|
rblz.|1|
Kamerstukken II
1997-1998, 26 011
Wijziging
van de Ziekenfondswet,
de Wet
tarieven gezondheidszorg en de Wet ziekenhuisvoorzieningen in
verband met wijzigingen in de taak, samenstelling en werkwijze van de in
die wetten geregelde bestuursorganen, alsmede wijziging van andere wetten
in verband daarmee (uitvoeringsorganen
volksgezondheid)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Beleidsmatige context |
| 3 |
Parlementaire
voorgeschiedenis |
| 4 |
Besturingsmodel |
| 4.1 |
Inleiding |
| 4.2 |
Taken van uitvoerende
aard |
| 4.3 |
Bestuur door
onafhankelijke deskundigen |
| 4.4 |
Sturings- en
toezichtsinstrumenten voor de minister |
| 4.5 |
Inrichting en
werkwijze |
| 5 |
Uitwerking per orgaan |
| 5.1 |
College voor
zorgverzekeringen / Ziekenfondsraad |
| 5.2 |
College tarieven
gezondheidszorg / Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg |
| 5.3 |
College bouw
ziekenhuisvoorzieningen / College voor ziekenhuisvoorzieningen |
| 5.4 |
College sanering
ziekenhuisvoorzieningen / Commissie sanering ziekenhuisvoorzieningen |
| 6 |
Invoeringstraject |
| 7 |
Financiële aspecten |
|
xArtikelsgewijs |
| Hoofdstuk
I. Wijziging van
de Ziekenfondswet |
| x |
Artikel
I |
| Hoofdstuk
II. Wijziging
van de Wet tarieven gezondheidszorg |
| x |
Artikel
II |
| Hoofdstuk
III. Wijziging
van de Wet ziekenhuisvoorzieningen |
| x |
Artikel
III |
| Hoofdstuk
IV. Wijziging
van andere wetten |
| xxx |
Artikelen
V t/m XIII |
| Hoofdstuk
V. Overgangsbepalingen |
| xxx |
Artikelen
XIV t/m XXI |
Algemeen
1.
Inleiding
Dit
wetsvoorstel strekt tot aanpassing van de taak, de samenstelling en de
werkwijze van de Ziekenfondsraad (ZFR), het Centraal orgaan tarieven
gezondheidszorg (COTG), het College voor ziekenhuisvoorzieningen (CvZ) en de Commissie sanering
ziekenhuisvoorzieningen (CSZ). Het vloeit voort uit de voornemens
die zijn neergelegd in de brief van 11 juli 1996 aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II
1995-1996, 21 427, nr. 155) over uitvoeringsorganen op het
terrein van volksgezondheid en zorggerelateerde dienstverlening. Het wetsvoorstel is het sluitstuk van de
herziening van de advies-
en uitvoeringsstructuur op dit terrein van overheidsbeleid.
De herziening van de
adviesstructuur kreeg haar beslag in een tweetal wetten: de Wet
op de Raad voor de volksgezondheid en zorg (RVZ) en de Wet van 30 januari 1997
tot wijziging van de Gezondheidswet
in verband met de continuering van
de Gezondheidsraad (Stb. 1997, 104).
Het voorliggende
wetsvoorstel betreft de zelfstandige bestuursorganen (ZBO's) aan de top van de
uitvoeringsstructuur van de wetgeving inzake de sociale
ziektekostenverzekeringen, de tariefwetgeving en de planning- en bouwwetgeving: de
ZFR,
het COTG, het CvZ en de CSZ.
Centraal staan de
wijziging van de samenstelling van deze organen, de (nieuwe) regeling van
taken en werkwijze alsmede het aanpassen van de regelgeving aan de Aanwijzingen voor de
regelgeving (Ar) op het onderdeel zelfstandige
bestuursorganen.
rblz.|2|
2. Beleidsmatige context
De herziening van de
advies- en uitvoeringsstructuur is ingebed in een beleidsmatige context
waarin twee uitgangspunten centraal staan: scheiding van de functies
advies, overleg en uitvoering en herstel van het primaat van de politiek.
Nadere uitwerking hiervan
is eerder vastgelegd in de notitie aan de Tweede Kamer van 12 juni
1995 over de toekomstige advies- en uitvoeringsstructuur
volksgezondheid en zorggerelateerde dienstverlening (Kamerstukken II
1994-1995, 24 218, nr. 1) en de hiervoor genoemde brief van 11 juli 1996 over
uitvoeringsorganen op het terrein van volksgezondheid en
zorggerelateerde
dienstverlening.
De advies- en
uitvoeringsstructuur op dit terrein van overheidsbeleid was op het moment waarop de
herzieningsoperatie werd ingezet een ingewikkeld geheel van
verantwoordelijkheden, posities en belangen dat, hoewel in formele zin
behorende tot de overheid, materieel gepositioneerd was tussen overheid en
veld. Het is, tegen de achtergrond van de gewenste scheiding van
functies, van belang die verschillende verantwoordelijkheden, posities en belangen te
onderscheiden (ontvlechten) en (opnieuw) te definiëren.
Ontvlechting van
verantwoordelijkheden, posities en belangen leidt ertoe dat elk der partijen op
grond van een duidelijke, vooraf omschreven verantwoordelijkheid
deelneemt aan het besluitvormingsproces. In een dergelijke transparante
opzet krijgen bewindslieden en parlement de gelegenheid het primaat
van de politiek invulling te geven. Het adagium "herstel van het primaat
van de politiek" verwijst naar de situatie waarin de ministeriële
verantwoordelijkheid door middel van sturing en toezicht kan worden waargemaakt.
Advisering
Tegen deze achtergrond is
een nieuwe adviesstructuur voor de rijksoverheid vormgegeven, neergelegd
in de Kaderwet
adviescolleges. Daarin is bepaald dat advisering
over beleidsvraagstukken wordt gelegd in handen van onafhankelijke
deskundigen. Daarbij wordt een stelsel voorgestaan met slechts
een beperkt aantal adviesraden. De beleidsadviesfunctie is komen te vervallen bij
organen die niet vallen onder de Kaderwet adviescolleges.
Wel kunnen aan die organen over de uitvoering van voorgenomen beleid
zogenaamde uitvoeringstoetsen gevraagd worden.
Overleg
Het overleg tussen het
ministerie en maatschappelijke organisaties en tussen maatschappelijke
organisaties onderling dat binnen of in de context van ZFR,
COTG,
CvZ en CSZ wordt gevoerd, dient plaats te vinden op eigen titel en in een
apart organisatorisch kader. De maatschappelijke organisaties krijgen een
gestructureerde entree op het ministerie om inhoudelijke bijdragen te
kunnen leveren en hun belangen in te brengen. De vormgeving van
dergelijk overleg tussen het ministerie enerzijds en de betrokken (belangen)organisaties
anderzijds kan variëren per beleidsterrein, maar wordt altijd
beheerst door van te voren geëxpliciteerde en overeengekomen spelregels
of afspraken. Aldus wordt overleg gescheiden van advisering
en uitvoering en worden ook de functie en de plaats ervan duidelijk
gepositioneerd.
Uitvoering
Besturing, financiering
en feitelijke uitvoering van de gezondheidszorg rblz.|3|
vinden plaats binnen
kaders die worden gekenmerkt door particuliere uitvoering waarbij sprake
is van professionele autonomie van de beroepsbeoefenaren. Ook
bouw en exploitatie van ziekenhuisvoorzieningen vindt plaats onder verantwoordelijkheid van hoofdzakelijk
privaatrechtelijke
rechtspersonen. Zorgverzekeraars, ten slotte, zijn particuliere bedrijven,
stichtingen of onderlinge waarborgmaatschappijen.
De overheid is
verantwoordelijk voor de toegankelijkheid, de betaalbaarheid en de beschikbaarheid van
de zorg en afgeleid daarvan voor een rechtmatige, doelmatige
en doeltreffende uitvoering. Regeling van de uitvoering heeft onder
andere uitwerking gekregen in de Ziekenfondswet
(Zfw) en de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten (AWBZ), de Wet op de toegang tot
ziektekostenverzekeringen (Wtz), de Wet
tarieven gezondheidszorg (Wtg) en de Wet
ziekenhuisvoorzieningen (Wzv).
Vertrekpunt in de
regeling van de uitvoering in de Zfw en in de AWBZ is de overeenkomst die
gesloten moet zijn tussen (sociale) ziektekostenverzekeraars (verder ook wel te
noemen: zorgverzekeraars) en zorgaanbieders. Soort, hoeveelheid,
kwaliteit en doelmatigheid van de door de aanbieders te verlenen
zorg worden erin geregeld. Via overeenkomsten concretiseert de
zorgverzekeraar de wettelijke zorgplicht die hij heeft ten opzichte van zijn
verzekerden. De ZFR heeft onder andere tot taak landelijke overeenkomsten
(uitkomsten van overleg), waarop individuele overeenkomsten gebaseerd zijn, goed te
keuren en de beschikbare macrobudgetten over de zorgverzekeraars
te verdelen.
Het is de taak van het
COTG om beleidsregels vast te stellen die het kader vormen voor de
onderhandelingen tussen zorgaanbieders en zorgverzekeraars over
tarieven en budgetten, en de tarieven die kunnen worden gedeclareerd in de
zorg, goed te keuren of vast te stellen. De beleidsregels zijn
rekenregels op grond waarvan de individuele instellingsbudgetten
worden bepaald. Het initiatief voor de totstandkoming van beleidsregels ligt in
principe bij zorgverzekeraars en zorgaanbieders. Voor de vrije
beroepsbeoefenaren stelt het COTG maximumtarieven vast. Die geven het kader
aan waarbinnen de tariefsonderhandelingen dienen plaats te vinden
tussen de zorgverzekeraars en de betrokken
beroepsbeoefenaren.
Aard en omvang van de
gebouwde infrastructuur (ziekenhuisvoorzieningen) zijn van groot belang
voor de hoogte van de exploitatiekosten, die op hun beurt
terugkomen in de tarieven. Een bouwinitiatief dient altijd voorzien te
zijn van een document waaruit de visie van andere betrokken partijen blijkt
(verzekeraars, lagere overheden). Het CvZ krijgt in het proces dat leidt tot
bouw van ziekenhuisvoorzieningen tot taak vergunningen af te geven
en de eindafrekening vast te stellen. De CSZ stelt het saldo van baten
en lasten vast in geval van sluiting van ziekenhuisvoorzieningen.
In dit samenhangend
geheel vervullen ZFR, COTG, CvZ en CSZ een belangrijke rol. Zij
brengen de verantwoordelijkheden van overheid en veld bij elkaar. Deze
organen, die als ZBO onderdeel uitmaken van de overheid, hebben tot
taak, rekening houdend met de onderscheiden verantwoordelijkheden, in
twee richtingen "vertaalslagen" te maken. Politieke of bestuurlijke
wensen of instructies worden in zodanige termen uitgewerkt dat zij
praktisch hanteerbaar zijn. Die praktijk is tegelijk zo divers dat het
onvermijdelijk is om aan het uitvoeringsorgaan ten opzichte van individuele casus
discretionaire bevoegdheden toe te kennen, omdat alle variatie niet bij
voorbaat in regels is vast te leggen.
Vanuit het perspectief
van de feitelijke uitvoerders vormen deze organen de instanties die de
specificiteit van individuele casus modelleren en inpassen in de
bestuurlijke systematiek.
rblz.|4|
De
gewenste scheiding van functies en het herstel van het primaat
van de politiek betekenen dat de
taken en de samenstelling van deze uitvoeringsorganen herzien dienen te worden
en dat de aansturing door en het toezicht vanwege de
politiek verantwoordelijke minister nadere aandacht vergen. De advies- en
overlegfuncties van de organen komen te vervallen, zodat alleen taken met
een beleidsuitvoerend karakter overblijven. Voor de uitoefening van die
taken dient bij elk van de organen op het bestuursniveau deskundigheid aanwezig te
zijn op het werkterrein van dat orgaan. Ook is het voor het goed
kunnen uitoefenen van de taken van essentieel belang dat de
beslissingen worden genomen op basis van een onafhankelijke oordeelsvorming. Om die
reden is er geen plaats meer in de besturen van deze organen voor vertegenwoordigers van maatschappelijke
organisaties.
Evenzeer is het wenselijk
de uitvoering van de aan de organen opgedragen taken buiten
het ministerie te doen plaatsvinden.
In dit verband zij erop
gewezen dat de ZFR, het COTG, het CvZ en de CSZ in de bestuurlijke
inrichting van het stelsel van gezondheidszorg een belangrijke plaats
innemen. Om die reden kregen zij in het verleden al de status van zelfstandig
bestuursorgaan. Geen van de vier organen is immers hiërarchisch
ondergeschikt aan de minister; de ZFR, het COTG en het CvZ zijn bij wet
ingestelde rechtspersonen; de CSZ is met openbaar gezag bekleed. Wel draagt
de minister uiteraard de uiteindelijke algemene politieke
verantwoordelijkheid voor het functioneren van de zorgsector, waarin deze organen hun
wettelijk gereguleerde rol vervullen.
De organen zijn de
intermediaire schakel tussen de minister enerzijds en het veld anderzijds en
zijn daarmee een belangrijke voorwaarde voor het beheersbaar houden van
het omvangrijke en gevarieerde verkeer met het veld van zorgverzekeraars
en zorgaanbieders. De hoofdlijnen van beleid worden uitgezet door en
onder rechtstreekse verantwoordelijkheid van de minister, de vertaling
van die hoofdlijnen naar individuele gevallen komt voor rekening van de vier
organen. In een zo omvangrijke sector als de volksgezondheid is het feitelijk niet goed mogelijk en ook ongewenst dat
de minister in
individuele gevallen, zoals bijvoorbeeld het vaststellen van tarieven voor
(be)handelingen in
individuele ziekenhuizen of het goedkeuren van afrekeningen van
bouwprojecten, de beslissing neemt. Sturing op hoofdlijnen door de
minister is aangewezen, binnen die hoofdlijnen is onafhankelijke
oordeelsvorming bij de nadere uitwerking onontbeerlijk. De zogenaamde "span of
control"
van de departementale organisatie wordt daardoor werkbaar gehouden. Bovendien wordt aldus gewaarborgd dat
de beslissingen in
individuele gevallen voldoende worden gevrijwaard van de waan van de
politieke dag. Ten slotte zou het veranderen van de huidige ZBO-status van
één of meer van de organen in kwestie een majeure reorganisatie
impliceren die ik op dit moment ongewenst acht vanwege de belasting
ervan voor de bestuurskracht van het ministerie en het feitelijk
functioneren van de zorgsector.
3. Parlementaire
voorgeschiedenis
Op 2 december 1993 zond
de toenmalige Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en
Cultuur (WVC) een brief aan de Tweede Kamer waarin hij een nadere invulling
van Raad op Maat (rapport commissie-De Jong) gaf voor het
beleidscluster volksgezondheid (Kamerstukken II 1993-1994, 21 427, nr. 95). Vanwege
de nauwe onderlinge verwevenheid is daarin een relatie gelegd tussen de
adviesstructuur enerzijds en de bestuurs- en uitvoeringsstructuur op
het terrein van de volksgezondheid anderzijds.
In vervolg op die brief
werd op 12 juni 1995 een brief over de advies- en uitvoeringsstructuur op
het terrein van de volksgezondheid en de zorggerelateerde
dienstverlening aan de Tweede Kamer gezonden. In deze brief werd gesteld:
"Uitvoerende taken worden bij of krachtens de wet aan rblz.|5|
uitvoeringsorganen
opgedragen (beheer, vaststelling van richtlijnen, etc.) en vormen hun primaire
reden van bestaan. Eventuele andere dan uitvoeringstaken vormen
een afgeleide van die primaire taak. Voor advisering,
belangenbehartiging, draagvlakverwerving en overleg is in de context van
uitvoeringsorganen geen plaats" (blz. 6).
Op 11 oktober 1995 stond
de brief op de agenda van een algemeen overleg met de Vaste
Commissie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) van de Tweede
Kamer. Tijdens dat algemeen overleg werd onderschreven dat - gegeven de gewenste scheiding van de functies advisering, overleg en
uitvoering - uitvoeringsorganen alleen uitvoerende taken dienen te
verrichten en dat onafhankelijke deskundigen de bestuurlijke
verantwoordelijkheid dienen te dragen.
Tijdens het algemeen
overleg kwam de vraag aan de orde of op het punt van besturing door
onafhankelijke deskundigen voor de ZFR een uitzondering gemaakt
moest worden. In de brief was vermeld dat de gewenste betrokkenheid
van partijen bij de uitvoeringspraktijk van de wettelijke
ziektekostenverzekeringen handhaving van de vertegenwoordiging van de partijen in de ZFR
diende te impliceren (blz. 10).
In de brief van 11 juli
1996 is in antwoord op die vraag aangegeven dat ook voor de ZFR besturing
door onafhankelijke deskundigen aangewezen is. Voor andere varianten
bestaat onvoldoende politiek draagvlak, zo werd geconstateerd.
4. Besturingsmodel
4.1. Inleiding
In de brief van 11 juli
1996 is een besturingsmodel beschreven voor de uitvoeringsorganen op het
terrein van de volksgezondheid en zorggerelateerde
dienstverlening. In een algemeen overleg met de Vaste Commissie voor
Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de Tweede Kamer op 14 november 1996 werd
het besturingsmodel onderschreven.
Het ontwikkelde
besturingsmodel bevat de volgende elementen:
1. de taken zijn strikt
uitvoerend van aard en worden bij of krachtens de wet vastgelegd;
2. het bestuur bestaat
uit door de minister te benoemen onafhankelijke deskundigen;
3. de minister beschikt
over sturings- en toezichtsinstrumenten om inhoud te geven aan zijn
politieke verantwoordelijkheid;
4. het bestuur is
verantwoordelijk voor de inrichting en werkwijze van het uitvoeringsorgaan en
brengt die verantwoordelijkheid tot uiting in een bestuursreglement dat
onderworpen is aan de goedkeuring van de minister.
In het kader van een
beschrijving van het besturingsmodel verdient het verschijnsel
waarnemerschappen nadere aandacht. Het model impliceert dat het bestuur van het
orgaan bepaalt of de aanwezigheid van een ministerieel waarnemer
noodzakelijk is. Het kan de minister uitnodigen om een waarnemer af te
vaardigen. De minister bepaalt vervolgens of hij op die uitnodiging
ingaat. De taak van de ministerieel waarnemer beperkt zich tot letterlijk
waarnemen (oog en oor) en tot het louter in voorlichtende zin verschaffen van
informatie. Uiteraard is de minister niet gebonden aan besluiten
genomen in aanwezigheid van de ministerieel waarnemer. Diens
aanwezigheid ontslaat het orgaan evenmin van de plicht om de minister regelmatig en adequaat te informeren. Tegen deze
achtergrond kan, indien
het orgaan besluit om een waarnemer uit te nodigen, volstaan worden
met één waarnemer per orgaan die optreedt rblz.|6|
namens de gehele rijksoverheid. De nu nog bestaande bepalingen over
waarnemerschappen worden
in het wetsvoorstel geschrapt.
4.2. Taken van uitvoerende
aard
Na verwijdering van
beleidsadvisering uit het takenpakket van de beleidsuitvoerende
organen via de Herzieningswet
adviesstelsel en het verplaatsen van het
overleg tussen overheid en maatschappelijke organisaties enerzijds en
maatschappelijke organisaties onderling anderzijds naar een eigen
institutioneel kader resteren voor de betrokken organen taken die vanuit
het perspectief van de verantwoordelijke minister als van
uitvoerende aard kunnen worden gekenschetst.
Het onderscheid tussen
beleidsontwikkeling, beleidsvaststelling en beleidsuitvoering maakt het
mogelijk de verantwoordelijkheden van de verschillende actoren te
onderscheiden. Tegen de achtergrond van de zogenaamde kerntakendiscussie
concentreert de rol van de minister zich op beleidsontwikkeling en beleidsvaststelling;
beleidsuitvoering is "naar buiten geplaatst". Het betekent
overigens niet dat sprake is van los van elkaar staande activiteiten. Zij
maken deel uit van één beleidsproces.
Teneinde koppeling
tussen de zojuist genoemde fasen uit het beleidsvormingsproces mogelijk te maken,
heeft
elk van de organen tot taak uitvoeringstoetsen te
verrichten en relevante ontwikkelingen te signaleren. Een uitvoeringstoets is
het antwoord op een vraag van de minister of voorgenomen beleid
praktisch uitvoerbaar is (informatie ex ante). Door signalering maakt het
uitvoeringsorgaan de minister opmerkzaam op uitvoeringsproblemen die
het ontmoet of feitelijke ontwikkelingen die het tegenkomt bij de
uitvoering van zijn werkzaamheden (informatie ex post). Ook hier geldt dat de
onderscheiden verantwoordelijkheden gerespecteerd dienen te blijven.
Signalering en het verrichten van uitvoeringstoetsen moeten niet worden opgerekt tot beleidsadvisering.
De taken van
CVZ [College voor zorgverzekeringen, red.],
CTG,
CBZ en CSZ worden concreet en expliciet in de wet vastgelegd. Alleen
bij of krachtens wet kunnen andere taken aan het takenpakket worden
toegevoegd. Een dergelijke aanpak voorkomt het door de jaren heen
sluipenderwijs veranderen van het takenpakket.
4.3. Bestuur door
onafhankelijke deskundigen
De taken van elk orgaan
worden uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van een bestuur dat
bestaat uit onafhankelijke deskundigen die door de minister
worden benoemd.
Er zal sprake zijn van
ten hoogste negen bestuurders per orgaan, onder wie de voorzitter. Bij een
dergelijke omvang is het mogelijk om voldoende expertise in het bestuur
samen te brengen en tegelijkertijd slagvaardig te werken.
4.4.
Sturings- en
toezichtsinstrumenten voor de minister
De minister
beschikt over
een aantal instrumenten waarmee hij de organen kan aansturen en
waarmee hij toezicht kan houden op het functioneren ervan. Die
instrumenten zijn nodig om de minister in staat te stellen de politieke
verantwoordelijkheid voor het functioneren van de organen te dragen. Deze
instrumenten zijn als volgt te categoriseren:
- Het vaststellen van
beleidsregels. Met een beleidsregel kan
de minister de kaders waarbinnen het orgaan de wettelijk opgedragen
taken moet uitvoeren nader preciseren. De kaders kunnen
inhoudelijk, financieel en procedureel van aard zijn. Een beleidsregel betreft geen
individuele gevallen.
- Het goedkeurings-/instemmingsvereiste
voor bepaalde categorieën besluiten. rblz.|7|
Bepaalde categorieën
besluiten behoeven de goedkeuring of instemming van de
minister. Dat geldt voor het jaarlijks op te stellen werkprogramma en de
jaarlijks in te dienen begroting. Ook het bestuursreglement behoeft
goedkeuring van de minister. Ook de bouwmaatstaven die het
College bouw ziekenhuisvoorzieningen (CBZ) en de beleidsregels die
het College tarieven gezondheidszorg (CTG) vaststelt, zijn
onderworpen aan de goedkeuring van de minister.
- Informatieverplichtingen. Bepaald wordt dat de
minister over alle bij het uitvoeringsorgaan beschikbare informatie
kan beschikken.
- Vernietiging van
besluiten. Bij koninklijk besluit kan een besluit van een orgaan worden
vernietigd wegens strijd met het recht of het algemeen belang.
- Taakverwaarlozingsregeling. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen bij onverhoopte
taakverwaarlozing door een orgaan voorzieningen worden getroffen.
In
het wetsvoorstel zijn
de resultaten van de toetsing van de onderhavige uitvoeringsorganen aan de
aanwijzingen inzake zelfstandige bestuursorganen verwerkt.
4.5. Inrichting en
werkwijze
Behalve de regeling van
taken bij of krachtens wet, het bestuur door onafhankelijke
deskundigen en de sturings- en toezichtsinstrumenten van de minister, dienen ook
inrichting en werkwijze het efficiënt en transparant functioneren van een
uitvoeringsorgaan te garanderen. Inrichting en werkwijze betreffen de manier waarop in het bestuur en in commissies en
werkgroepen de
voorbereiding van besluiten plaatsvindt en de manier waarop de inbreng van
kennis en kunde van de in het werkterrein opererende organisaties (bijvoorbeeld zorgverzekeraars, zorgaanbieders,
patiënten/consumenten)
wordt georganiseerd. Die kan de verantwoordelijkheid van de leden van het
uitvoeringsorgaan formeel noch materieel op enigerlei wijze inperken. De inbreng van kennis en kunde van de hier
bedoelde organisaties is
van belang, omdat artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
bepaalt dat een bestuursorgaan, bij de voorbereiding van een besluit,
verplicht is de nodige kennis te vergaren omtrent de relevante feiten en af
te wegen belangen.
Het uitvoeringsorgaan
legt de manier waarop het zijn besluiten voorbereidt, vaststelt en uitvoert,
alsmede de manier waarop de nodige kennis wordt vergaard, vast in
een bestuursreglement. Het bestuursreglement behoeft de goedkeuring
van de minister. Hierbij zal er in ieder geval op worden toegezien dat:
- inrichting en
werkwijze doelmatig en instrumenteel zijn voor de taken die het orgaan uitvoert;
bijzondere aandacht dient daarbij te worden geschonken aan de
eventueel in te stellen commissies of werkgroepen;
- inrichting en
werkwijze transparant zijn: dit heeft vooral betrekking op de manier waarop
deskundigen uit de praktijk worden ingeschakeld bij de voorbereiding van
besluiten en op de garanties die er dienen te zijn dat deze inschakeling de
uiteindelijke verantwoordelijkheid van het bestuur niet beperkt;
- onbelemmerde
wederzijdse informatie-uitwisseling tussen uitvoeringsorganen onderling is verzekerd.
5. Uitwerking per orgaan
Toepassing van het
bovenstaande leidt voor de betrokken organen tot veranderingen. De mate
van verandering verschilt per orgaan. Teneinde de verandering ten
principale te markeren, zullen de namen van de rblz.|8|
organen gewijzigd worden.
De woorden "raad","orgaan" en "commissie" zijn vervangen door de aanduiding
"college".
Op de veranderingen wordt
hierna per orgaan nader ingegaan. Alleen taken van
beleidsuitvoerende aard zullen daarbij in dit hoofdstuk van de memorie van toelichting
worden geëxpliciteerd. Het verrichten van uitvoeringstoetsen en
signalering van feitelijke ontwikkelingen en problemen wordt bij elk
uitvoeringsorgaan standaard als taak in de wet opgenomen.
5.1. College voor
zorgverzekeringen / Ziekenfondsraad
Zowel het takenpakket als
de samenstelling van de ZFR ondergaan verandering. De naam
wordt gewijzigd in "College voor zorgverzekeringen"
(CVZ).
Algemeen geformuleerd
heeft het College tot taak op landelijk niveau de uitvoering van de Zfw
en
de AWBZ door de ziekenfondsen, ziektekostenverzekeraars en uitvoerende organen te
coördineren en te bewaken en de algemene middelen van de
in deze wetten geregelde verzekeringen te beheren.
Vergelijking van de taken
van het College met de taken van de ZFR
leert dat sprake is van
handhaving van nagenoeg alle bestaande taken, van introductie van enkele
nieuwe taken en van wettelijke vastlegging van werkzaamheden die tot nu
toe zonder expliciete wettelijke basis werden uitgevoerd.
Het beheer van de kassen,
het goedkeuren van landelijke overeenkomsten, het uitvoeren van subsidieregelingen, het fungeren als
internationaal
verbindingskantoor en de taken in de sfeer van coördinatie en afstemming gaan
ongewijzigd over van de ZFR naar het CVZ. Nieuw zijn twee taken: het toelaten van ziekenfondsen en ziektekostenverzekeraars
tot de uitvoering van de Zfw en AWBZ
en het toelaten van instellingen.
Voorlichting aan verzekerden, instellingen en zorgverzekeraars over
door de wetgever aanvaard beleid is een taak die momenteel al wordt
uitgevoerd door de ZFR op basis van afspraken. Die afspraken krijgen nu een
wettelijke basis. De behandeling van klachten verdwijnt uit het takenpakket van het
College en komt te berusten bij de
zorgverzekeraars zelf en
de Nationale ombudsman.
De samenstelling van het
bestuur van het College ondergaat grote verandering. Niet alleen
wordt het aantal leden teruggebracht van 45 naar maximaal negen, maar ook zal
sprake zijn van onafhankelijke leden die deskundig zijn op het
werkterrein van het CVZ. Deze samenstelling vervangt de huidige
bestuursopbouw met kroonleden en vertegenwoordigers van de zogenaamde
representatief verklaarde organisaties van zorgverzekeraars, werkgevers,
werknemers, zorgaanbieders en patiënten/consumenten. In de
toekomst zullen de leden van de CVZ door de minister
worden benoemd, geschorst
en ontslagen.
Aparte aandacht vraagt
het toezicht. In de nota aan de Tweede Kamer van 15 april 1997 (Kamerstukken
II 1996-1997, 25 308, nr. 1) is uitvoerig ingegaan op de uitgangspunten die
zijn ontwikkeld ten behoeve van het toezicht op het beleidsterrein van VWS. In de nota werd geconstateerd dat het nodig is de daarin opgenomen uitgangspunten per beleidsveld nader uit te
werken. Voor de terreinen
die worden bestreken door de Zfw, de AWBZ
en de Wtz is daarmee
inmiddels een begin gemaakt. Dat heeft geleid tot de keuze de noodzakelijke
wijzigingen te implementeren in een aparte wettelijke regeling van
de toezichtsfunctie. Voor de andere beleidsvelden van VWS dient die nadere
uitwerking nog plaats te vinden.
rblz.|9|
Op
dit moment wordt het toezicht op de ziekenfondsen,
ziektekostenverzekeraars en uitvoerende organen van de AWBZ
namens de ZFR uitgevoerd door de
Commissie toezicht uitvoeringsorganisatie [CTU, red.] van de ZFR. De ZFR heeft deze
commissie bij reglement van orde op grond van artikel 58 van de
Ziekenfondswet ingesteld. Tijdens het overleg op 21 april 1997 met de
Vaste
Commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de Tweede Kamer, over de
door het ministerie ontwikkelde toezichtsvisie in het algemeen en het
toezicht op verzekeringen in de gezondheidszorg in het bijzonder, is
gebleken dat in de Tweede Kamer een breed draagvlak bestaat voor een geheel
onafhankelijke positionering van het toezicht ten opzichte van het CVZ. Er
komt een verzelfstandigd bestuursorgaan voor het toezicht, met een
eigen apparaat, dat de taken die nu door de CTU verricht worden, gaat
uitvoeren. De aangekondigde veranderingen uit de toezichtsvisie zullen
echter door middel van een afzonderlijke wetswijziging worden geïmplementeerd.
Reden hiervoor is dat de
verzelfstandiging van de CTU een zorgvuldige ontvlechting vergt van de
taken, bevoegdheden en organisatie van de huidige ZFR, waar de CTU
op dit moment deel van uitmaakt. Dit ontvlechtingstraject wordt in vier delen
uiteengelegd. Het eerste deel betreft de nadere uitwerking van
taken en bevoegdheden van beide organen. Het tweede deel betreft de
ontvlechting van het secretariaat. Ten derde dient het geheel van wet- en
regelgeving onder de loep genomen te worden. Ten slotte wordt gesteld dat scheiding en samenhang als zodanig goed
bekeken moeten worden.
Bedoeld wordt daarmee dat de praktische voor- en nadelen en de gevolgen
van het losmaken van de CTU uit het geheel van de ZFR goed in beeld
gebracht moeten worden. Duidelijk moge zijn dat het zorgvuldig
afwerken van een dergelijk traject zoveel tijd vraagt dat verwerking van dat
traject in het onderhavige wetsvoorstel geen haalbare kaart
is. Het ontwerpen
van een wetsvoorstel inzake ontvlechting van de CTU wordt voorzien vóór
eind juni 1998. Van die gelegenheid zal gebruik worden gemaakt om een
wettelijke basis te leggen voor de verdere, in de praktijk door de CTU al
in gang gezette, modernisering van het toezicht. Gelet op de breed
gedragen opvatting over onafhankelijk toezicht tijdens het overleg met de
Vaste
Commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de Tweede
Kamer, is met het onderhavige wetsvoorstel een eerste stap gezet door
aan de CTU een wettelijke basis te geven. De huidige positie, het
werkterrein en de bevoegdheden van de CTU worden wettelijk vastgelegd.
Vanwege het belang van de onafhankelijke positionering van het toezicht is met
het onderhavige wetsvoorstel ook geregeld dat de commissie bestaat
uit vijf onafhankelijke leden die geen deel uitmaken van het bestuur
van het College en die deskundig zijn op het terrein van de commissie.
Om uitvoering te geven aan de ministeriële verantwoordelijkheid is
tevens geregeld dat de leden van de CTU door de minister
worden benoemd,
geschorst en ontslagen.
5.2. College tarieven
gezondheidszorg / Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg
Ook voor het COTG geldt
dat, zij het in mindere mate dan voor de ZFR, verandering aan de orde
is. Dat geldt met name voor de samenstelling. Het takenpakket,
omschreven in artikel 19 van de Wtg, blijft onveranderd, met inachtneming van
hetgeen is opgemerkt over het verdwijnen van de functies advies en
overleg. De naam wordt veranderd in "College tarieven
gezondheidszorg". Aparte
aandacht vergt de inrichting en werkwijze.
Momenteel bevat de
Wtg enkele bepalingen inzake de inrichting van het COTG. Dat betreft met
name de zogenaamde kamerstructuur. Op grond van de Wtg adviseren de kamers
van het COTG eigener beweging of desgevraagd aan het COTG
over het vaststellen dan wel wijzigen van beleidsregels.
rblz.|10|
In het beoogde
besturingsmodel behoren inrichting en werkwijze van het orgaan tot de
verantwoordelijkheid van het bestuur. Er bestaat derhalve geen noodzaak meer om
hierover bijzondere bepalingen in de wet te handhaven. Dat betekent
dat de wettelijke bepalingen ten aanzien van de kamerstructuur in de Wtg
kunnen komen te vervallen.
Het COTG telt momenteel
achttien door de Kroon benoemde onafhankelijke leden: zes daarvan worden
rechtstreeks door de minister benoemd, de overige
twaalf na overleg met
de representatieve organisaties. Voor het CTG zal sprake zijn van
besturing door (maximaal) negen onafhankelijke leden die deskundig zijn op het
werkterrein van het CTG. De leden worden door de minister benoemd,
geschorst en ontslagen.
5.3. College bouw
ziekenhuisvoorzieningen / College voor ziekenhuisvoorzieningen
Voor het CvZ is sprake
van grote veranderingen. Niet alleen vindt een omvorming van advies-
naar uitvoeringsorgaan plaats, ook is sprake van een uitzuivering van
taken tussen minister en het CBZ. Deze uitzuivering van taken is gewenst
omdat in de praktijk de inhoudelijke toets van vergunningaanvragen door het CvZ plaatsvindt. De minister draagt echter
formeel de volledige
verantwoordelijkheid. Hierdoor is steeds meer spanning ontstaan tussen
de materiële en formele verantwoordelijkheidsverdeling, hetgeen een betere
afstemming van bevoegdheden en verantwoordelijkheden
noodzakelijk maakt.
De onderscheiden
verantwoordelijkheden worden per fase van het planning- en bouwproces,
scherper dan nu het geval is, van elkaar onderscheiden. Dit
betekent dat de minister in de verklaring de bestuurlijke uitspraak vastlegt die
inhoudt dat er behoefte is aan de voorgenomen bouw. De verklaring bevat
tevens de condities waaronder het bouwproject mag worden uitgewerkt.
Die uitwerking krijgt, via tussenstappen, zijn beslag in een door het
CBZ af te geven vergunning. Na afronding van het feitelijke bouwproces
stelt het CBZ de eindafrekening vast. Deze taakverdeling tussen minister en CBZ
wordt hieronder nader uitgewerkt.
In vergelijking met de
huidige situatie wordt de taak van het CBZ op het terrein van de
informatievoorziening uitgebreid. Ten behoeve van de beleidsontwikkeling is
feitelijke informatie vereist over ontwikkelingen in de zorgvraag. Hierbij
valt bijvoorbeeld te denken aan informatie betreffende gebouwenbestand en
bouwbehoefte. Onder de noemer uitvoeringstoets valt ook de informatie
die het CBZ desgevraagd levert in het kader van een
verklaringsaanvraag. Het CBZ toetst op bouwkundig/functionele noodzaak, praktische
uitvoerbaarheid en de geraamde kosten gerelateerd aan de bouwmaatstaven en
bouwnormen. Mede op basis van de informatie van het CBZ
beslist de minister over een verklaringsaanvraag.
Ten slotte verschaft het
CBZ desgevraagd informatie over de uitvoerbaarheid van beleid.
De bouwmaatstaven zijn de
vertaling van inhoudelijke en beleidsmatig gewenste ontwikkelingen
in het zorgaanbod in technisch hanteerbare termen. Bij inhoudelijke
ontwikkelingen kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de toenemende
technologische mogelijkheden. Als voorbeeld van beleidsmatig gewenste ontwikkelingen kan in dit verband transmuralisatie
genoemd worden. Bij de
opstelling van de bouwmaatstaven is - onder het beslag van doelmatigheid
en functionaliteit - de wisselwerking tussen zorgproces en bouwkundige
vormgeving aan de orde. Ook het gegeven dat gebouwen in de loop
van hun "werkzame" bestaan van 40 of 50 jaar aangepast moeten worden
aan de veranderende zorginhoudelijke inzichten dient bij het
opstellen van bouwmaatstaven te worden verdisconteerd. Met het
oog op deze wisselwerking tussen technische rblz.|11|
eisen en zorginhoudelijke
doelmatigheid is het van belang dat het CBZ de maatstaven vaststelt én
dat de minister
deze goedkeurt. Op deze wijze vormen de bouwmaatstaven
tevens een instrument ter aansturing van het CBZ door de minister.
Thans beoordeelt de
minister nog de vergunningaanvragen en de daaraan voorafgaande
toestemmingsfases. In onderhavig wetsvoorstel worden deze taken overgedragen
aan het CBZ. Het proces van bouwkundige beoordeling dat
uiteindelijk uitmondt in vergunningafgifte betreft immers geen beleidsbepalende
maar een uitvoeringstaak. In de door de minister te stellen beleidsregels
wordt de invulling van deze uitvoeringstaak van duidelijke
randvoorwaarden voorzien. Het proces van beoordeling en vergunningafgifte dient
bovendien plaats te vinden binnen de kaders van de verklaring die door de
minister wordt afgegeven. In die verklaring wordt het initiatief
volledig geïdentificeerd. Hierbij wordt onder meer duidelijkheid gegeven
over de aard en de omvang van het project, de rechtspersoon, de
financiële randvoorwaarde(n) en - zoveel mogelijk - de lokatie(s). Na de afgifte
van de verklaring hoeft slechts een meer gedetailleerde uitwerking te volgen. Bij
die nadere uitwerking is overigens - gelet op de noodzakelijke
wisselwerking tussen bouwkundige eisen en zorginhoudelijke
doelmatigheid - geen sprake van een mechanische invuloefening. Het CBZ
houdt hierbij tevens rekening met lokale omstandigheden en specifiek bouwkundige
kenmerken.
In het verlengde van de
vergunningafgifte ligt de goedkeuring van de eindafrekening. Met de
eindafrekening legt de initiatiefnemer tegenover het CBZ verantwoording af
over de daadwerkelijke uitvoering van de vergunning. Mocht bij het
vaststellen van de eindafrekening - of eerder - blijken dat niet voldaan
wordt aan de vereisten van de vergunning, dan stelt het CBZ de
eindafrekening gewijzigd vast ten opzichte van de ingediende
eindafrekening. Hiervan stelt het CBZ de minister
in kennis. Mede op basis van de
overwegingen van het CBZ kan de minister beoordelen of er sprake
is van overtreding van de Wzv, hetgeen strafbaar is op grond van het
bepaalde in de Wet
op de economische delicten.
Bij bepaalde
bouwinitiatieven, bijvoorbeeld bij zeer kostbare of complexe bouw, kan aan de
vergunning het voorschrift worden verbonden dat er sprake is van
bouwbegeleiding. Deze bouwbegeleiding heeft tot doel de inhoudelijke en
budgettaire grenzen van het bouwproject te bewaken. Het gaat hier echter niet om
het uitoefenen van toezicht. Bij bouwbegeleiding gaat het om ondersteuning
bij de daadwerkelijke bouwuitvoering conform de vergunning. De
bouwbegeleider heeft hierbij een adviserende rol. Een bouwbegeleider kan geen
bevoegdheden van de minister of van het CBZ overnemen. Het is
uitgesloten dat een begeleider een instelling toestemming verleent om
af te wijken van bepaalde voorschriften in de vergunning. Ingeval een
begeleider knelpunten signaleert, worden deze teruggekoppeld naar de
instelling. De begeleiding geldt alleen als hulpmiddel om de
voorgenomen bouw conform de vergunning te realiseren; de instelling
zelf blijft te allen tijde verantwoordelijk voor de resultaten. Op deze wijze
kan het CBZ zijn verantwoordelijkheden op het gebied van de bewaking
van de financiële kaders zoals aangegeven in de vergunning ten volle
vormgeven. Deze financiële kaders worden reeds in de verklaring opgenomen.
Bij de financiële kaderstelling in de vergunning dient het CBZ zich hierop
te baseren. De wijze waarop dit dient te geschieden, wordt in de
door de minister te stellen algemene beleidsregels vastgelegd.
De uitzuivering van taken
en verantwoordelijkheden, waarbij de minister
de verklaring afgeeft en
de bouwmaatstaven goedkeurt, waarna vervolgens het CBZ de
vergunning afgeeft en de eindafrekening vaststelt, rblz.|12|
maakt een einde aan de
gevoelde spanning in de verantwoordelijkheidsverdeling en garandeert tegelijkertijd dat de minister de politieke
verantwoordelijkheid voor
het planning- en bouwbeleid kan blijven dragen. De hier
beschreven verantwoordelijkheidsverdeling ligt ook ten grondslag aan het beoogde
wetsvoorstel bouwbeheersing zorgvoorzieningen.
Het CvZ bestaat momenteel
op grond van artikel 2, derde lid, van de Wzv, uit maximaal 25 leden uit
de kring van ziekenhuisvoorzieningen, medewerkers in
ziekenhuisvoorzieningen, ziekenfondsen, ziektekostenverzekeraars, organen die een
publiekrechtelijke ziektekostenregeling voor ambtenaren uitvoeren, gemeenten,
provincies en andere instellingen die belang hebben bij de
doelmatigheid van de ziekenhuisvoorzieningen, alsmede uit
onafhankelijke deskundigen. Deze leden worden door de minister
benoemd,
geschorst en ontslagen. Voor elk lid kan een plaatsvervanger worden benoemd.
Het CBZ zal bestuurd
worden door maximaal negen onafhankelijke leden die deskundig zijn op het
werkterrein van het CBZ. Ook deze leden worden door de minister benoemd,
geschorst en ontslagen.
5.4. College sanering
ziekenhuisvoorzieningen / Commissie sanering ziekenhuisvoorzieningen
In geval van de CSZ is
vooral sprake van codificatie van taken die al worden uitgevoerd maar
nog een expliciete wettelijke basis ontberen. Daarin wordt met het
onderhavige wetsvoorstel voorzien. In dit wetsvoorstel worden ook
de resultaten van het overleg met de Tweede Kamer over het rapport
van de Algemene Rekenkamer over het functioneren van de CSZ, zoals
verwoord in de brief aan de Tweede Kamer van 23 januari 1997 (Kamerstukken II 1995-1996, 24 705, nr. 4) opgenomen. De naam wordt gewijzigd in
College sanering ziekenhuisvoorzieningen (CSZ). Een belangrijk onderdeel
van het takenpakket is het houden van toezicht op het saneringsproces
bij ziekenhuisvoorzieningen en het vaststellen van een eventuele subsidie,
zijnde het saldo van saneringskosten en baten. Aparte aandacht vraagt
het moment van inschakeling van het College. Het is van belang dat dat in
een zo vroeg mogelijk stadium van het saneringsproces gebeurt. Daarom wordt nu
in de wet vastgelegd dat de ziekenhuisvoorziening beslissingen die leiden
tot sluiting of inkrimping aan het College meldt, waardoor
het College vroegtijdig bij de zaak betrokken is. Het CSZ kan dan contact
opnemen met de betrokken instelling. Aldus wordt voorkomen dat instellingen in saneringsprocessen aanvankelijk
geen beroep doen op het
CSZ in de veronderstelling het zelf te kunnen regelen en achteraf,
indien zaken tegenvallen, alsnog in financiële problemen komen, wat gepaard gaat met hoge maatschappelijke kosten.
Tot op heden is een
beroep op de CSZ in geval van sanering gebaseerd op vrijwilligheid.
Een ander deel van het
takenpakket betreft het uitvoeren van de planschaderegeling
ambulancevervoer, analoog aan de sanering van ziekenhuisvoorzieningen.
Deze taak wordt uitgeoefend op basis van een verzoek van de voormalige
Staatssecretaris van WVC van 3 juni 1983; wettelijke vastlegging
van deze taak is op zijn plaats. De basis voor de subsidieverlening wordt
met dit wetsvoorstel neergelegd in de Wet
ambulancevervoer.
Thans adviseert de CSZ de
minister over het afstoten van onroerende zaken. Bij de
vergunningverlening beslist de minister uiteindelijk over de verkoop van de onroerende
zaken. Dit staat onder andere vermeld in de Circulaire van 31 augustus 1995
(ZZT/AZA/953721),
waarmee het veld geïnformeerd is inzake het beleid omtrent de verkoop van onroerende zaken.
rblz.|13|
Inmiddels
is een goedgekeurd toetsingskader beschikbaar, dat de CSZ dient te hanteren bij
haar werkzaamheden inzake verkoop van onroerende zaken. Een instelling
moet ieder voornemen tot afstoting van onroerende zaken aan de CSZ melden.
Deze kan vervolgens beslissen dat afstoting haar goedkeuring behoeft.
Met dit wetsvoorstel wordt een wettelijke basis aan dit deel van de
werkzaamheden van het CSZ gegeven.
De afgelopen jaren hebben
geleerd dat sanering en herstructurering op steeds wisselende
terreinen van de volksgezondheid aan de orde is. De minister
heeft daarbij in
voorkomende gevallen gebruik gemaakt van de bij de Commissie
aanwezige deskundigheid. In het onderhavige wetsvoorstel wordt een
dergelijke gang van zaken op het terrein van het ambulancevervoer van een
wettelijke basis voorzien.
Te verwachten valt dat
ook in de toekomst de behoefte zal bestaan gebruik te maken van de
deskundigheid van het CSZ op het terrein van sanering en herstructurering op
het brede terrein van de volksgezondheid.
Momenteel
speelt de Commissie een rol in gevallen van instellingen in financiële moeilijkheden
en in het proces dat moet leiden tot fusering van de bloedbanken. In
afwachting van de oprichting van een waarborgfonds en een
ondersteuningsfunctie verricht de CSZ op dit moment werkzaamheden bij de aanpak
van het
oplossen van financiële problemen bij instellingen. Het gaat
daarbij onder meer om het vaststellen van de precieze aard van de
problematiek en om het vervullen van de regiefunctie. Na de oprichting van
waarborgfonds en steunfunctie zal de positie van het CSZ bij
instellingen in financiële problemen opnieuw worden bezien. Uitgangspunt
hierbij is dat het CSZ zich concentreert op financiële problematiek die het
gevolg is van capaciteitsvermindering/sluiting en dat het CTG zich concentreert
op financiële problematiek die het gevolg is van andere oorzaken. Het CSZ
zal dan ook pas worden ingeschakeld in bijzondere gevallen waarbij de problematiek bij een instelling breder is
dan de reikwijdte van de Wtg.
In geval van de
bloedbanken heb ik de CSZ gevraagd toezicht op de wijziging van de
structuur van de bloedbanken te houden.
De CSZ treedt in deze
gevallen niet in de verantwoordelijkheden van minister
of bevoegd
gezag, wel wordt gebruik gemaakt van de deskundigheid die bij de CSZ aanwezig
is. Dergelijke werkzaamheden passen goed bij een
uitvoeringsorgaan, maar zijn - vanwege het onvoorspelbare en in veel gevallen ook
incidentele karakter ervan - moeilijk bij voorbaat in de wet vast te leggen.
Om die reden is daarvan dan ook afgezien. In voorkomende gevallen zal
worden vastgelegd wat de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van
het CSZ zijn.
Vermelding op deze plaats
is evenwel relevant om aan te geven dat dergelijke werkzaamheden
ook in de toekomst op verzoek van de minister zullen kunnen worden
uitgevoerd. Tegelijkertijd moge duidelijk zijn dat wanneer sprake is van een
structurele taakuitbreiding, aanpassing van de wettelijke
taakomschrijving van het CSZ noodzakelijk is.
De Algemene Rekenkamer
heeft in haar brief van 6 mei 1996 aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 1995-1996, 24 705,
nrs. 1-2, blz. 20) aanbevolen om de CSZ
rechtspersoonlijkheid te geven teneinde de juridische positie te
versterken. Deze aanbeveling is in onderhavig wetsvoorstel overgenomen,
teneinde het CSZ in staat te stellen op een adequate manier aan het
maatschappelijk verkeer te kunnen deelnemen en zijn zelfstandigheid
tot haar recht te laten komen.
De huidige
Wzv geeft wat
betreft de samenstelling van de CSZ slechts aan dat de CSZ bestaat
uit een voorzitter en andere leden. Het nieuwe CSZ zal bestaan uit ten
hoogste negen onafhankelijke leden die deskundig zijn rblz.|14|
op het werkterrein van
het CSZ. De leden worden door de minister benoemd, geschorst en ontslagen.
6. Invoeringstraject
Voor de zorgvuldige
voorbereiding en invoering van de voorgestane wijzigingen is de minister
in eerste instantie verantwoordelijk. Het ligt daarbij in de bedoeling
de huidige voorzitters te vragen de minister daarin bij te staan. De kaders
waarbinnen zij dienen te opereren, zoals neergelegd in dit
wetsvoorstel, zal ik hen schriftelijk mededelen. Dat betreft de taken van het
uitvoeringsorgaan "nieuwe stijl", het tijdpad en het budget dat voor het
nieuwe orgaan beschikbaar zal zijn. Ook zal ik aangeven hoe zij mij
gaandeweg dienen te informeren over de voortgang, zodat ik mijn politieke
verantwoordelijkheid voor de zorgvuldige overdracht en de
voorbereiding daarvan kan dragen. De verantwoordelijkheid voor het transitieproces
vloeit voort uit mijn verantwoordelijkheid ten principale voor
inrichting en werking van de zorgsector. De datum van inwerkingtreding van het
onderhavige wetsvoorstel wordt bepaald bij koninklijk besluit. De
beoogde datum van inwerkingtreding is 1 januari 1999. In de formulering
van artikel XXIII is rekening gehouden met de mogelijkheid om de datum
van inwerkingtreding per orgaan te differentiëren.
7. Financiële aspecten
Vanaf 1 januari 1995 rust
er een financiële taakstelling op de verandering van de advies- en uitvoeringsstructuur op het terrein van de volksgezondheid
en de zorggerelateerde
dienstverlening. In de jaren 1995 en 1996 lag het zwaartepunt
daarbij op de Nationale Raad voor de Volksgezondheid (NRV), ingaande 1997 ligt
het zwaartepunt bij de uitvoeringsorganen. Vanaf 1 januari 1997 rust
op de ZFR een taakstelling van ƒ3 miljoen structureel en op
het COTG en het CvZ een taakstelling van ƒ750 000,- structureel. Voor een deel heeft de invulling al plaatsgevonden
in het perspectief van de
veranderingen. Na invoering van het onderhavige wetsvoorstel zal de
invulling geheel gevonden moeten worden in maatregelen die voortvloeien uit de veranderingen die in het wetsvoorstel
voorzien zijn. Het gaat
dan bijvoorbeeld om besparingen op vacatiegelden en om een doelmatiger
inrichting en werkwijze van de secretariaten.
Overigens zij opgemerkt
dat het wetsvoorstel geen gevolgen heeft voor de controlemogelijkheden
die de Algemene Rekenkamer op grond van artikel 59 van de
Comptabiliteitswet thans heeft bij de betrokken organen.
Artikelsgewijs
Hoofdstuk I. Wijziging van
de Ziekenfondswet
Artikel I
De wijzigingen
in onderdeel A
zijn noodzakelijk in verband met de vervanging van de naam "Ziekenfondsraad" door de nieuwe
naam "College voor zorgverzekeringen". Van de
gelegenheid is gebruik gemaakt om ook enkele andere veel gebruikte
begrippen te definiëren.
Onderdeel B voorziet in
de opneming na artikel 1 van een drietal nieuwe hoofdstukken.
Er zal geen sprake meer
zijn van een voor de uitvoering van de AWBZ aangepaste samenstelling
van de ZFR. De samenstelling van de ZFR voor de uitvoering van beide
wetten is dezelfde; deze wordt thans uitsluitend rblz.|15|
geregeld in de Zfw. In
verband daarmee is gekozen voor het opnemen van de bepalingen met
betrekking tot het CVZ op een nieuwe plaats in de wet. Ook de bepalingen
van de AWBZ die voorzien in het van overeenkomstige toepassing verklaren van
toezichtsbepalingen van de Zfw zijn thans overgebracht naar één van de nieuwe hoofdstukken
(Ib) van de Zfw. De desbetreffende
bepalingen in hoofdstuk VII van de AWBZ
vervallen; dat hoofdstuk
wordt daardoor aanzienlijk in omvang teruggebracht. De overblijvende bepalingen hebben betrekking op verantwoording,
beheer van middelen,
aansprakelijkheid.
In hoofdstuk Ia
wordt het CVZ, als opvolger van de ZFR, in de nieuwe opzet geregeld. Het
hoofdstuk bevat naast de nieuwe bepalingen inzake de samenstelling en taken
van het College ook andere bepalingen, welke voorheen in hoofdstuk V
van de Zfw
waren opgenomen.
In hoofdstuk Ib
zijn
enkele bepalingen samengebracht die het toezicht op de naleving van het
bepaalde bij of krachtens de wettelijke ziektekostenverzekeringen en op het functioneren
van de uitvoerders daarvan regelen en de met die taak belaste Commissie toezicht uitvoeringsorganisatie bevoegdheden geven om op
te treden indien daartoe op grond van het uitgeoefende toezicht
aanleiding bestaat. De toezichtsbepalingen waren tot nu toe eveneens in
hoofdstuk V van de Zfw
opgenomen.
In hoofdstuk Ic
zijn
enkele bepalingen met betrekking tot de informatieverstrekking door het
College aan de minister
en aan enkele andere bestuursorganen
opgenomen.
Artikel
1a bepaalt dat er
een College voor zorgverzekeringen is, dat rechtspersoonlijkheid
bezit en dat is gevestigd ter plaatse door de minister
te bepalen.
Omdat er geen aanleiding is om ten opzichte van de huidige situatie
verandering aan te brengen in de zelfstandigheid van het College, is ervan
afgezien te bepalen dat het College voor bepaalde rechtshandelingen
voorafgaande toestemming van de minister behoeft. Het College wordt in en
buiten rechte (zowel in privaatrechtelijke als in publiekrechtelijke zaken)
vertegenwoordigd door de voorzitter. Ter voorkoming van
onduidelijkheid over de taakverdeling tussen het bestuur van het CVZ
en de CTU is
vastgelegd dat de taken van het CVZ, tenzij anders bepaald, door het bestuur worden uitgevoerd.
Artikel 1a bepaalt dat
het College die taken heeft die hem bij of krachtens deze wet zijn opgedragen.
Teneinde de kenbaarheid van de wettelijke taken te verbeteren, worden ook enkele andere wetten
genoemd krachtens welke taken aan het College toevallen. Tot uitdrukking is gebracht dat ook krachtens internationale
overeenkomst taken kunnen worden opgedragen. Bij dit laatste kan onder
andere gedacht worden aan de taak als internationaal verbindingskantoor, die
voortvloeit uit Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971
betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op
loontrekkenden en hun gezinnen die zich binnen de Gemeenschap
verplaatsen (PbEG L 149).
De wettelijke taken van
het College zijn ten opzichte van de taken van de ZFR
uitgebreid met het
toelaten van zorginstellingen (artikel 8a
Zfw en 8 AWBZ), het toelaten van
ziekenfondsen (artikel 34 Zfw) en ziektekostenverzekeraars
(artikel 33 AWBZ), het
geven van toestemming voor overeenkomsten die
afwijken van een modelovereenkomst en het zelfstandig vaststellen
van modelovereenkomsten; deze bevoegdheden berustten voorheen bij de
minister. In alle gevallen betreft het overigens taken welke voorheen door
de minister werden verricht op grond van adviezen van de ZFR.
In de wet is thans
geëxpliciteerd dat het geven van voorlichting, het uitbrengen van
rapportages over onder andere de uitvoerbaarheid en doelmatigheid van
voorgenomen beleid en het signaleren van problemen en ontwikkelingen op het
terrein van de ziekenfondsverzekering en de algemene verzekering
bijzondere ziektekosten tot de taken van het College behoren; voorts is ook
vastgelegd dat het College de afstemming rblz.|16|
bevordert van de
uitvoering van het beleid op het terrein van de ziekenfondsverzekering en
de algemene verzekering bijzondere ziektekosten en andere terreinen van
sociale zekerheid (artikelen 1m tot en met 1o).
In dit verband is ook het
opgenomen artikel 1p vermeldenswaard. Deze bepaling houdt in dat het
College, binnen door de minister
te stellen regels, subsidies
verstrekt.
Op de algemene aspecten
van de samenstelling van het College is in het
algemene deel van de
toelichting afdoende ingegaan. In dit verband zij slechts toegevoegd dat in
artikel 1b is bepaald dat de minister
zich bij de benoeming van
bestuursleden dient in te spannen om te komen tot een evenredige
vertegenwoordiging van vrouwen en personen uit minderheidsgroepen in het
bestuur van het College. Tevens is bepaald dat regels kunnen worden
gesteld over functies en werkzaamheden die niet verenigbaar zijn met het
bestuurslidmaatschap.
De leden van het College
zijn niet in dienst van het College en worden derhalve niet uit dien
hoofde bezoldigd. Op grond van het zevende lid zullen zij voor hun
werkzaamheden een vergoeding ontvangen; ook leden van door het College
ingestelde commissies komen voor een vergoeding in aanmerking. De vergoeding wordt ingevolge
artikel
1j ten laste
gebracht van de Algemene
Kas en het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten (AFBZ). De
bepalingen over de vergoeding van reis- en verblijfkosten en verdere vergoedingen zijn ontleend aan de
Kaderwet
adviescolleges.
In het in
artikel
1c voorgeschreven bestuursreglement zal het College
onder andere moeten
regelen de wijze en frequentie van vergaderen van het bestuur en hoe
besluiten worden voorbereid en genomen. Het spreekt voor zich dat het bestuur
bij zijn werk zorg draagt voor een goed contact met de
uitvoeringspraktijk, bij voorkeur door bij zijn werkzaamheden de inbreng van
praktijkdeskundigheid te waarborgen. Het bestuursreglement zal daarbij echter de
onafhankelijke besluitvorming van het College moeten waarborgen; er
mogen geen zodanige bestuurlijke bindingen met maatschappelijke
organisaties ontstaan dat vermenging van belangen optreedt. In het tweede
lid wordt bepaald dat het bestuur bevoegd is commissies in te stellen. Daarbij kan gedacht worden aan een commissie
die, zoals thans gebeurt
door een door de ZFR op verzoek van de minister
ingestelde commissie,
adviseert over de indeling van geneesmiddelen in het kader van de toepassing van het geneesmiddelenvergoedingssysteem.
Als er commissies worden
ingesteld, dienen in het bestuursreglement ingevolge het tweede lid
bepalingen te worden opgenomen over de samenstelling en taken van de ingestelde commissies. Bevoegdheden
van het College kunnen
niet aan commissies worden overgedragen. In het reglement zal ook
kunnen worden bepaald hoe met mandaatverlening aan leden van het College
en medewerkers wordt omgegaan. Overeenkomstig de Ar is
vastgelegd dat de vergaderingen van het CVZ in beginsel openbaar zijn.
In het bestuursreglement kan worden bepaald welke vergaderingen niet openbaar zijn.
Het personeel van het
College is van oudsher ambtenaar in de zin van de
Ambtenarenwet, maar
ingevolge de Ambtenarenwet is het materieel ambtenarenrecht (titel
III van de Ambtenarenwet) niet op hen van toepassing. Deze situatie
strookt niet met de aanwijzing voor zelfstandige bestuursorganen 124u. Op
termijn zal de rechtspositie van het personeel dan ook worden aangepast.
Onderzoek zal worden gestart teneinde de gevolgen van die
aanpassing in beeld te brengen.
In artikel 1d
wordt in
het verlengde daarvan aan het College opgedragen de arbeidsvoorwaarden
vast te stellen. Er wordt derhalve thans nog geen rblz.|17|
wijziging gebracht in de
van oudsher aan de ZFR toekomende bevoegdheid om de
rechtspositie van het personeel te bepalen.
Met het oog op de
aansturing van de werkzaamheden van het College
door de minister is het
op te stellen werkprogramma van belang (artikel 1e). In dit programma
neemt het College de voorgenomen activiteiten op; tevens ligt het, met het
oog op de instemmingsbevoegdheid van de minister, in de rede dat
het College bij het opstellen van het werkprogramma reeds
rekening houdt met wensen van de minister ten aanzien van aan te vatten
activiteiten.
Ingevolge
artikel
1f stelt het College jaarlijks een begroting vast van zijn beheerskosten, dat wil
zeggen: alle kosten die voor het apparaat voortvloeien uit de uitvoering van
zijn wettelijke taken. Het gaat hierbij om kosten van huisvesting,
personeel en administratie en dergelijke.
Artikel
1g legt vast dat
het College, naast de financiële verantwoording, ook met een inhoudelijk
verslag verantwoording moet afleggen over zijn functioneren. Dit verslag
zal de basis kunnen zijn voor een beoordeling van het functioneren van
het College door de minister; zo nodig kan door middel van beleidsregels
of beslissingen in de sfeer van het goedkeuren van de begroting voor het
volgende jaar tot bijsturing worden overgegaan.
In
artikel
1h is
voorgeschreven dat het financieel verslag betrekking heeft op de beheerskosten. In
artikel 1s is afzonderlijk voorzien in verantwoording met betrekking tot het
beheer van de Algemene Kas en het Algemeen Fonds Bijzondere
Ziektekosten.
De voorgeschreven
verklaring omtrent de getrouwheid en de rechtmatigheid van de ontvangsten en
uitgaven en de rapportage over de ordelijkheid en
controleerbaarheid worden afgegeven door een door het bestuur aangewezen
accountant. Ingeval (de accountantsdienst van) het ministerie een onderzoek
wenst in te stellen, kunnen deze ambtenaren namens de minister de
benodigde informatie verkrijgen op grond van de in artikel 1y
neergelegde
verplichting van het College om voor de uitvoering van uit
deze
wet voortvloeiende taken van belang zijnde informatie te verstrekken
aan de minister.
De opzet is ontleend aan
artikel 22 juncto 52 van de Comptabiliteitswet, dus aan de normen die worden
gehanteerd bij de controle van het financiële beheer op ministeries.
Het financieel verslag wordt op grond van het tweede lid algemeen
verkrijgbaar gesteld. Dat betekent niet dat de stukken volledig dienen te
worden
gepubliceerd; wel zullen ze op verzoek beschikbaar dienen te
worden gesteld. In het tweede lid is ook bepaald dat het financieel
verslag de instemming van de minister
behoeft; de instemming dechargeert
het bestuur van het CVZ.
In
artikel
1j is de
dekking van de beheerskosten van het orgaan geregeld. Tot nu toe is de dekking
wat betreft de beheerskosten van de ZFR en zijn secretariaat, alsmede
andere kosten gemaakt ten behoeve van de ziekenfondsverzekering,
geregeld in de Zfw. Wat betreft de beheerskosten van de ZFR ten laste van
het AFBZ is thans in de Wfv een regeling getroffen. Van de
gelegenheid is gebruik gemaakt om de bepalingen omtrent bekostiging van
het College op te nemen in één artikel. Artikel 42 van de
Wfv komt in
verband daarmee te vervallen (artikel V, onderdeel
F). De toerekening van
beheerskosten aan óf Algemene Kas óf Algemeen Fonds Bijzondere
Ziektekosten zal bij ministeriële regeling worden geregeld.
rblz.|18|
Artikel
1k geeft de
mogelijkheid aan de minister zo nodig beleidsregels vast te stellen omtrent
de uitvoering van de taken van het College. Het is niet de bedoeling dat
deze bevoegdheid wordt gebruikt om invloed uit te oefenen op concrete
besluiten in individuele gevallen.
Hetgeen voorheen was
geregeld in de artikelen 81 tot en met 83 van de
Zfw
is thans opgenomen in artikel 1l.
Daarbij is aangesloten bij de in de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
getroffen regeling en rekening gehouden met de in het kader van de daarop
betrekking hebbende aanpassingswetgeving gewijzigde tekst van de Zfw.
In
artikel
1m is de
bestaande voorlichtingstaak van de ZFR, thans voor het
College, vastgelegd. Het
gaat hierbij om voorlichting over het vastgestelde beleid op het terrein van
de sociale ziektekostenverzekering, dat wil zeggen de in formele
wetten en - veelal na overleg met de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal
- in gedelegeerde regelgeving
opgenomen wijzigingen in
de verzekeringswetgeving. Ten aanzien van de zogenaamde publieksvoorlichting
is bepaald dat het College deze slechts voor zijn rekening neemt op verzoek
van de minister; dat biedt de mogelijkheid om daaromtrent goede
afspraken met elkaar te maken dan wel in voorkomend geval deze
voorlichting op andere wijze te realiseren. Aldus is gewaarborgd dat de ministeriële verantwoordelijkheid voor een goede
voorlichting aan het
publiek over wijzigingen in de regelgeving kan worden gedragen.
Vermeldenswaard is dat
het College ingevolge artikel 1n desgevraagd moet rapporteren inzake
de uitvoerbaarheid en doelmatigheid van voorgenomen beleid. Dit
is de zogenaamde uitvoeringstoets. Daarnaast krijgt het College in
voornoemd artikel tot taak ook eigener beweging problemen en feitelijke ontwikkelingen die het tegenkomt bij de uitvoering
van zijn werkzaamheden op
het terrein van de ziekenfondsverzekering of de algemene verzekering
bijzondere ziektekosten bij de minister te signaleren. In dit
verband zij gewezen op artikel 39 van de Zfw, dat de ziekenfondsen verplicht
aan het College de inlichtingen te verstrekken die het voor de vervulling
van zijn taak nodig acht.
Ook
artikel
1o legt thans
expliciet een taak vast welke de ZFR sinds jaar en dag reeds vervult
zonder zodanige expliciete bepaling. Deze is de coördinatietaak van de
ZFR. Deze omvat activiteiten die erop zijn gericht een goede afstemming te
bevorderen binnen de uitvoering van de sociale ziektekostenverzekeringen
en tussen deze uitvoering en de uitvoering van de andere socialezekerheidswetgeving (met inbegrip van de
Algemene bijstandswet). Hieronder
wordt begrepen dat het College reageert op signalen die hem uit het
veld (inclusief verzekerden) bereiken en dat het College ook naar
aanleiding van die signalen richtinggevende uitspraken kan zenden aan het
desbetreffende uitvoeringsorgaan of aan alle uitvoeringsorganen over
de interpretatie en de uitvoering van de Zfw en
AWBZ met kopie naar de
persoon of instelling die de kwestie die de aanleiding vormde voor de
richtinggevende uitspraak bij het College onder de aandacht heeft gebracht. De organisatie van deze activiteit is een
interne zaak van het College. Overigens laat één en ander uiteraard onverlet dat het
College doorverwijst indien de bezwaarschriftprocedure openstaat of beroep kan worden
ingesteld of indien geklaagd kan worden
bij het ziekenfonds zelf
of het AWBZ-uitvoeringsorgaan dan wel bij de Nationale
ombudsman.
Artikel
1p houdt in dat
bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat het College
overeenkomstig door de minister te stellen regels subsidies verstrekt.
rblz.|19|
Onder
vigeur van de bestaande wetgeving heeft de ZFR
sinds jaar en dag de bevoegdheid tot het
vaststellen van subsidieregelingen. Veelal wordt van die bevoegdheid
gebruik gemaakt op verzoek van de minister. Buiten de bevoegdheid van de
minister om besluiten van de ZFR voor te dragen voor schorsing en
vernietiging heeft de minister ten aanzien van de
inhoud van deze
regelingen tot nu toe formeel slechts invloed door het vereiste van voorafgaande
goedkeuring van de minister voor de uitgaven voor een dergelijke
regeling. In overeenstemming met ZBO-aanwijzing 124f wordt nu vastgelegd
dat de minister de subsidieregels zelf vaststelt en daarmee de inhoud van
de subsidieregelingen rechtstreeks bepaalt. Een subsidieregeling
wordt van oudsher met name gebruikt als overgangsmaatregel in het
kader van een voorgenomen opneming van een zorgvoorziening in
het aansprakenpakket (eerste lid, onderdeel a). In een aantal gevallen wordt de
omschrijving van de wettelijke aanspraak ervaren als te knellend;
met het oog op het bieden van zorg op maat wordt de omschrijving van
de zorgaanspraken ingevolge de AWBZ aangepast; desalniettemin
kan niet worden uitgesloten dat nieuwe ontwikkelingen het
wenselijk maken om tijdelijk met behulp van subsidie de mogelijkheden tot het
geven van zorg op maat te vergroten; dat geldt ook voor het terrein van
de Zfw; in het eerste lid, onderdeel b, wordt derhalve bepaald dat de minister
een subsidieregeling treft die de bekostiging regelt voor substitutie
van in de aanspraak geregelde zorg door andere zorg. Het eerste lid,
onderdeel c, betreft subsidies voor zorgvernieuwing, dat wil
zeggen: experimenten
ter verbetering van vormen van zorgverlening. In onderdeel d wordt een
wettelijke basis gelegd voor subsidies aan verzekerden, teneinde
hen in staat te stellen zelf zorg in te kopen; hierbij ware te denken aan wat
thans bekend staat als het persoonsgebonden budget (PGB); door de
gekozen formulering ("in plaats van") wordt op wetsniveau tot uitdrukking gebracht dat de regeling zodanig kan worden
ingericht dat de
verzekerde die voor een PGB kiest daarmee afziet van het tot gelding brengen van
de corresponderende aanspraak. Onderdeel e betreft onderzoek met
betrekking tot de uitvoering van de Zfw en de AWBZ. De subsidiëring
van ontwikkelingsgeneeskundig onderzoek wordt thans geheel geregeld in
de Wet
op bijzondere medische verrichtingen; een daartoe strekkende
wijziging van die
wet is opgenomen in artikel
XI. Onderdeel f maakt het
mogelijk subsidieregelingen voor andere aan te wijzen doeleinden,
verband houdende met de verzekering ingevolge de Zfw en de AWBZ, op te
stellen.
In het tweede lid is
expliciet gemaakt dat de minister de uitvoering van de subsidieregelingen ook
gedeeltelijk kan opdragen aan door het College
aan te wijzen
rechtspersonen die ingevolge de Zfw en de AWBZ reeds als verbindingskantoor
optreden; het gaat hierbij om subsidieregelingen waarin subsidie wordt verleend aan
verbindingskantoren die op hun
beurt weer, met
inachtneming van de in de regeling gegeven voorschriften, subsidie
verlenen aan instellingen of verzekerden. In enkele regelingen van de ZFR
komt een dergelijke constructie reeds sinds een aantal jaren voor. Het is
wenselijk een expliciete basis te bieden voor het bij wege van delegatie
opleggen van deze extra publiekrechtelijke taak aan de
verbindingskantoren.
Het derde lid legt vast
dat de minister bepaalt welk bedrag jaarlijks beschikbaar is voor het
verstrekken van de onderscheiden subsidies en of die bedragen ten laste
komen van de Algemene Kas of ten laste komen van het AFBZ.
De regeling inzake het
verstrekken van subsidies laat onverlet dat het College, als zelfstandig
aan het rechtsverkeer deelnemende organisatie, bevoegd is en blijft om
in voorkomend geval ten laste van zijn begroting aan derden opdrachten te
verstrekken voor de uitvoering van bepaalde taken, zoals externe advisering, onderzoek, capaciteit voor de uitvoering
van subsidieregelingen.
rblz.|20|
Artikel 1q
bevat hetgeen
tot nu toe is geregeld in de artikelen 71, 72 en
73 van de Zfw, met
uitzondering van het tweede en derde lid van artikel
72; die onderdelen zijn thans
opgenomen in enkele andere artikelen, onder andere 1y,
1h en 1n). Om te
bewerkstelligen dat er snel en flexibel regels kunnen worden gesteld omtrent de
vorming van een reserve, wordt nu (in het derde lid, onderdeel d)
voorzien in de mogelijkheid bij ministeriële regeling regels te stellen.
Artikel
1r bevat hetgeen
sinds 1 januari 1998 is bepaald in artikel 72a
van de Zfw.
Artikel
1s bevat de
regels over het afleggen van verantwoording die het College
moet afleggen
over het door hem gevoerde beheer van de Algemene Kas en het
Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten. De huidige wetgeving bevat
geen voorschriften over de eisen waaraan de verantwoording moet
voldoen. Thans wordt vastgelegd dat het financieel verslag voorzien moet
zijn van een accountantsverklaring over de getrouwheid en de
rechtmatigheid van de uitgaven en ontvangsten van de Kas en het Fonds.
Overigens was het al gebruikelijk dat een verklaring over de getrouwheid werd
bijgevoegd. Daarnaast wordt vastgelegd dat de accountant moet
rapporteren over de ordelijkheid en controleerbaarheid van het gevoerde
financiële beheer. Deze eisen zijn vergelijkbaar met die welke in de
Comptabiliteitswet worden gesteld over de controle op de financiële
verantwoording van de ministeries. Ten slotte wordt erin voorzien dat bij de
verantwoording wordt aangegeven in welke mate gebruik is gemaakt van
controleresultaten van derden die betrokken zijn bij de totstandkoming van
de ontvangsten en, in mindere mate, de uitgaven van de Kas en
het Fonds. Hierbij valt te denken aan de rechtmatigheidsverklaring
die het College van toezicht sociale verzekeringen
afgeeft over de inning
van inkomensafhankelijke premies Zfw door het Landelijk
instituut sociale verzekeringen, alsmede aan de rechtmatigheidsverklaring
van de interne accountantsdienst van de belastingdienst omtrent
de inning van de premies AWBZ.
De in het vierde lid
genoemde taken op het vlak van de omvang van de besteedbare middelen en
de premiehoogte zijn in de bestaande wetgeving reeds expliciet
aan de ZFR opgedragen.
Artikel
1t bevat hetgeen
voorheen geregeld was in artikel 73a
van de Zfw. De ZFR is van oudsher
belast met het toezicht op het beheer en de administratie van
ziekenfondsen en van ziektekostenverzekeraars en uitvoerende organen. De
ZFR heeft deze toezichtstaak en een deel van zijn bevoegdheden neergelegd
bij de CTU.
In artikel 1u wordt aan de huidige vormgeving van het
toezicht een expliciete wettelijke basis gegeven. Het eerste lid bepaalt dat er
een Commissie toezicht uitvoeringsorganisatie is en dat deze is belast met
het toezicht op de naleving van de wettelijke regels en op het
functioneren van de uitvoerders daarvan. In het tweede lid is bepaald dat de
leden van de Commissie, met het oog op het gewenste onafhankelijk functioneren van de
Commissie, geen lid mogen
zijn van het bestuur van
het College en worden benoemd door de minister; daarbij zijn
dezelfde regels van toepassing als gelden voor de benoeming van de leden
van het College.
Het College zal uiteraard
hebben te voorzien in de ambtelijke ondersteuning van de commissie die het
toezicht uitoefent. Het ligt in de rede dat ook de positie van de
ambtelijke ondersteuning met het oog op het zo onafhankelijk mogelijk
functioneren van de Commissie in het bestuursreglement wordt geregeld.
In het derde lid is, in
overeenstemming met de Awb, erin voorzien dat
- door de Commissie en uit
de ambtenaren waarover zij voor haar ondersteuning kan beschikken - de
ambtenaren worden aangewezen die het toezicht feitelijk uitoefenen.
rblz.|21|
De artikelen 1v tot en
met 1x kennen de CTU de nodige bevoegdheden toe waarvan gebruik kan
worden gemaakt indien het uitgeoefende toezicht daartoe
aanleiding geeft. Het gaat daarbij overigens om bevoegdheden die thans reeds door de
huidige CTU worden uitgeoefend.
In artikel 1v
is de
mogelijkheid tot het toepassen van bestuursdwang geformuleerd; dit betreft
een aanpassing van het oude zesde lid van artikel 68 van de
Zfw aan
de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht.
In
artikel
1y wordt
bepaald dat het College aan de minister
inlichtingen verstrekt. De
modelbepaling uit ZBO-aanwijzing 124t is hierbij gehanteerd. Omdat de
beschikbare informatie ook voor het CTG, het CBZ en het CSZ van belang kan
zijn bij de uitoefening van hun taken, is in artikel 1z bepaald dat
ook aan die organen voornoemde gegevens en inlichtingen beschikbaar
moeten worden gesteld. In de bepalingen ten aanzien van deze andere colleges is een vergelijkbare bepaling opgenomen.
In
onderdeel C is
gemakshalve met één bepaling geregeld dat de Staatsbladaanduidingen in
een aantal artikelen van de Zfw vervallen.
In
onderdeel D is
gemakshalve met één bepaling voorzien in de vervanging van de naam
"Ziekenfondsraad" in alle bepalingen die niet ook nog op andere punten
moesten worden gewijzigd.
Met
onderdeel E is in
artikel 8a, tweede lid, de verwijzing naar de artikelen 8f,
8g en 8h geschrapt, omdat bij de categoriale toelating van
artikel 8a, tweede lid,
geen sprake is van een aanvraag en dus evenmin van verstrekking van
gegevens of intrekking van de toelating; overeenkomstige toepassing van die
artikelen is derhalve niet aan de orde.
De wijziging van artikel 8a, derde lid, strekt ertoe vast te leggen dat de toelating van
instellingen voortaan door het CVZ geschiedt en niet meer door de
minister.
In
onderdeel F wordt
artikel 8e geschrapt. In het gewijzigde artikel 8a
is thans vastgelegd dat het College beslist omtrent toelating. Daarbij wordt gekozen voor het algemene
regime van de Awb ten aanzien van het beslissen op aanvragen.
Naar de huidige inzichten kan de beperkte toetsing ten behoeve van
de toelating, zoals die is geregeld met ingang van de inwerkingtreding
van de Kwaliteitswet
zorginstellingen, in het algemeen plaatsvinden
binnen de in de Awb voor het beslissen op aanvragen neergelegde
termijn. Aan de bepaling van het tweede lid (van rechtswege erkenning voor
één jaar bij niet tijdig beslissen) bestaat in dat licht geen behoefte meer.
Aangezien ter zake geen overgangsrecht is getroffen, geldt dit ook
voor aanvragen waarop nog niet is beslist (vgl. artikel
XV).
De wijziging in onderdeel
G betreft een tekstuele aanpassing van artikel 8f, die samenhangt met
het hetgeen in onderdeel E is opgemerkt; duidelijk is thans dat dit artikel
slechts geldt indien het een individuele toelating op aanvraag betreft.
Onderdeel H hangt samen
met het toekennen van de bevoegdheid tot toelating aan het CVZ. De inlichtingenplicht, verwoord in deze bepaling,
geldt thans jegens het College.
Onderdeel I houdt verband
met de herformulering van artikel 77 (zie onderdeel
AA).
Onderdeel J voorziet in
schrapping van de verplichting om in beschikkingen inzake aanspraken te
wijzen op de adviesprocedure van artikel 74
Zfw bij de ZFR. Deze
adviesprocedure is met ingang van 1 januari 1997 rblz.|22|
komen te vervallen. Wel
moet het CVZ ingevolge het nieuwe artikel 74 door het ziekenfonds
worden betrokken bij een voorgenomen ongegrondverklaring van een bezwaarschrift.
Van de noodzaak om
artikel 14 aan te passen wat betreft de naam van het College is gebruik
gemaakt om in de tekst te verduidelijken dat het College beleidsregels kan stellen
ten aanzien van de hier bedoelde rechtspersonen (onderdeel
K).
De schrapping van de
verwijzing naar artikel 71 in onderdeel L hangt samen met het vervallen
van artikel 71 (zie onderdeel Y). Hetzelfde geldt voor
onderdeel R.
De wijzigingen in
onderdeel M betreffen de overdracht van de bevoegdheid tot toelating
van ziekenfondsen als uitvoerders van de Zfw van de
minister naar het College. Er is voor gekozen de artikelen 34 tot en met 37 geheel opnieuw te
redigeren. Enerzijds moest de tekst op een groot aantal plaatsen
worden aangepast in verband met de beoogde gewijzigde
bevoegdheidsverdeling. Anderzijds moest de tekst in overeenstemming worden gebracht met de
Awb. Voorts kon een enkel onderdeel (artikel
34, vijfde lid)
dat inmiddels was uitgewerkt, worden geschrapt. Inhoudelijk is evenwel
nagenoeg volledig aangesloten bij de oude situatie. De term werkgebied, welke
in de praktijk wordt gebruikt, is in de wetstekst opgenomen in plaats van
de voorheen gebruikelijke formulering "gemeente, gemeenten of
delen daarvan". Indien een ziekenfonds niet in het gehele land werkzaam
wenst te zijn, zal uiteraard ook in de toekomst moeten worden aangegeven
langs welke territoriale grenzen het werkgebied wordt
afgegrensd. Het wordt wenselijk geacht het College bij de uitoefening van zijn
bevoegdheid tot toelating, wat betreft de beoordeling van de in artikel
34,
derde lid, onderdeel c, gestelde eis, te binden aan uniforme regels. Met het
oog daarop is in het vierde lid van artikel 34 bepaald dat bij algemene
maatregel van bestuur over dat aspect regels kunnen worden gesteld.
Het ligt overigens in het voornemen om te zijner tijd bij wet te regelen
welke eisen voor ziekenfondsen zullen gelden wat betreft de invloed van
verzekerden.
In artikel 36 is de
intrekking van de toelating op aanvraag van het betrokken ziekenfonds
thans ondergebracht in een afzonderlijk lid. Het gaat hierbij om een
geheel ander soort intrekking dan die, bedoeld in het eerste lid. Tot nu toe
werd de verplichting om bij het nemen van een beslissing op een verzoek
om intrekking van toelating de ZFR te horen (artikel
34, eerste lid,
onderdeel a), benut om het nemen van de beslissing tot intrekking van de
toelating - soms langdurig - uit te stellen totdat het door het ziekenfonds
gevoerde
beheer na accountantsonderzoek in orde was bevonden. Nu het College zelf beslist over de aanvraag om intrekking, moet buiten discussie
worden gesteld dat een dergelijke aanvraag niet op de kortst mogelijke
termijn behoeft te worden ingewilligd, maar dat daarbij een datum mag
worden vastgesteld zodanig dat het ziekenfonds eerst nog op de
gebruikelijke wijze verantwoording kan afleggen over het gevoerde beheer.
Onderdeel N
Artikel
38b houdt in dat
ziekenfondsen voor het overdragen van verbintenissen aan een ander ziekenfonds
de toestemming van het College moeten verkrijgen; aan
die toestemming kunnen voorwaarden worden verbonden (deze bepaling
is thans vervat in artikel 70 van de Zfw). Aldus kan worden toegezien op
een verantwoorde afbouw van de werkzaamheden en kan worden verlangd
dat het ziekenfonds eerst op de gebruikelijke wijze verantwoording
aflegt over het gevoerde beheer.
rblz.|23|
Onderdeel O voorziet in
aanpassing van een verwijzing naar het thans als artikel 1y, tweede
lid, in het wetsvoorstel figurerende artikel 62a.
Onderdeel P voorziet in
schrapping van onderdeel c van artikel
41, derde lid. Het ligt voor de
hand dat op verzoek van een ziekenfonds tot intrekking van een
verleende toestemming kan en zelfs moet worden overgegaan. De bestaande
tekst suggereert ten onrechte dat intrekking ook in dit geval een
bevoegdheid van het College zou zijn.
De wijzigingen
in onderdeel Q
berusten op hetzelfde uitgangspunt als de wijziging in onderdeel
P.
Bovendien is in het achtste lid erin voorzien dat ook de intrekking van een
ontheffing in de Staatscourant wordt medegedeeld. Verder is de term
"beschikking" in het achtste lid vervangen door "besluit", zodat het
College wettelijk gehouden zal zijn ook de op basis van het vijfde lid aan te
geven gevallen te publiceren in de Staatscourant.
Onderdeel S betreft een
aanpassing van artikel 44. Voorzien is in het overdragen van de
bevoegdheid om aan ziekenfondsen toestemming te geven voor het sluiten
van overeenkomsten die afwijken van de vastgestelde modelovereenkomst, van de
minister naar het College. Deze overdracht ligt in het
verlengde van de wijzigingen vervat in de onderdelen T en
U.
De wijzigingen in
onderdeel T en onderdeel U betreffen het vaststellen van modelovereenkomsten
en de totstandkoming van uitkomsten van overleg. Tot nu toe werd
in dergelijke gevallen steeds beslist overeenkomstig de opvattingen van de
ZFR.
Daarom wordt goedkeuring van de minister voor modelovereenkomsten niet langer nodig geacht. Tevens is
niet langer sprake van
aanwijzing door de minister van representatieve organisaties welke bij
het opstellen van modelovereenkomsten of het bereiken van uitkomsten
van overleg een rol moeten spelen. Het wordt thans aan het College
overgelaten van geval tot geval te bepalen welke organisaties van
belanghebbenden bij één en ander worden betrokken. Het voornemen bestaat in
de komende tijd de regeling met betrekking tot overeenkomsten en modelovereenkomsten te herijken in het licht van de
huidige opvattingen over
het verzekeringsstelsel. Wellicht zal dat leiden tot verdere wijziging van
deze bepalingen.
Onderdeel V voorziet in
een met de voorgaande wijzigingen samenhangende aanpassing van de
regeling inzake de commissie die in voorkomend geval een
tarief kan vaststellen dat geldt ingeval er door de minister
een
restitutiebesluit is genomen.
In
onderdeel W wordt de
bevoegdheid van de minister tot het aanwijzen van
instellingen met
welke door een rechtspersoon als bedoeld in artikel 14 een overeenkomst moet
worden gesloten, overgedragen naar het College.
In
onderdeel X wordt een
zinsdeel van artikel 49 geschrapt. Deze schrapping houdt verband
met het vervallen van de verplichte goedkeuring van
modelovereenkomsten door de minister.
Onderdeel Y houdt verband
met de overbrenging van de in de desbetreffende artikelen vervatte
bepalingen naar met name het nieuwe hoofdstuk
Ia.
De
onderdelen Z, AA en
BB
houden verband met regeling van de vernietiging van
besluiten in het nieuwe artikel 1l
(onderdeel B). Nu artikel 77 als gevolg van de
verschuivingen in de bevoegdheid tot het nemen van besluiten van de minister
naar het College gewijzigd moest worden, is van
rblz.|24|
de gelegenheid gebruik
gemaakt om haar opnieuw te formuleren. Daarbij is de tekst aanzienlijk
vereenvoudigd (onderdeel AA). Niet langer is sprake van een opsomming
van de beslissingen waartegen aldus beroep wordt opengesteld. Thans
staat beroep op de Afdeling bestuursrechtspraak open in alle gevallen
waarin niet anders is bepaald.
Onderdeel CC vloeit voort
uit de overdracht van de toelatingstaak naar het College
(zie
onderdeel M).
Onderdeel DD hangt samen
met de onderbrenging van artikel 68a, tweede lid, in
artikel 1w.
In
onderdeel EE is
voorzien in herstel van een omissie; bij een eerdere wijziging is nagelaten de
verwijzing naar artikel 101 uit deze bepaling te schrappen.
In gevallen waarin uit de
wet voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren worden nagekomen,
kan bij algemene maatregel van bestuur op grond van het
voorgestelde onderdeel FF een tijdelijke taakverwaarlozingsvoorziening
worden getroffen, zo nodig in afwijking van de Ziekenfondswet.
Tevens is met artikel 95 voorzien in een periodieke evaluatieverplichting.
Onderdeel GG wijzigt de
bepaling omtrent de citeertitel in overeenstemming met de Aanwijzingen voor de
regelgeving.
Hoofdstuk II. Wijziging
van de Wet tarieven gezondheidszorg
Artikel II
De wijzigingen in
onderdeel A, onder 1, onderdeel a, onderdeel
D, onderdeel E, onder 1,
onder 2, onderdeel a, en onder 3, onderdeel
F, onderdeel G, onderdelen L
en N, onderdeel Q, onder 1, onderdeel
a,
onderdeel R, onder 3,
onderdeel S, onderdeel T, onder 1, en onderdeel
X zijn
noodzakelijk in verband met de vervanging van de naam "Centraal orgaan
tarieven gezondheidszorg" door de nieuwe naam: College tarieven
gezondheidszorg.
Het vervallen van
onderdeel c van het eerste lid van artikel 1 (zie onderdeel
A, onder 1,
onderdeel b) hangt samen met de wijzigingen in onderdeel
P, waarop op die
plaats wordt ingegaan.
De wijziging in onderdeel
A, onder 1, onderdeel c, is het gevolg van de wetswijziging van 16
december 1993 (Stb. 1993, 650), waarbij onder meer de citeertitel van de Wet
administratieve rechtspraak bedrijfsorganisatie werd gewijzigd in Wet
bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie. Bovendien is "College" vervangen
door "College van Beroep" in verband met de nieuwe naam en de in de wet
gebruikte afkorting van het College tarieven gezondheidszorg. De
wijzigingen in onderdeel R, onder 2, en in
onderdeel T, onder 2,
onderdeel b, hangen hiermede samen.
Onderdeel
A, onder 1,
onderdeel d, en onderdeel S, onder 1, regelen het vervallen van een
Staatsbladaanduiding.
In overeenstemming met aanwijzing 29 van de Aanwijzingen voor de
regelgeving vervalt met de wijziging
in onderdeel A, onder 2, het zesde lid van artikel 1. Voorschriften omtrent
de voordracht van een algemene maatregel van bestuur zijn overbodig,
omdat de minister of ministers die een algemene maatregel van bestuur
ondertekenen ervoor moeten zorgen dat andere
ministers aan wier
werkterrein de regeling raakt zo nodig bij de voorbereiding rblz.|25|
daarvan betrokken
worden. Die afstemming is gewaarborgd door de behandeling van de
ontwerpen van een algemene maatregel van bestuur in de
ministerraad.
Om dezelfde reden
vervallen het tweede lid van artikel 17a (zie onderdeel
J) en het achtste lid van
artikel 30 (zie onderdeel Q, onder 3).
Met de wijziging in
onderdeel B vervalt het tweede lid van artikel 2. Dit tweede lid is overbodig;
in de bepalingen omtrent het goedkeuren en vaststellen van tarieven
is immers, evenals in de bepalingen inzake het vaststellen van
beleidsregels (voorheen richtlijnen), reeds vastgelegd dat dit door het College
gebeurt.
Met de wijziging in
onderdeel C vervalt de wettelijk voorgeschreven betrokkenheid van andere
ministers bij de in artikel 2a bedoelde voorschriften en regels
van de Minister van VWS. Met deze wijziging wordt niet beoogd andere
ministers niet meer bij een regeling te betrekken; alleen het
wettelijke voorschrift vervalt.
Om dezelfde reden vinden
de wijzigingen in onderdeel Q, onder 2, en in
onderdeel V plaats.
De wijzigingen in
onderdeel E, onder 2, onderdeel b, en in onderdeel Q, onder 1, onderdeel
b,
hangen samen met het vervallen van de wettelijk voorgeschreven
betrokkenheid van andere ministers. Overwegingen van praktische aard hebben
geleid tot de afspraak dat het Ministerie van Financiën agendalid wordt van het
CTG, dat wil zeggen afschrift krijgt van de vergaderstukken.
Onderdeel H voorziet in
een wijziging van het opschrift van titel 4 en vervanging van de
artikelen 11 tot en met 14.
Bij de Aanpassingswet
derde tranche Awb II (Kamerstukken II 1996-1997, 25 464, nrs. 1-3) wordt
de benaming van de door het College vast te stellen "richtlijnen" reeds
gewijzigd in "beleidsregels" (vgl. het nieuwe artikel 11). Omdat net als thans
(vgl.
de aanwijzing ingevolge artikel 14 Wtg) de behoefte blijft bestaan
aan een sturingsmogelijkheid voor de minister
in algemene zin ten aanzien
van de uitoefening door het College van zijn wettelijke bevoegdheden,
is in artikel 13 ook aan de minister de bevoegdheid toegekend
beleidsregels vast te stellen. De ministeriële beleidsregels geven
slechts voorschriften over de inrichting van de beleidsregels van het
College. Net als de huidige aanwijzingen zullen de beleidsregels van de
minister geen betrekking kunnen hebben op individuele personen of
instellingen.
Nadat het College, na een
door de minister gegeven beleidsregel, zijn beleidsregels ingevolge
artikel 11 heeft aangepast, moeten in beginsel de Wtg-partijen
- ziektekostenverzekeraars en de organen voor gezondheidszorg - het vaste
Wtg-stramien doorlopen om de door de minister gewenste aanpassing van
het tarief te realiseren. Bij hun onderhandelen worden de beleidsregels
van het College als uitgangspunt genomen. Het College toetst immers het
onderhandelingsresultaat aan die beleidsregels. Sommige aanpassingen van
de CTG-beleidsregels geven de onderhandelende partijen een dermate
geringe discretionaire bevoegdheid dat het volgen van het reguliere
stramien weinig zinvol is. Ook kan het van belang zijn dat de door de
minister in zijn beleidsregel beoogde doelen zo snel mogelijk - door tariefaanpassing
- worden gerealiseerd. Voor die gevallen
bestaat de mogelijkheid
dat het College ambtshalve de desbetreffende tarieven aanpast. Om
zeker te stellen dat de minister in voorkomend geval die ambtshalve
vaststelling kan voorschrijven, is aan de minister in artikel 13, tweede lid, de
bevoegdheid gegeven om zulks bij het vaststellen van een beleidsregel
expliciet te bepalen.
rblz.|26|
Vervallen zijn de
bepalingen omtrent de kamers (artikel 1, eerste lid, onderdeel c, artikel 11,
derde tot en met vijfde lid, en artikel 23). Een wettelijke regeling is
overbodig. De instelling, de taken, etc., van kamers kan in het door het
College vast te stellen bestuursreglement worden geregeld. Dit
bestuursreglement behoeft de goedkeuring van de minister. Vervallen is ook de regel
(in artikel 11, eerste lid) waarin werd bepaald dat in de richtlijn moet
worden aangegeven of deze voor bepaalde of voor onbepaalde tijd geldt. Het is aan het College te bepalen of er aanleiding is
een beleidsregel voor
bepaalde tijd vast te stellen; in dat geval ware dat uiteraard in de
beleidsregel vast te leggen. In andere gevallen geldt een beleidsregel voor
onbepaalde tijd; wijziging of vervanging van een beleidsregel voor
onbepaalde tijd blijft uiteraard steeds mogelijk.
Nieuw is het tweede lid
van artikel 12 waarin de redenen tot het onthouden van goedkeuring
zijn opgenomen. Niet langer is bepaald (zoals thans in artikel 12,
vierde lid) dat de minister zo nodig, wanneer het College niet binnen drie
maanden na onthouding van goedkeuring aan een beleidsregel
(richtlijn) een nieuwe beleidsregel heeft voorgelegd, zelf een beleidsregel kan
vaststellen. Artikel 11 (nieuw) verplicht het College tot het vaststellen van
beleidsregels omtrent de hoogte, opbouw en wijze van berekening van tarieven. Deze verplichting blijft bestaan ook nadat
een door het College ter
voldoening aan die verplichting vastgestelde beleidsregel niet de
goedkeuring van de minister heeft kunnen verkrijgen. Er is geen reden te
veronderstellen dat het bestuursorgaan deze verplichting niet zou
nakomen. Hetzelfde geldt in het geval het College beleidsregels moet
vaststellen of wijzigen nadat de minister een beleidsregel als bedoeld in artikel
13
(nieuw) heeft vastgesteld. Ook aan hetgeen geregeld was in artikel
14, derde lid, bestaat derhalve geen behoefte meer.
Vervallen is de wettelijk
voorgeschreven betrokkenheid van andere ministers (artikel 12,
eerste, vijfde en zesde lid, en artikel 14, eerste, derde en zesde lid) om dezelfde
reden als bij onderdeel C.
Artikel 13 (oud) vervalt,
omdat dit een overbodige bepaling is.
Artikel 17, eerste en
tweede lid, (oud) zijn overgebracht naar artikel 13, derde en vierde lid. Het
derde lid van artikel 17 is ondergebracht in het derde lid van artikel 14.
In verband met de
wijziging van titel 4 zijn aanpassingen nodig in artikel 17e (zie
onderdeel M),
artikel 35, onderdeel c (zie onderdeel
T, onder 2, onderdeel a) en in het
vierde lid van artikel 43 (zie onderdeel W).
Onderdeel I regelt het
vervallen van de artikelen 16 en 17 in verband met de wijziging in onderdeel
H.
Onderdeel K voorziet om
dezelfde reden als in onderdeel B aangegeven in het vervallen van het derde
lid, waarin is vastgelegd dat het College is belast met het goedkeuren of
vaststellen van maximumtarieven.
Onderdeel O voorziet in
een wijziging van het opschrift van hoofdstuk III en betreft de vervanging
van de naam "Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg" door
"College tarieven gezondheidszorg".
Onderdeel P voorziet in
wijzigingen van de bepalingen van hoofdstuk III over het College. De
artikelen 18 e.v. zijn geredigeerd in overeenstemming met de Aanwijzingen voor de
regelgeving inzake zelfstandige bestuursorganen (aanwijzingen 124a e.v.) en zijn
dan ook voor een belangrijk deel gelijkluidend aan die voor het CVZ
in
artikel 1a e.v. van de Zfw (zie hoofdstuk
I). Voor een toelichting
bij de desbetreffende artikelen verwijs ik naar de rblz.|27|
toelichting
op hoofdstuk
I, artikel I, onderdeel B. Voor het overige het volgende.
Artikel 27 geeft een
regeling omtrent de beheerskosten van het College (zie het huidige artikel
27, eerste lid). Toegevoegd is een regeling over de bevoorschotting van het
College.
Ook voor wat betreft
artikel 24 (jaarlijks verslag), 29a (rapportage door het College) en de artikelen
29b en 29c (over het kosteloos verstrekken van gegevens en inlichtingen)
verwijs ik naar de toelichting op hoofdstuk
I, artikel I, onderdeel B,
en wel bij de artikelen 1g en 1n, respectievelijk
1y en
1z.
Onderdeel U regelt het
vervallen van de artikelen 37 tot en met 40 in verband met de algemene
regeling van schorsing en vernietiging in de Algemene wet
bestuursrecht.
Voor een toelichting op
onderdeel Y zij verwezen naar het in de toelichting op artikel I,
onderdeel FF, gestelde.
Onderdeel Z schrapt een
aantal uitgewerkte bepalingen.
Met
onderdeel AA wordt de citeertitelbepaling volgens de huidige aanwijzingen
geformuleerd.
Hoofdstuk III. Wijziging
van de Wet ziekenhuisvoorzieningen
Artikel III
Onderdeel A geeft aan dat
het "College voor ziekenhuisvoorzieningen" wordt vervangen door een
"College bouw ziekenhuisvoorzieningen".
Onderdeel B vervangt
artikel 2 door een reeks nieuwe bepalingen, waarin het CBZ in
overeenstemming met de aanwijzingen voor zelfstandige
bestuursorganen wordt geregeld. Deze zijn dan ook voor een belangrijk deel
gelijkluidend aan die voor het CVZ in artikel 1a
e.v. van de
Zfw (zie hoofdstuk I).
Voor een toelichting bij de desbetreffende artikelen verwijs ik naar
de toelichting op hoofdstuk
I, artikel I, onderdeel B. Voor het overige het
volgende.
In het kader van
deze
wetswijziging wordt een voorstel gedaan voor een herschikking van
bevoegdheden in het kader van de Wzv. In de planningen bouwprocedures zoals
neergelegd in die wet valt een onderscheid te maken naar beslissingen
of vaststelling van regelingen, waaraan beleidsmatige
overwegingen ten grondslag liggen, en beslissingen of vaststellingen, die de
uitvoering in meer technische zin betreffen.
Voorgesteld
wordt, met het oog op scheiding van beleid en uitvoering, de laatste categorie op te
dragen aan het CBZ. Dit betekent dat dat college de volgende taken krijgt
toebedeeld:
1. Het verschaft aan de minister inlichtingen over de uitvoering van de wet; hieronder kunnen
worden begrepen gegevens over de ontwikkelingen in de infrastructuur van
de gezondheidszorg of over de mogelijke effecten in de praktijk
van ministeriële beleidsvoornemens.
2. Het verschaft aan de
provincies gegevens betreffende de staat van gebouwen van ziekenhuisvoorzieningen, met name met het oog op de
provinciale advisering.
3. Het geeft desgevraagd
informatie over de aanvraag om een verklaring; de beslissing daarover,
die op beleidsmatige gronden is gebaseerd, blijft bij de minister.
rblz.|28|
4. Is eenmaal met de
verklaring vastgesteld dat er behoefte bestaat aan een gebouw, dan is de
bouw zelf een nadere invulling van die verklaring. De bewaking hiervan, door
middel van beslissingen omtrent schetsontwerp, bestedingsgerede stukken
en uiteindelijk de vergunning, wordt aan het CBZ opgedragen.
5. Bij de verklaring
heeft de minister tevens de maximale kosten van het gebouw aangegeven. Het
bewaken van het in acht nemen daarvan wordt ook aan het CBZ
opgedragen.
6. Artikel 15, vierde
lid, Wzv geeft de minister de bevoegdheid de gronden waarop een
vergunning kan worden geweigerd nader te omschrijven. In de
praktijk werden de op deze bepaling berustende "bouwmaatstaven"
opgesteld door het CvZ en vervolgens formeel vastgesteld door de
minister. Voorgesteld wordt bij deze praktijk aan te sluiten en de
vaststelling aan het College over te laten, onder de eis van goedkeuring door de
minister (zie onderdeel M [onderdeel N, red.], artikel 15a).
In
onderdeel B (artikel
2m) worden ook de taak, samenstelling en werkwijze van de
Commissie sanering ziekenhuisvoorzieningen opnieuw geregeld. Tevens krijgt
die commissie, onder haar nieuwe naam, "College sanering
ziekenhuisvoorzieningen", rechtspersoonlijkheid.
Overeenkomstig
mijn toezeggingen, gedaan in de brief van 23 januari 1997 (Kamerstukken
II 1996-1997, 24 705, nr. 4), worden ter zake van de sanering enige
verbeteringen vastgesteld ter tegemoetkoming aan de bezwaren van de Algemene
Rekenkamer. Voorts worden twee taken aan de taken van het CSZ
toegevoegd, namelijk een goedkeuringstaak over het afstoten van
onroerende zaken (zie hierover onderdeel P [onderdeel
Q, red.], artikel 17a) en het nemen van
beslissingen over "planschaderegelingen" in de sfeer van het ambulancevervoer
(zie hierover artikel X).
De
onderdelen C tot en
met X behelzen voor het merendeel een aanpassing aan de
hierboven beschreven herschikking van bevoegdheden. Opgemerkt zij hierbij dat
overwegingen van praktische aard hebben geleid tot de
afspraak dat het ministerie van Financiën agendalid wordt van het
CBZ. Bij de
onderdelen H en P [onderdeel Q, red.]
kan nog het volgende worden opgemerkt. Volgens
artikel 15, zesde lid, kan de minister
bij de vergunningverlening
bepalen dat met de bouw niet mag worden begonnen binnen een door
hem aangegeven termijn. Van het voornemen dit voorschrift aan de
vergunning te verbinden, kan de minister mededeling doen bij het
afgeven van een verklaring (artikel 10, vijfde lid). Van deze bepalingen wordt
gebruik gemaakt bij het stelsel van de zogenaamde
bouwprioriteiten. Dit stelsel houdt in dat bouwprojecten waaraan op zich behoefte
is tegen elkaar worden afgewogen om de onderlinge prioriteit te
bepalen en daarmee de volgorde waarin en de periode waarna zij, gelet
op de volgens het Jaaroverzicht zorg (JOZ) beschikbare middelen,
verwezenlijkt kunnen worden. In de praktijk wordt er bij het afgeven van de
verklaring sterk op aangedrongen niet verder te gaan met de procedure
(het indienen van stukken ter goedkeuring), om te voorkomen dat deze
stukken bij de uiteindelijke verwezenlijking van de bouw verouderd zullen
blijken te zijn. Het nieuwe vijfde lid van artikel 10 beoogt deze praktijk een
vastere basis te geven.
Ten aanzien van het
voorgestelde achtste lid zij het volgende opgemerkt. Bij een aanvraag om
afgifte van een verklaring dient het initiatief volledig geïdentificeerd te
worden, zodat na de afgifte van de verklaring slechts een (bouwkundige)
uitwerking hoeft te volgen. In uitzonderlijke gevallen kan het voorkomen dat het
noodzakelijk is een verklaring op korte termijn te verlenen, terwijl nog
niet alle relevante informatie voorhanden is. Voor een dergelijke
buitengewone situatie - te denken valt bijvoorbeeld aan brand - biedt het
achtste lid van artikel 10 de mogelijkheid om de verklaring onder
beperkingen te verlenen of om aan de verklaring rblz.|29|
voorschriften te
verbinden. Van deze bevoegdheid zal zeer terughoudend gebruik worden gemaakt.
Onderdeel
Q. Indien een
ziekenhuisvoorziening een deel van haar gebouwen af wil stoten
(al dan niet daartoe gedwongen door een ministerieel besluit tot
inkrimping) dan wel vervangende nieuwbouw mag plegen, is het wenselijk
dat het boekresultaat, zijnde de boekwaarde plus de kosten van eventuele
sloop en bodemsanering minus de koopsom, van het te vervreemden
gebouw, voor zover dat is gebouwd dankzij middelen uit de sociale
verzekeringskassen, in die kassen terugvloeit. Artikel 17a verplicht daartoe de
instelling contact op te nemen met het CSZ, dat als Commissie sanering
ziekenhuisvoorzieningen een grote ervaring heeft opgedaan met het
(begeleiden van het) afstoten van onroerende zaken.
Onderdeel
R. Het huidige
artikel 18a, eerste lid, geeft de minister
de bevoegdheid, naast die
tot het sluiten van een ziekenhuisvoorziening, tot het verkleinen van de
capaciteit door bedden- of functiereductie. Deze bevoegdheid is bij de Wet
versterking Wzv-instrumentarium in de Wzv opgenomen in verband met
de landelijke capaciteitsreductie in ziekenhuizen. Het begrip sluiting was
uitsluitend bruikbaar in de gevallen waarin die reductie tot het
algeheel sluiten van een ziekenhuis leidde; in het merendeel der gevallen
ging het echter om een minder vergaande maatregel. Inmiddels is
die capaciteitsreductie nagenoeg verwezenlijkt en kunnen de bepalingen in
de Wzv die op de planning van die reductie betrekking hadden (artikel 1, eerste lid, onderdeel
g, artikel 4, zevende lid, en een deel van artikel 18a,
eerste lid), vervallen; zie de onderdelen A,
onder 2 en 3, en
E. Niettemin
bestaat nog steeds behoefte aan de mogelijkheid om incidenteel een
capaciteitsreductie toe te passen, zonder dat sprake is van sluiting. Daarom
wordt voorgesteld in artikel 18a de bevoegdheid tot zodanige maatregel te
handhaven en uitsluitend de verwijzing naar de in 1988 gegeven aanwijzingen
tot het opstellen van de reductieplannen te schrappen.
Onderdeel
S. Zoals
hierboven aangekondigd, wordt voorgesteld in het stelsel van de sanering
enige verbeteringen aan te brengen naar aanleiding van het
rapport van de Algemene Rekenkamer met betrekking tot de vergoeding van
saneringskosten van ziekenhuisvoorzieningen. Deze verbeteringen leiden tot
een herformulering van artikel 18b.
Allereerst worden de
ziekenhuisvoorzieningen verplicht zich te melden bij het CSZ in geval van een
beslissing die mogelijk financiële consequenties voor de
ziekenhuisvoorziening heeft. Tot nu toe behoefde slechts de ziekenhuisvoorziening die
een uitkering ter zake van sanering wenste een beroep te doen op de Commissie. Het is voorgekomen dat instellingen
zich aanvankelijk niet
meldden omdat het ernaar uitzag dat de sanering met een positief saldo
zou eindigen, terwijl later het tegendeel bleek en daardoor de saneringskosten onnodig hoog opliepen. Ieder geval van de
in het eerste lid van
artikel 18b genoemde beslissingen wordt dus aan het CSZ gemeld. Ter controle
kan ingevolge artikel 2n een afschrift van die beslissing naar het CSZ
worden gezonden.
Het CSZ stelt de
financiële gevolgen van de sanering vast; deze vaststelling kan een
negatief of een positief saldo inhouden. In het eerste geval betekent dit dat
subsidie kan worden verstrekt. In het tweede geval is de ziekenhuisvoorziening het positieve saldo verschuldigd aan het
Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten; het
functioneren van de ziekenhuisvoorziening is immers ten laste gekomen
van premiemiddelen uit de sociale ziektekostenverzekering. In dit verband wordt erop
gewezen dat ook in geval van uitvoering van het voornemen om onroerende zaken af te stoten als
bedoeld in artikel 17a,
bijvoorbeeld in verband met vrijwillige sluiting, rblz.|30|
sprake is van sanering.
Artikel 17a verplicht het bestuur van de betrokken ziekenhuisvoorziening het
voornemen te melden bij het CSZ. Ingevolge het voorgestelde tweede
lid van artikel 18b stelt het College ook in dat geval de financiële
gevolgen van de sanering ter zake van die afstoting vast.
Wat de
taakverwaarlozingsregeling in onderdeel X betreft, zij verwezen naar het daaromtrent
gestelde in de toelichting op artikel I, onderdeel FF.
Hoofdstuk IV. Wijziging
van andere wetten
Artikel
IV. (AWBZ)
De wijzigingen
in onderdelen A en
B zijn noodzakelijk in verband met de vervanging van de naam "Ziekenfondsraad" door de nieuwe
naam "College voor zorgverzekeringen". Met het oog op de inzichtelijkheid van
het wetsvoorstel is ervoor gekozen de vervanging van de naam "Ziekenfondsraad" voor alle
bepalingen
waarvoor met deze simpele vervanging kan worden volstaan in
één bepaling te doen. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om de
verwijzing naar de bepaling waarin het AFBZ is geregeld te actualiseren.
Met
onderdeel C worden in
artikel 8 van de AWBZ dezelfde wijzigingen aangebracht als die welke
met artikel I, onderdeel E, worden aangebracht in artikel
8a van de Zfw.
Bovendien is hier voorzien in schrapping van het vierde lid van artikel
8;
bij een eerdere wijziging in het kader van de Awb
is dat vergeten.
De
onderdelen E, F,
G en H voorzien in dezelfde wijzigingen die met artikel I, onderdeel
F, G, H
en I (artikelen 8e, 8f,
8h en 8i
van de Zfw), worden aangebracht in de Zfw.
Tevens is voorzien in hernummering van de beide resterende leden van
artikel 8d.
Onderdeel I (vergelijk
artikel I, onderdeel J) voorziet in schrapping van de verplichting om in
beschikkingen inzake aanspraken te wijzen op de adviesprocedure van
artikel 58 AWBZ bij de ZFR. Deze adviesprocedure is met ingang van 1 januari
1997 komen te vervallen.
Onderdeel J regelt op
vergelijkbare wijze als in artikel I, onderdeel M, geschiedt voor de
toelating van ziekenfondsen de overdracht van de taak van de minister
op het
gebied van toelating van ziektekostenverzekeraars naar het College.
Onderdeel K regelt dat
voortaan ook de aanmelding van uitvoerende organen van
publiekrechtelijke ziektekostenvoorzieningen bij het College
plaatsvindt.
Voor toelichting op
onderdeel L moge worden verwezen naar de toelichting op artikel I,
onderdeel N.
Onderdeel M
(vgl.
artikel
I, onderdeel O) hangt samen met vernummering van artikel
62a van de Zfw tot het tweede lid van
artikel 1y van de Zfw.
Voor
onderdeel N moge
worden verwezen naar de toelichting op artikel I, onderdeel Q. Evenzo moge
voor de onderdelen O, P,
Q, R,
S, T en
U worden verwezen naar de
toelichting op artikel I, onderdeel S, T, U,
V, W, X en
Y. Bij onderdeel P
(artikel 42a van de AWBZ) is van de gelegenheid gebruik gemaakt om hier
ook de organisaties van ziektekostenverzekeraars en uitvoerende organen
toe te voegen.
rblz.|31|
De
onderdelen V en W hangen samen met het feit dat de samenstelling en taken van de
ZFR thans
geheel in de Zfw zijn geregeld. Dientengevolge behoeft hier nog slechts
het beheer van het AFBZ te worden geregeld; daarvoor is
aangesloten bij de tekst van de vervallende artikelen 51 en
55 van de AWBZ.
Voor een toelichting op
de onderdelen X, Y en
Z moge worden verwezen naar
die op artikel I, onderdelen Z, AA en BB.
Onderdeel AA is
vergelijkbaar met artikel I, onderdeel DD,
onderdeel BB met artikel I, onderdeel
EE, en onderdeel CC met artikel I, onderdeel
FF. Onderdeel CC voegt als
artikel 79 toe de citeertitel van de AWBZ. In verband met de in
onderdeel DD vervatte schrapping van de daaropvolgende artikelen is
ervoor gekozen de citeertitel naar voren te halen.
Artikel
V.
(Wet
financiering volksverzekeringen)
De wijzigingen
in onderdelen B,
D
en
G komen voort uit de wijziging van de naam "Ziekenfondsraad"
in "College voor zorgverzekeringen".
De wijziging
in onderdeel C
hangt samen met de opneming van artikel 1p (betreft subsidiëring)
in de Zfw. De wijziging in onderdeel E is een gevolg van de wijziging in
artikel
39 van de Wfv.
De wijziging
in onderdeel F
hangt samen met de thans in de Zfw op te nemen bepalingen omtrent de
instemming door de minister met de begroting van de beheerskosten van
het CVZ.
Voor de wijziging
in onderdeel H
zij verwezen naar de wijziging van de artikelen 77 van de
Zfw en 62 van
de AWBZ.
Artikel
VI.
(Overgangswet
verzorgingshuizen)
De wijzigingen
in onderdelen A en
B komen voort uit de wijziging van de naam "Ziekenfondsraad" in
"College voor zorgverzekeringen".
De wijziging
in onderdeel C
strekt ertoe te bewerkstelligen dat te zijner tijd bij inwerkingtreding van
artikel 57 van de Overgangswet
verzorgingshuizen het juiste, inmiddels met
deze wet verletterde onderdeel van artikel 39
Wfv wordt geschrapt.
Artikel
VII.
(Wet
medezeggenschap cliënten zorginstellingen)
De wijziging komt voort
uit de wijziging van de naam "Ziekenfondsraad" in "College voor
zorgverzekeringen".
Artikel
VIII.
Ambtenarenwet
Met deze wijzigingen
wordt voorzien in aanpassing in de Ambtenarenwet
- met betrekking tot de
voorzitter, andere leden en personeel van het CVZ, het CTG en het CBZ
- van de aanduiding van personen die wel ambtenaar zijn in de zin van die
wet, maar waarop titel III van die
wet (materieel recht) niet van toepassing
is.
De opsomming is uitgebreid met de vermelding van de voorzitter en
leden en personeel van het CSZ.
Artikel IX
Gemakshalve is met deze
wijzigingen voorzien in de vervanging van de aanduiding "Ziekenfondsraad" in een groot aantal andere wetten door de aanduiding
"College voor zorgverzekeringen".
rblz.|32|
Artikel X.
(Wet
ambulancevervoer)
In de praktijk is de
wenselijkheid gebleken van een financiële tegemoetkoming aan de
ambulancevervoerder wiens vergunning is ingetrokken omdat handhaving daarvan
niet in het provinciale plan past. Gelet op de ervaring van de CSZ met
beslissingen omtrent subsidies in geval van sluiting of inkrimping
van ziekenhuisvoorzieningen, ligt het in de rede, ook wat betreft het
ambulancevervoer, deze taak aan dat college op te dragen. Bij algemene maatregel
van bestuur zal worden aangegeven welke kosten relevant zijn voor het
bepalen van de subsidie.
Artikel XI.
(Wet op
bijzondere medische verrichtingen)
Met deze wijziging van de
Wet
op bijzondere medische verrichtingen wordt vastgelegd dat het
CVZ binnen het kader van door de minister
te stellen regels subsidies
voor ontwikkelingsgeneeskundige projecten verstrekt. Deze
bevoegdheid was tot nu toe opgenomen in artikel 39 van de
Wfv.
Artikel XII.
(Wet op de
economische delicten)
De wijziging onder
a
houdt verband met het vervallen van het bestaande vierde lid en de daaruit
voortvloeiende vernummering van de daaropvolgende leden van
artikel 15 van de Wet ziekenhuisvoorzieningen.
Ingevolge
artikel I, onderdeel D, van de Wet tot
wijziging van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en enige andere
wetten in verband met afschaffing van verzekeraarsbudgettering ten
aanzien van de kosten van AWBZ-verstrekkingen (Stb. 1995, 681) is
artikel 41b van de AWBZ
vervallen.
Bij die gelegenheid is nagelaten de verwijzing naar die bepaling in
artikel 1, onder 4º, van de Wet
op de economische delicten eveneens te
schrappen. Die omissie wordt thans in onderdeel b hersteld.
Artikel
XIII. (Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen)
Artikel XIII voorziet in
een tekstuele aanpassing van de met de Wet
overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen bij
het inwerkingtreden van de tweede fase van die wet in de Zfw
door te
voeren aanpassing; het betreft een louter technische aanpassing,
die nodig is omdat de bedoelde passage als gevolg van hetgeen in
artikel I is bepaald niet meer in de Zfw voorkomt.
Hoofdstuk V.
Overgangsbepalingen
Artikel XIV
Met deze bepaling wordt
vastgelegd dat het CVZ, het CTG, het CBZ respectievelijk het CSZ
in alle opzichten de rechtsopvolgers zijn van de ZFR, het
COTG, het CvZ
respectievelijk de CSZ. Het is derhalve niet noodzakelijk regelingen
te treffen omtrent de overgang van vermogen en personeel of de
afhandeling van door of tegen deze organen gevoerde rechtsgedingen in
burgerlijke of administratieve zaken. Dat laat onverlet dat met de
inwerkingtreding van het wetsvoorstel aan de benoeming van leden van vervangen
organen van rechtswege een einde komt. Nieuwe bestuursleden zullen
derhalve met ingang van het tijdstip van in werking treden van het wetsvoorstel
worden benoemd.
Artikel
XV tot en met XIX
Wel is een
overgangsregeling getroffen met betrekking tot de toelating van instellingen en
ziekenfondsen (artikel XV en XVI). Deze taken behoren tot het tijdstip van
inwerkingtreding van het wetsvoorstel tot de competentie van de
minister. Met de
overgangsbepaling wordt bewerkstelligd rblz.|33|
dat door de minister afgegeven toelatingen gelden als afgegeven door het
CVZ en dat aanvragen voor
toelating, gedaan bij de minister, gelden als gedaan bij het CVZ. Aldus
wordt voorkomen dat nieuwe aanvragen zouden moeten worden
gedaan en nieuwe toelatingen zouden moeten worden afgegeven.
Artikel XVII
bewerkstelligt dat de door het COTG vastgestelde richtlijnen worden aangemerkt als
beleidsregels van het CTG. Evenzo is erin voorzien dat aanwijzingen
van de minister met betrekking tot de inhoud van richtlijnen worden
aangemerkt als beleidsregels van de minister. Aldus is voorkomen dat
deze opnieuw zouden moeten worden vastgesteld of uitgebracht.
Voorts is erin voorzien (artikel
XVIII) dat op grond van de Wzv door de minister afgegeven
vergunningen en goedkeuring van een programma van eisen of een
schetsontwerp, alsmede bouwmaatstaven vastgesteld door de minister, worden
gelijkgesteld met zodanige besluiten genomen door het CBZ.
Tot slot is bepaald (artikel
XIX) dat rechtsgedingen die aanhangig mochten zijn met
betrekking tot door dit wetsvoorstel van de minister naar één der colleges
overgehevelde bevoegdheden, door het betrokken college worden
overgenomen. Dit betreft uitsluitend het CVZ en het CBZ.
Artikel XX
Het moge duidelijk zijn
dat de colleges enige tijd nodig zullen hebben om te voldoen aan de
wettelijke bepalingen met betrekking tot het vaststellen van een reglement, een
werkprogramma en een begroting. Ook op grond van de huidige
regelgeving moeten dergelijke stukken worden vastgesteld. Met name wat betreft
het
reglement moet echter worden vastgesteld dat dit als gevolg van
deze wetswijziging ingrijpend dient te worden aangepast. Daarom is
bepaald dat zo spoedig mogelijk een reglement moet worden vastgesteld.
Het opstellen van een werkprogramma en een begroting moet voor het
eerst geschieden vóór het jaar na dat waarin de wet het
Staatsblad zal
hebben bereikt.
Tevens is (in het vierde
lid) bepaald dat de minister vooralsnog een voorlopig reglement voor
elk van de colleges vaststelt, dat geldt totdat goedkeuring op het door
het betrokken college zelf vastgestelde reglement is verkregen.
Aangezien de voorbereiding van deze voorlopige reglementen kan beginnen
voordat het wetsvoorstel tot wet is verheven, kan aldus worden
gewaarborgd dat vanaf het begin van de werkzaamheid van de nieuwe colleges
helderheid bestaat omtrent de te volgen procedures en werkwijzen.
Artikel XXI
Om snel en adequaat in
een oplossing te kunnen voorzien voor eventuele niet-voorziene problemen
bij de invoering van de wijzigingen, is in dit artikel aan de minister
de bevoegdheid toegekend tijdelijk regels te stellen. Van het
vaststellen van deze regels wordt kennisgegeven aan de beide kamers der Staten
Generaal.
De Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers
|