|
rblz.|1|
Kamerstukken II
1996-1997, 25 313
Verklaring
dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering
in de Grondwet, strekkende tot
opneming van bepalingen inzake de
Nationale ombudsman ¹
1. Zie ook de memorie
van toelichting bij wetsvoorstel 16 057, red.
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
Algemeen
Dit
wetsvoorstel strekt ertoe het ambt van Nationale
ombudsman in de Grondwet te verankeren.
Het instituut Nationale
ombudsman heeft na een aanvankelijk aarzelende start een belangwekkende ontwikkeling doorgemaakt.
De Nationale ombudsman
heeft zich een vaste en eigen plaats verworven die niet meer
is weg te denken in ons staatsbestel.
Een expliciete vermelding
in de Grondwet mag niet meer achterwege blijven.
Het ombudsmaninstituut
heeft zich overigens niet alleen in Nederland een belangrijke plaats
verworven, maar ook in een groeiend aantal andere landen in de wereld. Zo
is opmerkelijk dat in de nog jonge democratieën in Midden- en Oost-Europa al vrij snel het ombudsinstituut tot ontwikkeling is gekomen. In vele
landen is de positie van de ombudsman constitutioneel
verankerd. Gewezen zij ook op de invoering in het verband van de Europese Unie van
het instituut van een Europese ombudsman.
De Nationale
ombudsman beoordeelt op verzoek of uit eigen beweging of gedragingen van de
onder zijn bevoegdheid vallende bestuursorganen en hun medewerkers,
volgens een inmiddels ontwikkeld toetsingskader, voldoen aan normen van
behoorlijkheid. Hoewel de oordelen van de Nationale ombudsman juridisch niet bindend zijn, hebben zij gezag en
kunnen zij ook als
leidraad worden gehanteerd bij de verbetering van het functioneren van
bestuursorganen. Onverlet de in een volwassen democratie aanwezige mogelijkheden van (formele of informele) interne
klachtafhandeling door
overheidsorganisaties zelve - verwezen zij naar het voorontwerp hoofdstuk
9 Algemene wet bestuursrecht over klachtrecht
[zie Wet van 12 mei 1999, Stb. 1999, 214,
red.] - blijkt er bij burgers
een grote behoefte te bestaan aan klachtenbehandeling door een instituut als de
Nationale ombudsman.
Gegeven de omvang,
verscheidenheid en intensiteit aan overheidstaken in een complex
gestructureerde overheidsorganisatie is het ook van groot belang dat een
onafhankelijk instituut als de Nationale ombudsman voor de burger een aanvullende
vorm van "rechtsbescherming" met een eigen betekenis biedt. Dat
geldt te meer omdat de Nationale ombudsman ook bevoegd is te oordelen
over gedragingen van organisaties op het niveau rblz.|2|
van de centrale overheid
waarvoor een beperkte ministeriële verantwoordelijkheid (en daarvan afgeleide
beperkte vorm van democratische controle door het
parlement) geldt: de zelfstandige bestuursorganen.
Overigens zal telkens
"zeker op de drempel van de 21e eeuw" moeten worden bezien of de
bestaande wetgeving inzake de Nationale
ombudsman voldoet aan de
eisen die mogen worden gesteld aan een toegankelijk en
efficiënt ombudsmaninstituut voor de behandeling van klachten van burgers.
De bevoegdheid van de Nationale
ombudsman is thans niet meer zoals in de beginfase beperkt
tot enkel de ministeries en de politie, maar uitgebreid tot andere
organen zoals de waterschappen en de reeds genoemde zelfstandige
bestuursorganen. In het kader van een proefproject strekt de competentie van
de Nationale ombudsman zich nu ook uit tot de provincies; in
dat kader is ook een begin gemaakt met de mogelijkheid dat
gemeenten zich voor deze vorm van onafhankelijke "gezaghebbende externe
klachtbehandeling" op vrijwillige basis "aansluiten" bij de
Nationale ombudsman.
Dit voorstel tot
grondwetsherziening laat voor verdere ontwikkelingen op dit terrein, maar ook
ten aanzien van andere ontwikkelingen van het instituut Nationale
ombudsman, alle ruimte.
Naast de uitbreiding van
de bevoegdheid van de Nationale
ombudsman sinds 1982 is er sprake
van een steeds grotere kring van burgers die de weg naar het instituut
weet te vinden. Het aantal ingediende verzoekschriften is gestegen van
3000 à 4000 in de beginjaren van het instituut naar 7400 in 1995.
Daarnaast wendden zich in
1995 meer dan 15 000 burgers telefonisch tot de Nationale
ombudsman.
De Nationale
ombudsman heeft zich in het Nederlandse maatschappelijk en staatkundig leven een
eigen plaats verworven te midden van de andere hoge colleges van
staat zoals de Raad van State en de Algemene Rekenkamer, hoewel strikt
genomen sprake is van een hoog ambt van staat. Hoewel elk hoog
college uiteraard een eigen takenpakket heeft, neemt het instituut
Nationale ombudsman staatsrechtelijk gezien in veel opzichten een
vergelijkbare positie in. De bekostiging van het instituut geschiedt op basis van
het begrotingshoofdstuk II voor de hoge colleges van staat (artikelen 1, 6
en 16 van de Comptabiliteitswet). De drager van het ambt van Nationale
ombudsman en diens plaatsvervanger(s) hebben een wettelijk geregelde rechtspositie die
- daargelaten de door het
huidige artikel 108 "tweede lid" van de
Grondwet gestempelde benoemingsprocedure -
grotendeels overeenstemt met die van de Raad van State en de Algemene Rekenkamer.
Bij de behandeling van
het voorstel van Wet
Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement in 1994 is in de Tweede Kamer de aandacht erop gevestigd
dat de onverenigbaarheid van het kamerlidmaatschap met het ambt van Nationale
ombudsman uitsluitend wettelijk, doch niet
grondwettelijk geregeld is. De toenmalige Minister van
Binnenlandse Zaken heeft
toegezegd dat bij een eerstvolgende grondwetsherziening de gelegenheid te baat
zal worden genomen om opheffing van de bestaande discrepantie in de regeling van de constitutionele
onverenigbaarheden ten
aanzien van de Nationale ombudsman in overweging te nemen.¹
Vestiging van een grondwettelijke onverenigbaarheid met het lidmaatschap van
de Staten-Generaal is in onze staatkundige verhoudingen
aangewezen. Dat kan eenvoudigweg rblz.|3|
geschieden door artikel
57 van de Grondwet aan te vullen met vermelding
van de Nationale
ombudsman. Zulks wordt thans ook voorgesteld.
1. Handelingen II 1993-1994, blz. 3671 en
3678. Vgl. ook Handelingen II 1996-1997, blz. 843.
Uit het voorgaande zal
duidelijk zijn geworden dat aanvulling van de Grondwet niet bij
vermelding van de Nationale
ombudsman in artikel 57
wordt gelaten. Het is dan
wel nodig om de vraag te beantwoorden welke de juiste plaats is voor
de verankering van het instituut als zodanig in de Grondwet. Vermelding van
de Nationale ombudsman in het huidige algemene artikel over
onafhankelijk onderzoek (artikel 108 in
hoofdstuk 5 van de Grondwet, dat
handelt over wetgeving en bestuur) achten wij minder gelukkig. Het
meest geschikt is om de Nationale ombudsman evenals de Raad van State
en de Algemene Rekenkamer in hoofdstuk 4
van de Grondwet,
voorafgaand aan de adviescolleges, een plaats te geven.
Voor de structuur van de
grondwetsbepaling is zoveel mogelijk aangesloten bij de
bepalingen over de Raad van State en de Algemene Rekenkamer.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel II
Onderdeel A
Vanwege de positie die de Nationale
ombudsman in ons staatsbestel inneemt, achten wij het
aangewezen om dit ambt aan de - om redenen van staatkundige
zuiverheid opgenomen - regeling van constitutionele onverenigbaarheden toe te
voegen naast de thans reeds vermelde openbare functies van
minister, staatssecretaris, lid van de Raad van State
en de Algemene Rekenkamer
of lid van of procureur-generaal bij de Hoge
Raad. Door vermelding van
de Nationale ombudsman en diens substituut in het tweede lid van artikel 57 van de
Grondwet wordt ten aanzien van dit ambt een
onverenigbaarheid in enge zin gevestigd met het lidmaatschap van de Staten-Generaal.
Na de totstandkoming van de voorgestelde grondwetswijziging zal artikel 5, eerste lid, onderdeel
a, van de Wet
Nationale ombudsman hieraan worden
aangepast.
Onderdeel C
¹
In aansluiting op de
formulering van de bestaande algemene bepaling over onderzoek van
klachten in artikel 108 van de Grondwet bevat het
eerste lid van artikel 78a de omschrijving van de
grondwettelijke
hoofdtaak van het
instituut Nationale
ombudsman. Daarbij is aangegeven dat de bevoegdheid van de
Nationale ombudsman zich richt op gedragingen van bestuursorganen op
het niveau van de centrale overheid.
De grondwettelijke basis
voor de bevoegdheid om klachten van andere organen, zoals de
bestuursorganen van waterschappen, provincies, gemeenten en van de
regionale politiekorpsen te onderzoeken, is te vinden in het vierde lid
van artikel 78a.
Anders dan de artikelen
75 en 78 staat deze bepaling de mogelijkheid
van delegatie toe. Hoewel
bij het toekennen van andere taken de hoofdelementen in de wet
moeten worden geregeld, kan niet geheel worden uitgesloten dat
gebruik moet worden gemaakt van lagere regelgeving. In dit
verband is gedacht aan het bij algemene maatregel van bestuur aanwijzen van
bestuursorganen die onder de competentie van de Nationale ombudsman
worden gebracht (artikel 1a, eerste lid, onderdeel d, van de
Wet Nationale
ombudsman).
1. Zie ook de memorie
van toelichting bij wetsvoorstel 16 057, red.
rblz.|4|
De benoeming van de Nationale
ombudsman, welke grondwettelijk is geregeld in het tweede
lid van het huidige artikel 108 van de
Grondwet (vgl. ook artikel 2 van
de Wet Nationale
ombudsman), wordt nu in het tweede lid van artikel
78a opgenomen. Het tweede lid van artikel 108 komt
in dit voorstel dan ook
te vervallen. Ook het voorschrift voor een wettelijke regeling van het ontslag
en de op-non-actiefstelling is in deze bepaling opgenomen. Tot slot is de
wettelijke opdracht opgenomen om de overige elementen van de rechtspositie te regelen. In deze bepaling is gelet op het
eenhoofdig karakter van
het ambt Nationale ombudsman tevens de positie geregeld van de
substituut-ombudsman, die hem vervangt wanneer hij niet in staat
is het ambt te vervullen.
Het derde lid bevat de
ruime opdracht aan de wetgever om de bevoegdheid en werkwijze
van het Nationale-ombudsmaninstituut te regelen.
Onderdeel D
Met de
introductie van de
vermelding van het instituut Nationale
ombudsman in de Grondwet
komt tegelijkertijd de voornaamste redengeving voor het niet
nader bepaalde artikel 108, eerste lid, inzake
algemene, onafhankelijke
klachtvoorzieningen inzake overheidsgedragingen te vervallen.
Wij hebben ons afgevraagd
of aan handhaving nog een aanvullende betekenis naast artikel
78a van de Grondwet zou toekomen. Deze bepaling
spreekt immers over één
of meer algemene klachtvoorzieningen. Een dergelijke voorziening
biedt de Nationale ombudsman. Wij achten het niet goed denkbaar en evenmin
wenselijk om op grond van deze bepaling naast de Nationale
ombudsman nog een andere constitutioneel verankerde algemene, onafhankelijke
klachtvoorziening in het leven te roepen. Artikel
108, eerste lid,
van de Grondwet heeft daarnaast geen betrekking
op specifieke
klachtvoorzieningen op bepaalde terreinen (men denke aan het klachtrecht
zorginstellingen, discriminatieklachten bij de Commissie gelijke behandeling en
privacyklachten bij de Registratiekamer) of op klachtvoorzieningen die
door decentrale organen worden ingesteld. Indien in de toekomst overigens
nochtans behoefte zou bestaan aan een onafhankelijke klachtvoorziening met een (min of meer) algemene
strekking, staat dat met
inachtneming van de voorrang van artikel
78a van de Grondwet een
wettelijke regeling ter zake niet in de weg. Onze conclusie is derhalve dat
er geen redenen zijn voor handhaving van een grondwettelijke basis
voor regeling van deze materie.
De Minister-President,
Minister van Algemene Zaken,
W. Kok
De Minister van
Binnenlandse Zaken,
H.F. Dijkstal
De Staatssecretaris van
Binnenlandse Zaken,
J. Kohnstamm
|