|
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 1998-1999, 26 411.
Handelingen II 1998-1999, blz. 5977-5979; 1999-2000, blz. 171.
Kamerstukken I 1999-2000, 26 411 (61, 61a, 61b).
Handelingen I 1999-2000, zie vergadering d.d. 7 december 1999.
MEMORIE
VAN TOELICHTING
WET van 9 december 1999, Stb.
1999, 550, tot wijziging van de Coördinatiewet Sociale
Verzekering in verband met de aanpassing van het
stelsel van bestuurlijke boeten. Inwerkingtreding: 1 januari 2001 (Stb.
2000, 248).
WIJ
BEATRIX, bij de gratie
Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz.
enz.
Allen, die deze zullen zien
of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging
genomen hebben, dat het wenselijk is de in de Coördinatiewet Sociale
Verzekering voorkomende regeling inzake bestuurlijke boeten te
wijzigen;
Zo is het, dat Wij, de Raad
van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij
deze:
Art. I.
[MvT]
De Coördinatiewet Sociale Verzekering wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 12, tweede tot en
met zesde lid, wordt vervangen door de volgende vijf leden:
-2. Indien de werkgever niet,
niet juist of niet volledig voldoet aan een op grond van artikel
10,
tweede lid, geldende verplichting, legt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen hem een boete op van ten hoogste 10% van het
verschuldigde of het alsnog verschuldigde bedrag aan premie of
voorschotpremie.
-3. Indien het aan opzet of
grove schuld van de werkgever is te wijten dat niet, niet juist of niet
volledig is voldaan aan een op grond van artikel
10, tweede lid, geldende
verplichting, legt het Landelijk instituut sociale verzekeringen hem een boete
op van ten hoogste 100% van het verschuldigde of het alsnog verschuldigde
bedrag aan premie of voorschotpremie.
-4. De hoogte van de boete
wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de
werkgever de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden
waarin de werkgever verkeert. Indien daarvoor dringende redenen
aanwezig zijn, kan het Landelijk instituut sociale verzekeringen
besluiten van het opleggen van een boete af te zien. Van het opleggen van een
boete wordt in elk geval afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid
ontbreekt. De boete, bedoeld in het derde lid, wordt niet opgelegd indien
de werkgever alsnog juist en volledig voldoet aan de op grond van artikel
10, tweede lid, voor hem geldende verplichting voordat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat het
Landelijk instituut sociale
verzekeringen met de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal
worden.
-5. Voor de toepassing van
deze wet wordt een krachtens het tweede of derde lid opgelegde boete
als premie beschouwd, tenzij in deze wet anders is bepaald. De
toerekening van de krachtens het tweede en derde lid opgelegde boeten
geschiedt naar evenredigheid van de ingevolge de verschillende socialeverzekeringswetten vastgestelde premiebedragen.
-6. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met
betrekking tot het tweede, derde en vierde lid.
B.
[MvT]
Na artikel 12 worden vijf
artikelen ingevoegd luidende:
Art. 12a. [MvT]
-1. Indien het Landelijk instituut sociale
verzekeringen jegens de werkgever een handeling
verricht waaraan deze in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden
dat aan hem wegens een bepaalde gedraging een boete als
bedoeld in artikel 12, tweede of derde lid, zal
worden opgelegd, is de
werkgever niet langer verplicht ter zake van die gedraging enige verklaring
af te leggen, voor zover het betreft de boeteoplegging. De werkgever
wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie
wordt gevraagd.
-2. Indien het Landelijk
instituut sociale verzekeringen voornemens is om aan de werkgever een
boete ingevolge artikel 12, derde lid, op te
leggen, wordt hiervan kennisgegeven aan de werkgever onder vermelding van de gronden
waarop het voornemen berust. De kennisgeving is een handeling als bedoeld
in het eerste lid.
-3. Indien de werkgever de
kennisgeving wegens zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse taal
onvoldoende begrijpt, draagt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen er op verzoek van de werkgever zorg voor dat de in de kennisgeving
vermelde gronden worden medegedeeld in een voor deze begrijpelijke
taal.
-4. In afwijking van afdeling
4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht
stelt het Landelijk
instituut sociale verzekeringen de werkgever in de gelegenheid om naar keuze
schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren te brengen voordat
ingevolge artikel 12, derde lid, een boete wordt
opgelegd.
-5. Indien de werkgever zijn
zienswijze mondeling naar voren brengt en hij de Nederlandse taal
onvoldoende beheerst, draagt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen er op verzoek van de werkgever zorg voor dat een tolk wordt benoemd
die de werkgever kan bijstaan, tenzij redelijkerwijs mag worden
aangenomen dat hieraan geen behoefte bestaat.
Art. 12b. [MvT]
-1. De beschikking waarbij de
boete wordt opgelegd, vermeldt de termijn of de termijnen
waarbinnen deze moet worden betaald.
-2. Indien een boete
gelijktijdig wordt opgelegd met de vaststelling van de premie, wordt het bedrag
van de boete afzonderlijk in de beschikking vermeld.
-3. Indien de werkgever de
beschikking wegens zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse taal
onvoldoende begrijpt, draagt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen er op verzoek van de werkgever zorg voor dat de in de beschikking
vermelde informatie wordt medegedeeld in een voor de werkgever
begrijpelijke taal.
Art. 12c. [MvT]
-1. Een boete wordt niet
opgelegd zolang de gedraging wordt onderzocht door het openbaar ministerie.
-2. De oplegging van een
boete blijft definitief achterwege indien ter zake van de gedraging tegen de
werkgever een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter
terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot strafvordering is
vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek
van Strafrecht.
-3. Het openbaar ministerie
doet van een omstandigheid als bedoeld in het eerste en het tweede lid
mededeling aan het Landelijk instituut sociale
verzekeringen.
Art. 12d. [MvT]
-1. Een boete ingevolge
artikel 12, derde lid, wordt opgelegd binnen één jaar nadat het Landelijk instituut sociale
verzekeringen de werkgever overeenkomstig artikel
12a,
vierde lid, in de gelegenheid heeft gesteld zijn zienswijze naar voren te
brengen. Indien ter zake aangifte is gedaan of proces-verbaal is opgemaakt
en ingezonden, vangt de termijn van één jaar aan op de dag na die waarop
het openbaar ministerie aan het Landelijk instituut sociale
verzekeringen heeft medegedeeld dat geen strafvervolging wordt ingesteld.
-2. Een boete wordt niet meer opgelegd indien meer dan vijf jaren zijn verstreken sedert het einde
van het kalenderjaar waarin de desbetreffende gedraging heeft
plaatsgevonden.
Art. 12e. [MvT]
Voor zover een boete nog
niet is geïnd, vervalt zij door het overlijden van degene aan wie zij is
opgelegd.
C.
[MvT]
In artikel 16a, derde lid,
wordt de zinsnede "de verhoging, bedoeld in artikel
12, tweede lid"
vervangen door: de boete, bedoeld in artikel 12,
tweede of derde lid.
D.
[MvT]
Artikel 16b, derde lid, onderdeel d, wordt vervangen door:
d. een boete, opgelegd
krachtens artikel 12, tweede of derde lid, niet als
premie beschouwd.
E.
[MvT
+
bis]
Aan artikel 18 wordt een
vierde lid toegevoegd, luidende:
-4. Het recht tot
strafvordering vervalt indien het Landelijk instituut sociale
verzekeringen aan de
werkgever ter zake van hetzelfde feit reeds een boete heeft opgelegd.
Art. II.
[MvT]
Deze wet treedt in werking
op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.¹
1. Bij Besluit
van 29 mei 2000, Stb. 2000, 248, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 januari 2001, red.
Lasten en bevelen dat deze
in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige
uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
9 december 1999
BEATRIX
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
K.G. de Vries
Uitgegeven de drieëntwintigste
december 1999
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|
|