|
Parlementaire
behandeling:
Bijlage Handelingen II 1962-1963, 1963-1964, 1964-1965, 7171.
Handelingen II 1964-1965, blz. 1656-1683, 1712-1737.
Bijlage Handelingen I 1965-1966, 7171.
Handelingen I 1965-1966, blz. 328-353.
BESCHIKKING van de Minister
van Justitie van 21 januari 1999, Stb. 1999, 23, houdende plaatsing in het
Staatsblad
van de tekst van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, zoals
deze luidt met ingang van 1 januari 1999
De Minister
van Justitie;
Gelet op artikel XXXVI van de
Aanpassingswet
nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen;
Besluit:
De tekst van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, zoals deze luidt met ingang van 1
januari 1999, in het Staatsblad te plaatsen als bijlage bij deze
beschikking.
’s-Gravenhage, 21 januari
1999
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
Uitgegeven de achtentwintigste
januari 1999
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
Tekst van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, zoals deze wet luidt op 1 januari
1999 ¹
1. De voetnoten bij de
artikelen zijn geplaatst door de wetgever, red.
[WET van 18 februari 1966, Stb.
1966, 84, inzake een arbeidsongeschiktheidsverzekering (Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering). Inwerkingtreding: 1 september 1966 (Stb. 1966, 365).
WIJ JULIANA, bij
de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Allen, die deze
zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is regelen vast te stellen inzake een verplichte verzekering
van loontrekkenden tegen geldelijke gevolgen van langdurige
arbeidsongeschiktheid;
Zo is het, dat Wij, de Raad
van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben
goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:, red.]
HOOFDSTUK
I
Algemene
bepalingen
§ 1.
Algemeen
Art. 1.
-1. Voor de toepassing van deze wet en van de tot haar uitvoering genomen besluiten wordt
verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. College van toezicht
sociale verzekeringen: het College van toezicht sociale
verzekeringen,
genoemd in hoofdstuk 2 van de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997;
c. Landelijk instituut
sociale verzekeringen: het Landelijk instituut sociale
verzekeringen,
genoemd in hoofdstuk 4 van de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997;
d. uitvoeringsinstelling:
een uitvoeringsinstelling als bedoeld in artikel
41, derde lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997;
e.
Arbeidsongeschiktheidsfonds: het fonds, bedoeld in artikel
72;
f. lichamen: rechtspersonen,
maat- en vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder
rechtspersoonlijkheid die maatschappelijk kunnen worden gelijkgesteld
met verenigingen, ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen en doelvermogens;
g.
Arbeidsongeschiktheidskas: de Arbeidsongeschiktheidskas, bedoeld in artikel
73;
h. eigenrisicodrager: de
werkgever aan wie de toestemming is verleend, bedoeld in artikel
75, eerste lid;
i. vreemdeling: hetgeen
daaronder wordt verstaan in de Vreemdelingenwet;
j. onbetaald verlof: een
tussen werkgever en werknemer overeengekomen periode van verlof waarbij
op grond van artikel 6, tweede lid, geen dienstbetrekking aanwezig
is.
-2. Voor de toepassing van
deze wet en van de tot haar uitvoering genomen besluiten wordt
gelijkgesteld met:
a. echtgenoot:
geregistreerde partner;
b. echtgenoten:
geregistreerde partners;
c. gehuwd: als partner
geregistreerd.
-3. Voor de toepassing van
deze wet en van de tot haar uitvoering genomen besluiten wordt:
a. als gehuwd of als
echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een
andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding
voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad;
b. als ongehuwd mede
aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie
hij gehuwd is.
-4. Van een gezamenlijke
huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in
dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door
middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding
dan wel anderszins.
-5. Een gezamenlijke
huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de betrokkenen hun
hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:
a. zij met elkaar gehuwd
zijn geweest of eerder voor de toepassing van deze wet daarmee gelijk zijn
gesteld;
b. uit hun relatie een kind
is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de één door
de ander;
c. zij zich wederzijds
verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een
geldend samenlevingscontract; of
d. zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een
gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de
gezamenlijke huishouding, bedoeld in het vierde lid.
-6. Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld welke
registraties, en gedurende welk tijdvak, in aanmerking worden genomen
voor de toepassing van het vijfde lid, onderdeel d.
-7. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten
aanzien van hetgeen wordt verstaan onder het blijk geven zorg te dragen
voor een ander, zoals bedoeld in het vierde lid.
Art. 2.
-1. Waar iemand woont en waar een lichaam gevestigd is, wordt naar de
omstandigheden beoordeeld.
-2. Voor de toepassing van het eerste lid worden schepen en
luchtvaartuigen die binnen Nederland hun thuishaven hebben, beschouwd
als deel van Nederland.
[Art. 2a.
Vervallen, red.]
[Art. 2b.
Vervallen, red.]
§ 2.
De werknemer
Art. 3.
-1. Werknemer is de natuurlijke persoon jonger dan 65
jaar die in
privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.
-2. Wie zijn dienstbetrekking buiten Nederland vervult, wordt niet als
werknemer beschouwd, tenzij hij in Nederland woont en zijn werkgever
eveneens in Nederland woont of gevestigd is. Voor zover een werkgever:
a. in Nederland een vaste inrichting voor de uitoefening van zijn
bedrijf of beroep of een in Nederland wonende of gevestigde vaste
vertegenwoordiger heeft; of
b. in Nederland één of meer personen in dienst heeft en hij door of
vanwege Onze Minister als werkgever is
aangewezen;
wordt hij voor de
toepassing van de eerste volzin gelijkgesteld met een in Nederland
wonende of gevestigde werkgever.
-3. In afwijking van het eerste en tweede lid wordt niet als werknemer
beschouwd de vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt
in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet.
-4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden
bepaald
dat:
a. personen die buiten Nederland wonen ook als werknemer worden
beschouwd, voor zover zij hun dienstbetrekking buiten Nederland
vervullen;
b. personen die in Nederland wonen, ook als werknemer worden beschouwd,
voor zover zij hun dienstbetrekking buiten Nederland vervullen en hun
werkgever buiten Nederland woont of gevestigd is.
-5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan van het eerste,
tweede en derde lid worden afgeweken ten aanzien van:
a. vreemdelingen;
b. personen op wie een regeling van toepassing is inzake verzekering
tegen geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid van de
Nederlandse Antillen, van Aruba, van een andere mogendheid of van een
volkenrechtelijke organisatie; en
c. personen die slechts tijdelijk in Nederland verblijven of tijdelijk
in Nederland werkzaam zijn.
-6. Bij een maatregel als bedoeld in het vijfde
lid kan worden
afgeweken van het derde lid ten aanzien van:
a. vreemdelingen die rechtmatig in Nederland arbeid
verrichten dan wel
hebben verricht;
b. vreemdelingen die, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben
gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de
Vreemdelingenwet, tijdig toelating in aansluiting op dat verblijf hebben
aangevraagd, dan wel bezwaar hebben gemaakt of beroep hebben ingesteld
tegen de intrekking van het besluit tot toelating, totdat op die
aanvraag, dat bezwaar of dat beroep is beslist.
Art. 3a.
Zo nodig in afwijking van artikel 3 en de daarop berustende bepalingen:
a. wordt als werknemer beschouwd de persoon van wie de verzekering op
grond van deze wet voortvloeit uit de toepassing van bepalingen van een
verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie;
b. wordt niet als werknemer beschouwd de persoon op wie op grond van een
verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de
wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is.
Art. 4.
-1. Als dienstbetrekking wordt mede beschouwd de arbeidsverhouding van:
a. degene die anders dan in de uitoefening van een bedrijf of in de
zelfstandige uitoefening van een beroep, en anders dan als thuiswerker,
ingevolge een overeenkomst tot aanneming van werk als bedoeld in artikel
1639 van Boek 7a
van het Burgerlijk Wetboek, persoonlijk een werk tot
stand brengt;
b. degene die de onder a bedoelde persoon bij het
tot stand brengen van
dat werk bijstaat;
c. degene die krachtens overeenkomst met een ander tegen beloning
geregeld zijn bemiddeling verleent tot het tot stand komen van
overeenkomsten tussen daartoe door hem te bezoeken personen en die
ander, mits hij de bedoelde bemiddeling uitsluitend voor die ander
verleent, het verlenen van die bemiddeling niet een voor hem bijkomstige
werkzaamheid is en hij zich daarbij doorgaans niet door meer dan twee
andere personen laat bijstaan;
d. degene die krachtens overeenkomst met een ander tegen beloning
geregeld zijn bemiddeling verleent tot het tot stand komen van
overeenkomsten tussen daartoe door hem te bezoeken personen en een
opdrachtgever van die ander, mits hij de bedoelde bemiddeling
uitsluitend voor die ander verleent, het verlenen van die bemiddeling
niet een voor hem bijkomstige werkzaamheid is en hij zich daarbij
doorgaans niet door meer dan twee andere personen laat bijstaan;
e. vervallen;
f. degene die als lid van de bemanning van een vissersvaartuig
aanspraak heeft op een aandeel in de besomming, tenzij hij:
1º. als zodanig tegen geldelijke gevolgen van arbeidsongeschiktheid
verzekerd is bij het Sociaal Fonds voor de Maatschapsvisserij; of
2º. exploitant of mede-exploitant van het vaartuig is;
g. vervallen;
h. degene die als bestuurder werkzaam is ten behoeve van een
coöperatie die met haar leden uitsluitend arbeidsovereenkomsten als
bedoeld in artikel 610, eerste lid, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek sluit, indien hij lid is van de coöperatie en deze blijkens
haar statuten en met inachtneming van de vereisten gesteld in het derde
lid en krachtens het vierde lid kan worden beschouwd als een coöperatie
met werknemerszelfbestuur.
-2. Het bepaalde in het vorige lid, onderdeel a en
b, blijft buiten toepassing indien de onder a bedoelde overeenkomst rechtstreeks is
aangegaan met een natuurlijk persoon ten behoeve van diens persoonlijke
aangelegenheden.
-3. Een coöperatie als bedoeld in het eerste lid, onderdeel
h, dient te
voldoen aan de vereisten dat:
a. doorgaans ten minste twee derde deel van het aantal personen met wie
de coöperatie een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 610,
eerste lid, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek heeft gesloten, lid
van de coöperatie is;
b. het lidmaatschap van de coöperatie door ieder van de in onderdeel
a
bedoelde personen onder dezelfde voorwaarden kan worden verkregen en
voorwaarden van geldelijke aard geen wezenlijke belemmering vormen voor
de verkrijging van het lidmaatschap;
c. de leden van de coöperatie ieder één stem hebben;
d. de arbeidsvoorwaarden van de leden van de coöperatie niet wezenlijk
verschillen van hetgeen gebruikelijk is bij gelijksoortige ondernemingen
in de desbetreffende sector;
e. een lid van de coöperatie, behoudens in geval van liquidatie van de
coöperatie, bij beëindiging van zijn lidmaatschap ten hoogste
aanspraak kan maken op het door hem uit hoofde van een geldelijke
voorwaarde als bedoeld in onderdeel b, hetzij uit anderen hoofden aan de
coöperatie betaalde bedrag, herrekend naar geldontwaarding.
-4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld
waarbij de in het derde lid genoemde vereisten:
a. nader worden bepaald;
b. worden aangevuld met andere vereisten op grond waarvan de coöperatie
kan worden beschouwd als een coöperatie met werknemerszelfbestuur.
Art. 5.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden
gesteld ingevolge welke eveneens als dienstbetrekking wordt beschouwd
de arbeidsverhouding van:
a. degene die als thuiswerker arbeid verricht;
b. degene die de onder a bedoelde persoon als hulp bij het verrichten
van de arbeid bijstaat;
c. degene die als musicus of anderszins als artiest optreedt dan wel
als beroep een tak van sport beoefent;
d. degene die tegen beloning persoonlijk arbeid verricht en wiens
arbeidsverhouding niet reeds ingevolge de voorgaande bepalingen als
dienstbetrekking wordt beschouwd, doch hiermede maatschappelijk gelijk
kan worden gesteld.
Art. 6.
-1. Als dienstbetrekking wordt niet beschouwd de
arbeidsverhouding van:
a. degene, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de
Ambtenarenwet;
b. degene die een verplichting naleeft, hem opgelegd door de wet of
voortvloeiende uit een verbintenis anders dan bij arbeidsovereenkomst
door hem jegens de Overheid aangegaan ten aanzien van ’s lands
verdediging of ter bescherming van de openbare orde en de veiligheid der
bevolking, alsmede van degene die als vrijwilliger al dan niet tegen
loon werkzaamheden verricht bij een gemeentelijke brandweer;
c. degene die ten behoeve van de natuurlijke persoon tot wie hij in
dienstbetrekking staat uitsluitend of nagenoeg uitsluitend huiselijke
of persoonlijke diensten in diens huishouding verricht en die diensten
doorgaans op minder dan drie dagen per week verricht;
d. de directeur-grootaandeelhouder.
-2. Geen dienstbetrekking wordt geacht aanwezig te zijn op
dagen waarop
geen arbeid wordt verricht en geen uitkering of een uitkering van minder
dan de helft van het normale loon van de werkgever wordt genoten, tenzij
het niet verrichten van de arbeid zijn oorzaak vindt in:
a. een normale onderbreking van of verhindering tot het verrichten van
de arbeid, zolang deze onderbreking of verhindering niet langer dan één
maand heeft geduurd;
b. weersinvloeden, gebrek aan materialen of dergelijke omstandigheden;
c. vervallen;
d. de omstandigheid dat de dienstbetrekking ertoe strekt dat slechts
een gedeelte van een normale werkweek arbeid wordt verricht;
e. de omstandigheid dat de dienstbetrekking ertoe strekt dat niet
regelmatig in elke kalenderweek arbeid wordt verricht, voor zover het
betreft de kalenderweek waarin arbeid wordt verricht of arbeid zou
worden verricht indien de betrokkene niet arbeidsongeschikt was
geworden;
f. arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan ziekengeld ingevolge de
Ziektewet of arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge deze wet is
toegekend.
-3. Het eerste lid en tweede lid zijn alleen van toepassing op de aldaar
bedoelde arbeidsverhoudingen.
-4. Door Onze Minister
worden, in overeenstemming met Onze Minister van
Financiën, regels gesteld omtrent hetgeen onder directeur-grootaandeelhouder, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d,
wordt verstaan.
Art. 7.
Voor de toepassing van deze wet wordt als werknemer beschouwd:
a. degene die krachtens de verplichte verzekering op grond van de
Werkloosheidswet uitkering ontvangt;
b. in door Onze Minister aan te wijzen gevallen
degene die ten minste
vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren per kalenderweek heeft
verloren als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel a, van de
Werkloosheidswet, doch aan wie geen uitkering wordt verleend op grond
van enige bepaling van die wet of van het uitkeringsreglement
werkloosheidsverzekeringen van het Landelijk instituut sociale
verzekeringen of van een regeling als bedoeld in onderdeel c;
c. degene die wegens werkloosheid niet werkt en die ingevolge een door
Onze Minister aan te wijzen, van overheidswege getroffen regeling
uitkering ontvangt.
Art. 7a.
Voor de toepassing van deze wet wordt mede als werknemer beschouwd:
a. degene die krachtens de verplichte verzekering ingevolge de
Ziektewet ziekengeld ontvangt;
b. in door Onze Minister aan te wijzen gevallen
degene die wegens
arbeidsongeschiktheid niet werkt, doch aan wie geen ziekengeld wordt
verleend op grond van enige bepaling van de Ziektewet.
Art. 7b.
Voor de toepassing van deze wet wordt mede als werknemer beschouwd
degene die op grond van de verplichte verzekering ingevolge deze wet
uitkering ontvangt.
§ 3.
De werkgever
Art. 8.
Werkgever is de natuurlijke persoon tot wie, of het lichaam tot welk,
één
of meer natuurlijke personen in dienstbetrekking staan.
Art. 9.
Als werkgever wordt beschouwd:
1º. in de gevallen, bedoeld in artikel
4, eerste lid, onderdeel:
a en b: de aanbesteder;
c en d: degene met wie de overeenkomst tot bemiddeling is gesloten;
e: vervallen;
f: de exploitant of mede-exploitant van het vaartuig;
g: degene bij wie de werkzaamheden worden verricht of de opleiding
wordt genoten;
h: de coöperatie;
2º. in de gevallen, bedoeld in artikel
5, onderdeel:
a: de opdrachtgever;
b: de thuiswerker;
c: degene met wie het optreden of de sportbeoefening is overeengekomen;
d: degene die bij de in artikel 5 bedoelde algemene maatregel van
bestuur als werkgever wordt aangewezen.
Art. 10.
-1. Als werkgever wordt beschouwd in de gevallen, bedoeld in
artikel 7, onderdeel:
a. Landelijk instituut sociale
verzekeringen;
b en c: degene die door Onze Minister
als werkgever wordt aangewezen.
-2. Als werkgever wordt beschouwd in de gevallen, bedoeld in
artikel
7a,
onderdeel a, en artikel 7b, het Landelijk instituut sociale
verzekeringen.
-3. Ingeval het Landelijk instituut sociale verzekeringen of een
uitvoeringsinstelling de uitkering, bedoeld in het eerste en tweede lid,
vermeerderd met de daarover door de werkgever verschuldigde premies,
betaalt aan de werkgever, bedoeld in artikel 8, 9 of
11, teneinde deze
uitkering door diens tussenkomst te doen uitbetalen, treedt voor de
toepassing van het eerste en tweede lid deze in de plaats van het
Landelijk instituut sociale verzekeringen, onafhankelijk van het
voortbestaan van de dienstbetrekking met die werkgever.
Art. 11.
Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van
Financiën,
in afwijking van het bepaalde in de artikelen 8 en 9 een ander dan de
aldaar bedoelde personen aanwijzen als werkgever met betrekking tot:
a. degene die krachtens overeenkomst met een ander tegen beloning
geregeld zijn bemiddeling verleent tot het tot stand komen van
overeenkomsten tussen daartoe door hem te bezoeken personen en een
opdrachtgever van die ander;
b. degene die een thuiswerker als hulp bij het verrichten van de arbeid
bijstaat;
c. degene die als musicus of anderszins als artiest optreedt dan wel
als beroep een tak van sport beoefent.
Art. 12.
De werkgever is verplicht de werknemer gelegenheid te geven tot het
uitoefenen van de hem bij of krachtens deze wet toegekende bevoegdheden
en tot het nakomen van de hem bij of krachtens deze wet opgelegde
verplichtingen, voor zover de uitoefening van die bevoegdheden en
nakoming van die verplichtingen niet buiten de arbeidstijd kan
geschieden.
§ 4.
Het loon
Art. 13.
-1. Deze wet verstaat onder loon het loon in de zin van de
Coördinatiewet Sociale Verzekering.
-2. Minimumloon is het minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8,
eerste lid, onderdeel a, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag (Stb. 1968, 657), of, indien het een werknemer
jonger dan 23 jaar betreft, het voor zijn leeftijd geldende minimumloon
per maand, bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van
genoemde
wet, beide vermeerderd met de daarover berekende
vakantietoeslag, bedoeld in artikel 15 van die
wet, en vervolgens
gedeeld door 21,75.
-3. Loon door verschillende personen tezamen onverdeeld genoten, wordt,
voor zover niet blijkt van een andere verdeling, geacht door ieder van
hen voor een gelijk deel te zijn genoten.
-4. Degene die krachtens een regeling als bedoeld in
artikel 7,
onderdeel c, uitkering ontvangt, wordt geacht op elke dag waarover hij
die uitkering ontvangt een loon te ontvangen gelijk aan die uitkering.
Art. 14.
-1. Voor de berekening van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering waarop
ingevolge deze wet aanspraak bestaat, wordt als dagloon beschouwd:
hetgeen de uitkeringsgerechtigde, ware hij niet arbeidsongeschikt
indien hij werkzaam was in het beroep dat, of de beroepen welke, hij gewoonlijk uitoefende, gerekend naar het loonpeil op de dag van
ingang van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, gedurende het
daaropvolgende jaar bij een vijfdaagse werkweek gemiddeld per dag zou
kunnen verdienen.
-2. Onze Minister
stelt met betrekking tot de vaststelling van het
dagloon nadere regels.
-3. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen kan, zo nodig in
afwijking van de door Onze Minister op grond van het tweede lid gestelde
regels, regels stellen met betrekking tot de vaststelling van het
dagloon voor één of meer categorieën van werknemers. Deze regels
behoeven goedkeuring van Onze Minister.
Art.
14a.
Vervallen.
Art. 15.
-1. De daglonen worden herzien met ingang van de dag waarop en in de mate
waarin het bedrag, genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel c, van de
Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag (Stb. 1968, 657), wordt herzien.
-2. Onze Minister
maakt in de Staatscourant bekend met ingang van welke
dag en met welk percentage een herziening als bedoeld in het eerste lid
plaatsvindt.
-3. Op een beschikking als gevolg van een herziening van het dagloon
ingevolge het bepaalde in dit artikel zijn de artikelen 3:41 en
3:45 van
de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
§ 5.
Kring der verzekerden
Art. 16.
De werknemers in de zin van deze wet zijn verzekerd.
Art. 17.
-1. Degene die:
a. gedurende twee maanden onafgebroken op alle dagen verzekerd is
geweest; of
b. in de loop van de twee maanden voorafgaande aan het einde van zijn
verzekering op ten minste zestien dagen verzekerd is geweest;
wordt, indien
hij in het onder a bedoelde geval binnen één maand na het einde van die
twee maanden en in het onder b bedoelde geval binnen acht dagen na het
einde van zijn verzekering arbeidsongeschikt wordt, of, in gevallen als
bedoeld in artikel 37, eerste lid, meer arbeidsongeschikt wordt, voor
het recht op toekenning onderscheidenlijk herziening van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering beschouwd alsof hij verzekerd was
gebleven. Indien de verzekering berust op een dienstbetrekking als
bedoeld in artikel 3, is de eerste zin eerst na het eindigen van die
dienstbetrekking van toepassing.
-2. Voor de toepassing van het in het vorige lid, onderdeel
a, bepaalde wordt
de daar genoemde termijn van twee maanden geacht niet te zijn
onderbroken indien de betrokkene gedurende niet meer dan zeven dagen niet
verzekerd is geweest. Voor de toepassing van dit en het vorige lid wordt
arbeid, in een aaneengesloten nachtdienst op twee dagen verricht,
gerekend als arbeid op één dag.
-3. Het bepaalde in het eerste lid blijft buiten toepassing ten aanzien
van degene die in verband met het bepaalde in artikel 6, eerste lid,
onderdeel a of b, niet verzekerd is.
-4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden
gesteld ingevolge welke personen die niet verzekerd zijn en die
arbeidsongeschikt worden of, in gevallen als bedoeld in artikel
37,
eerste lid, meer arbeidsongeschikt worden als gevolg van bij die
maatregel aan te wijzen beroepsziekten, voor het recht op toekenning
onderscheidenlijk herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering
worden beschouwd alsof zij verzekerd zijn.
-5. Degene die niet verzekerd is en een toelage ontvangt als bedoeld in
artikel 58, eerste of derde lid, van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet of artikel 28, eerste lid, van de
Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten, wordt voor het recht op toekenning
en herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering beschouwd alsof
hij verzekerd is, mits hij een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt,
dan wel gedurende het jaar vóór de dag met ingang waarvan de toelage
is verleend, verzekerd was.
HOOFDSTUK
II
De
verstrekkingen der verzekering
§ 1. Het recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering
Art. 18.
-1. Arbeidsongeschikt, geheel of gedeeltelijk, is hij die als
rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte,
gebreken, zwangerschap of bevalling geheel of gedeeltelijk niet in staat
is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen met
soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht
of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid
gewoonlijk verdienen.
-2. Degene die op en sedert het tijdstip dat zijn verzekering een aanvang
neemt reeds gedeeltelijk arbeidsongeschikt is in de zin van het eerste
lid, wordt voor wat de door hem aan deze wet te ontlenen aanspraken
betreft als geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt aangemerkt indien
hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van
ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid
te verdienen hetgeen soortgelijke personen die in dezelfde mate
arbeidsongeschikt zijn in de zin van het eerste lid, ter plaatse waar
hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving
daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen. De eerste zin blijft buiten
toepassing ten aanzien van degene die onmiddellijk voorafgaande aan het
tijdstip waarop de verzekering een aanvang nam ononderbroken onbetaald
verlof, tot een maximum van achttien maanden, heeft genoten, behoudens
voor zover het betreft gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid in de zin van
het eerste lid die bestond op de dag voorafgaande aan de eerste dag
van dit verlof. Als ononderbroken onbetaald verlof wordt aangemerkt
perioden van onbetaald verlof die elkaar met een onderbreking van minder
dan één maand opvolgen.
-3. Indien de bij de aanvang van de verzekering aanwezige
arbeidsongeschiktheid in de zin van het eerste lid naderhand is
afgenomen, vindt het tweede lid vervolgens overeenkomstige toepassing,
met dien verstande dat voor de aanvang van de verzekering in de plaats
treedt het tijdstip waarop de arbeidsongeschiktheid in de zin van het
eerste lid is afgenomen.
-4. Het tweede en derde lid vinden geen toepassing indien bij de aanvang
van de verzekering de betrokkene uit hoofde van een vroegere
verzekeringsperiode reeds een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt.
-5. In het eerste en tweede lid wordt onder de eerstgenoemde arbeid
verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de werknemer met
zijn krachten en bekwaamheden in staat is.
-6. Bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid wordt
buiten beschouwing gelaten of de werknemer de arbeid feitelijk kan
verkrijgen.
-7. Vervallen.
-8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking
tot het bepaalde in dit artikel nadere en zo nodig afwijkende regels
worden gesteld.
-9. Van een ontwerp van een besluit tot vaststelling, wijziging of
intrekking van:
a. een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het achtste lid;
b. een krachtens de in onderdeel a bedoelde algemene maatregel van
bestuur door Onze Minister genomen besluit;
wordt mededeling gedaan in
de Staatscourant. Een voordracht tot vaststelling, wijziging of
intrekking van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in
onderdeel a wordt niet gedaan en de vaststelling, wijziging of
intrekking van een besluit als bedoeld in onderdeel b geschiedt niet
eerder dan nadat acht weken na die mededeling zijn verstreken.
-10. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld omtrent een afwijkende wijze van vaststelling van de mate van
arbeidsongeschiktheid in gevallen waarin recht bestaat op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet en een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van een andere wettelijke
regeling ter verzekering tegen geldelijke gevolgen van langdurige
arbeidsongeschiktheid.
Art. 19.
-1. De verzekerde die arbeidsongeschikt wordt, heeft, zodra hij
onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest, recht op toekenning
van arbeidsongeschiktheidsuitkering indien hij na afloop van deze
periode nog arbeidsongeschikt is. Als eerste dag van de
arbeidsongeschiktheid geldt de eerste werkdag waarop wegens ziekte niet
is gewerkt of het werken tijdens de werktijd is gestaakt. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen kan voor bijzondere gevallen regels
stellen inzake welke dag als eerste werkdag wordt aangemerkt.
-2. Voor het bepalen van het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het vorige
lid, worden perioden van arbeidsongeschiktheid samengeteld indien zij
elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
-3. Recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft
eveneens de verzekerde, bedoeld in het eerste lid, die na afloop van het
in het eerste en tweede lid bedoelde tijdvak van 52 weken niet
arbeidsongeschikt is, doch ten aanzien van wie dit wel het geval is
binnen vier weken na afloop van dat tijdvak.
-4. Voor de toepassing van het bepaalde in de vorige leden wordt niet als
arbeidsongeschikt beschouwd degene die minder dan 15% arbeidsongeschikt
is.
-5. Voor het bepalen van het tijdvak van 52 weken, bedoeld in de vorige
leden, worden steeds in aanmerking genomen tijdvakken gedurende welke
aanspraak bestaat op ziekengeld krachtens de
Ziektewet.
-6. Voor de toepassing van het bepaalde in het vorige lid wordt een
belanghebbende geacht aanspraak te hebben op ziekengeld krachtens de
Ziektewet indien hem in verband met de artikelen
29, 30, 31, 42,
44 en
45 van de Ziektewet geen ziekengeld wordt uitgekeerd.
Art. 20. Vervallen.
Art. 21.
-1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet bestaat
achtereenvolgens uit een loondervingsuitkering waarvoor het dagloon als
maatstaf geldt en een vervolguitkering waarvoor het vervolgdagloon als
maatstaf geldt.
-2. De arbeidsongeschiktheidsuitkering bedraagt per dag, de zaterdagen en
zondagen niet meegerekend, bij een arbeidsongeschiktheid van:
15-25%
14% van 100/108-maal het dagloon of het vervolgdagloon;
25-35%
21% van 100/108-maal het dagloon of het vervolgdagloon;
35-45%
28% van 100/108-maal het dagloon of het vervolgdagloon;
45-55%
35% van 100/108-maal het dagloon of het vervolgdagloon;
55-65%
42% van 100/108-maal het dagloon of het vervolgdagloon;
65-80%
50,75% van 100/108-maal het dagloon of het vervolgdagloon;
80% of meer 70% van 100/108-maal het dagloon of het vervolgdagloon.
-3. Bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid wordt,
zoveel doenlijk, rekening gehouden met verkregen nieuwe bekwaamheden.
-4. Indien de verzekerde zonder redelijke gronden weigert deel te nemen
aan een voor hem gewenste opleiding of scholing of onvoldoende meewerkt
aan het bereiken van een gunstig resultaat ervan, wordt er bij de
vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van uitgegaan dat die
opleiding of scholing is afgerond.
Art. 21a.
De duur van de loondervingsuitkering is voor degene die op de datum met
ingang waarvan hem een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt toegekend:
58 jaar of ouder is zes jaar;
53 jaar of ouder is drie jaar;
48 jaar of ouder is twee jaar;
43 jaar of ouder is anderhalf jaar;
38 jaar of ouder is één jaar;
33 jaar of ouder is een halfjaar; en
jonger is dan 33 jaar nihil.
Art. 21b.
-1. Na afloop van de in artikel 21a
bedoelde periode bestaat recht op
vervolguitkering met als maatstaf het vervolgdagloon.
-2. Het vervolgdagloon is gelijk aan het minimumloon verhoogd met een
percentage van het verschil tussen het dagloon en het minimumloon.
-3. Voor de berekening van het vervolgdagloon geldt een percentage van
tweemaal het aantal verstreken jaren tussen het 15de jaar en de leeftijd van
de betrokkene op de datum met ingang waarvan hem een
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt toegekend.
-4. Indien het dagloon lager is dan het minimumloon, wordt het
vervolgdagloon vastgesteld op het dagloon.
-5. Voor de toepassing van artikel 21a
en het derde lid wordt voor degene
ten aanzien van wie artikel 35, tweede lid, wordt toegepast als datum
met ingang waarvan de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt toegekend in
aanmerking genomen de datum waarop de arbeidsongeschiktheidsuitkering
zou zijn toegekend als dat lid niet was toegepast.
Art. 22.
Een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, wordt, indien de betrokkene in
een althans voorlopig blijvende toestand van hulpbehoevendheid welke
geregeld oppassing en verzorging nodig maakt, verkeert, voor de duur van
die hulpbehoevendheid tot ten hoogste 100/108-maal zijn dagloon of zijn
vervolgdagloon verhoogd. Het bepaalde in de vorige volzin vindt geen
toepassing indien de betrokkene in een inrichting is opgenomen en de
kosten van verblijf ten laste van een verzekering inzake ziektekosten
komen.
Art. 23.
-1. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen kan, zo dikwijls hij
zulks nodig oordeelt, de volgende personen oproepen of doen oproepen en
op een door of vanwege het Landelijk instituut sociale verzekeringen te
bepalen plaats ondervragen of doen ondervragen:
a. degene die de wachttijd van 52 weken, bedoeld in artikel
19,
doormaakt;
b. degene die aanspraak maakt op of in het genot is van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering;
c. degene ten aanzien van wie of ten behoeve van wie
reïntegratie-instrumenten als bedoeld in hoofdstuk 3 of
hoofdstuk 4 van
de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten zijn toegekend of
waarvan toekenning wordt overwogen.
-2. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen kan de in het eerste
lid bedoelde personen op een door of vanwege het Landelijk instituut
sociale verzekeringen te bepalen plaats door één of meer daartoe door
hem aangewezen deskundigen doen onderzoeken.
-3. De daartoe door het Landelijk instituut sociale verzekeringen
aangewezen deskundige kan, ook zonder opdracht van het Landelijk
instituut sociale verzekeringen, de in het eerste lid bedoelde personen
oproepen, ondervragen, onderzoeken, doen oproepen, doen ondervragen en
doen onderzoeken door één of meer door hem daartoe aangewezen
deskundigen.
Art. 24.
Het Landelijk instituut sociale verzekeringen
en de door hem daartoe
aangewezen deskundige kunnen aan de in artikel 23, eerste lid, bedoelde
personen voorschriften geven in het belang van een behandeling of
genezing of tot behoud, herstel of ter bevordering van de
arbeidsgeschiktheid, dan wel tot inschrijving bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
Art. 25.
-1. Indien een persoon als bedoeld in artikel
23, eerste lid, na tijdig
opgeroepen te zijn, niet verscheen of weigerde:
a. vragen te beantwoorden die zijn gesteld door het Landelijk instituut sociale
verzekeringen of de door hem daartoe aangewezen deskundige;
b. zich te laten onderzoeken door de door het Landelijk instituut
sociale verzekeringen daartoe aangewezen deskundige; of
c. te voldoen aan het voorschrift gegeven door het Landelijk instituut
sociale verzekeringen of de door hem daartoe aangewezen deskundige om
zich ter observatie te doen opnemen of te verblijven in een aangewezen
inrichting;
weigert het Landelijk instituut sociale verzekeringen de
uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk.
-2. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen handelt overeenkomstig
het bepaalde in het eerste lid bij toeneming van de
arbeidsongeschiktheid, voor zover deze toeneming kennelijk is
voortgekomen uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid ter zake
waarvan het niet voldoen aan de oproeping of de weigering plaatsvond.
Art. 26.
Opgeroepenen en, indien hun toestand geleide nodig maakt, mede hun
geleiders, worden reiskosten, verblijfkosten en tijdverlies vergoed in
de gevallen en volgens regels door het Landelijk instituut sociale
verzekeringen vast te stellen.
Art. 27.
Het Landelijk instituut sociale verzekeringen
is bevoegd
controlevoorschriften vast te stellen. Deze voorschriften mogen niet
verder gaan dan strikt noodzakelijk is voor een juiste uitvoering van
deze wet.
Art. 28.
Het Landelijk instituut sociale verzekeringen
handelt overeenkomstig het
bepaalde in artikel 25:
a. indien de belanghebbende de door het Landelijk instituut sociale
verzekeringen of de door hem daartoe aangewezen deskundige krachtens
artikel 24 in het belang van een behandeling of genezing of tot behoud,
herstel of ter bevordering van de arbeidsgeschiktheid dan wel tot
inschrijving bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
gegeven voorschriften
zonder deugdelijke grond niet opvolgt;
b. indien de belanghebbende zich niet, zolang als het Landelijk
instituut sociale verzekeringen of de door hem daartoe aangewezen
deskundige te kennen heeft gegeven dit noodzakelijk te achten, onder
geneeskundige behandeling stelt of indien hij de voorschriften van de
behandelende geneeskundige niet opvolgt;
c. indien de belanghebbende zich schuldig maakt aan
gedragingen
waardoor zijn genezing wordt belemmerd of nalaat voldoende mede te
werken om aanpassing aan zijn ziekte of gebrek te verkrijgen;
d. indien de belanghebbende de controlevoorschriften, bedoeld in
artikel 27, of de verplichting, bedoeld in artikel
89, vierde lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997, niet of niet behoorlijk is
nagekomen dan wel de verplichting, bedoeld in artikel 80, niet binnen de
door het Landelijk instituut sociale verzekeringen daarvoor vastgestelde
termijn is nagekomen;
e. indien de belanghebbende zijn arbeidsongeschiktheid opzettelijk heeft
veroorzaakt;
f. indien belanghebbende zich niet houdt aan de voorschriften, bedoeld
in artikel 34, derde lid.
Art. 29.
-1. Een maatregel als bedoeld in artikel 25 of
28 wordt afgestemd op de
ernst van de gedraging en de mate waarin de belanghebbende de gedraging
verweten kan worden. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk
geval afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
-2. Indien het niet tijdig nakomen van de verplichting, bedoeld in
artikel 80, niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog
bedrag verlenen van uitkering of indien de belanghebbende zich niet
houdt aan de voorschriften, bedoeld in artikel 34, derde lid, kan het
Landelijk instituut sociale verzekeringen afzien van het opleggen van
een maatregel als bedoeld in artikel 28 en volstaan met het geven van
een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet tijdig nakomen van
de verplichting of het zich niet houden aan de voorschriften, tenzij
het niet tijdig nakomen van de verplichting of het zich niet houden aan
de voorschriften plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te
rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een zodanige
waarschuwing is gegeven.
-3. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan het Landelijk
instituut sociale verzekeringen besluiten van het opleggen van een
maatregel af te zien.
-4. Het opleggen van een maatregel blijft achterwege indien voor dezelfde
gedraging een boete als bedoeld in artikel 29a
wordt opgelegd.
-5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
gesteld met betrekking tot het eerste lid.¹
1. Dit artikellid is nog niet
in werking getreden. Tot het moment van inwerkingtreding is de volgende
tekst van toepassing: Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen
stelt nadere regels met betrekking tot het eerste lid.
Art. 29a.
-1. Indien de belanghebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger de
verplichting, bedoeld in artikel 80, niet of niet behoorlijk is nagekomen,
legt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen hem een boete op van
ten hoogste ƒ5000,00.
-2. De hoogte van de boete wordt afgestemd op de ernst van de gedraging,
de mate waarin de belanghebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger de
gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert.
Van het opleggen van een boete wordt in elk geval afgezien indien elke
vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
-3. Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting,
bedoeld in artikel 80, niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een
te hoog bedrag verlenen van uitkering, kan het Landelijk instituut
sociale verzekeringen afzien van het opleggen van een boete als bedoeld
in het eerste lid en volstaan met het geven van een schriftelijke
waarschuwing ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen van de
verplichting, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de
verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen
vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende of zijn
wettelijke vertegenwoordiger een zodanige waarschuwing is gegeven.
-4. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan het Landelijk
instituut sociale verzekeringen besluiten van het opleggen van een boete
af te zien.
-5. Degene aan wie een boete is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan de
uitvoeringsinstelling
die ten aanzien van hem werkzaamheden als bedoeld
in artikel 41 van de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 verricht,
de inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de
boete van belang zijn.
-6. Voor zover de boete nog niet is geïnd, vervalt zij door het overlijden
van degene aan wie zij is opgelegd.
-7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
gesteld met betrekking tot het eerste en het tweede lid.¹
1. Dit artikellid is nog niet
in werking getreden. Tot het moment van inwerkingtreding is de volgende
tekst van toepassing: Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen
stelt nadere regels met betrekking tot het eerste en het tweede lid.
Art. 29b.
-1. Indien het Landelijk instituut sociale
verzekeringen of een uitvoeringsinstelling
jegens de belanghebbende of zijn wettelijke
vertegenwoordiger een handeling verricht waaraan deze in redelijkheid de
gevolgtrekking kan verbinden dat aan hem wegens een bepaalde gedraging
een boete zal worden opgelegd, is de belanghebbende of zijn wettelijke
vertegenwoordiger niet langer verplicht ter zake van die gedraging enige
verklaring af te leggen, voor zover het betreft de boeteoplegging. De
belanghebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger wordt hiervan in
kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie wordt gevraagd.
-2. Indien het Landelijk instituut sociale verzekeringen voornemens is om
aan de belanghebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger een boete op
te leggen, wordt hiervan kennis gegeven aan de belanghebbende of zijn
wettelijke vertegenwoordiger onder vermelding van de gronden waarop het
voornemen berust. De kennisgeving is een handeling als bedoeld in het
eerste lid.
-3. Op verzoek van de belanghebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger
die de in het vorige lid bedoelde kennisgeving wegens zijn gebrekkige
kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, draagt het
Landelijk instituut sociale verzekeringen er zoveel mogelijk zorg voor
dat de in die kennisgeving vermelde gronden aan de belanghebbende of
zijn wettelijke vertegenwoordiger worden medegedeeld in een voor hem
begrijpelijke taal.
-4. In afwijking van afdeling 4.1.2 van de
Algemene wet bestuursrecht
stelt het Landelijk instituut sociale verzekeringen de belanghebbende of
zijn wettelijke vertegenwoordiger in de gelegenheid om naar keuze
schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren te brengen voordat
de boete wordt opgelegd.
-5. Indien de belanghebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger zijn
zienswijze mondeling naar voren brengt, draagt het Landelijk instituut
sociale verzekeringen er op verzoek van de belanghebbende of zijn
wettelijke vertegenwoordiger die de Nederlandse taal onvoldoende
begrijpt, zorg voor dat een tolk wordt benoemd die de belanghebbende of
zijn wettelijke vertegenwoordiger kan bijstaan, tenzij redelijkerwijs
kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat.
Art. 29c.
-1. Het besluit waarbij de boete wordt opgelegd, vermeldt de termijn of de
termijnen waarbinnen deze moet worden betaald, alsmede de wijze waarop
het besluit bij gebreke van tijdige betaling, overeenkomstig artikel 29g
zal worden ten uitvoer gelegd.
-2. Op verzoek van de belanghebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger
die het in het eerste lid bedoelde besluit wegens zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse
taal onvoldoende begrijpt, draagt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen er zoveel mogelijk zorg voor dat de in dat besluit
vermelde informatie aan de belanghebbende of zijn wettelijke
vertegenwoordiger wordt medegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.
-3. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen stelt nadere regels met
betrekking tot het eerste lid.
Art. 29d.
-1. Een boete wordt niet opgelegd zolang de gedraging wordt onderzocht
door het openbaar ministerie.
-2. De oplegging van een boete blijft definitief achterwege indien ter
zake van de gedraging tegen de belanghebbende of zijn wettelijke
vertegenwoordiger een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter
terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot
strafvordering is vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek
van Strafrecht.
-3. Het openbaar ministerie doet van een omstandigheid als bedoeld in het
eerste en het tweede lid mededeling aan het Landelijk instituut sociale
verzekeringen.
Art. 29e.
-1. Een boete wordt opgelegd binnen één jaar nadat het
Landelijk instituut sociale verzekeringen de belanghebbende of zijn wettelijke
vertegenwoordiger overeenkomstig het bepaalde in artikel 29b, vierde
lid, in de gelegenheid heeft gesteld zijn zienswijze naar voren te
brengen. Indien ter zake aangifte is gedaan of proces-verbaal is
opgemaakt en ingezonden, vangt de termijn van één jaar aan op de dag na
die waarop het openbaar ministerie aan het Landelijk instituut sociale
verzekeringen of aan de betrokken uitvoeringsinstelling
heeft
medegedeeld dat geen strafvervolging wordt ingesteld.
-2. Een boete wordt in elk geval niet opgelegd na verloop van vijf jaren
nadat de desbetreffende gedraging heeft plaatsgevonden.
Art. 29f.
In afwijking van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht kan de
rechter in beroep of hoger beroep het bedrag waarop de boete is
vastgesteld ook ten nadele van de belanghebbende of zijn wettelijke
vertegenwoordiger wijzigen.
Art. 29g.
-1. Het besluit waarbij een boete is opgelegd, levert een executoriale
titel op in de zin van het Tweede
Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De titel heeft mede betrekking op de rente en kosten,
bedoeld in het zesde lid.
-2. Indien degene aan wie een boete is opgelegd uitkering ontvangt op
grond van deze wet, de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de
Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen of een toeslag op grond van
de Toeslagenwet, wordt het besluit waarbij de boete is opgelegd
ten uitvoer gelegd door verrekening met die uitkering of toeslag.
-3. Indien degene aan wie een boete is opgelegd een uitkering ontvangt op
grond van de Algemene Ouderdomswet, de Algemene
nabestaandenwet, de
Algemene bijstandswet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen of de
Wet inkomensvoorziening kunstenaars, betaalt de Sociale
Verzekeringsbank, onderscheidenlijk de betrokken gemeente, het bedrag van
die boete, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is van hem, op haar
verzoek aan het Landelijk instituut sociale
verzekeringen.
-4. Indien degene aan wie een boete is opgelegd geen uitkering als
bedoeld in het derde lid ontvangt of meer ontvangt, dan wel ten aanzien
van zodanige uitkering toepassing van het derde lid niet mogelijk is,
wordt het besluit waarbij de boete is opgelegd bij gebreke aan tijdige
betaling met toepassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
op zijn kosten betekend en ten uitvoer gelegd.
-5. De tenuitvoerlegging van een besluit waarbij een boete is opgelegd,
vindt plaats met toepassing van het tweede of derde lid, dan wel van het
vierde lid, dan wel van het tweede of derde lid in combinatie met het
vierde lid.
-6. Bij gebreke van tijdige betaling wordt de verschuldigde boete
verhoogd met de wettelijke rente en de op de invordering betrekking
hebbende kosten.
-7. Op het executoriaal beslag ingevolge dit artikel door het Landelijk
instituut sociale verzekeringen op loon, sociale uitkeringen of andere
periodieke betalingen welke derden verschuldigd zijn of worden aan
degene aan wie een boete is opgelegd, zijn de artikelen 479b tot en met
479g, behoudens artikel 479e, tweede lid, van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing. De in
artikel 479g aan de raad voor de kinderbescherming toegekende
bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan het Landelijk instituut sociale
verzekeringen.
-8. De tenuitvoerlegging van een besluit met toepassing van dit artikel
geschiedt zodanig dat de belanghebbende of zijn wettelijke
vertegenwoordiger blijft beschikken over een inkomen gelijk aan de
beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het
Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering.
-9. Het achtste lid geldt niet zolang de belanghebbende of zijn
wettelijke vertegenwoordiger zijn verplichting, bedoeld in artikel 29a,
vijfde lid, niet of niet behoorlijk nakomt.
Art. 30.
-1. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen is bevoegd met
betrekking tot uit deze wet voortvloeiende aanspraken geheel of ten
dele, tijdelijk of blijvend, buiten aanmerking te laten:
a. algehele arbeidsongeschiktheid welke bestond op het
tijdstip dat de
verzekering een aanvang nam;
b. arbeidsongeschiktheid welke binnen een
halfjaar na het tijdstip
dat de verzekering een aanvang nam, is ingetreden, terwijl de
gezondheidstoestand van de betrokkene ten tijde van de aanvang van zijn
verzekering het intreden van arbeidsongeschiktheid binnen een halfjaar
kennelijk moest doen verwachten.
-2. Het eerste lid blijft buiten toepassing ten aanzien van degene die
onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip waarop de verzekering een
aanvang nam ononderbroken onbetaald verlof, tot een maximum van
achttien maanden, heeft genoten, behoudens voor zover het betreft
arbeidsongeschiktheid in de zin van het eerste lid die bestond op de dag voorafgaande aan de eerste dag van dit verlof. Als ononderbroken
onbetaald verlof wordt aangemerkt perioden van onbetaald verlof die
elkaar met een onderbreking van minder dan één maand opvolgen.
-3. De in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde bevoegdheid strekt zich mede
uit tot toeneming van de arbeidsongeschiktheid, voor zover deze toeneming
kennelijk is voortgekomen uit dezelfde oorzaak als de
arbeidsongeschiktheid welke binnen een halfjaar na de aanvang van de
verzekering is ingetreden.
-4. Het bepaalde in het eerste lid, onderdeel b, blijft buiten toepassing ten
aanzien van degene die onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip dat
de verzekering een aanvang nam, in verband met het bepaalde in artikel
6, eerste lid, onderdeel a of b, niet verzekerd was.
-5. Onze Minister
kan met betrekking tot de bij dit artikel aan het
Landelijk instituut sociale verzekeringen gegeven bevoegdheid nadere
regelen stellen.
Art. 31.
Zolang het Landelijk instituut sociale
verzekeringen ingevolge het
bepaalde in de artikelen 25, 28 en
30 arbeidsongeschiktheid buiten
aanmerking laat, vindt artikel 18, tweede lid, overeenkomstige
toepassing met betrekking tot de door de betrokkene aan deze wet nog te
ontlenen aanspraken, met dien verstande dat voor de aanvang van de
verzekering in de plaats treedt het tijdstip met ingang waarvan het
Landelijk instituut sociale verzekeringen arbeidsongeschiktheid buiten
aanmerking laat.
Art. 32.
Vervallen.
Art. 33.
-1. Met betrekking tot uit deze wet voortvloeiende aanspraken wordt
buiten aanmerking gelaten arbeidsongeschiktheid welke is ingetreden
tijdens een periode gedurende welke de verzekerde op grond van artikel
17 der Coördinatiewet Sociale Verzekering wegens gemoedsbezwaren van
verplichtingen ingevolge deze wet was vrijgesteld.
-2. Artikel 30, tweede lid, en
artikel 31 zijn van overeenkomstige
toepassing.
§ 2.
Toekenning, ingang,
herziening, intrekking, heropening en betaling van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering
Art. 34.
-1. Onverminderd het in deze wet ter zake van herziening of intrekking
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering bepaalde wordt de
arbeidsongeschiktheidsuitkering op aanvraag toegekend over perioden van
drie jaar.
-2. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen stelt de belanghebbende
van de mogelijkheid van het doen van een aanvraag schriftelijk in kennis
uiterlijk vier maanden vóór de datum waarop:
a. de wachttijd van 52 weken, bedoeld in artikel
19, eerste lid,
verstrijkt;
b. de periode waarover de arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend,
verstrijkt.
-3. De belanghebbende die in aanmerking wenst te komen voor toekenning
dan wel voortzetting van de uitkering dient zijn aanvraag te doen
binnen negen maanden na aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid
onderscheidenlijk uiterlijk drie maanden vóór de in het eerste lid bedoelde
termijn verstrijkt.
-4. Indien niet binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn een
beslissing is genomen op een tijdig ingediende aanvraag tot voortzetting
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, wordt de uitkering voortgezet tot
het tijdstip waarop de beschikking op de aanvraag is bekendgemaakt.
-5. Een aanvraag wordt geacht tijdig te zijn
ingediend indien het
Landelijk instituut sociale verzekeringen de kennisgeving als bedoeld in
het tweede lid, niet heeft gedaan dan wel indien bij een latere
kennisgeving dan bedoeld in het tweede lid de aanvraag wordt ingediend
binnen vier weken nadat deze kennisgeving is ontvangen.
-6. Indien de uitkering wordt voortgezet, wordt als dagloon of
vervolgdagloon in aanmerking genomen het dagloon of vervolgdagloon dat zou
hebben gegolden als de periode, bedoeld in het eerste lid, niet was
geëindigd.
-7. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen kan, onder goedkeuring
van Onze Minister, ten aanzien van bepaalde groepen arbeidsongeschikten
bepalen dat geen termijn geldt dan wel een termijn zal gelden die
afwijkt van de in het eerste lid genoemde termijn.
-8. Indien de toepassing van het derde lid zou leiden tot kennelijke
hardheid, is het Landelijk instituut sociale verzekeringen bevoegd de
uitkering ambtshalve toe te kennen of voort te zetten.
Art. 35.
-1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering gaat in op de
dag met ingang van
welke de belanghebbende aan de vereisten voor het recht op toekenning
van die uitkering voldoet.
-2. In afwijking van het bepaalde in het vorige lid kan de
arbeidsongeschiktheidsuitkering niet vroeger ingaan dan één jaar vóór
de dag waarop de aanvraag werd ingediend. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen kan voor bijzondere gevallen van het bepaalde in
de vorige volzin afwijken.
Art. 36.
-1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt herzien wanneer
degene aan
wie zij is toegekend, ingevolge het bij of krachtens deze wet bepaalde
voor een hogere of lagere uitkering in aanmerking komt.
-2. Onverminderd het in deze wet ter zake van herziening of intrekking
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering bepaalde dient binnen één jaar
na ingang van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, niet zijnde een
voortzetting als bedoeld in artikel 34, derde lid, door het
Landelijk instituut sociale verzekeringen te worden bezien of er gronden aanwezig
zijn voor herziening of intrekking van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-3. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen kan, onder goedkeuring
van Onze Minister, ten aanzien van bepaalde groepen arbeidsongeschikten
bepalen dat geen termijn geldt dan wel een termijn zal gelden die
afwijkt van de in het tweede lid genoemde termijn.
-4. Ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid vindt herziening
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering plaats met inachtneming van het
bepaalde in de artikelen 37 tot en met 40.
Art. 36a.
-1. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde ter zake van herziening
of intrekking van een besluit tot toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering en ter zake van weigering van een
zodanige uitkering, herziet het Landelijk instituut sociale
verzekeringen een dergelijk besluit of trekt zij dat in:
a. ter uitvoering van een besluit als bedoeld in artikel
30;
b. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op
grond van artikel 25, 28 of 80 heeft geleid tot het ten onrechte of tot
een te hoog bedrag verlenen van uitkering;
c. indien anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag
is verleend;
d. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op
grond van artikel 25, 28 of 80 ertoe leidt dat niet kan worden
vastgesteld of nog recht op uitkering bestaat.
-2. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig, zijn kan het Landelijk
instituut sociale verzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van
herziening of intrekking af te zien.
Art. 36b.
-1. De intrekking of
verlaging van een arbeidsongeschiktheidsuitkering die voortvloeit uit het
door de werkgever ingesteld bezwaar of beroep vindt niet eerder plaats
dan zes weken na de dag waarop de beslissing op bezwaar is bekendgemaakt
of de uitspraak is gedaan. De eerste zin is van overeenkomstige toepassing in geval van intrekking van het bezwaar of
beroep omdat het Landelijk instituut sociale
verzekeringen geheel of gedeeltelijk is tegemoet
gekomen aan het bezwaar of beroep van de werkgever.
-2. Het eerste lid geldt niet indien de uitkering door eigen schuld of toedoen van de werknemer
ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.
Art. 37.
-1. Ter zake van toeneming
van arbeidsongeschiktheid vindt herziening van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid
van minder dan 45%, onverminderd de artikelen 39 en 39a, plaats zodra de
toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken 52 weken heeft geduurd.
-2. De in het eerste lid
bedoelde herziening vindt niet plaats indien de uitkeringsgerechtigde bij
het intreden van de arbeidsongeschiktheid uitsluitend verzekerd is
op grond van artikel 7b, dan wel artikel 7b
en artikel 7a, onderdeel
a,
en de toeneming kennelijk is voortgekomen uit een andere oorzaak dan die
waaruit de ongeschiktheid ter zake waarvan de arbeidsongeschiktheidsuitkering
wordt ontvangen, is voortgekomen.
-3. Voor het bepalen van
het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het eerste lid, worden perioden van
toegenomen arbeidsongeschiktheid samengeteld indien zij elkaar met een
onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
Art. 38.
-1. Ter zake van toeneming
van arbeidsongeschiktheid vindt herziening van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid
van ten minste 45%,
onverminderd artikel 39, plaats zodra de toegenomen
arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd.
-2. Indien de
arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van
ten minste 45%, doch minder dan 80%, wegens afneming van de
arbeidsongeschiktheid is herzien naar een arbeidsongeschiktheid van
minder dan 45%, doch binnen vier weken na de dag met ingang
waarvan die uitkering is herzien de arbeidsongeschiktheid weer toeneemt, is het
eerste lid van toepassing, onder afwijking van artikel 37.
-3. Voor het bepalen van
het tijdvak van vier weken, bedoeld in het eerste lid, worden
perioden van toegenomen arbeidsongeschiktheid samengeteld indien zij
elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
Art. 39.
-1. Ter zake van toeneming
van de arbeidsongeschiktheid vindt herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats zodra
de toeneming van de
arbeidsongeschiktheid intreedt, indien deze intreedt:
a. binnen vier weken na
de dag met ingang van welke de arbeidsongeschiktheidsuitkering
werd toegekend;
b. binnen vier weken na
de dag met ingang van welke de arbeidsongeschiktheidsuitkering
reeds eerder wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid
werd herzien;
c. binnen vier weken na
de dag met ingang van welke de arbeidsongeschiktheidsuitkering,
welke voordien was berekend naar een arbeidsongeschiktheid van
80% of meer, wegens afneming van de arbeidsongeschiktheid is
herzien naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%;
d. binnen een door Onze Minister
aan te geven termijn in door Onze Minister aan te wijzen
gevallen.
-2. Indien de
arbeidsongeschiktheidsuitkering werd toegekend, onderscheidenlijk eerder
wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid werd herzien, met
toepassing van artikel 35, tweede lid, onderscheidenlijk
artikel 42, tweede lid,
geldt met betrekking tot het bepaalde in het vorige lid, onderdeel a en
b, als
dag met ingang van welke de arbeidsongeschiktheidsuitkering werd toegekend
onderscheidenlijk herzien de dag met ingang van welke die
uitkering zou zijn toegekend onderscheidenlijk herzien indien artikel
35, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 42, tweede lid, geen toepassing zou
hebben gevonden.
-3. Onze Minister is
bevoegd regels te stellen voor gevallen waarbij direct herziening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering plaatsvindt. Ingevolge deze regels kan
bedoelde herziening slechts plaatsvinden ten behoeve van degene die
bij hervatting van de arbeid inkomsten uit arbeid geniet die minder bedragen dan evenredig is aan zijn nog bestaande
arbeidsgeschiktheid.
Art. 39a.
-1. Ter zake van toeneming
van de arbeidsongeschiktheid die intreedt binnen vijf jaar na de
datum van toekenning of herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
en die voortkomt uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid
ter zake waarvan uitkering wordt genoten, vindt herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds
plaats zodra de
toegenomen
arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd.
-2. Voor het bepalen van
de periode van vier weken, bedoeld in het eerste lid, worden
perioden van toegenomen arbeidsongeschiktheid samengeteld indien zij
elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
-3. Dit artikel vindt geen toepassing indien recht bestaat op herziening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 38 of
39, eerste lid, onderdeel a tot en met c.
Art. 40.
-1. Indien ter zake van
toeneming van de arbeidsongeschiktheid herziening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering alsmede toekenning van ziekengeld krachtens
de Ziektewet heeft plaatsgevonden dan wel loondoorbetaling heeft
plaatsgevonden op grond van artikel 629, eerste lid, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek of betaling van bezoldiging op grond van artikel
XV,
tweede lid, van de Wet terugdringing ziekteverzuim, wordt met ingang van de
dag na beëindiging van het ziekengeld op grond van artikel
29, vijfde
lid, van de Ziektewet dan wel na afloop van het in artikel 629, eerste lid,
van Boek 7 van
het Burgerlijk Wetboek of in artikel
XV, tweede lid, van de
Wet terugdringing ziekteverzuim bedoelde tijdvak het dagloon opnieuw
vastgesteld overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens artikel
14,
mits dat leidt tot een hoger dagloon dan het dagloon dat voor de berekening
van de laatstelijk ontvangen loondervingsuitkering of vervolguitkering in
aanmerking werd genomen.
-2. Voor de toepassing van
het bepaalde in het vorige lid wordt in artikel 14, eerste lid, in plaats
van de woorden "ware hij niet arbeidsongeschikt" gelezen:
"ware zijn
arbeidsongeschiktheid niet toegenomen" en voorts in plaats van de woorden
"gerekend naar het loonpeil op de dag van ingang van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering" gelezen: "gerekend naar het
loonpeil op de dag met
ingang waarvan op grond van het bepaalde in artikel 40, eerste lid,
hernieuwde vaststelling van een dagloon plaatsvindt".
-3. In geval van herziening
van een arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met toegenomen arbeidsongeschiktheid tijdens het ontvangen
van een vervolguitkering
wordt, met inachtneming van de tweede tot en met vierde volzin van dit
lid, met ingang van de dag waarop het recht op die herziening bestaat,
een loondervingsuitkering toegekend. Voor de duur van die
loondervingsuitkering is, in afwijking van artikel 21a, de leeftijd van de
betrokkene op de dag van ingang van de herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
bepalend. Toekenning van een loondervingsuitkering is
slechts mogelijk indien de betrokkene bij de toeneming van de
arbeidsongeschiktheid ter zake van het verrichten van werkzaamheden op grond
van deze wet verzekerd was en de duur van die uitkering langer is dan
de duur van de loondervingsuitkering waarop recht bestond
onmiddellijk voorafgaande aan de datum van ingang van de vervolguitkering. De
duur van de toe te kennen loondervingsuitkering wordt verminderd met de
duur van de laatstelijk ontvangen loondervingsuitkering. Tijdens de duur van die
loondervingsuitkering bestaat geen recht op
vervolguitkering.
-4. Na afloop van de in
het derde lid bedoelde loondervingsuitkering geldt voor de berekening
van het vervolgdagloon, in afwijking van artikel 21b, derde lid, een
percentage van tweemaal het aantal verstreken jaren tussen het 15de jaar en de
leeftijd van de betrokkene op de dag van ingang van de herziening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-5. Bij ministeriële
regeling kunnen met betrekking tot dit artikel nadere en zo nodig afwijkende
regels worden gesteld.
Art. 41.
-1. Verhoging van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering vindt op aanvraag of ambtshalve plaats.
-2. Verhoging van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering ter zake van toeneming van de
arbeidsongeschiktheid vindt in elk geval ambtshalve plaats indien de
betrokkene aansluitend aan de uitkering van ziekengeld krachtens de Ziektewet
dan wel na afloop van het in artikel 629, eerste lid, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek of in artikel XV, tweede lid, van de
Wet terugdringing
ziekteverzuim bedoelde tijdvak van 52 weken in aanmerking komt voor een
hogere arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Art. 42.
-1. De herziening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering gaat in op de dag met ingang van welke
de belanghebbende ingevolge het bij of krachtens deze wet
bepaalde voor een hogere of lagere uitkering in aanmerking komt.
-2. Met betrekking tot de
herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering welke een verhoging van
die uitkering tot gevolg heeft, is het bepaalde in artikel
35,
tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
-3. De herziening van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering ter zake van afneming van de arbeidsongeschiktheid gaat in op de
dag welke in de
beschikking wordt genoemd
als de dag waarop de arbeidsongeschiktheid was afgenomen.
-4. Indien herziening van
de arbeidsongeschiktheidsuitkering verband houdt met een voltooide
scholing of opleiding, gaat deze herziening niet eerder in dan één jaar
na voltooiing van die scholing of opleiding. Indien de belanghebbende eerder
inkomsten uit arbeid verwerft, is artikel 44, eerste lid, tot uiterlijk
het einde van dat jaar van overeenkomstige toepassing.
Art. 43.
-1. De
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ingetrokken wanneer de arbeidsongeschiktheid is
geëindigd of beneden 15% is gedaald.
-2. De intrekking van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering gaat in op de dag welke in de
beschikking wordt genoemd als de dag waarop de arbeidsongeschiktheid was
geëindigd of beneden 15% was gedaald.
-3. Indien intrekking van
de arbeidsongeschiktheidsuitkering verband houdt met een voltooide
opleiding of scholing, is artikel 42, vierde lid, van overeenkomstige
toepassing.
-4. De
arbeidsongeschiktheidsuitkering van degene die deelneemt aan een opleiding of
scholing wordt gedurende deze opleiding of scholing niet ingetrokken of
herzien in verband met een daaruit voortvloeiende afname van de
arbeidsongeschiktheid, tenzij artikel 21, vierde lid, van toepassing is. Indien de
belanghebbende tijdens de opleiding of scholing inkomsten uit arbeid
verwerft, is artikel 44, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.
Art. 43a.
-1. Indien degene:
a. wiens
arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens afneming van arbeidsongeschiktheid op
grond van artikel 43, eerste lid, is ingetrokken; of
b. die aan het einde van
de in artikel 19, eerste lid, bedoelde wachttijd ongeschikt was tot het
verrichten van zijn arbeid wegens ziekte of gebreken, maar geen recht
had op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering omdat hij niet
arbeidsongeschikt was;
binnen vijf jaar na de datum van die intrekking
dan wel binnen vijf jaar na het bereiken van het einde van die wachttijd
arbeidsongeschikt wordt en deze arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde
oorzaak als die waaruit de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de ingetrokken uitkering werd
genoten dan wel als die
op grond waarvan hij ongeschikt was tot het verrichten van zijn
arbeid wegens ziekte of gebreken, vindt toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds
plaats zodra die
arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd.
-2. Voor het bepalen van
de periode van vier weken, bedoeld in het eerste lid, worden
perioden van arbeidsongeschiktheid samengeteld indien zij elkaar met een
onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
-3. In de gevallen waarin
artikel 20 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen onderscheidenlijk
artikel 19 van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten geen toepassing vindt omdat artikel 29b
van de Ziektewet toepassing kan vinden, wordt het aan de arbeidsongeschiktheidsuitkering ten grondslag te leggen dagloon
niet lager gesteld dan 108/100-maal de grondslag die voor de berekening van de laatstelijk
ontvangen arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen onderscheidenlijk de
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten in aanmerking werd genomen,
dan wel 108/100-maal de grondslag die in aanmerking zou zijn genomen indien na het einde van de wachttijd, bedoeld in artikel
6, eerste lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen
onderscheidenlijk artikel 6, eerste lid, van de
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten, recht zou hebben bestaan op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van een
laatstbedoelde wet, zoals
die sinds de beëindiging van die uitkering onderscheidenlijk sinds
het einde van die wachttijd op grond van artikel 7 van de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen onderscheidenlijk
artikel 7 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten zou
zijn herzien.
-4. Dit artikel vindt geen
toepassing, indien:
a. op grond van artikel
47 aanspraak bestaat op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering;
of
b. artikel 29b
van de Ziektewet toepassing kan vinden, tenzij de toe te kennen
arbeidsongeschiktheidsuitkering het ziekengeld overtreft.
Art. 43b.
In de gevallen waarin
artikel 43a toepassing vindt, alsmede in de gevallen waarin dat
artikel niet van toepassing is omdat artikel 29b
van de Ziektewet toepassing kan
vinden, wordt het aan de toe te kennen arbeidsongeschiktheidsuitkering
ten grondslag te leggen dagloon niet lager gesteld dan het
dagloon dat voor de berekening van de laatstelijk ontvangen
loondervingsuitkering in aanmerking werd genomen, dan wel het dagloon dat in
aanmerking zou zijn genomen indien na het einde van de in artikel
19, eerste
lid, bedoelde wachttijd recht zou hebben bestaan op een
loondervingsuitkering zoals dat sinds de beëindiging van de uitkering
onderscheidenlijk sinds het einde van die wachttijd op grond van artikel 15 zou zijn
herzien.
Art. 43c.
De
arbeidsongeschiktheidsuitkering, onderscheidenlijk de verhoging van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering in geval van herziening van die uitkering op grond van de
artikelen 37, 38, 39 en 39a, wordt niet uitbetaald gedurende het verlengde
tijdvak waarin recht bestaat op loon op grond van artikel 629, eerste
lid, tweede volzin, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel op
bezoldiging op grond van artikel XV, tweede lid, vierde zin, van de
Wet
terugdringing ziekteverzuim.
Art. 44.
-1. Indien degene die
recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering inkomsten uit arbeid
geniet, wordt, zolang niet vaststaat of deze arbeid als arbeid,
bedoeld in artikel 18, vijfde lid, kan worden aangemerkt, de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet ingetrokken of herzien, doch
wordt die uitkering:
a. niet uitbetaald indien
de inkomsten uit arbeid zodanig zijn dat als die arbeid wel de in artikel
18, vijfde lid, bedoelde arbeid zou zijn, niet langer sprake zou zijn van een
arbeidsongeschiktheid van ten minste 15%; of
b. indien het bepaalde
onder a niet van toepassing is, uitbetaald tot een bedrag ter grootte van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering zoals deze zou zijn vastgesteld indien
die arbeid wel de in artikel 18, vijfde lid, bedoelde arbeid zou zijn.
-2. De toepassing van het
bepaalde in het eerste lid vindt ten hoogste plaats over een
aaneengesloten termijn van drie jaren, aanvangende op de eerste dag waarover de
inkomsten uit arbeid, bedoeld in dat lid, worden genoten. Deze termijn wordt geacht
niet te zijn onderbroken indien gedurende perioden van korter dan
vier weken geen inkomsten uit arbeid worden genoten. Na afloop van de
in de eerste volzin genoemde termijn wordt de in het eerste lid
bedoelde arbeid aangemerkt als arbeid, bedoeld in artikel
18, vijfde lid.
-3. Indien degene die
recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering inkomsten uit arbeid
geniet die bestaan uit loon ingevolge een arbeidsovereenkomst als
bedoeld in de hoofdstukken 2 en 3 van de
Wet sociale werkvoorziening,
vindt het tweede lid geen toepassing.
-4. Na afloop van een
kalenderkwartaal wordt het gezamenlijke bedrag van de
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die op grond van het derde lid
niet zijn uitbetaald
wegens het genieten van het loon, bedoeld in het derde lid, alsmede van de
dientengevolge niet-uitbetaalde vakantie-uitkeringen, vermeerderd met het
bedrag aan premies dat het Landelijk instituut sociale
verzekeringen bij uitbetaling daarover op grond van enige wet verschuldigd zou zijn
en dat niet op de uitkeringen in mindering kan worden gebracht, aan ’s
Rijks kas afgedragen.
-5. Onze Minister
kan
bepalen dat het tweede lid geen toepassing vindt ten aanzien van bepaalde
groepen personen.
-6. Onze Minister kan met
betrekking tot dit artikel nadere, en voor bijzondere gevallen, zo nodig afwijkende regels stellen.
[Art. 44a. Vervallen,
red.]
Art. 45.
Vervallen.
Art. 46.
Indien degene die recht
heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering door zijn werkgever zonder
deugdelijke grond niet in de gelegenheid wordt gesteld hem passende
arbeid te verrichten, is deze werkgever aan het Landelijk instituut sociale
verzekeringen een bedrag verschuldigd gelijk aan het loon dat
betrokkene zou hebben ontvangen, vermeerderd met de daarover door de
werkgever verschuldigde premies, indien hij die arbeid wel had verricht.
[Art.
46a.
Vervallen, red.]
[Art.
46b.
Vervallen, red.]
Art. 47.
-1. Degene wiens
arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van
ten minste 45%, in verband met het bepaalde in artikel 43 is
ingetrokken, heeft, indien hij binnen vier weken na de dag met ingang van welke de
uitkering is ingetrokken weer arbeidsongeschikt wordt, aanspraak op
heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-2. Het bepaalde in het
vorige lid is mede van toepassing met betrekking tot degene wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van
minder dan 45%, in verband met het bepaalde in artikel 43 is
ingetrokken, indien hij weer arbeidsongeschikt wordt binnen vier weken na de
dag
met ingang van welke die uitkering, welke voordien was berekend
naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 45%, wegens afneming van
de arbeidsongeschiktheid is herzien naar een arbeidsongeschiktheid van
minder dan 45%.
-3. Degene wiens
arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van
minder dan 45%, in verband met het bepaalde in artikel 43 is
ingetrokken met ingang van een dag die gelegen is binnen vier weken na de
dag met
ingang waarvan die uitkering werd toegekend of wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid werd herzien, heeft, indien
hij binnen die periode
van vier weken weer arbeidsongeschikt wordt, aanspraak op heropening
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Artikel 39, tweede lid, is van
overeenkomstige toepassing.
-4. Degene wiens
arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van
minder dan 45%, in verband met het bepaalde in artikel 43 is
ingetrokken, heeft, onverminderd het bepaalde in het tweede en derde lid,
indien hij binnen vier weken na de dag met ingang van welke de uitkering is
ingetrokken weer arbeidsongeschikt wordt, niet kennelijk uit een andere
oorzaak dan die waaruit de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de
ingetrokken uitkering werd genoten, is voortgekomen, aanspraak
op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-5. De heropening gaat in
op de dag met ingang van welke de betrokkene weer
arbeidsongeschikt is geworden en vindt plaats naar de mate van
arbeidsongeschiktheid op die dag.
-6. De artikelen 17, derde
lid, 19, vierde lid, en 35, tweede lid, zijn van overeenkomstige
toepassing.
-7. De
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt op aanvraag of ambtshalve heropend.
Art. 48.
-1. De
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt heropend door het Landelijk instituut sociale
verzekeringen. Werkzaamheden als bedoeld in artikel
41 van de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 worden verricht door de uitvoeringsinstelling
die deze werkzaamheden met betrekking tot de
ingetrokken uitkering verrichtte.
-2. De heropende
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt beschouwd als een voortzetting van de
ingetrokken uitkering. Voor de toepassing van de artikelen
38, derde lid, 39, eerste lid, onderdeel c, en
39a wordt daarbij met herziening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens afneming van de
arbeidsongeschiktheid gelijkgesteld intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-3. Voor de berekening van
de heropende arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt als dagloon of vervolgdagloon beschouwd het dagloon of
vervolgdagloon waarnaar
de ingetrokken uitkering op de dag van ingang van de heropende
uitkering zou zijn berekend indien de uitkering niet was ingetrokken, tenzij
hernieuwde vaststelling van een dagloon overeenkomstig het bepaalde bij of
krachtens artikel 14 en met inachtneming van artikel 15 tot een hoger
dagloon of vervolgdagloon leidt, in welk geval de heropende uitkering aan
de hand van dit dagloon of vervolgdagloon wordt berekend.
Art. 49.
-1. De
arbeidsongeschiktheidsuitkering neemt een einde met ingang van de eerste dag van de
maand waarin de betrokkene de leeftijd van 65 jaar bereikt.
-2. Toekenning of
heropening van arbeidsongeschiktheidsuitkering vindt niet plaats indien de
uitkering onderscheidenlijk de heropening zou ingaan op of na de in het
eerste lid bedoelde dag.
Art. 50.
-1. De
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt betaalbaar gesteld door het Landelijk instituut sociale
verzekeringen. De betaling geschiedt als regel in termijnen van
niet langer dan één maand.
-2. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen kan een uitkering als bedoeld in het eerste
lid over een door hem te bepalen tijdvak bij wege van voorschot betaalbaar
stellen indien onzekerheid bestaat over het recht op of de hoogte van
de uitkering of de hoogte van het te betalen bedrag aan uitkering. Een
verleend voorschot wordt verrekend met het definitief vastgestelde
bedrag aan uitkering dat over het desbetreffende tijdvak wordt betaald.
-3. Onverminderd het
tweede lid schort het Landelijk instituut sociale verzekeringen de betaling
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op of schorst het de betaling,
indien het op grond van duidelijke aanwijzingen van oordeel is of het
gegronde vermoeden heeft dat:
a. het recht op uitkering
niet of niet meer bestaat;
b. recht op een lagere
uitkering bestaat;
c. degene aan wie een
arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend of zijn wettelijke
vertegenwoordiger een verplichting als bedoeld in artikel
25, 28 of 80 niet of niet
behoorlijk is nagekomen.
-4. Ingeval de
arbeidsongeschiktheidsuitkering in het buitenland wordt uitbetaald, worden de
daaraan verbonden kosten van overmaking op de uitkering in mindering
gebracht.
-5. Wanneer degene aan
wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend een ander
machtigt om de uitkering in ontvangst te nemen, onderscheidenlijk een
verleende machtiging intrekt, wordt daaraan gevolg gegeven met ingang van
een betalingstermijn aanvangende na de dag waarop de machtiging
wordt ingediend, onderscheidenlijk waarop van haar intrekking
mededeling wordt gedaan, doch niet later dan de eerste dag van de tweede maand
na de dag van indiening onderscheidenlijk intrekking der
machtiging.
-6. Onze Minister
kan
regelen vaststellen inzake de betaalbaarstelling van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering door organen welke belast zijn met de uitbetaling van
invaliditeitsuitkering of van pensioen uit anderen hoofde dan ingevolge deze
wet.
-7. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen is bevoegd om, onder door hem te stellen
voorwaarden, op verzoek van de in het vorige lid bedoelde organen,
gelijktijdig met de arbeidsongeschiktheidsuitkering, invaliditeitsuitkeringen
of pensioenen, verschuldigd door die organen, betaalbaar te stellen.
-8. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen stelt regels omtrent de betaalbaarstelling van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering in gevallen waarin de werknemer recht
heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering over een periode waarover
hij tevens een uitkering op grond van de Werkloosheidswet
ontvangt.
Art. 50a.
-1. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen schort de betaling van een uitkering ingevolge
deze wet op indien degene aan wie uitkering is toegekend een vreemdeling
is die niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt als bedoeld in
artikel 1b van de Vreemdelingenwet.
-2. De betaling van een
uitkering ingevolge deze wet wordt hervat indien betrokkene daartoe een
aanvraag indient en het het Landelijk instituut sociale verzekeringen is
gebleken dat hij feitelijk buiten Nederland woont of verblijf houdt.
Art. 51.
Voor zover betreft het in
ontvangst nemen van een uitkering ingevolge deze wet en het verlenen
van kwijting voor de betaling daarvan, wordt een minderjarige met een
meerderjarige gelijkgesteld. Indien de wettelijke vertegenwoordiger zich
tegen de betaling aan de minderjarige schriftelijk verzet bij het Landelijk instituut sociale
verzekeringen, geschiedt de uitbetaling aan de
wettelijke vertegenwoordiger.
Art. 52.
Vervallen.
Art. 53.
-1. Na het overlijden van degene aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, wordt met
ingang van de dag na het overlijden de arbeidsongeschiktheidsuitkering
in de vorm van een overlijdensuitkering uitbetaald:
a. aan de langstlevende
van de echtgenoten;
b. bij ontstentenis van
de in onderdeel a bedoelde persoon, aan de minderjarige kinderen tot
wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond;
c. bij ontstentenis van
de in de onderdelen a en b bedoelde personen, aan degenen ten aanzien
van wie de overledene grotendeels in de kosten van het bestaan voorzag
en met wie hij in gezinsverband leefde.
-2. Met degene aan wie een
arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, wordt voor de
toepassing van dit artikel gelijkgesteld degene wiens overlijden heeft
plaatsgevonden in de maand waarin hij de leeftijd van 65 jaar zou hebben
bereikt doch vóór het bereiken van deze leeftijd is overleden en die
uitsluitend ingevolge artikel 49 over de dag van zijn overlijden geen recht op
een arbeidsongeschiktheidsuitkering had.
-3. De
overlijdensuitkering is gelijk aan het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
over één maand, doch niet over de zaterdagen en zondagen,
berekend naar de hoogte van die uitkering op de dag of laatstelijk vóór
de dag van overlijden van degene aan wie die arbeidsongeschiktheidsuitkering
is toegekend.
-4. In verband met het
overlijden van degene aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering
is toegekend, is artikel 49, eerste lid, niet van toepassing.
-5. De
overlijdensuitkering wordt op verzoek aan de rechthebbende of rechthebbenden, genoemd in
het eerste lid, door het Landelijk instituut sociale
verzekeringen uitbetaald.
-6. De
overlijdensuitkering wordt in een bedrag ineens uitbetaald.
-7. Het bedrag van de
overlijdensuitkering wordt verminderd met het bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkering
dat over na het overlijden
gelegen dagen reeds is
uitbetaald.
Art. 54.
-1. Indien degene aan wie
een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, ingevolge het
bepaalde bij of krachtens artikel 6, derde lid, van de
Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten een bijdrage verschuldigd is in de kosten van een
verstrekking als bedoeld in de artikelen 6 en
11 van die wet of een vergoeding als
bedoeld in de artikelen 11 en 12 van
die wet, is het Landelijk instituut sociale
verzekeringen bevoegd de arbeidsongeschiktheidsuitkering
tot het bedrag van die bijdrage in plaats van aan degene aan wie
de arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, zonder diens
machtiging uit te betalen aan de Ziekenfondsraad.¹
-2. Indien degene aan wie
een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, in een
inrichting ter verpleging van geesteszieken of van zwakzinnigen is opgenomen
en het Landelijk instituut sociale verzekeringen, van de desbetreffende
inrichting of van de gemeente die de opnamekosten betaalt, het
verzoek ontvangt om de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan die inrichting of die
gemeente uit te betalen, is het Landelijk instituut sociale verzekeringen bevoegd dat verzoek zonder
het stellen van andere
voorwaarden in te willigen.
-3. Indien het eerste lid
toepassing vindt, heeft de in het tweede lid bedoelde bevoegdheid
betrekking op het gedeelte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering,
dat niet aan de Ziekenfondsraad wordt uitbetaald.
-4. Op de herziening van
een beschikking op grond van het eerste lid als gevolg van een wijziging
van de verschuldigde bijdrage zijn de artikelen 3:41 en
3:45 van de
Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
1. Tot het moment van
inwerkingtreding van artikel 64 van de
Overgangswet verzorgingshuizen is de volgende tekst van
toepassing: Indien degene aan wie
een arbeidsongeschiktheidsuitkering
is toegekend, ingevolge het bepaalde
bij of krachtens artikel 6, derde lid, van de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten een bijdrage verschuldigd is in de kosten van een
verstrekking als bedoeld in de artikelen 6 en
11 van
die wet of een vergoeding als bedoeld in
de artikelen 11 en 12 van
die wet, dan wel
een bijdrage verschuldigd is ingevolge het bepaalde bij of krachtens artikel 15 van
de Overgangswet verzorgingshuizen, is het Landelijk instituut sociale
verzekeringen bevoegd de arbeidsongeschiktheidsuitkering
tot het bedrag van die bijdrage
in plaats van aan degene aan wie de
arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, zonder
diens machtiging uit te betalen
aan de Ziekenfondsraad.
Art. 55.
Vervallen.
Art. 56.
De termijnen van de arbeidsongeschiktheidsuitkering welke niet zijn ingevorderd binnen twee
jaren na de dag der betaalbaarstelling worden niet meer uitbetaald.
Art. 57.
-1. De uitkering die als
gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 36a
onverschuldigd is
betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het
Landelijk instituut sociale verzekeringen van de belanghebbende
teruggevorderd.
-2. In afwijking van het
eerste lid kan het Landelijk instituut sociale verzekeringen besluiten
van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien, indien de
belanghebbende:
a. gedurende vijf jaar
volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan;
b. gedurende vijf jaar
niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het
achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de
daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking
hebbende kosten, alsnog heeft betaald;
c. gedurende vijf jaar
geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig
moment zal gaan verrichten; of
d. een bedrag
overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in één keer aflost.
-3. De in het tweede lid,
onderdeel a en b, genoemde termijn is drie jaar, indien:
a. het gemiddeld inkomen
van de belanghebbende in die periode de beslagvrije voet, bedoeld
in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, niet te boven is gegaan; en
b. de terugvordering niet
het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de
verplichting, bedoeld in artikel 80.
-4. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn, kan het Landelijk instituut sociale
verzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te
zien.
-5. Het besluit tot
terugvordering vermeldt hetgeen wordt teruggevorderd, de termijn of termijnen
waarbinnen moet worden betaald, alsmede dat het besluit
bij gebreke van tijdige betaling zal worden ten uitvoer gelegd op de
wijze als omschreven in artikel 57a.
-6. Degene van wie wordt
teruggevorderd, is verplicht desgevraagd aan de uitvoeringsinstelling
die ten aanzien van hem werkzaamheden als bedoeld in artikel
41 van
de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 verricht, de inlichtingen
te verstrekken die voor de terugvordering van belang zijn.
-7. In afwijking van het
eerste lid kan het Landelijk instituut sociale verzekeringen, onder
voorwaarden die Onze Minister kan stellen, besluiten van
terugvordering af te zien indien het terug te vorderen bedrag een door Onze
Minister vast te stellen bedrag niet te boven gaat.
Art. 57a.
-1. Het besluit tot
terugvordering levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede
Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
-2. Artikel 29g
is van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat indien het gemiddeld
inkomen van de belanghebbende gedurende drie jaar de beslagvrije
voet, bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, niet te boven is gegaan, het Landelijk instituut sociale
verzekeringen de aflossingsbedragen lager vaststelt.
Art. 57b.
-1. Bij ministeriële
regeling kunnen met betrekking tot artikel 57, tweede en derde lid, nadere
regels worden gesteld.
-2. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen stelt regels met betrekking tot de
artikelen 57, eerste, vierde, vijfde en zesde lid, en 57a.
Art. 58.
Vervallen.
Art. 59.
Vervallen.
§ 2a.
Vakantie-uitkering
Art. 59a.
Degene die recht heeft
op arbeidsongeschiktheidsuitkering, heeft recht op een
vakantie-uitkering.
Art. 59b.
-1. De vakantie-uitkering
bedraagt 8 procent van het bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkering
waarop recht bestond in de periode van twaalf maanden
voorafgaande aan de maand mei.
-2. Indien artikel 44 is
toegepast, wordt onder het bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkering
als bedoeld in het eerste lid verstaan het bedrag van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering nadat artikel 44 is toegepast.
-3. De uitbetaling van de
vakantie-uitkering vindt eenmaal per jaar ambtshalve plaats in de
maand mei.
-4. Indien het percentage
van de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15, eerste lid van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, wordt gewijzigd, wordt het
percentage van de in het eerste lid bedoelde vakantie-uitkering,
alsmede de noemer van de in de artikelen 21, tweede lid, en
22 bedoelde breuk
dienovereenkomstig aangepast. Het gewijzigde percentage wordt in
aanmerking genomen over de uitkering waarop recht bestaat over de periode
aanvangende met de dag waarop de wijziging ingaat. Het aldus gewijzigde percentage en de aldus gewijzigde noemer
treden in de plaats van
het in het eerste lid genoemde percentage onderscheidenlijk de in
de artikelen 21, tweede lid en 22 genoemde noemer.
-5. Op de toekenning van
de vakantie-uitkering zijn de artikelen 3:41 en
3:45 van de Algemene wet
bestuursrecht niet van toepassing.
Art. 59c.
Onze Minister kan nadere,
zo nodig van het bepaalde in artikel 59b, eerste lid, afwijkende
regelen stellen ter berekening van de vakantie-uitkering van degene wiens
arbeidsongeschiktheidsuitkering met toepassing van het
bepaalde krachtens artikel 52 niet of niet ten volle wordt uitbetaald en die
naast de uitkering ingevolge de wetgeving van een andere mogendheid
eveneens recht heeft op een vakantie-uitkering ingevolge die wetgeving.
Art. 59d.
Het bepaalde bij of
krachtens de artikelen 50, 53, 54,
56, 57 en 80 vindt overeenkomstige
toepassing ten aanzien van de vakantie-uitkering voor zover bij of
krachtens deze paragraaf niet anders is bepaald.
Art. 59e.
Onze Minister kan met
betrekking tot het bepaalde in deze paragraaf nadere regelen stellen.
Daarbij kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 59b, derde
lid.
HOOFDSTUK
IIA
Garantieregeling
voor oudere arbeidsongeschikten, samenloop, verstrekkingen die
onvervreemdbaar zijn en verstrekkingen die niet vatbaar zijn voor beslag
Art. 60.
Vervallen.
Art. 61.
Indien een persoon die
recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en op of na de dag waarop
hij de leeftijd van 45 jaar heeft bereikt inkomsten uit arbeid in
dienstbetrekking gaat verdienen in verband waarmee zijn
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt beëindigd, binnen vijf jaar na de datum van
werkaanvaarding opnieuw recht heeft op toekenning van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering, wordt het aan die uitkering ten grondslag
te leggen dagloon niet lager gesteld dan het dagloon of vervolgdagloon dat voor de berekening van de laatstelijk ontvangen
loondervingsuitkering of vervolguitkering in aanmerking werd genomen, zoals
dat vanaf
de beëindiging tot aan de datum van de in dit artikel bedoelde
toekenning op grond van artikel 15 van deze wet, al dan niet in verbinding met
artikel 14 van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, zou zijn herzien indien
de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet was beëindigd.
Art. 62.
Vervallen.
Art. 63.
Vervallen.
Art. 64.
Vervallen.
Art.
65.
-1. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ter
voorkoming of beperking van samenloop van arbeidsongeschiktheidsuitkering
met arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van andere wetten.
-2. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld ter voorkoming of
beperking van samenloop van arbeidsongeschiktheidsuitkering met uitkering
op grond van de sociale wetgeving van de Nederlandse Antillen,
Aruba of van een andere mogendheid.
Art. 65a.
-1. De
arbeidsongeschiktheidsuitkering en de vakantie-uitkering op grond van deze wet zijn
onvervreemdbaar en niet vatbaar voor verpanding of belening.
-2. Volmacht tot ontvangst
van een uitkering onder welke vorm of benaming ook verleend, is
steeds herroepelijk.
-3. Elk beding strijdig
met dit artikel is nietig.
Art. 65b.
Niet vatbaar voor beslag
zijn:
a. de verhoging, bedoeld
in artikel 22;
b. de
overlijdensuitkering, bedoeld in artikel 53.
[Art.
65c.
Vervallen,
red.]
[Art.
65d.
Vervallen,
red.]
[Art.
65e.
Vervallen,
red.]
HOOFDSTUK
III
De
uitvoering der verzekering
§ 1.
Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen en de uitvoeringsinstellingen
Art. 66.
-1. De werknemer is
verzekerd bij het Landelijk instituut sociale
verzekeringen.
-2. Behoudens het bepaalde
in de volgende leden worden ten aanzien van de werknemer
werkzaamheden als bedoeld in artikel 41 van de
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 verricht door de
uitvoeringsinstelling die deze werkzaamheden
verricht voor de sector waarbij zijn werkgever is aangesloten
of het sectoronderdeel waartoe zijn werkgever behoort.
-3. Ten aanzien van degene die als werknemer wordt beschouwd ingevolge artikel
7,
onderdeel a, of 7a worden werkzaamheden als bedoeld in artikel
41 van
de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 verricht door de
uitvoeringsinstelling die deze werkzaamheden verricht met betrekking tot de
aldaar bedoelde uitkering.
-4. Ten aanzien van degene die als werknemer wordt beschouwd ingevolge artikel
7, onderdeel b en c, worden werkzaamheden als bedoeld in artikel
41 van
de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 verricht door de door het
Landelijk instituut sociale verzekeringen aan te wijzen
uitvoeringsinstelling.
-5. Indien de werkgever is
aangesloten bij meer dan één sector, worden werkzaamheden als bedoeld
in artikel 41 van de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 ten
aanzien van de werknemer verricht door de uitvoeringsinstelling die
deze werkzaamheden verricht voor de sector waartoe de werkzaamheden
die deze werkgever doet verrichten uitsluitend of in
hoofdzaak behoren.
-6. Indien de
werkzaamheden die de werkgever doet verrichten, behoren tot meer dan één
sectoronderdeel, worden werkzaamheden als bedoeld in artikel
41 van de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 verricht door de uitvoeringsinstelling
die deze werkzaamheden verricht voor het sectoronderdeel waartoe
de werkzaamheden die deze werkgever doet verrichten uitsluitend
of in hoofdzaak behoren.
-7. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld ter aanwijzing van de uitvoeringsinstelling die werkzaamheden als
bedoeld in artikel 41 van
de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 verricht ten aanzien van
een persoon als bedoeld in artikel 17, vierde lid.
Art. 67.
Voor de toepassing van
deze wet gelden aaneensluitende verzekeringen bij het Landelijk instituut sociale
verzekeringen als één verzekering.
Art. 68.
-1. Ongeacht het bepaalde
bij of krachtens artikel 66 worden werkzaamheden als bedoeld in artikel
41 van de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997:
a. indien de werknemer
meer dan één werkgever heeft: uitgevoerd door de uitvoeringsinstelling
die deze werkzaamheden verricht voor de sector waarbij de werkgever is
aangesloten of het sectoronderdeel waartoe de werkgever behoort, die
hem in de laatste maand vóór het intreden van de arbeidsongeschiktheid het
grootste bedrag aan loon heeft uitbetaald;
b. indien artikel 19,
tweede of derde lid, toepassing vindt: uitgevoerd door de
uitvoeringsinstelling die ten aanzien van betrokkene bij de aanvang van de
laatstelijk ingetreden periode van arbeidsongeschiktheid deze werkzaamheden
verrichtte of, indien hij op bedoeld tijdstip niet verzekerd was, door de
uitvoeringsinstelling die ten aanzien van hem vóór dat tijdstip laatstelijk
deze werkzaamheden verrichtte;
c. indien betrokkene
recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of
op grond van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten die is
toegekend met ingang van een dag gelegen vóór de dag waarop hij
recht heeft op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering:
uitgevoerd door de uitvoeringsinstelling die ten aanzien van betrokkene deze werkzaamheden verrichtte met
betrekking tot de
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen of op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten.
-2. Indien betrokkene in
geval van arbeidsongeschiktheid recht heeft op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering en met ingang van
dezelfde dag recht heeft
op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of op grond
van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, worden
de werkzaamheden, bedoeld in artikel 41 van de
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997, uitgevoerd door de uitvoeringsinstelling die
ten aanzien van betrokkene de werkzaamheden verricht met betrekking
tot de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-3. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen kan regels stellen, onder goedkeuring van Onze Minister, waarbij, zo nodig in afwijking van artikel 66 of het eerste lid, een
uitvoeringsinstelling wordt aangewezen die de werkzaamheden als bedoeld
in artikel 41 van de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 verricht met betrekking tot de toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Art. 69.
Ongeacht het bepaalde bij
of krachtens artikel 66 worden werkzaamheden als bedoeld in artikel
41 van de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 met betrekking tot
de herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering
verricht door de uitvoeringsinstelling die deze werkzaamheden
verrichtte met betrekking tot de toekenning van die uitkering.
Art. 70.
Vervallen.
Art. 71.
-1. Indien artikel 68,
eerste lid, onderdeel a, van toepassing is, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering
betaald door het Landelijk instituut sociale
verzekeringen,
ook indien één of meer werkgevers eigenrisicodrager zijn.
-2. In de situatie,
bedoeld in het eerste lid, verhaalt het Landelijk instituut sociale verzekeringen op
de eigenrisicodrager, naar rato van de loonsom en met inachtneming van
het derde lid, de door hem verschuldigde arbeidsongeschiktheidsuitkering,
alsmede de op grond van enige wet over deze uitkering verschuldigde premies die niet op deze uitkering in
mindering kunnen worden
gebracht.
-3. De
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt niet verhaald op de
eigenrisicodrager indien
de werknemer met behoud van hetzelfde loon bij die werkgever arbeid is
blijven verrichten.
-4. Onze Minister
kan
omtrent de betaling en het verhaal regels stellen, zo nodig in afwijking van
dit artikel.
Art.
71a.
-1. De werkgever, bedoeld
in artikel 38, eerste lid, en artikel 38a, derde lid, van de
Ziektewet,
legt, uiterlijk nadat de ongeschiktheid van de werknemer dertien weken
heeft geduurd, aan het Landelijk instituut sociale
verzekeringen een
door hem in overleg met de werknemer opgesteld adequaat
voorlopig of volledig reïntegratieplan over ten behoeve van de
herintreding van de werknemer in het arbeidsproces. Voor het bepalen van het
tijdvak van dertien weken worden tijdvakken van ongeschiktheid tot werken
samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder
dan vier weken opvolgen. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen
stelt regels inzake voorlopige of volledige reïntegratieplannen en
eventueel noodzakelijke vervolgplannen en stelt minimumeisen waaraan
deze plannen moeten voldoen.
-2. In afwijking van de
eerste zin van het eerste lid legt de werkgever van de verzekerde,
bedoeld in artikel 29a van de Ziektewet, het in dat lid bedoelde
reïntegratieplan over uiterlijk nadat de ongeschiktheid van de werknemer dertien weken
heeft geduurd na de beëindiging van het recht op ziekengeld in verband
met bevalling. Voor het bepalen van het tijdvak van dertien weken worden
tijdvakken van ongeschiktheid tot werken samengeteld indien zij
elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
-3. Indien de werkgever de
verplichting, bedoeld in het eerste of tweede lid, of de verplichtingen
op grond van de regels van het Landelijk instituut sociale verzekeringen,
bedoeld in het eerste lid, zonder deugdelijke grond niet of niet behoorlijk
is nagekomen, legt het Landelijk instituut sociale verzekeringen hem een
boete op van ten hoogste ƒ1000,00.
-4. Indien de werkgever
zonder deugdelijke gronden weigert mee te werken aan het opstellen
of uitvoeren van het reïntegratieplan, legt het Landelijk instituut
sociale verzekeringen hem een boete op van ten hoogste ƒ10 000,00.
-5. Indien de werkgever in
gebreke blijft bij het opstellen van het reïntegratieplan, kan
het Landelijk instituut sociale verzekeringen het reïntegratieplan
opstellen. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen kan hiervoor kosten in
rekening brengen.
-6. De artikelen 29a,
derde, vierde en zesde lid, 29b, 29c,
29e, eerste lid, eerste volzin, en tweede
lid, en 29g, eerste, vierde, vijfde, achtste
en negende lid, zijn van
overeenkomstige toepassing.
§ 2.
Arbeidsongeschiktheidsfonds en arbeidsongeschiktheidskas
Art. 72.
Het Landelijk instituut sociale verzekeringen
beheert en administreert afzonderlijk de middelen
tot dekking van de uitgaven, bedoeld in artikel 76, eerste lid, alsmede
de middelen benodigd voor het vormen en in stand houden van een reserve,
in de vorm van een Arbeidsongeschiktheidsfonds dat deel uitmaakt van het
Landelijk instituut sociale verzekeringen.
[Art. 72a.
Vervallen, red.]
Art. 73.
Het Landelijk instituut sociale verzekeringen
beheert en administreert afzonderlijk de middelen
tot dekking van de uitgaven, bedoeld in artikel 76, tweede lid, alsmede
de middelen benodigd voor het vormen en in stand houden van een
reserve, in de vorm van een Arbeidsongeschiktheidskas
die deel uitmaakt van het Landelijk instituut sociale verzekeringen.
[Art. 73a. Vervallen,
red.]
Art. 74.
Vervallen.
HOOFDSTUK
IIIA
Eigen
risico dragen door de werkgever
Art. 75.
-1. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen verleent aan een werkgever op aanvraag
toestemming om het risico van betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
zelf te dragen indien de werkgever een schriftelijke garantie overlegt waaruit blijkt dat een kredietinstelling of een verzekeraar zich
jegens het Landelijk instituut sociale verzekeringen verplicht, op het eerste
verzoek van het Landelijk instituut sociale verzekeringen waarbij het
Landelijk instituut sociale verzekeringen schriftelijk meedeelt dat
de verplichtingen die voortvloeien uit het zelf dragen van het risico
niet worden nagekomen, die verplichtingen na te komen. De overheidswerkgever, bedoeld in
artikel 1, onderdeel
k, van de Wet overheidspersoneel
onder de werknemersverzekeringen, voor zover door Onze Minister
in
overeenstemming met Onze Minister van Financiën aangewezen, is ontheven
van de verplichting tot het overleggen van een schriftelijke garantie, bedoeld in de eerste zin. De toestemming wordt niet
verleend gedurende drie
jaren nadat het door de werkgever zelf dragen van het in de eerste zin
bedoelde risico is beëindigd.
-2. Onder een
kredietinstelling als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan een op grond van
artikel 52, tweede lid, van de Wet
toezicht kredietwezen 1992 geregistreerde kredietinstelling.
-3. Onder een verzekeraar
als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan een verzekeraar:
1º. die in het bezit is
van de op grond van artikel 24, eerste lid, van de Wet
toezicht verzekeringsbedrijf 1993 vereiste vergunning of heeft voldaan aan de op grond
van de artikelen 37 of 38 van die
wet vereiste procedure met betrekking
tot een bijkantoor in Nederland; of
2º. die heeft voldaan
aan de vereiste procedure, bedoeld in de artikelen 111, eerste lid,
onderdeel a tot en met c, of tweede lid, 113, eerste of vierde lid, 116, eerste
lid, onderdeel a tot en met c, of derde lid, of 118, tweede of vijfde
lid, van de Wet
toezicht verzekeringsbedrijf 1993 indien het de aldaar
bedoelde dienstverrichting naar Nederland betreft.
-4. De schriftelijke
garantie, bedoeld in het eerste lid, wordt voor onbepaalde tijd
afgegeven, strekt zich uit tot rechtsopvolgers onder algemene titel van de
eigenrisicodrager en tot het risico dat overgaat op de verkrijgende
werkgever, bedoeld in artikel 75b, vierde en zesde lid, en bepaalt dat de
desbetreffende kredietinstelling of verzekeraar de garantie kan beëindigen door
schriftelijke opzegging bij het Landelijk instituut sociale verzekeringen.
-5. De schriftelijke
garantie, bedoeld in het eerste lid, strekt zich niet uit tot:
a.
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen ter zake van arbeidsongeschiktheid die is ontstaan door een
omstandigheid als bedoeld in artikel 64, tweede lid,
van de Wet
toezicht verzekeringsbedrijf 1993 of door een kernongeval als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet
aansprakelijkheid kernongevallen;
b. de boete, bedoeld in
artikel 75e, vijfde lid.
-6. De toestemming,
bedoeld in het eerste lid, wordt verleend met ingang van 1 januari of 1
juli van enig jaar, mits de aanvraag ten minste dertien weken vóór de
desbetreffende datum is ingediend. Aan een startende werkgever wordt
op zijn verzoek toestemming verleend met ingang van het tijdstip
waarop deze start.
-7. Het door de werkgever
zelf dragen van het risico, bedoeld in het eerste lid:
a. eindigt met ingang van
de dag waarop de schriftelijke garantie, bedoeld in het eerste
lid, eindigt, onderscheidenlijk met ingang van de dag waarop de
eigenrisicodrager in staat van faillissement is verklaard of ten aanzien van hem de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard
dan wel de dag waarop hij ophoudt werkgever te zijn;
b. wordt door het
Landelijk instituut sociale verzekeringen op 1 januari of 1 juli van enig jaar
beëindigd op aanvraag van de werkgever, mits deze aanvraag ten minste
dertien weken vóór de desbetreffende datum is ingediend;
c. kan door het Landelijk
instituut sociale verzekeringen zonder aanvraag van de werkgever
met onmiddellijke ingang worden beëindigd indien de rechtbank de
noodregeling, bedoeld in hoofdstuk IX van de Wet
toezicht verzekeringsbedrijf 1993, onderscheidenlijk de bijzondere voorziening als bedoeld
in hoofdstuk X van de Wet
toezicht kredietwezen 1992 heeft uitgesproken
over de betrokken verzekeraar onderscheidenlijk kredietinstelling.
Art. 75a.
-1. De eigenrisicodrager
draagt gedurende de periode van vijf jaar nadat de
arbeidsongeschiktheidsuitkering is ingegaan het risico van de betaling van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering die is toegekend:
a. aan de werknemer die
op de eerste dag van de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn
arbeid als bedoeld in artikel 19 van de Ziektewet
tot de eigenrisicodrager in
dienstbetrekking stond en ter zake van die ongeschiktheid de
wachttijd van 52 weken, bedoeld in artikel 19, heeft doorgemaakt;
b. met toepassing van
artikel 43a, eerste lid, onderdeel a, nadat de arbeidsongeschiktheidsuitkering
toegekend aan de werknemer, bedoeld in onderdeel a, is
ingetrokken op grond van artikel 43, eerste lid;
c. met toepassing van
artikel 43a, eerste lid, onderdeel b, aan de werknemer, bedoeld in
onderdeel a, die aan het einde van de wachttijd ongeschikt was tot het
verrichten van zijn arbeid wegens ziekte of gebreken, maar geen recht
had op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering
omdat hij niet arbeidsongeschikt was;
d. aan de werknemer,
bedoeld in onderdeel a, ten aanzien van wie op grond van artikel
43a,
vierde lid, onderdeel b, geen toepassing kan worden gegeven aan
artikel 43a, eerste lid, als bedoeld in de onderdelen b en
c.
-2. Indien de
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt toegekend met toepassing van artikel
43a, eerste lid, of aan de werknemer, bedoeld in het eerste lid, onderdeel
d,
vangt de in het eerste lid bedoelde periode van vijf jaar aan na het
verstrijken van de wachttijd van 52 weken, bedoeld in het eerste lid, onderdeel
a.
-3. Het eerste lid is niet
van toepassing indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt toegekend aan een
werknemer die:
a. bij het aangaan van de
dienstbetrekking, bedoeld in het eerste lid, arbeidsgehandicapte was
als bedoeld in artikel 2 van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten;
b. tot de dag waarop de
arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend arbeidsgehandicapte is
gebleven; en
c. een periode van zes
jaar te rekenen vanaf de dag waarop de dienstbetrekking, bedoeld
onder a, is aangegaan niet is verstreken.
De periode van zes jaar,
bedoeld onder c, is niet van toepassing indien de
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt toegekend in aansluiting op een voordien op grond van
de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
toegekende uitkering.
Het eerste lid is evenmin
van toepassing indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering
wordt toegekend aan een vervanger als bedoeld in de Wet
financiering loopbaanonderbreking, indien de verlofganger die hij
vervangt in de verlofperiode arbeidsongeschikt is geworden en ter zake van
die ongeschiktheid recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering
heeft verkregen.
-4. De eigenrisicodrager
betaalt, met inachtneming van artikel 71, de door het
Landelijk instituut sociale verzekeringen toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering
namens het Landelijk instituut sociale verzekeringen aan de
werknemer, bedoeld in het eerste lid. Indien de eigenrisicodrager de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet betaalt, betaalt
het Landelijk instituut
sociale verzekeringen de arbeidsongeschiktheidsuitkering en verhaalt het Landelijk
instituut sociale verzekeringen deze uitkering, alsmede de op
grond van enige wet over deze uitkering verschuldigde premies die
niet op deze uitkering in mindering kunnen worden gebracht, op de
eigenrisicodrager.
-5. Indien de door het
Landelijk instituut sociale verzekeringen toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering
geheel of ten dele niet aan de werknemer, bedoeld in het
eerste lid, wordt betaald wegens het genieten van loon als bedoeld in
artikel 44, derde lid, wordt na afloop van een kalenderkwartaal het
gezamenlijke bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en de niet-uitbetaalde
vakantie-uitkeringen, vermeerderd met het bedrag aan premies
dat de eigenrisicodrager bij wel-uitbetaling daarover op grond van
enige wet verschuldigd zou zijn en dat niet op de uitkeringen in mindering
kan worden gebracht, door de eigenrisicodrager aan ’s Rijks kas
afgedragen.
Art. 75b.
-1. Indien een werkgever
eigenrisicodrager wordt, wordt het risico van de betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan de werknemer,
bedoeld in artikel 75a,
die is ingegaan vóór de dag waarop deze werkgever
eigenrisicodrager wordt, vanaf die dag door de eigenrisicodrager gedragen,
overeenkomstig
artikel 75a.
-2. In geval van overgang
van een onderneming in de zin van artikel 662 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede in geval van een dergelijke overgang bij
faillissement, waarbij de werkgever die de onderneming overdraagt
geen eigenrisicodrager is en de werkgever die de onderneming verkrijgt eigenrisicodrager is of wordt, wordt door de
eigenrisicodrager het in
het derde lid beschreven risico zelf gedragen.
-3. Het tweede lid betreft
het risico van de betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering,
overeenkomstig artikel 75a, die is of wordt toegekend aan de
werknemer die op de eerste dag van de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid in dienstbetrekking
stond tot de werkgever die de
onderneming heeft overgedragen.
-4. Indien de werkgever
wiens onderneming wordt overgenomen als bedoeld in het tweede lid eigenrisicodrager is, gaat het risico van
de betaling van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering, overeenkomstig artikel 75a, die is of wordt
toegekend aan de werknemer die op de eerste dag van de ongeschiktheid tot het
verrichten van zijn arbeid in dienstbetrekking stond tot de werkgever
die de onderneming heeft overgedragen, over op de werkgever die de
onderneming verkrijgt, ook indien hij geen eigenrisicodrager is.
-5. Indien het zelf dragen
van het risico eindigt of wordt beëindigd anders dan als gevolg van
overgang van onderneming van de werkgever, bedoeld in het vierde
lid, blijft de werkgever het risico van de betaling van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering dragen, overeenkomstig artikel 75a, die is of wordt toegekend
aan de werknemer die op de eerste dag van de ongeschiktheid tot het
verrichten van zijn arbeid tot hem in dienstbetrekking stond. Indien de
werkgever in staat van faillissement is verklaard of indien ten aanzien van
hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing
is verklaard dan wel indien hij ophoudt werkgever te zijn,
betaalt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen de in de eerste zin bedoelde
arbeidsongeschiktheidsuitkering en verhaalt het Landelijk instituut
sociale verzekeringen deze uitkering, alsmede de op grond van enige wet over
deze uitkering verschuldigde premies die niet op deze uitkering in mindering kunnen worden gebracht, op de kredietinstelling
of verzekeraar, bedoeld
in artikel 75, eerste lid.
-6. Indien de onderneming
van de werkgever, bedoeld in het vijfde lid, wordt overgenomen als
bedoeld in het tweede lid en de werkgever die de onderneming verkrijgt
geen eigenrisicodrager is, gaan de verplichtingen met betrekking tot de
betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in het vijfde
lid, over op de laatstgenoemde werkgever.
-7. Indien slechts een
deel van een onderneming als bedoeld in het tweede lid overgaat,
vindt het tweede lid toepassing naar rato van het deel van de loonsom dat
het overgegane deel van de onderneming deel uitmaakte van de gehele
onderneming in het kalenderjaar voorafgaande aan dat van overgang,
doch blijft de betaling van een arbeidsongeschiktheidsuitkering
als bedoeld in het derde lid berusten bij het Landelijk instituut
sociale verzekeringen. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen verhaalt op
de eigenrisicodrager de door hem op grond van de eerste zin
verschuldigde arbeidsongeschiktheidsuitkering, alsmede de op grond van enige wet
over deze uitkering verschuldigde premies die niet op deze uitkering in
mindering kunnen worden gebracht.
-8. Indien slechts een
deel van een onderneming als bedoeld in het vierde en zesde lid
overgaat, blijft het risico van de betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering,
bedoeld in het vierde en zesde lid, berusten bij de werkgever
die een deel van de onderneming overdraagt.
Art. 75c.
-1. De eigenrisicodrager
is over het loon van de tot hem in dienstbetrekking staande werknemers de
gedifferentieerde premie, bedoeld in artikel 78, eerste lid,
en over de door hem te betalen arbeidsongeschiktheidsuitkeringen de vervangende premie,
bedoeld in artikel 78, zevende lid, niet verschuldigd.
-2. De startende
werkgever, bedoeld in artikel 75, zesde lid, is in afwachting van de door
het Landelijk instituut sociale verzekeringen
te verlenen toestemming,
bedoeld in artikel 75, eerste lid, over het loon van de tot hem in
dienstbetrekking staande werknemers de gedifferentieerde premie, bedoeld in
artikel 78, eerste lid, niet verschuldigd.
-3. De eigenrisicodrager
die ter dekking van het risico, bedoeld in artikel 75a, eerste lid, een
verzekering heeft afgesloten, mag de door hem ter zake van die verzekering
verschuldigde premie niet verhalen op de werknemer. Elk beding
waarbij van de eerste zin wordt afgeweken, is nietig.
Art. 75d.
-1. De eigenrisicodrager
is niet verplicht tot het doen van de aangifte van ongeschiktheid tot
werken, bedoeld in artikel 38 van de Ziektewet.
-2. De eigenrisicodrager
doet, uiterlijk acht maanden nadat de ongeschiktheid tot werken
van een werknemer voor wie hij het risico, bedoeld in artikel 75a,
eerste lid, draagt, zijn verstreken, aangifte van die ongeschiktheid bij het
Landelijk instituut sociale verzekeringen. De werkgever geeft daarbij
de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken op. Voor het bepalen van
het tijdvak van acht maanden worden tijdvakken van ongeschiktheid tot
werken samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder
dan vier weken opvolgen.
-3. Onverminderd het
tweede lid doet de eigenrisicodrager aangifte van de ongeschiktheid tot
werken van een werknemer voor wie hij het in artikel 75a, eerste lid,
bedoelde risico draagt, op de laatste werkdag voordat de dienstbetrekking eindigt.
Art. 75e.
-1. De eigenrisicodrager
stelt, uiterlijk dertien weken na het ontstaan van de ongeschiktheid tot
werken van de werknemer voor wie hij het risico, bedoeld in artikel 75a,
eerste lid, draagt, een reïntegratieplan op als bedoeld in artikel 71a.
Hij behoeft dit plan niet aan het Landelijk instituut sociale
verzekeringen over te leggen. Artikel 71a, tweede tot en met zesde lid, is ten aanzien van
die werkgever niet van toepassing.
-2. Het reïntegratieplan,
bedoeld in het eerste lid, wordt door het Landelijk instituut
sociale verzekeringen opgesteld:
a. op verzoek van de
eigenrisicodrager; of
b. op verzoek van de
werknemer voor wie het risico, bedoeld in artikel 75a, eerste lid, wordt
gedragen indien de eigenrisicodrager geen reïntegratieplan heeft
opgesteld of een reïntegratieplan heeft opgesteld dat niet aan de op grond
van het vierde lid gestelde minimumeisen voldoet.
-3. Indien de werknemer
voor wie het risico, bedoeld in artikel 75a, eerste lid, wordt
gedragen, weigert mee te werken aan een geneeskundige behandeling of aan zijn
genezing, of aan een voorziening tot behoud, herstel of ter
bevordering van de arbeidsgeschiktheid, of anderszins weigert mee te werken aan
zijn herintreding in het arbeidsproces, kan de werkgever het Landelijk
instituut sociale verzekeringen verzoeken toepassing te geven aan
artikel 21, vierde lid, 24, 25 of
28.
-4. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen stelt minimumeisen ten aanzien van de
begeleiding van de werknemer, bedoeld in artikel 75a, eerste lid, door de
eigenrisicodrager, gericht op het herstel van de arbeidsgeschiktheid,
teneinde de herintreding van die werknemer in het arbeidsproces te
bevorderen.
-5. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen stelt drie jaar nadat de arbeidsongeschiktheidsuitkering
van de werknemer, bedoeld in artikel 75a, eerste lid, is
ingegaan, vast of de werkgever de in het vierde lid bedoelde minimumeisen
heeft nageleefd. Indien de werkgever deze eisen zonder deugdelijke grond
niet of niet naar behoren heeft nageleefd, legt het Landelijk instituut
sociale verzekeringen hem een boete op van ƒ25 000,00. De artikelen 29a, derde, vierde en zesde lid,
29b, 29c, 29e, eerste lid, eerste volzin, en
tweede lid, en 29g, eerste, vijfde, zevende, negende en tiende lid, zijn van
overeenkomstige toepassing.
Art. 75f.
-1. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen brengt bij de eigenrisicodrager de kosten in rekening ter
zake van:
a. de beoordeling van de
aanvraag, bedoeld in artikel 75, eerste lid;
b. de betaling van de
uitkering door het Landelijk instituut sociale verzekeringen en het
verhaal op de eigenrisicodrager, bedoeld in artikel 75a, vierde lid;
c. het opstellen van het
reïntegratieplan, bedoeld in artikel 75e, tweede lid.
-2. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen vergoedt aan de eigenrisicodrager op
aanvraag de schade die deze lijdt door toepassing van artikel 36b, eerste
lid.
-3. Bij ministeriële
regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het eerste
lid.
Art. 75g.
Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen nadere en zo nodig afwijkende regels worden
gesteld met betrekking tot dit hoofdstuk.
HOOFDSTUK
IV
Financiering
§ 1.
Middelen tot
dekking van de uitgaven
Art. 76.
-1. De middelen tot
dekking van de uitgaven ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds,
alsmede de middelen benodigd voor het vormen en in stand houden
van een reserve in het Arbeidsongeschiktheidsfonds, worden verkregen door het heffen van de
in artikel 76a, onderdeel a, bedoelde basispremie.
-2. De middelen tot
dekking van de uitgaven ten laste van de Arbeidsongeschiktheidskas,
alsmede de middelen benodigd voor het vormen en in stand houden
van een reserve in de Arbeidsongeschiktheidskas,
worden verkregen door het heffen van de in artikel 76a, onderdeel
b,
bedoelde gedifferentieerde premie.
Art. 76a.
De premie die door de
werkgever verschuldigd is, bestaat uit:
a. een basispremie,
waarop de artikelen 76b, 77,
77a, 77b, 77c,
77d en 77e van toepassing zijn;
b. een gedifferentieerde premie, waarop de artikelen 76b en 78 van toepassing zijn.
Art. 76b.
-1. De werkgever betaalt
de basispremie en de gedifferentieerde premie aan het Landelijk instituut sociale
verzekeringen.
-2. De werkgever mag de
door hem verschuldigde premie niet verhalen op de werknemer. Elk
beding waarbij van de eerste zin wordt afgeweken, is nietig.
Art. 76c.
Ten gunste van het
Arbeidsongeschiktheidsfonds komen:
a. de gelden die het Landelijk instituut sociale
verzekeringen ontvangt door het heffen van de
basispremie, bedoeld in artikel 77;
b. de gelden die het
Landelijk instituut sociale verzekeringen ontvangt door toepassing van
artikel 29a;
c. de gelden die het
Landelijk instituut sociale verzekeringen ontvangt door toepassing van
artikel 75f, eerste lid;
d. de gelden die het
Landelijk instituut sociale verzekeringen met toepassing van verhaal
als bedoeld in artikel 90 ontvangt in verband met uitkeringen als bedoeld
in artikel 76d, eerste lid, onderdeel a;
e. de gelden die het
Landelijk instituut sociale verzekeringen ontvangt door toepassing van
artikel 57 in verband met uitkeringen als bedoeld in artikel 76d, eerste lid,
onderdeel a;
f. de gelden die het
Landelijk instituut sociale verzekeringen ontvangt door toepassing van
artikel XIV van de Wet afschaffing malus en bevordering
reïntegratie;
g. bij ministeriële
regeling te bepalen baten voor het Landelijk instituut sociale verzekeringen, de
uitvoeringsinstellingen of de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
in verband met de overgang van personeel en vermogensbestanddelen naar de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
voor het verrichten van
werkzaamheden gericht op de bevordering van
inschakeling in de arbeid van arbeidsgehandicapten in de zin van artikel 2 van
de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten.
Art. 76d.
-1. Ten laste van het
Arbeidsongeschiktheidsfonds komen, met inachtneming van artikel 76f:
a. de door het Landelijk instituut sociale
verzekeringen te betalen arbeidsongeschiktheidsuitkeringen,
alsmede de op grond van enige wet over deze uitkeringen
door het Landelijk instituut sociale verzekeringen verschuldigde premies
die niet op deze uitkeringen in mindering kunnen worden gebracht;
b. de kosten die zijn
verbonden aan de uitvoering van deze wet;
c. de gelden die door
toepassing van artikel 79 worden overgeheveld naar de
Arbeidsongeschiktheidskas;
d. de in artikel XIII van
de Wet afschaffing malus en bevordering reïntegratie bedoelde
bonusuitkeringen;
e. de schade, bedoeld in
artikel 75f, tweede lid, die wordt vergoed aan een eigenrisicodrager;
f. het gezamenlijke
bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en de
vakantie-uitkeringen die niet zijn uitbetaald wegens het genieten van loon als bedoeld in
artikel 44, derde lid, en dat op grond van artikel 44, vierde lid, wordt
afgedragen aan ’s Rijks kas, vermeerderd met het bedrag aan premies dat
het Landelijk instituut sociale verzekeringen bij wel-uitbetaling daarover
op grond van enige wet verschuldigd zou zijn en dat niet op de
uitkeringen in mindering kan worden gebracht;
g. het op grond van
artikel 42 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten aan het
Reïntegratiefonds af te dragen bedrag;
h. bij ministeriële
regeling te bepalen kosten in verband met de overgang van personeel en vermogensbestanddelen naar de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie
voor het verrichten van werkzaamheden gericht op de bevordering
van inschakeling in de arbeid van arbeidsgehandicapten in de zin van artikel 2
van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten.
-2. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen bezigt de middelen die zijn gereserveerd ten
behoeve van het Arbeidsongeschiktheidsfonds niet tot bestrijding van
uitgaven ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds dan met toestemming van
Onze Minister.
Art. 76e.
Ten gunste van de
Arbeidsongeschiktheidskas komen:
a. de gelden die het Landelijk instituut sociale
verzekeringen ontvangt door het heffen van de
gedifferentieerde premie, bedoeld in artikel 78, eerste lid, en de
vervangende premie, bedoeld in artikel 78, zevende lid;
b. de gelden die het
Landelijk instituut sociale verzekeringen ontvangt met toepassing van
artikel 57 in verband met uitkeringen als bedoeld in artikel 76f, eerste lid;
c. de gelden die het
Landelijk instituut sociale verzekeringen ontvangt met toepassing van
verhaal als bedoeld in artikel 75a, vierde lid, en
artikel 75b, vijfde lid en
zevende lid;
d. de gelden die het
Landelijk instituut sociale verzekeringen ontvangt door toepassing van
artikel 78a;
e. de gelden die door
toepassing van artikel 79 worden overgeheveld uit het
Arbeidsongeschiktheidsfonds;
f. de gelden die het
Landelijk instituut sociale verzekeringen ontvangt met toepassing van
verhaal als bedoeld in artikel 90 in verband met uitkeringen als bedoeld
in artikel 76f, eerste lid.
Art. 76f.
-1. Ten laste van de
Arbeidsongeschiktheidskas komen gedurende de periode van vijf jaar te
rekenen vanaf de dag waarop een arbeidsongeschiktheidsuitkering
is ingegaan:
a. de door het Landelijk instituut sociale
verzekeringen te betalen arbeidsongeschiktheidsuitkeringen,
alsmede de op grond van enige wet over deze uitkeringen
door het Landelijk instituut sociale verzekeringen verschuldigde premies die
niet op deze uitkeringen in mindering kunnen worden gebracht;
b. het gezamenlijke
bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en de
vakantie-uitkeringen die in de in de aanhef bedoelde periode niet zijn uitbetaald wegens
het genieten van loon als bedoeld in artikel 44, derde lid, en dat op
grond van artikel 44, vierde lid, wordt afgedragen aan ’s Rijks kas,
vermeerderd met het bedrag aan premies dat het Landelijk instituut sociale
verzekeringen bij wel-uitbetaling daarover op grond van enige wet verschuldigd
zou zijn en dat niet op de uitkeringen in mindering kan worden gebracht.
-2. Indien een
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt toegekend met toepassing van artikel
43a, eerste lid, onderdeel a, vangt de in het eerste lid bedoelde periode van
vijf jaar aan op de dag waarop de in artikel 43a, eerste lid, onderdeel
a,
bedoelde ingetrokken arbeidsongeschiktheidsuitkering is ingegaan. De eerste
zin is tevens van toepassing op de arbeidsongeschiktheidsuitkering
die niet is toegekend met toepassing van artikel 43a, eerste lid,
onderdeel a, maar met toepassing van artikel 19, omdat het eerstgenoemde
artikel op grond van artikel 43a, vierde lid, onderdeel b, geen
toepassing kon vinden.
-3. Indien een
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt toegekend met toepassing van artikel 43a, eerste lid, onderdeel b, vangt de in het eerste lid bedoelde periode van
vijf jaar aan na het verstrijken van de in artikel 43, eerste lid, onderdeel
b, bedoelde wachttijd van 52 weken. De eerste zin is tevens van toepassing
op de arbeidsongeschiktheidsuitkering die niet is toegekend met toepassing
van artikel 43a, eerste lid, onderdeel b, maar met toepassing van
artikel 19, omdat het eerstgenoemde artikel op grond van artikel 43a, vierde
lid, onderdeel b, geen toepassing kon vinden.
-4. Het eerste lid is niet
van toepassing, indien:
a. het een
arbeidsongeschiktheidsuitkering betreft die op grond van artikel
71, eerste lid,
door het Landelijk instituut sociale verzekeringen wordt betaald en op grond
van artikel 71, derde lid, niet op een eigenrisicodrager wordt verhaald;
b. het een
arbeidsongeschiktheidsuitkering betreft die op grond van artikel 75a, vierde lid,
door het Landelijk instituut sociale verzekeringen wordt betaald en niet kan
worden verhaald op een kredietinstelling of verzekeraar als bedoeld
in artikel 75; of
c. het een
arbeidsongeschiktheidsuitkering, anders dan bedoeld in het tweede of derde lid,
betreft, toegekend aan een werknemer die:
1º. bij het aangaan van
de dienstbetrekking waaruit de arbeidsongeschiktheid is ontstaan arbeidsgehandicapte was als bedoeld in
artikel 2 van de Wet op
de (re)integratie arbeidsgehandicapten;
2º. tot de dag waarop de
arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend arbeidsgehandicapte is
gebleven; en
3º. een periode van zes
jaar te rekenen vanaf de dag waarop de dienstbetrekking, bedoeld
onder 1º, is aangegaan niet is verstreken.
De periode van zes jaar,
bedoeld onder 3º, is niet van toepassing indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering
wordt toegekend in aansluiting op een voordien op grond van
de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
toegekende uitkering.
Het eerste lid is evenmin
van toepassing indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt toegekend aan een
vervanger als bedoeld in de Wet
financiering loopbaanonderbreking, indien de verlofganger die hij
vervangt in de verlofperiode arbeidsongeschikt is geworden en ter zake van
die ongeschiktheid recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering
heeft verkregen.
-5. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen bezigt de middelen die zijn gereserveerd ten
behoeve van de Arbeidsongeschiktheidskas niet tot bestrijding van uitgaven
ten laste van de Arbeidsongeschiktheidskas dan met toestemming van Onze Minister.
-6. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen nadere en zo nodig afwijkende regels worden
gesteld met betrekking tot dit artikel.
[Art. 76g.
Vervallen, red.]
[Art.
76h.
Vervallen, red.]
§ 2.
De basispremie
Art. 77.
-1. De basispremie wordt
door het Landelijk instituut sociale
verzekeringen geheven in een
overeenkomstig dit artikel vastgesteld percentage van het loon dat, in het
tijdvak waarover de betaling loopt, is genoten door de werknemer.
-2. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen stelt voor de berekening van de basispremie, onder
goedkeuring van Onze Minister, een voor alle takken van bedrijf en
beroep gelijk percentage vast, alsmede de periode waarvoor dit percentage
zal gelden.
-3. Indien Onze Minister
zijn goedkeuring onthoudt aan een door het Landelijk instituut
sociale verzekeringen op grond van het tweede lid vastgesteld percentage of
vastgestelde periode, stelt hij het percentage of de periode vast.
Art. 77a.
-1. Indien een herziening
van het in artikel 77 bedoelde percentage ingaat op een ander
tijdstip dan met ingang van 1 januari, gaat het Landelijk instituut sociale
verzekeringen bij de berekening en de inning van de premie uit van
een, onder goedkeuring van Onze Minister, voor alle takken van bedrijf
en beroep vast te stellen gemiddeld percentage dat zal gelden voor het
gehele kalenderjaar.
-2. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen kan, in afwijking van het eerste lid, in bijzondere
gevallen, onder goedkeuring van Onze Minister, voor één of meer sectoren
uitgaan van de percentages, bedoeld in artikel 77.
Art. 77b.
-1. De basispremie is niet
verschuldigd over het loon van een werknemer die
arbeidsgehandicapte is in de zin van artikel 2 van de
Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten indien de werkgever aantoont dat het totaalbedrag van
de premieplichtige loonsom van de arbeidsgehandicapte werknemers die tot hem in
dienstbetrekking staan in een kalenderjaar en de som
van de aan hen in dat kalenderjaar verstrekte arbeidsongeschiktheidsuitkeringen
ten minste gelijk is aan 5 procent van de premieplichtige
loonsom van de werkgever in dat kalenderjaar.
-2. De basispremie is voor twee derde deel niet verschuldigd over het loon van de
werknemer
die arbeidsgehandicapte is in de zin van artikel 2 van de
Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten indien de werkgever aantoont dat
het totaalbedrag van de premieplichtige loonsom van de
arbeidsgehandicapte werknemers die tot hem in dienstbetrekking staan in een kalenderjaar
en de som van de aan hen in dat kalenderjaar verstrekte
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen ten minste gelijk is aan 4 procent, doch minder
dan 5 procent, van de premieplichtige loonsom van de werkgever in dat
kalenderjaar.
-3. De basispremie is voor een derde deel niet verschuldigd over het loon van de
werknemer die arbeidsgehandicapte is in de zin van
artikel 2 van
de Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten indien de werkgever aantoont dat het
totaalbedrag van de premieplichtige loonsom van de arbeidsgehandicapte werknemers die tot hem in dienstbetrekking staan in
een kalenderjaar en de
som van de aan hen in dat kalenderjaar verstrekte arbeidsongeschiktheidsuitkeringen
ten minste gelijk is aan 3 procent, doch minder dan 4 procent, van de premieplichtige loonsom van de werkgever in dat
kalenderjaar.
-4. Indien het eerste,
tweede of derde lid toepassing vindt, kent het Landelijk instituut sociale
verzekeringen voorts een korting toe op de door de werkgever in het in
dat lid bedoelde kalenderjaar verschuldigde basispremie, die gelijk
is aan een percentage van het premieplichtige loon van de werkgever in dat
kalenderjaar, doch:
a. bij toepassing van het
eerste lid, tot een bedrag dat gelijk is aan een percentage van ten
hoogste vijftienmaal het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer in dat
kalenderjaar;
b. bij toepassing van het
tweede lid, tot een bedrag dat gelijk is aan twee derde deel van een
percentage van ten hoogste vijftienmaal het gemiddelde
premieplichtige loon per werknemer in dat kalenderjaar;
c. bij toepassing van het
derde lid, tot een bedrag dat gelijk is aan een derde deel van een
percentage van ten hoogste vijftienmaal het gemiddelde
premieplichtige loon per werknemer in dat kalenderjaar.
-5. Bij de vaststelling
van het in het vierde lid bedoelde premieplichtige loon van de werkgever
blijft het bedrag aan loon van de arbeidsgehandicapte werknemers, bedoeld in
het eerste, tweede of derde lid, buiten beschouwing.
-6. Onder
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen als bedoeld in het eerste tot en met derde lid
worden verstaan uitkeringen op grond van deze wet, uitkeringen op grond van
de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en
uitkeringen op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten.
Art. 77c.
-1. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen kent aan de werkgever die één of meer
opdrachten verleent aan een bedrijf waar arbeid wordt verricht onder aangepaste
omstandigheden als bedoeld in de Wet sociale
werkvoorziening een
korting toe op de door hem verschuldigde basispremie indien hij aantoont dat
de netto toegevoegde waarde die met de opdrachten is gemoeid
ten minste gelijk is aan 3 procent van zijn premieplichtige loonsom
in het kalenderjaar waarin de opdrachten zijn verleend. De netto
toegevoegde waarde, bedoeld in de eerste zin, wordt jaarlijks bij
ministeriële regeling vastgesteld op een percentage van de omzet die met de
opdrachten is gemoeid, welk percentage verschillend kan worden vastgesteld
afhankelijk van de aard van de opdracht en de omstandigheden waaronder
die wordt uitgevoerd.
-2. De korting, bedoeld in
het eerste lid, is gelijk aan een percentage van de netto toegevoegde
waarde, bedoeld in het eerste lid, welk percentage gelijk is aan het
premiepercentage, bedoeld in artikel 77, indien de netto toegevoegde waarde,
bedoeld in het eerste lid, ten minste gelijk is aan 5 procent van de premieplichtige loonsom van de werkgever in het
kalenderjaar waarin de
opdrachten zijn verleend.
-3. De korting, bedoeld in
het eerste lid, is gelijk aan een percentage van de netto toegevoegde
waarde, bedoeld in het eerste lid, welk percentage gelijk is aan twee
derde
van het premiepercentage, bedoeld in artikel 77, indien de netto
toegevoegde waarde, bedoeld in het eerste lid, ten minste gelijk is aan
4 procent, doch minder dan 5 procent, van de premieplichtige loonsom
van de werkgever in het kalenderjaar waarin de opdrachten zijn verleend.
-4. De korting, bedoeld in
het eerste lid, is gelijk aan een percentage van de netto toegevoegde
waarde, bedoeld in het eerste lid, welk percentage gelijk is aan een
derde
van het premiepercentage, bedoeld in artikel 77, indien de netto
toegevoegde waarde, bedoeld in het eerste lid, ten minste gelijk is aan
3 procent, doch minder dan 4 procent, van de premieplichtige loonsom
van de werkgever in het kalenderjaar waarin de opdrachten zijn verleend.
-5. Indien het tweede,
derde of vierde lid toepassing vindt, kent het Landelijk instituut
sociale verzekeringen voorts een korting toe op de door de werkgever in het in
het eerste lid bedoelde kalenderjaar verschuldigde basispremie, die gelijk
is aan een percentage van het premieplichtige loon van de werkgever in dat
kalenderjaar, doch:
a. bij toepassing van het
tweede lid, tot een bedrag dat gelijk is aan een percentage van ten
hoogste vijftienmaal het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer in dat
kalenderjaar;
b. bij toepassing van het
derde lid, tot een bedrag dat gelijk is aan twee derde deel van een
percentage van ten hoogste vijftienmaal het gemiddelde
premieplichtige loon per werknemer in dat kalenderjaar;
c. bij toepassing van het
vierde lid, tot een bedrag dat gelijk is aan een derde deel van een
percentage van ten hoogste vijftienmaal het gemiddelde
premieplichtige loon per werknemer in dat kalenderjaar.
Art. 77d.
-1. Aan de werkgever die
aantoont dat hij in een kalenderjaar werknemers in dienst
heeft die arbeidsgehandicapte zijn als bedoeld in artikel 2 van de
Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten en in dat jaar één of meer
opdrachten verleent aan een bedrijf waar arbeid wordt verricht onder aangepaste
omstandigheden als bedoeld in de Wet sociale werkvoorziening en die
niet in aanmerking komt voor een korting als bedoeld in de artikelen 77b
en
77c, wordt door het Landelijk instituut sociale
verzekeringen, overeenkomstig
artikel
77b, vierde lid, onderdeel
c, en artikel 77c, vierde en
vijfde lid, onderdeel c, een korting toegekend op de door hem verschuldigde
basispremie indien hij aantoont dat de som van de netto toegevoegde
waarde, bedoeld in artikel 77c, eerste lid, en het
totaalbedrag, bedoeld in
artikel 77b, eerste lid, ten minste gelijk is aan 5 procent van zijn
premieplichtige loonsom in het kalenderjaar waarin de opdracht is verleend.
-2. De werkgever aan wie
een korting is toegekend als bedoeld in het eerste lid is
overeenkomstig artikel 77b, derde lid, de basispremie niet verschuldigd over het
loon van de tot hem in dienstbetrekking staande arbeidsgehandicapte
werknemers, bedoeld in het eerste lid.
Art. 77e.
-1. Het gemiddelde
premieplichtige loon per werknemer, bedoeld in artikel 77b
en artikel
77c, wordt vastgesteld door het Landelijk instituut sociale
verzekeringen.
-2. De in artikel 77b,
vierde lid, en artikel 77c, vijfde lid, bedoelde percentages worden bij
ministeriële regeling vastgesteld.
-3. Met betrekking tot de
artikelen 77b, 77c en 77d
kunnen bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld.
§ 3.
De
gedifferentieerde premie
Art. 78.
-1. De gedifferentieerde
premie wordt door het Landelijk instituut sociale
verzekeringen geheven in
een overeenkomstig dit artikel vastgesteld percentage van het loon
dat, in het tijdvak waarover de betaling loopt, is genoten door de
werknemer.
-2. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen stelt, onder goedkeuring van Onze Minister:
a. voor de berekening van
de gedifferentieerde premie een voor alle takken van bedrijf en
beroep gelijk rekenpercentage vast, alsmede de periode waarover dit
percentage zal gelden;
b. voor de berekening van
het rekenpercentage, bedoeld in onderdeel a, een voor alle takken
van bedrijf en beroep gelijk gemiddeld percentage vast, alsmede de periode
waarover dit percentage zal gelden.
-3. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen stelt elk jaar met ingang van 1 januari voor elke
werkgever een opslag of korting vast waarmee voor die werkgever het in
het tweede lid, onderdeel a, bedoelde percentage wordt verhoogd
respectievelijk verlaagd. Indien een werkgever met toepassing
van artikel 53 van de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 is
aangesloten bij meer dan één sector, worden de in de eerste zin bedoelde
opslag en korting afzonderlijk vastgesteld voor elk bedrijfsonderdeel van de
werkgever waar werkzaamheden worden verricht die behoren tot
een afzonderlijke sector.
-4. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen stelt in geval van overgang van een
onderneming in de zin van artikel 662 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek,
alsmede in geval van een dergelijke overgang bij faillissement, de
vastgestelde opslag of korting, bedoeld in het derde lid, opnieuw vast voor de
werkgever die een onderneming of een deel daarvan verkrijgt en voor
de werkgever die een deel van zijn onderneming overdraagt.
-5. De verhoging en
verlaging van de gedifferentieerde premie bedraagt op verzoek van een kleine
werkgever als bedoeld in de algemene maatregel van bestuur,
bedoeld in het zesde lid, per kalenderjaar maximaal één procentpunt. Een verzoek als bedoeld in de eerste zin wordt
ten minste dertien weken vóór
de aanvang van enig kalenderjaar ingediend. De maximering, bedoeld in
de eerste zin, eindigt op het moment dat de kleine werkgever de
minimumpremie bedoeld in de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in
het zesde lid, weer verschuldigd is.
-6. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld:
a. omtrent de wijze
waarop het rekenpercentage, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, en het
gemiddelde percentage, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, worden
vastgesteld;
b. omtrent de wijze
waarop de in het derde of vierde lid bedoelde opslag of korting door
het Landelijk instituut sociale verzekeringen op basis van het
arbeidsongeschiktheidsrisico wordt berekend;
c. omtrent de percentages
die op grond van dit artikel ten hoogste aan een werkgever in rekening
mogen worden gebracht en omtrent de percentages die op grond
van dit artikel ten minste aan een werkgever in rekening moeten worden
gebracht.
-7. In afwijking van het
eerste lid wordt over een uitkering op grond van deze wet, de Ziektewet,
de Werkloosheidswet, over een toeslag op grond van de
Toeslagenwet en
over het loon uit een dienstbetrekking op grond van de Wet sociale
werkvoorziening in plaats van een gedifferentieerde premie een vervangende
premie vastgesteld. Het percentage van de vervangende premie is
gelijk aan het percentage, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a. Met een
uitkering op grond van de Werkloosheidswet wordt gelijkgesteld een wachtgeld als bedoeld in
artikel 1, onderdeel
r, van de Wet
overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen. De derde zin en deze zin
vervallen met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 3 als bedoeld in
artikel 54 van de Wet overheidspersoneel onder de
werknemersverzekeringen.
-8. Behalve voor degene
die loon ontvangt uit een dienstbetrekking op grond van de Wet sociale werkvoorziening wordt het zevende lid niet
toegepast ingeval het
Landelijk instituut sociale verzekeringen de uitkering, vermeerderd
met de daarover door de werkgever verschuldigde premies, betaalt aan de
werkgever, bedoeld in artikel 8, 9 of
11 van deze wet en in artikel
9, 10
of 12 van de Werkloosheidswet
en de Ziektewet, onafhankelijk van het
voortbestaan van de dienstbetrekking met die werkgever.
-9. Indien Onze Minister
zijn goedkeuring onthoudt aan een door het Landelijk instituut
sociale verzekeringen op grond van het tweede lid, onderdeel a of onderdeel
b, vastgesteld percentage of vastgestelde periode, stelt hij het
percentage of de periode vast.
-10. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen nadere en zo nodig afwijkende regels
worden gesteld met betrekking tot het vijfde lid.
Art. 78a.
Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden regels gesteld:
a. omtrent de
vaststelling van het bedrag dat een werkgever als bedoeld in artikel
78,
vijfde lid, aan het Landelijk instituut sociale
verzekeringen verschuldigd is indien hij eigenrisicodrager wordt voordat hij de in dat artikellid
bedoelde minimumpremie weer verschuldigd is;
b. omtrent de
vaststelling van het bedrag dat een werkgever aan wie op grond van artikel
78,
zesde lid, onderdeel c, het hoogste percentage in rekening wordt gebracht,
aan het Landelijk instituut sociale verzekeringen verschuldigd is indien
hij eigenrisicodrager wordt voordat het in dat artikelonderdeel bedoelde
laagste percentage bij hem in rekening wordt gebracht.
Art. 79.
Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de overheveling
van gelden uit het Arbeidsongeschiktheidsfonds naar de
Arbeidsongeschiktheidskas.
HOOFDSTUK
V
Het
verstrekken van inlichtingen
Art. 80.
Degene die de wachttijd
van 52 weken, bedoeld in artikel 19, doormaakt, dan wel aanspraak maakt
op of in het genot is van arbeidsongeschiktheidsuitkering, diens wettelijke
vertegenwoordiger alsmede de instelling aan welke
ingevolge artikel 54 de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt uitbetaald, zijn
verplicht aan het Landelijk instituut sociale
verzekeringen, op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging, mededeling te doen van
alle feiten of omstandigheden waarvan het hun redelijkerwijs duidelijk
is dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op of de hoogte van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering of het bedrag dat daarvan wordt uitbetaald.
HOOFDSTUK
VI
De
vrijwillige verzekering
Art. 81.
-1. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen is verplicht overeenkomstig het bij of krachtens dit
hoofdstuk bepaalde tot de vrijwillige verzekering toe te laten,
mits hij hier te lande woont:
a. degene wiens
verplichte verzekering is geëindigd en te wiens aanzien op grond van
gebleken omstandigheden redelijkerwijze valt aan te nemen dat onderbreking
van die verplichte verzekering van korte duur zal zijn, dan wel die
beschikbaar is om arbeid te aanvaarden als bedoeld in artikel
16, eerste lid,
onderdeel b, van de Werkloosheidswet;
b. degene die, terwijl
hij hier te lande woonde, in het buitenland verplicht verzekerd was
tegen geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid,
mits:
1º. hij niet meer in het
buitenland verzekerd is, omdat hij niet langer werkzaamheden verricht in
het buitenland;
2º. op grond van
gebleken omstandigheden redelijkerwijze valt aan te nemen dat het zijn
bedoeling is bij geboden gelegenheid opnieuw een dienstbetrekking aan te
gaan;
c. degene wiens
verplichte verzekering is geëindigd en die als zelfstandige een bedrijf
of beroep uitoefent of gaat uitoefenen, of als echtgenoot van de
zelfstandige in dat bedrijf of beroep meewerkt of gaat meewerken, indien
gedurende één jaar onmiddellijk voorafgaande aan het einde van zijn
verplichte verzekering onafgebroken, al dan niet in Nederland, bij of
krachtens een wettelijke regeling een voorziening tegen geldelijke gevolgen van
langdurige arbeidsongeschiktheid op hem van toepassing is geweest;
d. degene wiens
dienstbetrekking ertoe strekt dat slechts een gedeelte van een normale werkweek
arbeid wordt verricht - niet uitsluitend als gevolg van een voor
betrokkene geldende werktijdregeling krachtens welke een normale
werkweek van gemiddeld minder dan zes dagen van toepassing is - en die
uit hoofde van die dienstbetrekking verplicht verzekerd is, indien
gedurende de drie jaren onmiddellijk voorafgaande aan de dag van aanvang
van zijn vrijwillige verzekering onafgebroken, al dan niet hier te lande,
ingevolge het bepaalde bij of krachtens een wettelijke regeling een
voorziening tegen geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid op hem van toepassing is geweest;
e. degene wiens
arbeidsverhouding op grond van artikel 6, eerste lid, onderdeel c, niet als
dienstbetrekking wordt beschouwd;
f. degene aan wie een
arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%;
g. degene wiens
arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van
ten minste 45%, wegens afneming van de arbeidsongeschiktheid is
herzien naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%;
h. degene, wiens
arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van
ten minste 45%, is ingetrokken;
i. degene die op grond
van artikel 7 als werknemer wordt beschouwd en tevens als
zelfstandige een bedrijf of beroep uitoefent of gaat uitoefenen, of als echtgenoot van die
zelfstandige in dat bedrijf of beroep meewerkt of gaat
meewerken, indien gedurende de drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan de dag
van aanvang van zijn vrijwillige verzekering onafgebroken, al dan niet
in Nederland, bij of krachtens een wettelijke regeling een voorziening tegen geldelijke gevolgen van
langdurige
arbeidsongeschiktheid op hem van toepassing is geweest.
-2. De in het eerste lid
bedoelde verplichting bestaat eveneens ten aanzien van de persoon,
jonger dan 65 jaar, die op grond van het bepaalde bij of krachtens
artikel 3, tweede, derde en vierde lid, niet als werknemer wordt
beschouwd en:
a. wiens verplichte
verzekering is geëindigd en die buiten Nederland woont, aldaar direct
aansluitend op de beëindiging van de verplichte verzekering een
dienstbetrekking vervult voor de duur van maximaal vijf jaar en wiens werkgever
binnen Nederland woont of gevestigd is;
b. die Nederlander is en
die is uitgezonden om door de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking
aan te wijzen werkzaamheden in het kader van
ontwikkelingssamenwerking te verrichten;
c. die Nederlander is en
die is uitgezonden om, in of buiten Nederland, werkzaamheden te
verrichten voor een volkenrechtelijke organisatie waarvan Nederland lid is
dan wel waarvan de werkzaamheden door Nederland worden
ondersteund;
d. die in Nederland woont en buiten Nederland een dienstbetrekking vervult; of
e. die Nederlander is en
buiten Nederland werkzaamheden verricht die worden bekostigd door het
Rijk en die tevens in opdracht van het Rijk worden verricht in het
kader van een wettelijke taakomschrijving of ter uitvoering van een
internationaal verdrag dan wel een daarmee gelijk te stellen overeenkomst of
een besluit van een volkenrechtelijke organisatie.
-3. Aan het vervullen van
een dienstbetrekking, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, dient een aaneengesloten periode van verplichte verzekering
van ten minste één jaar
te zijn voorafgegaan.
-4. Met de Nederlander,
bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, c en e, wordt gelijkgesteld de
persoon die onderdaan is van één van de lidstaten van de Europese
Gemeenschap of onderdaan is van een staat waarmee Nederland een verdrag
inzake sociale zekerheid heeft gesloten, mits hij vóór hij werd uitgezonden
in Nederland woonde.
Art. 82.
-1. De in artikel 81,
eerste lid, onderdeel c respectievelijk d, genoemde termijn van één jaar
respectievelijk van drie jaren wordt geacht niet te zijn onderbroken:
a. indien de betrokkene
gedurende niet meer dan 60 dagen niet verzekerd is geweest;
b. gedurende de wachttijd
als bedoeld in de artikelen 19, 37 en
38;
c. gedurende het tijdvak
waarover een arbeidsongeschiktheidsuitkering is genoten, berekend naar
een arbeidsongeschiktheid van ten minste 45%.
-2. De in artikel 81,
eerste lid, onderdeel c respectievelijk d, genoemde voorwaarde van een
verzekeringsduur van één jaar respectievelijk van drie jaren wordt geacht
te zijn vervuld indien de betrokkene in het genot is van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Art. 83.
-1. Het verzoek om
toelating tot de vrijwillige verzekering dient te worden ingediend bij de
uitvoeringsinstelling overeenkomstig de regels die het
Landelijk instituut sociale verzekeringen daaromtrent krachtens artikel 83a
stelt:
a. door de in artikel
81,
eerste lid, onderdeel a, b en c, bedoelde personen: binnen vier
weken na het einde van hun verplichte verzekering;
b. door de in artikel
81,
eerste lid, onderdeel f, g en h, bedoelde personen: binnen vier
weken na de dagtekening van de beslissing waarbij de
arbeidsongeschiktheidsuitkering onderscheidenlijk werd toegekend, herzien of ingetrokken;
c. door de in artikel
81,
eerste lid, onderdeel i, bedoelde persoon: binnen vier weken na de
dag waarop zijn werkzaamheden als zelfstandige of zijn werkzaamheden als
echtgenoot van de zelfstandige in diens bedrijfs- of beroepsuitoefening een aanvang hebben genomen;
d. door de in artikel
81,
tweede lid, onderdeel a, bedoelde persoon: binnen vier weken na de
dag waarop de verplichte verzekering is geëindigd;
e. door de in artikel
81,
tweede lid, onderdeel b, c en e, bedoelde persoon: binnen vier
weken na de dag van zijn vertrek naar het buitenland dan wel, indien de in
artikel 81, tweede lid, onderdeel c, bedoelde werkzaamheden worden
verricht in Nederland, binnen vier weken na de dag waarop die
werkzaamheden een aanvang hebben genomen;
f. door de in artikel
81,
tweede lid, onderdeel d, bedoelde persoon: binnen vier weken na de
dag waarop zijn werkzaamheden buiten Nederland een aanvang
hebben genomen.
-2. De in het eerste lid,
onderdeel b, bedoelde personen worden geacht een verzoek om toelating
binnen vier weken na de dagtekening van de beslissing te hebben gedaan indien dit verzoek geschiedt binnen vier weken na de
dag waarop
zij redelijkerwijze hebben kunnen kennis nemen van die beslissing.
-3. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen is bevoegd te verklaren dat een verzoek om
toelating tot de vrijwillige verzekering, ingediend na de daartoe op grond van
deze wet of de daarop berustende bepalingen gestelde termijn, geacht
wordt tijdig te zijn ingekomen indien de persoon die het verzoek heeft
gedaan redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest.
-4. De vrijwillige
verzekering vangt aan:
a. voor de in artikel
81,
eerste lid, onderdeel a, b en c, en tweede lid, onderdeel
a, bedoelde
persoon: op de dag na die waarop de verplichte verzekering is
geëindigd;
b. voor de in artikel
81,
eerste lid, onderdeel d, e en i, bedoelde persoon: op de dag van
ontvangst van zijn verzoek om toelating;
c. voor de in artikel
81,
eerste lid, onderdeel f, g en h, bedoelde persoon: op de dag met
ingang waarvan de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt toegekend, herzien
of ingetrokken;
d. voor de in artikel
81,
tweede lid, onderdeel b, c en e, bedoelde persoon: op de dag van
zijn vertrek naar het buitenland dan wel, indien de in artikel
81, tweede
lid, onderdeel c, bedoelde werkzaamheden worden verricht in Nederland, op
de dag waarop die werkzaamheden een aanvang hebben genomen;
e. voor de in artikel
81,
tweede lid, onderdeel d, bedoelde persoon: op de dag waarop zijn
werkzaamheden buiten Nederland een aanvang hebben genomen.
Art. 83a.
Het Landelijk instituut sociale verzekeringen
stelt regels waaruit blijkt welke uitvoeringsinstelling
ten aanzien van de in artikel 81 bedoelde personen met betrekking
tot besluiten omtrent toelating tot de vrijwillige verzekering
werkzaamheden als bedoeld in artikel 41 van de
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 verricht.
Art. 83b.
Het Landelijk instituut sociale verzekeringen
beëindigt de vrijwillige verzekering:
a. op verzoek van de
vrijwillig verzekerde met ingang van een door hem te bepalen datum;
b. met ingang van de dag
waarop de termijn van vijf jaar, bedoeld in artikel 81, tweede lid,
onderdeel a, is verstreken;
c. met ingang van de dag
waarop de werkzaamheden, bedoeld in artikel 81, tweede lid, worden
beëindigd en de vrijwillige verzekerde niet langer geacht kan worden
inkomsten te verkrijgen wegens eindiging van die werkzaamheden dan wel
inkomsten te derven in geval van ziekte;
d. met ingang van de dag
waarop de vrijwillig verzekerde verplicht verzekerd wordt ingevolge
deze wet;
e. indien de
verschuldigde premie over een periode van twee volle kalendermaanden niet,
niet volledig of niet tijdig wordt betaald; of
f. indien niet langer
wordt voldaan aan andere vereisten voor toelating tot de vrijwillige
verzekering, bedoeld in artikel 81, tweede lid.
Art. 84.
-1. De persoon die om
toelating tot de vrijwillige verzekering verzoekt, bepaalt bij de aanvang
van de vrijwillige verzekering de hoogte van het dagloon, met dien
verstande dat dit niet meer kan bedragen dan:
a. het in artikel
9,
eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering genoemde bedrag eventueel
verhoogd of verlaagd krachtens artikel 9a
van die wet; en
b. het loon of het
inkomen dat hij in geval van arbeidsongeschiktheid naar het oordeel van het
Landelijk instituut sociale verzekeringen derft.
-2. De premie voor de
vrijwillige verzekering wordt geheven over het in het eerste lid bedoelde
dagloon.
-3. De premie bedraagt een
door het Landelijk instituut sociale verzekeringen te bepalen percentage van
het in het eerste lid bedoelde dagloon, met dien verstande dat de
premie niet meer bedraagt dan de in artikel 76a
bedoelde basispremie,
vermeerderd met een premieopslag die wordt berekend op grond van het
in artikel 78, tweede lid, onderdeel a, bedoelde percentage.
-4. De uitkering op grond
van de vrijwillige verzekering wordt tijdens de duur, bedoeld in artikel
21a, berekend naar het in het eerste lid bedoelde dagloon. Dit dagloon
wordt eveneens in aanmerking genomen bij de berekening van het
vervolgdagloon, bedoeld in artikel 21b.
[Art. 84a.
Vervallen, red.]
Art. 85.
Het Landelijk instituut sociale verzekeringen
stelt nadere regels met betrekking tot de
vrijwillige verzekering. Deze regels bevatten in ieder geval bepalingen met
betrekking tot:
a. de toelating tot de
vrijwillige verzekering;
b. het einde van de
vrijwillige verzekering;
c. de premie voor de
vrijwillige verzekering;
d. het dagloon, bedoeld
in artikel 84, eerste lid.
Art. 86.
Met betrekking tot het
bepaalde bij of krachtens dit hoofdstuk zijn, met inachtneming van de
wijzigingen welke de aard van het onderwerp vordert, de bepalingen
van de overige hoofdstukken en de ter uitvoering van die bepalingen
genomen besluiten, voor zoveel nodig, van overeenkomstige toepassing,
voor zover
daarvan in het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde niet
is afgeweken.
Art. 86a. Vervallen.
HOOFDSTUK
VII
Bepalingen
in verband met de Algemene wet bestuursrecht en beroep in cassatie
§ 1.
Algemeen
Art. 87.
Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de termijn
waarbinnen een beschikking op aanvraag ingevolge deze wet dient
te worden gegeven. Deze algemene maatregel van bestuur vervalt op 1
januari 2000.
Art. 87a.
In afwijking van artikel
7:2 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de belanghebbende in een bezwaarschriftprocedure ten aanzien van een
besluit inzake de premie
die verschuldigd is op grond van deze wet op zijn verzoek gehoord.
Art. 87b.
Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van de
behandeling van bezwaarschriften tegen besluiten waaraan een medische of
arbeidskundige beoordeling ten grondslag ligt.
Art. 87c.
In afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht beslist het Landelijk instituut sociale
verzekeringen binnen dertien weken na ontvangst van
het bezwaarschrift.
Art. 87d.
Indien bezwaar wordt
gemaakt tegen een besluit waaraan een medische of arbeidskundige
beoordeling ten grondslag ligt, beslist het Landelijk instituut sociale
verzekeringen, in afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht, binnen zeventien weken of, indien
hij advies vraagt aan een
deskundige die niet onder zijn verantwoordelijkheid werkzaam is, binnen
21 weken na ontvangst van het bezwaarschrift.
Art. 87e.
Het bezwaar of beroep van
een werkgever tegen de in artikel 75a, vierde lid, bedoelde betaling
dan wel tegen de in artikel 78, derde of vierde lid, bedoelde opslag of
korting kan niet zijn gegrond op de grief dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering
ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.
Art. 87f.
-1. Tegen uitspraken van
de Centrale Raad van Beroep kan ieder der partijen beroep in
cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van artikel
1,
derde tot en met zevende lid, en de daarop berustende bepalingen.
-2. Op dit beroep zijn de
voorschriften betreffende het beroep in cassatie tegen de uitspraken van
de gerechtshoven inzake beroepen in belastingzaken van overeenkomstige
toepassing, waarbij de Centrale Raad van Beroep de plaats inneemt
van een gerechtshof.
§ 2.
Medische besluiten
Art. 88.
In deze paragraaf wordt
verstaan onder:
a. medisch besluit: een besluit waaraan een beoordeling van medische gegevens ten grondslag
ligt;
b. werknemer: degene op
wiens medische gegevens de beoordeling betrekking heeft;
c. de werkgever: de
belanghebbende bij een medisch besluit, die niet de werknemer is.
Art. 88a.
-1. De werkgever heeft
slechts recht op inzage in dan wel kennisname of toezending van enig
stuk dat medische gegevens bevat indien de werknemer hiervoor
toestemming heeft gegeven.
-2. De toestemming wordt
schriftelijk gegeven.
-3. De toestemming kan te
allen tijde schriftelijk worden ingetrokken.
-4. Tijdens het horen in
bezwaar of ter zitting van de rechtbank kan de toestemming ook mondeling
worden ingetrokken.
Art. 88b.
De artikelen 88c en 88d
zijn, voor zover nodig in afwijking van de Algemene wet
bestuursrecht, van toepassing indien de in artikel 88a
bedoelde toestemming niet
is gegeven.
Art. 88c.
-1. Inzage in dan wel
kennisname of toezending van enig stuk dat medische gegevens bevat,
is voorbehouden aan een gemachtigde van de werkgever, die arts is.
-2. De gemachtigde, die
arts is, treedt in de plaats van de werkgever bij:
a. de voorbereiding van
een medisch besluit;
b. het opstellen van een
bezwaar- of beroepschrift; en
c. de behandeling van een
bezwaar of beroep;
voor zover betrekking hebbend op medische
gegevens.
Art. 88d.
-1. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen vermeldt de motivering van een medisch besluit, voor
zover betrekking hebbend op medische gegevens, op een aparte
bijlage.
-2. De bijlage wordt niet
aan de werkgever verstrekt.
-3. Desgevraagd wordt de
bijlage verstrekt aan de gemachtigde van de werkgever, die arts is.
-4. Het tweede en derde
lid zijn van overeenkomstige toepassing op een rapport of een advies van
een arts of een psycholoog waarnaar bij de motivering van een
medisch besluit wordt verwezen.
Art. 88e.
Bij de bekendmaking van
een medisch besluit wordt gewezen op de artikelen 88a tot en met
88d en 88f.
Art. 88f.
In afwijking van artikel
6:5 van de Algemene wet bestuursrecht worden de gronden van het
bezwaar en beroep die betrekking hebben op medische gegevens, op een
aparte bijlage vermeld.
Art. 88g.
De artikelen 7:4, zesde
lid, 8:29 en 8:32, tweede lid, van de
Algemene wet bestuursrecht zijn
niet van toepassing op stukken of inlichtingen die medische gegevens
bevatten.
Art. 88h.
-1. In afwijking van
artikel 8:62 van de Algemene wet bestuursrecht
vindt het onderzoek ter
zitting, voor zover betrekking hebbend op medische gegevens, met gesloten
deuren plaats.
-2. In de uitnodiging als
bedoeld in artikel 8:56 van de Algemene wet bestuursrecht wordt
mededeling gedaan van het bepaalde in het vorige lid.
Art. 88i.
De toepassing van de
artikelen 8:81 tot en met 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht,
alsmede de behandeling van het hoger beroep als bedoeld in artikel 18
Beroepswet, geschiedt voor zover nodig met inachtneming van deze
paragraaf.
HOOFDSTUK
VIII
De invloed
van de verzekering op het burgerlijk recht
Art. 89.
Bij de vaststelling van
de schadevergoeding waarop de verzekerde naar burgerlijk recht
aanspraak kan maken ter zake van zijn arbeidsongeschiktheid houdt de rechter rekening
met de aanspraken die hij krachtens deze wet heeft.
Art. 90.
-1. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen heeft voor de krachtens deze wet gemaakte kosten
verhaal op degene die in verband met het veroorzaken van
arbeidsongeschiktheid jegens de verzekerde naar burgerlijk recht tot
schadevergoeding is verplicht, doch ten hoogste tot het bedrag waarvoor deze
bij het ontbreken van de aanspraken krachtens deze wet naar burgerlijk
recht aansprakelijk zou zijn, verminderd met een bedrag gelijk aan dat
van de schadevergoeding tot betaling waarvan de aansprakelijke persoon
jegens de verzekerde naar burgerlijk recht is gehouden.
-2. Overeenkomstig door Onze Minister
te stellen regelen kan het Landelijk instituut
sociale verzekeringen in plaats van het bedrag der periodieke verstrekkingen
de contante waarde daarvan vorderen.
-3. De eigenrisicodrager
treedt voor de toepassing van het eerste en het tweede lid in de plaats
van het Landelijk instituut sociale verzekeringen voor zover hij het risico
van de betaling van arbeidsongeschiktheidsuitkering draagt.
Art. 91.
-1. Het bepaalde in het
vorige artikel geldt ten aanzien van de naar burgerlijk recht tot
schadevergoeding verplichte werkgever van de verzekerde,
onderscheidenlijk ten aanzien van de naar burgerlijk recht tot schadevergoeding
verplichte verzekerde die in dienstbetrekking staat tot dezelfde werkgever als de
verzekerde jegens wie naar burgerlijk recht verplichting tot
schadevergoeding bestaat, slechts indien de arbeidsongeschiktheid is te wijten aan opzet of
bewuste roekeloosheid van die werkgever
onderscheidenlijk verzekerde.
-2. Voor de toepassing van
het vorige lid wordt mede als werkgever beschouwd degene die
krachtens het bepaalde bij het eerste lid van artikel 16a
der
Coördinatiewet Sociale Verzekering mede als werkgever wordt beschouwd, ongeacht
de bij het tweede lid van dat artikel bedoelde uitzonderingen.
HOOFDSTUK
IX
Strafbepalingen
Art. 92.
-1. Hij die niet voldoet
aan de verplichting omschreven in artikel 12, wordt gestraft met
hechtenis van ten hoogste één maand of geldboete van de tweede categorie.
-2. Met gelijke straf
wordt gestraft hij die door hem krachtens deze wet betaalde of verschuldigde
premie inhoudt op het loon van of op enige andere wijze verhaalt op
een werknemer of gewezen werknemer, zonder dat dit bij deze wet is
toegestaan.
Art. 93.
Hij die niet voldoet aan
de verplichting, bedoeld in artikel 80, wordt gestraft met hechtenis
van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.
Art. 94.
Hij die op grond van bij
of krachtens deze wet vastgestelde bepalingen gehouden is inlichtingen
of gegevens te verstrekken, een aangifte of mededeling te doen of een
verklaring af te leggen en daarbij opzettelijk een valse opgave doet,
dan wel opzettelijk in strijd met bedoelde gehoudenheid iets
verzwijgt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of
geldboete van de vierde categorie.
Art. 95.
Hij die op andere wijze
dan door het valselijk opmaken of vervalsen van een geschrift dat
bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, opzettelijk een opgave
in strijd met de waarheid doet, zulks met het oogmerk om aldus een
uitkering of een hogere uitkering ingevolge deze wet te verkrijgen, wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete
van de vierde categorie.
Art. 96.
Overtreding van
bepalingen van een krachtens deze wet uitgevaardigde algemene maatregel van
bestuur, voor zover uitdrukkelijk als strafbaar feit in de zin van dit artikel
aangeduid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste één maand of
geldboete van de tweede categorie.
Art. 97.
Het recht tot
strafvordering vervalt indien het Landelijk instituut sociale
verzekeringen aan de belanghebbende ter zake van hetzelfde feit reeds een
boete heeft opgelegd.
Art. 98.
De in de artikelen 94 en
95 bedoelde strafbare feiten worden als misdrijven, de in de
artikelen 92, 93 en 96 bedoelde strafbare feiten worden als overtredingen
beschouwd.
HOOFDSTUK
X
Slotbepalingen
Art. 98a.
-1. Een overeenkomst met
betrekking tot de verzekering van geldelijke gevolgen van langdurige
arbeidsongeschiktheid, gesloten door degene
die verplicht verzekerd
wordt, vervalt met ingang van de dag waarop de verzekeraar van de
verzekerde mededeling van het verplicht verzekerd worden ontvangt, voor
zover aan de overeenkomst rechten kunnen
worden ontleend
gelijkwaardig aan die welke uit de in deze wet geregelde verplichte
verzekering voortvloeien. Bereikt deze mededeling de verzekeraar vóór de
dag waarop de betrokkene verplicht verzekerd wordt, dan vervalt de
overeenkomst met ingang van die dag.
-2. De premie welke degene wiens verzekering krachtens het bepaalde in het eerste lid geheel
of gedeeltelijk is vervallen, heeft vooruitbetaald, wordt door de verzekeraar
al naargelang van het vervallen gedeelte der overeenkomst
terugbetaald, onder aftrek van ten hoogste 25 procent van het terug te betalen
bedrag voor administratiekosten.
Art. 98b.
De Algemene
termijnenwet is niet van toepassing op de termijnen, gesteld in de artikelen
6, tweede lid, onderdeel a en c, 17, eerste lid,
19, tweede en derde lid, 21a, 38,
39, eerste lid, 39a, 43a,
47, eerste, tweede, derde en vierde lid, en 53.
Art. 98c.
Onze Minister kan ter
bevordering van de veiligheid van de arbeid van verzekerden, alsmede van
de gezondheid van verzekerden bij de arbeid, regelen stellen inzake
het door de werkgever vastleggen van gegevens en het verstrekken van
inlichtingen door de werkgever aan het Landelijk instituut sociale
verzekeringen en een bij die regelen aan te wijzen
instelling omtrent
bedrijfsongevallen en beroepsziekten.
Art. 99.
Hetgeen nog ter
uitvoering van deze wet nodig is, wordt door Onze Minister
geregeld.
Art. 99a.
Vervallen.
Art. 100.
Deze wet kan worden
aangehaald onder de titel: Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Art. 100a.
Na de plaatsing van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering in het Staatsblad wordt de
tekst van die wet, zo nodig, door de zorg van Onze Minister
van
Justitie opnieuw in het Staatsblad geplaatst, waarbij vernummeringen en
daarmede verband houdende wijzigingen in aanhalingen worden
aangebracht.
Art. 101.
De artikelen van deze wet
treden in werking met ingang van een door Ons te bepalen tijdstip,
dat voor de onderscheidene artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan
worden gesteld.¹
1. Bij Besluit van 8
september 1966, Stb. 1966, 365, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 september 1966, red.
[Lasten en
bevelen dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat alle Ministeriële Departementen,
Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren wie zulks aangaat, aan de
nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 18
februari 1966
JULIANA
De Minister van Sociale Zaken en
Volksgezondheid,
G.M.J. Veldkamp
Uitgegeven de zeventiende maart
1966
De Minister van Justitie,
Samkalden, red.]
|
|