|
rblz.|1|
Kamerstukken II
1998-1999, 26 726
Wijziging
van de Werkloosheidswet in verband met wijziging
van de instroom in de wachtgeldfondsen alsmede enkele andere wijzigingen
in de Werkloosheidswet
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Vervallen van eis dat
26 weken in dezelfde sector gewerkt moet zijn om de eerste
zes maanden van de WW-uitkering ten laste van het
wachtgeldfonds te brengen |
| 3 |
Wijziging van de
bevoegdheid tot vrijstelling van de verplichtingen gericht op
arbeidsinpassing |
| 4 |
Financiële effecten |
|
xArtikelsgewijs |
| xx |
Artikelen
I t/m V |
Algemeen
1.
Inleiding
Jaarlijks wordt een fors
gedeelte van de instroom in de werkloosheid onmiddellijk ten laste
gebracht van het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf). Dit is onder
andere een gevolg van de bepaling op grond waarvan een uitkering alleen ten
laste van het wachtgeldfonds wordt gebracht als de werknemer 26 weken in
dezelfde sector heeft gewerkt. De regering acht het wenselijk de bepaling
dat in dezelfde sector gewerkt moet zijn te schrappen. Hierdoor
zullen de kosten van ontslag neerslaan in de sector waar de ontslagbeslissing
is gevallen. Dit voorstel voorziet hierin.
Verder wordt geregeld dat
de bevoegdheid om werknemers vrij te stellen van de verplichtingen
gericht op arbeidsinpassing van het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) overgaat naar de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid.
Daarnaast is van de
gelegenheid gebruik gemaakt om in dit wetsvoorstel ook enkele andere - veelal redactionele
- wijzigingen onder te brengen.
2. Vervallen van eis dat
26 weken in dezelfde sector gewerkt moet zijn om de eerste
zes maanden van de WW-uitkering ten laste van het
wachtgeldfonds te brengen
De financiering van de
Werkloosheidswet (WW) kent naast elementen van equivalentie ook
elementen van solidariteit. Dit neemt niet weg dat de regering van mening is
dat, indien mogelijk, de lasten daar kunnen worden neergelegd waar ze
veroorzaakt worden. Dit is een prikkel om geen onnodig beroep te
doen op de sociale zekerheid.
In dat kader heeft de
regering per 1 januari 1998 in de WW de wachtgeldperiode verlengd van
dertien weken
naar zes maanden. Daarmee komen de over eerste zes maanden van
werkloosheid te betalen WW-uitkeringen ten laste van de wachtgeldfondsen.
Hierdoor is een deel van de werkloosheidslasten van het AWf naar de sectorale wachtgeldfondsen verschoven.
Dit is een stimulans voor
werkgevers om op sectorniveau de kortdurende werkloosheid terug te dringen.
rblz.|2|
Het effect van deze
maatregel wordt echter ondergraven doordat blijkt dat er jaarlijks een fors
gedeelte van de instroom in de werkloosheid onmiddellijk ten laste
wordt gebracht van het AWf.
Dit is voor een deel te
verklaren door zogenaamde herlevingsgevallen (artikel 21 van de
WW).
Als de uitkering vóór de beëindiging reeds ten laste van het AWf kwam,
geldt dat natuurlijk ook voor die uitkering in geval van herleving.
Voorts is de
onmiddellijke financiering vanuit het AWf te verklaren vanuit artikel
90, eerste lid,
onderdeel a, van de WW. Daarin wordt namelijk
bepaald dat een uitkering alleen ten laste van het wachtgeldfonds wordt gebracht als de werknemer
26 weken in dezelfde sector heeft gewerkt. Met andere woorden, als
een werknemer de laatste 26 weken in twee verschillende sectoren
heeft gewerkt en hij wordt werkloos, komt zijn werkloosheidsuitkering
niet ten laste van het wachtgeldfonds, maar wordt de uitkering onmiddellijk
ten laste van het AWf gebracht.
Deze bepaling stamt uit
de tijd van de bedrijfsverenigingen. Vóór 1997 voerden
bedrijfsverenigingen de sociale verzekeringen uit voor werknemers werkzaam in
een bepaalde bedrijfstak. De bedrijfsverenigingen beheerden ook de
wachtgeldfondsen van de bedrijfstakken. Het werd redelijk geacht dat
een werknemer pas aanspraak kon maken op een uitkering uit het
wachtgeldfonds als hij minimaal een halfjaar werkzaam was geweest in de
bedrijfstak. Het werd onterecht gevonden dat de bedrijfsvereniging (i.c.
de bedrijfstak) moest opdraaien voor de kosten van ontslag van een werknemer
die pas kort in de bedrijfstak werkzaam is. Het lag echter evenmin voor
de hand om deze lasten bij een andere bedrijfsvereniging te declareren. Dit zou
ook extra uitvoeringsproblemen met zich meebrengen. Omdat het
ging om relatief weinig gevallen, is er toen voor gekozen deze lasten maar
onmiddellijk uit het AWf te financieren.
In de jaren negentig is
het accent in het beleid meer te komen liggen op de activerende werking
van het stelsel. Het stelsel moet zo worden vormgegeven dat het
beroep op de sociale zekerheid zo beperkt mogelijk wordt gehouden. De
vormgeving van de financiering kan hiertoe bijdragen.
Het standpunt dat het
onredelijk is om een wachtgeldfonds te belasten met de uitkeringslasten
van een werknemer die nog maar kort in de sector werkzaam is en dat deze
lasten dus door het AWf moeten worden gedragen, is dan niet
langer vanzelfsprekend. Het is immers goed verdedigbaar om de sector
waar de ontslagbeslissing valt te confronteren met de kosten daarvan,
ook als de desbetreffende werknemer nog geen zes maanden in die sector
gewerkt heeft. Deze keuze is te prefereren boven een afwenteling van de
kosten naar het AWf. Afwenteling van deze lasten op het landelijk
collectief staat immers haaks op het toenemende belang van juiste prikkels in de
financiering van de sociale zekerheid.
Een bijkomend argument is
dat door de groei van het aantal wachtgeldfondsen de kans op sectoroverstijgende mobiliteit is toegenomen.
Daarmee is ook de kans
toegenomen van onmiddellijke instroom in het AWf als gevolg van
toepassing van artikel 90, eerste lid, onderdeel
a, van de WW.
De regering acht het om
deze redenen wenselijk de bepaling dat in dezelfde sector gewerkt
moet zijn te schrappen. Hierdoor zullen de kosten van ontslag neerslaan in
de sector waar de ontslagbeslissing is gevallen. Deze wetswijziging
voorziet hierin.
rblz.|3|
3. Wijziging van de
bevoegdheid tot vrijstelling van de verplichtingen gericht op
arbeidsinpassing
Volgens de aanwijzingen
inzake zelfstandige bestuursorganen (ZBO’s) kan slechts regelgevende bevoegdheid aan
ZBO’s worden toegekend voor
zover het
organisatorische of technische onderwerpen betreft, of in bijzondere gevallen mits
in de bevoegdheid tot goedkeuring van de regeling door de minister
is voorzien (aanwijzing 124f [van de Aanwijzingen voor de
regelgeving, red.]). Bij de totstandkoming van de Invoeringswet
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 (IOsv 1997) is nagegaan
in welke gevallen de bevoegdheid of de verplichting tot het
opstellen van lagere regelgeving - gezien de aanwijzing - over zou
moeten gaan op de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid. Bij deze
inventarisatie is als uitgangspunt gehanteerd dat regelgeving die
organisatorisch of technisch van aard is bij de uitvoeringsorganisatie
dient te blijven. Het opstellen van andere regelingen dient echter
door of op initiatief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
te geschieden.
De
WW kent in de
artikelen 24, zevende lid, en 26, derde lid, een
bevoegdheid voor het Lisv
om werknemers vrij te stellen van een aantal verplichtingen gericht op
arbeidsinpassing. Het gaat hierbij onder andere om de sollicitatieverplichting, de verplichting een aanbod van passende
arbeid te aanvaarden en
de verplichting mee te werken aan een noodzakelijke scholing. Bij de
vaststelling van de IOsv 1997 is deze bevoegdheid uit met name praktische
overwegingen niet overgegaan naar de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid.
De verplichtingen gericht
op arbeidsinpassing zijn echter belangrijke instrumenten in het
beleid gericht op activering en bij het bevorderen van de uitstroom uit de
WW.
De vraag of bepaalde groepen werknemers wel of niet vrijgesteld
worden van bepaalde verplichtingen speelt dan ook een belangrijke rol in het
kader van de reïntegratie van werklozen. Zo heeft de regering bijzondere
aandacht voor de arbeidsmarktpositie van ouderen en zal, naarmate het
leeftijdsbewust personeelsbeleid meer succesvol is en oudere werkzoekenden
een
reële kans maken op de arbeidsmarkt, in overleg met sociale
partners, de gefaseerde invoering van sollicitatieplicht voor mensen ouder dan
57,5 in beeld kunnen komen. In dit voorstel wordt dan ook geregeld dat deze
bevoegdheid overgaat naar de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid.
4. Financiële effecten
Thans is bij ongeveer 11%
van de instroom in ontslagwerkloosheid de wekeneis niet in één
sector volgemaakt. Deze stromen nu rechtstreeks het AWf in. In 1998 bedroeg
de instroom naar verwachting 425 000 personen.
Het onderbrengen van de
lasten bij de sector waar de ontslagbeslissing is genomen, zal naar
verwachting leiden tot ƒ232 mln minder lasten in het AWf en ƒ212 mln meer
lasten in de wachtgeldfondsen. Vanwege de veronderstelde stimulans
voor werkgevers wordt een besparing verondersteld van ƒ20 mln als gevolg van
verminderde instroom in de ontslagwerkloosheid (met name kortdurende
werkloosheid).
Vanwege het eerstejaarseffect zal de besparing in het eerste jaar de helft bedragen
(ƒ10 mln). Ook
zal de daling van de lasten in het AWf en de stijging van de lasten in
de wachtgeldfondsen maar voor de helft optreden. Dit is het
gevolg van een geleidelijke instroom gedurende het jaar. De
uitvoeringskosten AWf en wachtgeldfondsen zullen structureel dalen respectievelijk
stijgen met een bedrag van rond de ƒ40 mln. Per saldo wordt een besparing
verwacht van ongeveer ƒ3 mln als gevolg van een verminderde instroom. In
het eerste jaar zal dit de helft bedragen.
rblz.|4|
Vanwege het feit dat voor
de werkloosheidspremie (AWf en wachtgeldfondsen tezamen) een verdeling
geldt van 50%-50% werkgevers- respectievelijk werknemersdeel, zal de
AWf-premie voor de werkgevers gelijkmatig dalen. Daar
tegenover staat dat de premie voor het wachtgeldfonds per sector verschillend
kan toenemen. Dit als gevolg van verschillen in de toename van de
instroom per sector. De premie zal het meest toenemen in de sectoren Detailhandel,
Zakelijke Dienstverlening, Banken, Uitleenbedrijven, Timmerindustrie, Uitgeverij,
Groothandel, Overige takken van bedrijf en de sector Gezondheidszorg. De premie-effecten zijn gemiddeld genomen
beperkt.
Structureel betekent de
lastenvermindering van ƒ272 mln (inclusief uitvoeringskosten) dat de
AWf-premie met 0,24% daalt. Daar staat een gemiddelde
wachtgeldpremiestijging van 0,10 procentpunt tegenover. Deze structurele situatie wordt pas in
2001 bereikt. In 2000 zijn de effecten respectievelijk 0,12 procentpunt
AWf-premiedaling en 0,05 procentpunt gemiddelde wachtgeldpremiestijging.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel
I. Wijziging
Werkloosheidswet
Onderdeel B
Aangezien in
artikel 1,
onderdeel a, van de WW "Onze
Minister" al is gedefinieerd als "Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid" kan in artikel
7, eerste
lid, van de WW de zinsnede "van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid"
vervallen.
Onderdelen D,
E, G,
L en Q
Op grond van aanwijzing
86 van de Aanwijzingen voor de
regelgeving wordt bij aanhaling van
een regeling met de citeertitel het Staatsblad of de Staatscourant waarin
zij is geplaatst niet vermeld. Een regeling die een citeertitel heeft, wordt
daardoor afdoende geïdentificeerd. Als verwijzing naar de vindplaats van de
tekst van de regeling heeft vermelding van het Staatsblad- of Staatscourantnummer ook geen zin, omdat die tekst veelal later gewijzigd zal zijn.
Met de onderhavige onderdelen wordt de WW aangepast aan deze
aanwijzing.
Onderdelen
F, H en N
Met
artikel 29, onderdeel A, van de Wet inschakeling werkzoekenden is per 1 januari 1998
artikel 19a van de WW komen te vervallen. De
verwijzingen naar dat
artikel kunnen daarmee eveneens vervallen. De onderhavige onderdelen
voorzien daarin.
Voorts wordt met de
aanpassing van de tekst van de artikelen 16, negende
lid, en 20, eerste lid,
onderdeel d, van de WW bewerkstelligd dat die tekst
beter aansluit bij de
bedoeling van de wetgever. De letterlijke tekst van die bepalingen impliceert
thans immers - onbedoeld - dat geen eerste werkloosheidsdag
ontstaat, respectievelijk het recht op WW-uitkering
eindigt, op het moment
dat zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel
19, eerste
lid, van de WW, ook al is er sprake van een situatie
waarin, op grond van een van de andere leden van dat artikel, recht op uitkering zou kunnen
bestaan.
Onderdelen
I, onder 1, en K
Op grond van artikel VI,
onderdeel B, van de Wet van 14 mei 1998,
houdende wijziging van
het Burgerlijk
Wetboek, het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945
rblz.|5|
en van enige andere wetten (flexibiliteit en
zekerheid), zijn per 1
januari 1999 het derde tot en met zesde lid van artikel 24 van de
WW vernummerd tot vierde tot en met zevende lid. Met
de onderhavige onderdelen
worden de artikelen 24, vijfde lid, en 27,
derde lid, van de WW hieraan,
met terugwerkende kracht, aangepast.
Onderdelen
I, onder 2, en J
Voor de toelichting op
deze onderdelen wordt verwezen naar paragraaf 3 van het algemeen deel van
de toelichting.
Onderdeel M
Het gezegde
"zouden"
slaat terug op het onderwerp "som" en dient dus vervangen te worden door
"zou".
Onderdeel O
Met
artikel 16, onderdeel I, van de Veegwet SZW 1998 is aan
artikel 28 van de WW
een derde lid
toegevoegd. In dat lid is bepaald dat een weigering van WW-uitkering geacht
wordt te zijn voortgezet gedurende de periode dat de betrokkene recht
heeft op een reïntegratie-uitkering op grond van de Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten. Bij de vaststelling van de hoogte van de
reïntegratie-uitkering wordt namelijk rekening gehouden met een op grond
van de WW opgelegde maatregel, die aldus een verlagend effect
heeft op de hoogte van die reïntegratie-uitkering. Indien de duur van de
opgelegde maatregel verstrijkt op een moment dat er nog recht bestaat op
een reïntegratie-uitkering, wordt die uitkering dan ook verhoogd. Het ligt
in
een dergelijke situatie niet in de rede dat, in geval van herleving van
het recht op WW-uitkering na eindiging van het recht op
reïntegratie-uitkering, de maatregel wordt voortgezet op grond van artikel
28, eerste
lid, van de WW. Indien de duur van de opgelegde maatregel niet is
verstreken tijdens het recht op reïntegratie-uitkering, dient in situaties van
herleving van het recht op WW-uitkering de maatregel weliswaar te
worden voortgezet, maar dient met betrekking tot de duur van die
voortzetting de maatregel geacht te hebben doorgelopen tijdens de
reïntegratie-uitkering.
Artikel 28, derde lid,
van de WW voorziet in beide situaties. Dat artikellid
ziet echter alleen op de loongerelateerde WW-uitkering en de vervolguitkering,
doch niet op de kortdurende WW-uitkering. Het dient dan ook, net zoals met het eerste
lid van artikel 28 van de WW
al het geval was, van overeenkomstige toepassing te zijn met betrekking tot het recht op
kortdurende WW-uitkering.
Het onderhavige onderdeel voorziet daarin en krijgt, evenals artikel
16, onderdeel I, van de Veegwet SZW 1998, terugwerkende kracht tot
en met 1 juli 1998. Voorts vervalt hiermee de verwijzing naar artikel
29 van de WW, dat per 1 januari 1997 vervallen is
op grond van artikel 22,
onderdeel B, van de Invoeringswet
Arbeidsvoorzieningswet 1996. Volledigheidshalve zij opgemerkt dat in de
tekstplaatsing van de WW
in Stb. 1999, 21, in de tekst van artikel 52e
tussen "28, eerste
lid"
en "29" een komma is opgenomen die evenwel in de geldende wettekst
ontbreekt. Het ontbreken van die komma in dit onderdeel is derhalve
geen omissie.
Onderdeel P
In
artikel 55, eerste
lid, van de WW wordt nog verwezen naar artikel 39
van de - per 1 maart
1997 - ingetrokken Organisatiewet sociale verzekeringen. Met het onderhavige
onderdeel wordt die verwijzing vervangen door een verwijzing naar
het overeenkomstige artikel in de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997.
rblz.|6|
Onderdeel
R, onder 1
Voor de toelichting op
dit onderdeel verwijs ik naar paragraaf 2 van het algemeen deel van deze
toelichting. Daarbij merk ik op dat een WW-uitkering die binnen
zes maanden na het ontstaan van het recht daarop eindigt, in geval
van herleving voor de nog resterende duur van die zes maanden ten laste
van het wachtgeldfonds komt waaruit de uitkering in de periode vóór de eindiging werd gefinancierd.
Het wetsvoorstel
beïnvloedt de premievaststelling voor het AWf en de wachtgeldfondsen. Het is
vanwege uitvoeringstechnische redenen belangrijk dat het
voorstel meegenomen kan worden bij de premiewijzigingen per 1 januari 2000.
Premiewijzigingen in de loop van het jaar betekenen zowel voor de uitvoeringsinstellingen als voor werkgevers
extra administratieve
lasten. Vandaar dat gekozen is voor (beperkte) terugwerkende kracht
mocht de inwerkingtredingsdatum van 1 januari niet gehaald worden.
Onderdeel S
De
verwijzing in
artikel
103 van de WW naar artikel
69, eerste lid, van die
wet ziet op artikel 69
van de WW zoals dat is ingetrokken per 1 januari
1996. Deze verwijzing
komt met het onderhavige onderdeel dan ook te vervallen. Om verwarring
voorkomen met betrekking tot de financiering van de subsidies op grond
van artikel 69 van de WW, zoals dat per 31
december 1998 is
ingevoerd met de Veegwet SZW 1998, krijgt dit onderdeel terugwerkende
kracht tot en met laatstgenoemde datum. Die subsidies worden immers
gefinancierd vanuit de wachtgeldfondsen (artikel
90, eerste lid,
onderdeel j, van de WW) en niet uit het
AWf, waar artikel 103 van de WW
betrekking op heeft.
Onderdeel
T, onder 1
Dit onderdeel vloeit
voort uit de wijziging van de artikelen 24, zevende lid, en
26, derde lid, zoals
opgenomen in de onderdelen I, onder 2, en J.
Onderdeel
T, onder 2
In
artikel 116, tweede
lid, van de WW, betreffende het goedkeuringsvereiste
inzake een door het Lisv vastgesteld besluit inzake een gemiddeld premiepercentage voor
alle sectoren, wordt ten onrechte verwezen naar 86, eerste lid, van
die wet. Een dergelijk besluit wordt door het Lisv
immers niet vastgesteld
op grond van het eerste lid, maar van het vierde lid van laatstgenoemd
artikel. Bovendien is het goedkeuringsvereiste met betrekking tot een
besluit van het Lisv op grond van artikel 86, eerste lid,
neergelegd in artikel 124
van de WW. Met het onderhavige onderdeel wordt artikel
116, tweede
lid, van de WW op dit punt hersteld.
Onderdeel
T, onder 3
In
artikel 3 van het
Besluit subsidieverstrekking WW is dwingend voorgeschreven dat door
het Lisv per wachtgeldfonds een subsidieplafond wordt vastgesteld. Op
grond van artikel 4:25 van de Algemene wet bestuursrecht wordt
een subsidie geweigerd voor zover door verstrekking daarvan het
subsidieplafond zou worden overschreden.
De vaststelling van een
subsidieplafond geschiedt bij afzonderlijk besluit van het Lisv. De
mogelijkheid tot beheersing van de totale uitgaven op centraal niveau is echter
gewenst. Gelet hierop wordt voorgesteld artikel 116 van de
WW uit te
breiden met een vierde lid, waarin het vereiste van goedkeuring door de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid van
de door het Lisv
vastgestelde subsidieplafonds is opgenomen.
rblz.|7|
Artikel
II. Tijdelijke
wijziging Werkloosheidswet
Gezien de vernummering
per 1 januari 1999 van artikel 24, zesde lid, in
artikel 24, zevende lid,
dient artikel 116, eerste lid, van de Werkloosheidswet daaraan
met terugwerkende kracht tot en met die datum te worden aangepast
(zie ook de toelichting op artikel I, onderdeel I, onder
1, en
K). Gelet
op artikel I, onderdeel T, onder 1, betreft dat evenwel een tijdelijke
wijziging tot het tijdstip van inwerkingtreding van deze
wet.
Artikel
III.
Overgangsrecht regels op grond van artikel 24, zevende lid, van de
Werkloosheidswet
Gelet op
artikel I, onderdeel I, onder 2, en J, kan vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van
deze
wet niet langer het Lisv regels stellen op grond van artikel
24, zevende
lid, en artikel 26, derde lid, van de WW, maar
de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid. De door het Lisv gestelde regels worden om
die reden vanaf dat tijdstip beschouwd als regels van de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Artikel
IV.
Overgangsrecht goedkeuring subsidieplafonds
Gelet op
artikel I,
onderdeel T, onder 3, behoeven door het Lisv
op grond van artikel 69 van de
WW vastgestelde subsidieplafonds vanaf het tijdstip
van inwerkingtreding van
deze wet de goedkeuring van de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid.
Aangezien het ongewenst
is om vóór dat tijdstip vastgestelde subsidieplafonds alsnog onder dit goedkeuringsvereiste te brengen, is in het
onderhavige artikel
bepaald dat deze subsidieplafonds geacht worden te zijn goedgekeurd op grond
van artikel 116, vierde lid, van de WW.
Artikel
V.
Inwerkingtreding
Waar aan (onderdelen van)
artikelen terugwerkende kracht is verleend, is daarop ingegaan bij de
toelichting op die artikelen.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst
|
|