|
rblz.|1|
Kamerstukken II
1998-1999, 26 394
Wijziging
van de Werkloosheidswet, houdende invoeging van
een experimenteerhoofdstuk teneinde een mogelijkheid te bieden om de
effectiviteit en de doelmatigheid van onderdelen van het reïntegratie-
en activeringsbeleid in de praktijk vast te stellen (Wet
experimenten WW)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Voorgeschiedenis |
| 3 |
Het doel van het
wetsvoorstel |
| 4 |
Procedurele waarborgen |
| 5 |
De experimenten in de
praktijk |
| 6 |
Financiële aspecten |
|
xArtikelsgewijs |
| xx |
Artikel
I |
| xBijlage
1: Overzicht
voorgenomen experimenten |
Algemeen
1.
Inleiding
De
activerende werking van het stelsel van sociale zekerheid is in de
afgelopen kabinetsperiode door een groot aantal maatregelen aanzienlijk
toegenomen. Op het terrein van ziekte en arbeidsongeschiktheid zijn financiële prikkels voor
werkgevers geïntroduceerd. Met de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten (Wet Rea), die op 1 juli 1998 in werking is getreden, is het
beschikbare (re)integratie-instrumentarium voor arbeidsgehandicapten
verruimd, meer inzichtelijk en beter toepasbaar gemaakt. Ook de
arbeidsmarktpositie van moeilijk plaatsbare werklozen is door diverse maatregelen
verbeterd. Er is een aantal regelingen voor gesubsidieerde arbeid tot
stand gebracht, de regeling van de afdrachtskorting voor werkgevers is
verruimd en er zijn verschillende regelingen voor de inkoop van
bemiddeling en reïntegratietrajecten in het leven geroepen. Deze
maatregelen zijn echter voornamelijk van belang voor langdurig werklozen, in
het bijzonder bijstandsgerechtigden. Met uitzondering van de
inkoopregeling van artikel XXXVI van de Wet van 21 december 1995 tot nadere
wijziging van een aantal socialezekerheidswetten
(technische verbeteringen in verband met de wetten
TAV, TBA en TZ, alsmede enige andere wijzigingen) (Stb. 1995,
691), waarbij de zogenoemde Veegwetbudgetten zijn
geïntroduceerd, is er geruime tijd geen uitbreiding gegeven aan
het wettelijke reïntegratie-instrumentarium voor werklozen met recht op
uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW).
De regering heeft zich
voorgenomen de activerende werking van de WW te versterken.
In het regeerakkoord is
de start aangekondigd van een experiment met de inzet van middelen uit
het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf) voor scholing en
reïntegratie. Dit experiment levert ten behoeve van de WW-populatie een bijdrage
aan - in de termen van het regeerakkoord - "het uiteindelijk
realiseren van een sluitende aanpak voor participatie en reïntegratie in het
kader van het Nationaal Actieplan Werkgelegenheid, (...). Tegelijkertijd
worden waar mogelijk prikkels om de vermijdbare rblz.|2|
instroom in de WW te
beperken en de uitstroom te bevorderen, versterkt. Met het oog op de
invulling van de sluitende aanpak in het kader van het Nationaal Actieplan
Werkgelegenheid wordt een experiment gestart met de inzet van AWf-middelen
voor scholing en reïntegratie" (Kamerstukken II 1997-1998, 26 024, nr. 10,
blz. 32).
Voorts zijn in de Sociale
Nota 1998 (Kamerstukken II 1997-1998, 25 602, nr. 2, blz. 50) door het
toenmalige kabinet experimenten aangekondigd om te onderzoeken welke
instrumenten het meest effectief zijn om oudere, moeilijk plaatsbare, WW-gerechtigden te reïntegreren. Destijds was voorzien dat het
wetsvoorstel dat de wettelijke basis voor deze experimenten moest
verschaffen eind
1997 zou worden ingediend.
Op dit moment biedt de
socialeverzekeringswetgeving slechts op één punt een mogelijkheid tot experimenteren. In de
Organisatiewet sociale
verzekeringen 1997 (Osv
1997) is een bepaling opgenomen op grond waarvan tijdelijke
voorzieningen kunnen worden getroffen ten behoeve van de samenwerking
tussen het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv), de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie, de gemeenten en diensten of instellingen die
werkzaamheden verrichten die verband houden met de werkzaamheden van het
Lisv (artikel 112 Osv
1997).
Dit wetsvoorstel creëert
in aanvulling hierop in de WW een grondslag voor experimenten met het
inzetten van reïntegratiemaatregelen. Hiertoe wordt voorgesteld aan de
WW een nieuw hoofdstuk Experimenten toe te voegen. Hierin wordt de
wettelijke grondslag voor het experiment met de inzet van AWf-middelen in
het kader van de sluitende aanpak voor WW-gerechtigden
opgenomen, alsmede de mogelijkheid geboden voor experimenten met
reïntegratiemaatregelen voor het zittende bestand WW-gerechtigden. Ook
wordt in het voorgestelde nieuwe hoofdstuk de mogelijkheid geboden voor
experimenten met betrekking tot de preventieve inzet van WW-middelen.
2. Voorgeschiedenis
De Wet experimenten WW
vindt zijn oorsprong in het rapport "Heel het Raderwerk" van de
Tijdelijke commissie onderzoek Ctsv (Kamerstukken II 1995-1996, 24 653, nr. 16).
In haar rapport heeft de Commissie geconstateerd dat het College van
toezicht sociale verzekeringen (Ctsv) door de wetgever wordt gedwongen om in
principe alle contra-legemuitvoering af te wijzen. Het Ctsv doet dat
ook, hoewel het daardoor in een lastige situatie kan komen omdat sommige
contra-legempraktijken "...in alle redelijkheid binnen de beleidsdoelstellingen vallen en eigenlijk voor een bepaalde
duur toegestaan zouden
moeten worden" (Kamerstukken II 1995-1996, 24 653, nr. 16, blz. 117
en 118).
De Commissie was van mening dat een experimenteerartikel in
de sociale verzekeringen een uitweg kon bieden uit, wat genoemd kan
worden, de paradox van de uit beleidsmatig oogpunt wenselijke
contra-legemuitvoering. Op basis van zo’n experimenteerartikel zou onder bepaalde
voorwaarden een tijdelijke afwijking van bestaande wet- en regelgeving kunnen worden toegestaan.
In de
memorie van
toelichting bij het wetsvoorstel Osv 1997 heeft de toenmalige regering
aangegeven dat zij niet onwelwillend stond tegenover deze suggestie
(Kamerstukken II 1996-1997, 24 877, nr. 3). De toenmalige Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW)
heeft daarop op 7 april
1997 een brief aan de Tweede Kamer gezonden waarin het vraagstuk van
de wenselijke contra-legemuitvoering nader is verkend (Kamerstukken II
1996-1997, 25 000 XV, nr. 52). In deze brief worden twee situaties
onderscheiden waarin sprake kan zijn van een toelaatbare contra-legempraktijk.
Dat betreft enerzijds de situatie waarin door middel rblz.|3|
van experimenten wordt
gezocht naar het juiste (wettelijke) instrument om een bepaald maatschappelijk probleem op te
lossen en anderzijds de
situatie waarin wordt
geanticipeerd op een reeds voorgenomen wetswijziging. In de brief wordt
voorgesteld om in de socialeverzekeringswetgeving een wettelijke basis te
creëren voor experimentele en anticiperende wetsuitvoering.
In aansluiting op die
brief heeft een interdepartementale werkgroep onder voorzitterschap van het
Ministerie van Justitie een nadere analyse gemaakt van de wijze
waarop het experimenteren en anticiperen juridisch kan worden verankerd. Het
eindrapport van de Interdepartementale werkgroep anticipatie- en experimenteerbepalingen is op 10 juni 1997
door de Minister van
Justitie namens het kabinet aan de Tweede Kamer aangeboden.
De werkgroep noemt een
aantal inhoudelijke en procedurele vereisten voor de totstandbrenging
van de wettelijke grondslagen voor experimenteerbevoegdheden
(experimenteerbepalingen) en de daarop te baseren
experimenteerregelingen. Het gaat daarbij om de algemene kwaliteitseisen die aan
wet- en regelgeving worden gesteld, waaronder de overeenstemming met de
algemene rechtsbeginselen, om inhoudelijke voorwaarden voor
experimenten en om een zo nauwkeurig mogelijke begrenzing van de experimenteerbevoegdheid. Daarnaast worden
procedurele eisen gesteld
met betrekking tot de looptijd van de experimenten, het niveau van de
experimenteerregeling, de parlementaire betrokkenheid, de
verplichte evaluatie en de overgangssituatie naar een definitieve regeling.
Anticiperende wetsuitvoering zou volgens de werkgroep voorkomen
kunnen worden door voldoende delegatiemogelijkheden in de wet neer te leggen.
Voor situaties waarin dat
niet mogelijk is, geeft de werkgroep een afwegingskader op basis
waarvan tot de keuze van een anticipeervoorziening kan worden gekomen.
Over de brief van 7 april
1997 en het eindrapport van de Interdepartementale werkgroep heeft op 17
juni 1997 een algemeen overleg plaatsgevonden met de Vaste Commissie
voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de Tweede Kamer. De Commissie heeft zich bij die gelegenheid positief uitgelaten over
het voorstel een experimenteermogelijkheid in de socialeverzekeringswetgeving op te nemen. De in de brief en het rapport voorgestelde procedurele
waarborgen werden onderschreven. De Commissie benadrukte
hierbij wel dat experimenteren niet in de plaats mag komen van het normale
wetgevingsproces. Indien er behoefte bestaat aan nieuwe
regelgeving, dient dit bij voorkeur bij wetswijziging te geschieden.
Experimenteren moet voorbehouden blijven aan maatregelen waarvan de effectiviteit
proefondervindelijk moet worden vastgesteld. De Commissie achtte het van
belang voor het inzetten van een experiment duidelijke criteria te formuleren.
Het voorstel om een
anticiperende wetsuitvoering mogelijk te maken, is door de Commissie
eveneens positief ontvangen. Daarbij werd de kanttekening gemaakt dat
geen andere wettelijke middelen voorhanden mogen zijn en dat de
nodige inhoudelijke en procedurele waarborgen in acht moeten worden
genomen.
Op 26 augustus 1997 is
een concept-wetsvoorstel experimenteren en anticiperen voor
uitvoeringstechnisch commentaar aan het Lisv en de
Sociale Verzekeringsbank
(SVB) voorgelegd. Het Ctsv is verzocht om commentaar omtrent de
toezichtsaspecten van het wetsvoorstel.
In hun commentaren
onderschrijven de uitvoeringsorganisaties het belang van het
wetsvoorstel. Het Lisv meent dat een opening wordt geboden aan een reeds
langer bestaande behoefte bij sectoren om experimenten mogelijk te
maken, dan wel te anticiperen. De SVB acht het rblz.|4|
mogelijk dat door
toepassing van experimenten en anticipatie de flexibiliteit en het
aanpassingsvermogen van de socialeverzekeringswetgeving wordt verhoogd. Het Lisv
en de SVB achten het wetsvoorstel uitvoerbaar, mits de mogelijkheden om te experimenteren en te anticiperen
zorgvuldig en selectief
worden toegepast.
Het voorstel van
Wet experimenteren en anticiperen is op 12 december 1997 voor advies aan de
Raad van State verzonden. De Raad stelde in zijn advies d.d. 31 maart 1998
bezwaar te hebben tegen het voorstel van wet. Dit advies was aanleiding
voor een grondige heroverweging van de strekking en de
reikwijdte van het wetsvoorstel. Daarbij is geconcludeerd dat het onderdeel
anticiperen, dat in het wetsvoorstel zoals dat bij de Raad van State aanhangig
was gemaakt een brede strekking had, niet langer past in het aan
het advies van de Raad aangepaste wetsvoorstel. De
anticipeerbepaling is
derhalve uit het wetsvoorstel verwijderd. Te zijner tijd zal meer
fundamenteel worden bezien of het mogelijk is om te komen tot een wettelijke
anticipeermogelijkheid in de socialeverzekeringswetgeving. Daarbij zullen de
overwegingen van de Raad van State en van de Interdepartementale
werkgroep anticipatie- en experimenteerbepalingen op het punt van de
wettelijke mogelijkheid tot anticiperen worden betrokken. Het
artikel waarin het Lisv de bevoegdheid verkrijgt om, met inachtneming van
door de Minister van SZW te stellen regels, subsidies te verstrekken
voor tijdelijke projecten gericht op het terugdringen van het beroep op de
WW
is met het oog op een spoedige invoering uit dit
wetsvoorstel gehaald en in het wetsvoorstel Veegwet
SZW 1998 (Kamerstukken II 1998-1999, 26 239) opgenomen.
Het gewijzigde
wetsvoorstel heeft derhalve uitsluitend betrekking op de mogelijkheid om op
experimentele basis tijdelijk van de wet af te wijken. In navolging van het
advies van de Raad van State is de bevoegdheid om van wettelijke bepalingen
af te wijken strakker begrensd en meer geclausuleerd. Het
wetsvoorstel biedt de ruimte voor afwijking van een aantal limitatief
opgesomde WW-bepalingen met als doel de reïntegratie van WW-gerechtigden te
bevorderen, dan wel een mogelijk beroep op WW-uitkeringen te
voorkomen.
3. Het doel van het
wetsvoorstel
Sinds 1987 zijn er in het
WW-bestand forse veranderingen opgetreden. Waar de WW voorheen
vrijwel uitsluitend kortdurend werklozen kende, is sinds 1987 sprake van een
voortdurende toename van het aandeel langdurig werklozen. Per
ultimo 1997 was 54,5% van alle WW-gerechtigden langer dan één jaar
werkloos. In absolute cijfers betrof dat 182 750 personen.
Het bestaande
instrumentarium in de WW is onvoldoende toegesneden op de reïntegratie van
langdurig werklozen met een aanzienlijke afstand tot de arbeidsmarkt. Mede
op basis van signalen uit de uitvoering heeft de regering geconcludeerd
dat op het beleidsterrein van de reïntegratie van WW-gerechtigden een behoefte bestaat aan nieuwe impulsen. Over het
rendement en de mogelijke
neveneffecten van nieuwe reïntegratiemaatregelen voor WW-gerechtigden is
echter betrekkelijk weinig bekend. Bij een directe structurele uitbreiding van het reïntegratie-instrumentarium
bestaat het risico van
verdringing van andere groepen werkzoekenden of van werknemers met een
dienstbetrekking. De regering wil dit zoveel mogelijk trachten
te voorkomen. Verder dienen de reïntegratiemaatregelen geen verstoring van de
concurrentieverhoudingen tussen ondernemingen op te
leveren. De regering acht het daarom opportuun om de maatregelen eerst
in de praktijk te beproeven, alvorens over structurele invoering een
besluit te nemen. Dit wetsvoorstel biedt een wettelijk kader voor
experimenten waarbij van bestaande wet- en regelgeving kan wordt
afgeweken. In samenwerking met de direct rblz.|5|
betrokken organisaties
kunnen nieuwe impulsen voor de reïntegratie van moeilijk plaatsbare
WW-gerechtigden worden ontwikkeld. In de praktijk kan worden bezien of de
voorgenomen maatregelen bijdragen aan de werkhervattingskans van
moeilijk plaatsbare WW-gerechtigden, of de maatregelen uitvoerbaar
en handhaafbaar zijn en of ze geen ongewenste neveneffecten laten zien.
Eveneens kan in de praktijk worden onderzocht wat de beste vorm en
maatvoering van de reïntegratiemaatregelen is.
Op grond van de gemiddeld
genomen geringere afstand tot de arbeidsmarkt spelen de risico’s van verdringing en concurrentievervalsing bij
WW-gerechtigden een
grotere rol dan bij arbeidsgehandicapten of bijstandsgerechtigden.
Met de kansmeter SWI [SWI: Samenwerking Werk en Inkomen, red.], die op 1 januari 1999 voor alle werkzoekenden
operationeel is geworden, is het echter mogelijk binnen de categorie
WW-gerechtigden een geobjectiveerd onderscheid te maken tussen
werkzoekenden met een goede kans om op eigen kracht weer aan het werk te
komen (fase 1), werkzoekenden die een korter (fase 2) of langer (fase 3)
traject moeten overbruggen om weer naar de arbeidsmarkt uit te
stromen en de werkzoekenden die in eerste instantie zijn aangewezen op
sociale activering (fase 4). Door de maatregelen in eerste instantie
experimenteel te beproeven en de experimenten te richten op
WW-gerechtigden in fase 2 en 3 en op de "doorstromers" uit fase 4, kunnen de risico’s
van verdringing en concurrentievervalsing aanzienlijk worden
beperkt.
De in het kader van
experimenten verworven inzichten gaan verder dan ex-ante-evaluaties. Deze
zijn immers in hoofdzaak gebaseerd op inschattingen en veronderstellingen
omtrent gedragseffecten. Op basis van de tijdens experimenten
verworven inzichten over de praktische effecten van de maatregel kan de wetgever weloverwogen beslissingen nemen over
het nut, de inhoud en de
opzet van een definitieve regeling. Dit zal de kwaliteit en de
effectiviteit van de uiteindelijke maatregelen ten goede komen.
De mogelijkheid om met
voorgenomen maatregelen te experimenteren biedt eveneens de ruimte
voor een intensievere betrokkenheid van de uitvoeringsorganisaties
bij de totstandkoming van wet- en regelgeving. Thans verloopt de invloed
van de uitvoeringsorganisaties in hoofdzaak door middel van uitvoeringstechnische beoordelingen van
concept-regelgeving.
Dit wetsvoorstel geeft
betere mogelijkheden om ervaringen en inzichten van de
uitvoeringsorganisaties te betrekken bij het beleid van de centrale overheid.
Naast het verbeteren van de effectiviteit van de voorgenomen maatregelen
kan dit eveneens bijdragen aan het dichten van de kloof tussen
beleid en uitvoering.
Inzet AWf-middelen in het
kader van de sluitende aanpak
Het wetsvoorstel levert
eveneens de grondslag voor de in het regeerakkoord aangekondigde
experimentele inzet van AWf-gelden voor scholing en andere
reïntegratie-instrumenten. Dit experiment levert een bijdrage voor de totstandkoming
van de "sluitende aanpak", waartoe Nederland zich als lid van de
Europese Unie heeft verplicht. Tijdens de buitengewone Europese Raad over
werkgelegenheid hebben de lidstaten van de Europese Unie een aantal
werkgelegenheidsrichtsnoeren vastgesteld. Een belangrijk onderdeel
daarvan behelst de verplichting om binnen een termijn van vijf jaar een
sluitende aanpak te realiseren voor nieuwe volwassen werklozen. De
sluitende aanpak houdt in dat hun, voordat zij twaalf maanden werkloos
zijn, een nieuwe start wordt geboden in de vorm van een opleiding,
omscholing, het opdoen van werkervaring, een baan of een andere
maatregel ter bevordering van de inzetbaarheid.
rblz.|6|
Nederland kent thans, in
het kader van de Wiw, uitsluitend een sluitende aanpak voor werklozen tot
23 jaar.
De sluitende aanpak voor
de nieuwe instroom volwassen werklozen zal gefaseerd worden
ingevoerd. In 2002 moet sprake zijn van een volledig sluitende aanpak op de
nieuwe ingestroomde werklozen van wie wordt aangenomen dat zij zonder
het inzetten van reïntegratiemaatregelen langdurig werkloos
blijven. De gefaseerde invoering van de sluitende aanpak voorziet reeds in
1999 in het aanbieden van een reïntegratietraject aan een deel van de
nieuwe instroom. Op basis van het wetsvoorstel kan het kabinet het
Lisv tot
taak stellen om voor nader te bepalen doelgroepen een reïntegratietraject
in te kopen. In de algemene maatregel van bestuur (AMvB) op grond van het
voorgestelde artikel 130, waarin het experiment met de inzet van de
AWf-middelen nader zal worden ingevuld, zal nader moeten worden aangegeven
welke maatregelen in het kader van de sluitende aanpak kunnen
worden ingezet en voor welke doelgroep.
De doelgroep voor de
sluitende aanpak voor volwassen werklozen bestaat voor een belangrijk deel
uit WW-gerechtigden. De financiering van de kosten van
reïntegratiemaatregelen ten behoeve van WW-gerechtigden geschiedt op dit moment
uit het prestatiebudget van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en tot en met 1999 uit
het Veegwetbudget. Deze budgetten zijn echter
mede bestemd voor de financiering van reïntegratietrajecten ten behoeve van het
zittende bestand langdurig werklozen. Voor de invulling van de sluitende aanpak voor WW-gerechtigden wordt een
geoormerkt AWf-budget
ingezet. De kosten van de additionele reïntegratiemaatregelen ten behoeve van
WW-gerechtigden kunnen hieruit worden gefinancierd. De inzet
van de (extra) AWf-middelen voor scholing en reïntegratie dient te
leiden tot besparingen op de WW-uitkeringslasten. Hierbij dient recht
gedaan te worden aan het beginsel "de kost gaat voor de baat uit". Om vast te
stellen of de beoogde besparingen op de WW-uitkeringslasten
daadwerkelijk optreden, zal regelmatig worden getoetst of binnen de
gestelde termijnen voldoende extra uitstroom uit de WW is gerealiseerd.
4. Procedurele waarborgen
In het eindrapport van de
Interdepartementale werkgroep anticipatie- en experimenteerbepalingen
wordt een onderscheid gemaakt tussen experimenteerwetten
enerzijds en een experimenteerbasis met daarop gebaseerde
experimenteerregelingen anderzijds. Dit wetsvoorstel behoort tot de laatste categorie.
Er worden geen concrete experimenten in vastgesteld. Het
wetsvoorstel biedt uitsluitend een wettelijke grondslag voor de bevoegdheid om
bij AMvB experimenten mogelijk te maken. In een dergelijke AMvB,
hierna aan te duiden als de experimenteerregeling, wordt een concreet
experiment aangewezen en worden nadere voorwaarden gesteld aan de opzet en
de uitvoering daarvan.
Het wetgevingsproces
levert de burger een waarborg op tegen onvoldoende doordachte en afgewogen
regelgeving. Beginselen als rechtsgelijkheid, rechtsbescherming en
rechtszekerheid spelen bij de totstandkoming van een wettelijke
regeling een belangrijke rol.
De mogelijkheid om bij
AMvB van de wet af te wijken, kan deze beginselen in theorie op losse
schroeven zetten. In dit wetsvoorstel zijn daarom de hieronder genoemde
procedurele waarborgen opgenomen.
De begrenzing van de
bevoegdheid van de wet af te wijken
Het wetsvoorstel bevat
een limitatieve opsomming van de wetsartikelen waarvan bij AMvB mag
worden afgeweken. Er kan derhalve geen regeling worden getroffen voor
experimenten waarvoor zou moeten worden rblz.|7|
afgeweken van andere dan
de genoemde wetsartikelen. De afwijkingsbevoegdheid is verder geclausuleerd
door het doel van de experimenten, waarvoor de algemene
maatregelen van bestuur worden getroffen, uitdrukkelijk in de wet
te noemen. De wet biedt slechts ruimte voor experimenten met als doel
de bevordering van de herinschakeling in het arbeidsproces van WW-gerechtigden, respectievelijk het voorkomen dat werknemers werkloos
worden. De voorgestelde experimenten zullen derhalve beleidsinhoudelijk getoetst moeten worden. Daarbij wordt
eveneens beoordeeld of de
geconstateerde problematiek niet direct door wetswijziging, dan wel
langs andere wegen kan worden opgelost. Een experiment is op zijn
plaats als de verwachting bestaat dat de voorgenomen maatregel kan bijdragen
aan het oplossen van een relevant beleidsprobleem, maar er
onvoldoende zicht is op de mate van effectiviteit, de verhouding tussen
kosten en baten of op de kans dat ongewenste neveneffecten
optreden.
De bevoegdheid wordt
verder begrensd door artikel 3:4, tweede lid, van de
Algemene wet bestuursrecht, waarin is bepaald dat de nadelige gevolgen van een besluit,
waaronder begrepen koninklijke besluiten, niet onevenredig mogen zijn in
verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Deze norm is van
toepassing op de experimenteerregelingen die op basis van deze wet
zullen worden getroffen.
De beperkte looptijd van
de experimenten
De experimenten zullen
ten hoogste vier jaar mogen duren. Na afloop van de looptijd van een
experiment komt de maatregel die in het kader van het experiment is
beproefd te vervallen, tenzij deze wordt omgezet in een structurele (wettelijke)
maatregel.
De feitelijke looptijd
kan per experiment verschillen. De looptijd van een experiment mag niet
langer zijn dan strikt noodzakelijk, maar dient wel lang genoeg te zijn om
een betrouwbare indruk te kunnen krijgen van de effectiviteit, de
doelmatigheid en de uitvoeringstechnische aspecten van de maatregel. Bij de
vaststelling van de looptijd dient tevens rekening te worden gehouden met de
periode die nodig is om het experiment te evalueren en te besluiten
over voortzetting van de beproefde maatregel in structurele vorm.
Het zal niet altijd
wenselijk zijn de einddatum van een experiment af te wachten. Er kunnen
verschillende redenen zijn om een experiment voortijdig af te breken.
Daarvoor kan bijvoorbeeld aanleiding bestaan als:
- tijdens het
experiment blijkt dat de beproefde maatregel te veel ongewenste neveneffecten
heeft;
- de uitvoering van een
experiment de continuïteit van het reguliere uitvoeringsproces in
gevaar brengt;
- de maatregel
tussentijds reeds zo succesvol blijkt dat het experiment voortijdig wordt omgezet
in een definitieve regeling.
Indien de beëindiging
van een experiment een onevenredige aantasting van de aanspraken van bij
het experiment betrokken WW-gerechtigden zou opleveren, zal een
overgangsregeling worden getroffen. Daarbij zal het uitgangspunt zijn dat
de in het kader van het experiment reeds in werking gezette reïntegratiemaatregelen in beginsel niet voortijdig
worden beëindigd, tenzij
de maximale looptijd van het experiment wordt overschreden.
De betrokkenheid van het
parlement
Voordat het ontwerp van
een AMvB op grond van het hoofdstuk Experimenten aan de Koningin wordt aangeboden met het verzoek dat
aanhangig te maken bij de
Raad van State, wordt deze bekendgemaakt in rblz.|8|
de Staatscourant.
Tegelijkertijd wordt het ontwerp van de AMvB aan het parlement toegezonden.
Het parlement krijgt zodoende de mogelijkheid de experimenteerregeling
vooraf te beoordelen en eventueel met de minister te bespreken. De
regeling zal niet eerder worden voorgedragen dan vier weken na de dag waarop het ontwerp in de
Staatscourant is
gepubliceerd.
Een experimenteerregeling
moet voldoen aan de normale vereisten voor wet- en regelgeving. De doelstellingen van een experiment dienen helder
te zijn en er zal sprake
moeten zijn van een duidelijke afbakening van de bij het experiment
betrokken doelgroepen. Voor ieder experiment zal vooraf een raming van de
financiële consequenties gemaakt moeten worden.
Het toezicht op de
experimenten
Het wetsvoorstel biedt de
ruimte voor experimenten in het kader van de WW. De uitvoering ervan
ligt in handen van de uitvoeringsinstellingen in opdracht en onder
verantwoordelijkheid van het Lisv. Het Ctsv
zal toezien op de rechtmatigheid en
de doelmatigheid van de uitvoering van de experimenten.
Bij het ontwerpen van de
algemene maatregelen van bestuur zullen het Lisv en het Ctsv worden
betrokken, teneinde vooraf inzicht te verkrijgen in de gevolgen voor het
reguliere uitvoeringsproces en de mogelijkheid om toezicht uit te oefenen
op de uitvoering van de experimenten.
De evaluatie
Het wetsvoorstel
verplicht de Minister van SZW om, uiterlijk zes maanden
vóór de vastgestelde
einddatum van een experiment, het parlement een evaluatie te doen
toekomen. Deze evaluatie bevat een verslag over de doeltreffendheid en de
effecten van het experiment. Daarbij wordt een inschatting gemaakt van
de representativiteit van de gerealiseerde effecten voor de gehele WW-populatie.
Het evaluatieverslag zal
mede gebaseerd zijn op informatie van het Lisv
omtrent de additionele
kosten van het experiment en de als gevolg van de experimentele maatregel
bespaarde uitkeringslasten en van het Ctsv
omtrent de rechtmatigheid
en de doelmatigheid van de uitvoering. Bij de evaluatie van het
experiment zal de minister aangeven of hij een structurele regeling van
de maatregel wenselijk acht.
De regering is van mening
dat met de in het wetsvoorstel opgenomen procedurele waarborgen
een goede balans is gevonden tussen de behoefte om tijdig in te
kunnen spelen op maatschappelijke ontwikkelingen enerzijds en de
beginselen van rechtszekerheid, stabiliteit en zorgvuldigheid
anderzijds.
5. De experimenten in de
praktijk
Het
wetsvoorstel biedt de
mogelijkheid voor experimenten met de toepassing van
maatregelen die tot doel hebben te voorkomen dat een beroep op de WW
wordt
gedaan, dan wel te bevorderen dat WW-gerechtigden weer worden ingeschakeld
in het arbeidsproces. Daarnaast levert het wetsvoorstel
de grondslag voor het aanwenden van middelen uit het AWf voor de
financiering van scholing of andere reïntegratiemaatregelen in het kader van de
sluitende aanpak ten behoeve van WW-gerechtigden. De
praktische gang van zaken met betrekking tot de totstandkoming en de
uitvoering van de experimenten wordt hieronder weergegeven.
rblz.|9|
Voorbereiding
Over de wijze waarop het
reïntegratie-instrumentarium in de WW voor het zittende bestand WW-gerechtigden zou kunnen worden uitgebreid, heeft
inmiddels overleg
plaatsgevonden met het Lisv. In dat overleg is een aantal kansrijke
experimenten geïnventariseerd. Het Lisv heeft de uitvoeringsinstellingen
en sectorraden bij deze inventarisatie betrokken. Een korte beschrijving
van de geïnventariseerde experimenten is opgenomen in bijlage
1.
Bij de vaststelling van
de experimenten is gekeken hoe deze zich verhouden tot het doel
van het wetsvoorstel en of voor de realisatie ervan afwijking van de
WW-bepalingen noodzakelijk is. Het wetsvoorstel biedt de mogelijkheid om ook
andere dan de reeds geïnventariseerde experimenten op gang te brengen, mits
bij de uitvoering daarvan niet wordt afgeweken van andere
wetsartikelen dan in dit wetsvoorstel zijn genoemd.
Bij de voorbereiding van
de AMvB ten behoeve van een experiment zal aandacht besteed moeten
worden aan het doel en de opzet van het experiment, de verwachte
effecten, de kenmerken en omvang van de doelgroep, de mogelijke
invoeringsdatum, de looptijd, de wijze van uitvoering en de
geschatte kosten van het experiment. Het Lisv
zal, indien en voor zover dat is
aangewezen, worden verzocht aan te geven voor welke sectoren een
experiment relevant is en welke uitvoeringsinstelling
bij het experiment moet
worden betrokken.
De voorgestelde
experimenten worden beoordeeld aan de hand van de in de vorige paragraaf
beschreven overwegingen. Bij een positief oordeel zal een concept-AMvB worden
opgesteld. Als een voorgesteld experiment vragen van
uitvoeringstechnische aard oproept, ligt het in de rede het Lisv
om commentaar te
vragen.
Het Ctsv
zal in staat
moeten worden gesteld om toe te zien op de rechtmatigheid en de
doelmatigheid van de uitvoering van de experimenten. Daartoe zal de
concept-AMvB eveneens aan het Ctsv worden voorgelegd voor een
beoordeling van de toezichtsaspecten.
Voor het experiment met
betrekking tot de inzet van AWf-middelen voor scholing en reïntegratie
zal een faseringstraject worden vastgesteld. Het doel daarbij is om - startend in 1999
- per 2002 een zoveel mogelijk sluitende aanpak te
realiseren voor de nieuwe instroom van volwassen werklozen met recht op
een WW-uitkering waarvan aannemelijk is dat zij zonder nadere
reïntegratiemaatregelen langdurig werkloos blijven.
Uitvoering van de
experimenten
Tijdens de experimenten
worden maatregelen die zonder nadere regelgeving op grond van
dit wetsvoorstel contra legem zouden zijn in de praktijk beproefd. De
uitvoering van de experimenten ligt in handen van de uitvoeringsinstellingen in opdracht en onder verantwoordelijkheid van
het Lisv. De
uitvoeringsorganisaties zullen de experimentele maatregelen naast hun reguliere taken
moeten uitvoeren. Dit zal een verzwaring van de werklast van de
uitvoeringsorganisatie en daarmee een toename van de uitvoeringsbudgetten met
zich brengen. Dit pleit voor een selectief gebruik van de
bevoegdheid om te experimenteren en een zorgvuldige voorbereiding van de
experimenten, waarbij voldoende aandacht besteed wordt aan de uitvoeringstechnische en financiële aspecten.
Evaluatie
Tijdens de looptijd van
de experimenten zal reeds een evaluatie worden rblz.|10|
gemaakt. Deze evaluatie
zal voor een belangrijk deel gebaseerd zijn op informatie van het Lisv
en het Ctsv. Het Lisv zal worden verzocht informatie te verstrekken
over de wijze waarop de maatregel is geïmplementeerd en uitgevoerd, de uitvoeringskosten, de eventuele knelpunten
die tijdens de uitvoering
aan het licht zijn gekomen en over de uitkomsten en de vastgestelde
effecten van de maatregel.
Het Ctsv zal worden
verzocht te rapporteren over de rechtmatigheid en de doelmatigheid van de
uitvoering van de experimenten. De Minister van SZW zal het parlement
mede op basis van deze rapportages informeren over de resultaten van de
experimenten. Bij de evaluatie zal hij zijn standpunt kenbaar maken over de vraag of de experimentele maatregel
als wettelijke maatregel
moet worden voortgezet, dan wel dat de uitvoering van de
maatregel zal worden beëindigd.
6. Financiële aspecten
Experiment inzet AWf-middelen in het kader van de sluitende aanpak
Onderhavig wetsvoorstel
opent de mogelijkheid tot het starten van een experiment met de inzet
van AWf-middelen voor scholing en reïntegratie met het oog op de
invulling van de sluitende aanpak voor WW-gerechtigden. De in het wetsvoorstel
voorgestelde wijziging van de WW, waarmee dit experiment mogelijk
wordt gemaakt, heeft op zichzelf geen financiële consequenties. De
feitelijke inzet van AWf-middelen voor scholing en reïntegratie zal vanzelfsprekend wel financiële consequenties hebben.
Het experiment behelst
het inzetten van AWf-middelen ten behoeve van het bevorderen van de
inschakeling in het arbeidsproces van bepaalde groepen werkloze
werknemers door scholing en andere reïntegratie-instrumenten. Dit zal in eerste
instantie leiden tot een stijging van de uitkeringslasten van het AWf. Daarnaast zal de additionele inzet van reïntegratie-instrumenten
in het kader van dit experiment een toename van de uitvoeringskosten
ten laste van het AWf tot gevolg hebben.
Tegenover de toename van
de uitkeringslasten en de uitvoeringskosten staan besparingen als
gevolg van een hogere uitstroom uit de WW. Om vast te stellen of de
beoogde besparingen op de uitkeringslasten daadwerkelijk optreden,
zal regelmatig worden getoetst of binnen de gestelde termijnen
voldoende extra uitstroom uit de WW is gerealiseerd. De netto-uitgaven, het
saldo van de extra uitgaven in het kader van de sluitende aanpak en de
besparingen in de uitkeringslasten als gevolg van de extra uitstroom uit de
WW zullen worden gefinancierd door middel van een rijksbijdrage aan
het AWf ten laste van de begroting van het
ministerie van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid. De hiermee samenhangende brutomiddelen worden
binnen het AWf geoormerkt ter dekking van de in het kader van het
experiment te maken kosten.
Voor het totaal aan
maatregelen dat het kabinet zal nemen in het kader van de sluitende aanpak
zijn door het kabinet voor de periode 1999-2002 middelen ter beschikking
gesteld oplopend tot netto ƒ250 mln in 2002. De financiële consequenties
van het experiment met de inzet van AWf-middelen voor scholing en
reïntegratie zullen binnen deze budgettaire randvoorwaarde worden
ingepast.
Andere experimenten
Net als bij het
experiment met de inzet van AWf-middelen geldt bij deze experimenten dat
het
wetsvoorstel als zodanig geen financiële consequenties heeft. Financiële
effecten zijn pas aan de orde bij de totstandbrenging van de feitelijke
experimenten. Het is niet mogelijk de omvang van deze effecten op voorhand in beeld te brengen. Dat wordt immers
bepaald door de mate
waarin en de wijze waarop gebruik zal worden rblz.|11|
gemaakt van de
experimenteermogelijkheid. Per experiment zal vooraf een raming van de financiële consequenties worden gemaakt. Bij ieder
experiment geldt
budgettaire neutraliteit als uitgangspunt.
In algemene zin kan over
de financiële aspecten van dit wetsvoorstel het volgende worden
opgemerkt. De experimenten waartoe dit wetsvoorstel de mogelijkheid biedt,
zullen in eerste instantie leiden tot een toename van de uitvoeringskosten.
De experimenten zullen immers worden uitgevoerd naast het
reguliere uitvoeringsproces. Daarnaast zullen de experimenten in aanvang
ook tot een toename van de uitkeringslasten leiden. De additionele
uitvoeringskosten en uitkeringslasten komen in beginsel ten laste van de
wachtgeldfondsen of het AWf.
Daar staat tegenover dat
er met het oog op het doel van de experimenten - het realiseren van
een lagere instroom in en een hogere uitstroom uit de WW
- ook besparingen
bij de uitkeringslasten dienen te worden gerealiseerd. De
besparingen in de uitkeringslasten als gevolg van een verminderde instroom in
de WW hebben in eerste instantie consequenties voor het wachtgeldfonds
van de sector waarbij de werkgever is aangesloten. De besparingen in de
uitkeringslasten als gevolg van een hogere uitstroom zullen
voornamelijk neerslaan in het AWf.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel
I. Wijziging Werkloosheidswet
Na
artikel 129 wordt een nieuw hoofdstuk Xa ingevoegd dat zeven artikelen
bevat. Die artikelen worden hieronder toegelicht.
Artikel
130
In het eerste lid van dit artikel is de mogelijkheid opgenomen om, bij
AMvB ten behoeve van een experiment, tijdelijk het Lisv
op te dragen de werkzaamheden verbonden aan zijn taak de inschakeling te bevorderen van werknemers die recht
hebben op WW-uitkering uit te besteden aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie of aan derden, niet zijnde
uitvoeringsinstellingen. De daarmee gemoeide budgetten komen ten laste van het
AWf en zijn aanvullend op
de rijksbijdrage aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie ten behoeve van
WW-gerechtigden.
In het vierde lid is
geregeld wat in een op grond van het eerste lid getroffen AMvB in ieder
geval dient te zijn opgenomen.
In het vijfde lid is de
mogelijkheid opgenomen om in de AMvB op grond van het eerste lid aan te
geven welke instrumenten moeten worden ingezet ten behoeve van
de in dat lid genoemde taak en het aantal werknemers ten aanzien
van wie een bepaald instrument moet worden ingezet. In het zesde lid
is voorts de mogelijkheid opgenomen om in de AMvB op grond van het
eerste lid aspecten te duiden met betrekking waartoe het Lisv nadere
regels dient te stellen of de bevoegdheid krijgt om nadere regels te
stellen. De op grond daarvan door het Lisv gestelde nadere regels dienen door
de Minister van SZW te worden goedgekeurd. In het zevende lid is
ten slotte opgenomen dat ten behoeve van het experiment jaarlijks een rijksbijdrage ten gunste van het
AWf komt.
Artikel 130a
Op grond van het eerste
lid, onderdeel a, van dit artikel kan in de eerste plaats worden
geëxperimenteerd met het instrument van de proefplaatsing. De in de AMvB aangewezen
groepen WW-gerechtigden kunnen gedurende een bepaalde
periode onbetaalde werkzaamheden voor een - eventueel toekomstige - werkgever verrichten, zonder dat dit leidt tot het
rblz.|12|
verlies van het
werknemerschap voor het aantal uren dat die werkzaamheden worden verricht en zonder
dat dit voor dat aantal uren leidt tot eindiging van het recht op WW-uitkering wegens dat verlies van het
werknemerschap of
verminderde beschikbaarheid. Gelet op het feit dat - in afwijking van artikel
8, eerste lid, van de WW
- de hoedanigheid van werknemer wordt behouden,
wordt in de hier bedoelde situatie van proefplaatsing niet
toegekomen aan het vierde lid van dat artikel betreffende de
herkrijging van de hoedanigheid van werknemer.
In de tweede plaats kan
op grond van dat onderdeel, in samenhang met het tweede lid, worden geëxperimenteerd met het instrument van de
korting van inkomsten
voor werkloze werknemers die starten als zelfstandige. In plaats
van dat de werkzaamheden in de uitoefening van een bedrijf of de
zelfstandige uitoefening van een beroep leiden tot het verlies van het
werknemerschap voor de betrokken uren en eindiging van het recht op WW-uitkering
voor dat aantal uren wegens dat verlies van het werknemerschap of verminderde beschikbaarheid, worden 70% van de
inkomsten uit die
werkzaamheden op de WW-uitkering in mindering gebracht.
Gelet op het feit dat de
hoedanigheid van werknemer wordt behouden, wordt in de hier bedoelde
situatie van het verrichten van werkzaamheden als zelfstandige niet
toegekomen aan artikel 8, tweede lid, van de WW
betreffende de
herkrijging van de hoedanigheid van werknemer. Op grond van het vijfde lid kan
bij ministeriële regeling worden geregeld wat wordt begrepen onder inkomsten
als bedoeld in het tweede lid van het hier voorgestelde artikel
130a van de WW, hoe de hoogte van die inkomsten wordt berekend en aan welke periode de inkomsten worden toegerekend.
Op grond van het eerste
lid, onderdeel b, wordt de mogelijkheid geschapen om te
onderzoeken of verlenging van de periode van anderhalf jaar waarbinnen de
startende zelfstandige kan terugvallen op de WW-uitkering ertoe
bijdraagt dat de WW-gerechtigde uiteindelijk blijvend wordt gereïntegreerd.
Bij de toepassing van dit onderdeel wordt - anders dan bij toepassing van
onderdeel a van het eerste lid - niet de hoedanigheid van werknemer behouden,
maar wel de termijn verlengd waarbinnen, bij
beëindiging van de werkzaamheden als zelfstandige, de hoedanigheid van
werknemer wordt herkregen. Voorts wordt eenzelfde verlenging toegepast op
de termijn waarbinnen het recht op WW-uitkering kan herleven.
In het derde lid is
geregeld wat in een op grond van het eerste lid getroffen AMvB in ieder
geval dient te zijn opgenomen.
In het vierde lid is de
mogelijkheid opgenomen om in de AMvB op grond van het eerste lid
aspecten te duiden met betrekking waartoe het Lisv
nadere regels dient te
stellen of de bevoegdheid krijgt om nadere regels te stellen. De op grond
daarvan door het Lisv gestelde nadere regels dienen door de Minister van SZW
te worden goedgekeurd.
Artikel 130b
In dit artikel is, in het
eerste lid, de mogelijkheid opgenomen om, door middel van een AMvB, bij
wijze van tijdelijk experiment een loonsuppletieregeling te treffen voor bepaalde
groepen werkloze werknemers die werk aanvaarden tegen een
lager loon dan (dat deel van) de uitkering die zij verliezen als gevolg van
de werkaanvaarding. Het toekennen van loonsuppletie wordt
daarbij een bevoegdheid van het Lisv. In het tweede lid is bepaald voor welke
artikelen van de WW de loonsuppletie als uitkering wordt
aangemerkt alsmede dat de loonsuppletie voor andere wetten als uitkering op
grond van de verplichte verzekering op grond van de WW wordt aangemerkt.
Aldus is een aantal artikelen met betrekking tot het geldend maken (bijvoorbeeld de inlichtingenverplichting) en de
betaling (bijvoorbeeld de
bepalingen inzake terugvordering) van toepassing en wordt de
loonsuppletie gefinancierd uit het AWf. Voorts is rblz.|13|
hiermee bijvoorbeeld
geregeld dat de loonsuppletie loon is in de zin van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering.
In het derde lid is
geregeld wat in een op grond van het eerste lid getroffen AMvB in ieder
geval dient te zijn opgenomen.
In het vierde lid is de
mogelijkheid opgenomen om in de AMvB op grond van het eerste lid
aspecten te duiden met betrekking waartoe het Lisv nadere regels dient te
stellen of de bevoegdheid krijgt om nadere regels te stellen. De op grond
daarvan door het Lisv gestelde nadere regels dienen door de Minister van SZW
te worden goedgekeurd.
Artikel 130c
In het eerste lid van dit
artikel is de mogelijkheid opgenomen om bij AMvB ten behoeve van een
experiment tijdelijk het Lisv als taak op te dragen te bevorderen dat
bepaalde groepen werknemers die dreigen werkloos te worden,
ingeschakeld blijven in de arbeid en de daaraan verbonden werkzaamheden
uit te besteden aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie of aan derden, niet
zijnde uitvoeringsinstellingen. De daarmee gemoeide budgetten komen
ten laste van de wachtgeldfondsen.
In het vierde lid is
geregeld wat in een op grond van het eerste lid getroffen AMvB in ieder
geval dient te zijn opgenomen.
In het vijfde lid is de
mogelijkheid opgenomen om in de AMvB op grond van het eerste lid
aspecten te duiden met betrekking waartoe het Lisv nadere regels dient te
stellen of de bevoegdheid krijgt om nadere regels te stellen. De op grond
daarvan door het Lisv gestelde nadere regels dienen door de Minister van SZW
te worden goedgekeurd.
Artikelen 130d,
130e en 130f
Zie
paragraaf 4 "Procedurele waarborgen" van het algemeen deel van de memorie van toelichting.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst
rblz.|14|
BIJLAGE
1
Overzicht
voorgenomen experimenten
De inzet van AWf-middelen
voor scholing en reïntegratie
Tijdens de buitengewone
Europese Raad over werkgelegenheid van november 1997 in
Luxemburg is een aantal werkgelegenheidsrichtsnoeren voor de lidstaten van de
Europese Unie vastgesteld. Eén daarvan behelst de
verplichting om binnen een maximale termijn van vijf jaar een sluitende aanpak
te realiseren voor nieuwe volwassen werklozen. De sluitende aanpak houdt
in dat hun, voordat de werkloosheid twaalf maanden heeft geduurd,
een nieuwe start wordt geboden in de vorm van een opleiding,
omscholing, het opdoen van werkervaring, een baan of een andere maatregel ter
bevordering van de inzetbaarheid. Nederland kent thans voor werklozen
vanaf de leeftijd van 23 jaar geen sluitende aanpak. Voor werkzoekenden bij
wie wordt vastgesteld dat zij niet zonder nadere maatregelen naar de
arbeidsmarkt kunnen terugkeren, stelt Arbeidsvoorziening op eigen initiatief of in
opdracht van de uitvoeringsinstellingen wel
reïntegratietrajecten vast. Formeel noch materieel is er echter sprake van een sluitende aanpak.
De maatregelen die thans
worden toegepast om de reïntegratie van werklozen te bevorderen,
worden deels uit het prestatiebudget van Arbeidsvoorziening en
deels uit de Veegwetbudgetten van de uitvoeringsinstellingen gefinancierd. Werklozen
met een zeer grote afstand tot de arbeidsmarkt kunnen daarnaast in aanmerking worden gebracht voor
het Wiw-instrumentarium,
waaronder de Wiw-dienstbetrekking en de werkervaringsplaats. Het
bestaande reïntegratie-instrumentarium wordt in hoofdzaak toegepast op
het bestand van langdurig werklozen.
De sluitende aanpak ziet
op het voorkomen van langdurige werkloosheid bij nieuwe werklozen van
wie is vastgesteld dat zij zonder ondersteunende maatregelen weinig kans
hebben het werk te hervatten. Jaarlijks zal daarvoor aan WW-gerechtigden een toenemend aantal trajecten worden aangeboden tot in 2002 de
aanpak sluitend is. In de op grond van het wetsvoorstel voor dit
experiment te treffen AMvB zullen de taakstellingen per jaar nader worden
uitgewerkt en zal worden aangegeven welke doelgroepen prioriteit krijgen. Daarbij zal gebruik worden gemaakt van de
in het kader van de
fase-indeling ontwikkelde kansmeter.
Proefplaatsing
De systematiek van de
WW biedt geen ruimte voor het verrichten van productieve werkzaamheden
met behoud van uitkering. Veel werkgevers blijken - zelfs bij een
krappe arbeidsmarkt - aarzelingen te hebben bij het aanstellen van personen
die geruime tijd buiten het arbeidsproces hebben gestaan. Er bestaat
veelal onvoldoende zicht op de vaardigheden van de werkloze en over diens
mogelijkheden om met succes binnen een arbeidsorganisatie te
functioneren. De werkgever kan wellicht over de streep worden getrokken
indien hij de werknemer gedurende enige tijd "op proef", zonder
financiële risico’s en contractuele verplichtingen, zichzelf kan laten
bewijzen. Dit wetsvoorstel biedt de mogelijkheid om voor nader aan te wijzen
doelgroepen het instrument van de proefplaatsing uit te testen.
Loonsuppletie
Een aantal WW-gerechtigden is voor herintreding op de arbeidsmarkt aangewezen op omscholing
naar een ander beroep. Indien omscholing plaats vindt naar een
beroep waarin nog geen werkervaring is opgedaan, bestaat de kans dat
betrokken werknemer slechts werk kan vinden tegen een loon onder het niveau
van de WW-uitkering. In beginsel behoeft de rblz.|15|
werknemer werk tegen een
beloningsniveau onder het uitkeringsniveau niet te accepteren. Een
aanvulling van het loon vanuit de WW tot het uitkeringsniveau kan het
voor de werkzoekende gemakkelijker maken lager betaalde arbeid te
accepteren. In een experiment kan worden nagegaan of het
instrument loonsuppletie bijdraagt aan de kans op werkhervatting van WW-gerechtigden.
Stimuleren startende
zelfstandigen
Werkzoekenden kunnen
ervoor kiezen om met zelfstandige arbeid in hun levensonderhoud te
voorzien. Voor arbeidsgehandicapten bestaat sinds de Wet
Rea een uitgebreid
voorzieningenpakket waarmee zij in staat worden gesteld een eigen
bedrijf te beginnen. Aan deze groep kan een krediet worden verstrekt
van maximaal ƒ60 000,-.
Voor het starten van een
eigen bedrijf of in zelfstandige arbeid biedt de WW
geen faciliteiten. De
in de wet neergelegde systematiek kan startende zelfstandigen in de
praktijk problemen opleveren. De regering wil door middel van een aantal
experimenten inzicht verkrijgen in de effecten van beleidswijzigingen op dit
punt.
Aan een wetswijziging om
de belemmeringen in de WW weg te nemen, is een aantal risico’s
verbonden. Ten eerste speelt het gevaar van oneerlijke concurrentie ten opzichte
van de gevestigde ondernemers, die bij een terugval in inkomsten
niet kunnen terugvallen op de WW.
Ten tweede bestaat het
risico dat een regeling die WW-gerechtigden dezelfde faciliteiten
biedt als van toepassing is op arbeidsgehandicapten de kansen op succes van
laatstgenoemde categorie relatief verslechtert. In het algemeen beschikken
WW-gerechtigden over een redelijke werkervaring en daarmee over een betere positie op de arbeidsmarkt.
Ten slotte kan een
regeling ter bevordering van een start als zelfstandige vanuit de WW aanzienlijke
handhavingsproblemen opleveren.
De regering wil daarom in
eerste instantie bij experiment onderzoeken welke bijdrage een
startersregeling aan de reïntegratie van WW-gerechtigden kan leveren en wat de
neveneffecten en de uitvoeringsgevolgen zijn. De startersregeling dient
een oplossing te bieden voor de in de praktijk geconstateerde problemen.
De
WW-gerechtigde die
werkzaamheden als zelfstandige gaat verrichten, verliest zijn
hoedanigheid van werknemer en daarmee het recht op uitkering. Indien hij
binnen een termijn van anderhalf jaar de werkzaamheden volledig beëindigt, kan
hij terugvallen op de oude rechten. Uit de praktijk komen signalen dat een periode van anderhalf jaar te kort is om te
kunnen beoordelen of een
bedrijf levensvatbaar is. In de experimenten zullen twee verschillende
oplossingsrichtingen voor dit probleem worden beproefd. In de eerste
variant wordt de duur van de periode waarin, bij het staken van de
zelfstandige arbeid, het werknemerschap kan worden herkregen, opgerekt.
Vooralsnog wordt daarbij gedacht aan een verlenging van de periode waarin de
hoedanigheid van werknemer kan worden herkregen van anderhalf
naar drie jaar. Het uitkeringsrecht gaat in deze variant wel (geheel of
gedeeltelijk) verloren, maar bij het staken van de zelfstandige
werkzaamheden herleeft de uitkering voor de op dat moment nog resterende duur. In
de tweede variant verliezen WW-gerechtigden bij het gaan verrichten van
zelfstandige arbeid hun hoedanigheid van werknemer niet. De
zelfstandige behoudt hierdoor in beginsel zijn recht op de WW-uitkering. Op
deze uitkering zal 70% van het met de zelfstandige arbeid verworven inkomen
in mindering worden gebracht.
Hiermee wordt tevens
afgeweken van de bestaande systematiek, op basis waarvan de uitkering
wordt beëindigd evenredig aan het aantal uren dat betrokken WW-gerechtigde
besteed aan de zelfstandige arbeid. Omdat bij aanvang van de
zelfstandige arbeid de inkomsten in het algemeen rblz.|16|
betrekkelijk gering zijn,
kan de anticumulatie op basis van inkomsten een stimulans vormen voor het
starten als zelfstandige.
Preventieve inzet van
WW-middelen
De huidige bepalingen in
de WW laten niet toe dat maatregelen waarmee de inschakeling in arbeid
kan worden bevorderd, worden ingezet voordat er daadwerkelijke sprake
is van een recht op uitkering. Voor een aantal categorieën werknemers
kan het van belang zijn dat het reïntegratie-instrumentarium al wordt ingezet
vóór
de werkloosheid een feit is. De reïntegratie kan worden
bespoedigd door in een vroeg stadium te bezien of voor arbeidsinpassing
omscholing naar een ander beroep, een sollicitatietraining of
een ander reïntegratietraject noodzakelijk is. Dat geldt in het bijzonder
voor met werkloosheid bedreigde werknemers voor wie (nagenoeg) is
uitgesloten dat zij zullen hervatten in hun eigen beroep. Dergelijke situaties doen
zich bijvoorbeeld voor in door ontwikkelingen in de economische structuur
sterk krimpende sectoren. Een preventieve inzet van WW-gelden kan ook van
belang zijn voor werknemers met beroepen die door technologische
ontwikkelingen worden weggesaneerd.
Ook in andere gevallen
kan door een preventieve inzet van WW-gelden worden voorkomen dat er
een beroep op de WW wordt gedaan. Dat kan aan de orde zijn bij
reorganisaties van ondernemingen waarbij andere ondernemingen zich bereid
verklaren met ontslag bedreigde werknemers over te nemen indien
deze bereid en in staat zijn zich te laten bij- of omscholen. De kosten van
een dergelijke omscholing zouden in dat geval geheel of ten dele vanuit
de wachtgeldfondsen kunnen worden gefinancierd. Om concurrentievervalsing
te voorkomen, dienen er strikte voorwaarden te worden
gesteld aan de arbeidsmarktpositie van de doelgroep van het
experiment. Het dient daarbij niet te gaan om werknemers waarvan kan
worden verondersteld dat zij op eigen kracht snel in arbeid zouden
kunnen hervatten (in termen van de SWI-kansmeter: fase 1).
Scholing met behoud van
WW-uitkering
In de ministeriële
regeling op basis van artikel 76 WW
worden voorwaarden gesteld aan de opleiding
of scholing die de WW-gerechtigde met behoud van zijn uitkering
mag volgen.
De bestaande regeling
voor scholing met behoud van WW-uitkering bevat een aantal beperkingen.
De scholing mag bijvoorbeeld niet langer duren dan één jaar en geldt
er een maximum voor de hoeveelheid productieve arbeid die tijdens de
scholing of opleiding mag worden verricht. Verder mag de scholing niet gericht zijn op het verrichten van specifieke
werkzaamheden binnen
één onderneming.
Er zijn aanwijzingen dat
de maximale duur van de scholing voor bepaalde categorieën
WW-gerechtigden een belemmering vormt. Daarnaast blijkt een combinatie van
theorie- en praktijkopleiding voor een aantal werkzoekenden bij uitstek
geschikt om de kansen op werk te vergroten. Een experimentele
verruiming van de regeling voor scholing met behoud van WW-uitkering biedt de
mogelijkheid het effect hiervan op de kans op werkhervatting te
onderzoeken.
Voor dit laatste
experiment is overigens geen nieuwe wettelijke basis noodzakelijk. Er kan op
basis van de huidige wettelijke grondslag worden geëxperimenteerd door
aanpassing van de ministeriële regeling. Een experiment met de
scholingscriteria wordt inmiddels voorbereid. Het experiment is hier
uitsluitend om redenen van volledigheid opgenomen.
|