|
rblz.|1|
Kamerstukken II
1998-1999, 26 553
Uitbreiding
van de kring van verzekerden ingevolge de Ziekenfondswet
met zelfstandigen voor wie, gelet op hun inkomen, toegang tot de sociale
ziektekostenverzekering is aangewezen en tijdelijke wijziging van de
indexering van de loongrens alsmede wijziging van de Wet op de
inkomstenbelasting 1964 (zelfstandigen in Zfw)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Aansluiting
bij de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen |
| 3 |
De duur van de
verzekering |
| 4 |
De inkomensgrens
Ziekenfondswet zelfstandigen |
| 5 |
Samenloop van
verzekeringsgronden |
| 6 |
Premieheffing |
| 7 |
Tijdelijke wijziging van
de indexering van de loongrens Zfw |
| 8 |
Financiële
gevolgen van het wetsvoorstel |
| 9 |
Wijziging van de Wet op
de inkomstenbelasting 1964 |
| 10 |
Uitvoeringskosten |
|
xArtikelsgewijs |
| xx| |
Artikelen
I t/m IV |
Algemeen
Inleiding
In
het regeerakkoord van 1998 is aangekondigd dat zelfstandigen toegang tot
de ziekenfondsverzekering zullen krijgen. Dit wetsvoorstel omvat de
daarvoor noodzakelijke maatregelen.
De verzekeringssituatie
voor de ziektekosten van zelfstandigen, in het bijzonder zelfstandigen
met een bescheiden inkomen, is een probleem geworden sinds het
afschaffen van de vrijwillige ziekenfondsverzekering in 1986. Tot die tijd
konden verschillende groepen, waaronder zelfstandigen die niet tot de hogere
inkomenscategorieën behoorden, zich verzekeren voor een
volledig pakket (het ziekenfondspakket). De premie hiervoor was weliswaar
niet inkomensafhankelijk, maar werd betaalbaar gehouden, onder andere
door middel van rijksbijdragen. Sinds het wegvallen van deze verzekeringsmogelijkheid is het in toenemende mate
als een knelpunt ervaren
dat zelfstandigen geen gegarandeerde toegang hebben tot een volledige
ziektekostenverzekering tegen een aan het inkomen gerelateerde
premie.
De wet beoogt dan ook om
de premielasten van zelfstandigen meer in overeenstemming te
brengen met de premielasten van werknemers. Dit leidt tot substantiële
positieve koopkrachteffecten voor zelfstandigen die hierna in de financiële
paragraaf zijn aangegeven. Om het bestaande evenwicht tussen de
collectieve en de particuliere ziektekostenverzekering op de verzekeringsmarkt
te handhaven, is ervoor gekozen om werknemers met een relatief hoog
inkomen binnen de Ziekenfondswet (Zfw) te laten uitstromen naar de particuliere markt. Het geheel van maatregelen leidt
tot een mutatie van de
Zfw-premie met 0,2 procentpunt. Deze mutatie zal worden meegenomen in het
integrale koopkrachtbeeld voor 2000.
Het vorige kabinet heeft
twee onderzoeken door de onderzoeksorganisatie EIM [Economisch Instituut
voor het Midden- en Kleinbedrijf, red.] laten verrichten naar
de kring van verzekerden in de Zfw. Het eerste onderzoek van het EIM
inzake "Knelpunten ziekenfondsverzekering" richtte zich op de aard
en omvang. Het tweede onderzoek inzake "Inventarisatie van beslissingen bij een
overgang naar een ziekenfondsverzekering op basis van een fiscaal
inkomensbegrip" inventariseerde de beslissingen die genomen moeten worden
wanneer zou worden overgegaan op een ziekenfondsverzekering op
basis van een fiscaal inkomensbegrip. Dit rapport werd op 29 april
1998 verzonden aan de Voorzitter van de Vaste Commissie voor
Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Mede op grond van rblz.|2|
deze rapporten is in het
Regeerakkoord 1998 (Kamerstukken II 1998-1999, 26 024, nr. 10) opgenomen
dat zelfstandigen toegang krijgen tot de ziekenfondsverzekering op
basis van het individueel belastbaar inkomen, waarbij de inkomensgrens
materieel wordt afgestemd op de loongrens voor werknemers.
De Ziekenfondsraad
[ZFR, red.] heeft
op 25 februari 1999 het rapport over de technische
uitvoerbaarheid van de opneming van zelfstandigen in de kring van verzekerden Zfw
(uitgave van de ZFR, 1999, nummer 810) vastgesteld. Dit rapport
werd uitgebracht naar aanleiding van het onderzoek van de Raad "Over de technische uitvoerbaarheid opneming zelfstandigen in kring
verzekerden Ziekenfondswet". Volgens de Ziekenfondsraad is het
uitvoeringstechnisch mogelijk om zelfstandigen, met in achtneming van bepaalde
uitgangspunten, onder de werkingssfeer van de ziekenfondsverzekering te
brengen.
Deze wet sluit op
hoofdlijnen aan bij de door de Raad geformuleerde uitgangspunten.
De regering richt haar
inspanningen op inwerkingtreding van deze wet per 1 januari 2000.
Aansluiting
bij de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
Voor de
ziekenfondsverzekering van zelfstandigen is waar mogelijk aansluiting
gezocht bij de kring van verzekerden van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ).
Ziekenfondsverzekerd worden de zelfstandigen die
verzekerd zijn ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder
a, van de WAZ.
Een zelfstandige is
volgens de definitie van de WAZ een persoon jonger dan 65 jaar die in
Nederland woont en winst uit onderneming geniet, tenzij hij de onderneming
feitelijk niet voor eigen rekening drijft; wanneer hij niet in Nederland
woont, maar wel winst uit binnenlandse onderneming geniet, valt hij ook
onder het begrip zelfstandige, tenzij hij de onderneming niet voor
eigen rekening feitelijk drijft. Zelfstandigen zijn als zodanig bij de
rijksbelastingdienst bekend. De rijksbelastingdienst hanteert ten aanzien van
nieuwe ondernemers een actief registratiebeleid. Hierbij wordt onder meer
gebruik gemaakt van de inschrijving van nieuwe ondernemers bij de Kamers
van Koophandel en Fabrieken. Daarnaast heeft een ondernemer er veelal belang bij om zich te melden bij de
rijksbelastingdienst met
het oog op fiscale tegemoetkomingen (zelfstandigenaftrek, verrekening van verliezen
e.d.). Door in de ziekenfondsverzekering aan te sluiten bij fiscale begrippen en gegevens van de
rijksbelastingdienst
wordt de kring van
verzekerde zelfstandigen in het kader van de Zfw in eerste
instantie bepaald door de rijksbelastingdienst.
In de Zfw beperkt de
aansluiting bij de personenkring van de WAZ zich tot degenen die genoemd
worden in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de
WAZ: de zelfstandigen met
winst uit onderneming. De ziekenfondsverzekering strekt zich dus niet uit
tot de personen, genoemd in artikel 3, eerste lid, onderdeel
b en c, van de WAZ:
de beroepsbeoefenaren en de meewerkende echtgenoten. De redenen
daarvoor zijn de volgende. Onder een beroepsbeoefenaar verstaat de WAZ een persoon jonger dan 65 jaar die anders dan in dienstbetrekking
inkomsten uit tegenwoordige arbeid geniet dan wel anders dan in
dienstbetrekking arbeid verricht ten behoeve van een lichaam waarin hij een
aanmerkelijk belang heeft. Wordt er inkomen uit betaalde arbeid ontvangen,
maar is men geen werknemer of zelfstandig ondernemer, dan behoort
men tot de groep beroepsbeoefenaren. Onder die noemer vallen
bijvoorbeeld alfahulpen, geestelijken, auteurs, sommige tussenpersonen en
freelancers. Directeuren-grootaandeelhouders van een NV of BV vallen
ook onder deze gevarieerde groep. De rijksbelastingdienst
krijgt een deel van deze personen niet dan wel pas na verloop van jaren in
beeld. Het kan daarbij gaan om beroepsbeoefenaren rblz.|3|
die niet in de
inkomstenbelasting en de premieheffing voor de WAZ worden betrokken. Zij
komen gezien de hoogte van hun inkomen niet voor een aanslag
inkomstenbelasting en ook niet voor een premieaanslag WAZ in aanmerking. Dit geldt
bijvoorbeeld voor alfahulpen.
Het van rechtswege
karakter van de ziekenfondsverzekering staat op gespannen voet met het
verzekeren van een categorie van personen die niet exact in beeld te
krijgen is. Om redenen van handhaving en uitvoerbaarheid is er daarom voor gekozen
de beroepsbeoefenaren niet op eigen titel onder de ziekenfondsverzekering te brengen. Ook de meewerkende
echtgenoten worden niet
op eigen titel onder de ziekenfondsverzekering gebracht. Dit voorkomt
dat meewerkende echtgenoten die gehuwd zijn met een zelfstandige die
zelf over een inkomen beschikt dat boven de inkomensgrens Zfw voor
zelfstandigen ligt ziekenfondsverzekerd worden. In voorkomende gevallen
kan de meewerkende echtgenoot echter wel ingevolge artikel
4 van
de Zfw meeverzekerd worden met de hoofdverzekerde.
De duur van de
verzekering
De verzekerde periode,
die op de beschikking wordt vermeld, is het kalenderjaar. In bepaalde
gevallen geldt daarop een uitzondering. De WAZ-verzekering kan
namelijk ook in de loop van het kalenderjaar eindigen. Daarmee eindigt
dan ook de ziekenfondsverzekering. Dit doet zich bijvoorbeeld voor
bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd. De ziekenfondsverzekering
zal dan echter in de meeste gevallen worden voortgezet op grond van
artikel 3, eerste lid, onderdeel c, van de Zfw.
Door de koppeling van de
ziekenfondsverzekering aan de systematiek van de WAZ zal in de situatie
dat in de loop van een kalenderjaar een eigen bedrijf wordt gestart met
terugwerkende kracht tot 1 januari van dat kalenderjaar
ziekenfondsverzekering en daaraan gekoppeld premieplicht ontstaan.
De Ziekenfondsraad
heeft
in de door hem op 25 februari 1999 uitgebrachte uitvoeringstoets
opgemerkt dat de huidige ziekenfondsregelgeving het mogelijk maakt om in
deze situatie de betrokkene financieel te compenseren. De particuliere ziektekostenverzekering eindigt
op de datum waarop de
particuliere ziektekostenverzekeraar bericht ontvangt dat betrokkene
is ingeschreven bij een ziekenfonds. De eventueel vooruitbetaalde
premie voor de particuliere verzekering wordt door de particuliere
ziektekostenverzekeraar terugbetaald aan betrokkene. Het ziekenfonds vergoedt
aan betrokkene de kosten die hij heeft gemaakt voor geneeskundige
verzorging van de aanvang van de ziekenfondsverzekering tot de dag van
inschrijving als ziekenfondsverzekerde. Deze vergoeding bestaat uit de
premie die is betaald voor de particuliere verzekering en eventuele
kosten van zorg die de particuliere verzekeraar niet heeft vergoed,
bijvoorbeeld in verband met een gekozen eigen risico, maar die wel zijn
opgenomen in het verstrekkingenpakket van de ziekenfondsverzekering.
De
rijksbelastingdienst verstrekt een verklaring in de vorm van een beschikking waaruit
blijkt dat betrokkene verzekerd is ingevolge de Zfw. Voor de
ziekenfondsverzekering is de situatie per 1 oktober bepalend. Voldoet de zelfstandige
op die datum aan de criteria (WAZ-verzekerde zelfstandige en een
belastbaar inkomen niet hoger dan het bedrag van de inkomensgrens Zfw voor
zelfstandigen), dan ontvangt hij een positieve beschikking. De
verklaring is gebaseerd op de bij de rijksbelastingdienst op 1 oktober voorafgaande
aan het jaar van verzekering bekende gegevens over de WAZ-status en de hoogte van het gemiddelde inkomen van twee, drie en vier
jaar geleden. Voor het ingangsjaar is de peildatum derhalve 1 oktober 1999.
Rond 1 november zullen de beschikkingen over de verzekering voor het
daaropvolgende jaar worden verzonden. Treedt rblz.|4|
na de datum van 1 oktober
een wijziging op in het (gemiddelde) inkomen van de zelfstandige, dan wordt daarmee geen rekening
gehouden. Wanneer bijvoorbeeld na 1
oktober zou blijken dat een gekwalificeerde zelfstandige een hoger
belastbaar inkomen heeft dan per 1 oktober was vastgesteld, dan heeft
dit geen gevolg voor de eventueel reeds vastgestelde ziekenfondsverzekering.
Jaarlijks zullen alle bij
de
rijksbelastingdienst bekende ondernemers een beschikking ontvangen
waaruit blijkt dat zij al dan niet voldoen aan de voorwaarden voor
ziekenfondsverzekering. Tegen de beschikking kan de zelfstandige bezwaar
maken volgens de regels van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen.
Bij de beschikking zal informatie worden meegezonden over de
nieuwe Zfw-regeling en de bezwaar- en beroepsgang.
Invoering van
het
wetsvoorstel per 1 januari 2000 betekent dat de
rijksbelastingdienst rond
1 oktober 1999 de groep verzekerden moet selecteren en door middel
van een verklaring vóór 1 november 1999 in kennis moet stellen. Om
tijdig te kunnen starten met deze werkzaamheden is het noodzakelijk dat
de parlementaire behandeling van het onderhavige wetsvoorstel tijdig
- dat wil zeggen uiterlijk 1 oktober 1999 - is afgerond. In dat geval hebben de
verzekerden nog voldoende gelegenheid om zich per 1 januari 2000 in te
schrijven bij een ziekenfonds.
De inkomensgrens
Ziekenfondswet zelfstandigen
Zelfstandigen met een
belastbaar inkomen tot het bedrag, genoemd in het nieuwe artikel
3d, eerste
lid, worden van rechtswege onder de ziekenfondsverzekering
gebracht. Hiermee wordt aangesloten bij de systematiek die ook voor
werknemers en uitkeringsgerechtigden voor de ziekenfondsverzekering
geldt. Als criterium voor de beoordeling of een zelfstandige
ziekenfondsverzekerd is, is gekozen voor de hoogte van zijn belastbaar inkomen, omdat
dat inkomen de draagkracht het beste weergeeft. Het kabinet
heeft eerder al ingestemd met de aanbeveling van de commissie-Derksen
(Kamerstukken II 1997-1998, 24 515, nr. 39) dat bij inkomensafhankelijke
regelingen het belastbaar inkomen het beste als maatstaf kan worden
gehanteerd.
Met deze maatregel worden
de zogenoemde kleine zelfstandigen ziekenfondsverzekerd. De
hoogte van de inkomensgrens voor zelfstandigen in de Zfw
is afgeleid van
de loongrens in de Zfw. Uit het hierboven vermelde tweede rapport
van het EIM is gebleken dat het belastbaar inkomen van zelfstandigen
die een bruto-inkomen ter grootte van het bedrag van de loongrens
genieten gemiddeld 64% van dat inkomen bedraagt. Door de
inkomensgrens voor zelfstandigen op 64% van de loongrens te stellen, is
deze materieel vergelijkbaar met het bedrag van de loongrens Zfw voor
werknemers.
De praktijk leert dat het
inkomen van een zelfstandige meer fluctueert dan dat van bijvoorbeeld een
werknemer. Het is een gegeven dat met name in de agrarische sector de
inkomens van jaar tot jaar fors kunnen verschillen. Zonder nadere regeling
zou het als gevolg hiervan kunnen voorkomen dat een zelfstandige het ene
jaar ziekenfondsverzekerd is en het andere jaar aangewezen is op een
particuliere ziektekostenverzekering. Voor de betrokken zelfstandige
kan dit grote gevolgen hebben. De Land- en Tuinbouworganisaties
Nederland (LTO Nederland) hebben hier onder meer op gewezen.
Om te voorkomen dat een
zelfstandige zich regelmatig op een andere wijze tegen ziektekosten
zou moeten verzekeren, zal daarom in een ministeriële regeling
worden bepaald dat voor de beoordeling voor de ziekenfondsverzekering
van een zelfstandige het gemiddelde belastbaar rblz.|5|
inkomen over drie jaren
in aanmerking wordt genomen. De
rijksbelastingdienst kan het belastbaar
inkomen van een zelfstandige pas vaststellen nadat de
belastingplichtige aangifte heeft gedaan. Voor het merendeel van de
belastingplichtigen is het belastbaar inkomen definitief vastgesteld in het tweede jaar na het
belastingjaar. Het vastgestelde inkomen wordt op 1 oktober getoetst aan
de inkomensgrens voor zelfstandigen die geldt vanaf 1 januari van een
volgend kalenderjaar. Dit heeft tot gevolg dat het gemiddelde inkomen over
het tijdvak van het derde tot en met het vijfde jaar gelegen vóór het
jaar van verzekering in beginsel bepalend is voor het al dan niet ziekenfondsverzekerd zijn. Voor startende zelfstandigen en
voor hen die in één of
meer toetsjaren geen winst hebben gemaakt, wordt een afwijkende regeling
getroffen.
Aangezien de
rijksbelastingdienst de zelfstandige jaarlijks vóór 1 november informeert of deze al dan
niet ziekenfondsverzekerd is, heeft de betrokkene bij wijziging
van zijn verzekeringsvorm voldoende tijd zich zo nodig te oriënteren op
de ziektekostenverzekering waarop hij dan is aangewezen.
Samenloop van
verzekeringsgronden
Wanneer een zelfstandige
niet ziekenfondsverzekerd is vanwege de hoogte van zijn inkomen,
dan zal hij ook niet op een andere titel ziekenfondsverzekerd zijn. Het belastbaar
inkomen van een zelfstandige die WAZ
verzekerd is, is bepalend
voor de beoordeling in het kader van de ziekenfondsverzekering.
In de ministeriële
regeling zal worden bepaald dat voor een startende zelfstandige het te
verwachten belastbaar inkomen in het eerste jaar van zijn verzekering
ingevolge de WAZ bepalend zal zijn voor het al dan niet ziekenfondsverzekerd
zijn. Zou dat belastbaar inkomen niet tot ziekenfondsverzekering leiden, dan
zal dit
ingevolge het nieuwe twaalfde lid van artikel 3 van de
Zfw tot
1 januari van het daaropvolgende jaar niet tot gevolg hebben dat een
eventueel bestaande titel voor ziekenfondsverzekering op basis van artikel 3
van de Zfw komt te vervallen.
Premieheffing
Ziekenfondsverzekerde
zelfstandigen betalen, evenals ziekenfondsverzekerde werknemers, naast procentuele ziekenfondspremie over het
premie-inkomen, een
nominale ziekenfondspremie. De hoogte van de procentuele premie zal in
beginsel op hetzelfde niveau worden vastgesteld als voor werknemers, met
dien verstande dat de ziekenfondsverzekerde zelfstandige de gehele
procentuele premie zelf betaalt (werknemersdeel en
werkgeversdeel). De premieheffing bij de zelfstandigen zal op een aantal punten
afwijken van hetgeen bij de werknemers gebruikelijk is. Bij de
werknemers geschiedt de premieheffing door de werkgever die de premie
inhoudt op het loon (inkomen) uit (vroegere) dienstbetrekking. De
premieheffing bij zelfstandigen zal worden uitgevoerd door de
rijksbelastingdienst, die de aanslag ziekenfondspremie oplegt. De keuze voor het
belastbaar inkomen als grondslag voor de premieheffing brengt dit
met zich mee.
Voor premieheffing over
het belastbaar inkomen wordt gekozen om gelijkheid te
bewerkstelligen tussen het inkomen waarop de verzekeringsgerechtigdheid wordt gebaseerd en het
inkomen waarover premie verschuldigd is. Keuze
voor premieheffing op basis van belastbaar inkomen brengt met zich
mee dat binnen de Zfw een nieuw heffingstraject ontstaat. Bij een
ziekenfondsverzekerde werknemer houdt de werkgever de procentuele premie in
op het loon uit (vroegere) dienstbetrekking en vervolgens dient deze de
premie aan het Landelijk instituut sociale verzekeringen te betalen.
Bij de ziekenfondsverzekerde zelfstandige zal de rijksbelastingdienst de
ziekenfondspremie over het premie-inkomen door rblz.|6|
middel van een aanslag
opleggen. De ziekenfondsverzekerde zelfstandige zal op zijn beurt deze
premie aan de rijksbelastingdienst dienen te betalen. De zelfstandige is
procentuele premie verschuldigd over zijn premie-inkomen. Premie-inkomen is het
belastbare inkomen, met dien verstande dat het bedrag van de
toetsingsgrens tevens de maximale premiegrondslag is. Dit premie-inkomen
wordt door de rijksbelastingdienst bij voorlopige aanslag vastgesteld. Het definitieve inkomen wordt, afhankelijk
van het tijdstip van het
inleveren van de aangifte, vastgesteld. Veelal betekent dit dat na circa
twee jaar een definitieve aanslag is vastgesteld. Zoals hierboven is
uiteengezet, wordt de procentuele premie geheven bij wege van (voorlopige)
aanslag. Voor het opleggen van aanslagen gelden de regels ingevolge de
Wet op de inkomstenbelasting 1964 met uitzondering van de artikelen 64, 65
en 66a. In artikel 64 is geregeld in welke gevallen een aanslag in
de inkomstenbelasting moet worden opgelegd. Verzekerde zelfstandigen
ingevolge de Zfw ontvangen altijd een aanslag voor de ziekenfondspremie. Artikel 65 regelt de invorderingsvrijstelling.
Deze is niet van
toepassing op de ziekenfondsverzekering. Evenals bij werknemers wordt bij
zelfstandigen vanaf de eerste gulden premie geheven. In artikel 66a
is de middelingsregeling voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen
geregeld. Deze regeling kan niet op de premieheffing voor de
ziekenfondsverzekering worden toegepast. Voor de invordering wordt
aangesloten bij de Invorderingswet
1990.
Het kan voorkomen dat de
zelfstandige, naast zijn inkomen uit onderneming, inkomsten in verband met
andere verzekeringsgronden heeft, bijvoorbeeld loon uit
dienstbetrekking of een socialezekerheidsuitkering. Wanneer dit inkomen niet
meer bedraagt dan het bedrag van de loongrens, is hij in
beginsel op die grond ziekenfondsverzekerd. Tevens is hij, indien hij voldoet
aan de voorwaarden, als zelfstandige ziekenfondsverzekerd. De zelfstandige betaalt
in een dergelijke situatie procentuele premie over zijn loon/uitkering en over zijn premie-inkomen als
zelfstandige.
Loon/uitkering is echter eveneens een onderdeel van het premie-inkomen. Dit zou
tot gevolg hebben dat hij over dat inkomensbestanddeel twee keer
procentuele
premie zou moeten betalen, namelijk één keer via zijn
werkgever en één keer via de aanslag van de rijksbelastingdienst. De
reeds betaalde procentuele premie over het loon dient derhalve te worden
verrekend met de door de rijksbelastingdienst opgelegde aanslag
ziekenfondspremie. De over de looninkomsten betaalde procentuele
premie (werknemers- en werkgeversdeel tezamen) wordt verrekend met de te
betalen procentuele premie over het premie-inkomen tot maximaal het bedrag
van de procentuele premie over het premie-inkomen. Indien de
procentuele premie over het looninkomen meer bedraagt dan de procentuele premie over het premie-inkomen, leidt
dit er niet toe dat de
zelfstandige het verschil terugkrijgt. Wanneer hij dit verschil wel terug zou
krijgen, heeft hij ten opzichte van andere werknemers een niet te rechtvaardigen voordeel.
Wanneer het definitief
vastgestelde inkomen afwijkt van het voorlopig vastgestelde
premie-inkomen, kan het voorkomen dat de zelfstandige ziekenfondspremie moet
bijbetalen. Andersom kan ook: de zelfstandige krijgt premie terug van
de rijksbelastingdienst indien het definitief vastgestelde
premie-inkomen lager blijkt te zijn dan het voorlopig vastgestelde
premie-inkomen.
In de structurele
situatie is het de bedoeling dat de ziekenfondsverzekerde zelfstandigen in het
begin van het jaar een voorlopige aanslag ziekenfondspremie over dat jaar ontvangen.
Uitvoeringstechnisch is het niet mogelijk om reeds aan het
begin van het jaar 2000 voorlopige aanslagen ziekenfondspremie op te
leggen. Deze voorlopige aanslagen zullen wel zoveel mogelijk in de
loop van het jaar 2000 worden opgelegd. De aanslag zal worden opgelegd aan
de hand van de schatting van het belastbare inkomen die de
zelfstandige per 1 augustus 2000 voor de inkomstenbelasting moet inleveren. De
aanslagen zullen op een zodanig tijdstip in rblz.|7|
2000 worden opgelegd dat
de premieopbrengst zoveel mogelijk in 2000 wordt gerealiseerd. Vanaf
2001 zal de rijksbelastingdienst de voorlopige aanslagen in het begin
van het jaar opleggen. De definitieve aanslagen over 2000 zullen voor het
eerst in 2001 kunnen worden opgelegd.
Tijdelijke wijziging van
de indexering van de loongrens Zfw
In artikel II van
het
voorstel is een bepaling opgenomen op grond waarvan de toename van het aantal
ziekenfondsverzekerden door de instroom van zelfstandigen wordt
gecompenseerd door een even grote uitstroom van werknemers (en hun
medeverzekerden) uit de ziekenfondsverzekering. Hiertoe wordt de gebruikelijke methodiek, waarbij de loongrens van de
ziekenfondsverzekering
wordt aangepast op grond van de ontwikkeling van de loonindex,
tijdelijk vervangen door een indexering op grond van de prijsindex.
Deze tijdelijke wijziging
van de indexeringsmethodiek wordt toegepast tot aan het jaar waarin het
beoogde evenwicht tussen instroom en uitstroom van
ziekenfondsverzekerden wordt bereikt. In dat laatste jaar vindt nog een zogenaamde
"finetuning"
plaats door middel van een eenmalige nominale aanpassing van
het bedrag van de ziekenfondsloongrens en wel zodanig dat aan het einde
van dat kalenderjaar het beoogde nieuwe evenwicht zal zijn
bereikt. Eén en ander moet worden toegepast op een zodanige wijze dat er
nooit een nominale verlaging van de ziekenfondsloongrens zal optreden. Naar
verwachting zal op grond van dit correctiemechanisme binnen een tijdsbestek
van twee tot drie jaar een nieuw evenwicht in het aantal ziekenfondsverzekerden zijn bereikt.
Financiële
gevolgen van het wetsvoorstel
Algemeen
Op basis van informatie van de
rijksbelastingdienst en het Centraal
Bureau voor de Statistiek (CBS) is een zo goed mogelijke raming gemaakt
van de effecten van het onderhavige wetsvoorstel. De financiële
consequenties van het voorstel zijn
evenwel met meer dan de gebruikelijke onzekerheden omgeven. Dit hangt samen met de onvolledige inzichten in
de precieze inkomens- en
schadeverdeling bij de ziektekostenverzekeringen. Over de - vooral
juridische - knelpunten bij de verbetering van de informatievoorziening op
dit terrein is de Tweede Kamer op 28 september 1998 geïnformeerd door
middel van het EIM-rapport "Inkomens- en schadeverdeling bij
ziektekostenverzekeringen" (kenmerk: MEVA-988 355). Dit betekent dat niet
alleen de omvang van de hierna gepresenteerde verzekerdenstromen met
onzekerheid is omgeven, maar ook het saldo van inkomsten en uitgaven
zoals dat uiteindelijk resulteert.
Aantallen
Het aantal zelfstandigen
met winstinkomen dat in aanmerking komt voor een verplichte ziekenfondsverzekering bedraagt circa 700 000. Gegeven
een inkomensgrens van ƒ41
200,- worden naar huidig inzicht, gebaseerd op gegevens van de
rijksbelastingdienst, circa 240 000 zelfstandigen met winstinkomen onder de
Zfw gebracht. Het aantal medeverzekerde gezinsleden wordt geraamd
op circa 160 000. In totaal worden dus circa 400 000 personen onder de
Zfw gebracht.
De inkomensgrens leidt er
eveneens toe dat zelfstandigen die op grond van hun looninkomen
verplicht verzekerd waren, maar een belastbaar inkomen hebben van meer
dan ƒ41
200,-, de ziekenfondsverzekering moeten verlaten. Het betreft
naar huidig inzicht circa 70 000 zelfstandigen. Het aantal medeverzekerde
gezinsleden dat de ziekenfondsverzekering moet verlaten, bedraagt circa
50 000. In totaal moeten dus 120 000 personen de rblz.|8|
ziekenfondsverzekering
verlaten. Per saldo zal de in- en uitstroom van zelfstandigen dus leiden
tot een instroom van circa 280 000 zelfstandigen en medeverzekerde
gezinsleden.
De instroom van
zelfstandigen in de ziekenfondsverzekering leidt ertoe dat het aantal ziekenfondsverzekerden zonder nadere maatregelen substantieel
toeneemt. Het kabinet is
van mening dat dit leidt tot een verstoring van het huidige evenwicht
tussen het particuliere en het collectieve aandeel. Een stabiele
ontwikkeling van de markt voor ziektekostenverzekeringen is niet gebaat met grote
schokken in de omvang van het aantal ziekenfondsverzekerden of
particulier verzekerden. Om de gewenste stabiliteit te bereiken,
heeft het kabinet besloten om een compenserende uitstroom uit de
ziekenfondsverzekering tot stand te brengen. Daarbij heeft het kabinet gekozen
voor een uitstroom van hoofdverzekerden met de hoogste inkomens in de
ziekenfondsverzekering. Daartoe wordt de indexering van de
loongrens op grond van de loonindex gedurende een aantal jaren vervangen
door een indexering op grond van de prijsindex. Dit betekent dat de
loongrens minder toe zal nemen dan anders het geval zou zijn geweest.
Hierdoor vindt de beoogde uitstroom plaats van werknemers met een
relatief hoog inkomen (werknemers met een inkomen net onder
loongrens). De gewijzigde indexering vindt plaats tot het moment waarop de
instroom van zelfstandigen gecompenseerd is door een even grote
uitstroom. Met andere woorden, werknemers met een relatief hoog inkomen
maken in de Zfw plaats voor zelfstandigen met een relatief laag inkomen.
Inkomenseffecten
Zelfstandigen met een
laag inkomen zijn in tegenstelling tot werknemers (met een laag inkomen)
aangewezen op een particuliere ziektekostenverzekering. De premie die zij voor
een particuliere ziektekostenverzekering moeten betalen, is in
relatie tot hun inkomen veelal (aanzienlijk) hoger dan de premie die een
vergelijkbare ziekenfondsverzekerde betaalt. Met dit wetsvoorstel worden
zelfstandigen onder de Zfw gebracht en worden hun lasten voor een
ziektekostenverzekering meer in overeenstemming gebracht met de lasten
die werknemers in een vergelijkbare inkomenspositie hebben.
De inkomenseffecten van
het voorstel zijn sterk afhankelijk van de huishoudsituatie van de
zelfstandige en de premie die voor de particuliere verzekering moet worden
betaald. Uitgaande van de gemiddelde premie voor een particuliere
ziektekostenverzekering enerzijds en de premie (procentueel en nominaal)
voor de Zfw anderzijds kan ter indicatie het volgende beeld worden
geschetst.
Zelfstandigen zonder
medeverzekerde gezinsleden hebben gegeven de veronderstelde premies
een positief inkomenseffect als hun belastbaar inkomen lager is dan
circa ƒ30
000,-.
Als het belastbaar
inkomen valt tussen circa ƒ30 000,- en ƒ41 200,-, is voor deze categorie sprake van een
negatief inkomenseffect dat kan oplopen tot enkele honderden guldens
per jaar.
Zelfstandigen met
medeverzekerde gezinsleden zijn gegeven de inkomensgrens van ƒ41 200,-
altijd gunstiger uit met een ziekenfondsverzekering. Zij ondergaan een
positief inkomenseffect dat gegeven de veronderstelde premies
enkele duizenden guldens kan bedragen. Dit is een gevolg van de
relatief lage nominale premie voor volwassen medeverzekerde partners
en de afwezigheid van een nominale premie voor kinderen. Daar staat
tegenover dat zelfstandigen met medeverzekerde
gezinsleden die nu ziekenfondsverzekerd zijn op grond van een (kleine) baan,
maar tengevolge van de inkomensgrens het ziekenfonds moeten
verlaten, een negatief inkomenseffect kunnen hebben van vergelijkbare omvang.
Over de omvang van de groep die van verzekeringsvorm moet
veranderen en een negatief inkomenseffect zal rblz.|9|
hebben, is slechts bij
benadering iets te zeggen. Gegeven de eerder genoemde
premieveronderstellingen zal circa een kwart van de zelfstandigen die van verzekeringsvorm
moet veranderen een negatief inkomenseffect ondergaan en zal voor
circa driekwart een positief inkomenseffect gelden.
Ten slotte zijn er
zelfstandigen die ziekenfondsverzekerd zijn en blijven omdat hun belastbaar
inkomen minder bedraagt dan ƒ41
200,-. Het gaat om een groep van circa 160
000 zelfstandigen en 100 000 medeverzekerde gezinsleden. Zij zullen
over hun belastbaar inkomen premie gaan betalen en niet meer alleen over
het looninkomen. De inkomenseffecten voor deze groep zullen verschillend
zijn. Zelfstandigen met een klein (bij)baantje en een relatief hoog
belastbaar inkomen gaan erop achteruit en zelfstandigen met een relatief hoog
looninkomen en een relatief laag belastbaar inkomen gaan erop
vooruit. Per saldo leidt de verandering van het inkomensbegrip in deze
gevallen niet tot grote mutaties in de premieontvangsten.
Budgettair effect
De in- en uitstroom van
zelfstandigen met winstinkomen en eventuele gezinsleden leidt tot
additionele uitgaven voor de Algemene Kas van de Zfw
ter grootte van circa ƒ0,45 miljard. Daar staan extra inkomsten ter grootte van circa
ƒ0,15 miljard
tegenover. Per saldo is sprake van een tekort van ƒ0,3
miljard, hetgeen correspondeert met een premieverhoging van
ongeveer 0,15 procentpunt. Daarbij zij aangetekend dat de aanpassing van de
loongrens die in samenhang met de zelfstandigenmaatregel plaatsvindt, zal leiden
tot een negatief effect voor de Algemene Kas van circa ƒ0,1
miljard, hetgeen correspondeert met een opwaarts effect op de
Zfw-premie van 0,05 procentpunt. Het wetsvoorstel leidt in totaal dus tot een
beperkte procentuele premieverhoging van 0,2 procentpunt. Deze
premiemutatie zal worden meegenomen bij de integrale besluitvorming van het
kabinet over het koopkrachtbeeld voor het komende jaar.
Wijziging van de Wet op
de inkomstenbelasting 1964
De wijzigingen in de Wet
op de inkomstenbelasting 1964 zijn opgenomen teneinde uitdrukkelijk
vast te leggen dat premies ingevolge de Zfw alsmede de verstrekkingen
en de aanspraken op verstrekkingen ingevolge die wet geen invloed
hebben op het bepalen van de winst uit onderneming voor de zelfstandige.
Wellicht ten overvloede zij vermeld dat uit de systematiek van de Wet
op de inkomstenbelasting 1964 voortvloeit dat dergelijke premies, voor
zover sprake is van op de belastingplichtige drukkende uitgaven, ingevolge artikel 46, eerste lid, onderdeel
b, van de
Wet op de inkomstenbelasting 1964 aftrekbaar zijn als buitengewone lasten met in achtneming
van de in dat artikel genoemde drempelbedragen.
Uitvoeringskosten
De invoering van de
ziekenfondsverzekering voor zelfstandigen leidt tot incidentele en
structurele uitvoeringskosten voor de
rijksbelastingdienst. Naast
automatiseringsinspanningen zullen de zelfstandigen moeten worden voorgelicht over
de invoering van de maatregel. De incidentele kosten worden door de rijksbelastingdienst geraamd op
ƒ12,5 miljoen. De structurele
kosten worden geraamd op ƒ8 miljoen. Het ligt in het voornemen om de
structurele kosten vanuit de Algemene Kas te vergoeden aan de rijksbelastingdienst.
rblz.|10|
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel I, onderdeel A
In het nieuwe twaalfde
lid van artikel 3 van de Zfw wordt bepaald dat de zelfstandige wiens
inkomen meer bedraagt dan het in het eerste lid van het nieuwe artikel
3d genoemde bedrag en die daardoor niet ziekenfondsverzekerd is, evenmin op een andere
titel ziekenfondsverzekerd is. Dit artikel wordt echter
eerst op de zelfstandige van toepassing met ingang van 1 januari van het
jaar volgende op het jaar waarin hij verzekerd wordt ingevolge WAZ
en
mededeling krijgt dat hij als WAZ-verzekerde vanwege de hoogte van zijn inkomen niet aan de voorwaarden voor ziekenfondsverzekering
voldoet. Gedoeld wordt
hierbij op de situatie van starters die in het jaar dat zij voor
het eerst als WAZ-verzekerde worden aangemerkt reeds als werknemer of
uitkeringsgerechtigde ziekenfondsverzekerd zijn. De ziekenfondsverzekering
vervalt dan niet alsnog met terugwerkende kracht.
Artikel I, onderdeel B
In het nieuwe
artikel 3d van de Zfw
wordt het volgende geregeld.
In het eerste lid wordt
bepaald dat de zelfstandige die verzekerd is tegen arbeidsongeschiktheid
krachtens de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
(WAZ) en
een inkomen heeft dat minder bedraagt dan ƒ41 200,- per jaar
ziekenfondsverzekerd is. De verzekerde periode is in het algemeen het
kalenderjaar. Dit zal niet gaan gelden voor die WAZ-verzekerden voor wie een
tijdsevenredig WAZ-inkomen wordt vastgesteld over een gedeelte van het
jaar. Dit zal nog nader in een ministeriële regeling worden bepaald.
Door de koppeling van de
ziekenfondsverzekering aan de premiesystematiek van de WAZ zal in de
situatie dat in de loop van een kalenderjaar een eigen bedrijf wordt
gestart met terugwerkende kracht tot 1 januari van dat kalenderjaar verzekering
ingevolge de Zfw en daaraan gekoppeld premieplicht Zfw ontstaan.
In het tweede lid wordt
geregeld dat de rijksbelastingdienst aan de zelfstandige een
verklaring verstrekt waaruit blijkt dat hij al dan niet voldoet aan de
voorwaarden voor ziekenfondsverzekering.
Met betrekking tot het
tegen deze verklaring in te stellen bezwaar, beroep of beroep in cassatie kan
de betrokkene dit doen overeenkomstig de regels gesteld in
hoofdstuk V van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen.
In het derde lid wordt
bepaald dat wijzigingen in het inkomen na 1 oktober geen gevolgen meer hebben
voor de vaststelling van het inkomen waarop de verklaring is
gebaseerd.
In het vierde lid wordt
omschreven welk inkomen voor de beoordeling van de
ziekenfondsverzekering in aanmerking wordt genomen. Dit is het belastbaar inkomen in de
zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. In een ministeriële
regeling wordt onder meer bepaald over welk tijdvak dat inkomen in aanmerking
wordt genomen. Voor de beoordeling van de ziekenfondsverzekering
van de zelfstandige wordt het gemiddelde belastbare inkomen over
drie jaren in aanmerking genomen.
In het vijfde lid wordt
bepaald dat het bedrag van de inkomensgrens Zfw voor zelfstandigen wordt
geïndexeerd op dezelfde wijze als waarop het bedrag van de loongrens
Zfw voor werknemers en uitkeringsgerechtigden wordt geïndexeerd.
Artikel I, onderdeel C
Om de procedures te
vervullen die bij verzekering ingevolge de Zfw
te doen gebruikelijk zijn
zoals de afgifte van een verklaring, zal bij algemene rblz.|11|
maatregel van bestuur de
rijksbelastingdienst als werkgever van de ziekenfondsverzekerde
zelfstandige worden aangewezen.
Artikel I,
onderdeel D
en E
In
artikel 15a wordt
bepaald dat de ziekenfondsverzekerde zelfstandige over zijn belastbaar
inkomen procentuele premie verschuldigd is. De hoogte van dit
premiepercentage wordt vastgesteld door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport en de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid.
Naast de premiebetaling
die op grond van artikel 15a, eerste lid, plaatsvindt, dient de
ziekenfondsverzekerde zelfstandige tevens een nominale premie aan het
ziekenfonds te betalen. De wijziging van artikel 17 voorziet hierin.
Artikel II
In het eerste lid wordt
het beginsel neergelegd dat de toename van het aantal
ziekenfondsverzekerden door de instroom van zelfstandigen wordt gecompenseerd door een
even grote uitstroom van werknemers door middel van een tijdelijke
wijziging van de methodiek van de loongrensindexering.
In het tweede lid wordt
bepaald dat de wijziging van de indexeringsmethodiek in eerste instantie
bestaat uit een vervanging van de huidige loonindexering door een
prijsindexering. Deze grove correctie eindigt op 1 januari voorafgaande
aan het kalenderjaar waarin bij voortzetting van de gewijzigde
indexeringsmethodiek de beoogde compensatie zou worden bereikt. Ingevolge het
vierde lid vindt in dat laatste jaar door middel van een bij algemene
maatregel van bestuur vast te stellen bedrag voor de ziekenfondsloongrens een
nauwkeurige eindafstemming plaats van de gehele
compensatieprocedure.
Het vijfde lid dient als
waarborg dat in geen enkel jaar waarin het in dit artikel voorziene compensatiemechanisme van kracht is, als gevolg
daarvan een nominale
verlaging van het bedrag van de ziekenfondsloongrens zal plaatsvinden.
Het achtste lid regelt
dat aanpassing van het bedrag van artikel 9, tweede lid, van de
Coördinatiewet Sociale Verzekering (het maximumpremiedagloon) ook kan plaatsvinden als
de loongrens niet wordt geïndexeerd volgens artikel
3a van de Zfw, maar volgens artikel II van
dit wetsvoorstel. Het kabinet is voornemens
om gedurende de periode dat artikel II wordt
toegepast het
maximumpremiedagloon te blijven indexeren overeenkomstig de methode neergelegd in
artikel 3a van de Zfw.
Artikel III
De onderhavige
wijzigingen van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 hebben tot doel
uitdrukkelijk vast te leggen dat premies ingevolge de Zfw
alsmede de verstrekkingen
en de aanspraken op verstrekkingen ingevolge die wet geen invloed
hebben op het bepalen van de winst uit onderneming voor de zelfstandige.
Onderdeel A regelt dit voor de verstrekkingen en aanspraken op
verstrekkingen op grond van de Zfw. In onderdeel B wordt bepaald
dat de premies bij de bepaling van de winst niet tot aftrek komen.
rblz.|12|
Artikel
IV
De inwerkingtreding van
deze wet vindt plaats op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat
voor de verschillende artikelen verschillend kan worden vastgesteld.
De Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers
|