|
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 1997-1998, 1998-1999, 25 837.
Handelingen II 1998-1999, blz. 1356-1379, 1496-1498, 1593.
Kamerstukken I 1998-1999, 25 837 (88, 88a, 88b, 88c).
Handelingen I 1998-1999, zie vergadering d.d. 11 mei 1999.
MEMORIE
VAN TOELICHTING
WET van 12 mei 1999, Stb.
1999, 214, houdende aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht
met een regeling over de behandeling
van klachten door bestuursorganen. Inwerkingtreding: 1 juli 1999 (Stb.
1999, 241 en Stb. 2004, 125).
WIJ
BEATRIX, bij de gratie
Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz.
enz.
Allen, die deze zullen zien
of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging
genomen hebben, dat het wenselijk is de Algemene wet bestuursrecht
aan te vullen met bepalingen inzake de behandeling van klachten
door bestuursorganen;
Zo is het, dat Wij, de Raad
van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben
goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij
deze:
Art. I.
[MvT]
De Algemene wet bestuursrecht wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
In artikel 1:6 wordt "Deze
wet is" vervangen door: De hoofdstukken 2 tot en met 8 en
10 van deze wet
zijn.
B.
[MvT]
Na hoofdstuk 8 wordt een
nieuw hoofdstuk ingevoegd, luidende:
HOOFDSTUK 9. Klachtbehandeling
AFDELING 9.1. Algemene
bepalingen
Art. 9:1. [MvT]
-1. Een ieder heeft het recht
om over de wijze waarop een bestuursorgaan zich in een bepaalde aangelegenheid jegens hem of een ander
heeft gedragen, een klacht
in te dienen bij dat bestuursorgaan.
-2. Een gedraging van een
persoon, werkzaam onder de verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan,
wordt aangemerkt als een gedraging van dat bestuursorgaan.
Art. 9:2.
[MvT]
Het bestuursorgaan draagt
zorg voor een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke
klachten over zijn gedragingen en over gedragingen van
bestuursorganen die onder zijn verantwoordelijkheid werkzaam zijn.
Art. 9:3. [MvT]
Tegen een besluit inzake de
behandeling van een klacht over een gedraging van een
bestuursorgaan kan geen beroep worden ingesteld.
AFDELING 9.2. De behandeling
van klaagschriften
Art. 9:4. [MvT]
-1. Indien een schriftelijke
klacht betrekking heeft op een gedraging jegens de klager en voldoet
aan de vereisten van het tweede lid, zijn de artikelen 9:5 tot en met
9:12 van toepassing.
-2. Het klaagschrift wordt
ondertekend en bevat ten minste:
a. de naam en het adres van
de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de
gedraging waartegen de klacht is gericht.
-3. Artikel 6:5, derde lid,
is van overeenkomstige toepassing.
Art. 9:5. [MvT]
Zodra het bestuursorgaan
naar tevredenheid van de klager aan diens klacht tegemoet is gekomen,
vervalt de verplichting tot het verder toepassen van dit hoofdstuk.
Art. 9:6. [MvT]
Het bestuursorgaan bevestigt
de ontvangst van het klaagschrift schriftelijk.
Art. 9:7. [MvT]
-1. De behandeling van de
klacht geschiedt door een persoon die niet bij de gedraging waarop de
klacht betrekking heeft, betrokken is geweest.
-2. Het eerste lid is niet
van toepassing indien de klacht betrekking heeft op een gedraging van het
bestuursorgaan zelf dan wel de voorzitter of een lid ervan.
Art. 9:8. [MvT]
-1. Het bestuursorgaan is
niet verplicht de klacht te behandelen indien zij betrekking heeft op een
gedraging:
a. waarover reeds eerder een
klacht is ingediend die met inachtneming van de
artikelen 9:4 en
volgende is behandeld;
b. die langer dan één jaar vóór indiening van de klacht heeft plaatsgevonden;
c. waartegen door de klager
bezwaar gemaakt had kunnen worden;
d. waartegen door de klager
beroep kan of kon worden ingesteld;
e. die door het instellen
van een procedure aan het oordeel van een andere rechterlijke
instantie dan een administratieve rechter onderworpen is, dan wel onderworpen is
geweest; of
f. zolang ter zake daarvan
een opsporingsonderzoek op bevel van de officier van justitie of een
vervolging gaande is, dan wel indien de gedraging deel uitmaakt van
de opsporing of vervolging van een strafbaar feit en ter zake van dat feit
een opsporingsonderzoek op bevel van de officier van justitie of een
vervolging gaande is.
-2. Het bestuursorgaan is
niet verplicht de klacht te behandelen indien het belang van de klager dan
wel het gewicht van de gedraging kennelijk onvoldoende is. [MvT
+
bis]
-3. Van het niet in
behandeling nemen van de klacht wordt de klager zo spoedig mogelijk doch
uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van het klaagschrift schriftelijk in
kennis gesteld. [MvT
+
bis]
Art. 9:9. [MvT]
Aan degene op wiens
gedraging de klacht betrekking heeft, wordt een afschrift van het
klaagschrift alsmede van de daarbij meegezonden stukken toegezonden.
Art. 9:10. [MvT]
-1. Het bestuursorgaan stelt
de klager en degene op wiens gedraging de klacht betrekking heeft, in
de gelegenheid te worden gehoord.
-2. Van het horen van de
klager kan worden afgezien indien de klacht kennelijk ongegrond is dan
wel indien de klager heeft verklaard geen gebruik te willen maken van
het recht te worden gehoord.
-3. Van het horen wordt een
verslag gemaakt.
Art. 9:11. [MvT]
-1. Het bestuursorgaan
handelt de klacht af binnen zes weken of - indien afdeling 9.3 van toepassing
is - binnen tien weken na ontvangst van het klaagschrift.
-2. Het bestuursorgaan kan de
afhandeling voor ten hoogste vier weken verdagen. Van de verdaging
wordt schriftelijk mededeling gedaan aan de klager en aan degene op
wiens gedraging de klacht betrekking heeft.
Art. 9:12. [MvT]
-1. Het bestuursorgaan stelt
de klager schriftelijk en gemotiveerd in kennis van de bevindingen
van het onderzoek naar de klacht alsmede van de eventuele conclusies die
het daaraan verbindt.
-2. Indien vervolgens nog een
klacht kan worden ingediend bij een persoon of college,
aangewezen om klachten over het bestuursorgaan te behandelen, wordt daarvan
bij de kennisgeving melding gemaakt.
Art. 9:12a.
Het bestuursorgaan draagt
zorg voor registratie van de bij hem ingediende schriftelijke
klachten. De geregistreerde klachten worden jaarlijks gepubliceerd.
AFDELING 9.3. Aanvullende
bepalingen voor een klachtadviesprocedure
Art. 9:13. [MvT]
De in deze afdeling
geregelde procedure voor de behandeling van klachten wordt in aanvulling
op afdeling 9.2 gevolgd indien dat bij wettelijk voorschrift of bij
besluit van het bestuursorgaan is bepaald.
Art. 9:14. [MvT]
-1. Bij wettelijk voorschrift
of bij besluit van het bestuursorgaan wordt een persoon of commissie
belast met de behandeling van en de advisering over klachten.
-2. Het bestuursorgaan kan de
persoon of commissie slechts in het algemeen instructies geven.
Art. 9:15. [MvT]
-1. Bij het bericht van
ontvangst, bedoeld in artikel 9:6, wordt vermeld dat een persoon of commissie
over de klacht zal adviseren.
-2. Het horen geschiedt door
de in artikel 9:14 bedoelde persoon of commissie. Indien een
commissie is ingesteld, kan deze het horen opdragen aan de voorzitter
of een lid van de commissie.
-3. De persoon of commissie
beslist over de toepassing van artikel 9:10, tweede lid.
-4. De persoon of commissie
zendt een rapport van bevindingen, vergezeld van het advies en
eventuele aanbevelingen, aan het bestuursorgaan. Het rapport bevat het
verslag van het horen.
Art. 9:16. [MvT]
Indien de conclusies van het
bestuursorgaan afwijken van het advies, wordt in de conclusies de
reden voor die afwijking vermeld en wordt het advies meegezonden met de
kennisgeving, bedoeld in artikel 9:12.
Art. II.
[MvT]
De Wet Nationale
ombudsman wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 12 wordt als volgt
gewijzigd:
1. Het tweede lid komt te
luiden:
-2. De verzoeker dient,
alvorens het verzoek te doen, over de gedraging een klacht in bij het
betrokken bestuursorgaan, tenzij dit redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd.
Indien de klacht binnen één jaar nadat de gedraging plaatsvond, is
ingediend, eindigt de in het eerste lid bedoelde termijn één jaar na de kennisgeving door het bestuursorgaan van de
bevindingen van het
onderzoek.
2. In het derde lid komt
onderdeel d te luiden:
d. de wijze waarop een
klacht is ingediend en zo mogelijk de bevindingen van het onderzoek naar de
klacht door het betrokken bestuursorgaan.
B.
[MvT]
Artikel 14 wordt als volgt
gewijzigd:
Onderdeel h komt te luiden:
h. niet is voldaan aan het
vereiste van artikel 12, tweede lid, tenzij van de verzoeker redelijkerwijs
niet kan worden gevergd dat hij de uitkomst van de behandeling van de
klacht door het bestuursorgaan verder afwacht;.
Art. III.
[MvT]
De Militaire
Ambtenarenwet 1931 wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Het opschrift van titel II
komt te luiden:
TITEL II. Bezwaar, beroep en klachtrecht
B. [MvT]
Artikel 9 komt te luiden:
Art. 9.
-1. De militaire ambtenaar
die zich bezwaard voelt over een van een militaire meerdere als
bedoeld in artikel 67 van het Wetboek
van Militair Strafrecht ontvangen bevel,
dan wel meent van een zodanige meerdere een krenkende of onbillijke
behandeling te hebben ondervonden, kan daarover in afwijking van
artikel 9:8, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene wet bestuursrecht binnen zes
weken schriftelijk een met redenen omklede klacht indienen bij de tot
straffen bevoegde militaire meerdere, bedoeld in artikel 49 van de Wet
militair tuchtrecht, onder wiens rechtstreeks bevel degene tegen wie de klacht
is gericht, is gesteld dan wel bij een door Onze Minister aangewezen
functionaris.
-2. Geen klacht kan worden
ingediend over besluiten of handelingen ter uitvoering van de Wet
militair tuchtrecht.
-3. Op de behandeling van de
klacht is hoofdstuk 9, afdeling 2 en 3, van de
Algemene wet
bestuursrecht van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in
afwijking van artikel 9:11, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht
de klacht binnen twaalf weken wordt afgehandeld indien de klager
dan wel de militaire meerdere tegen wie het klaagschrift is gericht dan
wel getuigen zich om redenen van dienst buiten Nederland bevinden.
-4. Bij algemene maatregel
van bestuur worden nadere regels gesteld ter uitvoering van dit
artikel.
Art. IV.
[MvT]
De Kaderwet dienstplicht
wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
In hoofdstuk 2 komt het
opschrift van paragraaf 3 te luiden:
§ 3. Bezwaar, beroep
en klachtrecht
B. [MvT]
Artikel 34 komt te luiden:
Art. 34.
-1. De dienstplichtige in
werkelijke dienst die zich bezwaard voelt over een van een militaire
meerdere als bedoeld in artikel 67 van het Wetboek
van Militair Strafrecht ontvangen bevel, dan wel meent van een zodanige meerdere een krenkende of
onbillijke behandeling te hebben ondervonden, kan daarover in afwijking
van artikel 9:8, eerste lid, onderdeel b, van de
Algemene wet
bestuursrecht binnen zes weken schriftelijk een met redenen omklede klacht
indienen bij de tot straffen bevoegde militaire meerdere, bedoeld in artikel
49 van de Wet
militair tuchtrecht, onder wiens rechtstreeks bevel degene
tegen wie de klacht is gericht, is gesteld dan wel bij een door Onze Minister
aangewezen functionaris.
-2. Geen klacht kan worden
ingediend over besluiten of handelingen ter uitvoering van de Wet
militair tuchtrecht.
-3. Op de behandeling van de
klacht is hoofdstuk 9, afdeling 2 en 3, van de
Algemene wet
bestuursrecht van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in
afwijking van artikel 9:11, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht
de klacht binnen twaalf weken wordt afgehandeld indien de klager
dan wel de militaire meerdere tegen wie het klaagschrift is gericht dan
wel getuigen zich om redenen van dienst buiten Nederland bevinden.
-4. Bij algemene maatregel
van bestuur worden nadere regels gesteld ter uitvoering van dit
artikel.
Art. V.
[MvT]
-1. Klachten die bij een
bestuursorgaan zijn ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van
deze wet voor het betrokken beleidsterrein en op dat tijdstip nog bij dat
bestuursorgaan in behandeling zijn, worden behandeld volgens het recht
dat vóór dat tijdstip van toepassing was.
-2. Klachten over gedragingen
die hebben plaatsgevonden vóór het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet voor het betrokken beleidsterrein en die bij een
bestuursorgaan zijn ingediend op of na dat tijdstip, worden behandeld met
toepassing van hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht.
-3. Op klachten over gedragingen waarover bij het bestuursorgaan een klacht is ingediend die
vóór
het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet voor het betrokken
beleidsterrein door het bestuursorgaan is afgehandeld, is artikel
9:8, eerste lid,
onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige
toepassing.
-4. Verzoeken om een
onderzoek door de Nationale ombudsman van een gedraging waarover een
klacht is ingediend die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze
wet voor het betrokken beleidsterrein is afgehandeld of nog in
behandeling is, worden behandeld volgens het recht dat vóór dat tijdstip
van toepassing was.
-5. Verzoeken om een
onderzoek van een gedraging die vóór het tijdstip van inwerkingtreding van
deze wet voor het betrokken beleidsterrein bij de Nationale ombudsman zijn
ingediend en die op dat tijdstip nog in behandeling zijn, worden
behandeld volgens het recht dat vóór dat tijdstip van toepassing was.
Art. VI.
Deze wet treedt in werking
op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor artikel I
en V voor verschillende beleidsterreinen verschillend kan worden
vastgesteld.¹
1. Bij Besluit
van 7 juni 1999,
Stb. 1999, 241, is het tijdstip van inwerkingtreding bepaald
op 1 juli 1999, met uitzondering van artikel I voor
zover het betreft de beleidsterreinen die worden bestreken door de in dat
besluit genoemde regelingen. Bij
Besluit
van 11 maart 2004,
Stb. 2004, 125, is het tijdstip van inwerkingtreding van artikel
I voor zover het betreft het beleidsterrein dat wordt bestreken door
de Politiewet 1993 bepaald
op 31 maart 2004, red.
Lasten en bevelen dat deze
in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige
uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
12 mei 1999
BEATRIX
De Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties,
A. Peper
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
Uitgegeven de eerste
juni
1999
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|
|