|
rblz.|1|
Kamerstukken II
1998-1999, 26 411
Wijziging
van de Coördinatiewet Sociale
Verzekering in verband met de
aanpassing van het stelsel van bestuurlijke boeten
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Administratieve
verplichtingen |
| 3 |
Het EVRM en de
Coördinatiewet Sociale Verzekering |
|
xArtikelsgewijs |
| xx |
Artikelen
I en II |
Algemeen deel
1.
Inleiding
Het
voorliggende voorstel van wet heeft betrekking op de aanpassing van het
stelsel van bestuurlijke boeten samenhangend met de administratieve
verplichtingen van werkgevers ten behoeve van de heffing en inning van premies voor de
werknemersverzekeringen. Deze administratieve verplichtingen voor
werkgevers zijn vastgelegd in de Coördinatiewet Sociale Verzekering
(CSV)
en de daarop gebaseerde besluiten. Het niet, niet tijdig of niet
volledig voldoen aan deze administratieve verplichtingen kan door het Landelijk
instituut sociale verzekeringen (Lisv) met een verhoging van de premie
worden beboet.
In verband met zich
ontwikkelende (internationale) jurisprudentie over de afbakening tussen het
strafrecht en het stelsel van bestuurlijke boeten moet het boetestelsel met
betrekking tot de premieheffing aangepast worden aan de
rechtswaarborgen die in internationale mensenrechtenverdragen worden voorgeschreven.
Het opleggen van een
verhoging of boete door een bestuursorgaan wordt op grond van deze
verdragen beschouwd als een strafvervolging (criminal charge) en dient om deze
reden omgeven te zijn met een aantal rechtswaarborgen zoals een eerlijke en
openbare behandeling van de zaak door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie. Daarnaast zijn
van belang de
onschuldpresumptie, het zwijgrecht en de daarmee samenhangende cautie en
de rechten van verdediging, waaronder het recht op bijstand van een raadsman en een tolk, het recht op een
kennisgeving en het recht
om gehoord te worden.
Het kabinet is van mening
dat het voor de hand ligt om met deze aanpassing van het
stelsel van bestuurlijke boeten aan de collecterende zijde in de sociale
verzekeringen aansluiting te zoeken bij het boetestelsel aan de distribuerende
zijde zoals dit is geregeld in de Wet boeten, maatregelen en terug- en
invordering sociale zekerheid (hierna te noemen Wet boeten, maatregelen).¹ Het zou immers niet redelijk zijn om bij de boeteoplegging aan
werkgevers, een ander regime te hanteren, dan bij de rblz.|2|
boeteoplegging aan
uitkeringsgerechtigden het geval is. Ook voor de uitvoering zal een
afwijkend regime tot complicaties kunnen leiden.
1. Staatsblad 1996, 248.
Alhoewel er formele en
praktische verschillen tussen de belasting- en de premieheffing bestaan,
kan, gezien de aard van de materie, met de aanpassing van het CSV-boetestelsel eveneens aansluiting gezocht worden bij de
ontwikkeling van het fiscale boetestelsel. De voorstellen op het fiscale terrein zijn
vastgelegd in de wet tot wijziging van de Algemene wet tot wijziging van de
Algemene
wet inzake rijksbelastingen en van de Invorderingswet
1990 in
verband met de herziening van het stelsel van bestuurlijke boeten en
van het fiscale strafrecht.¹
1. Staatsblad 1998, 737 en
738.
In dit kader is ook van
belang het rapport "Handhaving door bestuurlijke boeten" van de Commissie
voor toetsing van wetgevingsprojecten (de Toetsingscommissie) en
het kabinetsstandpunt hierop, dat medio 1994 aan de Tweede Kamer werd
aangeboden.¹ Voorts is van belang hetgeen in de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) is geregeld met betrekking tot het procesrecht bij de
vaststelling van financiële verplichtingen, waartoe ook premiebeslissingen
gerekend worden. In de vierde tranche van de Awb zullen ook bepalingen met
betrekking tot de bestuurlijke boeten worden opgenomen.
1. Kamerstukken II 1993-1994, 23 400 VI, nr. 48 en het bijbehorende advies
van de Commissie voor de toetsing van wetgevingsprojecten aan de Minister van
Justitie, Handhaving door bestuurlijke boeten,
januari 1994, CTW 94/1.
In het eerste gedeelte
van deze toelichting zullen de administratieve verplichtingen van
werkgevers ten behoeve van de premieheffing en het daarmee samenhangende
vigerende stelsel van bestuurlijke en strafrechtelijke sanctiemogelijkheden
worden beschreven.
Vervolgens zullen in
paragraaf 3 de rechtswaarborgen die voortvloeien uit de internationale
verdragen toegelicht worden. Aan de orde komen daarbij de
onschuldpresumptie, het zwijgrecht, de cautie, de kennisgeving en de hoorplicht, een
inkeerregeling en enkele overige rechten van de verdediging. Ook zal het
una-viabeginsel, dat betrekking heeft op de samenhang tussen het
administratief recht en het strafrecht, aan de orde komen.
Tot slot zullen de
financiële gevolgen van de voorstellen in beeld gebracht worden.
2. Administratieve
verplichtingen
De administratieve
verplichtingen van werkgevers ten behoeve van de heffing en inning van de
premies werknemersverzekeringen zijn vastgelegd in artikel 10
van de CSV en het daarop gebaseerde Loonadministratiebesluit.¹
In dit besluit wordt omschreven op welke wijze de werkgever de loonadministratie dient in te richten en wanneer en
op welke wijze moet
worden voldaan aan de verplichting tot het doen van de jaaropgave. Aan de
hand van de jaaropgave wordt het definitieve premieloon en de verschuldigde premie vastgesteld.
Indien een
uitvoeringsinstelling de premieheffing via een systematiek van een voorschotpremie
oplegt, is de werkgever, op grond van dit besluit, verplicht op verzoek van
de uitvoeringsinstelling opgaaf te doen van de loonsom van de bij hem in
dienst zijnde werknemers. Op basis hiervan kan de voorschotpremie
worden vastgesteld. Ter voorkoming van te hoog oplopende verschillen
tussen voorschotpremie en de werkelijk verschuldigde premie is de werkgever
verplicht de uitvoeringsinstelling uit eigen beweging mededeling te doen van elke mutatie in de loonsom die ertoe
leidt dat in het
desbetreffende kalenderjaar het door de werkgever feitelijk verloonde bedrag meer dan
5% hoger uitvalt dan het loonbedrag waarop het voorschot is gebaseerd; hiervoor geldt een minimum van
ƒ5000,-.
Aan de hand van de door
de werkgever verstrekte jaaropgave wordt definitief de
verschuldigde premie vastgesteld. Te veel betaalde premie rblz.|3|
wordt teruggegeven of
verrekend, te weinig betaalde premie moet alsnog worden betaald.
Wanneer een
uitvoeringsinstelling een systeem van premieafdracht op aangifte achteraf
hanteert, speelt de 5%-regeling geen rol. Wijzigingen in de loonsom komen dan
immers in de periodieke aangiften tot uitdrukking.
1. Loonadministratiebesluit
van 28 december 1987,
Stcrt. 1987, 252.
Indien een werkgever
niet, niet tijdig of niet volledig voldoet aan de verplichting tot het doen
van loonopgave zoals is vastgelegd in artikel 10
CSV en het daarop
gebaseerde Loonadministratiebesluit, wordt de premie op grond van de
vigerende bepalingen verhoogd met 100%. De verhoging bedraagt 10% voor
zover het niet voldoen aan de hiervoor
beschreven verplichtingen
niet aan opzet of grove schuld van de werkgever is te wijten.
Deze verhoging kan geheel
of gedeeltelijk worden kwijtgescholden. Bij de mate waarin
kwijtschelding van deze verhoging kan worden verleend, spelen mee de ernst en
de omvang van de fraude, eventuele aanwezigheid van opzet of grove
schuld, recidivisme en bijzondere omstandigheden.
Deze criteria zijn
vastgelegd in het Besluit administratieve boeten Coördinatiewet (ABC-besluit).¹
Naar aanleiding van de
ontwikkelingen in de jurisprudentie heeft het Lisv beleidsregels opgesteld
voor de toepassing van het ABC-besluit [zie ook Besluit
toepassing bestuurlijke boeten Coördinatiewet Sociale Verzekering 2002,
red.].² De uitvoeringspraktijk van
de boeteoplegging is daarmee in belangrijke mate in overeenstemming
gebracht met de verdragseisen.
1. Besluit administratieve
boeten Coördinatiewet van 28 december 1987,
Stcrt. 1987, 252.
Redactie: gelet op artikel 8 van
het Boetebesluit werkgevers Coördinatiewet
Sociale Verzekering luidt de citeertitel van het ABC-besluit: Regeling
administratieve boeten Coördinatiewet.
2. Besluit toepassing administratieve boeten Coördinatiewet Sociale
Verzekering (24 juni 1998, Staatscourant 3
juli 1998 [Stcrt. 1998, 123, red.]).
De afstemming van het
bestuursrechtelijke en strafrechtelijke traject is geregeld in de door het
openbaar ministerie opgestelde Richtlijn premiefraude werkgevers,
die op 1 januari 1995 in werking is getreden.¹
1. Staatscourant
1994, 217.
Bij het opstellen van de
richtlijn is uitgegaan van de wenselijkheid om de afdoening van fiscale
fraude en fraude met premies sociale verzekeringen zoveel mogelijk op elkaar
af te stemmen. Gelet op het algemeen aanvaarde uitgangspunt
dat het strafrecht het sluitstuk in een handhavingsketen is, zal
de hier bedoelde fraude pas strafrechtelijk dienen te worden afgedaan
indien de oplegging van een bestuurlijke boete niet meer als
adequate reactie aangemerkt kan worden. Dit laatste kan het geval zijn gelet
op de ernst van het feit, de persoon van de dader en/of de omstandigheden.
Ook kan strafrechtelijk afdoening geïndiceerd zijn in het kader van
bijzondere opsporingsacties.
Als uitgangspunt geldt in
deze richtlijn dat een zaak voor strafrechtelijke vervolging in aanmerking
komt indien het premienadeel ƒ25 000,- of meer bedraagt en de zaak
op grond van een prioriteitenlijst ten minste een aantal punten krijgt. Ook
komt een zaak voor strafrechtelijke vervolging in aanmerking indien er
sprake is van een tweede of volgende recidive. Het openbaar ministerie
streeft ernaar dat bij strafrechtelijke vervolging een zodanige straf gevorderd
wordt dat die door de werkgever als zwaarder zal worden ervaren dan de
bestuurlijke boete die hem zou worden opgelegd indien niet tot
strafrechtelijke vervolging zou worden overgegaan.
In de volgende paragraaf
zal worden aangegeven op welke wijze het kabinet dit wettelijke
kader van de boeteoplegging bij premieheffing wil aanpassen aan de
verdragseisen en de bestaande uitvoeringspraktijk.
3. Het EVRM en de
Coördinatiewet Sociale Verzekering
In de zich ontwikkelende
(internationale) jurisprudentie, met name die van de belastingkamer van de
Hoge Raad (HR) en van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens
(EHRM),
wordt ervan uitgegaan dat het opleggen rblz.|4|
van een verhoging of
boete door een bestuursorgaan omgeven dient te zijn met de
rechtswaarborgen, zoals deze zijn vastgelegd in artikel 6 van het Europees
verdrag tot
bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)
en artikel 14 van het Internationaal verdrag inzake
burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). In het eerste lid van artikel 6 van het
EVRM worden genoemd: het recht op een eerlijke en openbare behandeling van
de zaak (fair trial) binnen een redelijke termijn en door een onpartijdige
rechter. Het tweede lid, dat uitsluitend betrekking heeft op situaties waarin
sprake is van strafvervolging, noemt de onschuldpresumptie: het
recht van een ieder tegen wie een strafvervolging is ingesteld om voor
onschuldig gehouden te worden totdat zijn schuld in rechte is komen
vast te staan. Vervolgens worden in het derde lid enkele processuele
rechten genoemd van een ieder tegen wie een strafvervolging is
ingesteld, waaronder het recht op rechtsbijstand, het recht op
verdedigingsfaciliteiten en het recht op bijstand van een tolk.
De werkingssfeer van
artikel 6 EVRM
De
HR gaf in zijn arrest
van 17 januari 1990 aan dat de toepasselijkheid van deze rechtswaarborgen
zich niet beperkt tot natuurlijke personen. Ook rechtspersonen vallen
onder de werkingssfeer van artikel 6 EVRM (HR,
17 januari 1990, BNB 1990/193).
Deze vaststelling is met
name van belang omdat een boete op grond van artikel 12
CSV veelal zal
worden opgelegd aan een rechtspersoon. Voor de vaststelling van de
materiële werkingssfeer van de in het tweede en derde lid van artikel 6 EVRM
genoemde bepalingen is met name het in deze verdragen gehanteerde begrip
"criminal charge" van belang.
Of het opleggen van een
bestuurlijke boete als het instellen van een strafvervolging, een "criminal
charge", moet worden gezien, hangt af van de indeling van de
overtreding in het nationaal rechtssysteem, de aard van de overtreding en het
karakter en de hoogte van de sanctie.¹
Ten aanzien van het
eerste criterium, het feit of de desbetreffende sanctie al dan niet tot het
strafrecht behoort, is door het EHRM aangegeven dat dit slechts een relatieve
waarde heeft. Met name als het doel van de sanctie "both deterrent
and punitive" is, dan wijst dit op het strafrechtelijke karakter.² In latere
jurisprudentie van het EHRM wordt dit beeld genuanceerd en besliste
het EHRM dat de criteria afzonderlijk niet doorslaggevend zijn, maar
tezamen een indicatie vormen of er sprake is van strafvervolging. De
hoogte van een eventuele boete wordt daarbij meegewogen.³ De
toepassing van deze criteria bracht het EHRM ertoe te concluderen dat ook
verkeersboetes of belastingboetes als strafvervolging in de zin van het EVRM
kunnen worden gezien.
1. EHRM, 21 februari
1984, Öztürk, NJ 1988/937, par. 50; zie ook: EVRM, 25 augustus 1987,
Lutz, NJ 1988/938, par. 54 en 55, en EVRM, 24 februari 1994, Bendenoun,
BNB 1994/175, par. 47.
2. EHRM, 21 februari 1984, Öztürk, NJ 1988/ 937, par. 53.
3. EHRM, 24 februari 1994, Bendenoun, BNB 1994/175, par 47.
De verhoging op grond van
de CSV
De vraag dient zich aan
of een verhoging op grond van artikel 12 CSV
eveneens moet worden
beschouwd als straf of strafvervolging ("criminal charge") in de zin van
artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR en derhalve met de van toepassing zijnde
rechtswaarborgen omgeven dient te zijn.
In navolging van eerder
gevormde jurisprudentie van de HR met betrekking tot
niet-ordeboeten (vergrijpboeten) op grond van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen beantwoordde de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in zijn
uitspraak van 11 maart 1992 deze vraag bevestigend en stelde
vast dat de toepassing van de sancties als genoemd in artikel 12
CSV en het
daarop berustende Besluit administratieve boeten Coördinatiewet
[Regeling administratieve boeten Coördinatiewet,
red.] inhoudt
de instelling van een "criminal charge" in de zin van artikel 6 van het
EVRM. Hieruit vloeit voort dat voldaan moet worden aan enkele
waarborgen die op grond van het EVRM ter zake van het instellen van een
"criminal charge" gelden.¹ In deze uitspraak ging de CRvB niet met zoveel
woorden in op de hiervoor genoemde, door het EHRM ontwikkelde, criteria.
rblz.|5|
In
een uitspraak van 21
december 1993 overwoog de CRvB met betrekking tot de hiervoor genoemde
criteria dat de jurisprudentie van het EHRM op het terrein van de
sociale zekerheid nog geenszins is uitgekristalliseerd. De
CRvB relateerde de
vraag of een maatregel al dan niet een strafrechtelijk karakter heeft
uitdrukkelijk aan het additionele karakter van deze maatregel. De CRvB stelde
daarbij dat er bij een maatregel op grond van artikel 25 en
27 van de
WW geen sprake is van een vervolging in de zin van het EVRM, omdat deze
tot doel heeft om binnen de bestaande verzekeringsrelatie de
verzekerde te verplichten de (inkomens)schade wegens werkloosheid
zoveel mogelijk te beperken. "De sanctie wordt, anders dan bijvoorbeeld
een boete op grond van de artikel 12 van de
CSV en het daarop gebaseerde ABC-besluit, niet opgelegd buiten de tussen betrokkene en het
uitvoeringsorgaan bestaande rechtsbetrekking om, in die zin dat aldus een
nieuwe betalingsverplichting wordt gecreëerd, maar de sanctie heeft enkel
zijn werking binnen de reeds bestaande rechtsbetrekking...".² In een latere
uitspraak werd door de CRvB, onder verwijzing naar de hierboven genoemde jurisprudentie, een opgelegde verhoging op
grond van artikel 12 CSV
uitdrukkelijk beschouwd als de instelling van een "criminal charge".³
Gezien de geschetste ontwikkeling van de jurisprudentie concludeert het kabinet
dat de verhoging op grond van artikel 12 CSV, nu zij moet worden
aangemerkt als een sanctie met een punitief karakter, met de nodige
rechtswaarborgen omgeven dient te zijn.
1. CRvB, 11 maart 1992,
RSV 1992/258.
2. CRvB, 21 december 1993,
RSV 1994/132.
3. CRvB, 19 februari 1996,
RSV 1996/144.
Aansprakelijkheid
De
aansprakelijkheidsbepalingen van artikel 16a tot en met
16d CSV kunnen niet als de
instelling van een strafvervolging in de zin van het EVRM worden beschouwd.
Van belang hierbij is het gegeven dat er in die situaties geen sprake is
van straf of een additioneel opgelegde premie. Er dient immers voldaan te
worden aan de premieverplichting, die op een ander rustte. Er is
slechts sprake van een extra inningsmogelijkheid. Alhoewel de
aansprakelijkstelling als straf ervaren kan worden en het ook niet is uitgesloten dat
de aansprakelijk gestelde in eigenlijke zin geen verwijt treft, draagt zij
geen punitief karakter. In dit opzicht is er een duidelijk verschil met de
administratieve boete van artikel 12 CSV: deze komt immers als sanctie
juist bovenop de - eigen - premieverplichting van de betrokken
werkgever en is in zoverre te zien als "leedtoevoeging".¹
1. Zie ook: prof. mr. J. Riphagen, Sancties in de sociale zekerheid:
bestuurstrafrecht of strafrechtelijk bestuursrecht, SCOZ,
Deventer, 1994; pag. 30 e.v.
In zijn uitspraak van 26
juni 1991 wees de CRvB erop dat de aansprakelijkstelling op grond van artikel
16a CSV geen "criminal charge" inhoudt in welk geval het tweede lid
van artikel 6 EVRM de eis van de onschuldpresumptie stelt. Artikel 16a
CSV is
geen strafbepaling. Er is geen sprake van een opgelegde boete of een als sanctie op het niet nakomen van een
verplichting bedoelde
verhoging, doch een medeaansprakelijkheid naast de formele werkgever voor
de betaling van de verschuldigde premies ten aanzien van werknemers
van wie de betrokkene als materiële werkgever is opgetreden. Kwesties
als schuld in strafrechtelijke zin en bewijslast van schuld zijn daarbij niet
aan de orde. Latere jurisprudentie van de CRvB sluit hierbij aan.¹
Hierop aansluitend kan nog worden opgemerkt dat in de ketenaansprakelijkheidsregeling
en in de voorstellen omtrent de inlenersaansprakelijkelijkheid in de Wet
allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi) ² is bepaald dat
de aansprakelijkheid niet de aan een werkgever opgelegde boete
omvat.
1. CRvB, 26 juni 1991, RSV
1992/103; CRvB, 11 september 1995, AB
1995/606; CRvB, 13 november 1995, RSV 1996/128.
2. Staatsblad 306, 1998.
Op grond van de hiervoor
geschetste ontwikkelingen in de jurisprudentie is het kabinet van
oordeel dat de aanpassing van de CSV aan de vereisten van het
EVRM uitsluitend
betrekking behoort te hebben op de bepalingen samenhangend met de
boeteoplegging en dat de aansprakelijkheidswetgeving van de CSV hierbij buiten
beschouwing kan blijven.
rblz.|6|
De onschuldpresumptie en
de bewijslast
De vraag dient zich aan
hoe het bestaande stelsel van administratieve boeten met betrekking tot
de premieheffing zich verhoudt tot de in het tweede lid van artikel 6
EVRM geformuleerde onschuldpresumptie. Ook artikel 14, tweede lid,
IVBPR bevat een dergelijke bepaling waarin wordt aangegeven dat een ieder
tegen wie een vervolging is ingesteld voor onschuldig wordt gehouden
totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.
Voor de beantwoording van
deze vraag wordt met name het Salabiaku-arrest van belang geacht. Uit
dit arrest valt af te leiden dat het vermoeden van onschuld van artikel
6 er niet aan in de weg staat dat door het bestuursorgaan bij de
vaststelling van een overtreding gebruik gemaakt wordt van feitelijke
vermoedens en rechtsvermoedens. Hierbij moeten echter wel redelijke
grenzen in acht genomen worden. Het Hof overwoog dat de onschuldpresumptie
de verdragsstaten in beginsel vrij laat om eenvoudig en objectief
vast te stellen feiten te bestraffen zonder daarbij rekening te houden met de
vraag of dit feit een gevolg was van opzet of nalatigheid, mits het
aldus gecreëerde rechtsvermoeden van schuld voor tegenbewijs vatbaar
is.¹
De HR nam deze overwegingen van het EHRM over en oordeelde dat een
verhoging op grond van de Wet
op de motorrijtuigenbelasting 1994 welke is gebaseerd op een (rechts)vermoeden van (houderschap en) schuld
niet in strijd is met het EVRM, omdat in die situatie opzet of grove
schuld geen bestanddeel vormen van de grondslag voor de oplegging van de
boete.²
1. EHRM, 7 oktober 1988,
Salabiaku, NJ 1991/351, par 28.
2. HR, 11 oktober 1989, NJ
1990/812 en 813.
Met betrekking tot het
opleggen van een 100% verhoging op grond van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen (artikel 18 en 21 Awr) kwam de HR
geleidelijk aan tot het
oordeel dat hier wel sprake is van strijdigheid met de in het tweede lid van
artikel 6 EVRM neergelegde onschuldpresumptie. Volgens deze bepalingen
in de Awr vloeit een verhoging van 100% rechtstreeks voort uit de
wet, behoudens voor zover het niet aan opzet of grove schuld van de
belastingplichtige te wijten is dat er te weinig belasting is geheven. In
zijn advies bij het voorontwerp van wet inzake de herziening van het
fiscale stelsel van bestuurlijke boeten (Kamerstukken 21 058) werd door de HR nog in het
midden gelaten of de voorgestelde bewijslastverdeling, waarbij de 100% verhoging
uit de wet voortvloeit, behoudens voor zover geen sprake is
van opzet of grove schuld, in overeenstemming was met het EVRM. In zijn
uitspraak van 15 juli 1988 oordeelde de Raad echter dat artikel 18 Awr
strijdig was met het EVRM en buiten toepassing moet blijven, voor zover
deze bepaling de belastingplichtige belast met het bewijs dat geen sprake is
van opzet of grove schuld. De HR oordeelde dat het aan de Inspecteur is
om te bewijzen dat te weinig belasting was geheven en tevens dat dit
te wijten is aan opzet en grove schuld, alvorens tot het opleggen van een
verhoging kan worden overgegaan.¹ Ten aanzien van het eerste lid van artikel 21
Awr, dat in zijn formulering overeenkomt met de vigerende
boetebepaling in de CSV, kwam de HR tot een gelijkluidend
oordeel.² In navolging
van deze jurisprudentie en in overeenstemming met de huidige uitvoeringspraktijk is in het wetsvoorstel fiscale
boeten afgestapt van het
uitgangspunt dat de boete rechtstreeks uit de wet voortvloeit. De inspecteur legt de boete op. De bewijslast met betrekking tot het aanwezig zijn van opzet of grove
schuld rust daarbij op
de inspecteur en het is
voldoende dat de Inspecteur één en ander aannemelijk maakt met
feiten en omstandigheden.³
1. HR, 15 juli 1988, BNB
1988/270, AB 1988/531, par. 4.6.
2. HR, 20 december 1989,
BN 1990/102.
3. Zie ook HR, 18 november
1992, BNB 1993/40:
Het kabinet stelt in
het
onderhavige wetsvoorstel voor om in aansluiting op de hiervoor beschreven
ontwikkelingen ook bij de boeteoplegging in het kader van de
premieheffing niet langer uit te gaan van een systematiek waarbij de boete
automatisch uit de wet voortvloeit, maar uit te gaan van een door het Lisv
op te leggen boete.
rblz.|7|
Uitgangspunt hierbij zal
niet meer het op wettelijke verhogingen gebaseerde
kwijtscheldingsbeleid zijn, maar een systematiek waarbij het Lisv
een boete oplegt in
evenredigheid met de ernst en verwijtbaarheid van de overtreding. De CRvB
concludeerde dat de boete op basis van het ABC-besluit in
evenredigheid met de ernst en verwijtbaarheid van het gesanctioneerde handelen
dient te worden vastgesteld. "Derhalve dient per geval, gelet op alle
van belang zijnde feiten en omstandigheden, binnen de grenzen van de
in het Besluit administratieve boeten Coördinatiewet [Regeling administratieve
boeten Coördinatiewet, red.] gefixeerde (maximale) percentages, telkens nader getoetst te worden of de op te
leggen verhoging in absolute zin niet tot een onevenredige sanctie leidt."
¹
1. CRvB, 15 maart 1995,
RSV 1995/234; zie ook: CRvB, 5 februari
1992, RSV 1992/258 en AB 1992/462; CRvB, 19 april 1993, RSV 1994/40; CRvB, 29
december 1993, RSV 1994/174 en AB 1994/351.
In de uitvoeringspraktijk
van de premieheffing werknemersverzekering wordt overigens al op
deze wijze omgegaan met de bewijslastverdeling en zijn op basis van de
ontwikkelingen in de jurisprudentie door het Lisv
beleidsregels opgesteld
ter nadere normering van de in acht te nemen evenredigheid bij de
toepassing van het ABC-besluit.¹
De in het onderhavige
voorstel van wet gekozen systematiek noopt tevens tot een wijziging van het
Besluit administratieve boeten Coördinatiewet [Regeling administratieve
boeten Coördinatiewet, red.]. Op basis van de genoemde
jurisprudentie en de beleidsregels zal het kabinet de wijziging van
het ABC-besluit ter hand nemen.
1. Besluit toepassing administratieve boeten Coördinatiewet Sociale verzekering (24 juni 1998,
Staatscourant 3 juli 1998 [Stcrt. 1998, 123, red.]).
Onschuldpresumptie en
invordering
De onschuldpresumptie is
tevens van belang voor de vraag of de tenuitvoerlegging
(invordering) van de boete toelaatbaar is voordat een rechter zich erover heeft
uitgesproken.
In het administratief
procesrecht geldt als hoofdregel dat bezwaar en beroep in het algemeen
geen schorsende werking hebben (artikel 6:16
Awb). Uit de jurisprudentie van
het EHRM kan men afleiden dat de in het EVRM neergelegde
onschuldpresumptie in beginsel niet belet dat de straf ten uitvoer wordt gebracht
voordat de rechter er zich over heeft uitgesproken of voordat ze
onherroepelijk is geworden.¹ Ter nuancering kan hierbij worden opgemerkt dat de
Commissie in deze uitspraak uitgaat van de omstandigheid dat met het uitvoeren van de sanctie geen onomkeerbare
handelingen worden
verricht. Ook de HR oordeelde dat artikel 6 EVRM
toelaat dat een niet
onherroepelijk vaststaande verhoging wordt ingevorderd en dat de onschuldpresumptie niet zover gaat dat invordering niet
mogelijk is.² In het
fiscale wetsvoorstel was in eerste instantie voorzien in een wettelijk recht op
schorsende werking tijdens de bezwaar- en beroepsfase voor de zwaardere vergrijpboeten. Mede naar aanleiding van
de hiervoor genoemde
jurisprudentie is hier bij de herziening van het fiscale stelsel van
bestuurlijke boeten van afgezien.
1. EHRM, 21 februari 1984,
Öztürk, NJ 1988/937, par. 56; ECRM,
6 maart 1989, Kalländer, nr. 12
693/87, BNB 1997/5; zie ook: Toetsingscommissie, pag.
57; Dr. M.C.W. Feteris, Fiscale
administratieve sancties en het recht op een behoorlijk
proces, Deventer, 1993, pag. 729 e.v.; Riphagen, pag. 56 e.v.; Mr. E.E.V.
Lenos, Straf en onschuld in de sociale zekerheid, Sociaal
maandblad arbeid, 50 (1995), pag. 146 e.v. Anderen
wijzen de invordering van boeten die nog niet
onherroepelijk zijn zonder meer af. Zie onder meer: J.F.L. Roording, Sanctierecht in
de belastingen en de sociale zekerheid,
Nijmegen, 1994, pag. 220; Rapport van de Adviescommissie (-Van Slooten)
herziening
fiscaal boetestelsel, pag. 21; advies Raad van State
bij het wetsvoorstel boeten, maatregelen,
Kamerstukken II 1994-1995, 23 909, B, par.
6.
2. HR, 9 oktober 1996, BNB 1997/6.
Het kabinet stelt voor
om, evenals bij de Wet boeten, maatregelen, af te zien van een recht op
schorsende werking in de fase van bezwaar en beroep. Doorslaggevende
overweging bij deze keuze is dat de effectiviteit van de straf, het
gewenste "lik-op-stukbeleid", ernstig gefrustreerd zou kunnen worden indien de
opgelegde boete niet zou kunnen ingevorderd. Daarnaast bestaat het
risico van aanzuigende werking van bezwaar met schorsende werking. Ook
acht het kabinet het niet redelijk om bij de boeteoplegging aan werkgevers in geval van
premiefraude een milder of
stringenter regime te hanteren dan bij de boeteoplegging aan uitkeringsgerechtigden het geval is.
Het kabinet meent voorts
dat in het onderhavige voorstel van wet voldoende waarborgen zijn
ingebouwd die een zorgvuldige tenuitvoerlegging van de boeteoplegging
garanderen. Allereerst is, zoals door de Toetsingscommissie
geadviseerd is, in het onderhavige wetsvoorstel gewaarborgd dat
betrokkene ten minste eenmaal in de gelegenheid is geweest om gehoord te
worden, voordat een boete wordt opgelegd, rblz.|8|
waarbij sprake is van
opzet of grove schuld. Bovendien heeft belanghebbende in alle gevallen de
mogelijkheid om, hangende het bezwaar of beroep, aan de president
van de rechtbank een voorlopige voorziening, waaronder begrepen
schorsende werking, te vragen. Los daarvan bestaat natuurlijk de mogelijkheid om een dergelijk verzoek tot de betreffende
uitvoeringsinstelling
zelf te richten. De uitvoeringsinstelling kan dan, mede afhankelijk van de
gegeven argumenten, beoordelen of gegronde redenen aanwezig zijn om
schorsende werking te verlenen. De beoordeling of de executie van de
boete een onomkeerbaar effect heeft, zal daarbij een belangrijke
rol spelen. Een zorgvuldige uitvoering zal, afhankelijk van de
omstandigheden, ook met zich brengen dat de uitvoeringsorganen,
indien betrokkene niet (tijdig) betaalt, eerst een aanmaning sturen alvorens
tot invordering over te gaan. In artikel 15
CSV is reeds voorzien in een
dergelijke aanmaningsregeling. Ten slotte is van belang dat het bij de
boete per definitie gaat om een sanctie van financiële aard, hetgeen met zich
brengt dat deze achteraf altijd volledig kan worden teruggedraaid. Op grond
van het voorgaande acht ik het in het licht van artikel 6, tweede lid, EVRM
goed verdedigbaar dat de administratieve boete direct kan worden
ingevorderd.
Zwijgrecht
Nauw verbonden met de
onschuldpresumptie is het recht van de verdachte om tijdens het
verhoor niet te antwoorden, het zwijgrecht. Het is één van de
waarborgen
die in artikel 14 IVBPR uitdrukkelijk genoemd wordt. Het EVRM kent dit
recht niet met zoveel woorden toe, maar het ligt wel besloten in het recht
op een "fair trial".
De vraag hoe het
zwijgrecht zich verhoudt tot de informatieverplichting die op werkgevers rust, is
in het kader van dit voorstel van wet van groot belang. Immers indien zou
moeten worden aangenomen dat het zwijgrecht zich ook
uitstrekt tot de verplichting tot het doen van loonopgaaf of het
aanmelden van nieuwe werknemers, zou dit de collecterende functie in
de sociale zekerheid onaanvaardbaar belemmeren.
Naar de mening van de
Toetsingscommissie dient het zwijgrecht geen onbeperkte gelding te
hebben. Indien dit recht zo ruim zou worden uitgelegd dat het iemand
onder alle omstandigheden vrij staat inlichtingen te weigeren omdat deze
inlichtingen op enig tijdstip aanleiding zouden kunnen geven tot
het opleggen van een boete, dan zouden vele controlebevoegdheden van
de overheid volstrekt illusoir worden. De Toetsingscommissie geeft
aan dat het zwijgrecht pas geldt als naar objectieve maatstaven
beoordeeld de redelijke verwachting bestaat dat een boete zou kunnen
worden opgelegd. In de fase dat de controle gericht is op het vaststellen van
het totaal aan verschuldigde premie is er geen sprake van een "criminal
charge" en kan geen beroep gedaan worden op het zwijgrecht. Het
enkele feit dat het naar waarheid beantwoorden van vragen die worden
gesteld in het kader van de vaststelling van het premiebedrag tevens
feiten aan het licht zouden kunnen brengen die aanleiding zouden kunnen
geven tot het opleggen van een bestuurlijke boete, brengt niet met
zich mee dat men zich op het zwijgrecht kan beroepen. Anders gezegd:
de wettelijke inlichtingenverplichting blijft ten behoeve van de
vaststelling van de premie volledig gelden, ook indien belanghebbende door aan
deze verplichting te voldoen de verdenking op zich zou laden de inlichtingenplicht te hebben geschonden en deswege
voor een administratieve
boete in aanmerking kan komen.
In het Funke-arrest wordt
door het EHRM voor het eerst met zoveel woorden erkend dat een "fair
trial" met zich meebrengt dat een rblz.|9|
verdachte niet mag worden
gedwongen tegen zichzelf te getuigen.¹ Dit impliceert een
zwijgrecht. Uit dit arrest kan echter niet geconcludeerd worden dat het iemand
onder alle omstandigheden vrijstaat inlichtingen te weigeren, omdat deze
inlichtingen op enig tijdstip aanleiding zouden kunnen geven tot het
opleggen van een boete.
In de zaak-Saunders, van
17 december 1996, wordt door het EHRM expliciet aangegeven dat
het recht om niet tegen zichzelf te getuigen in beginsel nog niet van
toepassing is gedurende het vooronderzoek dat voorafgaat aan het
moment van de "criminal charge", omdat dit in de praktijk een ernstige
belemmering zou vormen voor een effectieve uitvoering.² Het EHRM
volgt in deze zaak een meer teleologische benaderwijze en geeft aan
dat ratio van het zwijgrecht gelegen is in het beschermen van de
verdachte tegen het gebruik van ongeoorloofde dwang teneinde
rechtelijke dwaling te voorkomen. Van een ontoelaatbare beïnvloeding kan geen
sprake zijn wanneer de verkregen informatie niet afhankelijk is van de wil
van de verdachte. Wanneer de informatie beschikbaar en eenduidig
is, blijft het zwijgrecht buiten beeld.
Het EHRM geeft aan dat
het recht op bescherming tegen zelfincriminatie zich niet uitstrekt over
het strafrechtelijk gebruik van bewijsmateriaal dat onder dwang is verkregen,
waar dit materiaal bestaat onafhankelijk van de wil van de verdachte. Uit
de benadering van het Hof kan worden opgemaakt dat de inlichtingenplicht als zodanig niet in strijd is met artikel
6 EVRM. Wel kan het onder
bepaalde omstandigheden zo zijn dat uitspraken die een
werkgever in de primaire fase gedaan heeft niet mogen gebruikt als bewijsstuk
voor het opleggen van een boete.
1. EHRM, 25 februari 1993,
Funke, NJ 1993/485.
2. EHRM, 17 december 1996
(43/1994/490/572), Saunders, par. 67, 68 en 69, NJ 1997/699.
Ook de
HR heeft bij
herhaling aangegeven dat de verplichting tot het doen van een juiste
belastingaangifte blijft bestaan, ook als daaraan nadelige gevolgen verbonden kunnen
zijn voor een strafprocedure. In het Nederlandse recht is geen
onvoorwaardelijk beginsel verankerd dat een verdachte op geen enkele
wijze hoeft mee te werken aan het verkrijgen van mogelijk bezwarend
bewijsmateriaal. Met het oog op de betrouwbaarheid van bewijsmateriaal is
het van belang dat de verklaring in vrijheid is afgelegd.¹
Deze zienswijze sluit aan bij de opvattingen van het EHRM, zoals deze in het
Saunders-arrest zijn uiteengezet.
1. HR, 11 december 1991,
BNB 1992/243, par. 3.6; HR, 23 november
1994, NJ 1995/239, zie ook: HR 30 september 1997, NJ 1998/104 en HR 29 oktober 1996, NJ
1997/232. Zie ook: HR, 29 oktober 1996, NJ 1997/232, par. 6.7.
Met
het voorliggende
wetsvoorstel sluit het kabinet aan bij de bovengenoemde jurisprudentie. Het
zwijgrecht blijft beperkt tot het afleggen van verklaringen die
betrekking hebben op gedragingen voor zover het de verhoging, de boete,
betreft. Het zwijgrecht is uitdrukkelijk niet aan de orde gedurende de
primaire administratieve processen die gericht zijn op de vaststelling van de
premie.
Voor het moment waarop
het zwijgrecht ingaat, is aangesloten bij de Wet
boeten, maatregelen en
het fiscale boetestelsel. Het moment waarop de uitvoeringsinstelling een
handeling verricht waaraan de werkgever in de redelijkheid de
gevolgtrekking kan verbinden dat aan hem een boete zal worden opgelegd, markeert
het tijdstip waarop het zwijgrecht ingaat. Met deze formulering wordt
eveneens aangesloten bij de formulering die in de jurisprudentie van de HR
is ontwikkeld.¹
4. HR, 17 februari 1987,
NJ 1987/951, par. 6.1; HR, 23 juni 1993, BNB
1993/271, par. 3.7; HR, 26 oktober 1993, NJ 1994/629, par. 5.1; HR, 22 november 1994, NJ
1995/240.
Cautie
Nauw verbonden met het
zwijgrecht is de verplichting om een verdachte bij zijn verhoor te
wijzen op zijn recht om te zwijgen, de cautieplicht.
De in het wetsvoorstel
opgenomen cautieplicht - de verplichting om een werkgever die verhoord
wordt vooraf mede te delen dat hij wordt verdacht van een feit dat
tot een administratieve of strafrechtelijke sanctie kan leiden en dat hij
niet tot antwoorden verplicht is - is niet direct gebaseerd op het EVRM of
het IVBPR, maar ontleend aan artikel 29 van het Wetboek
van Strafvordering (Sv). Artikel 29, eerste lid, Sv
bepaalt dat rblz.|10|
de verhorende ambtenaar
in alle gevallen waarin iemand als verdachte van een strafbaar feit ter
zake van die verdenking wordt verhoord zich moet onthouden van alles
wat de strekking heeft een verklaring te verkrijgen waarvan niet
kan worden gezegd dat zij in vrijheid is afgelegd. Daaraan is toegevoegd dat
de verdachte niet tot antwoorden verplicht is en daarover voorafgaand
aan het verhoor moet worden geïnformeerd.
De cautie heeft tot doel
te voorkomen dat een ondervraagde zich door de directe confrontatie bij
een mondeling verhoor ten onrechte verplicht voelt om de hem gestelde
vragen te beantwoorden. Uit jurisprudentie van de HR
mag voorts worden
afgeleid dat bij schriftelijke vragen geen cautie hoeft te worden
gegeven.¹
Een cautie kan naar de
mening van het kabinet eveneens een nuttig hulpmiddel zijn om voor
elke betrokkene het moment te markeren waarop het zwijgrecht ingaat.
Duidelijk mag zijn dat bij een normale looncontrole, waarbij (nog) geen sprake
is van een voornemen tot boeteoplegging, de cautieplicht niet aan de
orde is.
1. HR, 1
oktober 1985, NJ 1986/405 en 406.
De kennisgeving en de
hoorplicht
Op grond van de
Awb geldt
in beginsel een hoorplicht alvorens de uitvoeringsinstelling
een
afwijkende beschikking neemt. Onder hoorplicht wordt hier verstaan dat
belanghebbende in de gelegenheid wordt gesteld zijn zienswijze naar
voren te brengen. De hoorplicht kan echter in de primaire fase, bij de voorbereiding van een
beschikking die strekt tot het
vaststellen van een
financiële verplichting, achterwege blijven op grond van artikel 4:12
Awb
indien tegen deze beslissing beroep of bezwaar ingesteld kan worden en
de nadelige gevolgen na beroep of bezwaar volledig ongedaan gemaakt
kunnen worden.
In het geval van
premiebetaling zal dit in beginsel het geval zijn. Ten onrechte betaalde premies
kunnen gerestitueerd worden. Hiermee samenhangend is het
ingevolge artikel 6, derde lid, onderdeel a, EVRM geldende recht van een
ieder tegen wie een vervolging is ingesteld om onverwijld en in een taal
die hij verstaat op de hoogte gebracht te worden van de aard en de reden
van de tegen hem ingebrachte beschuldiging. Uit het EVRM vloeit niet
rechtstreeks een verplichting voor de uitvoeringsinstelling voort tot het horen.
Artikel 6 EVRM regelt alleen het recht om gehoord te worden door de
rechter.
De Toetsingscommissie is
in beginsel voorstander van een hoorplicht. Dit betekent dat uitgegaan
wordt van de hoofdregel van de Awb die belanghebbende in de
gelegenheid stelt om zijn zienswijze naar voren te brengen. Naar het oordeel
van de commissie zou van de hoorplicht kunnen worden afgezien
als de grote aantallen overtredingen daartoe nopen en de boeten
bovendien betrekkelijk laag zijn. In dat geval kan ook worden uitgegaan van een
kennisgeving die samenvalt met de boetebeschikking, aldus de commissie.
In het onderhavige
voorstel van wet wordt door het kabinet voorgesteld om in aansluiting op de
Wet boeten, maatregelen en het fiscale
boetestelsel, in de
bestuurlijke fase geen hoorplicht te introduceren, maar te volstaan met het horen
op verzoek. Naar analogie van het fiscale boetestelsel is er in dit
voorstel van wet voor gekozen de kennisgeving en het horen op verzoek
achterwege te laten voor zover het niet voldoen aan de gestelde
verplichtingen niet aan opzet of grove schuld van de werkgever is te wijten.
Omdat een schuldvraag in dit soort zaken niet aan de orde is en er veelal
sprake is van een eenvoudig vast te stellen rechtsfeit dat
onafhankelijk van de visie van betrokkene aanwezig is (bijvoorbeeld het te laat
inzenden van de jaaropgaaf), meent het kabinet dat, gezien de werklast
die gemoeid is met de veelheid aan zaken en de mogelijkheid van bezwaar
waarbij het recht van horen is gewaarborgd, dat het horen op verzoek
en de kennisgeving in die situaties achterwege kunnen blijven.
rblz.|11|
De verplichting tot boeteoplegging
Onder de vigerende
bepalingen in de CSV met betrekking tot de boeteoplegging bestaat reeds een
verplichting voor het Lisv om bij een geconstateerde
overtreding over te gaan tot het opleggen van een boete. In het onderhavige
voorstel van wet wordt op dit punt bij de bestaande uitvoeringspraktijk en de
Wet boeten, maatregelen aangesloten en de verplichting tot het
opleggen van een boete gehandhaafd. Alleen indien daarvoor dringende
redenen aanwezig zijn, kan het Landelijk instituut sociale verzekeringen
besluiten van het opleggen van een boete af te zien.
De commissie-Van Slooten ¹ heeft in haar aanbevelingen bij het fiscaal boetestelsel aangegeven
dat het de voorkeur verdient een inkeerregeling op te nemen, zodat de
afdrachtsplichtige er niet van weerhouden wordt alsnog aan zijn
verplichtingen te voldoen en dit niet tot consequentie heeft dat alsnog een
boete wordt opgelegd
Het ligt voor de hand dat
zo’n inkeerregeling geen onbeperkt karakter kan hebben. In artikel 5 van
het ABC-besluit is reeds voorzien in een dergelijke beperkte inkeerregeling
op basis waarvan de uitvoeringsinstelling, in geval van een vrijwillig
herstel binnen een redelijke termijn, bevoegd is de verhoging geheel of
gedeeltelijk kwijt te schelden. Het kabinet stelt voor om, naar analogie van het
fiscale boetestelsel, in de wet een bepaling op te nemen dat geen boete
wordt opgelegd waarbij opzet of grove schuld wordt verondersteld
indien de werkgever alsnog een juiste en volledige opgaaf doet voordat hij
weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de uitvoeringsinstelling een
boete gaat opleggen. Wel kan in zo’n geval nog een lagere boete worden
opgelegd op grond van het feit dat niet volledig, niet juist of niet op
tijd is voldaan aan de verplichtingen.
Indien elke vorm van
verwijtbaarheid ontbreekt, wordt in elk geval van het opleggen van een boete
afgezien.
1. Rapport van de
Adviescommissie herziening fiscaal boetestelsel (commissie-Van Slooten), 18 maart 1992, bijlage
bij Kamerstukken II 1991-1992, 21 058/213 369,
nr. 10.
Una via
De Richtlijn
premiefraude
werkgevers geeft een indicatieve afbakening van zaken die
strafrechtelijk en zaken die door de uitvoeringsinstelling
kunnen worden afgedaan.
In beginsel zal voorkomen
moeten worden dat ter zake van een zelfde gedraging zowel een
bestuurlijke boete als een strafrechtelijke sanctie wordt opgelegd. Het
voorkomen van een cumulatie van strafrechtelijke en bestuurlijke sancties
vloeit niet rechtstreeks voort uit het EVRM, dat geen anticumulatie- of
ne-bis-in-idembepaling kent. Het zevende protocol bij dit verdrag kent wel
zo’n bepaling, maar is voor Nederland nog niet van kracht.
Voor de vormgeving van
deze anticumulatieregeling is aansluiting gezocht bij de Wet boeten, maatregelen
en het fiscale stelsel van bestuurlijke boeten. Daar
is het una-viabeginsel op zodanige wijze uitgewerkt dat wanneer ter zake van gedragingen die zowel strafrechtelijk als bestuurlijk kunnen
worden afgedaan, op enig moment een keuze is gemaakt voor de ene of de
andere weg en de daarbij behorende handelingen verricht zijn, deze als
definitief wordt aangemerkt. Strafvervolging sluit het opleggen van
een bestuurlijke boete uit en omgekeerd. Voorgesteld wordt de
boeteoplegging op te schorten indien het openbaar ministerie de gedraging
onderzoekt. De oplegging van de boete blijft definitief achterwege
indien een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter
terechtzitting een aanvang heeft genomen of een transactie heeft plaatsgevonden. Het
openbaar ministerie is verplicht de uitvoeringsinstelling te informeren, zodat het
voor de uitvoeringsinstelling duidelijk is of bestuurlijke
afdoening (als)nog tot de mogelijkheden behoort.
De andere kant van het una-viabeginsel is geregeld in het nieuwe vierde lid van
artikel
18. Dat
artikel bepaalt dat indien een bestuurlijke boete is rblz.|12|
opgelegd, strafvervolging ter zake van dezelfde gedragingen niet meer mogelijk is.
Overige rechtswaarborgen
Met
betrekking tot de
overige rechtswaarborgen, genoemd in artikel 6, derde lid, EVRM, wordt
niet voorgesteld om voor de fase voorafgaand aan de bezwaarfase waarborgen
in de wet op te nemen. Het betreft hier: de gelegenheid voor
voorbereiding van de verdediging, rechtshulp, zo nodig kosteloos, oproeping en
ondervraging getuigen. Het ontbreken van wettelijke voorschriften
betekent uiteraard niet dat de uitvoeringsinstelling
in voorkomende gevallen
niet toch mede op grond van de algemene beginselen van behoorlijk
bestuur aanleiding kan zien tot behandeling overeenkomstig de hier
bedoelde bepalingen. Ook moet worden opgemerkt dat het hier
steeds gaat om de fase voorafgaand aan de boeteoplegging. Dit laat onverlet dat tijdens de bezwaarfase de
voorschriften van de Awb met betrekking tot de bezwaarschriftenprocedure van toepassing zijn.
Daaruit vloeit voort dat in dat gedeelte van de bestuurlijke fase de
hier genoemde overige rechtswaarborgen in elk geval tot hun recht
komen. Ook op dit punt wordt aangesloten bij de Wet boeten, maatregelen
en de
wijzigingen in het fiscale stelsel van bestuurlijke boeten.
Financiële gevolgen
Het voorliggende
wetsvoorstel brengt geen materiële wijzigingen aan in het stelsel van
bestuurlijke boeten. De gedragingen die met een bestuurlijke boete kunnen worden
afgedaan en de hoogte van de boete wijzigen in beginsel niet. Wel
worden wijzigingen voorgesteld die gevolgen kunnen hebben voor de administratieve belasting van de uitvoeringsorganen.
Hierbij kan bijvoorbeeld
gedacht worden aan de verplichte kennisgeving voorafgaand aan een
boeteoplegging indien sprake is van opzet of grove schuld en de verplichting
om de werkgever in een voor hem begrijpelijke taal te informeren. Omdat
de uitvoeringspraktijk van de boeteoplegging nu al in belangrijke mate
in overeenstemming is gebracht met de verdragseisen, zullen de
financiële gevolgen voor het totaal van de voorstellen naar
verwachting gering zijn.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel I, onderdeel A
(artikel
12 CSV)
In
artikel 12 CSV wordt
voor de uitvoeringsinstelling een verplichting tot boeteoplegging in het
leven geroepen indien de bij en krachtens artikel
10, tweede lid, gestelde
regels niet worden nageleefd en worden beperkingen gesteld aan
de hoogte van deze boete. Als algemene regel geldt dat de hoogte van
de boete moet worden afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate van
verwijtbaarheid en de omstandigheden waarin de werkgever verkeert.
Hiervan uitgaande wordt het maximum van de boete door de wet verder gelimiteerd tot 10%
respectievelijk 100% van het alsnog
verschuldigde bedrag aan
premie of voorschotpremie, al naargelang er sprake is van opzet of
grove schuld bij het niet naleven van de bij en krachtens artikel
10,
tweede lid, gestelde regels. Indien daarvoor in een bepaald geval dringende
redenen zijn, kan van het opleggen van een boete worden afgezien.
Geen boete wordt opgelegd indien ten aanzien van de overtreding van
het betreffende voorschrift geen verwijt kan worden gemaakt. Met deze
redactie van het vierde lid wordt aangesloten bij de in de
jurisprudentie ontwikkelde criteria dat de hoogte van de boete rblz.|13|
in evenredigheid
moet
zijn met de ernst en de verwijtbaarheid van de overtreding.
Ingevolge de laatste
volzin van het nieuwe vierde lid bestaat krachtens het derde lid geen
bevoegdheid tot boeteoplegging meer indien de werkgever alsnog volledig
aan de op hem rustende verplichtingen heeft voldaan, voordat hij
wist, of redelijkerwijs moest vermoeden, dat het Lisv
op de hoogte was geraakt
van het feit dat niet juist of volledig werd voldaan aan de bij en
krachtens artikel 10, tweede lid, geldende
loonopgaveverplichtingen.
In een dergelijk geval resteert nog wel de bevoegdheid en
verplichting tot boeteoplegging krachtens het tweede lid van artikel 12
CSV.
Indien de werkgever bijvoorbeeld opzettelijk niet heeft voldaan aan de
jaaropgaveverplichting en vervolgens alsnog voldoet aan die verplichting, zal
geen opzet of grove schuld meer worden aangenomen. Wel zal nog een boete
worden opgelegd vanwege het niet tijdig voldoen aan de
verplichting.
Ingevolge het nieuwe
vijfde lid van artikel 12 CSV
wordt een krachtens de voorafgaande leden
opgelegde boete voor de toepassing van de CSV (in het bijzonder de
bepalingen van paragraaf 4 van die
wet) als premie beschouwd, tenzij in de
CSV expliciet anders is bepaald. Wat het laatste betreft, dient in het
bijzonder worden gedacht aan de regeling inzake ketenaansprakelijkheid,
zoals neergelegd in de artikelen 16a e.v.
CSV, alwaar de verplichting
tot betaling van administratieve boetes expliciet van de
ketenaansprakelijkheid is uitgezonderd. In de tweede volzin van het vijfde lid is de
toerekeningsregel opgenomen, zoals die thans is vervat in de op het huidige
artikel 12, zesde lid, gebaseerde Besluit van 18 oktober 1990.¹
Het nieuwe zesde lid
biedt de basis voor de vaststelling - thans bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur - van een aangepast ABC-besluit.
1. Stcrt. 1990, 217.
Artikel I, onderdeel B
(het
nieuwe artikel 12a CSV)
In dit artikel worden aan
de werkgever een aantal rechtswaarborgen geboden welke in acht
moeten worden genomen alvorens tot het opleggen van een
administratieve boete wordt overgegaan. In het algemeen deel van deze
memorie is daarop reeds uitgebreid ingegaan. Voorzien is in een
zwijgrecht bij mondelinge ondervraging (eerste lid) en - bij
boeteoplegging
ingevolge artikel 12, derde lid - in het recht om van het voornemen tot en de
gronden voor boeteoplegging kennis te nemen alvorens daartoe
daadwerkelijk wordt overgegaan (tweede lid), waarbij de kennisgeving in een voor
de werkgever begrijpelijke taal dient te worden gesteld (derde lid),
waarbij de werkgever het recht heeft om vooraf in verband met die
voornemens schriftelijk of mondeling te worden gehoord (vierde lid) en waarbij
- indien dit horen mondeling geschiedt - desgewenst tolkenbijstand moet
worden verleend indien de werkgever de Nederlandse taal
onvoldoende beheerst (vijfde lid).
Het in het eerste lid
neergelegde recht van de werkgever om te weigeren verklaringen af te leggen
omtrent zijn gedragingen indien te dien aanzien een boeteoplegging wordt
overwogen, laat onverlet dat de werkgever verplicht is om
desgevraagd, overeenkomstig de verplichtingen die de CSV
(artikel 10) en de
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 (artikel 89 e.v.)
ter zake bevat, inzage te
verschaffen in zijn boeken en bescheiden of opgave te doen van de
daarin opgenomen gegevens. Zoals in het algemeen deel van deze toelichting reeds is opgemerkt, kan uit het
Saunders-arrest worden
opgemaakt dat het zwijgrecht zich niet uitstrekt over gebruik van
bewijsmateriaal dat onder dwang is verkregen, waar dit materiaal bestaat
onafhankelijk van de wil van de verdachte.
Het derde lid is een
uitvloeisel van het door artikel 6, derde lid, EVRM gestelde vereiste dat een
ieder tegen wie een strafvervolging is ingesteld op de hoogte wordt
gesteld van de aard en reden van de tegen hem rblz.|14|
ingebrachte beschuldiging
in een taal die hij verstaat. Hieruit kan geen ongeclausuleerde
verplichting worden afgeleid om in de moedertaal van betrokkene te
communiceren. Indien bijvoorbeeld uit het eerdere verloop van het proces van
premievaststelling duidelijk is geworden dat beslissingen, ten voordele of ten
nadele, op een voor deze werkgever begrijpelijke wijze zijn genomen met
gebruikmaking van een taal die niet diens moedertaal is, mag de uitvoeringsinstelling
ervan uitgaan dat de betrokken werkgever de Nederlandse taal voldoende
beheerst en dat
deze taal ook voor de
kennisgeving kan worden gebruikt. Het is bij geschillen over de vraag
in welke taal moet worden gecommuniceerd aan de onafhankelijke rechter
om te beoordelen of een beslissing van de uitvoeringsinstelling om
in een bepaalde taal te communiceren in dat concrete geval voldoet
aan de vereisten van artikel 6 van het EVRM.
Het in het vierde lid
neergelegde recht om voorafgaande aan de boeteoplegging te worden gehoord, is een
afwijking afdeling 4.1.2 van de Algemene wet
bestuursrecht. Artikel 4.12 van die wet zou toelaten dat van dit horen wordt afgezien,
aangezien het in casu om de vaststelling van een financiële
verplichting gaat waaromtrent bezwaar en beroep openstaat en die na dit
bezwaar of beroep volledig ongedaan kan worden gemaakt.
Op grond van het EVRM
heeft een ieder tegen wie een strafvervolging is ingesteld recht op
kosteloze bijstand van een tolk indien hij de taal die ter terechtzitting wordt
gebezigd niet verstaat of niet spreekt. In verband hiermee is in vijfde lid
vastgelegd dat de uitvoeringsinstelling, indien de werkgever zijn zienswijze
mondeling naar voren wil brengen en de Nederlandse taal
onvoldoende beheerst, op diens verzoek zorg draagt voor een tolk, tenzij
redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hieraan geen behoefte bestaat.
Het initiatief wordt hier uitdrukkelijk bij de betrokken werkgever
gelegd om te voorkomen dat de uitvoeringsinstellingen verplicht zou worden om
na te gaan of betrokkene de Nederlandse taal voldoende beheerst
om te begrijpen op welke gronden de boete wordt opgelegd. Met
de toevoeging "tenzij mag worden aangenomen dat hieraan geen behoefte
bestaat" wordt de uitvoeringsinstelling enige beoordelingsvrijheid gegeven. Indien bijvoorbeeld blijkt dat
adequaat gehoord kan
worden in andere taal, die betrokkene beheerst, kan worden afgezien van
de inschakeling van een tolk. Is dat niet het geval, dan zal voor een tolk
moeten worden gezorgd.
Artikel I, onderdeel B
(het
nieuwe artikel 12b CSV)
De inhoud van de
beschikking tot boeteoplegging dient, indien de werkgever de wens daartoe
te kennen geeft, aan de werkgever ter kennis te worden gebracht in een
voor deze begrijpelijke taal. Zie hiervoor ook de toelichting
op artikel
12a, derde lid. Voor het overige bevat dit artikel een aantal technische
voorschriften met betrekking tot de inhoud van deze beschikking, die
gelijkluidend zijn aan die welke gelden voor de oplegging van administratieve
boetes in het belastingrecht.
Artikel I, onderdeel B
(het
nieuwe artikel 12c CSV), en
artikel I, onderdeel D [artikel
I, onderdeel E, red.] (artikel 18 CSV)
In deze artikelen is
vastgelegd dat overtreding van de krachtens artikel
10, tweede lid, geldende
voorschriften hetzij door strafrechtelijke, hetzij door bestuursrechtelijke
strafoplegging wordt tegengegaan (het una-viabeginsel), waarbij
bestuursrechtelijke afdoening eerst tot de mogelijkheden behoort indien
strafrechtelijke afdoening niet wordt overwogen en evenmin heeft
plaatsgevonden.
rblz.|15|
Artikel I, onderdeel B
(het
nieuwe artikel 12d CSV)
Omwille van de
effectiviteit, alsook om te bevorderen dat bij de strafoplegging de door het EVRM
voorgeschreven redelijke termijn in acht wordt genomen, is het wenselijk
dat de boete wordt opgelegd spoedig nadat de betrokken gedraging is
geconstateerd. In verband hiermee is in het eerste lid een termijnvoorschrift vastgelegd, dat overeenkomt met de normering
in de Wet boeten, maatregelen.
Voorts is het uit een
oogpunt van rechtszekerheid gewenst dat de mogelijkheid van
boeteoplegging niet eindeloos blijft bestaan; derhalve is in het tweede lid bepaald
dat de boeteoplegging niet meer kan plaatsvinden indien meer dan vijf
jaren verstreken zijn sedert het einde van het kalenderjaar waarin de desbetreffende gedraging heeft plaatsgevonden.
Dit sluit aan bij de in
artikel 13, eerste lid, CSV neergelegde verjaringstermijn inzake
premievaststelling.
Artikel 1, onderdeel B
(het
nieuwe artikel 12e CSV)
Ingevolge het tweede lid
van artikel 12e vervalt de boete indien deze aan een natuurlijk persoon is
opgelegd en deze overlijdt alvorens de boete is geïnd.
Artikel I, onderdeel
C, D en
E
Deze wijzigingen zijn
uitsluitend van terminologische aard.
Artikel II
Het wetsvoorstel bevat
geen concrete datum van inwerkingtreding. Deze zal nader geregeld worden
bij koninklijk besluit. Er is gekozen voor onmiddellijke
inwerkingtreding gelet op het begunstigende karakter van de bepalingen.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst
|
|