande,
ingevolge het bepaalde bij of krachtens een wettelijke regeling een
voorziening tegen geldelijke gevolgen van ziekte op hem van toepassing is
geweest;
e. degene wiens
arbeidsverhouding op grond van artikel 6, eerste lid, onderdeel c, niet als
dienstbetrekking wordt beschouwd;
f. degene aan wie een
arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
is toegekend, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%;
g. degene wiens
arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van ten minste 45%,
wegens afneming van de arbeidsongeschiktheid is herzien naar een
arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%;
h. degene wiens
arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van ten minste 45%, is ingetrokken;
i. degene die op grond
van artikel 7 als werknemer wordt beschouwd en tevens als
zelfstandige een bedrijf of beroep uitoefent of gaat uitoefenen, of als echtgenoot van die
zelfstandige in dat bedrijf of beroep meewerkt of gaat
meewerken, indien gedurende de drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan de dag
van aanvang van zijn vrijwillige verzekering onafgebroken, al dan niet
in Nederland, bij of krachtens een wettelijke regeling een
voorziening tegen geldelijke gevolgen van ziekte op hem van toepassing is
geweest.
-2. De in het eerste lid
bedoelde verplichting bestaat eveneens ten aanzien van de persoon
jonger dan 65 jaar die op grond van het bepaalde bij of krachtens
artikel 3, tweede, derde en vierde lid, niet als werknemer wordt
beschouwd en:
a. wiens verplichte
verzekering is geëindigd en die buiten Nederland woont, aldaar direct
aansluitend op de beëindiging van de verplichte verzekering een
dienstbetrekking vervult voor de duur van maximaal vijf jaar en wiens werkgever
binnen Nederland woont of gevestigd is;
b. die Nederlander is en
die is uitgezonden om door de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking
aan te wijzen werkzaamheden in het kader van
ontwikkelingssamenwerking te verrichten;
c. die Nederlander is en
die is uitgezonden om werkzaamheden te verrichten voor een
volkenrechtelijke organisatie waarvan Nederland lid is dan wel waarvan de
werkzaamheden door Nederland worden ondersteund; of
d. die in Nederland woont en buiten Nederland een dienstbetrekking vervult.
-3. Aan het vervullen van
een dienstbetrekking, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, dient
een aaneengesloten periode van verplichte verzekering van ten minste
één jaar te zijn voorafgegaan.
-4. Met de Nederlander,
bedoeld in het tweede lid, onderdeel b en c, wordt gelijkgesteld de
persoon die onderdaan is van één van de lidstaten van de Europese
Gemeenschap of onderdaan is van een staat waarmee Nederland een verdrag
inzake sociale zekerheid heeft gesloten, mits hij vóór hij werd uitgezonden
in Nederland woonde.
Art. 65.
-1. De in artikel 64,
eerste lid, onderdeel c respectievelijk d, genoemde termijn van één jaar
respectievelijk van drie jaren wordt geacht niet te zijn onderbroken:
a. indien de betrokkene
gedurende niet meer dan 60 dagen niet verzekerd is geweest;
b. gedurende de wachttijd
als bedoeld in de artikelen 19, 37 en
38 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering;
c. gedurende het tijdvak
waarover een arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering is genoten, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van ten minste 45%.
-2. De in artikel 64,
eerste lid, onderdeel c respectievelijk d, genoemde voorwaarde van een
verzekeringsduur van één jaar respectievelijk van drie jaren wordt geacht
te zijn vervuld indien de betrokkene in het genot is van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Art. 66.
-1. Het verzoek om
toelating tot de vrijwillige verzekering dient te worden ingediend bij de
uitvoeringsinstelling overeenkomstig de regels die het
Landelijk instituut sociale verzekeringen daaromtrent krachtens artikel 67 stelt:
a. door de in artikel
64,
eerste lid, onderdeel a, b en c, bedoelde personen: binnen vier
weken na het einde van hun verplichte verzekering;
b. door de in artikel
64,
eerste lid, onderdeel f, g en h, bedoelde personen: binnen vier
weken na de dagtekening van de beslissing waarbij de
arbeidsongeschiktheidsuitkering onderscheidenlijk werd toegekend, herzien of
ingetrokken;
c. door de in artikel
64,
eerste lid, onderdeel i, bedoelde persoon: binnen vier weken na de
dag waarop zijn werkzaamheden als zelfstandige of zijn werkzaamheden als
echtgenoot van de zelfstandige in diens bedrijfs- of beroepsuitoefening een aanvang hebben genomen;
d. door de in artikel
64,
tweede lid, onderdeel a, bedoelde persoon: binnen vier weken na de
dag waarop de verplichte verzekering is geëindigd;
e. door de in artikel
64,
tweede lid, onderdeel b en c bedoelde persoon: binnen vier weken na de
dag van zijn vertrek naar het buitenland;
f. door de in artikel
64,
tweede lid, onderdeel d, bedoelde persoon: binnen vier weken na de
dag waarop zijn werkzaamheden buiten Nederland een aanvang
hebben genomen.
-2. De in het eerste lid,
onderdeel b, bedoelde personen worden geacht een verzoek om toelating
binnen vier weken na de dagtekening van de beslissing te hebben gedaan indien dit verzoek geschiedt binnen vier weken na de
dag waarop
zij redelijkerwijze hebben kunnen kennisnemen van die beslissing.
-3. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen is bevoegd te verklaren dat een verzoek om
toelating tot de vrijwillige verzekering, ingediend na de daartoe op grond van
deze wet of de daarop berustende bepalingen gestelde termijn, geacht
wordt tijdig te zijn ingekomen indien de persoon die het verzoek heeft
gedaan redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest.
-4. De vrijwillige
verzekering vangt aan:
a. voor de in artikel
64,
eerste lid, onderdeel a, b en c, en tweede lid, onderdeel
a, bedoelde
persoon: op de dag na die waarop de verplichte verzekering is
geëindigd;
b. voor de in artikel
64,
eerste lid, onderdeel d, e en i, bedoelde persoon: op de dag van
ontvangst van zijn verzoek om toelating;
c. voor de in artikel
64,
eerste lid, onderdeel f, g en h, bedoelde persoon: op de dag met
ingang waarvan de arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt toegekend, herzien
of ingetrokken;
d. voor de in artikel
64,
tweede lid, onderdeel b en c, bedoelde persoon: op de dag van vertrek
naar het buitenland;
e. voor de in artikel
64,
tweede lid, onderdeel d, bedoelde persoon: op de dag waarop zijn
werkzaamheden buiten Nederland een aanvang hebben genomen.
Art. 67.
Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen stelt regels waaruit blijkt welke
uitvoeringsinstelling ten aanzien van de in artikel 66 bedoelde personen met betrekking
tot besluiten omtrent toelating tot de vrijwillige verzekering
werkzaamheden als bedoeld in artikel 41 van de
Organisatiewet sociale
verzekeringen 1997 verricht.
Art. 67a.
Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen beëindigt de vrijwillige verzekering:
a. op verzoek van de
vrijwillig verzekerde met ingang van een door hem te bepalen datum;
b. met ingang van de dag
waarop de termijn van vijf jaar, bedoeld in artikel 64, tweede lid,
onderdeel a, is verstreken;
c. met ingang van de dag
waarop de werkzaamheden, bedoeld in artikel 64, tweede lid, worden
beëindigd en de vrijwillige verzekerde niet langer geacht kan worden
inkomsten te verkrijgen wegens eindiging van die werkzaamheden dan wel
inkomsten te derven in geval van ziekte;
d. met ingang van de dag
waarop de vrijwillig verzekerde verplicht verzekerd wordt ingevolge
deze wet;
e. indien de
verschuldigde premie over een periode van twee volle kalendermaanden niet,
niet volledig of niet tijdig wordt betaald; of
f. indien niet langer
wordt voldaan aan andere vereisten voor toelating tot de vrijwillige
verzekering, bedoeld in artikel 64, tweede lid.
Art. 68.
-1. De persoon die om
toelating tot de vrijwillige verzekering verzoekt, bedoeld in artikel
64,
eerste en tweede lid, bepaalt bij de aanvang van de vrijwillige verzekering
de hoogte van het dagloon, met dien verstande dat:
a. dit niet meer kan
bedragen dan het in artikel 9, eerste lid, van de
Coördinatiewet Sociale
Verzekering genoemde bedrag eventueel verhoogd of verlaagd
krachtens artikel 9a van die
wet;
b. dit niet meer kan
bedragen dan het loon of het inkomen dat hij in geval van ziekte naar het
oordeel van het
Landelijk instituut sociale verzekeringen derft; en
c. dit, ingeval naast de
vrijwillige verzekering een vrijwillige verzekering als bedoeld in hoofdstuk
III van de Werkloosheidswet is afgesloten, gelijk is aan het dagloon dat
ten grondslag ligt aan de vrijwillige werkloosheidsverzekering.
-2. De premie voor de
vrijwillige verzekering wordt geheven over het in het eerste lid bedoelde
dagloon.
-3. De premie bedraagt een
percentage van het in het eerste lid bedoelde dagloon.
-4. De uitkering op grond
van de vrijwillige verzekering wordt berekend naar het in het eerste
lid bedoelde dagloon.
Art. 69.
-1. De vrijwillig
verzekerde heeft recht op ziekengeld indien hij wegens ziekte ongeschikt is tot
het verrichten van hem passende arbeid.
-2. De vrouwelijke
vrijwillig verzekerde heeft recht op ziekengeld in verband met haar
bevalling.
Art. 70.
-1. Het ziekengeld van de
vrijwillig verzekerde die bij ongeschiktheid tot werken wegens ziekte geen
aanspraak kan maken op betaling van loon als bedoeld in artikel 629
van Boek 7 van
het Burgerlijk Wetboek wordt uitgekeerd vanaf de derde
dag van de ongeschiktheid tot werken.
-2. Het ziekengeld
bedraagt 70% van het dagloon van de verzekerde.
Art. 71.
Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen stelt nadere regels met betrekking tot de
vrijwillige verzekering. Deze regels bevatten in ieder geval bepalingen met
betrekking tot:
a. de toelating tot de
vrijwillige verzekering;
b. het einde van de
vrijwillige verzekering;
c. de premie voor de
vrijwillige verzekering; en
d. het dagloon, bedoeld
in artikel 68, eerste lid.
Art. 72.
Met betrekking tot het
bepaalde bij of krachtens dit hoofdstuk zijn, met inachtneming van de
wijzigingen welke de aard van het onderwerp vordert, de overige
bepalingen van deze wet en de ter uitvoering van die bepalingen genomen
besluiten, voor zoveel nodig, van overeenkomstige toepassing, voor zover
daarvan in het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde niet is
afgeweken.
Art. 72a.
Vervallen.
DERDE
AFDELING
Bezwaar en
beroep in cassatie
§ 1.
Algemeen
Art. 73.
Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de
behandeling van bezwaarschriften tegen besluiten waaraan een medische
beoordeling ten grondslag ligt.
[Art.
73a. Vervallen,
red.]
[Art. 73b. Vervallen,
red.]
Art. 74.
In afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht beslist het
Landelijk instituut sociale verzekeringen binnen dertien weken na ontvangst van
het bezwaarschrift.
§ 2.
Geschillen van
geneeskundige aard
Art. 75.
Deze paragraaf is van
toepassing op geschillen van geneeskundige aard omtrent het al dan niet
bestaan of voortbestaan van de ongeschiktheid tot werken.
Art. 75a.
In afwijking van artikel
6:7 van de Algemene wet bestuursrecht bedraagt de termijn voor het
indienen van een bezwaarschrift twee weken.
Art. 75b.
-1. In afwijking van
artikel 7:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht
kunnen belanghebbenden
nog tijdens het horen nadere stukken indienen.
-2. In afwijking van
artikel 7:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht
worden het bezwaarschrift
en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken:
a. voorafgaand aan het
horen aan belanghebbenden gezonden; dan wel
b. ten minste twee dagen
voorafgaand aan de hoorzitting voor belanghebbenden ter
inzage gelegd.
-3. In afwijking van
artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht
beslist het
Landelijk instituut sociale verzekeringen binnen vier weken na ontvangst
van het bezwaarschrift.
§ 3.
Beroep in cassatie
Art. 75c.
-1. Tegen uitspraken van
de Centrale Raad van Beroep kan ieder der partijen beroep in
cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van artikel
1,
derde tot en met zevende lid, en de daarop berustende bepalingen.
-2. Op dit beroep zijn de
voorschriften betreffende het beroep in cassatie tegen de uitspraken van
de gerechtshoven inzake beroepen in belastingzaken van overeenkomstige
toepassing, waarbij de Centrale Raad van Beroep de plaats inneemt
van een gerechtshof.
VIERDE
AFDELING
Straf-,
overgangs- en slotbepalingen
HOOFDSTUK
I
Strafbepalingen
Art. 76.
Hij die niet voldoet aan één der verplichtingen omschreven in de artikelen 13 en
31,
eerste lid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste één maand of
geldboete van de tweede categorie.
Art. 77.
Vervallen.
Art. 78.
Vervallen.
Art. 79.
Hij die op grond van deze
wet of de daarop berustende bepalingen gehouden is inlichtingen
of gegevens te verstrekken, een aangifte of mededeling te doen, of
een verklaring af te leggen en daarbij een valse opgave doet, of
opzettelijk in strijd met bedoelde gehoudenheid iets verzwijgt, wordt gestraft
met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de
vierde categorie.
Art. 80.
-1. Met gevangenisstraf
van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie wordt
gestraft hij die zich ziek meldt bij het
Landelijk instituut sociale verzekeringen met het oogmerk om meer ziekengeld te verkrijgen dan hem in
totaal krachtens de bepalingen dezer wet toekomt.
-2. Met gevangenisstraf
van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie wordt
gestraft hij die zich ter zake van dezelfde ziekte wendt tot het Landelijk
instituut sociale verzekeringen, daaronder begrepen een
afdelingskas, met het oogmerk om meer geldelijke uitkering te verkrijgen dan hem in
totaal krachtens de bepalingen dezer wet en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering toekomt.
Art. 81.
Het recht tot
strafvordering vervalt indien het
Landelijk instituut sociale verzekeringen aan de
verzekerde ter zake van hetzelfde feit reeds een boete heeft opgelegd.
Art. 82.
Vervallen.
Art. 83.
De bij deze wet strafbaar
gestelde feiten worden beschouwd als misdrijven, uitgezonderd
die, bedoeld bij artikel 76, welke als overtredingen worden beschouwd.
Art. 84.
Vervallen.
HOOFDSTUK
II
Overgangs-
en slotbepalingen
Art. 85.
De termijnen van het ziekengeld welke niet zijn ingevorderd binnen twee jaren na de dag der
betaalbaarstelling worden niet meer uitbetaald.
Art. 86.
Vervallen
Art. 87.
Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen voor bepaalde groepen van personen
bijzondere zo nodig van het bepaalde bij of krachtens deze wet
afwijkende bepalingen worden gemaakt ten aanzien van de verzekering en de
ziekengelduitkering.
Art. 87a.
-1. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat in afwijking van
artikel 29, eerste lid, ziekengeld wordt uitgekeerd aan verzekerden die in
dienstbetrekking staan tot bij of krachtens die maatregel te bepalen
werkgevers.
-2. Artikel 88 is van
overeenkomstige toepassing.
-3. De werkgever kan een
verzekeringsovereenkomst met betrekking tot zijn verplichting tot
doorbetaling van loon als bedoeld in 629, eerste lid, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek opzeggen met ingang van de dag dat de algemene maatregel
van bestuur, bedoeld in het eerste lid, te zijnen aanzien in werking
treedt of, indien de opzegging later geschiedt, met ingang van de dag
waarop deze de verzekeraar bereikt. In het geval dat de premie is
vooruitbetaald, wordt deze door de verzekeraar naar evenredigheid aan de
werkgever terugbetaald.
-4. Een krachtens het
eerste lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur treedt niet
eerder in werking dan acht weken na de datum van uitgifte van het
Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling
gedaan aan de beide kamers der Staten-Generaal.
Art. 88.
-1. Een overeenkomst met
betrekking tot de verzekering van geldelijke gevolgen van
ongeschiktheid tot werken wegens ziekte, gesloten door degene die verplicht
verzekerd wordt, vervalt met ingang van de dag waarop de verzekeraar van
de verzekerde mededeling van het verplicht verzekerd worden
ontvangt, voor zover aan de overeenkomst rechten kunnen worden ontleend
gelijkwaardig aan die welke uit de in deze wet geregelde verplichte
verzekering voortvloeien. Bereikt deze mededeling de verzekeraar vóór de
dag waarop de betrokkene verplicht verzekerd wordt, dan vervalt de
overeenkomst met ingang van die dag.
-2. De premie welke degene wiens verzekering krachtens het bepaalde in het eerste lid geheel
of gedeeltelijk is vervallen, heeft vooruitbetaald, wordt door de verzekeraar
al naargelang van het vervallen gedeelte der overeenkomst
terugbetaald, onder aftrek van ten hoogste 25 procent van het terug te betalen
bedrag voor administratiekosten.
Art. 89.
De Algemene
termijnenwet is niet van toepassing op de in deze wet gestelde termijnen van
uitkering van geldelijke schadeloosstelling alsmede op de termijnen
gesteld in de artikelen 6, tweede lid, onderdeel a en c,
29, vijfde lid, 35 en 46, eerste en vijfde lid.
Art. 90.
Het ontwerp van een
algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8b
wordt
bekendgemaakt in de Staatscourant.
Art. 91.
Een voordracht tot een
algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8b
wordt niet
gedaan dan nadat twee maanden na de in artikel 90 bedoelde mededeling zijn
verstreken. Gelijktijdig met de mededeling wordt het ontwerp aan de
beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. Binnen 30 dagen na de
overlegging kan door één der kamers of ten minste een vijfde van het
grondwettelijk aantal leden van één der kamers de wens te kennen worden
gegeven dat het in de maatregel geregelde onderwerp bij wet wordt
geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo
spoedig mogelijk ingediend.
[Lasten en
bevelen dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat alle Ministeriële Departementen,
Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren wie zulks aangaat, aan de
nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven op het Loo, den 5den Juni 1913
WILHELMINA
De Minister van Landbouw,
Nijverheid en Handel,
A.S. Talma
Uitgegeven den negenden Juni
1913
De Minister van Justitie ad
interim,
Heemskerk, red.]
|
|