|
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 1997-1998, 1998-1999,
26 063.
Handelingen II 1998-1999, blz. 3971-3991, 4055-4076, 4079-4084,
4296-4298,
4307-4309.
Kamerstukken I 1998-1999, 26 063 (236, 236a); 1999-2000, 26 063 (42,
42a, 42b, 42c).
Handelingen I 1999-2000, zie vergadering d.d. 21 december 1999.
MEMORIE
VAN TOELICHTING
WET
van 22 december 1999, Stb. 1999, 595, tot wijziging van de
Ziektewet en enkele andere wetten in verband met het uitsluiten van het
recht op een socialeverzekeringsuitkering bij vrijheidsontneming en het
openstellen van socialezekerheidsregelingen in die gevallen waarin de
tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel
buiten een justitiële inrichting plaatsvindt (Wet
socialezekerheidsrechten gedetineerden). Inwerkingtreding: 1 mei
2000 (Stb. 2000, 54).
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Allen, die
deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is personen die rechtens hun vrijheid is ontnomen uit te
sluiten van het recht op een uitkering op grond van een aantal socialezekerheidswetten, aangezien zij reeds door de Staat worden
voorzien in de kosten van levensonderhoud, en de mogelijkheid te openen
het recht op een uitkering op grond van een aantal
socialezekerheidswetten toe te kennen aan personen die rechtens hun
vrijheid is ontnomen in die gevallen waarin zij hun hoofdverblijf niet
hebben binnen een justitiële inrichting;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK
1
Wijziging
van verschillende wetten
Art. I. Ziektewet
[MvT]
De
Ziektewet wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT
+ bis]
In artikel 1, eerste lid, wordt de punt aan
het einde van onderdeel h vervangen door een puntkomma en
worden twee onderdelen toegevoegd, luidende:
i. rechtens zijn vrijheid is ontnomen: rechtens zijn vrijheid is
ontnomen, behoudens de gevallen, bedoeld in de Wet
bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen en in artikel 37, eerste lid, van het
Wetboek van
Strafrecht;
j. justitiële inrichting: een penitentiaire inrichting, een
inrichting voor verpleging van terbeschikkinggestelden of een inrichting
voor justitiële jeugdbescherming zijnde een landelijke voorziening als
bedoeld in artikel 65 van de Wet op de jeugdhulpverlening.
B. [MvT
+ bis]
Voor hoofdstuk 1 van de tweede afdeling
wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Art. 19b.
-1. Geen recht op ziekengeld heeft de verzekerde gedurende de periode
dat hem rechtens zijn vrijheid is ontnomen, vanaf de dag dat deze
vrijheidsontneming één maand heeft geduurd. Indien de eerste dag van
de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid is gelegen in een
periode dat de verzekerde rechtens zijn vrijheid is ontnomen, ontstaat
geen recht op ziekengeld.
-2. Indien het recht op ziekengeld op grond van het eerste lid is
geëindigd dan wel niet is ontstaan, wordt betrokkene vanaf de dag dat
hij in vrijheid wordt gesteld weer als verzekerde aangemerkt indien hij
op die dag aan de overige voorwaarden, bedoeld in artikel 19,
voldoet. Deze verzekerde heeft aanspraak op heropening dan wel
toekenning van het recht op ziekengeld voor de resterende periode,
bedoeld in artikel 29, vijfde lid,
artikel 29a, eerste lid, dan wel artikel 29a,
zevende lid, met inachtneming van de bepalingen van deze wet.
Artikel 44, eerste lid, onderdeel a,
is niet van toepassing.
-3. Voor de toepassing van het eerste lid worden perioden van
vrijheidsontneming samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking
van minder dan vier weken opvolgen.
-4. Het eerste lid is niet van toepassing en het tweede lid is van
overeenkomstige toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aan te
wijzen categorieën personen waarbij tenuitvoerlegging van een
vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel buiten een justitiële
inrichting plaatsvindt.
C. [MvT
+ bis]
Artikel 42 vervalt.
Art.
II. Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering [MvT]
De Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
In artikel 1, eerste lid, wordt de punt aan
het einde van onderdeel j vervangen door een puntkomma en
worden twee onderdelen toegevoegd, luidende:
k. rechtens zijn vrijheid is ontnomen: rechtens zijn vrijheid is
ontnomen, behoudens de gevallen, bedoeld in de Wet
bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen en in artikel 37, eerste lid, van het
Wetboek van
Strafrecht;
l. justitiële inrichting: een penitentiaire inrichting, een
inrichting voor verpleging van terbeschikkinggestelden of een inrichting
voor justitiële jeugdbescherming zijnde een landelijke voorziening als
bedoeld in artikel 65 van de Wet op de jeugdhulpverlening.
B. [MvT]
In artikel 19, zesde lid, wordt voor "29, 30,
31, 42, 44
en
45 van de Ziektewet"
ingevoegd: 19b,.
C. [MvT]
Na artikel 19 wordt een artikel ingevoegd,
luidende:
Art. 19a.
-1. De verzekerde, bedoeld in artikel 19,
heeft geen recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering
indien de dag waarop het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering zou
ingaan, is gelegen in een periode dat hem rechtens zijn vrijheid is
ontnomen.
-2. De persoon die op grond van het eerste lid geen recht op toekenning
van arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft alsmede de persoon die op
grond van artikel 19b van de Ziektewet
geen recht heeft op ziekengeld, wordt vanaf de dag dat hij in vrijheid
wordt gesteld weer als verzekerde aangemerkt en heeft met inachtneming
van de bepalingen van deze wet recht op toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering indien hij op die dag arbeidsongeschikt
is. Artikel 19, vierde lid, is van
overeenkomstige toepassing. De
artikelen 18, tweede tot en met vierde lid,
en
30, eerste lid, onderdeel a, zijn
niet van toepassing.
-3. Voor de toepassing van het eerste lid worden perioden van
vrijheidsontneming samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking
van minder dan vier weken opvolgen.
-4. De persoon, bedoeld in het tweede lid, die op de in dat lid bedoelde
dag niet arbeidsongeschikt is, doch ten aanzien van wie dit wel het
geval is binnen vier weken na die dag, wordt vanaf de dag dat hij in
vrijheid is gesteld weer als verzekerde aangemerkt en heeft met
inachtneming van de bepalingen van deze wet recht op toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Artikel 19, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. Artikel
30, eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing.
-5. Het eerste lid is niet van toepassing en het tweede en vierde lid
zijn van overeenkomstige toepassing op bij algemene maatregel van
bestuur aan te wijzen categorieën personen waarbij tenuitvoerlegging
van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel buiten een
justitiële inrichting plaatsvindt.
D. [MvT]
Aan artikel 43 worden twee leden
toegevoegd, luidende:
-5. De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ingetrokken indien degene
die recht heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering rechtens zijn
vrijheid is ontnomen, vanaf de dag dat deze vrijheidsontneming één
maand heeft geduurd.
-6. Voor de toepassing van het vijfde lid worden perioden van
vrijheidsontneming samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking
van minder dan vier weken opvolgen.
E.
Aan artikel 43a wordt een lid
toegevoegd, luidende:
-5. Artikel 19a en de daarop
berustende bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing.
F.
Artikel 47 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste, tweede, derde en vierde lid wordt de zinsnede
"artikel 43" telkens vervangen
door: artikel 43, eerste lid,.
2. In het zesde lid wordt de zinsnede "19,
vierde lid," vervangen door:
19, vierde lid,
19a en de daarop berustende bepalingen,.
G. [MvT]
Voor artikel 48 wordt een artikel
ingevoegd, luidende:
Art. 47b.
-1. De persoon wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel
43, vijfde lid, is ingetrokken, heeft vanaf de dag dat hij in
vrijheid wordt gesteld met inachtneming van de bepalingen van deze wet
aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering indien
hij op die dag arbeidsongeschikt is.
-2. Aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft
eveneens de persoon, bedoeld in het eerste lid, die op de in dat lid
bedoelde dag niet arbeidsongeschikt is, doch ten aanzien van wie dit wel
het geval is binnen vier weken na afloop van dat tijdvak.
-3. De artikelen 19, vierde lid, 35,
en 47, zevende lid, zijn van overeenkomstige
toepassing met betrekking tot de aanspraak op heropening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in dit artikel.
-4. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op bij
algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën personen
waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende
maatregel buiten een justitiële inrichting plaatsvindt.
Art.
III.
Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen [MvT]
De Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen wordt als volgt
gewijzigd:
A. [MvT]
In artikel 1, eerste lid, wordt de punt aan
het einde van onderdeel m vervangen door een puntkomma en
worden twee onderdelen toegevoegd, luidende:
n. rechtens zijn vrijheid is ontnomen: rechtens zijn vrijheid is
ontnomen, behoudens de gevallen, bedoeld in de Wet
bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen en in artikel 37, eerste lid, van het
Wetboek van
Strafrecht;
o. justitiële inrichting: een penitentiaire inrichting, een
inrichting voor verpleging van terbeschikkinggestelden of een inrichting
voor justitiële jeugdbescherming zijnde een landelijke voorziening als
bedoeld in artikel 65 van de Wet op de jeugdhulpverlening.
B. [MvT]
Artikel 3, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. Onderdeel c wordt vervangen door:
c. die recht heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering dan wel die
door de toepassing van artikel
7b, eerste lid, geen recht heeft op
arbeidsongeschiktheidsuitkering doch met toepassing van artikel 7b,
tweede of vierde lid, in aanmerking komt voor toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering;.
2. Onderdeel d, wordt vervangen door:
d. wiens recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering is geëindigd op
grond van artikel
19, eerste lid, onderdeel
b, of vierde lid, doch met toepassing van artikel 20, 21
of
21b in aanmerking komt voor
toekenning of heropening van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering;.
3. Onderdeel f wordt vervangen door:
f. die recht heeft op een uitkering in verband met bevalling op
grond van deze wet dan wel die door de toepassing artikel 22,
zesde lid, geen recht heeft op uitkering in verband met bevalling doch
met toepassing van dat artikel, door overeenkomstige toepassing van artikel 7b,
tweede of vierde lid, of
21b, in aanmerking komt voor toekenning of heropening van die
uitkering;.
C. [MvT]
Voor artikel 8 wordt een artikel ingevoegd,
luidende:
Art. 7b. Geen recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering tijdens
vrijheidsontneming
-1. De verzekerde, bedoeld in artikel 7,
heeft geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering indien de dag waarop
het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering zou ingaan, is gelegen in
een periode dat hem rechtens zijn vrijheid is ontnomen.
-2. De verzekerde die op grond van het eerste lid geen recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft, heeft vanaf de dag dat hij in
vrijheid wordt gesteld met inachtneming van de bepalingen van deze wet
recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering indien hij op die dag
arbeidsongeschikt is. Artikel 7, zevende
lid, is van overeenkomstige toepassing.
-3. Voor de toepassing van het eerste lid worden perioden van
vrijheidsontneming samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking
van minder dan vier weken opvolgen.
-4. De verzekerde, bedoeld in het tweede lid, die op de in dat lid
bedoelde dag niet arbeidsongeschikt is, doch ten aanzien van wie dit wel
het geval is binnen vier weken na die dag, heeft met inachtneming van de
bepalingen van deze wet recht op toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Artikel 7, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
-5. Het eerste lid is niet van toepassing en het tweede en vierde lid
zijn van overeenkomstige toepassing op bij algemene maatregel van
bestuur aan te wijzen categorieën personen waarbij tenuitvoerlegging
van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel buiten een
justitiële inrichting plaatsvindt.
D. [MvT]
Aan artikel 19 worden twee leden
toegevoegd, luidende:
-4. Het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering eindigt, indien de
verzekerde rechtens zijn vrijheid is ontnomen, vanaf de dag dat deze
vrijheidsontneming één maand heeft geduurd.
-5. Voor de toepassing van het vierde lid worden perioden van
vrijheidsontneming samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking
van minder dan vier weken opvolgen.
E.
Aan artikel 20 wordt een lid toegevoegd,
luidende:
-5. Artikel 7b en de daarop
berustende bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing.
F.
Aan artikel 21 wordt een lid toegevoegd,
luidende:
-7. Artikel 7b en de daarop
berustende bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing.
G. [MvT]
Aan het einde van hoofdstuk 3, afdeling 1, paragraaf
1, wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Art. 21b. Heropening
van de uitkering na afloop vrijheidsontneming
-1. De verzekerde wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met artikel
19, vierde lid, is geëindigd, heeft vanaf de dag dat hij in
vrijheid wordt gesteld met inachtneming van de bepalingen van deze wet
aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering indien
hij op die dag arbeidsongeschikt is. Artikel 7,
zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
-2. Aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft
eveneens de verzekerde, bedoeld in het eerste lid, die op de in dat lid
bedoelde dag niet arbeidsongeschikt is, doch ten aanzien van wie dit wel
het geval is binnen vier weken na afloop van dat tijdvak.
-3. De artikelen 7, zevende lid, 36
en 37, eerste lid, zijn van overeenkomstige
toepassing met betrekking tot de aanspraak op heropening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in dit artikel.
-4. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op bij
algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën personen
waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende
maatregel buiten een justitiële inrichting plaatsvindt.
H. [MvT]
Aan artikel 22 wordt een lid toegevoegd,
luidende:
-6. De artikelen 7b, 19,
vierde en vijfde lid, en 21b zijn
van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het recht op uitkering
in verband met bevalling.
Art.
IV. Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten [MvT]
De Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten wordt als volgt
gewijzigd:
A. [MvT]
In artikel 1, eerste lid, wordt de punt
aan het einde van onderdeel h vervangen door een puntkomma en
worden twee onderdelen toegevoegd, luidende:
i. rechtens zijn vrijheid is ontnomen: rechtens zijn vrijheid is
ontnomen, behoudens de gevallen, bedoeld in de Wet
bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen en in artikel 37, eerste lid, van het
Wetboek van
Strafrecht;
j. justitiële inrichting: een penitentiaire inrichting, een
inrichting voor verpleging van terbeschikkinggestelden of een inrichting
voor justitiële jeugdbescherming zijnde een landelijke voorziening als
bedoeld in artikel 65 van de Wet op de jeugdhulpverlening.
B. [MvT]
Voor artikel 7 wordt een artikel
ingevoegd, luidende:
Art. 6b. Geen recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering tijdens
vrijheidsontneming
-1. De jonggehandicapte, bedoeld in artikel 6,
heeft geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering indien de dag waarop
het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering zou ingaan, is gelegen in
een periode dat hem rechtens zijn vrijheid is ontnomen.
-2. De jonggehandicapte die op grond van het eerste lid geen recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft, heeft vanaf de dag dat hij in
vrijheid wordt gesteld met inachtneming van de bepalingen van deze wet
recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering indien hij op die dag
arbeidsongeschikt is. Artikel 6, vijfde
lid, is van overeenkomstige toepassing.
-3. Voor de toepassing van het eerste lid worden perioden van
vrijheidsontneming samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking
van minder dan vier weken opvolgen.
-4. Met inachtneming van de bepalingen van deze wet heeft eveneens recht
op arbeidsongeschiktheidsuitkering de jonggehandicapte, bedoeld in het
tweede lid, die op de in dat lid bedoelde dag niet arbeidsongeschikt is,
doch ten aanzien van wie dit wel het geval is binnen vier weken na die
dag. Artikel
6, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
-5. Het eerste lid is niet van toepassing en het tweede lid en vierde
lid zijn van overeenkomstige toepassing op bij algemene maatregel van
bestuur aan te wijzen categorieën personen waarbij tenuitvoerlegging
van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel buiten een
justitiële inrichting plaatsvindt.
C. [MvT]
Aan artikel 17 worden twee leden
toegevoegd, luidende:
-5. Het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering eindigt, indien de
jonggehandicapte rechtens zijn vrijheid is ontnomen, vanaf de dag dat
deze vrijheidsontneming één maand heeft geduurd.
-6. Voor de toepassing van het vierde lid worden perioden van
vrijheidsontneming samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking
van minder dan vier weken opvolgen.
D. [MvT]
Aan artikel 19 wordt een lid
toegevoegd, luidende:
-4. Artikel 6b en de daarop
berustende bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing.
E.
Aan artikel 20 wordt een lid
toegevoegd, luidende:
-7. Artikel 6b en de daarop
berustende bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing.
F.
Na artikel 20 wordt een artikel
ingevoegd, luidende:
Art. 20a. Heropening
van de uitkering na afloop vrijheidsontneming
-1. De jonggehandicapte wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband
met artikel
17, vijfde lid, is geëindigd, heeft vanaf de dag dat hij in
vrijheid wordt gesteld met inachtneming van de bepalingen van deze wet
recht op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering indien hij op
die dag arbeidsongeschikt is. Artikel 6,
vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
-2. Aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft
eveneens de jonggehandicapte, bedoeld in het eerste lid, die op de in
dat lid bedoelde dag niet arbeidsongeschikt is, doch ten aanzien van wie
dit wel het geval is binnen vier weken na afloop van dat tijdvak.
-3. De artikelen 6, vijfde lid, 29
en 30, eerste lid, zijn van
overeenkomstige toepassing met betrekking tot de aanspraak op heropening
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in dit artikel.
-4. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op bij
algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën personen
waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende
maatregel buiten een justitiële inrichting plaatsvindt.
Art.
V. Werkloosheidswet [MvT]
Aan artikel 19 van de Werkloosheidswet
wordt een lid toegevoegd, luidende:
-8. Het eerste lid, onderdeel h, is niet van toepassing op bij
algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën personen
waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende
maatregel plaatsvindt buiten een penitentiaire inrichting, een
inrichting voor verpleging van terbeschikkinggestelden of een inrichting
voor justitiële jeugdbescherming zijnde een landelijke voorziening als
bedoeld in artikel 65 van de Wet op de jeugdhulpverlening.
Art.
VI. Toeslagenwet [MvT]
Aan artikel 2 van de Toeslagenwet
wordt een lid toegevoegd, luidende:
-5. Zolang een gehuwde of ongehuwde geen recht heeft op een
loondervingsuitkering omdat hem rechtens zijn vrijheid is ontnomen,
heeft hij geen recht op toeslag.
Art.
VII.
Algemene nabestaandenwet [MvT]
De Algemene nabestaandenwet wordt als volgt
gewijzigd:
A. [MvT]
In artikel 1, eerste lid, wordt de punt aan
het einde van onderdeel l vervangen door een puntkomma en
worden twee onderdelen toegevoegd, luidende:
m. rechtens zijn vrijheid is ontnomen: rechtens zijn vrijheid is
ontnomen, behoudens de gevallen, bedoeld in de Wet
bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen en in artikel 37, eerste lid, van het
Wetboek van
Strafrecht;
n. justitiële inrichting: een penitentiaire inrichting, een
inrichting voor verpleging van terbeschikkinggestelden of een inrichting
voor justitiële jeugdbescherming zijnde een landelijke voorziening als
bedoeld in artikel 65 van de Wet op de jeugdhulpverlening.
B. [MvT]
Voor hoofdstuk 3, afdeling II, wordt een
paragraaf ingevoegd, luidende:
§ 10. Geen recht
op nabestaandenuitkering, halfwezenuitkering en wezenuitkering tijdens
vrijheidsontneming
Art. 32c. [MvT]
-1. Geen recht op nabestaandenuitkering ontstaat voor de nabestaande
indien hem op de dag van het overlijden van de verzekerde rechtens zijn
vrijheid is ontnomen. Geen recht op halfwezenuitkering ontstaat voor de
nabestaande indien hem of de halfwees op de dag van het overlijden van
de verzekerde rechtens zijn vrijheid is ontnomen. Geen recht op
wezenuitkering ontstaat voor het kind indien het op de dag van het
overlijden van de verzekerde rechtens zijn vrijheid is ontnomen.
-2. Voor de persoon, bedoeld in het eerste lid, ontstaat, onverminderd artikel
15, 23 of 27,
recht op nabestaandenuitkering, halfwezenuitkering of wezenuitkering
vanaf de dag dat:
a. de nabestaande in vrijheid wordt gesteld en hij voldoet aan een
voorwaarde als bedoeld in
artikel 14, eerste lid, of de voorwaarden, bedoeld in artikel 66a,
tweede lid, en onverminderd artikel 14,
derde lid;
b. de nabestaande en de halfwees in vrijheid worden gesteld en de
nabestaande voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 22,
eerste en tweede lid;
c. het kind in vrijheid wordt gesteld en het voldoet aan een
voorwaarde als bedoeld in artikel
26, eerste en tweede lid.
-3. Het eerste lid is niet van toepassing en het tweede lid is van
overeenkomstige toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aan te
wijzen categorieën personen waarbij tenuitvoerlegging van een
vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel buiten een justitiële
inrichting plaatsvindt.
Art. 32d. [MvT]
-1. Het recht op nabestaandenuitkering eindigt, indien de nabestaande
rechtens zijn vrijheid is ontnomen, vanaf de dag dat deze
vrijheidsontneming één maand heeft geduurd. Het recht op
halfwezenuitkering eindigt, indien de nabestaande of de halfwees
rechtens zijn vrijheid is ontnomen, vanaf de dag dat deze
vrijheidsontneming één maand heeft geduurd. Het recht op
wezenuitkering eindigt, indien het kind rechtens zijn vrijheid is
ontnomen, vanaf de dag dat deze vrijheidsontneming één maand heeft
geduurd.
-2. Voor de persoon, bedoeld in het eerste lid, herleeft, onverminderd artikel
15, 23 of 27,
het recht op nabestaandenuitkering, halfwezenuitkering of wezenuitkering
op de dag dat:
a. de nabestaande in vrijheid wordt gesteld en hij voldoet aan een
voorwaarde als bedoeld in
artikel 14, eerste lid, of de voorwaarden, bedoeld in artikel 66a,
tweede lid, en onverminderd artikel 14,
derde lid;
b. de nabestaande en de halfwees in vrijheid worden gesteld en de
nabestaande voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 22,
eerste en tweede lid;
c. het kind in vrijheid wordt gesteld en het voldoet aan een
voorwaarde als bedoeld in artikel
26, eerste en tweede lid.
-3. Voor de toepassing van het eerste lid worden perioden van
vrijheidsontneming samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking
van minder dan vier weken opvolgen.
-4. Artikel 32c, derde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Art.
VIII.
Algemene bijstandswet [MvT]
Aan artikel 9 van de
Algemene bijstandswet wordt een lid toegevoegd, luidende:
-4. Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op bij
algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën personen
waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende
maatregel plaatsvindt buiten een penitentiaire inrichting, een
inrichting voor verpleging van terbeschikkinggestelden of een inrichting
voor justitiële jeugdbescherming zijnde een landelijke voorziening als
bedoeld in artikel 65 van de Wet op de jeugdhulpverlening.
Art.
IX. Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers [MvT]
Aan artikel 6 van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers wordt een lid toegevoegd, luidende:
-4. Het eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing op bij
algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën personen
waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende
maatregel plaatsvindt buiten een penitentiaire inrichting, een
inrichting voor verpleging van terbeschikkinggestelden of een inrichting
voor justitiële jeugdbescherming zijnde een landelijke voorziening als
bedoeld in artikel 65 van de Wet op de jeugdhulpverlening.
Art.
X. Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen [MvT]
Aan artikel 6 van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen wordt een lid toegevoegd, luidende:
-6. Het derde lid, onderdeel d, is niet van toepassing op bij
algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën personen
waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende
maatregel plaatsvindt buiten een penitentiaire inrichting, een
inrichting voor verpleging van terbeschikkinggestelden of een inrichting
voor justitiële jeugdbescherming zijnde een landelijke voorziening als
bedoeld in artikel 65 van de Wet op de jeugdhulpverlening.
Art.
XI. Wet
inkomensvoorziening kunstenaars [MvT]
Aan artikel 5 van de Wet
inkomensvoorziening kunstenaars wordt een lid toegevoegd, luidende:
-3. Het eerste lid, onderdeel d, is niet van toepassing op bij
algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën personen
waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende
maatregel plaatsvindt buiten een penitentiaire inrichting, een
inrichting voor verpleging van terbeschikkinggestelden of een inrichting
voor justitiële jeugdbescherming zijnde een landelijke voorziening als
bedoeld in artikel 65 van de Wet op de jeugdhulpverlening.
Art.
XII.
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 [MvT]
Artikel 95 van de
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 wordt als volgt
gewijzigd:
1.
Voor de tekst wordt de aanduiding "-1." geplaatst.
2. Onderdeel e wordt vervangen
door:
e. Onze Minister van Justitie voor zover
het betreft de persoon die rechtens zijn vrijheid is ontnomen;.
3. Aan het artikel wordt een lid
toegevoegd, luidende:
-2. Onze Minister van Justitie verstrekt ten aanzien van de persoon die
rechtens zijn vrijheid is ontnomen, onverwijld en kosteloos de
beschikbare informatie en alle overige opgaven en inlichtingen die van
invloed kunnen zijn op het recht op een uitkering, aan de Sociale Verzekeringsbank
en het Landelijk instituut sociale verzekeringen,
waarbij hij gebruik kan maken van het sociaal-fiscaal nummer.
Art.
XIII.
Wijziging artikel III, onderdeel B
Indien artikel III, onderdeel A, van het
bij koninklijke boodschap van 25 november 1997 ingediende voorstel van
wet (Wet beperking export uitkeringen;
Kamerstukken 25 757) vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze
wet in werking is getreden, wordt artikel III, onderdeel
B, van deze wet vervangen door:
B.
Artikel 3, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. Onderdeel c wordt vervangen door:
c. die recht heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering dan wel die
door de toepassing van artikel
7a, eerste lid, of 7b,
eerste lid, geen recht heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering doch met
toepassing van
artikel
7a, tweede of derde lid, of 7b,
tweede of vierde lid, in aanmerking komt voor toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering;.
2. Onderdeel d wordt vervangen door:
d. wiens recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering is geëindigd op
grond van artikel
19, eerste lid, onderdeel b, of vierde lid, of 19a
doch met toepassing van
artikel 20, 21,
21a of 21b
in aanmerking komt voor toekenning of heropening van zijn
arbeidsongeschiktheidsuitkering;.
3. Onderdeel f wordt vervangen door:
f. die recht heeft op een uitkering in verband met bevalling op
grond van deze wet dan wel die door de toepassing van artikel 22,
zesde lid, of
22a geen recht heeft op uitkering
in verband met bevalling doch met toepassing van dat artikel, door
overeenkomstige toepassing van artikel
7a, tweede of derde lid, 7b,
tweede of vierde lid,
21a of 21b,
in aanmerking komt voor toekenning of heropening van die uitkering;.
HOOFDSTUK
2
Overgangs-
en slotbepalingen
Art.
XIV.
Overgangsbepaling inzake artikel 42, tweede lid, van de Ziektewet
[MvT]
Ten aanzien van een persoon wiens vrijheid op de dag voorafgaande aan de
inwerkingtreding van artikel I van deze wet reeds
rechtens was ontnomen, wordt voor de toepassing van het in artikel I, onderdeel B,
opgenomen
artikel 19b, eerste en vierde lid,
van de Ziektewet als eerste dag waarop de
vrijheidsontneming plaatsvindt, aangemerkt de dag van inwerkingtreding
van artikel I van deze wet en blijft het Landelijk
instituut sociale verzekeringen tot de dag dat deze
vrijheidsontneming één maand heeft geduurd, bevoegd het ziekengeld
geheel of gedeeltelijk uit te keren aan de personen wier kostwinner hij
is, overeenkomstig artikel 42, tweede lid,
van de Ziektewet, zoals dit artikellid luidde op
de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I
van deze wet.
Art.
XV. Overgangsbepaling
overige wetten [MvT]
Ten aanzien van een persoon wiens vrijheid op de dag voorafgaande aan de
inwerkingtreding van de artikelen in deze wet reeds rechtens was
ontnomen, wordt voor de toepassing van het in artikel II,
onderdeel D, opgenomen
artikel 43, vijfde lid, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de in artikel III,
onderdeel D en F, opgenomen artikelen
19, vierde lid, en 22, zesde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen, het in
artikel IV, onderdeel C, opgenomen artikel
17, vijfde lid, van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, het in artikel
VI
opgenomen artikel 2, vijfde lid, van de Toeslagenwet,
respectievelijk het in
artikel VII, onderdeel B, opgenomen artikel 32d,
eerste lid, van de
Algemene nabestaandenwet, als eerste dag
waarop de vrijheidsontneming plaatsvindt, aangemerkt de dag van
inwerkingtreding van artikel II, onderdeel D, III,
onderdeel D en F, IV, onderdeel C, VI
respectievelijk VII, onderdeel B, van deze wet.
Art.
XVI.
Eenmalige informatieverstrekking door de Minister van Justitie
Onze Minister van Justitie verstrekt
onverwijld na het tijdstip van inwerkingtreding van respectievelijk de
artikelen I, II, III,
IV, VI of VII
ten aanzien van de persoon wiens vrijheid op de dag voorafgaande aan de
inwerkingtreding van het desbetreffende artikel reeds rechtens was
ontnomen en op de dag van die inwerkingtreding nog steeds is ontnomen,
kosteloos de beschikbare informatie en alle overige opgaven en
inlichtingen die van invloed kunnen zijn op respectievelijk:
a. het recht op ziekengeld op grond van de Ziektewet;
b. het recht op toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering;
c. het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering dan wel het
recht op een uitkering in verband met bevalling op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen;
d. het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van
de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten;
e. het recht op toeslag op grond van de Toeslagenwet;
of
f. het recht op nabestaandenuitkering, het recht op
halfwezenuitkering dan wel het recht op wezenuitkering op grond van de Algemene
nabestaandenwet;
aan de
Sociale Verzekeringsbank en het Landelijk
instituut sociale verzekeringen, waarbij hij gebruik kan maken van
het sociaal-fiscaal nummer.
Art.
XVII.
Intrekking [MvT]
De Wet sociale verzekering gedetineerden wordt ingetrokken.
Art.
XVIII.
Inwerkingtreding
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.¹
1. Bij Besluit
van 28 januari 2000, Stb. 2000, 54, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 mei 2000, red.
Art.
XIX.
Citeertitel [MvT]
Deze wet wordt aangehaald als: Wet socialezekerheidsrechten
gedetineerden.
Lasten en
bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat
alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 22 december
1999
BEATRIX
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
K.G. de Vries
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
Uitgegeven de dertigste
december 1999
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|
|