|
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 1997-1998, 1998-1999, 26 160.
Handelingen II 1998-1999, blz. 3101.
Kamerstukken I 1998-1999, 26 160 (188).
Handelingen I 1998-1999, blz. 735.
WET van 25 februari 1999, Stb.
1999, 135, tot verandering in de Grondwet, strekkende tot het
doen vervallen van additionele artikelen
die zijn uitgewerkt. Inwerkingtreding: 25 maart 1999.
WIJ
BEATRIX, bij de gratie
Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz.
enz.
Allen, die deze zullen zien
of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging
genomen hebben, dat de Wet van 10 oktober 1997 (Stb. 1998, 8) heeft
verklaard dat er grond bestaat het daarbij vastgestelde voorstel in
overweging te nemen tot verandering in de Grondwet, strekkende tot het
doen vervallen van additionele artikelen die zijn uitgewerkt;
Zo is het, dat Wij, de Raad
van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij
deze:
Art. I.
De Grondwet ondergaat de in
artikel II omschreven veranderingen.
Art. II.
De additionele artikelen XVII, XXIV en
XXV van de Grondwet
vervallen.
Lasten en bevelen dat deze
in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige
uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
25 februari 1999
BEATRIX
De Minister-President,
Minister van Algemene Zaken,
W. Kok
De Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties,
A. Peper
Uitgegeven de vijfentwintigste
maart 1999
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|
|