|
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 1999-2000, 26 866.
Handelingen II 1999-2000, blz. 1995.
Kamerstukken I 1999-2000, 26 866 (94).
Handelingen I 1999-2000, zie vergadering d.d. 7 december 1999.
MEMORIE
VAN TOELICHTING
WET van 9 december 1999, Stb.
1999, 543, houdende wijziging van de Algemene
nabestaandenwet ter ontkoppeling van de vrijwillige verzekering
Algemene nabestaandenwet van de vrijwillige verzekering Algemene
Ouderdomswet voor gewezen verzekerden ouder dan 65 jaar.Ή
Inwerkingtreding: 1 januari 2000.
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is, vooruitlopend op een structurele herziening van de
vrijwillige verzekering voor de Algemene
Ouderdomswet en de Algemene nabestaandenwet,
personen ouder dan 65 jaar Ή die wonen buiten Nederland en na 1 januari
2000 niet langer verplicht verzekerd zijn voor de Algemene
nabestaandenwet, de mogelijkheid te bieden zich uitsluitend voor de
Algemene nabestaandenwet vrijwillig te verzekeren;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
1. Volgens de redactie
dient "ouder dan 65 jaar" te worden vervangen door: 65 jaar of
ouder.
Art.
I. Wijziging van de Algemene nabestaandenwet [MvT]
Na artikel 63 van de Algemene
nabestaandenwet wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Art. 63a.
-1. In afwijking van artikel 63 kan de op 1
januari 2000 gewezen verzekerde zich onder bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 63,
eerste lid, te bepalen voorwaarden vrijwillig verzekeren indien hij op
31 december 1999 verplicht verzekerd was op grond van de algemene
maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 13,
derde lid, aangezien hij op die datum:
a. buiten Nederland woont en recht heeft op een uitkering op
grond van de Algemene Ouderdomswet die ten
minste gelijk is aan 35% van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel a,
van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag; en
b. niet buiten Nederland arbeid verricht of een uitkering
ontvangt krachtens een buitenlandse wettelijke regeling.
-2. Ten aanzien van de gewezen verzekerde, bedoeld in het eerste lid,
zijn de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 63, eerste lid, te bepalen voorwaarden
niet van toepassing, voor zover deze voorwaarden betrekking hebben op het
tegelijkertijd gebruik maken van de bevoegdheid zich vrijwillig te
verzekeren voor de Algemene Ouderdomswet.
-3. De gewezen verzekerde, bedoeld in het eerste lid, geeft vσσr 1
januari 2001 schriftelijk aan de Bank te kennen de verzekering
vrijwillig te willen voortzetten.
-4. De bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, blijft bestaan indien de
belanghebbende wederom verzekerd wordt op grond van deze wet.
-5. Dit artikel vervalt met ingang van 1 januari 2001.
Art.
II. Inwerkingtreding [MvT]
Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2000. Indien het
Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 1 januari
2000, treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en werkt zij
terug tot en met 1 januari 2000.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst
en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te s-Gravenhage,
9 december 1999
BEATRIX
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst
Uitgegeven de eenentwintigste
december 1999
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|
|