|
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 1998-1999, 1999-2000, 26 435.
Handelingen II 1999-2000, blz. 507-526, 536-556, 600-601.
Kamerstukken I 1999-2000, 26 435 (35, 35a, 35b, 35c).
Handelingen I 1999-2000, zie vergadering d.d. 20 december 1999.
MEMORIE
VAN TOELICHTING
WET van 22 december 1999, Stb.
1999, 598, tot wijziging van de Wet voorzieningen
gehandicapten in verband met de tweede evaluatie van die
wet. Inwerkingtreding: 1 april 2000 (Stb.
2000, 52).
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is om de Wet voorzieningen gehandicapten
te wijzigen in verband met de tweede evaluatie van die
wet;
Zo is het, dat Wij, de Raad
van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben
goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Art.
I. [MvT]
De Wet voorzieningen gehandicapten wordt
gewijzigd als volgt:
A. [MvT]
Artikel 1 wordt gewijzigd als volgt:
1. In het eerste lid wordt onderdeel c
vervangen door:
c. woonvoorziening: elke voorziening die verband houdt met een
maatregel die gericht is op het opheffen of verminderen van ergonomische
beperkingen die gehandicapten in het normale gebruik van hun woning
ondervinden. Tot de woonvoorziening wordt ook een uitraasruimte
gerekend, waaronder verstaan wordt een verblijfsruimte waarin een
gehandicapte die vanwege een gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag
vertoont zich kan afzonderen of tot rust kan komen.
2. Het achtste lid vervalt.
B. [MvT]
Na artikel 1 wordt een artikel ingevoegd,
luidende:
Art. 1a.
-1. Het gemeentebestuur stelt bij verordening regels vast die zijn
gericht op de realisatie en de vormgeving van cliëntenparticipatie bij
de uitvoering van de wet met inachtneming van artikel 150 van de Gemeentewet.
-2. In deze verordening worden ten minste geregeld:
a. dat de reikwijdte van de cliëntenparticipatie betrekking
heeft op het integrale gemeentelijke gehandicaptenbeleid;
b. dat de gemeentebesturen tijdig advies vragen aan de lokale
platforms over wijziging in de verordening en uitvoeringsregelingen;
c. welke faciliteiten het gemeentebestuur beschikbaar stelt aan
de lokale platforms.
C. [MvT]
Artikel 5 wordt gewijzigd als volgt:
1. Het eerste lid, onderdeel a, komt
te luiden:
a. de gevallen en de vorm waarin voorzieningen kunnen worden
verleend, waarbij wordt bepaald dat woonvoorzieningen waarvan de kosten
gelijk zijn aan of meer bedragen dan ƒ100 000,00 niet worden verleend,
tenzij weigering van die voorziening gelet op het belang dat deze
regeling beoogt te beschermen, zou leiden tot onbillijkheden van
overwegende aard;.
2. Toegevoegd wordt een zesde lid,
luidende:
-6. Het bedrag, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, kan door Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, na overleg met Onze
Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, met
ingang van een kalenderjaar worden gewijzigd indien daartoe aanleiding
bestaat als gevolg van de ontwikkeling van de prijzen van bouwkundige of
woontechnische ingrepen in of aan de woning.
D.
[MvT]
Artikel 8 komt te luiden:
Art. 8.
-1. Alvorens op een aanvraag van een woonvoorziening waarvan de kosten
gelijk zijn aan of meer bedragen dan ƒ45 000,00 te besluiten, wint het
gemeentebestuur omtrent de noodzaak van deze voorziening advies in van
het orgaan, bedoeld in artikel 9a van de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.
-2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat het eerste
lid van overeenkomstige toepassing is op in die maatregel aan te wijzen
voorzieningen.
-3. Een krachtens het tweede lid vastgestelde algemene maatregel van
bestuur treedt niet eerder in werking dan acht weken na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin het is geplaatst. Van de plaatsing
wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der
Staten-Generaal.
E.
[MvT]
Na artikel 10 worden twee nieuwe artikelen ingevoegd, luidende:
Art. 10a. [MvT]
-1. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan ten laste van
’s Rijks kas aan de gemeente een uitkering verstrekken in de kosten
van:
a. voorzieningen aan gehandicapten die verblijven in een
instelling die ingevolge artikel 8 van de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten is toegelaten;
b. woonvoorzieningen waarvan de kosten gelijk zijn aan of meer
bedragen dan ƒ45 000,00.
-2. Met betrekking tot het eerste lid worden bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur nadere regels gesteld. Daarbij kan onderscheid
worden gemaakt tussen categorieën gemeenten.
Art. 10b. [MvT]
-1. Het gemeentebestuur verstrekt desgevraagd kosteloos aan Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de gegevens die hij met
betrekking tot deze wet nodig heeft.
-2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels
worden gesteld met betrekking tot het verstrekken van de in het eerste
lid bedoelde gegevens.
F. [MvT]
In artikel 22 vervalt het tweede lid, alsmede de aanduiding
"-1." voor
het eerste lid.
Art.
II.
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.¹
1. Bij Besluit
van 26 januari 2000, Stb. 2000, 52, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 april 2000, red.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst
en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
22 december 1999
BEATRIX
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
K.G. de Vries
Uitgegeven de dertigste
december 1999
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|
|