|
rblz.|1|
Kamerstukken II
1998-1999, 26 498
Wijziging
van de Algemene bijstandswet in verband met
de evaluatie van de bijstandverlening aan zelfstandigen
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
SER-advies |
| 3 |
De voorstellen |
| 3.1 |
Verlenging van de
duur van inkomensondersteuning |
| 3.2 |
De
voorbereidingsperiode |
| 3.3 |
De bijstand in de met
de voorbereiding samenhangende kosten |
| 4 |
De financiële
consequenties van de voorstellen |
|
xArtikelsgewijs |
| xxv |
Artikel
I |
Algemeen
1.
Inleiding
In
de nota "Werk door ondernemen" die in 1995 aan de Tweede Kamer werd
aangeboden (Kamerstukken II 1994-1995, 24 243), werd een evaluatie van het
Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz) aangekondigd. Deze evaluatie heeft in 1997
plaatsgevonden.
In aansluiting op deze
beleidsevaluatie heeft in 1997 een effectiviteitsonderzoek plaatsgevonden. De
resultaten van dit onderzoek zijn gepubliceerd onder de titel "Bijstand
en zelfstandig ondernemerschap". Daarnaast was overleg met
het veld vereist om na te gaan op welke onderdelen er knelpunten
zijn bij deze bijstandverlening, onder meer op het terrein van de
uitstroombevordering. De belangrijkste conclusies uit het
effectiviteitsonderzoek en de evaluatie met het veld zijn dat het Bbz succesvol is in die
gevallen waarin gemeenten hebben besloten zelfstandigen te ondersteunen bij het
starten van een eigen bedrijf dan wel hulp te verlenen indien een
bestaand bedrijf in problemen verkeert. Starters die met behulp van het Bbz
een bedrijf hebben gestart, hebben een grote slaagkans; na 3,5 jaar
bestaat nog 68% van de bedrijven. Ook gevestigde zelfstandigen die
bijstand op grond van het Bbz hebben verkregen, zijn in grote mate in staat
gebleken met deze hulp hun bedrijf in stand te houden.
Het Bbz scoort echter
slecht als het om het bereik gaat. Te weinig mensen weten van het bestaan van
de regeling af, de gemeenten passen haar soms te weinig toe. De
regeling heeft wat betreft haar inhoud en uitstraling te weinig
verbinding met uitstroombevordering.
De wijzigingen die in de
wet zijn opgenomen, moeten in dit licht worden bezien. De wijziging van
het onderdeel van de Abw dat betrekking heeft op de
bijstandverlening
aan zelfstandigen brengt dit onderdeel nog meer in lijn met de algemene
uitgangspunten van de wetswijziging van de Algemene bijstandswet
(Abw) [Algemene Bijstandswet (ABW), red.] die van kracht is geworden per 1 januari 1996. Uitgangspunt van
die wetswijziging was immers dat de uitstroom bevorderd moest worden.
rblz.|2|
De
resultaten van de
beleidsevaluatie, het effectiviteitsonderzoek en de daarop gebaseerde
voorstellen tot aanpassing van de wet- en regelgeving zijn verwerkt in een
hoofdlijnennotitie die op 27 maart 1998 aan de Tweede Kamer is
aangeboden (Kamerstukken II 1997-1998, 25 963, nr. 1). In de hoofdlijnennotitie
wordt onder meer voorgesteld starters in spe een voorbereidingsperiode op
het zelfstandig ondernemerschap te bieden en de duur van de
inkomensondersteuning te verlengen.
Naar aanleiding van het
kabinetsstandpunt heeft de Tweede Kamer nadere vragen gesteld,
welke zijn beantwoord bij brief van 10 november 1998 (Kamerstukken II
1997-1998, 25 963, nr. 2).
2. SER-advies
In de tussentijd had de
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op 10 juli 1998 de Sociaal-Economische Raad (SER) gevraagd te adviseren over de in bovengenoemde
kabinetsnotitie vastgelegde hoofdlijnen voor nieuwe regelgeving inzake
het starten als zelfstandige vanuit een uitkeringssituatie. Op 16 oktober 1998 heeft de SER advies uitgebracht.
De
Raad kan het
uitgangspunt van het kabinet dat ten grondslag ligt aan de
beleidsvoornemens
onderschrijven voor zover hiermee bedoeld wordt dat het perspectief van
zelfstandig ondernemerschap een volwaardig onderdeel moet kunnen
uitmaken van het reïntegratietraject. In de visie van de Raad kan echter
strikt genomen niet gesproken worden over opheffing van het
onderscheid tussen het perspectief van loondienst en van zelfstandig
ondernemerschap. De Raad beschouwt het zelfstandig ondernemerschap als een
regulier uitstroomperspectief, waaraan evenwel strikte voorwaarden
dienen te worden gesteld. De Raad vindt het vooral van belang om de snelheid
waarmee een arbeidsmarkttraject, een traject gericht op arbeid in
loondienst, kan leiden tot duurzame uitstroom uit de uitkeringssituatie als
uitgangspunt te nemen voor de afweging. De Raad wil in het algemeen
waarschuwen tegen een te soepele toepassing van faciliteiten en specifieke steunmaatregelen voor startende uitkeringsgerechtigden,
in het belang van de
zuiverheid van concurrentieverhoudingen en de bevordering van
kwalitatief goed ondernemerschap.
Het kabinet wil de
werkgelegenheid stimuleren en voor uitkeringsgerechtigden de mogelijkheden en
kansen vergroten om weer in hun eigen bestaan te
voorzien. Dit uitgangspunt biedt ruimte voor een beleid dat zich richt op het
verbeteren van de mogelijkheden voor uitkeringsgerechtigden om een eigen bedrijf te
starten. Voor uitkeringsgerechtigden die reeds langdurig een
uitkering in verband met werkloosheid ontvangen en voor wie activering
richting arbeidsmarkt vanwege in de persoon gelegen omstandigheden,
bijvoorbeeld het zich niet kunnen handhaven in een loondienstverhouding,
onvoldoende perspectief biedt, kan het starten van een eigen bedrijf een
interessante optie vormen.
Bij de beoordeling van de
keuze van toeleidingstrajecten dient wel steeds zorgvuldig te worden
nagegaan welk traject het snelst en meest blijvend tot uitstroom kan leiden:
zelfstandig ondernemerschap of loondienst. Bij beantwoording van de
vraag of iemand de kans moet krijgen om te starten als zelfstandig
ondernemer of zich dient te richten op arbeid in loondienst speelt ook een
rol welke financiële inspanningen met welk traject zijn gemoeid in
verhouding tot het resultaat. Ten slotte kan de kans op duurzaam succes, dat
wil zeggen definitieve uitstroom uit de uitkering, een rol spelen bij deze
afweging.
Hoewel het kabinet in het
algemeen geen onderscheid wil maken tussen diegenen die door middel
van loondienst een einde willen maken aan hun uitkeringssituatie en
degenen die dit willen doen door het starten van een eigen bedrijf, acht het
kabinet het noodzakelijk dat in de uitvoeringspraktijk rblz.|3|
rekening wordt gehouden met vorenstaande
afwegingen.
Daarmee wordt het
standpunt van de SER benaderd die het wenselijk acht dat de oriëntatie in de
gevalsbehandeling primair gericht blijft op werken in loondienst. Niettemin
ligt aan de wetswijziging het principe ten grondslag dat het kabinet
de mogelijkheden voor uitkeringsgerechtigden die een bedrijf willen starten, wil vergroten.
Per onderdeel wordt
hierna nader ingegaan op de specifieke SER-aanbevelingen.
3. De voorstellen
3.1. Verlenging van de
duur van inkomensondersteuning
Gebleken is dat de duur
van inkomensondersteuning van de startende ondernemer, thans
maximaal achttien maanden, in een deel van de gevallen te kort is. Dit leidt zowel
tot problemen na de start als tot het afwijzen van het verzoek om krediet
als blijkt dat inkomensondersteuning langer nodig is dan achttien maanden. In
verband daarmee wordt deze periode verlengd tot maximaal 36 maanden.
Indien sprake is van redenen van medische of sociale aard waardoor een
cliënt niet volledig beschikbaar is voor de uitoefening van het
bedrijf of zelfstandig beroep, kan de termijn van 36 maanden door burgemeester
en wethouders nog verder worden verlengd zolang deze situatie
bestaat.
In verband met het advies
van de SER dat naarmate de periode van bijstandverlening langer
is, daaraan striktere voorwaarden dienen te worden gesteld, kan erop
worden gewezen dat de inkomensondersteuning alleen verleend en
voortgezet wordt als vaststaat dat het te starten bedrijf levensvatbaar is.
Overigens zal slechts bij
een beperkt deel van de starters een verlenging van de periode van inkomensondersteuning nodig zijn. Met name zal het
gaan om situaties waarin
de ontwikkeling van een nieuw product veel tijd vergt of wanneer veel
tijd moet worden geïnvesteerd in marktbewerking. In het Bbz
worden nadere
regels gesteld voor een regelmatige herbeoordeling van de situatie. Indien
niet langer sprake is van een levensvatbaar bedrijf, wordt de
inkomensondersteuning beëindigd. Daar de beoordeling van de levensvatbaarheid
van een bedrijf voldoende waarborgen biedt, bestaat er vooralsnog
geen aanleiding verdergaande voorwaarden te stellen.
Uit het
effectiviteitsonderzoek, dat in 1997 is uitgevoerd, blijkt dat starters op grond van het
Bbz het
net zo goed doen als starters in het algemeen in Nederland. Op grond van
de wet wordt startende ondernemers, indien zij een voorbereidingstraject
volgen, thans verplicht zich te onderwerpen aan begeleiding door een door
burgemeester en wethouders aangewezen derde. De vrees van de SER
dat door verruiming van de startersmogelijkheden minder geschikte starters
de markt op worden geholpen ten nadele van reeds gevestigde ondernemers lijkt daarmee te kunnen
worden weggenomen.
3.2. De
voorbereidingsperiode
De wetswijziging maakt
het voor mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt mogelijk
zich gedurende maximaal twaalf maanden, onder ontheffing van de
sollicitatieplicht, voor te bereiden op het zelfstandig ondernemerschap.
Begeleiding gedurende de voorbereidingsperiode is noodzakelijk. Teneinde
deze begeleiding te faciliteren, is in het wetsvoorstel een bepaling
opgenomen die rijksvergoeding in de kosten van door burgemeester en
wethouders aan derden opgedragen begeleiding mogelijk maakt.
rblz.|4|
De belanghebbende is
verplicht aan de hiervoor bedoelde begeleiding mee te werken.
Indien een cliënt in
deze voorbereidingsperiode gedwongen zou worden zich te blijven
oriënteren op een functie in loondienst, zoals in het advies van de SER
wordt
aangegeven, zou dit ten koste kunnen gaan van de inzet om zelfstandig ondernemer
te worden. Reeds gedane investeringen in het zelfstandig ondernemerschap gaan dan weer verloren. Voorts dient door
de uitkeringsinstantie,
in samenspraak met een deskundige, vastgesteld te worden dat verwacht mag
worden dat de betreffende cliënt die wenst uit te stromen naar
zelfstandig ondernemerschap een voorbereidingsfase gericht op het
zelfstandig ondernemerschap met succes zal doorlopen. In deze periode kan
betrokkene cursussen volgen, zo nodig marktonderzoek verrichten en eventueel
kleine investeringen doen. Begeleiding en selectie vooraf waarborgen dat
alleen kansrijke kandidaten voor een voorbereidingsperiode in aanmerking komen.
3.3. De bijstand in de met
de voorbereiding samenhangende kosten
In de
voorbereidingsperiode, direct voorafgaand aan het daadwerkelijk starten als zelfstandig
ondernemer, kan bijstand in de vorm van een geldlening worden
verstrekt bijvoorbeeld ten behoeve van het verrichten van een marktonderzoek,
c.q. het opstellen van een bedrijfsplan dan wel hiermee verband houdende
cursussen, of om kleine investeringen te doen. Hiermee wordt
aangesloten op hetgeen reeds in de Abw is geregeld ten aanzien van het
starterskrediet. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur zal een
maximum aan deze vorm van bijstand worden verbonden. Dergelijke
kleine kredieten worden alleen verstrekt indien ze noodzakelijk zijn en dit
door een deskundige begeleider wordt onderschreven. Naast de selectie om tot
de voorbereidingsperiode te worden toegelaten, wordt op deze
manier de kredietverlening in de voorbereidingsfase met waarborgen omgeven.
In verband daarmee wordt geen reden aanwezig geacht om, zoals
de SER voorstelt, de kredietverlening tijdens de voorbereidingsperiode
aan nog scherpere voorwaarden te onderwerpen.
Ten behoeve van
uitkeringsgerechtigden die nog niet toe lijken te zijn aan het starten als
zelfstandig ondernemer biedt de Wet inschakeling werkzoekenden
(Wiw)
mogelijkheden om in het kader van het scholings- en activeringsbudget
subsidies te verstrekken dan wel dienstverlening in te kopen om op termijn de
kans van slagen als zelfstandige, bijvoorbeeld door het volgen van een
cursus, te vergroten.
4. De financiële
consequenties van de voorstellen
Verondersteld wordt dat
in drie jaar tijd het aantal starters verdubbelt tot 3200. Dit leidt tot extra
uitgaven in de beginperiode. Daarna vindt een omslag plaats die
resulteert in besparingen. Deze omslag wordt veroorzaakt doordat in 2002 het
aantal starters stabiliseert, terwijl er een stijgende trend zit in de
ontvangsten op de openstaande kredieten. Enerzijds nemen de kosten
derhalve toe vanwege een toename van het aantal Bbz-kredieten door
een grotere uitstroom naar het Bbz, anderzijds treedt een besparing op
doordat men gemiddeld minder lang een Bbz-uitkering ontvangt
dan een Abw-uitkering.
Artikelsgewijs
Artikel I, onderdeel
A
In het huidige
artikel 8, tweede lid, van de Abw
is geregeld dat aan de
persoon of echtgenoot van de persoon die uit hoofde van werkloosheid een
uitkering ontvangt gedurende achttien maanden algemene bijstand wordt
verleend indien deze een bedrijf of zelfstandig rblz.|5|
beroep begint dat
levensvatbaar is. Uit effectiviteitsonderzoek en de evaluatie van het Bbz
is
gebleken dat een periode van achttien maanden waarin algemene bijstand wordt
verleend in veel gevallen te kort is. Daarom wordt voorgesteld om de
periode te verlengen tot 36 maanden. Hiermee wordt tevens aangesloten
op de maximale periode dat algemene bijstand kan worden verstrekt aan
een zelfstandige die reeds gedurende een redelijke termijn als
zodanig werkzaam is.
Tevens wordt het
wenselijk geacht dat deze periode van 36 maanden door burgemeester en
wethouders kan worden verlengd voor personen die slechts beperkt
beschikbaar zijn om redenen van medische of sociale aard. Deze personen
kunnen onder de bestaande regeling niet starten met behulp van het Bbz, omdat
zij - doordat zij zich niet fulltime kunnen inzetten - niet kunnen
voldoen aan de eis dat zo snel mogelijk moet kunnen worden voorzien in
een toereikend inkomen. Om ook deze personen een kans te
geven een bedrijf of zelfstandig beroep te starten, wordt voorgesteld om de
hiervoor beschreven mogelijkheid voor burgemeester en
wethouders aan het tweede lid toe te voegen. Overigens blijft voorop staan dat
het bedrijf of beroep levensvatbaar dient te zijn. Dit houdt in dat als de
starter volledig beschikbaar zou zijn, verwacht mag worden dat een toereikend
inkomen wordt behaald.
Gebleken is dat veel
uitkeringsgerechtigden die met behulp van het Bbz
willen starten, vastlopen
op de eis dat zij bij de aanvraag de levensvatbaarheid van het bedrijf in een
ondernemingsplan moeten aantonen. Daartoe zijn zij veelal
niet in staat. Indien zij echter de tijd krijgen zich voor te bereiden door
bijvoorbeeld marktonderzoek te doen of nog een scholing te volgen,
blijkt de kans op een succesvolle aanvraag veel groter te zijn. In het nieuwe
zesde lid van artikel 8 van de Abw
wordt gelet hierop voor de bijstandsgerechtigde die voornemens is een bedrijf of zelfstandig
beroep te beginnen de
mogelijkheid gecreëerd om zich gedurende maximaal twaalf maanden voor
te bereiden met behoud van algemene bijstand. Alvorens de
belanghebbende tot deze voorbereidingsfase wordt toegelaten, dient de gemeente
zich ervan te vergewissen dat aannemelijk is dat na deze
voorbereiding een succesvolle vervolgaanvraag op grond van het Bbz kan worden
ingediend. Daarbij ligt het voor de hand dat deze kans op succes wordt
afgewogen in overleg met de organisatie die in de voorbereidingsperiode
voor de begeleiding zal worden ingeschakeld.
Gedurende deze periode
hoeft de bijstandsgerechtigde niet te voldoen aan de verplichtingen
gericht op de inschakeling in arbeid in dienstbetrekking, opgesomd in artikel
113,
eerste lid, van de Abw, met uitzondering van het onder e vermelde.
In onderdeel e wordt de verplichting geregeld om mee te werken
aan een onderzoek naar de geschiktheid voor scholing of opleiding en
aan een scholing of opleiding die noodzakelijk wordt geacht. In
aanvulling hierop is in het voorgestelde artikel 8, zesde lid, onderdeel
b, van de Abw
vastgelegd dat de belanghebbende verplicht is zich te onderwerpen
aan begeleiding door een door burgemeester en wethouders aangewezen
derde.
Om zich optimaal te
kunnen voorbereiden, kan het nodig zijn dat aan de persoon die zich in de
voorbereidingsfase bevindt bijstand in de met de voorbereiding
samenhangende kosten wordt verleend. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om kosten in
verband met het doen van marktonderzoek of kleine investeringen. Het
voorgestelde artikel 8, zesde lid, onderdeel c, van de
Abw
maakt het mogelijk
over de hoogte van deze bijstand bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur nadere regels te stellen.
Op grond van het huidige
artikel 8, zesde lid, van de Abw
kunnen nadere regels worden gesteld ten
aanzien van de verlening van algemene bijstand en bijstand ter
voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal aan zelfstandigen. Als
gevolg van de invoeging van een nieuw zesde lid rblz.|6|
wordt dit lid vernummerd
tot zevende lid. Verder wordt de delegatie van regelgevende
bevoegdheid uitgebreid. Hiermee wordt bereikt dat ook ten aanzien van de
bijstandverlening aan personen die zich bevinden in de voorbereidingsfase,
bedoeld in het nieuwe zesde lid van artikel 8 van de
Abw, bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur nadere regels kunnen worden gesteld.
Artikel I, onderdeel
B
Ingevolge
artikel 14 van de Abw
kan, indien de belanghebbende blijk
heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor
de voorziening in het bestaan, dan wel in de periode voorafgaand aan
de bijstandsaanvraag of nadien onvoldoende heeft meegewerkt aan het
verkrijgen of behouden van arbeid in dienstbetrekking, de verplichting, bedoeld
in artikel 65, eerste lid, niet binnen de door burgemeester en
wethouders daarvoor vastgestelde termijn is nagekomen, dan wel een
verplichting als bedoeld in artikel 65, derde of vierde lid,
artikel 70,
vierde lid, of een op grond van hoofdstuk VIII aan de bijstand verbonden
verplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, de bijstand tijdelijk geheel
of gedeeltelijk worden geweigerd. De voorgestelde wijziging van artikel 14
Abw
maakt het mogelijk dat deze maatregel eveneens kan worden
opgelegd in het geval dat belanghebbende de verplichting om zich
tijdens voorbereidingsperiode aan begeleiding door een door burgemeester en
wethouders aangewezen derde te onderwerpen niet of onvoldoende
nakomt.
Artikel I, onderdeel
C
Hoofdstuk III van de
Abw
bevat bepalingen met betrekking tot de vorm
waarin bijstand kan worden verleend. Hoofdregel is dat de bijstand wordt
verleend om niet. Bij de bijstand in de met de voorbereiding op het
eigen bedrijf of zelfstandig beroep samenhangende kosten wordt
bijstandverlening om niet evenwel niet wenselijk geacht. In het voorgestelde
artikel
23a van de Abw
is daarom bepaald dat deze bijstand de vorm heeft
van een geldlening. Deze geldlening is voorlopig renteloos. Indien de belanghebbende na de afloop van de voorbereidingsperiode
geen bedrijf of beroep
als zelfstandige begint, dan wordt de geldlening omgezet in een
bedrag om niet. Start de belanghebbende aansluitend aan de afloop
van de voorbereidingsperiode wel met een eigen bedrijf of
zelfstandig beroep, dan wordt de geldlening omgezet in een rentedragende
geldlening. Het bepaalde bij en krachtens artikel 22 is op deze rentedragende
geldlening van overeenkomstige toepassing. Hiermee wordt bereikt
dat de rente- en aflossingsverplichtingen ter zake bijstand in de met de
voorbereiding samenhangende kosten kunnen meelopen met de verplichtingen die uit de bijstandverlening in het bedrijfskapitaal
voortvloeien.
Artikel I, onderdeel
D
Deze bepaling strekt
ertoe om de kosten van bijstand in de met de
voorbereiding op het zelfstandig ondernemerschap samenhangende kosten voor
90% voor rijksvergoeding in aanmerking te laten komen.
Artikel I, onderdeel
E
Uit de evaluatie van het
Bbz is gebleken dat personen die zich
voorbereiden op het zelfstandig ondernemerschap en starters die zich in het
eerste jaar na de start bevinden behoefte hebben aan begeleiding door
deskundigen. Om aan deze behoefte tegemoet te komen, wordt aan artikel
137, eerste lid, van de Abw
een onderdeel c toegevoegd, dat voorziet
in rijksvergoeding in de kosten van door het gemeentebestuur aan
derden opgedragen begeleiding van belanghebbenden aan wie algemene bijstand
als bedoeld in artikel 8, tweede of zesde lid, wordt
verleend.
Zoals in het
kabinetsstandpunt inzake het starten vanuit een uitkeringssituatie is aangekondigd, zal in de
begeleidingskosten tijdens de rblz.|7|
voorbereidingsperiode in
beginsel een rijksvergoeding van 90% van die kosten
plaatsvinden.
De rijksvergoeding in de
begeleidingskosten tijdens de voorbereidingsperiode zal, ingevolge artikel
137,
tweede lid, van de Abw, bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur nader worden geregeld.
Artikel I, onderdeel
F
De wijziging van
artikel 144, eerste lid, van de Abw
is het gevolg van de
vernummering van artikel 8, zesde lid, van de Abw
tot zevende lid.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
K.G. de Vries
|