|
rblz.|1|
Kamerstukken II
1998-1999, 26 238
Wijziging
van enkele wetten in verband met invoering van
het regresrecht in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en
versterking van het regresrecht in de Ziekenfondswet,
alsmede enkele technische wijzigingen (Wet
invoering en versterking regresrecht in AWBZ en Zfw)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Voorgeschiedenis |
| 3 |
Standpunt van de
regering |
| 4 |
Inhoud van het
wetsvoorstel |
| 5 |
Financiële gevolgen
van het wetsvoorstel |
| 6 |
Technische wijzigingen |
|
xArtikelsgewijs |
| xx |
Artikelen
I t/m VI |
Algemeen deel
1.
Inleiding
Het
regresrecht van de uitvoeringsorganen van de sociale verzekeringen is de
bevoegdheid van deze organen om de kosten van een door hen verstrekte
uitkering, verleende zorg of verstrekking te verhalen op degene die door zijn
onrechtmatig handelen er de oorzaak van is dat een verzekerde beroep moet
doen op een bepaalde sociale verzekering.
In het huidige wettelijke
systeem is in alle socialeverzekeringswetten, met uitzondering van de
Algemene Ouderdomswet (AOW), de Algemene
Kinderbijslagwet (AKW) en
de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ), het regresrecht
opgenomen.
Zowel uit beleidsmatige
als uit financiële overwegingen acht de regering thans de invoering van
het regresrecht in de AWBZ - in navolging van de invoering in de Algemene
nabestaandenwet (Anw) en de overige socialeverzekeringswetten - gewenst.
Sinds de invoering van de
Ziekenfondswet (Zfw) in 1965 is in die wet voor de ziekenfondsen een
regresrecht opgenomen.
In 1996 is door de
Algemene Rekenkamer een onderzoek ingesteld naar de uitvoering van het
regresrecht in de Zfw in de jaren 1990 tot en met 1994. Haar rapport inzake
het "Verhaalsrecht in de Ziekenfondswet" (Kamerstukken II 1996-1997, 25 025) is op 26 september 1996 openbaar gemaakt. De
verhaalsopbrengsten bleken zowel bij ziekenfondsen onderling als per
ziekenfonds in verschillende jaren sterk te verschillen. De Algemene Rekenkamer
concludeerde dat de uitvoering van het regresrecht in de Zfw niet optimaal was. De
Algemene Rekenkamer deed enkele aanbevelingen
waaronder het meer aandacht schenken aan de uitvoering van het
regresrecht en het treffen van maatregelen die een optimale uitvoering
bevorderen.
Hoewel de regering de in
het rapport vermelde conclusies van de Algemene Rekenkamer niet
ten volle deelt, is ook de regering van mening dat het regresrecht in de
Zfw moet worden versterkt teneinde de opbrengsten te
optimaliseren. Een daartoe strekkende bepaling is in het onderhavige wetsvoorstel
opgenomen.
rblz.|2|
2. Voorgeschiedenis
In 1992 besloot het
toenmalige kabinet tot de uitbreiding van het in de werknemersverzekeringen
reeds bestaande regresrecht naar de volksverzekeringen. Aan deze beslissing lag
mede ten grondslag de overheveling van de verstrekkingen
hulpmiddelen, medicijnen, revalidatie, erfelijkheidsonderzoek en de zorg voor doven en
slechthorenden van de Zfw naar de AWBZ, alsmede de
discussies in de Tweede Kamer bij de behandeling van de Wet terugdringing
beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen. Het
lag in de bedoeling
de uitbreiding van het regresrecht in een afzonderlijk wetsvoorstel
voor alle volksverzekeringen tezamen te regelen. De regering heeft dit
voornemen kenbaar gemaakt met zijn adviesaanvrage van 21 januari 1993 aan
de Sociaal-Economische Raad (SER), de Ziekenfondsraad (ZFR) en de Sociale Verzekeringsraad
(SVr), waarin de diverse aspecten van het
regresrecht in de volksverzekeringen aan de orde zijn gesteld.
De
SER kwam in het advies van 17 september 1993 tot de
conclusie dat naar de huidige inzichten geen doorslaggevende
argumenten meer zijn aan te voeren tegen een uitbreiding van het regres naar de daarvoor in aanmerking komende
volksverzekeringen. Voor
de SER was daarbij het beginsel dat de kosten daar moeten worden gelegd
waar zij zijn gemaakt van doorslaggevende betekenis: een kostenconfrontatie kan ook hier leiden tot een scherpere
verantwoordelijkheidsbeleving
en tot maatschappelijk gezien meer doelmatige
allocatiebeslissingen.
Ten aanzien van de AWBZ
heeft de SER indertijd nog wel overwogen dat het invoeren van regres,
gelet op de oorspronkelijke doelstelling van deze
wet, namelijk het bieden
van een collectieve dekking tegen bijzondere, met name zware risico’s,
niet voor de hand ligt. De SER achtte het evenwel niet wenselijk
binnen één wet onderscheid te maken naar uitgaven die wel en niet
voor regres in aanmerking komen en merkte ook op dat de mate waarin
regres in de sociale verzekeringen kan bijdragen aan de toerekening van de
kosten aan de individuele veroorzaker ook niet moet worden overschat,
omdat de meeste particulieren voor wettelijke aansprakelijkheid
verzekerd zijn.
De
Ziekenfondsraad kwam
in zijn advies van 28 oktober 1993 in aansluiting op de door de SER
genoemde gronden eveneens tot de conclusie dat er geen
doorslaggevende gronden zijn aan te voeren tegen uitbreiding van het
regresrecht naar de AWBZ.
In zijn op 24 november
1993 uitgebrachte advies was de Sociale Verzekeringsraad van
oordeel dat de aansporing van de regering om waar mogelijk consequenter en
systematischer tot regres over te gaan op zijn plaats zou zijn. Dit
diende dan wel te geschieden met behoud van de oorspronkelijke regel dat
regres alleen wordt uitgeoefend indien de baten de kosten overtreffen en
voorts de dader niet onevenredig zwaar zou worden getroffen.
Na deze positieve
advisering is een wetsvoorstel inhoudende uitbreiding van het regresrecht naar
de volksverzekeringen aan de Raad van State voor advies voorgelegd.
De
Raad van State oordeelde, vanwege bezwaren van beleidsmatige aard, negatief over dit
voorstel. De Raad achtte het onjuist dat het uitgangspunt van de volksverzekeringen
wordt verlaten dat zij zowel het risico van het schade lijden als van het
schade veroorzaken dekken. Het naoorlogse socialeverzekeringsstelsel heeft zich
volgens de Raad losgemaakt van de
oorzaken van ziekte en
ongeval en het toekennen van een regresrecht was volgens de rblz.|3|
Raad strijdig
met deze trend. De in het wetsvoorstel opgenomen motivering voor
de uitbreiding dat voor deze breuk met het verleden bewust is
gekozen teneinde in de collectieve sector tot een beter kostenbewustzijn te komen
en de kosten van maatschappelijke activiteiten daar te leggen waar die
activiteiten plaatsvinden, overtuigde de Raad niet. De Raad vreesde voor
een
toename van het aantal procedures en pleitte ervoor meer
duidelijkheid te scheppen op het gebied van de
verkeersaansprakelijkheid. Voorts pleitte de Raad ervoor eerst een onderzoek te verrichten naar de mogelijkheden van collectivering van het regres.
Een belangrijk punt van
kritiek van de Raad van State met betrekking tot de invoering van het
regresrecht betrof de kosten van het nemen van regres. De Raad van State
betoogde, terecht, dat er met het nemen van regres veel procedures
gemoeid zijn, dat vanwege de kosten in de praktijk van regres afgezien
wordt en dat alleen een vorm van collectivering daarvoor een oplossing
zou kunnen bieden. De Raad was dan ook van mening dat eerst een
onderzoek naar de mogelijkheden van collectivering zou moeten plaatsvinden
alvorens tot uitbreiding van het regresrecht moest worden overgegaan.
Het oorspronkelijke
wetsvoorstel is niet ingediend en zal in die vorm ook niet meer worden
ingediend. In plaats van één wetsvoorstel uitbreiding regresrechten naar de
volksverzekeringen is gekozen voor een stapsgewijze uitbreiding en invoering
van een regresrecht in die wetten waarin dit het meest dringend gewenst was. De reden daarvan is overigens niet in
overwegende mate gelegen
in de advisering van de Raad van State. De snelle ontwikkelingen op
het gebied van de sociale verzekeringen, zoals de invoering van de Algemene
nabestaandenwet (Anw), de Wet uitbreiding
loondoorbetalingsplicht bij ziekte (Wulbz), de wijzigingen in het kader van de
arbeidsongeschiktheidsregelingen met de Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij
arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (Pemba), de invoering van
de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
(Wajong) en de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen (WAZ), als
gevolg waarvan de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) is vervallen, hebben de
integrale benadering die
in 1994 in het wetsvoorstel was gekozen, ingehaald. De pas op de
plaats in het kader van de stelselwijziging ziektekostenverzekeringen
als gevolg waarvan de hiervoor genoemde verstrekkingen weer in
het ziekenfondspakket werden opgenomen, leidde tot vertraging van de
invoering van een regresrecht in de AWBZ.
De voornemens van het
toenmalige kabinet zijn door de bedoelde stapsgewijze invoering
van het regresrecht in de afzonderlijke wetten voor een aanzienlijk deel
reeds uitgevoerd. Het gevolg hiervan is dat op dit moment de AWBZ nog de
enige socialeverzekeringswet is waarin het regresrecht, voor zover
dit opportuun is, niet is opgenomen. Invoering van het regresrecht in de
AOW
en de AKW ligt, gelet op de aard van deze wetten, niet voor de
hand.
3. Standpunt van de
regering
De regering merkt over de
hiervoor genoemde adviezen op dat deze moeten worden gezien in
het licht van de toentertijd geldende wetgeving. Het regresrecht was in
1993 nog uitsluitend ingevoerd in de werknemersverzekeringen en nog niet in de
volksverzekeringen. Eventuele bezwaren die gericht waren tegen
de invoering van het regresrecht in de volksverzekeringen zijn in verband met de
voortschrijdende inzichten hieromtrent eveneens in een andere
context komen te staan.
De discussie of een
regresrecht past in het karakter van de volksverzekeringen is met de invoering van
het regres in de Anw in feite achterhaald. rblz.|4|
Tot de invoering van de Anw is ervan afgezien in de volksverzekeringen
een regresrecht in te
voeren, omdat het uitgangspunt altijd was geweest dat zowel het risico dat
een verzekerde schade zou lijden was verzekerd als het risico dat een
verzekerde een schade zou veroorzaken welke zou leiden tot een uitkering
of verstrekking ingevolge één van de genoemde volksverzekeringen. Sinds
de invoering van de Anw is die gedachte verlaten.
De volksverzekeringen
worden thans niet meer gezien als verzekeringen die niet alleen de
geleden schade, maar tevens de aansprakelijkheid voor het toebrengen van
letselschade dekken. In het verleden zijn daardoor de maatschappelijke kosten
van bepaalde vormen van handelen te lang verborgen gebleven en ontbrak op die terreinen een prikkel tot kostenbeheersing,
met alle schadelijke
gevolgen voor het volume van de sociale zekerheid. De schade door
verkeersonveiligheid en de noodzaak tot kostenbeheersing op dit terrein zijn hiervan slechts een voorbeeld; ook de
kosten van onzorgvuldig
medisch handelen en criminaliteit zijn voor een deel verborgen in de
sociale zekerheid.
De essentie van sociale
verzekeringen is de solidariteit met degenen die vanwege het feit dat zij
- vanwege door henzelf niet te beïnvloeden oorzaken - een verhoogd
risico vormen, op de markt niet goed of niet betaalbaar verzekerd
kunnen worden. Het beleid van de laatste jaren is er mede op gericht geweest
de werkingssfeer van de sociale verzekering te beperken tot die gebieden
waarop een sociale verzekering ook echt noodzakelijk is.
Zoveel mogelijk wordt de
verantwoording bij verzekerden en hun werkgevers gelegd. Voor
alle private verzekeringen geldt dat het risico en het feitelijk gedrag van
de verzekerde tot uitdrukking komt in de premie, en in de optiek van de
regering dient dit voor de sociale verzekeringen niet anders te zijn. Waar
het streven van de regering erop is gericht de kosten van
maatschappelijk handelen zoveel mogelijk zichtbaar te maken en in principe voor
rekening te brengen van degene die daarvoor verantwoordelijk is, past
een uitbreiding van het regresrecht.
Anders dan de
SER acht de
regering het gegeven dat de AWBZ voor het merendeel zware risico’s
dekt geen bezwaar voor de invoering van een regresrecht. Slechts een
zeer beperkt deel van de kosten van de AWBZ zal voor regres in aanmerking
komen. Het regres is immers beperkt tot die gevallen waarin de
veroorzaker van een schadebrengend feit voor de kosten daarvan
aansprakelijk is. De regering ziet niet in dat nu de AWBZ in zijn algemeenheid
zwaardere risico’s dekt dan de Zfw, degene die
verantwoordelijk is voor
de onrechtmatige daad daarvoor niet de rekening zou moeten betalen.
Andere socialeverzekeringswetten waarin het regresrecht is opgenomen,
zoals de Anw en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering,
dekken immers ook zware
risico’s.
Invoering van het
regresrecht in de AWBZ ligt ook in de lijn van de wijziging in het denken
over de reikwijdte van de sociale verzekeringen, de sterkere individuele
verantwoordelijkheid en de trend van collectivering naar individualisering.
De regering ziet vanuit deze gedachtegang goede redenen ook in de
AWBZ een regresrecht in te voeren.
Zowel vanuit
beleidsmatige overwegingen (de afwenteling van kosten van bepaalde economische
activiteiten op de collectieve sector tegengaan en verhaal halen op degene
die schade veroorzaakt) als financiële overwegingen acht de regering
invoering van het regresrecht in de AWBZ, op dezelfde wijze als dit in
de Anw is opgenomen, wenselijk.
In het eerder
gememoreerde rapport "Verhaalsrecht in de Ziekenfondswet" van 16
september 1996 heeft de Algemene Rekenkamer in haar bevindingen over
de uitvoering van het regresrecht in de Zfw in de periode
1990-1994
geconcludeerd dat deze niet optimaal was.
rblz.|5|
Onderzochte externe
factoren, zoals de overheveling van verstrekkingen naar de AWBZ
waarin geen
regresrecht was opgenomen, konden in de ogen van de Algemene
Rekenkamer deze verschillen niet verklaren. Ook de door de Ziekenfondsraad
en de door ziekenfondsen naar voren gebrachte knelpunten in
de uitvoering van het regresrecht, te weten het ontbreken van een
financiële prikkel voor ziekenfondsen om tot regres over te gaan en de
moeizame toegang tot politiedossiers om te bepalen of verhaal in de rede ligt,
verklaarden dit niet. De Rekenkamer weet de niet-optimale uitvoering van
het regres vooral aan de kwaliteit en organisatie van de uitvoering van het
regresrecht en de grote interpretatievrijheid die de Zfw
biedt om al dan
niet regres te nemen. De Rekenkamer pleitte - bij verdere uitbreiding van
het regresrecht - voor duidelijke regelgeving omtrent de juridische
positie van de verschillende partijen.
De regering is van mening
dat de oorzaak van het achterwege blijven van verhaal door de
ziekenfondsen niet gelegen is in de juridische omschrijving van het
regresrecht in de Zfw, maar veeleer gezocht moet worden in het ontbreken
van een financiële prikkel voor de ziekenfondsen. Terwijl de ziekenfondsen
de met de uitvoering van het regres gemoeide kosten zelf moeten dragen
vanwege de budgettering van de beheerskosten, vielen de
regresopbrengsten tot voor kort geheel toe aan de Algemene Kas van de ziekenfondsverzekering. Het kost de ziekenfondsen
derhalve juist geld.
Daarom is sinds 1 januari 1998 een financiële prikkel ter stimulering van het
regres in de ziekenfondsbudgettering opgenomen. De ziekenfondsen mogen
sindsdien een derde van de regresopbrengst zelf houden. Zij kunnen
hieruit de kosten van hun verhaalsinspanningen dekken en, bij effectieve
inspanning, de resterende opbrengst bij hun exploitatieresultaat
voegen.
Het geven van een
financiële prikkel aan de individuele ziekenfondsen ter stimulering van het
regres past volledig in het beleid dat ten aanzien van de rol van ziekenfondsen
bij de uitvoering van de Zfw in het algemeen wordt gevoerd. Anders dan
in de AWBZ, waar voor de ziekenfondsen, de ziektekostenverzekeraars en de uitvoerende organen slechts een
bescheiden rol in de
uitvoering is weggelegd, is bij de uitvoering van de Zfw sprake van een
prominente rol voor de ziekenfondsen. Sedert het invoeren in 1991 van de
risicodragende budgettering van ziekenfondsen is het accent op de eigen
verantwoordelijkheid van de ziekenfondsen voor het doelmatig
functioneren van de ziekenfondsverzekering verder toegenomen. Deze ontwikkeling zal naar verwachting de komende jaren
doorgaan. Of deze
toegenomen eigen verantwoordelijkheid van de ziekenfondsen, in
combinatie met de met ingang van 1998 ingevoerde financiële prikkel, in
de praktijk daadwerkelijk zal leiden tot een toename van de
verhaalsinspanningen door ziekenfondsen en daarmee ook tot een toename van de
verhaalsopbrengsten, zal uiteraard moeten worden afgewacht. Aan de Ziekenfondsraad
is gevraagd om de per 1 januari 1998 ingevoerde financiële
prikkel na twee jaar te evalueren. Mocht uit de evaluatie blijken dat
sprake is van tegenvallende opbrengsten of van onevenredig hoge kosten
van regres door individuele ziekenfondsen, dan dient naar de mening van
de regering vervolgens de mogelijkheid open te staan om andere
oplossingen te kiezen, bijvoorbeeld het collectiveren van het regres. Daartoe is in
het wetsvoorstel een bepaling opgenomen waarin aan de Ziekenfondsraad de mogelijkheid wordt gegeven om een
collectieve
afkoopregeling te treffen.
De betreffende bepaling
is analoog aan het eveneens in het wetsvoorstel opgenomen derde lid van
artikel 65b van de AWBZ. Wat betreft de genoemde bepaling in de Zfw
ligt het, gelet op het bovenstaande, voor de hand te denken aan een
nader te bepalen, later tijdstip van inwerkingtreding dan voor de genoemde
bepaling in de AWBZ.
rblz.|6|
Afgezien van de
specifieke, bovenbeschreven situatie met betrekking tot de rol van individuele
ziekenfondsen in de uitvoering van de Zfw, hecht
de regering aan het
benadrukken van de mogelijkheden van collectivering. In het algemeen zijn
immers de kosten van afhandeling van regresclaims, zoals die geschiedt aan de hand van individuele dossiers,
hoog. Het Verbond van
Verzekeraars schat dat met de behandeling van het regres door regresnemers
zo’n 15% van de opbrengst van het regres is gemoeid. Dergelijke
structureel hoge kosten acht de regering ongewenst. De regering ziet daarom
in de mogelijkheid tot collectivering van het regres een duidelijke
versterking van het bestaande regresrecht. Bedoelde collectivering zou kunnen
inhouden dat de schadeverzekeraars jaarlijks een nader te bepalen
bedrag aan de sociale verzekeraars overmaken om (bijvoorbeeld) de
schadelast waarvoor regres kan worden genomen te vergoeden. Alle
regresprocedures worden dan in één keer afgekocht. De uitvoeringskosten zullen
bij collectivering kunnen afnemen, met zowel een positief effect op de
kosten voor de bij het regres betrokken organen en verzekeraars als op de
belasting voor de rechterlijke macht.
Eerder genoemde
adviesorganen waren ter zake van collectivering van het regres over het algemeen
positief gestemd.
Voor wat betreft de
collectivering van het regres zijn de ontwikkelingen van de laatste tijd
positief te noemen. De hoge kosten van het nemen van regres blijken voor
partijen een belangrijke incentive te vormen om tot afspraken over afdoening
van claims te komen. Waarschijnlijk als gevolg daarvan is de situatie
rond collectivering na het uitbrengen van eerder genoemd advies van de Raad van State
inmiddels aanzienlijk gewijzigd.
Op het terrein van de
Ziektewet is per 1 januari 1996 tussen sociale en particuliere verzekeraars
een convenant tot stand gekomen over de afwikkeling van
wederzijdse claims. Op dit convenant hebben alle uitvoeringsinstellingen
en 93% van het marktaandeel van verzekeraars ingetekend. Ook in het
kader van de Anw is tussen de Sociale Verzekeringsbank
en het Verbond van
Verzekeraars ter zake een overeenkomst gesloten. De laatste
ontwikkeling op dit gebied is dat ook op het terrein van de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen
- het financieel grootste
risico - er
waarschijnlijk een vorm van collectivering tot stand zal komen. Tussen het Tica
[Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming, de
rechtsvoorganger van het Landelijk instituut
sociale verzekeringen (Lisv), red.] en het
Verbond van Verzekeraars is een convenant regresrecht WAO in een
vergevorderd stadium van voorbereiding.
Deze ontwikkelingen
bevestigen de regering in zijn opvatting dat waar de omvang van de claims
duidelijker wordt, de collectivering vanzelf volgt. Uiteindelijk is het voor
alle betrokken partijen aanzienlijk goedkoper als niet over afzonderlijke
zaken geprocedeerd behoeft te worden.
De regering wil hier
nadrukkelijk stellen voorstander te zijn van een vorm van collectivering van
het regres. De regering blijft vooralsnog terughoudend waar het betreft het
voorschrijven van een bepaalde methode van collectivering. Van
collectivering is sprake als de band met de individuele vordering
geheel wordt doorgesneden en de totale regreslast in één keer volledig
wordt afgekocht. Collectivering wordt soms als een term gebruikt die vele
mogelijke vormen van afdoening van een schadelast dekt, anders
dan op individueel niveau. Wanneer het gaat om het op vereenvoudigde
wijze van afdoen van individuele regresvorderingen, en collectivering is daar
een voorbeeld van, zijn verschillende methodes mogelijk, zoals
het vaststellen van een vast percentage van de schade per dossier
of het vaststellen van verdeelsleutels voor ieder mogelijk geschilpunt. De
vraag welke vorm van collectivering nu het meest wenselijk is, lijkt
niet eenduidig te beantwoorden. De regering wil niet uitsluiten dat
afhankelijk van het karakter van de verschillende sociale verzekeringen en
afhankelijk van de vraag wie regres kan uitoefenen, ook een andere vorm van
collectivering nodig is.
rblz.|7|
Evenals het toenmalige
kabinet ziet ook deze regering weinig heil in het doen verrichten van
onderzoeken naar mogelijkheden van collectivering of naar de hoogte van
voor regres in aanmerking komende bedragen. De verwachting dat vormen
van collectivering, onder druk van de kosten van procedures, vanzelf tot
stand komen, lijkt door de ontwikkelingen van de laatste tijd te worden
bevestigd. De taak van de overheid in deze kan zich beperken tot het oplossen
van knelpunten in de regelgeving. De afrekening volgt dan
automatisch.
Gelet op de bovengenoemde
overwegingen en de positieve resultaten die de laatste twee jaar op
het gebied van collectivering geboekt zijn, ziet de regering thans geen
redenen om in het kader van dit wetsvoorstel verdergaande regelgeving,
bijvoorbeeld in de vorm van voorschriften omtrent de organisatie
van regresprocedures, te initiëren.
De regering heeft ter
voorkoming van onduidelijkheid overwogen dat de Ziekenfondsraad, als
beheerder van de Algemene Kas van de ziekenfondsverzekering en het Algemeen Fonds
Bijzondere Ziektekosten, het aangewezen orgaan is om
te collectiveren.
Het recht van verhaal
ligt ingevolge artikel 65b van de AWBZ
en artikel
83b van de Zfw bij
ziekenfondsen, ziektekostenverzekeraars of uitvoerende organen, die elk een
zelfstandig regresrecht hebben in individuele gevallen. Het sluiten van
een overeenkomst met verzekeraars inhoudende betaling van een
afkoopsom voor schades is een taak van de Ziekenfondsraad. Om te voorkomen dat er
onduidelijkheid ontstaat tussen enerzijds de
ziekenfondsen, ziektekostenverzekeraars en de uitvoerende organen en anderzijds de
Ziekenfondsraad is gekozen voor een heldere toedeling van de
bevoegdheden om tot verhaal over te gaan.
Het wetsvoorstel voorziet
erin dat de Ziekenfondsraad voorafgaand aan enig kalenderjaar met schadeverzekeraars afspraken maakt omtrent de
hoogte van een afkoopsom
voor dat jaar. De Ziekenfondsraad stelt de ziektekostenverzekeraars
op de hoogte van de totstandkoming van zo’n regeling. De Ziekenfondsraad kan ook een afkoopregeling treffen met een
deel van de
schadeverzekeraars. In dat geval blijft het regresrecht jegens de andere
schadeverzekeraars in stand en kunnen de ziektekostenverzekeraars zelfstandig regres
blijven nemen.
Gelet op het vorenstaande
moge duidelijk zijn dat de regering in de AWBZ
het regresrecht in
combinatie met de mogelijkheid tot collectivering wenst in te voeren. In de
Zfw wil de regering de mogelijkheid tot collectivering
naar de toekomst toe
openen en openhouden, maar vooralsnog eerst de resultaten afwachten van
het reeds ingezette proces van stimulering van regresactiviteiten door
de individuele ziekenfondsen.
4. Inhoud van het
wetsvoorstel
Het regresrecht wordt
geregeld in een aantal in de AWBZ op te nemen bepalingen. Deze
bepalingen zijn uit wetssystematische overwegingen geplaatst in een nieuw in
te voegen hoofdstuk IXa, waarin alle bepalingen die invloed hebben op het
burgerlijk recht zijn opgenomen. Deze systematiek, die reeds
bestaat in de werknemersverzekeringen, de Anw,
de WAZ en de Wajong,
wordt eveneens in dit wetsvoorstel overgenomen. In verband met deze
systematiek worden twee bepalingen in de huidige AWBZ verplaatst naar dit
hoofdstuk. Inhoudelijk is de regeling van het regresrecht gelijk aan
die in de overige socialeverzekeringswetten.
Over de omvang van het
regres is het volgende bepaald. De rechter moet bij het vaststellen van
de schadevergoeding rekening houden met de aanspraken die de
verzekerde krachtens deze wet heeft. Vervolgens kan een ziekenfonds,
ziektekostenverzekeraar of uitvoerend orgaan de gemaakte kosten op de schadeplichtige
verhalen
(artikel I, onderdeel
D, artikel 65a AWBZ). Voorts
wordt het regresrecht in de AWBZ evenals in de
rblz.|8|
andere sociale
verzekeringen doorgaans beperkt tot gevallen van schuldaansprakelijkheid.
Dat wil zeggen dat het AWBZ-uitvoeringsorgaan de kosten van de aan zijn
verzekerde verleende zorg slechts kan verhalen indien het feit als
gevolg waarvan de verzekerde genoodzaakt werd AWBZ-zorg in te roepen,
als een onrechtmatige daad aan de veroorzaker kan worden toegerekend en
waarvoor hij derhalve aansprakelijk is. Daarom blijven voor de
vaststelling van het totale bedrag waarvoor aansprakelijkheid naar
burgerlijk recht zou bestaan de meeste artikelen betreffende wettelijke
aansprakelijkheid buiten de schuld van degene die de schade veroorzaakt
heeft (risicoaansprakelijkheid) buiten toepassing. Om dit te bewerkstelligen,
wordt in artikel 197 van Boek
6 van het Burgerlijk Wetboek een
verwijzing naar artikel 65b van de
AWBZ opgenomen (artikel
III).
Het derde lid van
artikel
65b van de AWBZ regelt de collectivering van het regres in die zin dat de
Ziekenfondsraad met schadeverzekeraars afspraken kan maken over
een jaarlijks te betalen afkoopsom.
Omdat het niet altijd
mogelijk is de kosten van de zorg naar individuele gevallen terug te
rekenen, is in het tweede lid van artikel 65b
van de AWBZ geregeld dat een
schatting kan worden gemaakt van de geldswaarde van de verleende zorg.
Daarbij is bepaald dat de Minister van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport hieromtrent zo nodig nadere regels kan stellen.
Ten slotte is,
overeenkomstig de regeling in de Anw, de Ziektewet, de
Zfw en de WAO, een regeling
getroffen voor het regres op de werkgever en de collega-werknemer, met
dien verstande dat de schadeplichtigheid wordt beperkt tot de gevallen
waarin sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid van de veroorzaker van
het feit (artikel I, onderdeel D, artikel 65c
AWBZ).
Bij het ontbreken van een
dergelijke bepaling zouden collega-werknemers in de gevallen waarin ze
schuld zouden hebben aan een ongeval, door de verzekeraars van die
collega’s kunnen worden aangesproken voor de kosten die ten behoeve
van die collega’s zijn gemaakt. Waar mensen intensief samenwerken, en ongelukken die aan iemands schuld te wijten
zijn zich makkelijk
kunnen voordoen, heeft de wetgever een dergelijk regres - en de noodzaak
zich daarvoor te moeten verzekeren - voor de genoemde wetten willen voorkomen. Vandaar dat via een uitzonderingsbepaling
het regresrecht wordt
beperkt tot de gevallen waarin sprake is van opzet of bewuste
roekeloosheid. Het risico van normale bedrijfsongevallen komt daarmee voor
rekening van de AWBZ.
In de
Zfw wordt de
bestaande regresbepaling, analoog aan de regeling in de AWBZ, aangepast en
uitgebreid met een nieuw lid, waarbij is geregeld dat de Ziekenfondsraad
met schadeverzekeraars afspraken kan maken over een te betalen
jaarlijkse afkoopsom (artikel II, onderdeel G, artikel
83b Zfw)
5. Financiële gevolgen
van het wetsvoorstel
De opbrengsten van het
regres in de AWBZ zijn moeilijk in te schatten, omdat er geen gegevens
bekend zijn over het aantal gevallen waarin regres mogelijk is en de
financiële omvang ervan. De mogelijkheid van verhaal in de AWBZ doet
zich met name voor bij het cluster verzorging of verpleging en dan met
name met betrekking tot de verstrekkingen opneming en nader
verblijf in een verpleeginrichting, dagbehandeling in een verpleeginrichting en
thuiszorg.
In zijn advies van 1993
was de SER van oordeel dat het uitermate lastig was een betrouwbaar en
volledig beeld te krijgen van de opbrengsten van regres en dan met name
voor wat betreft de AWBZ. Ook de ramingen van rblz.|9|
de verschillende
belangengroeperingen, de sociale en particuliere verzekeraars, lopen substantieel uit elkaar. Voor wat betreft de AWBZ
(vóór de overheveling
van farmaceutische hulp, hulpmiddelen en revalidatie naar de Zfw)
schatte de SER de regresopbrengst op ƒ50 tot ƒ100 miljoen. De verwachte opbrengst zal op dit moment substantieel
lager liggen, omdat met
name bij de in 1996 naar de Zfw overgehevelde verstrekkingen
hulpmiddelen en revalidatie regresopbrengsten zijn. Indien de regresopbrengst in de
AWBZ gelijk zou zijn aan de opbrengst in de Zfw, betekent dit,
uitgedrukt in een percentage van de kosten van verleende verstrekkingen,
een opbrengst van 0,27% per gulden. De opbrengst van regres in
de AWBZ zou in dat geval circa ƒ25 miljoen per jaar bedragen (deze
cijfers zijn ontleend aan een schatting van de Ziekenfondsraad
van mei
1998). Aangezien het regres in de AWBZ andere zorgvormen betreft en er
rekening mee moet worden gehouden dat de maximale opbrengst eerst
na verloop van een aantal jaren zal worden gerealiseerd, wordt
vooralsnog uitgegaan van een regresopbrengst van ƒ15 miljoen per jaar.
6. Technische wijzigingen
De artikelen I,
onderdeel A en B, en II,
onderdeel A, B en D tot en met F, van
dit wetsvoorstel
strekken tot het herstel van (wets)technische onvolkomenheden in de AWBZ
en de Zfw. In de Veegwet
SZW 1997 zijn recentelijk artikelen in
de socialeverzekeringswetten gewijzigd waarbij de definiëring van het
begrip ongehuwd samenwonenden is aangepast. Doel hiervan is onder meer te
komen tot harmonisatie van leefvormbepalingen in de regelgeving ter
verbetering van de uitvoerbaarheid en handhaving daarvan. Voorts is in die
wet een aantal bepalingen aangepast inzake het geregistreerde
partnerschap als gevolg van de wijziging van het Burgerlijk
Wetboek en van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering. De Zfw en de AWBZ zijn bij die
wijziging niet meegenomen en die omissie wordt in deze wet hersteld. De
tekst van de bepalingen is vrijwel gelijkluidend aan de formulering in de
overige socialeverzekeringswetten.
Verder worden in artikel
II, onderdeel C, en artikel V twee bepalingen opgenomen voor de op 1
januari 1998 in werking getreden Wet
herstructurering Ziekenfondswet.
Artikelsgewijs
deel
Artikel I, onderdeel A
(artikel 1 AWBZ)
Voor de wijziging van
deze bepaling wordt verwezen naar paragraaf 6 van het algemene deel van de
toelichting.
Artikel I, onderdeel C
(artikelen 13 en 15
AWBZ)
De
artikelen 13 en 15
AWBZ vervallen en worden verplaatst naar hoofdstuk
IXa van de wet.
Artikel I, onderdeel D
(artikel 65a AWBZ)
Deze bepaling, die
overeenkomt met het huidige artikel 13, is uit systematische overwegingen verplaatst
naar hoofdstuk IXa van de AWBZ.
De bepaling regelt de
samenloop van aanspraken in het burgerlijk recht en de aanspraken die op
grond van deze wet bestaan.
rblz.|10|
Artikel I, onderdeel D
(artikel 65b AWBZ)
In het eerste lid is het
regresrecht geregeld. De bepaling is gelijkluidend aan de vergelijkbare
regeling in de andere socialeverzekeringswetten.
In het tweede lid is
geregeld dat - indien de zorg niet zonder meer is uit te drukken in een geldbedrag
- er een schatting kan worden gemaakt van de geldswaarde van de
geleverde zorg. Daarbij kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de wijze
waarop de schatting moet worden gemaakt. Een dergelijke bepaling is
thans reeds in artikel 83b, tweede lid, van de
Zfw opgenomen.
In het derde lid wordt geregeld dat collectivering van de schadelast door de
Ziekenfondsraad
mogelijk is. Daarbij is bepaald dat indien de Ziekenfondsraad op grond van het derde
lid met schadeverzekeraars afspraken maakt over het betalen
van een jaarlijkse afkoopsom, dit vooraf aan het desbetreffende jaar aan
de ziektekostenverzekeraars moet worden medegedeeld. Hierbij zal
tevens moeten worden aangegeven welke schadeverzekeraars zich
aan de afspraken gebonden hebben. Voor ziektekostenverzekeraars
is dan duidelijk of zij voor individuele gevallen regres moeten nemen, dan
wel dat de Ziekenfondsraad de bedoelde schadelast voor dat jaar
collectiveert.
Artikel I, onderdeel D
(artikel 65c AWBZ)
In
deze bepaling is,
overeenkomstig de bepalingen in de overige socialeverzekeringswetten, een
regeling getroffen voor het regres op de werkgever en de
collega-werknemer, met dien verstande dat de schadeplichtigheid wordt beperkt tot opzet
of bewuste roekeloosheid.
Artikel I, onderdeel D
(artikel 65d AWBZ)
Deze bepaling, die in
strekking overeenkomt met het huidige artikel 15, is uit wetssystematische
overwegingen verplaatst naar hoofdstuk IXa
van de wet.
De bepaling is erop
gericht misbruik van de wettelijke voorzieningen te kunnen verhalen en past
om die reden goed in het nieuwe hoofdstuk waarin de invloed op het
burgerlijk recht geregeld is.
In de tweede volzin is
geregeld dat - indien de zorg niet zonder meer is uit te drukken in een
geldbedrag - er een schatting kan worden gemaakt van de geldswaarde van de
geleverde zorg.
In het tweede lid is
bepaald dat nadere regels kunnen worden gesteld met betrekking tot de in het
eerste lid bedoelde terugvordering. Aan deze bepaling is tot heden
geen uitvoering gegeven.
Artikel II, onderdeel A
(artikel 1 Zfw)
Deze wijziging hangt
samen met de invoering van de Veegwet SZW 1997. Verwezen wordt naar het
algemene deel van de toelichting.
Artikel II, onderdeel B
(artikel 3 Zfw)
Met de voorgestelde
wijziging van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, ten eerste,
Zfw wordt uniformiteit
met artikel 3, eerste lid, onderdeel a, ten tweede,
Zfw bereikt.
De wijziging van artikel
3, eerste lid, onderdeel b, Zfw is een verbetering van
de systematiek in het
artikel.
Artikel II, onderdeel C
(artikel 3c Zfw)
In de
memorie van
toelichting bij de Wet van 24 december 1997, houdende wijziging van de
Ziekenfondswet in verband met aanpassing van de gronden voor de
ziekenfondsverzekering (herstructurering
Ziekenfondswet), rblz.|11|
was al
een passage opgenomen waarin werd aangegeven dat met de mogelijkheid
voor personen van 65 jaar of ouder om onder voorwaarden toe te
treden tot de ziekenfondsverzekering niet werd beoogd de
ziekenfondsverzekering open te stellen voor personen die bij het bereiken van de
65-jarige leeftijd deelnemer waren aan een publiekrechtelijke ziektekostenregeling voor
ambtenaren (de Gemeenschappelijke regeling Zorgverzekering
Ambtenaren Nederland, de Interprovinciale ziektekostenregeling 1988 en het
Besluit
geneeskundige verzorging politie 1994). De regering heeft het
opportuun geacht om dit nadrukkelijk in de wet op te nemen aangezien in de
praktijk anders wordt gehandeld. Deze bepaling brengt dit tot
uitdrukking.
Artikel II, onderdeel F
(artikel 73b Zfw)
Sinds de invoering van de
Wet van 24 december 1997, houdende wijziging van de Ziekenfondswet in
verband met aanpassing van de gronden voor de ziekenfondsverzekering
(herstructurering Ziekenfondswet), is
de positie van de vergunninghoudende
pensioeninstellingen geen andere dan die van de overige, zodat ze
niet meer afzonderlijk benoemd hoeven te worden in de
Ziekenfondswet.
Artikel II, onderdeel G
(artikel 83b, eerste en derde lid, Zfw)
Door wijziging van het
eerste lid en toevoeging van het derde lid aan artikel
83b van de Zfw wordt buiten twijfel
gesteld dat collectivering van
het regres door de Ziekenfondsraad ook mogelijk is.
Artikel II, onderdeel G
(artikel 83b, tweede lid, Zfw)
In dit lid is geregeld
dat - indien de zorg niet zonder meer is uit te drukken in een geldbedrag
- er
een schatting kan worden gemaakt van de geldswaarde van de
geleverde zorg. Deze bepaling vervangt het oude tweede lid van artikel
83b van de Zfw. De terminologie is in overeenstemming
gebracht met het desbetreffende artikel 65b, tweede lid, van de
AWBZ.
Artikel II, onderdeel H
(artikel 83d Zfw)
Overeenkomstig
artikel
65d van de AWBZ (nieuw) is een artikel 83d
inzake terugvordering bij
misbruik in het hoofdstuk over de invloed van het burgerlijk recht
ondergebracht.
Artikel III
(artikel
6:197 BW)
Door
artikel
65b toe te
voegen aan artikel 197 van Boek
6 van het Burgerlijk Wetboek wordt
bewerkstelligd dat het regres zich beperkt tot schuldaansprakelijkheid.
Artikel IV
Omdat verzekeraars met
betrekking tot vóór de datum van invoering van het regresrecht in de AWBZ
veroorzaakte schaden geen financiële middelen hebben
gereserveerd, zal het regresrecht in de AWBZ van toepassing zijn voor de
kosten van verleende zorg voortvloeiende uit schadebrengende feiten
die op of na de datum van invoering hebben plaatsgevonden.
rblz.|12|
Artikel V
Deze bepaling ziet op het
herstel van een omissie in de Wet van 24 december 1997,
houdende wijziging van de Ziekenfondswet in verband met aanpassing van de
gronden voor de ziekenfondsverzekering (herstructurering Ziekenfondswet). Tot 1 januari 1998 konden personen van 65 jaar of ouder die
op grond van het AOW-pensioen niet ziekenfondsverzekerd
waren medeverzekerd zijn bij hun partner. Door wijziging van artikel 4
van de Ziekenfondswet per genoemde datum kunnen personen van 65
jaar of ouder niet meer medeverzekerd zijn in de ziekenfondsverzekering
van hun partner. Zonder nadere regeling zouden deze personen die bij de
inwerkingtreding van de Wet
herstructurering Ziekenfondswet reeds 65
jaar waren, aangewezen raken op een particuliere ziektekostenverzekering.
Dit wordt door de regering ongewenst geacht. Deze bepaling
strekt ertoe de betreffende personen onder de ziekenfondsverzekering te
houden.
Artikel VI
[zie art.
VII van de wet, red.]
Er wordt naar gestreefd
het regresrecht in de AWBZ met ingang van 1 januari 1999 in te
voeren.
In verband met het in
werking treden van de Wet
herstructurering Ziekenfondswet per 1
januari 1998 is het noodzakelijk de wijziging van artikel V van
dit
wetsvoorstel te laten ingaan met ingang van dezelfde datum, derhalve met
terugwerkende kracht.
De Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers
|