|
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 1995-1996, 1996-1997, 24 760.
Handelingen II 1996-1997, blz. 1658-1708, 1757-1784, 1931-1974, 2185,
2187.
Kamerstukken I 1996-1997, 24 760 (95, 95a, 95b, 95c, 95d, 95e).
Handelingen I 1996-1997, zie vergaderingen d.d. 15 en 22 april 1997.
BESCHIKKING van de Minister
van Justitie van 21 januari 1999, Stb. 1997, 25, houdende plaatsing in het Staatsblad
van de tekst van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten,
zoals deze luidt met ingang van 1 januari 1999
De Minister
van Justitie;
Gelet op artikel XXXVI
van de Aanpassingswet nieuwe en gewijzigde
arbeidsongeschiktheidsregelingen;
Besluit:
De
tekst van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten, zoals
deze luidt met ingang van 1 januari 1999, in het Staatsblad te
plaatsen als bijlage bij deze beschikking.
’s-Gravenhage, 21 januari
1999
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
Uitgegeven de achtentwintigste
januari 1999
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
Tekst van
de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, zoals deze wet
luidt op 1 januari 1999 ¹
1. De voetnoten bij de
artikelen zijn geplaatst door de wetgever, red.
[WET van 24 april 1997, Stb.
1997, 177, houdende voorziening tegen geldelijke gevolgen van langdurige
arbeidsongeschiktheid voor jonggehandicapten (Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten). Inwerkingtreding: 1 januari 1998 (Stb.
1997, 391).
WIJ BEATRIX, bij de
gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz.
enz. enz.
Allen, die deze zullen
zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging
genomen hebben, dat het wenselijk is in verband met de intrekking van
de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet een regeling te treffen met betrekking tot een arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor
jonggehandicapten;
Zo is het, dat Wij, de
Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal,
hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:,
red.]
HOOFDSTUK
1
Algemene
bepalingen
Art. 1.
Algemene begrippen
-1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt
verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
b. College van toezicht sociale verzekeringen: het
College van toezicht sociale verzekeringen, genoemd in hoofdstuk 2 van de
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997;
c. Landelijk instituut sociale verzekeringen: het
Landelijk instituut sociale verzekeringen, genoemd in hoofdstuk 4 van de
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997;
d. uitvoeringsinstelling: een uitvoeringsinstelling als
bedoeld in artikel 41, derde lid, van de
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997;
e. Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten: het Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten,
bedoeld
in artikel 63;
f. jonggehandicapte: de natuurlijke persoon, bedoeld in
artikel 5;
g. arbeidsongeschiktheidsuitkering: een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet;
h. vreemdeling: hetgeen daaronder wordt verstaan in de
Vreemdelingenwet.
-2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt
gelijkgesteld met:
a. echtgenoot: geregistreerde partner;
b. echtgenoten: geregistreerde partners;
c. gehuwd: als partner geregistreerd.
-3. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt:
a. als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de
ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige
een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een
bloedverwant in de eerste graad;
b. als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam
gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.
-4. Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien
twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk
geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een
bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
-5. Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval
aanwezig geacht indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in
dezelfde woning en:
a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de
toepassing van deze wet daarmee gelijk zijn gesteld;
b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning
heeft plaatsgevonden van een kind van de één door de ander;
c. zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage
aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract;
of
d. zij op grond van een registratie worden aangemerkt
als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking
overeenkomt met de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het vierde lid.
-6. Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld
welke registraties, en gedurende welk tijdvak, in aanmerking
worden genomen voor de toepassing van het vijfde lid, onderdeel d.
-7. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld ten aanzien van hetgeen wordt verstaan onder het blijk
geven zorg te dragen voor een ander, zoals bedoeld in het vierde lid.
Art. 2.
Begrip
arbeidsongeschiktheid
-1. Arbeidsongeschikt, geheel of gedeeltelijk, is de persoon die als
rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte,
gebreken, zwangerschap of bevalling geheel of gedeeltelijk niet in staat
is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen, met
soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij woont of in de
omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.
-2. De persoon die op de dag dat hij ingezetene wordt gedeeltelijk
arbeidsongeschikt is in de zin van het eerste lid, wordt voor wat de
door hem aan deze wet te ontlenen aanspraken betreft als geheel of
gedeeltelijk arbeidsongeschikt aangemerkt indien hij als rechtstreeks
en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken,
zwangerschap of bevalling geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met
arbeid te verdienen hetgeen soortgelijke personen die in dezelfde mate
arbeidsongeschikt zijn in de zin van het eerste lid, ter plaatse waar
hij woont of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.
-3. Indien de op de in het tweede lid bedoelde dag aanwezige
arbeidsongeschiktheid in de zin van het eerste lid naderhand is
afgenomen, vindt het tweede lid vervolgens overeenkomstige toepassing,
met dien verstande dat voor de dag waarop de betrokkene ingezetene wordt
in de plaats treedt het tijdstip waarop de arbeidsongeschiktheid in de
zin van het eerste lid is afgenomen.
-4. Het tweede en derde lid vinden geen toepassing indien de betrokkene
op het moment dat hij ingezetene werd jonger was dan 17 jaar en hij
gedurende de zes jaren onmiddellijk voorafgaande aan de dag waarop hij
17 jaar wordt ingezetene is geweest.
-5. Onder de in het eerste en tweede lid eerstgenoemde arbeid wordt
verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met
zijn krachten en bekwaamheden in staat is.
-6. Bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid wordt
buiten beschouwing gelaten of de betrokkene de arbeid feitelijk kan
verkrijgen.
-7. Bij de toepassing van dit artikel wordt buiten beschouwing
gelaten
hetgeen wordt of kan worden ontvangen voor arbeid verricht bij wijze van
sociale werkvoorziening.
-8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking
tot het eerste tot en met zevende lid nadere en zo nodig afwijkende
regels worden gesteld.
-9. Van een ontwerp van een besluit tot vaststelling, wijziging of
intrekking van:
a. een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het achtste lid;
b. een krachtens de in onderdeel a bedoelde algemene maatregel van
bestuur getroffen ministeriële regeling;
wordt mededeling gedaan in de Staatscourant. Een voordracht tot vaststelling, wijziging of intrekking
van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in onderdeel a wordt
niet gedaan en de vaststelling, wijziging of intrekking van een regeling
als bedoeld in onderdeel b geschiedt niet eerder dan nadat tien weken
na die mededeling zijn verstreken.
-10. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld omtrent een afwijkende wijze van vaststelling van de mate van
arbeidsongeschiktheid in gevallen waarin recht bestaat op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering en een arbeidsongeschiktheidsuitkering
op grond van een andere wettelijke regeling ter verzekering tegen
geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid.
Art. 3.
Ingezetene
-1. Ingezetene in de zin van deze wet en de daarop berustende bepalingen
is de natuurlijke persoon die in Nederland woont.
-2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, in afwijking van
het eerste lid, uitbreiding dan wel beperking worden gegeven aan het
begrip "ingezetene".
-3. Voor de persoon die op grond van het tweede lid als ingezetene wordt
aangemerkt, doch buiten Nederland woont, gelden de bepalingen van deze
wet, met inachtneming van de specifieke regels die in deze wet ten
aanzien van deze persoon zijn gesteld.
Art. 4.
Woonplaats
-1. Waar een natuurlijk persoon woont, wordt naar de omstandigheden
beoordeeld.
-2. De persoon die Nederland metterwoon heeft verlaten en binnen
één jaar
nadien metterwoon terugkeert zonder inmiddels in de Nederlandse
Antillen, Aruba of op het grondgebied van een andere mogendheid te
hebben gewoond, wordt ook voor de duur van zijn afwezigheid geacht in
Nederland te hebben gewoond.
Art. 5.
Jonggehandicapte
-1. Jonggehandicapte is de ingezetene die:
a. op de dag waarop hij 17 jaar wordt arbeidsongeschikt is;
b. na de in onderdeel a bedoelde dag arbeidsongeschikt wordt en in het
jaar onmiddellijk voorafgaande aan de dag waarop de
arbeidsongeschiktheid is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden
studerende was.
-2. Als studerende wordt aangemerkt de persoon:
a. die studiefinanciering ontvangt op grond van de
Wet op de
studiefinanciering;
b. die een financiële voorziening ontvangt als bedoeld in artikel 7.51,
eerste lid, van de Wet
op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
c. die een tegemoetkoming in
de studiekosten ontvangt op grond van
hoofdstuk III van de Wet
tegemoetkoming studiekosten;
d. voor wie de verzekerde in de zin van de Algemene Kinderbijslagwet
kinderbijslag
ontvangt op grond van artikel 7, tweede lid, onderdeel a,
van die wet;
e. die, hoewel hij niet op grond van de onderdelen a tot en met
d als
studerende wordt aangemerkt, niettemin in verband met onderwijs of een
beroepsopleiding lessen of stages volgt gedurende gemiddeld ten minste
213 klokuren per kwartaal, voor zolang hij de leeftijd van 30 jaar nog
niet heeft bereikt.
-3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ook andere dan de in het
tweede lid bedoelde personen als studerende worden aangemerkt.
-4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere en
zo nodig afwijkende regels
worden gesteld met betrekking tot het tweede lid, onderdeel e.
HOOFDSTUK
2
De
uitkeringen
AFDELING
1
Het recht
op en de hoogte van de uitkering
§ 1. De
arbeidsongeschiktheidsuitkering
Art. 6.
Het recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering
-1. De jonggehandicapte heeft recht op toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering zodra hij onafgebroken 52 weken
onmiddellijk volgend op de in artikel 5, eerste lid, onderdeel a of
b,
bedoelde dag arbeidsongeschikt is geweest, indien hij na afloop van dat
tijdvak nog arbeidsongeschikt is.
-2. Voor het bepalen van het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het eerste
lid, worden perioden van arbeidsongeschiktheid samengeteld indien zij
elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
-3. Recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft
eveneens de jonggehandicapte die na afloop van het in het eerste lid
bedoelde tijdvak van 52 weken niet arbeidsongeschikt is, doch ten
aanzien van wie dit wel het geval is binnen vier weken na afloop van dat
tijdvak.
-4. Voor het bepalen van het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het eerste
lid, worden steeds in aanmerking genomen tijdvakken gedurende welke de
jonggehandicapte recht zou hebben gehad op ziekengeld op grond van de Ziektewet indien hij op grond van
die wet zou zijn verzekerd.
-5. Voor de toepassing van het eerste tot en met derde lid wordt niet als
arbeidsongeschikt beschouwd degene die minder dan 25% arbeidsongeschikt
is.
-6. Toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering vindt niet plaats met
ingang van een dag gelegen vóór die waarop betrokkene de leeftijd
van 18 jaar bereikt.
-7. Toekenning ten aanzien van de in artikel
3, derde lid, bedoelde persoon vindt niet eerder plaats dan met ingang van de dag dat hij in
Nederland woont.
Art. 6a.
-1. Geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft de vreemdeling
die niet rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 1b,
aanhef en
onder 1, van de Vreemdelingenwet.
-2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat hier te
lande verblijvende vreemdelingen die, na rechtmatig verblijf te hebben
gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de
Vreemdelingenwet, tijdig toelating in aansluiting op dat verblijf hebben
aangevraagd, dan wel bezwaar hebben gemaakt of beroep hebben ingesteld
tegen de intrekking van het besluit tot toelating, recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering hebben, onverminderd de overige
voorwaarden voor dat recht, totdat op die aanvraag, dat bezwaar of dat
beroep is beslist.
Art. 7.
Grondslag van de
uitkering
-1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt berekend naar de grondslag
van het minimumloon.
-2. Onder het in het eerste lid bedoelde minimumloon wordt verstaan het
minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a,
van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, gedeeld door 21,75,
of, indien het een persoon jonger dan 23 jaar betreft, het minimumloon
per maand dat voor zijn leeftijd geldt op grond van artikel 7, derde
lid, en artikel 8, derde lid, van genoemde
wet, gedeeld door 21,75.
-3. Op een beschikking als gevolg van een herziening van de grondslag op
grond van dit artikel zijn de artikelen 3:41 en
3:45 van de Algemene wet
bestuursrecht niet van toepassing.
Art. 8.
Percentage
arbeidsongeschiktheidsuitkering
-1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering bedraagt per dag, de zaterdagen en
zondagen niet meegerekend, bij een arbeidsongeschiktheid van:
25-35%: 21% van de grondslag;
35-45%: 28% van de grondslag;
45-55%: 35% van de grondslag;
55-65%: 42% van de grondslag;
65-80%: 50,75% van de grondslag;
80% of meer: 70% van de grondslag.
-2. Bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid wordt,
zoveel doenlijk, rekening gehouden met verkregen nieuwe bekwaamheden.
-3. Indien de jonggehandicapte zonder redelijke gronden weigert deel te
nemen aan een voor hem gewenste opleiding of scholing, of onvoldoende
meewerkt aan het bereiken van een gunstig resultaat ervan, wordt er bij
de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van uitgegaan dat
die opleiding of scholing is afgerond.
Art. 9.
Verhoging
arbeidsongeschiktheidsuitkering
Een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, wordt, indien de jonggehandicapte
verkeert in een althans voorlopig blijvende toestand van
hulpbehoevendheid die geregeld oppassing en verzorging nodig maakt,
voor de duur van die hulpbehoevendheid tot ten hoogste zijn grondslag
verhoogd. De eerste zin vindt geen toepassing indien de jonggehandicapte in een inrichting is opgenomen en
de kosten van verblijf ten laste van een verzekering inzake ziektekosten
komen.
Art. 10.
Buiten
aanmerking laten van arbeidsongeschiktheid
-1. Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen kan met betrekking tot
uit deze wet voortvloeiende aanspraken geheel of ten dele, tijdelijk of
blijvend, buiten aanmerking laten:
a. gehele arbeidsongeschiktheid die bestond op de dag dat een persoon
ingezetene werd;
b. arbeidsongeschiktheid die is ingetreden binnen een halfjaar na het
tijdstip waarop een persoon ingezetene werd, terwijl de
gezondheidstoestand van die persoon op dat tijdstip het intreden van de
arbeidsongeschiktheid binnen een halfjaar kennelijk moest doen
verwachten;
c. arbeidsongeschiktheid die bestond op de eerste dag dat een persoon
studerende was als bedoeld in artikel 5, tweede lid;
d. arbeidsongeschiktheid die is ingetreden binnen een halfjaar na het
tijdstip waarop een persoon studerende werd, terwijl de
gezondheidstoestand van die persoon op dat tijdstip het intreden van de
arbeidsongeschiktheid binnen een halfjaar kennelijk moest doen
verwachten.
-2. De in het eerste lid, onderdeel b en
d, bedoelde bevoegdheid strekt
zich mede uit tot de toeneming van de arbeidsongeschiktheid, voor zover
deze toeneming kennelijk is voortgekomen uit dezelfde oorzaak als de
arbeidsongeschiktheid die binnen een halfjaar na aanvang van het
ingezetenschap dan wel na aanvang van de studie is ingetreden.
-3. Het eerste en tweede lid blijven buiten toepassing ten aanzien van de
jonggehandicapte indien hij op de dag dat hij ingezetene werd jonger was
dan 17 jaar en hij gedurende de zes jaren onmiddellijk voorafgaande aan
de dag waarop hij 17 jaar wordt ingezetene is geweest.
-4. Zolang het Landelijk instituut sociale verzekeringen op grond van het
eerste of tweede lid arbeidsongeschiktheid buiten aanmerking laat, vindt
artikel 2, tweede lid, overeenkomstige toepassing met betrekking tot de
door de jonggehandicapte aan deze wet nog te ontlenen aanspraken, met
dien verstande dat voor de in het eerste lid bedoelde dag of tijdstip
in de plaats treedt de dag met ingang waarvan het Landelijk instituut
sociale verzekeringen arbeidsongeschiktheid buiten aanmerking laat.
Art. 11.
Herziening van
de arbeidsongeschiktheidsuitkering
-1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt herzien wanneer de
jonggehandicapte aan wie zij is toegekend, op grond van deze wet voor
een hogere of lagere uitkering in aanmerking komt.
-2. Onverminderd hetgeen overigens in deze wet is bepaald ter zake van
herziening of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering beziet
het
Landelijk instituut sociale verzekeringen binnen één jaar na ingang
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, niet zijnde een voortzetting als
bedoeld in artikel 28, vierde lid, of er gronden aanwezig zijn voor
herziening of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-3. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen kan, onder goedkeuring
van Onze Minister, ten aanzien van bepaalde groepen arbeidsongeschikten
bepalen dat geen tijdvak geldt, dan wel een tijdvak zal gelden, dat
afwijkt van het in het tweede lid genoemde tijdvak.
-4. Ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid vindt herziening
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering plaats met inachtneming van de
artikelen 12 tot en met 15.
-5. De arbeidsongeschiktheidsuitkering van de jonggehandicapte die
deelneemt aan een voor hem gewenste opleiding of scholing wordt
gedurende deze opleiding of scholing niet herzien in verband met een
daaruit voortvloeiende afneming van de arbeidsongeschiktheid, tenzij
artikel 8, derde lid, van toepassing is. Indien de jonggehandicapte
tijdens de opleiding of scholing inkomsten uit arbeid verwerft, is
artikel 50, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.
Art. 12.
Herziening bij
minder dan 45% arbeidsongeschiktheid
-1. Ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid vindt herziening
van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, onverminderd de artikelen 14
en 15, plaats zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken 52
weken heeft geduurd.
-2. De in het eerste lid bedoelde herziening vindt niet
plaats indien de
toeneming kennelijk is voortgekomen uit een andere oorzaak dan die
waaruit de ongeschiktheid ter zake waarvan uitkering wordt genoten, is
voortgekomen.
-3. Het tweede lid is niet van toepassing op de persoon die in het jaar
onmiddellijk voorafgaande aan de dag van het intreden van de toeneming
van de arbeidsongeschiktheid zes of meer maanden studerende was als
bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel b.
-4. Voor het bepalen van het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het eerste
lid, worden perioden van arbeidsongeschiktheid samengeteld indien zij
elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
-5. Perioden van wonen buiten Nederland waarin de arbeidsongeschiktheid
is toegenomen, worden mede in aanmerking genomen voor het bepalen van het
tijdvak van 52 weken, bedoeld in het eerste lid.
Art. 13.
Herziening bij
45% arbeidsongeschiktheid of meer
-1. Ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid vindt herziening
van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van ten minste 45%, onverminderd artikel
14,
plaats zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken
heeft geduurd.
-2. Indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van ten minste 45% doch minder dan 80%, wegens
afneming van de arbeidsongeschiktheid is herzien naar een
arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, doch binnen vier weken na de
dag met ingang waarvan die uitkering is herzien de arbeidsongeschiktheid weer toeneemt, is het eerste lid van toepassing, onder
afwijking van artikel 12.
-3. Voor het bepalen van het tijdvak van vier weken, bedoeld in het
eerste en tweede lid, worden perioden van toegenomen
arbeidsongeschiktheid samengeteld indien zij elkaar met een
onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
-4. Perioden van wonen buiten Nederland waarin de arbeidsongeschiktheid
is toegenomen, worden mede in aanmerking genomen voor het bepalen van het
tijdvak van vier weken, bedoeld in het eerste en tweede lid.
Art. 14.
Herziening
uitkering zonder wachttijd
-1. Ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid vindt herziening
van een arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats zodra de toeneming
van de arbeidsongeschiktheid optreedt, indien deze intreedt:
a. binnen vier weken na de dag met ingang waarvan de
arbeidsongeschiktheidsuitkering werd toegekend;
b. binnen vier weken na de dag met ingang waarvan de
arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid
werd herzien;
c. binnen vier weken na de dag met ingang waarvan de
arbeidsongeschiktheidsuitkering, die voordien was berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, wegens afneming van de
arbeidsongeschiktheid is herzien naar een arbeidsongeschiktheid van
minder dan 80%;
d. binnen een bij ministeriële regeling aan te geven tijdvak in daarbij
aan te wijzen gevallen.
-2. Indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering werd toegekend,
onderscheidenlijk wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid werd herzien
dan wel is herleefd, met toepassing van artikel 29, tweede lid,
onderscheidenlijk artikel 31, tweede lid, geldt voor de toepassing van
het eerste lid, onderdeel a en b, als dag met ingang waarvan de
arbeidsongeschiktheidsuitkering werd toegekend, onderscheidenlijk werd
herzien dan wel is herleefd, de dag met ingang waarvan die uitkering
zou zijn toegekend, onderscheidenlijk zou zijn herzien dan wel zou zijn
herleefd, indien artikel 29, tweede lid, onderscheidenlijk
artikel 31,
tweede lid, geen toepassing zou hebben gevonden.
-3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor gevallen
waarbij direct herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
plaatsvindt. Op grond van deze regels kan bedoelde herziening slechts
plaatsvinden ten behoeve van de jonggehandicapte die bij hervatting van
de arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven inkomsten geniet die minder
bedragen dan evenredig is aan zijn nog bestaande arbeidsgeschiktheid.
-4. Voor de toepassing van het eerste lid worden perioden van wonen
buiten Nederland waarin de arbeidsongeschiktheid is toegenomen mede in
aanmerking genomen.
Art. 15.
Herziening bij
toeneming arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar
-1. Ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid die intreedt
binnen vijf jaar na de datum van toekenning of herziening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering en die voortkomt uit dezelfde oorzaak
als die waaruit de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan uitkering
wordt genoten, is voortgekomen, vindt herziening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats zodra de toegenomen
arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd.
-2. Voor het bepalen van het tijdvak van vier weken, bedoeld in het
eerste lid, worden perioden van toegenomen arbeidsongeschiktheid
samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier
weken opvolgen.
-3. Dit artikel vindt geen toepassing indien recht bestaat op herziening
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 13 of
14,
eerste lid, onderdeel a tot en met c.
-4. Perioden van wonen buiten Nederland waarin de arbeidsongeschiktheid
is toegenomen, worden mede in aanmerking genomen voor het bepalen van het
tijdvak van vier weken, bedoeld in het eerste lid.
Art. 16.
Overige gronden
voor herziening of intrekking
-1. Onverminderd hetgeen overigens in deze wet is bepaald ter zake van
herziening of intrekking van een beschikking tot toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering, alsook ter zake van een weigering van
een zodanige uitkering, herziet het
Landelijk instituut sociale verzekeringen een dergelijke beschikking of trekt het deze in:
a. ter uitvoering van een beslissing als bedoeld in artikel
10;
b. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op
grond van artikel 37, 38 of 62 heeft geleid tot het ten onrechte of tot
een te hoog bedrag verlenen van een uitkering;
c. indien anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag
is verleend;
d. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op
grond van artikel 37, 38 of 62
ertoe leidt dat niet kan worden
vastgesteld of nog recht op uitkering bestaat.
-2. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan het Landelijk
instituut sociale verzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van
herziening of intrekking af te zien.
Art. 17.
Einde van het
recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
-1. Het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering eindigt:
a. met ingang van de eerste dag van de maand waarin de jonggehandicapte
de leeftijd van 65 jaar bereikt;
b. wanneer de arbeidsongeschiktheid is geëindigd of beneden 25% is
gedaald, met ingang van de dag aangegeven in de daartoe strekkende
beschikking van het
Landelijk instituut sociale verzekeringen;
c. met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de
jonggehandicapte buiten Nederland is gaan wonen.
-2. De arbeidsongeschiktheidsuitkering van de jonggehandicapte die
deelneemt aan een voor hem gewenste opleiding of scholing wordt
gedurende deze opleiding of scholing niet ingetrokken in verband met een
daaruit voortvloeiende afneming van de arbeidsongeschiktheid, tenzij
artikel 8, derde lid, van toepassing is. Indien de jonggehandicapte
tijdens de opleiding of scholing inkomsten uit arbeid verwerft, is
artikel 50, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.
-3. Indien de intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering verband
houdt met een voltooide scholing of opleiding, gaat deze intrekking niet
eerder in dan één jaar na voltooiing van die scholing of opleiding.
Indien de jonggehandicapte eerder inkomsten uit arbeid verwerft, is
artikel 50, eerste lid, tot uiterlijk het einde van dat jaar van
overeenkomstige toepassing.
-4. Het eerste lid, onderdeel c, is tevens van toepassing op de
jonggehandicapte die buiten Nederland is gaan wonen en op wie artikel
3,
derde lid, van toepassing is.
Art. 18.
Herleving van
het recht op uitkering
Indien het recht op uitkering op grond van artikel 17, eerste lid,
onderdeel c, is geëindigd en de jonggehandicapte vervolgens weer in
Nederland woont, herleeft het recht op uitkering met ingang van de
eerste dag van de maand volgend op die waarin hij weer in Nederland is
gaan wonen.
Art. 19.
Toekenning
uitkering binnen vijf jaar na intrekking of niet-toekenning
-1. Indien de jonggehandicapte:
a. wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens afneming van
arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 17, eerste lid, onderdeel b,
is ingetrokken; of
b. die aan het einde van de wachttijd, bedoeld in artikel
6, eerste lid,
ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte,
gebreken, zwangerschap of bevalling, maar geen recht had op toekenning
van arbeidsongeschiktheidsuitkering omdat hij niet arbeidsongeschikt
was;
binnen vijf jaar na de datum van die intrekking dan wel binnen vijf
jaar na het bereiken van die wachttijd arbeidsongeschikt wordt en deze
arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die waaruit de
arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de ingetrokken uitkering werd
genoten dan wel als die op grond waarvan hij ongeschikt was tot het
verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, gebreken, zwangerschap of
bevalling voortkomt, vindt toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats zodra die
arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd.
-2. Voor het bepalen van het tijdvak van vier weken, bedoeld in het
eerste lid, worden perioden van arbeidsongeschiktheid samengeteld
indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken
opvolgen.
-3. Dit artikel vindt geen toepassing:
a. indien op grond van artikel 20 aanspraak bestaat op heropening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering; of
b. indien artikel 29b van de
Ziektewet toepassing kan vinden, tenzij de
toe te kennen arbeidsongeschiktheidsuitkering het ziekengeld overtreft.
Art. 20.
Heropening van
de uitkering
-1. De jonggehandicapte wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend
naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 45%, in verband met
artikel 17, eerste lid, onderdeel b, is ingetrokken, heeft, indien hij
binnen vier weken na de dag met ingang waarvan de uitkering is
ingetrokken weer arbeidsongeschikt wordt, aanspraak op heropening van
de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-2. Het eerste lid is mede van toepassing ten aanzien van de
jonggehandicapte wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar
een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, in verband met artikel
17,
eerste lid, onderdeel b, is ingetrokken, indien hij weer
arbeidsongeschikt wordt binnen vier weken na de dag met ingang waarvan
die uitkering, die voordien was berekend naar een arbeidsongeschiktheid
van ten minste 45%, wegens afneming van de arbeidsongeschiktheid is
herzien naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%.
-3. De jonggehandicapte wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend
naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, in verband met
artikel 17, eerste lid, onderdeel b, is ingetrokken met ingang van een
dag gelegen binnen vier weken na de dag met ingang waarvan die
uitkering werd toegekend of wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid werd
herzien, heeft, indien hij binnen die vier weken weer arbeidsongeschikt
wordt, aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Artikel 14, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
-4. De jonggehandicapte wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend
naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, in verband met
artikel 17, eerste lid, onderdeel b, is ingetrokken, heeft, onverminderd
het tweede en het derde lid, indien hij binnen vier weken na de dag met
ingang waarvan de uitkering is ingetrokken weer arbeidsongeschikt
wordt, niet kennelijk uit een andere oorzaak dan die waaruit de
arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de ingetrokken uitkering werd
genoten, is voortgekomen, aanspraak op heropening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-5. De heropening vindt plaats naar de mate van arbeidsongeschiktheid op
de dag waarop de heropening ingaat.
-6. Voor de toepassing van het eerste tot en met vijfde lid wordt niet
als arbeidsongeschikt beschouwd degene die minder dan 25%
arbeidsongeschikt is.
§ 2.
Vakantie-uitkering
Art. 21.
Recht op
vakantie-uitkering
De jonggehandicapte die over één maand recht heeft op
arbeidsongeschiktheidsuitkering, heeft over die maand recht op
vakantie-uitkering.
Art. 22.
Hoogte van de
vakantie-uitkering
-1. De vakantie-uitkering bedraagt 8 procent van het bedrag aan
arbeidsongeschiktheidsuitkering waarop recht bestond in het tijdvak van
twaalf maanden voorafgaande aan de maand mei.
-2. Indien artikel 50 of
51 is toegepast, wordt onder het bedrag aan
arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in het eerste lid, verstaan het
bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering nadat dat artikel
toepassing heeft gevonden.
-3. Indien het percentage van de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15,
eerste lid, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, wordt
gewijzigd, treedt dit gewijzigde percentage in de plaats van het in het
eerste lid genoemde percentage. Het gewijzigde percentage wordt in
aanmerking genomen over de uitkering waarop recht bestaat over het
tijdvak aanvangende met de dag waarop de wijziging ingaat.
-4. Op de ambtshalve toekenning van een vakantie-uitkering zijn de
artikelen 3:41 en 3:45 van de Algemene wet bestuursrecht niet van
toepassing.
Art. 23.
Recht op
vakantie-uitkering over overlijdensuitkering
De artikelen 21 en 22, eerste tot en met derde lid, zijn van
overeenkomstige toepassing op de overlijdensuitkering, bedoeld in
artikel 53.
§ 3.
Voorzieningen tot behoud, herstel of ter bevordering van de arbeidsgeschiktheid,
toelagen en vergoedingen
Vervallen
Art. 24.
Vervallen.
Art. 25.
Vervallen.
Art. 26.
Vervallen.
AFDELING
2
Het
geldend maken van het recht op uitkering
§ 1.
Melding
Art. 27.
Melding
gedurende wachttijd
-1. Teneinde een recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering geldend te
kunnen maken, meldt de jonggehandicapte zijn arbeidsongeschiktheid binnen
dertien weken na de dag waarop hij 17 jaar is geworden dan wel binnen
dertien weken na de in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, bedoelde dag
aan het
Landelijk instituut sociale verzekeringen.
-2. Voor het bepalen van het tijdvak van dertien weken, bedoeld in het
eerste lid, worden perioden van arbeidsongeschiktheid samengeteld
indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken
opvolgen.
§ 2.
Toekenning
Art. 28.
Toekenning
arbeidsongeschiktheidsuitkering
-1. Onverminderd hetgeen in deze wet ter zake van herziening of
intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering is bepaald, wordt de
arbeidsongeschiktheidsuitkering op aanvraag toegekend over tijdvakken
van drie jaar.
-2. Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen stelt de
jonggehandicapte schriftelijk in kennis van de mogelijkheid van het doen
van een aanvraag uiterlijk vier maanden vóór de datum waarop:
a. het in artikel 6, eerste lid, genoemde tijdvak van 52 weken eindigt;
b. een tijdvak van drie jaar als bedoeld in het eerste lid verstrijkt.
-3. Het tweede lid, onderdeel a, is niet van
toepassing indien de
jonggehandicapte de melding, bedoeld in artikel 27, eerste lid, niet of
niet tijdig heeft gedaan. Indien de jonggehandicapte deze melding niet
tijdig heeft gedaan, geldt de in het tweede lid bedoelde verplichting
voor het Landelijk instituut sociale verzekeringen uiterlijk drie
maanden nadat de jonggehandicapte de melding heeft gedaan.
-4. De jonggehandicapte die in aanmerking wenst te komen voor toekenning
dan wel voortzetting van de uitkering doet zijn aanvraag binnen negen
maanden na aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid, onderscheidenlijk
uiterlijk drie maanden vóór het verstrijken van een tijdvak als bedoeld
in het eerste lid.
-5. Indien niet binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn een
beschikking is gegeven op een tijdig ingediende aanvraag tot
voortzetting van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, wordt de uitkering
voortgezet tot het tijdstip waarop de beschikking op de aanvraag is
bekendgemaakt.
-6. Een aanvraag is tijdig ingediend indien het Landelijk instituut
sociale verzekeringen de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, niet
heeft gedaan dan wel indien bij een latere kennisgeving dan bedoeld in
het tweede lid de aanvraag wordt ingediend binnen vier weken nadat deze
kennisgeving is ontvangen.
-7. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen kan, onder goedkeuring
van Onze Minister, ten aanzien van bepaalde groepen arbeidsongeschikten
bepalen dat geen tijdvak geldt dan wel een tijdvak zal gelden dat
afwijkt van het in het eerste lid genoemde tijdvak.
-8. Indien de toepassing van het vierde lid zou leiden tot kennelijke
hardheid, is het Landelijk instituut sociale verzekeringen bevoegd de
uitkering ambtshalve toe te kennen of voort te zetten.
Art. 29.
Ingangsdatum
uitkering
-1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering gaat in op de
dag met ingang
waarvan de jonggehandicapte aan de vereisten voor het recht op
toekenning van die uitkering voldoet.
-2. In afwijking van het eerste lid kan de uitkering niet vroeger ingaan
dan één jaar vóór de dag waarop de aanvraag om toekenning dan wel
voortzetting van de uitkering werd ingediend. Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen kan voor bijzondere gevallen van de eerste zin
afwijken.
-3. Toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering vindt niet
plaats
indien deze zou ingaan op of na de in artikel 17, eerste lid, onderdeel a, bedoelde dag.
Art. 30.
Herziening,
heropening dan wel herleving op aanvraag of ambtshalve
-1. Herziening, heropening dan wel herleving van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering vindt op aanvraag of ambtshalve plaats.
-2. Herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering vindt in elk geval
ambtshalve plaats in geval van een beslissing op grond van artikel
11,
tweede lid.
Art. 31.
Ingangsdatum
herziening, heropening en herleving uitkering
-1. De herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering gaat in op de
dag waarop de jonggehandicapte op grond van deze wet voor een hogere of
lagere uitkering in aanmerking komt.
-2. Met betrekking tot de herziening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering die een verhoging van die uitkering tot
gevolg heeft, alsmede met betrekking tot de heropening of herleving van
de uitkering, is artikel 29, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
-3. De herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering ter zake van
afneming van de arbeidsongeschiktheid gaat in op de dag aangegeven in
de daartoe strekkende beschikking van het
Landelijk instituut sociale verzekeringen.
-4. Indien de herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering verband
houdt met een voltooide scholing of opleiding, gaat deze herziening niet
eerder in dan één jaar na voltooiing van die scholing of opleiding.
Indien de jonggehandicapte eerder inkomsten uit arbeid verwerft, is
artikel 50, eerste lid, tot uiterlijk het einde van dat jaar van
overeenkomstige toepassing.
-5. De herleving van de uitkering, bedoeld in
artikel 18, gaat in op de
eerste dag van de maand volgend op die waarin hij weer in Nederland is
gaan wonen.
-6. De heropening van de uitkering, bedoeld in
artikel 20, gaat in op de dag met ingang waarvan de jonggehandicapte weer arbeidsongeschikt is
geworden.
-7. Heropening of herleving van de arbeidsongeschiktheidsuitkering vindt
niet plaats indien deze zou ingaan op of na de in artikel
17, eerste
lid, onderdeel a, bedoelde dag.
Art. 32.
Toekenning
vakantie-uitkering op aanvraag of ambtshalve
De vakantie-uitkering wordt ambtshalve of, ingeval artikel
52, eerste
lid, tweede zin, toepassing vindt, op aanvraag door het
Landelijk instituut sociale verzekeringen toegekend.
Art. 33.
Oproep en
onderzoek door of namens het Landelijk instituut sociale verzekeringen
-1. Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen kan, telkens wanneer
het dat nodig oordeelt, oproepen of doen oproepen en op een door of
namens hem te bepalen plaats ondervragen of doen ondervragen:
a. de jonggehandicapte die de wachttijd van 52 weken, bedoeld in
artikel 6, eerste lid, doormaakt;
b. de jonggehandicapte die aanspraak maakt op of recht heeft op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering;
c. de jonggehandicapte ten aanzien van wie of ten behoeve van wie
reïntegratie-instrumenten als bedoeld in hoofdstuk 3 of
hoofdstuk 4 van
de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten zijn toegekend of
waarvan toekenning wordt overwogen;
d. de ingezetene die de leeftijd van 17 jaar nog niet heeft bereikt en
ten aanzien van wie of ten behoeve van wie reïntegratie-instrumenten
als bedoeld in hoofdstuk 3 of hoofdstuk 4 van
de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten
zijn toegekend of waarvan toekenning
wordt overwogen.
-2. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen kan de in het eerste
lid bedoelde personen op een door of namens hem te bepalen plaats door
één of meer daartoe door hem aangewezen deskundigen doen onderzoeken.
-3. De daartoe door het Landelijk instituut sociale verzekeringen
aangewezen deskundige kan, ook zonder opdracht van het Landelijk
instituut sociale verzekeringen, de in het eerste lid bedoelde personen
oproepen, ondervragen, onderzoeken, doen oproepen, doen ondervragen en
doen onderzoeken door één of meer door hem daartoe aangewezen
deskundigen.
Art. 34.
Vergoeding
kosten en tijdverlies
Opgeroepenen en, indien hun toestand geleide nodig maakt, mede hun
geleiders, worden reiskosten, verblijfkosten en tijdverlies vergoed in
de gevallen en volgens regels die door het
Landelijk instituut sociale verzekeringen worden vastgesteld.
Art. 35.
Voorschriften
van medische of administratieve aard
Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen of de door hem daartoe
aangewezen deskundige kan aan de in artikel 33, eerste lid, bedoelde
personen voorschriften geven in het belang van een behandeling of
genezing of tot behoud, herstel of ter bevordering van de
arbeidsgeschiktheid, dan wel tot inschrijving bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
Art. 36.
Controlevoorschriften
Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen kan controlevoorschriften
vaststellen. Deze voorschriften mogen niet verder gaan dan strikt
noodzakelijk is voor een juiste uitvoering van deze wet.
§ 3.
Maatregelen en boeten
Art. 37.
Gevolgen
weigeren onderzoek
-1. Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen weigert de uitkering
tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk indien een persoon als
bedoeld in artikel 33, eerste lid, na tijdig te zijn opgeroepen niet is
verschenen of heeft geweigerd:
a. vragen te beantwoorden die zijn gesteld door het Landelijk instituut
sociale verzekeringen of de door hem daartoe aangewezen deskundige;
b. zich te laten onderzoeken door de door het Landelijk instituut
sociale verzekeringen daartoe aangewezen deskundige; of
c. te voldoen aan het voorschrift, gegeven door het Landelijk instituut
sociale verzekeringen of de door hem daartoe aangewezen deskundige, om
zich ter observatie te doen opnemen of te verblijven in een aangewezen
inrichting.
-2. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen handelt overeenkomstig
het eerste lid bij toeneming van de arbeidsongeschiktheid, voor zover
deze toeneming kennelijk is voortgekomen uit dezelfde oorzaak als de
arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan het niet voldoen aan de
oproeping of de weigering plaatsvond.
Art. 38.
Gevolgen
niet-naleving voorschriften
Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen handelt overeenkomstig artikel 37, indien de
jonggehandicapte:
a. de door het Landelijk
instituut sociale verzekeringen of de door hem daartoe aangewezen
deskundige krachtens artikel 35 in het belang van een behandeling of
genezing of tot behoud, herstel of ter bevordering van de arbeidsgeschiktheid
dan wel tot inschrijving bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
gegeven voorschriften
zonder deugdelijke grond niet opvolgt;
b. zich niet, zolang als
het Landelijk instituut sociale verzekeringen of de door hem daartoe
aangewezen deskundige te kennen heeft gegeven dit noodzakelijk te achten,
onder geneeskundige behandeling stelt of indien hij de voorschriften van
de behandelende arts niet opvolgt;
c. zich schuldig maakt
aan gedragingen waardoor zijn genezing wordt belemmerd of nalaat
voldoende mee te werken om aanpassing aan zijn ziekte of gebrek te
verkrijgen;
d. de
controlevoorschriften, bedoeld in artikel 36, of de verplichting, bedoeld in
artikel 89,
vierde lid, van de
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997, niet of niet
behoorlijk is nagekomen dan wel de verplichting, bedoeld in artikel
62,
niet binnen de door het Landelijk instituut sociale verzekeringen daarvoor
vastgestelde termijn is nagekomen;
e. zijn
arbeidsongeschiktheid opzettelijk heeft veroorzaakt;
f. zich niet houdt aan
het voorschrift, bedoeld in artikel 28, vierde lid.
Art. 39.
Afstemming
maatregel op ernst gedraging
-1. Een maatregel als
bedoeld in artikel 37 of 38 wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en
de mate waarin de jonggehandicapte de gedraging kan worden
verweten. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
-2. Indien het niet tijdig
nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 62, niet heeft geleid tot
het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van een
uitkering als genoemd in dat artikel of indien de jonggehandicapte zich
niet houdt aan de voorschriften, bedoeld in artikel 28, vierde lid, kan het
Landelijk instituut sociale verzekeringen afzien van het opleggen van een
maatregel en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet tijdig nakomen van de
verplichting of het zich
niet houden aan de voorschriften, tenzij het niet tijdig nakomen van de
verplichting of het zich niet houden aan de voorschriften plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen
vanaf de datum waarop
eerder aan de jonggehandicapte een zodanige waarschuwing is gegeven.
-3. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn, kan het Landelijk instituut sociale
verzekeringen besluiten van het opleggen van een maatregel af te zien.
-4. Het opleggen van een
maatregel blijft achterwege indien voor dezelfde gedraging een
boete als bedoeld in artikel 40 wordt opgelegd.
-5. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met
betrekking tot het eerste lid.¹
1. Dit artikellid is nog
niet in werking getreden.
Tot het moment van
inwerkingtreding is de volgende tekst van
toepassing: Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen stelt nadere regels met betrekking tot
het eerste lid.
Art. 40.
Boete bij
niet-nakoming inlichtingenverplichting
-1. Indien de
jonggehandicapte of zijn wettelijke vertegenwoordiger de verplichting, bedoeld in
artikel 62, niet of niet behoorlijk is nagekomen, legt het
Landelijk instituut sociale verzekeringen hem een boete op van ten hoogste
ƒ5000,00.
-2. De hoogte van de boete
wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin
de jonggehandicapte of zijn wettelijke vertegenwoordiger de
gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert. Van
het opleggen van een boete wordt in elk geval afgezien indien
elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
-3. Indien het niet of
niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel
62,
niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
een uitkering als genoemd in dat artikel, kan het Landelijk instituut
sociale verzekeringen afzien van het opleggen van een boete als bedoeld in
het eerste lid en volstaan met het geven van een schriftelijke
waarschuwing ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen
van de verplichting
plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum
waarop eerder aan de jonggehandicapte of zijn wettelijke vertegenwoordiger een zodanige waarschuwing is gegeven.
-4. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn. kan het Landelijk instituut sociale
verzekeringen besluiten van het opleggen van een boete af te zien.
-5. De persoon aan wie een
boete is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan het Landelijk
instituut sociale verzekeringen de inlichtingen te verstrekken die voor de
tenuitvoerlegging van de boete van belang zijn.
-6. Voor zover de boete
nog niet is geïnd, vervalt zij door het overlijden van de persoon aan wie
zij is opgelegd.
-7. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met
betrekking tot het eerste en het tweede lid.¹
1. Dit artikellid is nog
niet in werking getreden.
Tot het moment van
inwerkingtreding is de volgende tekst van
toepassing: Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen stelt nadere regels met betrekking tot
het eerste en het tweede lid.
Art. 41.
Voorschriften
rond voorgenomen boeteoplegging
-1. Indien het
Landelijk instituut sociale verzekeringen jegens de jonggehandicapte of zijn
wettelijke vertegenwoordiger een handeling verricht waaraan deze in
redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat hem wegens een bepaalde
gedraging een boete zal worden opgelegd, is de jonggehandicapte of
zijn wettelijke vertegenwoordiger niet langer verplicht ter zake van
die gedraging enige verklaring af te leggen, voor zover het de
boeteoplegging betreft. De jonggehandicapte of zijn wettelijke
vertegenwoordiger wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om
informatie wordt gevraagd.
-2. Indien het Landelijk
instituut sociale verzekeringen voornemens is aan de jonggehandicapte
of zijn wettelijke vertegenwoordiger een boete op te leggen, wordt
hiervan kennis gegeven aan de jonggehandicapte of zijn wettelijke
vertegenwoordiger onder vermelding van de gronden waarop het voornemen
berust. De kennisgeving is een handeling als bedoeld in het eerste
lid.
-3. Op verzoek van de
jonggehandicapte of zijn wettelijke vertegenwoordiger die de kennisgeving,
bedoeld in het tweede lid, wegens zijn gebrekkige kennis van de
Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, draagt het Landelijk instituut
sociale verzekeringen er zoveel mogelijk zorg voor dat de in die
kennisgeving vermelde gronden aan de jonggehandicapte of zijn wettelijke
vertegenwoordiger worden meegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.
-4. In afwijking van
afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht stelt het Landelijk
instituut sociale verzekeringen de jonggehandicapte of zijn wettelijke
vertegenwoordiger in de gelegenheid om naar keuze schriftelijk of mondeling
zijn zienswijze naar voren te brengen voordat de boete wordt opgelegd.
-5. Indien de
jonggehandicapte of zijn wettelijke vertegenwoordiger zijn zienswijze mondeling naar
voren brengt, draagt het Landelijk instituut sociale verzekeringen er
op verzoek van de jonggehandicapte of zijn wettelijke
vertegenwoordiger die de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, zorg voor dat
een tolk wordt benoemd die hem kan bijstaan, tenzij redelijkerwijs kan
worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat.
Art. 42.
Voorschriften
rond boetebesluit
-1. Het besluit waarbij de
boete wordt opgelegd, vermeldt de termijn of de termijnen waarbinnen
deze moet worden betaald, alsmede de wijze waarop het besluit bij
gebreke van tijdige betaling, overeenkomstig artikel 46 zal worden
ten uitvoer gelegd.
-2. Op verzoek van de
jonggehandicapte of zijn wettelijke vertegenwoordiger die het in het eerste lid
bedoelde besluit wegens zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse
taal onvoldoende begrijpt, draagt het
Landelijk instituut sociale verzekeringen er zoveel mogelijk zorg voor dat de in dat besluit vermelde
informatie aan de jonggehandicapte of zijn wettelijke vertegenwoordiger wordt
meegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.
-3. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen stelt nadere regels met betrekking tot het eerste
lid.
Art. 43.
Niet-oplegging van boete
-1. Een boete wordt niet
opgelegd zolang de gedraging wordt onderzocht door het openbaar
ministerie.
-2. De oplegging van een
boete blijft definitief achterwege indien ter zake van de gedraging
tegen de jonggehandicapte of zijn wettelijke vertegenwoordiger een
strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een
aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot strafvordering is vervallen op grond van
artikel 74 van het Wetboek
van Strafrecht.
-3. Het openbaar
ministerie doet van een omstandigheid als bedoeld in het eerste en het tweede
lid mededeling aan het
Landelijk instituut sociale verzekeringen.
Art. 44.
Termijnstelling van boete
-1. Een boete wordt
opgelegd binnen één jaar nadat het
Landelijk instituut sociale verzekeringen de jonggehandicapte of zijn wettelijke vertegenwoordiger
overeenkomstig artikel 41, vierde lid, in de gelegenheid heeft gesteld
zijn zienswijze naar voren te brengen. Indien ter zake aangifte is gedaan
of proces-verbaal is opgemaakt en ingezonden, vangt het tijdvak van één
jaar aan op de dag na die waarop het openbaar ministerie aan het
Landelijk instituut sociale verzekeringen heeft meegedeeld dat geen strafvervolging
wordt ingesteld.
-2. Een boete wordt in elk
geval niet opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de desbetreffende
gedraging heeft plaatsgevonden.
Art. 45.
Afwijking
8:69 Awb
In afwijking van artikel
8:69 van de Algemene wet bestuursrecht kan de rechter in beroep of
hoger beroep het bedrag waarop de boete is vastgesteld ook ten
nadele van de jonggehandicapte of zijn wettelijke vertegenwoordiger
wijzigen.
Art. 46.
Boetebesluit
executoriale titel
-1. Het besluit waarbij
een boete is opgelegd, levert een executoriale titel op in de zin van het
Tweede
Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De titel
heeft mede betrekking op de rente en kosten, bedoeld in het zesde lid.
-2. Indien de persoon aan
wie een boete is opgelegd een uitkering ontvangt op grond van
deze wet, de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen, de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen of een toeslag
op grond van de Toeslagenwet, wordt het besluit waarbij de boete
is opgelegd ten uitvoer gelegd door verrekening met die uitkering of
toeslag.
-3. Indien de persoon aan
wie een boete is opgelegd een uitkering ontvangt op grond van de
Algemene Ouderdomswet, de Algemene
nabestaandenwet, de
Algemene bijstandswet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen of de Wet inkomensvoorziening
kunstenaars, betaalt de Sociale
Verzekeringsbank, onderscheidenlijk de betrokken gemeente, het
bedrag van die boete, zonder dat daarvoor een machtiging
nodig is van hem, op zijn verzoek aan het
Landelijk instituut sociale verzekeringen.
-4. Indien de persoon aan
wie een boete is opgelegd geen uitkering of toeslag als bedoeld in
het tweede of derde lid ontvangt of meer ontvangt, dan wel ten aanzien van
zodanige uitkering of toeslag toepassing van het tweede of derde lid niet
mogelijk is, wordt het besluit waarbij de boete is opgelegd bij gebreke van
tijdige betaling met toepassing van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering op zijn kosten betekend en ten uitvoer gelegd.
-5. De tenuitvoerlegging
van een besluit waarbij een boete is opgelegd, vindt plaats met
toepassing van het tweede of derde lid, dan wel van het vierde lid, dan wel van
het tweede of derde lid in combinatie met het vierde lid.
-6. Bij gebreke van
tijdige betaling wordt de verschuldigde boete verhoogd met de
wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten.
-7. Op het executoriaal
beslag op grond van dit artikel door het Landelijk instituut sociale
verzekeringen op loon, sociale uitkeringen of andere periodieke
betalingen
die derden verschuldigd zijn of worden aan degene aan wie een boete is
opgelegd, zijn de artikelen 479b tot en met 479g, behoudens artikel
479e,
tweede lid, van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering van
overeenkomstige toepassing. De in artikel 479g aan het Landelijk
Bureau Inning Onderhoudsbijdragen toegekende bevoegdheid komt
gelijkelijk toe aan het Landelijk instituut sociale verzekeringen.
-8. De tenuitvoerlegging
van een besluit met toepassing van dit artikel geschiedt zodanig dat de jonggehandicapte of zijn wettelijke vertegenwoordiger
blijft beschikken over
een inkomen gelijk aan de beslagvrije voet, bedoeld in de
artikelen 475c en 475d van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering.
-9. Het achtste lid geldt niet zolang de jonggehandicapte of zijn wettelijke
vertegenwoordiger zijn verplichting, bedoeld in artikel
40, vijfde lid, niet of niet
behoorlijk nakomt.
AFDELING
3
De
betaling van de uitkering
Art. 47.
Betaalbaarstelling
-1. De
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt betaalbaar gesteld door het
Landelijk instituut sociale verzekeringen. De betaling geschiedt als regel in tijdvakken van
één maand.
-2. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen kan een uitkering als bedoeld in het eerste
lid over een door hem te bepalen tijdvak bij wege van voorschot betaalbaar
stellen indien onzekerheid bestaat over het recht op of de hoogte van
de uitkering of de hoogte van het te betalen bedrag aan uitkering. Een
verleend voorschot wordt verrekend met het definitief vastgestelde
bedrag aan uitkering dat over het desbetreffende tijdvak wordt betaald.
-3. Onverminderd het
tweede lid schort het Landelijk instituut sociale verzekeringen de betaling
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op of schorst het de betaling,
indien het op grond van duidelijke aanwijzingen van oordeel is of het
gegronde vermoeden heeft dat:
a. het recht op uitkering
niet of niet meer bestaat;
b. recht op een lagere
uitkering bestaat;
c. de jonggehandicapte of
zijn wettelijke vertegenwoordiger een verplichting als bedoeld
in artikel 37, 38 of 62 niet of niet behoorlijk is nagekomen.
-4. Ingeval de
arbeidsongeschiktheidsuitkering in het buitenland wordt betaald, worden de daaraan
verbonden kosten van overmaking op de uitkering in mindering
gebracht.
-5. Wanneer de jonggehandicapte aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is
toegekend een ander
machtigt om de uitkering in ontvangst te nemen,
onderscheidenlijk een verleende machtiging intrekt, wordt daaraan gevolg gegeven
met ingang van een betalingstijdvak aanvangende na de dag
waarop de machtiging wordt ingediend, onderscheidenlijk waarop
van haar intrekking mededeling wordt gedaan, doch niet later dan de
eerste dag van de tweede maand na de dag van indiening
onderscheidenlijk de mededeling.
Art. 48.
Inhouding
vereveningsbijdrage
Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen houdt op de arbeidsongeschiktheidsuitkering, op de
vakantie-uitkering
en op de toeslag op de uitkering op grond van de
Toeslagenwet een bedrag in dat gelijk is aan het bedrag van de premie die een
werkgever op grond van de Werkloosheidswet op het overeenkomstige loon
van een werknemer die verzekerd is op grond van die wet inhoudt.
Art. 49.
Betaling aan
instellingen
-1. Indien de jonggehandicapte aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, op grond
van artikel 6, derde lid, van de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten een bijdrage verschuldigd is in de kosten van een verstrekking als
bedoeld in de artikelen 6 en 11 van
die wet of een vergoeding als bedoeld in
de artikelen 11 en 12 van
die wet, kan het
Landelijk instituut sociale verzekeringen de arbeidsongeschiktheidsuitkering tot het bedrag van die
bijdrage in plaats van aan de jonggehandicapte zonder
diens machtiging betalen aan de Ziekenfondsraad.¹
-2. Indien de jonggehandicapte aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is
toegekend in een
inrichting ter verpleging van geesteszieken of van zwakzinnigen is
opgenomen en het Landelijk instituut sociale verzekeringen van de
desbetreffende inrichting of van de gemeente die de opnamekosten
betaalt het
verzoek ontvangt om de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan die inrichting of die
gemeente uit te betalen, kan het Landelijk instituut sociale verzekeringen dat verzoek zonder het stellen van
andere voorwaarden
inwilligen.
-3. Indien het eerste lid
toepassing vindt, heeft de in het tweede lid bedoelde bevoegdheid
betrekking op het gedeelte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering dat niet aan de
Ziekenfondsraad wordt betaald.
-4. Op de herziening van
een beschikking op grond van het eerste lid als gevolg van een wijziging
van de verschuldigde bijdrage zijn de artikelen 3:41 en
3:45 van de
Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
1. Tot het moment van
inwerkingtreding van artikel 65b van de Overgangswet
verzorgingshuizen is de volgende tekst van
toepassing: Indien de jonggehandicapte aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering
is toegekend, op grond van artikel 6,
derde lid, van de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten een bijdrage verschuldigd is in de
kosten van een verstrekking als bedoeld
in de artikelen 6 en 11 van
die wet of een
vergoeding als bedoeld in de artikelen 11 en
12
van die wet, dan wel een bijdrage verschuldigd
is op grond van artikel 15 van de Overgangswet
verzorgingshuizen, kan het
Landelijk instituut sociale verzekeringen de arbeidsongeschiktheidsuitkering tot het bedrag van die
bijdrage in plaats van aan de
jonggehandicapte zonder diens machtiging betalen aan de Ziekenfondsraad.
Art. 50.
Inkomsten uit
arbeid tijdens uitkering
-1. Indien de
jonggehandicapte die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
inkomsten uit arbeid geniet, wordt, zolang niet vaststaat of
deze arbeid als arbeid, bedoeld in artikel 2, vierde lid, kan worden aangemerkt, de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet
ingetrokken of herzien,
doch wordt de uitkering:
a. niet betaald indien
de inkomsten uit arbeid zodanig zijn dat als die arbeid wel arbeid als
bedoeld in artikel 2, vierde lid, zou zijn, niet langer sprake zou zijn van
arbeidsongeschiktheid van ten minste 25%; of
b. indien onderdeel a
niet van toepassing is, betaald tot een bedrag ter grootte van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering zoals deze zou zijn vastgesteld indien die
arbeid wel arbeid als bedoeld in artikel 2, vierde lid, zou zijn.
-2. Toepassing van het
eerste lid kan ten hoogste plaatsvinden over een aaneengesloten tijdvak
van drie jaar, vanaf de eerste dag waarover de inkomsten uit arbeid
worden genoten. Dit tijdvak wordt niet onderbroken indien gedurende perioden
van korter dan vier weken geen inkomsten uit arbeid worden genoten. Na
afloop van het in de eerste zin genoemde tijdvak wordt de in het
eerste lid bedoelde arbeid aangemerkt als arbeid, bedoeld in artikel
2,
vierde lid.
-3. Indien de
jonggehandicapte die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
inkomsten uit arbeid geniet ingevolge een arbeidsovereenkomst als bedoeld in
hoofdstuk 2 en 3 van de Wet sociale
werkvoorziening, vindt
het tweede lid geen toepassing.
-4. Maandelijks wordt het
geraamde bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die op grond van het
derde lid niet worden uitbetaald wegens het genieten van
dat loon, alsmede van de dientengevolge niet-uitbetaalde vakantie-uitkeringen, vermeerderd met het bedrag aan
premies dat het
Landelijk instituut sociale verzekeringen bij uitbetaling daarover op grond van
enige wet verschuldigd zou zijn en dat niet op de uitkeringen in mindering
kan worden gebracht, aan ’s Rijks kas afgedragen door middel
van gelijktijdige verrekening met het aan het Landelijk instituut
sociale verzekeringen toegekende voorschot ten behoeve van uitkeringen,
sociale lasten en uitkeringskosten voor hetzelfde tijdvak.
-5. Bij ministeriële
regeling worden regels gesteld met betrekking tot het eerste lid. Deze regels
hebben in elk geval betrekking op:
a. de gelijkstelling van
inkomsten in verband met arbeid met inkomsten als bedoeld in het eerste
lid;
b. de gevallen waarin het
eerste lid buiten toepassing blijft.
-6. Bij ministeriële
regeling kan worden bepaald dat het tweede lid geen toepassing vindt ten
aanzien van andere vormen van arbeid die de jonggehandicapte gaat
verrichten.
Art. 51.
Samenloop met
WAO-uitkering en andere uitkeringen
-1. Indien zowel recht
bestaat op een arbeidsongeschiktheidsuitkering als op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de
Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
of op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen, wordt de
arbeidsongeschiktheidsuitkering slechts uitbetaald voor
zover deze de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
of op grond van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen overtreft.
-2. Het eerste lid is niet
van toepassing indien ter zake van arbeidsongeschiktheid recht ontstaat op een
uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
of op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en in
verband daarmee geen herziening op grond van
artikel 12 plaatsvindt van de voordien toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-3. Indien ter zake van
arbeidsongeschiktheid met ingang van dezelfde dag zowel recht bestaat
op herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met de
artikelen 11 tot en met 16 als op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
of de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, wordt de
arbeidsongeschiktheidsuitkering slechts uitbetaald voor zover
deze de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen overtreft,
doch in ieder geval uitbetaald tot de hoogte
van het bedrag onmiddellijk voorafgaande aan de herziening.
-4. Indien na toepassing
van het derde lid zowel de arbeidsongeschiktheidsuitkering als de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de
Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen als gevolg
van toe- of afneming van de arbeidsongeschiktheid wordt herzien, wordt de
arbeidsongeschiktheidsuitkering,
in afwijking van het eerste lid, uitbetaald voor zover deze het
bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen overtreft, doch in elk geval uitbetaald tot de
hoogte van het bedrag onmiddellijk voorafgaande aan de herziening als
bedoeld in het derde lid.
-5. Indien ter zake van
arbeidsongeschiktheid zowel recht bestaat op herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet
op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering in verband met de artikelen 36 tot en met 40 van
die wet
of op herziening op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen in verband
met de artikelen 12 tot en met 16 van die wet
als op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, wordt de
arbeidsongeschiktheidsuitkering uitbetaald voor zover deze de herziene
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen overtreft.
-6. Voor de toepassing van
het eerste tot en met het vijfde lid wordt onder
arbeidsongeschiktheidsuitkering en arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen tevens
verstaan de
vakantie-uitkering waarop uit hoofde van die
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen recht bestaat, voor zover
die vakantie-uitkeringen over dezelfde periode zijn berekend.
-7. Het eerste tot en met
het zesde lid zijn niet van toepassing op degene die een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt op grond van de
vrijwillige verzekering
als bedoeld in hoofdstuk VI van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
-8. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen nadere en zo nodig afwijkende
regels worden gesteld:
a. met betrekking tot het
eerste lid;
b. ter voorkoming of
beperking van samenloop van arbeidsongeschiktheidsuitkering met arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van andere
wetten.
-9. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld ter voorkoming of
beperking van samenloop van arbeidsongeschiktheidsuitkering met uitkering ingevolge
de sociale wetgeving van de Nederlandse Antillen, Aruba of van
een andere mogendheid.
Art. 52.
Betaling van
vakantie-uitkering
-1. De betaling van de
vakantie-uitkering vindt eenmaal per jaar plaats in de maand mei over de aan
die maand voorafgaande twaalf maanden of, indien het recht op
uitkering eerder dan in de maand mei eindigt, in de desbetreffende maand. Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen kan de vakantie-uitkering op
een ander tijdstip betalen, mits die betaling plaatsvindt over één of
meer voorliggende maanden waarover reeds recht op vakantie-uitkering
bestaat.
-2. De artikelen 47, 49 en
53 zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de
vakantie-uitkering, voor zover bij of krachtens deze wet niet anders is bepaald.
Art. 53.
Overlijdensuitkering
-1. Na het overlijden van
de jonggehandicapte aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering
is toegekend, wordt met ingang van de dag na het overlijden de
uitkering in de vorm van een overlijdensuitkering betaald:
a. aan de langstlevende
van de echtgenoten;
b. bij ontstentenis van
de in onderdeel a bedoelde persoon, aan de minderjarige kinderen tot
wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond;
c. bij ontstentenis van
de in de onderdelen a en b bedoelde personen, aan degenen ten aanzien
van wie de overledene grotendeels in de kosten van bestaan voorzag en
met wie hij in gezinsverband leefde.
-2. Met de
jonggehandicapte aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, wordt voor
de toepassing van dit artikel gelijkgesteld de jonggehandicapte wiens
overlijden heeft plaatsgevonden in de maand waarin hij de
leeftijd van 65 jaar zou hebben bereikt, doch vóór het bereiken van deze
leeftijd is overleden, en die uitsluitend op grond van
artikel 17, eerste lid,
onderdeel a, over de dag van zijn overlijden geen recht op uitkering had.
-3. De
overlijdensuitkering is gelijk aan het bedrag van de uitkering over één maand, doch niet
over de zaterdagen en de zondagen, berekend naar de hoogte van die
uitkering op de dag of laatstelijk vóór de dag van overlijden van de
jonggehandicapte.
-4. In verband met het
overlijden van de jonggehandicapte aan wie een uitkering is toegekend,
is artikel 17, eerste lid, onderdeel a, niet van toepassing.
-5. De
overlijdensuitkering wordt op aanvraag aan de rechthebbende of rechthebbenden, bedoeld
in het eerste lid, door het
Landelijk instituut sociale verzekeringen betaald.
-6. De
overlijdensuitkering wordt in een bedrag ineens betaald.
-7. Het bedrag van de
overlijdensuitkering wordt verminderd met het bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkering dat over na het overlijden
gelegen dagen reeds is
betaald.
Art. 54.
Verjaringstermijn
Uitkeringen op grond van
deze wet die niet in ontvangst zijn genomen of zijn ingevorderd
binnen twee jaren na de dag van betaalbaarstelling, worden niet meer betaald.
Art. 55.
Terugvordering
-1. De uitkering die als
gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 16 onverschuldigd is
verstrekt, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door
het
Landelijk instituut sociale verzekeringen van de belanghebbende
teruggevorderd.
-2. In afwijking van het
eerste lid kan het Landelijk instituut sociale verzekeringen besluiten
van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien, indien de
belanghebbende:
a. gedurende vijf jaar
volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan;
b. gedurende vijf jaar
niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het
achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de
daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking
hebbende kosten, alsnog heeft betaald;
c. gedurende vijf jaar
geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig
moment zal gaan verrichten; of
d. een bedrag
overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in één keer aflost.
-3. De in het tweede lid,
onderdeel a en b, genoemde termijn is drie jaar, indien:
a. het gemiddeld inkomen
van de belanghebbende in die periode de beslagvrije voet, bedoeld
in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, niet te boven is gegaan; en
b. de terugvordering niet
het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de
verplichting, bedoeld in artikel 62.
-4. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn, kan het Landelijk instituut sociale
verzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te
zien.
-5. Het besluit tot
terugvordering vermeldt hetgeen wordt teruggevorderd, de termijn of termijnen
waarbinnen moet worden betaald, alsmede dat het besluit
bij gebreke van tijdige betaling zal worden ten uitvoer gelegd op de
wijze als omschreven in artikel 56.
-6. De persoon van wie of
de instelling waarvan wordt teruggevorderd, is verplicht desgevraagd aan
het Landelijk instituut sociale verzekeringen de inlichtingen te
verstrekken die voor de terugvordering van belang zijn.
-7. In afwijking van het
eerste lid kan het Landelijk instituut sociale verzekeringen, onder
voorwaarden die Onze Minister kan stellen, besluiten van
terugvordering af te zien indien het terug te vorderen bedrag een door Onze
Minister vast te stellen bedrag niet te boven gaat.
Art. 56.
Besluit als
executoriale titel
-1. Het besluit tot
terugvordering levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede
Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
-2. Artikel 46 is van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat indien het gemiddeld
inkomen van de belanghebbende gedurende drie jaar de beslagvrije voet,
bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, niet te boven is gegaan, het
Landelijk instituut sociale verzekeringen de aflossingsbedragen lager vaststelt.
Art. 57.
Nadere regels
-1. Bij ministeriële
regeling kunnen met betrekking tot artikel 55, tweede en derde lid, nadere
regels worden gesteld.
-2. Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen stelt regels met betrekking tot de
artikelen 55, eerste, vierde, vijfde en zesde lid, en 56.
Art. 58.
Onvervreemdbaarheid van verstrekkingen
-1. De
arbeidsongeschiktheidsuitkering, de verhoging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering,
bedoeld in artikel 9, en de vakantie-uitkering zijn:
a. onvervreemdbaar;
b. niet vatbaar voor
verpanding of belening.
-2. Volmacht tot ontvangst
van een uitkering, onder welke vorm of welke benaming ook verleend, is
steeds herroepelijk.
-3. Elk beding strijdig
met dit artikel is nietig.
Art. 59.
Niet voor
beslag vatbare verstrekkingen
Niet vatbaar voor beslag
zijn:
a. de verhoging, bedoeld
in artikel 9;
b. de
overlijdensuitkering, bedoeld in artikel 53.
HOOFDSTUK
3
De
invloed van de verzekering op het burgerlijk recht
Art. 60.
Samenloop
aanspraken
Bij de vaststelling van
de schadevergoeding waarop de jonggehandicapte naar burgerlijk recht
aanspraak kan maken ter zake van zijn arbeidsongeschiktheid houdt de rechter rekening
met de aanspraken die hij op grond van deze wet heeft.
Art. 61.
Regresrecht
-1. Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen heeft voor de op grond van deze wet gemaakte
kosten verhaal op degene die in verband met het veroorzaken van
arbeidsongeschiktheid jegens de jonggehandicapte naar burgerlijk recht tot
schadevergoeding is verplicht, doch ten hoogste tot het bedrag waarvoor deze
bij het ontbreken van de aanspraken krachtens deze wet naar burgerlijk
recht aansprakelijk zou zijn, verminderd met een bedrag gelijk aan dat
van de schadevergoeding tot betaling waarvan de aansprakelijke persoon
jegens de jonggehandicapte naar burgerlijk recht is gehouden.
-2. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen kan in plaats van het bedrag van de periodieke
verstrekkingen de contante waarde daarvan vorderen in de vorm van
een jaarlijks vast te stellen afkoopsom die aan het Landelijk instituut
sociale verzekeringen wordt vergoed voor de totale schadelast tengevolge
van het veroorzaken van arbeidsongeschiktheid.
HOOFDSTUK
4
Het
verstrekken van inlichtingen
Art. 62.
Verplichting
tot verstrekken van inlichtingen
-1. De jonggehandicapte,
diens wettelijke vertegenwoordiger alsmede de instelling, bedoeld in
artikel 49, waaraan arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt betaald, zijn
verplicht aan het
Landelijk instituut sociale verzekeringen, op zijn
verzoek of onverwijld uit eigen beweging, mededeling te doen van
alle feiten of omstandigheden waarvan het hun redelijkerwijs duidelijk
moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, de
hoogte van de uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering of op
het bedrag van de uitkering dat wordt betaald.
-2. Op de jonggehandicapte
die aanspraak maakt op of recht heeft op vakantie-uitkering,
alsmede op diens wettelijke vertegenwoordiger, rusten overeenkomstige
verplichtingen als omschreven in het eerste lid.
HOOFDSTUK
5
Financiering
Art. 63.
Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten
Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen beheert en administreert afzonderlijk de in
artikel 64 bedoelde middelen tot dekking van de uitgaven en de uitgaven,
bedoeld in artikel 65, in de vorm van een Arbeidsongeschiktheidsfonds
jonggehandicapten dat deel uitmaakt van het Landelijk instituut
sociale verzekeringen.
Art. 64.
Middelen tot
dekking van de uitgaven
In de middelen tot
dekking van de uitgaven ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds
jonggehandicapten wordt voorzien door:
a. het Rijk;
b. de bedragen, bedoeld
in artikel 48;
c. de boeten, bedoeld in
artikel 40;
d. de bedragen die het
Landelijk instituut sociale verzekeringen ontvangt met toepassing
van verhaal als bedoeld in artikel 61.
Art. 65.
Uitgaven ten
laste van Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten
-1. Ten laste van het
Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten komen:
a. de op grond van deze
wet te betalen uitkeringen;
b. de op grond van enige
wet over de uitkeringen op grond van deze wet door het
Landelijk instituut sociale verzekeringen verschuldigde premies die niet op deze
uitkeringen in mindering kunnen worden gebracht;
c. het op grond van
artikel 50, vierde lid, aan ’s Rijks kas af te dragen bedrag;
d. het op grond van
artikel 42 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten aan het
Reïntegratiefonds af te dragen bedrag;
e. de aan de uitvoering
van deze wet verbonden kosten.
-2. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen kan nadere regels stellen omtrent het eerste lid.
HOOFDSTUK
6
Uitvoering
Art. 66.
Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen en de uitvoeringsinstellingen
-1. In de uitvoering van
de in deze wet geregelde voorziening wordt voorzien door het
Landelijk instituut sociale verzekeringen en door de uitvoeringsinstelling
die
de werkzaamheden, bedoeld in artikel 41 van de
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997, verricht.
-2. Indien de
jonggehandicapte in geval van arbeidsongeschiktheid met ingang van dezelfde dag
tevens aanspraak heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond
van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering onderscheidenlijk op
grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen, worden de
werkzaamheden, bedoeld in artikel 41 van de
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997, verricht door de uitvoeringsinstelling die
deze werkzaamheden ten aanzien van de jonggehandicapte verricht
met betrekking tot de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering onderscheidenlijk op
grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen.
-3. Indien de
jonggehandicapte recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering onderscheidenlijk op
grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen die is
toegekend met ingang van een dag gelegen vóór de dag waarop hij
recht heeft op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, worden de werkzaamheden,
bedoeld in artikel 41 van de
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997, verricht door de uitvoeringsinstelling die deze werkzaamheden
ten aanzien van de jonggehandicapte verricht met betrekking
tot de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering onderscheidenlijk op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen.
-4. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen kan regels stellen waarbij een
uitvoeringsinstelling wordt aangewezen in geval van samenloop van
arbeidsongeschiktheidsuitkering met uitkeringen op grond van andere
wettelijke regelingen in gevallen anders dan bedoeld in het tweede en derde lid.
Art. 66a.
Werkzaamheden verricht door de uitvoeringsinstelling bij
herziening
Ongeacht artikel 66
worden de werkzaamheden, bedoeld in artikel 41
van de
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997, met betrekking tot de herziening van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering verricht door de uitvoeringsinstelling
die
deze werkzaamheden verrichtte met betrekking tot de toekenning van die
uitkering.
Art. 66b.
Werkzaamheden verricht door de uitvoeringsinstelling bij
heropening en herleving
-1. De werkzaamheden,
bedoeld in artikel 41 van de
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997, met betrekking tot de heropende dan wel herleefde
arbeidsongeschiktheidsuitkering worden verricht door de uitvoeringsinstelling
die
de werkzaamheden met betrekking tot de ingetrokken uitkering
heeft verricht.
-2. De heropende dan wel
herleefde arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt beschouwd als een
voortzetting van de ingetrokken uitkering. Voor de toepassing van de
artikelen 13, tweede lid, 14, eerste lid, onderdeel c, en
15 wordt daarbij met
herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens afneming van de
arbeidsongeschiktheid gelijkgesteld intrekking van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Art. 66c.
Werkzaamheden verricht door de uitvoeringsinstelling bij
toekenning binnen vijf jaar na intrekking of niet-toekenning
Onverminderd artikel 66,
tweede en derde lid, worden de werkzaamheden, bedoeld in artikel 41
van
de
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997, met betrekking tot
een toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel
19
verricht door de uitvoeringsinstelling die deze werkzaamheden met
betrekking tot de in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, bedoelde
ingetrokken uitkering heeft verricht dan wel door de uitvoeringsinstelling
die deze werkzaamheden met betrekking tot de in artikel
19, eerste lid,
onderdeel b, bedoelde niet-toegekende uitkering heeft verricht.
Art. 67.
Vervallen.
HOOFDSTUK
7
Bepalingen
in verband met de Algemene wet bestuursrecht en het beroep in cassatie
Art. 68.
Begrip
belanghebbende
Bij een besluit op grond
van deze wet dat betrekking heeft op het al dan niet bestaan of
voortbestaan dan wel de mate van arbeidsongeschiktheid is belanghebbende degene
op wiens aanspraken het besluit betrekking heeft.
Art. 69.
Beslistermijnen
Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de termijn
waarbinnen een beschikking op aanvraag en op grond van deze wet door
het
Landelijk instituut sociale verzekeringen dient te worden gegeven.
Deze algemene maatregel van bestuur vervalt met ingang van 1 januari
2000.
Art. 70.
Beslistermijn
Landelijk instituut sociale verzekeringen bij bezwaarschrift
-1. In afwijking van
artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht beslist het
Landelijk instituut sociale verzekeringen binnen dertien weken na
ontvangst van het bezwaarschrift.
-2. Indien bezwaar wordt
gemaakt tegen een besluit waaraan een medische of
arbeidskundige beoordeling ten grondslag ligt, beslist het Landelijk instituut
sociale verzekeringen binnen zeventien weken of, indien het advies vraagt
aan een deskundige die niet onder zijn verantwoordelijkheid werkzaam is, binnen
21 weken na ontvangst van het bezwaarschrift.
Art. 71.
Medische
bezwaarschriftprocedure
Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van de
behandeling van bezwaarschriften tegen besluiten waaraan een medische of
arbeidskundige beoordeling ten grondslag ligt.
Art. 72.
Beroep in
cassatie
-1. Tegen uitspraken van
de Centrale Raad van
Beroep
kan ieder der partijen beroep in
cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van de
artikelen 1, derde tot en met zevende lid, en 3 en de op die artikelen berustende
bepalingen.
-2. Op dit beroep zijn de
voorschriften betreffende het beroep in cassatie tegen uitspraken van de
gerechtshoven
inzake beroepen in belastingzaken van overeenkomstige
toepassing, waarbij de Centrale Raad van Beroep de plaats inneemt van een
gerechtshof.
HOOFDSTUK
8
Strafbepalingen
Art. 73.
Strafbepaling
Overtreding van
bepalingen van een krachtens deze wet uitgevaardigde algemene maatregel van
bestuur voor zover uitdrukkelijk als strafbaar feit in de zin van dit artikel
aangeduid, wordt gestraft met een hechtenis van ten hoogste één maand of
geldboete van de tweede categorie.
Art. 73a.
Strafbepaling inzake artikel 62
Hij die niet voldoet aan
de verplichting, bedoeld in artikel 62, wordt gestraft met hechtenis
van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.
Art. 73b.
Strafbepaling inzake valse opgave/opzettelijke verzwijging
Hij die op grond van bij
of krachtens deze wet vastgestelde bepalingen gehouden is inlichtingen
of gegevens te verstrekken, mededeling te doen of een verklaring af te
leggen en daarbij opzettelijk een valse opgave doet, dan wel opzettelijk in
strijd met bedoelde gehoudenheid iets verzwijgt, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde
categorie.
Art. 73c.
Strafbepaling inzake opzettelijke opgave in strijd met waarheid
Hij die op andere wijze
dan door het valselijk opmaken of vervalsen van een geschrift dat
bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, opzettelijk een opgave
in strijd met de waarheid doet, zulks met het oogmerk om aldus een
uitkering of een hogere uitkering op grond van deze wet te verkrijgen,
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of
geldboete van de vierde categorie.
Art. 74.
Verval van
recht tot strafvordering
Het recht tot
strafvordering vervalt indien het
Landelijk instituut sociale verzekeringen aan de
jonggehandicapte of zijn wettelijke vertegenwoordiger ter zake van hetzelfde
feit reeds een boete heeft opgelegd.
Art. 75.
Misdrijven en
overtredingen
De in de artikelen 73b en 73c
bedoelde strafbare feiten worden als misdrijven, de in de
artikelen 73 en 73a bedoelde strafbare feiten worden als overtredingen
beschouwd.
HOOFDSTUK
9
Overgangs-
en slotbepalingen
Art. 76.
Overgangsbepaling studerende in de zin van artikel 5
Zolang op grond van
artikel XII, onderdeel a, van de Wet van 21 december 1995, Stb.
1995, 691,
tot nadere wijziging van een aantal socialezekerheidswetten
(technische verbeteringen in verband met de wetten TAV, TBA en
TZ, alsmede
enige andere wijzigingen) voor een kind recht bestaat op kinderbijslag
ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet, wordt dat kind aangemerkt als
studerende in de zin van artikel 5, tweede lid.
Art. 77.
Buitentoepassingverklaring van Algemene termijnenwet
De Algemene
termijnenwet is niet van toepassing op de tijdvakken van vier weken, genoemd in de
artikelen 6, tweede en derde lid, 12, derde lid, 13,
14, eerste lid, 15,
19 en 20.
Art. 78.
Inwerkingtreding
Deze wet treedt in
werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de
verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden
vastgesteld.¹
1. Bij Besluit
van 2 september 1997, Stb. 1997, 391, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 januari 1998, red.
Art. 79.
Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald
als: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.
[Lasten en bevelen dat
deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige
uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage,
24 april 1997
BEATRIX
De Staatssecretaris
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave
Uitgegeven de negenentwintigste
april 1997
De Minister van
Justitie,
W. Sorgdrager, red.]
|
|