|
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 1998-1999,
26 394.
Handelingen II 1998-1999, blz. 4406-4414, 4426-4437, 4460.
Kamerstukken I 1998-1999, 26 394 (240, 240a, 240b).
Handelingen I zie vergadering d.d. 6 juli 1999.
MEMORIE
VAN TOELICHTING
WET van 8 juli 1999, Stb.
1999, 307, tot wijziging van de Werkloosheidswet, houdende invoeging van
een experimenteerhoofdstuk teneinde een mogelijkheid te bieden om de
effectiviteit en de doelmatigheid van onderdelen van het reïntegratie-
en activeringsbeleid in de praktijk vast te stellen (Wet experimenten
WW). Inwerkingtreding: 23 juli 1999.
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is in de Werkloosheidswet een bevoegdheid tot experimenteren
op te nemen teneinde een mogelijkheid te bieden om de effectiviteit en
de doelmatigheid van onderdelen van het reïntegratie- en
activeringsbeleid in de praktijk vast te stellen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Art. I.
Wijziging Werkloosheidswet [MvT]
De Werkloosheidswet wordt
als volgt gewijzigd:
Na artikel 129 wordt een
nieuw hoofdstuk ingevoegd, luidende:
Hoofdstuk XA. Experimenten
Art. 130. [MvT
+ bis]
-1. Bij algemene maatregel
van bestuur kan ten behoeve van een experiment met een tijdsduur
van ten hoogste vier jaar dat ten doel heeft de inschakeling in het
arbeidsproces te bevorderen van werknemers die recht hebben op uitkering op
grond van hoofdstuk IIa of IIb, worden bepaald dat het
Landelijk
instituut sociale verzekeringen werkzaamheden verbonden aan de uitvoering
van artikel 72, eerste lid, opdraagt aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
of aan derden, niet zijnde uitvoeringsinstellingen. Betaling aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie kan daarbij
uitsluitend plaatsvinden
indien de aanwending van de rijksbijdrage aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
ten behoeve van werknemers die recht hebben op uitkering op grond
van hoofdstuk IIa of IIb in een schriftelijke overeenkomst tussen het
Landelijk instituut sociale verzekeringen en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
is vastgelegd.
-2. Het Landelijk instituut
sociale verzekeringen stelt jaarlijks, ten laste van het Algemeen
Werkloosheidsfonds, een budget vast voor de uitvoering van het eerste
lid, alsmede voor de met de uitvoering van dat lid verband houdende kosten
van beheer en administratie door de uitvoeringsinstellingen.
-3. Het Landelijk instituut
sociale verzekeringen informeert Onze Minister elk jaar
vóór 1 oktober
omtrent de wijze waarop dit instituut en de uitvoeringsinstellingen het
volgende kalenderjaar uitvoering zullen geven aan het eerste lid.
-4. In de in het eerste lid
bedoelde algemene maatregel van bestuur wordt in ieder geval
bepaald:
a. de periode gedurende
welke het Landelijk instituut sociale verzekeringen de in het eerste lid
bedoelde werkzaamheden opdraagt;
b. met betrekking tot welke
groepen werkloze werknemers de in het eerste lid bedoelde
werkzaamheden worden opgedragen;
c. het resultaat dat met het
experiment wordt beoogd.
-5. Bij of krachtens de in
het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur kan worden
bepaald:
a. welke instrumenten dienen
te worden ingezet voor de uitvoering van het eerste lid;
b. het aantal werknemers ten
aanzien van wie werkzaamheden worden opgedragen als bedoeld in
het eerste lid;
c. dat de hoogte van de
vergoeding door het Landelijk instituut sociale verzekeringen aan de uitvoeringsinstellingen ten behoeve van het laten
verrichten van de
werkzaamheden afhankelijk is van het resultaat van die werkzaamheden;
d. dat Onze Minister nadere
regels kan stellen omtrent onderdeel c.
-6. In de in het eerste lid
bedoelde algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat met
betrekking tot bij dat besluit aan te wijzen onderdelen van het
experiment door het Landelijk instituut sociale verzekeringen nadere regels
worden gesteld of kunnen worden gesteld. Die nadere regels behoeven
de goedkeuring van Onze Minister.
-7. Voor de uitvoering van
het eerste lid, alsmede voor de met de uitvoering van dat lid
verband houdende kosten van beheer en administratie door de
uitvoeringsinstellingen, komt jaarlijks een door Onze Minister te bepalen
bijdrage, ten laste van de begroting van het ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, ten gunste van het Algemeen Werkloosheidsfonds.
-8. Bij algemene maatregel
van bestuur kan een experiment als bedoeld in het eerste lid na afloop
van de looptijd worden voortgezet tot een structurele wettelijke
regeling is getroffen, doch niet langer dan met een tijdsduur van ten hoogste
twee jaar. Het tweede tot en met zevende lid zijn van overeenkomstige
toepassing.
Art. 130a.
[MvT
+ bis]
-1. Bij algemene maatregel
van bestuur kan ten behoeve van experimenten met een tijdsduur van ten
hoogste vier jaar die ten doel hebben de inschakeling in het
arbeidsproces te bevorderen van werknemers die recht hebben op uitkering op
grond van hoofdstuk IIa of IIb, voor bepaalde groepen werknemers worden
afgeweken van:
a. de artikelen 8, eerste
lid, en 20, eerste lid, onderdeel b, in samenhang
met de onderdelen b van het derde tot en met vijfde lid van dat laatste
artikel;
b. de artikelen 8, tweede
lid, en 21, eerste lid.
-2. Indien op grond van het
eerste lid, onderdeel a, wordt afgeweken van de daar genoemde artikelen,
wordt de uitkering verminderd met 70% van de inkomsten van de
werknemer uit werkzaamheden als bedoeld in artikel
8, tweede lid.
-3. In de in het eerste lid
bedoelde algemene maatregel van bestuur wordt in ieder geval
bepaald:
a. van welke van de in het
eerste lid genoemde bepalingen wordt afgeweken;
b. voor welke groepen
werknemers een afwijking geldt en gedurende welke periode;
c. het resultaat dat met het
experiment wordt beoogd.
-4. In de in het eerste lid
bedoelde algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat met
betrekking tot bij dat besluit aan te wijzen onderdelen van het
experiment door het Landelijk
instituut sociale verzekeringen nadere regels
worden gesteld of kunnen worden gesteld. Die nadere regels behoeven
de goedkeuring van Onze Minister.
-5. Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de inkomsten,
bedoeld in het tweede lid, de berekening daarvan en de periode
waaraan deze worden toegerekend.
-6. Bij algemene maatregel
van bestuur kan een experiment als bedoeld in het eerste lid na afloop
van de looptijd worden voortgezet tot een structurele wettelijke
regeling is getroffen, doch niet langer dan met een tijdsduur van ten hoogste
twee jaar. Het tweede tot en met vijfde lid zijn van overeenkomstige
toepassing.
Art. 130b.
[MvT
+ bis]
-1. Bij algemene maatregel
van bestuur kan ten behoeve van een experiment met een tijdsduur
van ten hoogste vier jaar dat ten doel heeft de inschakeling in het
arbeidsproces te bevorderen van werknemers die recht hebben op uitkering op
grond van hoofdstuk IIa of IIb, het
Landelijk
instituut sociale verzekeringen de bevoegdheid worden gegeven tot toekenning van loonsuppletie
bij werkaanvaarding tegen een lager loon dan de uitkering die, als
gevolg van de eindiging van het recht daarop wegens de vermindering van
het verlies aan arbeidsuren, niet langer wordt betaald.
-2. Voor de toepassing van de
artikelen 22, 22a, 23,
25, 27a tot en met
27g, 30 tot en met 34, 36
tot en met 41, 93 en 129 en de daarop berustende
bepalingen alsmede voor de
toepassing van andere wetten en de daarop berustende bepalingen
wordt de loonsuppletie aangemerkt als uitkering op grond van de
verplichte verzekering op grond van de Werkloosheidswet.
-3. In de in het eerste lid
bedoelde algemene maatregel van bestuur wordt in ieder geval
bepaald:
a. de periode gedurende
welke de bevoegdheid tot toekenning van loonsuppletie bestaat;
b. aan welke groepen
werknemers loonsuppletie kan worden toegekend;
c. het resultaat dat met het
experiment wordt beoogd.
-4. In de in het eerste lid
bedoelde algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat met
betrekking tot bij dat besluit aan te wijzen onderdelen van het
experiment door het Landelijk instituut sociale verzekeringen nadere regels
worden gesteld of kunnen worden gesteld. Die nadere regels behoeven
de goedkeuring van Onze Minister.
-5. Bij algemene maatregel
van bestuur kan een experiment als bedoeld in het eerste lid na afloop
van de looptijd worden voortgezet tot een structurele wettelijke
regeling is getroffen, doch niet langer dan met een tijdsduur van ten hoogste
twee jaar. Het tweede tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige
toepassing.
Art. 130c.
[MvT
+ bis]
-1. Bij algemene maatregel
van bestuur kan ten behoeve van een experiment met een tijdsduur
van ten hoogste vier jaar dat ten doel heeft het ontstaan van recht op
uitkering op grond van deze wet te voorkomen, het Landelijk
instituut sociale verzekeringen als taak worden opgedragen te bevorderen dat bepaalde
groepen werknemers waarvan redelijkerwijs valt aan te nemen dat binnen
vier maanden hun dienstbetrekking zal eindigen, ingeschakeld
blijven in arbeid. De daaraan verbonden werkzaamheden worden door
het Landelijk instituut sociale verzekeringen opgedragen aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
of aan derden, niet zijnde uitvoeringsinstellingen.
-2. Het Landelijk instituut
sociale verzekeringen stelt jaarlijks, ten laste van de wachtgeldfondsen, een
budget vast voor de uitvoering van het eerste lid, alsmede voor de
met de uitvoering van dat lid verband houdende kosten van beheer
en administratie door de uitvoeringsinstellingen.
-3. Het Landelijk instituut
sociale verzekeringen informeert Onze Minister
elk jaar vóór 1 oktober
omtrent de wijze waarop dit instituut en de uitvoeringsinstellingen het
volgende kalenderjaar uitvoering zullen geven aan het eerste lid.
-4. In de in het eerste lid
bedoelde algemene maatregel van bestuur wordt in ieder geval
bepaald:
a. de periode gedurende
welke het Landelijk instituut sociale verzekeringen de in het eerste lid
bedoelde taak wordt opgedragen;
b. met betrekking tot welke
groepen werknemers de in het eerste lid bedoelde taak wordt
opgedragen;
c. het resultaat dat met het
experiment wordt beoogd.
-5. In de in het eerste lid
bedoelde algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat met
betrekking tot bij dat besluit aan te wijzen onderdelen van het
experiment door het Landelijk instituut sociale verzekeringen nadere regels
worden gesteld of kunnen worden gesteld. Die nadere regels behoeven
de goedkeuring van Onze Minister.
-6. Bij algemene maatregel
van bestuur kan een experiment als bedoeld in het eerste lid na afloop
van de looptijd worden voortgezet tot een structurele wettelijke
regeling is getroffen, doch niet langer dan met een tijdsduur van ten hoogste
twee jaar. Het tweede tot en met vijfde lid zijn van overeenkomstige
toepassing.
Art. 130d.
[MvT
+ bis]
-1. Onze Minister zendt
uiterlijk zes maanden vóór de beëindiging van een experiment dat met
toepassing van dit hoofdstuk is getroffen, een verslag over de
doeltreffendheid en de effecten ervan alsmede een standpunt inzake de
voortzetting van de desbetreffende regeling, anders dan als experiment, aan de
Staten-Generaal.
-2. Indien een experiment
dat met toepassing van dit hoofdstuk is getroffen, eerder wordt
beëindigd dan oorspronkelijk beoogd, zendt Onze Minister, in afwijking van
het eerste lid, uiterlijk twee maanden na de beëindiging van dat
experiment een verslag over de doeltreffendheid en de effecten ervan alsmede
een standpunt inzake de voortzetting van de desbetreffende regeling,
anders dan als experiment, aan de Staten-Generaal.
Art. 130e.
[MvT
+ bis]
Onze Minister zendt binnen
vier jaar na de inwerkingtreding van dit hoofdstuk aan de
Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van dit
hoofdstuk in de praktijk.
Art. 130f.
[MvT
+ bis]
De voordracht voor een
krachtens dit hoofdstuk vast te stellen algemene maatregel van
bestuur wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp in de Staatscourant
is bekendgemaakt en aan ieder de gelegenheid is geboden om
binnen vier weken na de dag waarop de bekendmaking is geschied,
wensen en bedenkingen ter kennis van Onze Minister
te brengen.
Gelijktijdig met de bekendmaking wordt het ontwerp aan de beide kamers der
Staten-Generaal overgelegd.
Art. II.
Inwerkingtreding
Deze wet treedt in werking
met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad
waarin zij wordt geplaatst.
Art. III.
Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald
als: Wet experimenten WW.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst
en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
8 juli 1999
BEATRIX
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst
Uitgegeven de tweeëntwintigste
juli 1999
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|
|