|
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 1998-1999, 26 242 (R 1621).
Handelingen II 1998-1999, blz. 5869.
Kamerstukken I 1999-2000, 26 242 (R 1621) (15).
Handelingen I 1999-2000, zie vergadering d.d. 5 oktober 1999.
RIJKSWET van 6 oktober 1999,
Stb. 1999, 454, tot verandering in de Grondwet, strekkende tot
het doen vervallen van additionele artikelen
betreffende koninkrijksaangelegenheden
die zijn uitgewerkt. Inwerkingtreding: 2 november 1999.
WIJ
BEATRIX, bij de gratie
Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz.
enz.
Allen, die deze zullen zien
of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging
genomen hebben, dat de Wet van 9 december 1997 (Stb. 1998, 9) heeft
verklaard dat er grond bestaat het daarbij vastgestelde voorstel in
overweging te nemen tot verandering in de Grondwet, strekkende tot het
doen vervallen van additionele artikelen betreffende koninkrijksaangelegenheden die zijn uitgewerkt;
Zo is het, dat Wij, de Raad
van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor
het Koninkrijk in acht
genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Art. I.
De Grondwet ondergaat de in
artikel II omschreven veranderingen.
Art. II.
De additionele artikelen XI,
XXI en XXX van de Grondwet
vervallen.
Lasten en bevelen dat deze
in het Staatsblad, in het Publicatieblad van de Nederlandse Antillen en
in het Afkondigingsblad van Aruba zal worden geplaatst en dat alle
ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de
nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
6 oktober 1999
BEATRIX
De Minister-President,
Minister van Algemene Zaken,
W. Kok
De Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties,
A. Peper
Uitgegeven de tweede
november
1999
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|