|
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 1997-1998, 1998-1999,
25 757.
Handelingen II 1998-1999, blz. 1038-1056, 1069-1090, 1144-1145.
Kamerstukken I 1998-1999, 25 757 (60, 60a, 60b, 60c, 60d, 60e, 60f, 60g,
60h).
Handelingen I 1998-1999, blz. 803-817, 820-831, 1410-1423.
MEMORIE VAN TOELICHTING
WET
van 27 mei 1999, Stb. 1999, 250, tot wijziging van de Ziektewet,
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en enkele andere
wetten
in verband met de beperking van het exporteren van uitkeringen (Wet
beperking export uitkeringen). Inwerkingtreding: 1 januari 2000 (Stb.
1999, 251).
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Allen, die
deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is met het oog op de handhaafbaarheid van de
socialeverzekeringswetten het exporteren van uitkeringen te beperken;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK
1
Wijziging
van de verschillende wetten
Art. I. Ziektewet
[MvT]
Na artikel 19 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Art. 19a.
-1. Geen recht op ziekengeld heeft de verzekerde gedurende de periode dat hij buiten
Nederland
woont. Met wonen buiten Nederland wordt gelijkgesteld het langer
dan drie maanden buiten Nederland verblijven.
-2. Indien het recht op
ziekengeld op grond van het eerste lid is geëindigd dan wel niet
is ontstaan, wordt betrokkene vanaf de dag dat hij in Nederland gaat wonen
weer als verzekerde aangemerkt indien hij op die dag aan de overige
voorwaarden, bedoeld in artikel 19, voldoet. Deze verzekerde heeft
aanspraak op heropening dan wel toekenning van het recht op ziekengeld voor
de resterende periode, bedoeld in artikel 29, vijfde lid,
artikel 29a,
eerste lid, dan wel artikel 29a, zevende lid, met inachtneming van de bepalingen van deze wet.
Artikel 44, eerste lid,
onderdeel a, is niet van
toepassing.
-3. Het eerste lid is niet
van toepassing op de verzekerde die buiten Nederland woont doch
langer dan drie maanden onafgebroken in Nederland verblijft.
-4. Voor de toepassing van
het eerste en derde lid worden perioden van verblijf samengeteld
indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
-5. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen ten aanzien van het eerste lid afwijkende regels worden gesteld ten gunste van:
a. de verzekerde die
werkzaamheden verricht in het algemeen belang en woont buiten Nederland; of
b. de gezinsleden van de
in onderdeel a bedoelde verzekerde; of
c. de verzekerde die op
de Nederlandse Antillen of Aruba woont.
-6. Onze Minister maakt de
landen bekend waarin op grond van een verdrag of een besluit
van een volkenrechtelijke organisatie recht op ziekengeld bestaat.
Art.
II. Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering [MvT]
De Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
In artikel 19, zesde lid,
wordt de zinsnede "de artikelen 29, 30,
31, 42, 44 en
45 van de Ziektewet"
vervangen door: de artikelen 19a, 29,
30, 31, 42,
44 en 45 van de
Ziektewet.
B. [MvT]
Artikel 20 komt als volgt
te luiden:
Art. 20.
-1. De verzekerde, bedoeld
in artikel 19, heeft geen recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering indien de dag waarop het recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering
zou ingaan, is gelegen in een periode dat hij buiten Nederland
woont. Met wonen buiten Nederland wordt gelijkgesteld het langer
dan drie maanden buiten Nederland verblijven.
-2. De persoon die op
grond van het eerste lid geen recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft alsmede de persoon die op
grond van artikel 19a van
de Ziektewet geen recht heeft op ziekengeld, wordt vanaf de dag dat
hij in Nederland woont weer als verzekerde aangemerkt en heeft met
inachtneming van de bepalingen van deze wet recht op toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering indien hij op die dag arbeidsongeschikt
is. Artikel 19, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. De
artikelen 18, tweede tot en met vierde lid, en
30, eerste lid, onderdeel a, zijn niet
van toepassing.
-3. De persoon, bedoeld in
het tweede lid, die op de in dat lid bedoelde dag niet arbeidsongeschikt is, doch ten aanzien van wie dit wel het geval
is binnen vier weken na die dag, wordt vanaf de dag dat hij in Nederland
woont weer als verzekerde
aangemerkt en heeft met inachtneming van de bepalingen van deze wet
recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering. Artikel
19, vierde lid,
is van overeenkomstige toepassing. Artikel 30, eerste lid,
onderdeel b, is niet van toepassing.
-4. Het eerste lid is niet
van toepassing op de verzekerde die buiten Nederland woont doch
langer dan drie maanden onafgebroken in Nederland verblijft.
-5. Voor de toepassing van
het eerste en vierde lid worden perioden van verblijf samengeteld
indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
-6. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen ten aanzien van het eerste lid afwijkende regels worden gesteld ten gunste van:
a. de verzekerde die
werkzaamheden verricht in het algemeen belang en woont buiten Nederland; of
b. de gezinsleden van de
in onderdeel a bedoelde verzekerde; of
c. de verzekerde die op
de Nederlandse Antillen of Aruba woont.
-7. Onze Minister maakt de
landen bekend waarin op grond van een verdrag of een besluit
van een volkenrechtelijke organisatie recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering bestaat.
C. [MvT]
Onder vernummering van de artikelen 43b en
43c tot artikelen 43c en
43d wordt na artikel
43a
een artikel ingevoegd, luidende:
Art. 43b.
-1. De
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ingetrokken indien de verzekerde buiten
Nederland is gaan wonen dan wel buiten Nederland verblijft, vanaf de dag
dat dit verblijf drie maanden heeft geduurd.
-2. Het eerste lid is niet
van toepassing op de verzekerde die buiten Nederland woont doch
langer dan drie maanden onafgebroken in Nederland verblijft.
-3. Voor de toepassing van
het eerste en tweede lid worden perioden van verblijf samengeteld
indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
-4. Artikel 20, zesde en
zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
D. [MvT]
Na artikel 47 wordt een
artikel ingevoegd, luidende:
Art. 47a.
-1. De persoon wiens
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 43b, eerste lid,
is ingetrokken, heeft vanaf de dag dat hij in Nederland woont aanspraak
op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering indien hij op die dag
arbeidsongeschikt is.
-2. Aanspraak op
heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft eveneens de persoon, bedoeld in het eerste lid, die op de in dat lid
bedoelde dag niet arbeidsongeschikt is, doch ten aanzien van wie dit wel
het geval is binnen vier
weken na afloop van dat tijdvak.
-3. De artikelen 19,
vierde lid, 35 en 47, zevende lid, zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking
tot de aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in dit artikel.
Art.
III.
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen [MvT]
De Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 3, tweede lid,
wordt als volgt gewijzigd:
1. Onderdeel c wordt
vervangen door:
c. die recht heeft op
arbeidsongeschiktheidsuitkering dan wel die door de toepassing van artikel
7a, eerste lid, geen recht heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering
doch met toepassing van artikel 7a, tweede of derde lid, in
aanmerking komt voor toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering;.
2. Onderdeel d wordt
vervangen door:
d. wiens recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering is geëindigd op grond van artikel
19, eerste lid, onderdeel
b, of 19a doch met toepassing
van artikel 20, 21 of
21a
in aanmerking komt voor toekenning of heropening van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering;.
3. Onderdeel f wordt
vervangen door:
f. die recht heeft op een
uitkering in verband met bevalling op grond van deze wet dan wel die
door de toepassing van artikel 22a geen recht heeft op uitkering in
verband met bevalling doch met toepassing van dat artikel, door
overeenkomstige toepassing van artikel 7a, tweede of derde lid, of
21a, in
aanmerking komt voor toekenning of heropening van die uitkering;.
B. [MvT]
Na artikel 7 wordt een
artikel ingevoegd, luidende:
Art. 7a. Geen recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering buiten Nederland
-1. De verzekerde, bedoeld
in artikel 7, heeft geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
indien de dag waarop het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
zou ingaan, is gelegen in een periode dat hij buiten Nederland
woont. Met wonen buiten Nederland wordt gelijkgesteld het langer
dan drie maanden buiten Nederland verblijven.
-2. De verzekerde die op
grond van het eerste lid geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
heeft, heeft vanaf de dag dat hij in Nederland woont met
inachtneming van de bepalingen van deze wet recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering indien hij op die dag arbeidsongeschikt
is. Artikel 7, zevende
lid, is van overeenkomstige toepassing.
-3. De verzekerde, bedoeld
in het tweede lid, die op de in dat lid bedoelde dag niet arbeidsongeschikt is, doch ten aanzien van wie dat wel
het geval is binnen vier
weken na die dag, heeft met inachtneming van de bepalingen van deze wet
recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering. Artikel
7, zevende lid,
is van overeenkomstige toepassing.
-4. Het eerste lid is niet
van toepassing op de verzekerde die buiten Nederland woont doch
langer dan drie maanden onafgebroken in Nederland verblijft.
-5. Voor de toepassing van
het eerste en vierde lid worden perioden van verblijf samengeteld
indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
-6. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen ten aanzien van het eerste lid afwijkende regels worden gesteld ten gunste van:
a. de verzekerde die
tevens werkzaamheden verricht in het algemeen belang en woont buiten
Nederland; of
b. de gezinsleden van de
in onderdeel a bedoelde verzekerde; of
c. de verzekerde die op
de Nederlandse Antillen of Aruba woont.
-7. Onze Minister maakt de
landen bekend waarin op grond van een verdrag of een besluit
van een volkenrechtelijke organisatie recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
bestaat.
C. [MvT]
Na artikel 19 wordt een
artikel ingevoegd, luidende:
Art. 19a. Einde van
het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
buiten Nederland
-1. Het recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering eindigt indien de verzekerde buiten Nederland is gaan wonen dan wel buiten Nederland
verblijft, vanaf de dag
dat dit verblijf drie maanden heeft geduurd.
-2. Het eerste lid is niet
van toepassing op de verzekerde die buiten Nederland woont doch
langer dan drie maanden onafgebroken in Nederland verblijft.
-3. Voor de toepassing van
het eerste en tweede lid worden perioden van verblijf samengeteld
indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
-4. Artikel 7a, zesde en
zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
D. [MvT]
Na artikel 21 wordt een
artikel ingevoegd, luidende:
Art. 21a. Heropening
van de uitkering bij terugkomst naar Nederland
-1. De verzekerde wiens
arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met artikel 19a, eerste
lid, is geëindigd, heeft vanaf de dag dat hij in Nederland woont met
inachtneming van de bepalingen van deze wet aanspraak op heropening
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering indien hij op die dag
arbeidsongeschikt is.
-2. Aanspraak op
heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft eveneens de verzekerde, bedoeld in het eerste lid, die op de in dat
lid bedoelde dag niet arbeidsongeschikt is, doch ten aanzien van wie dit
wel het geval is binnen
vier weken na afloop van dat tijdvak.
-3. De artikelen 7,
zevende lid, 36, en 37, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking
tot de aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering,
bedoeld in dit artikel.
E. [MvT]
Na artikel 22 wordt een
artikel ingevoegd, luidende:
Art. 22a. Geen recht
op uitkering in verband met bevalling buiten Nederland
De artikelen 7a, 19a en
21a zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het recht
op uitkering in verband met bevalling.
Art.
IV. Toeslagenwet [MvT]
Artikel 4 van de Toeslagenwet komt te luiden:
Art. 4.
-1. Geen recht op toeslag
heeft de persoon, bedoeld in artikel 2, gedurende de periode dat
hij buiten Nederland woont. Met wonen buiten Nederland wordt
gelijkgesteld het langer dan drie maanden buiten Nederland verblijven.
-2. De persoon, bedoeld in
artikel 2, die op grond van het eerste lid geen recht heeft op toeslag,
heeft vanaf de dag dat hij in Nederland woont recht op toeslag indien hij
aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 2, eerste, tweede of derde lid,
voldoet.
-3. Het eerste lid is niet
van toepassing op de persoon, bedoeld in artikel
2, die buiten Nederland
woont doch langer dan drie maanden onafgebroken in Nederland verblijft.
-4. Voor de toepassing van
het eerste en derde lid worden perioden van verblijf samengeteld
indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
-5. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen ten aanzien van het eerste lid afwijkende regels worden gesteld ten gunste van:
a. de persoon, bedoeld in
artikel 2, die werkzaamheden verricht in het algemeen belang en woont
buiten Nederland; of
b. de gezinsleden van de
in onderdeel a bedoelde persoon; of
c. de persoon, bedoeld in
artikel 2, die op de Nederlandse Antillen of Aruba woont.
-6. Onze Minister maakt de
landen bekend waarin op grond van een verdrag of een besluit
van een volkenrechtelijke organisatie recht op toeslag bestaat.
Art. V.
Algemene Ouderdomswet [MvT]
De Algemene Ouderdomswet
wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Na artikel 8 wordt een
artikel ingevoegd, luidende:
Art. 8a.
-1. Geen recht op toeslag
heeft de pensioengerechtigde, bedoeld in artikel
8, eerste lid, die buiten Nederland woont. Met wonen buiten
Nederland wordt
gelijkgesteld het langer dan drie maanden buiten Nederland verblijven.
-2. Voor de pensioengerechtigde wiens recht op toeslag op grond van het eerste lid niet
is
ontstaan of is geëindigd, ontstaat respectievelijk herleeft het recht op
toeslag op de eerste dag van de maand waarin hij in Nederland woont en hij
voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 8, eerste lid.
-3. Het eerste lid is niet
van toepassing op de pensioengerechtigde, bedoeld in artikel
8, eerste lid, die buiten Nederland woont doch langer
dan drie maanden
onafgebroken in Nederland verblijft.
-4. Voor de toepassing van
het eerste en derde lid worden perioden van verblijf samengeteld
indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
-5. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen ten aanzien van het eerste lid afwijkende regels worden gesteld ten gunste van de pensioengerechtigde,
bedoeld in artikel 8, eerste lid, die op de Nederlandse Antillen of Aruba woont.
-6. Onze Minister maakt de
landen bekend waarin op grond van een verdrag of een besluit
van een volkenrechtelijke organisatie recht op toeslag bestaat.
B. [MvT]
Na artikel 9 wordt een
artikel ingevoegd, luidende:
Art. 9a.
-1. In afwijking van
artikel 9 is voor de pensioengerechtigde die buiten Nederland woont, het
bruto-ouderdomspensioen gelijk aan het bedrag, bedoeld in artikel
9,
tiende lid, onderdeel b, onverminderd artikel
13, eerste lid. Met wonen
buiten Nederland wordt gelijkgesteld het langer dan drie maanden buiten
Nederland verblijven.
-2. Het eerste lid is niet
van toepassing op de pensioengerechtigde, bedoeld in artikel
8, eerste lid, die buiten Nederland woont doch langer
dan drie maanden
onafgebroken in Nederland verblijft.
-3. Voor de toepassing van
het eerste en tweede lid worden perioden van verblijf samengeteld
indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
-4. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen ten aanzien van het eerste lid afwijkende regels worden gesteld ten gunste van de pensioengerechtigde,
bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a en c, die op de Nederlandse Antillen of
Aruba woont.
-5. Onze Minister maakt de
landen bekend waarin op grond van een verdrag of een besluit
van een volkenrechtelijke organisatie recht op ouderdomspensioen dient
te bestaan alsof de pensioengerechtigde in Nederland woonachtig is.
Art.
VI.
Algemene Kinderbijslagwet [MvT]
Na artikel 7a van de
Algemene Kinderbijslagwet wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Art. 7b.
-1. Geen recht op
kinderbijslag heeft de verzekerde die op de eerste dag van een kalenderkwartaal
buiten Nederland woont. Evenmin heeft de verzekerde recht op kinderbijslag ten behoeve van het eigen kind, het
aangehuwde kind of het pleegkind indien dat kind op de eerste dag van een kalenderkwartaal
buiten Nederland woont. Met wonen buiten Nederland wordt
gelijkgesteld het langer dan drie maanden buiten Nederland verblijven.
-2. Het eerste lid is niet
van toepassing op de verzekerde indien hij dan wel het eigen kind, het
aangehuwde kind of het pleegkind op de eerste dag van een
kalenderkwartaal buiten Nederland woont doch langer dan drie maanden onafgebroken
in Nederland verblijft.
-3. Voor de toepassing van
het eerste en tweede lid worden perioden van verblijf samengeteld
indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
-4. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen ten aanzien van het eerste lid afwijkende regels worden gesteld ten gunste van:
a. de verzekerde die
werkzaamheden verricht in het algemeen belang en woont buiten Nederland; of
b. de gezinsleden van de
in onderdeel a bedoelde verzekerde; of
c. de verzekerde die op
de Nederlandse Antillen of Aruba woont.
-5. Onze Minister maakt de
landen bekend waarin op grond van een verdrag of een besluit
van een volkenrechtelijke organisatie recht op kinderbijslag bestaat.
Art.
VII.
Algemene nabestaandenwet [MvT]
Na hoofdstuk 3, afdeling
I, paragraaf 8, van de Algemene nabestaandenwet wordt een paragraaf
ingevoegd, luidende:
§ 9. Geen recht op
nabestaandenuitkering, halfwezenuitkering en wezenuitkering buiten Nederland
Art. 32a. [MvT]
-1. Geen recht op
nabestaandenuitkering ontstaat voor de nabestaande indien hij op de dag van
het overlijden van de verzekerde buiten Nederland woont. Geen
recht op halfwezenuitkering ontstaat voor de nabestaande indien hij of
de halfwees op de dag van het overlijden van de verzekerde buiten
Nederland woont. Geen recht op wezenuitkering ontstaat voor het kind
indien het op de dag van het overlijden van de verzekerde buiten
Nederland woont. Met wonen buiten Nederland wordt gelijkgesteld het langer
dan drie maanden buiten Nederland verblijven.
-2. Voor de persoon,
bedoeld in het eerste lid, ontstaat, onverminderd artikel
15, 23 of 27,
recht op nabestaandenuitkering, halfwezenuitkering of wezenuitkering vanaf de
dag dat:
a. de nabestaande in
Nederland woont en hij voldoet aan een voorwaarde als bedoeld in artikel
14, eerste lid, of de voorwaarden,
bedoeld in artikel 66a,
tweede lid;
b. de nabestaande en de
halfwees in Nederland wonen en de nabestaande voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in
artikel 22, eerste en
tweede lid;
c. het kind in Nederland
woont en het voldoet aan een voorwaarde als bedoeld in artikel
26,
eerste en tweede lid.
-3. Het eerste lid is niet
van toepassing indien de nabestaande, de halfwees of het kind buiten Nederland woont, doch op de dag van
overlijden van de
verzekerde langer dan drie maanden onafgebroken in Nederland verblijft.
-4. Voor de toepassing van
het eerste en derde lid worden perioden van verblijf samengeteld
indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
-5. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen ten aanzien van het eerste lid afwijkende regels worden gesteld ten gunste van:
a. de nabestaande of het kind indien de nabestaande, de halfwees of het kind werkzaamheden
verricht in het algemeen belang en woont buiten Nederland; of
b. de gezinsleden van de
in onderdeel a bedoelde nabestaande of het in onderdeel a bedoelde
kind;
c. de nabestaande of het kind indien de nabestaande, de halfwees of het kind op de Nederlandse Antillen of Aruba woont.
-6. Onze Minister maakt de
landen bekend waarin op grond van een verdrag of een besluit
van een volkenrechtelijke organisatie recht op nabestaandenuitkering, halfwezenuitkering dan wel wezenuitkering
bestaat.
Art. 32b. [MvT]
-1. Het recht op
nabestaandenuitkering eindigt op de eerste dag dat de nabestaande buiten
Nederland woont. Het recht op halfwezenuitkering eindigt op de eerste dag
dat de nabestaande of de halfwees buiten Nederland woont. Het
recht op wezenuitkering eindigt op de eerste dag dat het kind buiten
Nederland woont. Met wonen buiten Nederland wordt gelijkgesteld het langer
dan drie maanden buiten Nederland verblijven.
-2. Voor de persoon,
bedoeld in het eerste lid, herleeft, onverminderd artikel
15, 23 of 27, het
recht op nabestaandenuitkering, halfwezenuitkering of wezenuitkering op de
dag dat:
a. de nabestaande in
Nederland woont en hij voldoet aan een voorwaarde als bedoeld in artikel
14, eerste lid, of de voorwaarden,
bedoeld in artikel 66a,
tweede lid;
b. de nabestaande en de
halfwees in Nederland wonen en de nabestaande voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in
artikel 22, eerste en
tweede lid;
c. het kind in Nederland
woont en het voldoet aan een voorwaarde als bedoeld in artikel
26,
eerste en tweede lid.
-3. Het eerste lid is niet
van toepassing indien de nabestaande, de halfwees of het kind buiten Nederland woont, doch op de dag van
overlijden van de
verzekerde langer dan drie maanden onafgebroken in Nederland verblijft.
-4. Voor de toepassing van
het eerste en derde lid worden perioden van verblijf samengeteld
indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
-5. Artikel 32a, vijfde en
zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
HOOFDSTUK
2
Overgangs-
en slotbepalingen
Art.
VIII.
Overgangsbepaling Ziektewet en het recht op ziekengeld buiten
Nederland [MvT]
Artikel 19a van de Ziektewet is niet van toepassing op de
persoon die op de dag voorafgaand aan
de inwerkingtreding van deze wet op grond van artikel 19 van de Ziektewet
recht heeft op ziekengeld en op die dag woont buiten Nederland.
Art.
IX.
Overgangsbepaling Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en het
recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering buiten Nederland [MvT]
De artikelen 20, 43b en
47a van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zijn gedurende drie jaren
na de dag van inwerkingtreding van deze wet niet van
toepassing op de persoon die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding
van deze wet op grond van artikel 18 van de Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering recht heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering
en op die dag woont buiten Nederland.
Art.
X.
Overgangsbepaling Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
en het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering en het recht op
uitkering in verband met bevalling buiten Nederland [MvT]
De artikelen 7a, 19a,
21a en 22a van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen zijn
gedurende drie jaren na de dag van inwerkingtreding van deze
wet niet van toepassing op de persoon die op de dag voorafgaand aan de
inwerkingtreding van deze wet op grond van de artikelen 7 dan wel
22
van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
recht heeft
op arbeidsongeschiktheidsuitkering dan wel recht op uitkering in
verband met bevalling en op die dag woont buiten Nederland.
Art.
XI.
Overgangsbepaling Toeslagenwet en het recht op toeslag buiten
Nederland [MvT]
In afwijking van artikel 4, eerste, tweede
derde en vierde lid, van de Toeslagenwet wordt aan de
persoon die op de dag vóór de inwerkingtreding van deze wet op
grond van artikel 2 van de Toeslagenwet recht heeft op een toeslag en
op die dag woont buiten Nederland:
a. gedurende het eerste
jaar na inwerkingtreding van deze wet het bedrag uitbetaald waarop
recht zou bestaan indien betrokkene in Nederland zou wonen;
b. gedurende het tweede
jaar na inwerkingtreding van deze wet twee derden van het bedrag
uitbetaald waarop recht zou bestaan indien betrokkene in Nederland
zou wonen;
c. gedurende het derde
jaar na inwerkingtreding van deze wet een derde van het bedrag uitbetaald waarop recht zou bestaan indien
betrokkene in Nederland
zou wonen.
Art.
XII.
Overgangsbepaling Algemene Ouderdomswet en het recht op
ouderdomspensioen buiten Nederland [MvT]
De artikelen 8a en 9a
van de Algemene Ouderdomswet zijn gedurende drie jaren na inwerkingtreding van deze wet niet van toepassing op de
pensioengerechtigde die
op de dag vóór de inwerkingtreding van deze wet buiten Nederland
woont en op die dag op grond van artikel 8 van de Algemene Ouderdomswet
recht heeft op een toeslag dan wel op die dag op grond van artikel
9,
tiende lid, van de Algemene Ouderdomswet aanspraak heeft op een
bruto-ouderdomspensioen gelijk aan het bedrag, bedoeld in artikel
9, tiende lid, onderdeel
a of c.
Art.
XIII.
Overgangsbepaling
Algemene Kinderbijslagwet en het recht op kinderbijslag buiten Nederland
[MvT]
Artikel 7b van de
Algemene Kinderbijslagwet is gedurende drie jaren na inwerkingtreding van deze
wet niet van toepassing op:
a. de verzekerde die
over het kwartaal voorafgaand aan de dag van inwerkingtreding van deze
wet op grond van artikel 7 van de
Algemene Kinderbijslagwet recht
heeft op kinderbijslag en op de laatste dag van dat kwartaal
buiten Nederland woont; en
b. de verzekerde, voor zover die over het kwartaal voorafgaand aan de dag van inwerkingtreding
van deze wet op grond van artikel 7 van de
Algemene Kinderbijslagwet recht heeft op kinderbijslag ten behoeve van het eigen kind, het aangehuwde kind of het
pleegkind dat op de laatste
dag van dat kwartaal buiten Nederland woont.
Art.
XIV.
Overgangsbepaling Algemene nabestaandenwet en het recht op
nabestaandenuitkering, halfwezenuitkering en wezenuitkering buiten
Nederland [MvT]
Hoofdstuk 3, afdeling I,
paragraaf 9, van de Algemene nabestaandenwet is gedurende drie jaren
na inwerkingtreding van deze wet niet van toepassing op de persoon
die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet op grond
van artikel 14, 22 dan wel
26 van de Algemene nabestaandenwet
recht heeft op nabestaandenuitkering, halfwezenuitkering dan
wel wezenuitkering en op die dag woont buiten Nederland. Genoemd
hoofdstuk is gedurende drie jaren na inwerkingtreding van deze wet evenmin
van
toepassing op de persoon die op de dag voorafgaand aan de
inwerkingtreding van deze wet op grond van artikel 22 van de Algemene nabestaandenwet
recht heeft op halfwezenuitkering indien de halfwees op die
dag woont buiten Nederland.
Art.
XV.
Wijziging
Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen
[MvT]
Artikel X van de
Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen wordt vervangen door:
Art. X. Overgangsbepaling inzake artikel 17 Wajong
Artikel 17, eerste lid,
onderdeel c, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten is
gedurende drie jaren na inwerkingtreding van de Wet beperking export uitkeringen niet van toepassing ten
aanzien van de
jonggehandicapte die op de dag vóór de inwerkingtreding van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
recht had op
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet en op die dag woont buiten Nederland, zolang laatstgenoemde
omstandigheid voortduurt.
Art.
XVI.
Evaluatiebepaling
Onze Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid zendt binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal
een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
Art.
XVII.
Inwerkingtreding
Deze wet treedt in
werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat niet eerder
is gelegen dan zes maanden na de datum van uitgifte van het
Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en dat voor de verschillende artikelen
of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.¹
1. Bij Besluit
van 11 juni 1999, Stb. 1999, 251, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 januari 2000, red.
Art.
XVIII.
Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald
als: Wet beperking export uitkeringen.
Lasten en bevelen dat
deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de
nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
27 mei 1999
BEATRIX
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst
Uitgegeven de negenentwintigste
juni 1999
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|
|