|
rblz.|1|
Kamerstukken II
1998-1999, 26 435
Wijziging
van de Wet voorzieningen
gehandicapten in verband met de tweede evaluatie van die
wet
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Doelstellingen |
| 3 |
Decentralisatie van de
woningaanpassingen |
| 4 |
Wvg-indicatiestelling |
| 5 |
Afbakeningsproblematiek |
| 6 |
Cliëntenparticipatie |
| 7 |
Informatievoorziening |
| 8 |
Gevolgen voor de
uitvoering |
| 9 |
Financiële aspecten |
|
xArtikelsgewijs |
| xx |
Artikel
I |
Algemeen
1.
Inleiding
In zijn standpunt op de
tweede evaluatie van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) geeft
het kabinet een beoordeling op hoofdlijnen van drie jaar uitvoering
van de Wvg door gemeenten (Kamerstukken II 1997-1998, 25 847, nr. 1).
De Wvg is op 1 april 1994 van kracht geworden. Gemeenten hebben de
zorgplicht gekregen voor het verlenen van woonvoorzieningen,
vervoersvoorzieningen en rolstoelen aan in de gemeente wonende
gehandicapten voor de deelneming aan het maatschappelijk verkeer.
Het kabinet is overwegend
positief over de wet en de manier waarop de gemeenten de Wvg hebben ingevuld. Er is een groot aantal voorzieningen
verstrekt aan ouderen en
gehandicapten. De Wvg-cliënten zijn voor het overgrote deel tevreden
over de Wvg-voorzieningen.
Dit neemt niet weg dat er
bij de tweede evaluatie ook problemen zijn geconstateerd, waarvoor
in het kabinetsstandpunt verbeteringen zijn voorgesteld. Op een
aantal terreinen is een wijziging van de wet noodzakelijk. De Tweede Kamer heeft na
een algemeen overleg op 18 maart 1998, met enkele aanpassingen, ingestemd met het kabinetsstandpunt.
2. Doelstellingen
De voorgestelde
maatregelen vragen om een aanpassing van de Wvg met betrekking tot de
hieronder genoemde punten:
a. decentralisatie naar gemeenten van de woningaanpassingen waarvan de kosten gelijk zijn aan
of meer bedragen dan ƒ45 000,-, zodat gemeenten de zorgplicht
krijgen voor alle woningaanpassingen;
b. een wettelijke basis
creëren voor medebekostiging door het Rijk van woningaanpassingen
waarvan de kosten gelijk zijn aan of meer bedragen dan ƒ45 000,- om de budgettaire risico’s van gemeenten te beperken;
c. een wettelijke basis
creëren voor de financiering, die thans nog op grond van de Tijdelijke bijdrageregeling AWBZ-gemeenten plaatsvindt;
d. de indicatiestelling
van deze woningaanpassingen, door middel van een verplichte advisering
aan het gemeentebestuur, onder te brengen rblz.|2|
bij de Regionale Indicatieorganen om de doelmatigheid en doeltreffendheid bij de uitvoering van de
Wvg te vergroten;
e. het opnemen in de wet
van de uitraasruimten als een Wvg-voorziening om een eind te maken aan
een hardnekkig probleem in de uitvoering;
f. een wettelijke
verankering te bieden voor de gemeentelijke cliëntenparticipatie, teneinde de belangen van
cliënten te erkennen;
g. een bepaling op te
nemen teneinde te waarborgen dat informatie over de uitvoering van de Wvg
blijvend kan worden verkregen door de Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid.
3. Decentralisatie van de
woningaanpassingen
Het kabinet heeft
geconstateerd dat er bij woningaanpassingen waarvan de kosten gelijk zijn aan
of meer bedragen dan ƒ45 000,- afbakeningsproblemen
bestaan, waaronder problemen met de eigen bijdragen. Voor
woningaanpassingen waarvan de kosten gelijk zijn aan of meer bedragen dan
ƒ45 000,- heeft de Ziekenfondsraad thans een subsidieregeling
getroffen, waarbij de aanpassingskosten tot een maximum van ƒ100 000,-, na aftrek van de eigen bijdrage, door de Ziekenfondsraad wordt
betaald. Woningaanpassingen beneden de ƒ45 000,- vallen onder de
Wvg en daarmee onder de zorgplicht van gemeenten. Met betrekking
tot de woningaanpassingen waarvan de kosten gelijk zijn aan of
meer bedragen dan ƒ45 000,- stelt de regering voor om deze
onder de Wvg te brengen. De gemeenten krijgen derhalve de zorgplicht
voor alle woningaanpassingen.
Vooruitlopend op de
overheveling van de woningaanpassingen waarvan de kosten gelijk zijn aan
of meer bedragen dan ƒ45 000,- naar de
Wvg zijn de eigen bijdragen
in de Regeling Ziekenfondsraad subsidiëring woningaanpassingen
gehandicapten met terugwerkende kracht tot 1 april 1996 in overeenstemming
gebracht met die ingevolge de Wvg. De extra kosten die hiermee
gemoeid zijn, worden op grond van de SZW-begroting gefinancierd.
Bij de decentralisatie
van de woningaanpassingen gaat het erom de gemeenten mogelijkheden
te bieden voor een adequate uitvoering. Het betreft hier een drietal
zaken:
a. Declareren van de
meerkosten ten laste van het Rijk.
Gemeenten zullen een
gedeelte van de dure woningaanpassingen zelf bekostigen. In het
kabinetsstandpunt op de tweede evaluatie van de
Wvg is aangegeven dat
deze gemeentelijke bijdrage ƒ22 000,- zal bedragen en dat gemeenten
voor deze eigen bijdrage worden gecompenseerd middels een
storting in het gemeentefonds. De kosten die de gemeentelijke eigen bijdrage te boven gaan, kunnen worden
gedeclareerd bij het
Rijk. Wij zijn voornemens deze declaratiemogelijkheid bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur nader vorm te geven [zie Besluit
rijksvergoeding Wvg-woonvoorzieningen, red.].
b. Integrale en
onafhankelijke indicatiestelling.
In het kader van de dure
woningaanpassingen zullen gemeenten advies dienen in te
winnen bij de Regionale Indicatieorganen om te bewerkstelligen dat
integrale en onafhankelijke advisering ten grondslag ligt aan de
beslissing tot een dure woningaanpassing over te gaan. Deze gang van
zaken bevordert een zorgvuldige besluitvormingsprocedure.
Daarmee is ook de doelmatigheid gediend, omdat bij een verzoek voor woningaanpassing de integrale behoefte
aan zorg in beeld komt en
een afweging kan worden gemaakt tussen intra- en extramurale
zorgbehoefte, waaruit de keuze van de noodzakelijke voorziening, zoals de
aanpassing van de woning, voortvloeit.
rblz.|3|
c. Verkleinen budgettaire
risico’s voor kleine gemeenten.
In de regeling bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur zal een specifieke
vergoedingsgrondslag worden opgenomen om cumulatie van dure
woningaanpassingen voor gemeenten met minder dan 25 000 inwoners op te
vangen.
Om het financieel risico
voor gemeenten te beperken, is voorlopig voor de bovenstaande
financieringsvorm gekozen. Bij gelegenheid van de derde
Wvg-evaluatie zal deze
worden geëvalueerd met het oog op eventuele overheveling van de
middelen aan het gemeentefonds.
4. Wvg-indicatiestelling
De verbreding van de
zorgindicatiestelling met de
Wvg-indicatiestelling vloeit voort uit het
regeringsbeleid dat gericht is op een integrale, objectieve en
onafhankelijke indicatiestelling voor zorgvoorzieningen voor ouderen en gehandicapten.
Na overleg met de VNG [Vereniging van
Nederlandse Gemeenten, red.] stelt de regering voor, zoals hierboven
aangegeven, de Wvg zodanig aan te passen dat de indicatiestelling voor de
dure woningaanpassingen in de vorm van verplichte advisering aan
het gemeentebestuur onder de verantwoordelijkheid van de Regionale
Indicatieorganen (RIO’s) wordt gebracht. Voorts wordt voorgesteld de
mogelijkheid in de wet op te nemen ook de overige Wvg-indicatiestelling op
termijn bij de RIO’s onder te brengen. Hiermee wordt tevens aangesloten
bij de ontwikkeling de indicatiestelling voor gemeentelijke
zorgvoorzieningen op het terrein van Wvg, wonen en welzijn te laten
verrichten door de RIO’s. In een gezamenlijke aanpak zijn de ministeries van SZW en
VWS, samen met de VNG, een stimuleringstraject gestart om deze
verbreding vanuit de uitvoeringspraktijk inhoud te geven.
5.
Afbakeningsproblematiek
In de discussie over de
afbakening tussen AWBZ en de
Wvg is gebleken dat er ten aanzien van de uitraasruimte behoefte is aan aanpassing van de
wetgeving, omdat deze
voorziening uitgesloten wordt door beide regelingen. De regering
stelt zich op het standpunt dat het niet past zonder reden een
noodzakelijke voorziening uit te sluiten van vergoeding. Aangezien uit de
uitvoeringspraktijk blijkt dat deze situatie zich thans voordoet, is de regering
van mening dat er een wettelijke oplossing moet worden geboden. Een ander
knelpunt, de tweede rolstoel (buitenrolstoel) voor bewoners van
AWBZ-instellingen, zal in het kader van de AWBZ worden opgevangen. De
Tweede Kamer is daarover ingelicht bij brief van de Staatssecretaris van
VWS van 29 juli 1998.
6. Cliëntenparticipatie
Het belang van
cliëntenparticipatie dient naar de mening van de regering te worden erkend. Dat
bleek ook tijdens het algemeen overleg met de Tweede Kamer over de
Wvg,
waarbij het overgrote deel van de Tweede Kamer zich uitsprak voor
het creëren van een wettelijke basis voor cliëntenparticipatie. In
dit voorstel is met het oog daarop een bepaling over
cliëntenparticipatie in de Wvg opgenomen. Ingevolge deze bepaling is het gemeentebestuur
verplicht om bij verordening regels vast te stellen die zijn gericht op de
realisatie en de vormgeving van cliëntenparticipatie bij de uitvoering van
de wet met inachtneming van artikel 150 van de
Gemeentewet.
Anders dan in artikel 118
van de Algemene bijstandswet (Abw) is er niet
voor gekozen om in het
wetsvoorstel met betrekking tot cliëntenparticipatie een plan- en
verslagsverplichting van het gemeentebestuur op te nemen. Het plan en
verslag ingevolge artikel 118 van de Abw hebben
rblz.|4|
allereerst betrekking op
allerlei aspecten van de uitvoering van die
wet, alsmede de bevordering
van de zelfstandige bestaansvoorziening. Tegen die achtergrond was het
in de Abw niet bezwaarlijk om ook het onderwerp
cliëntenparticipatie
erin te betrekken. Bij de Wvg zouden het plan en verslag echter
uitsluitend de cliëntenparticipatie betreffen.
7. Informatievoorziening
De huidige wet voorziet
slechts in een informatieverstrekking door de gemeenten voor de
evaluatie van de uitvoering van de
Wvg. De evaluatie loopt echter tot en met
het jaar 2000. Deze bepaling behoeft aanpassing, omdat de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid blijvend behoefte heeft aan
informatie over de uitvoering en effecten van deze
wet. Daarnaast wordt, met
betrekking tot de declaratieregeling voor woningaanpassingen van ƒ45 000,- en meer,
specifieke informatie noodzakelijk geacht. De laatstbedoelde informatie zal jaarlijks door het gemeentebestuur
moeten worden verstrekt.
8. Gevolgen voor de
uitvoering
De gevolgen voor de
uitvoering van de uitbreiding van de zorgplicht tot woningaanpassingen van
ƒ45
000,- of meer zullen naar verwachting gering zijn. Gemeenten
verrichten voor deze woningaanpassingen thans ook al enige
voorbereidende werkzaamheden. In de regeling van de Ziekenfondsraad is immers
bepaald dat een aanvraag voor een woningaanpassing bij de Ziekenfondsraad
vergezeld dient te gaan van een afwijzing van de gemeente waaruit blijkt op welke gronden een woningaanpassing krachtens de
Wvg is geweigerd. Met de uitbreiding van de zorgplicht van gemeenten
tot alle woningaanpassingen wordt derhalve aangesloten bij de
bestaande expertise en uitvoeringspraktijk van gemeenten. Voordelen van
deze decentralisatie voor de uitvoering zijn dat de woningaanpassingen
onder één wettelijk en bestuurlijk kader wordt gebracht en
afstemmingsoverleg tussen gemeenten en de Ziekenfondsraad overbodig wordt. Wel
zullen de gemeenten de gemaakte kosten bij het Rijk moeten
declareren en bij de financiële verantwoording aan de Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid de benodigde gegevens moeten verschaffen.
Op het gebied van de
verplichte advisering door de RIO’s is aangesloten bij de ingevolge de
AWBZ in het leven geroepen organisatie van de
indicatiestelling.
Gemeenten beschikken op dit punt over de nodige kennis en ervaring.
De voorgestelde
wettelijke basis van de Tijdelijke bijdrageregeling AWBZ-gemeenten heeft geen
gevolgen voor de uitvoering.
De bepaling over
cliëntenparticipatie zal leiden tot enige extra gemeentelijke inspanningen. Aan
gemeenten wordt gevraagd om bij verordening regels vast te stellen
die zijn gericht op de realisatie en de vormgeving van cliëntenparticipatie
bij de uitvoering van de wet met inachtneming van artikel 150 van de
Gemeentewet. In dit kader is aansluiting bij de bestaande gemeentelijke
Wvg- of inspraakverordening mogelijk.
De uitbreiding van de
gemeentelijke zorgplicht met uitraasruimten heeft voor de gemeentelijke
uitvoering nauwelijks gevolgen. Het betreft hier naar alle
waarschijnlijkheid een beperkt aantal gevallen per jaar.
9. Financiële aspecten
Met inwerkingtreding van
dit wetsvoorstel zijn gemeenten ook verantwoordelijk voor
woningaanpassingen
waarvan de kosten gelijk zijn of meer bedragen dan ƒ45 000,-. Deze woningaanpassingen zullen voor het overgrote deel
gefinancierd worden op basis van de SZW-begroting en lopen dus vooralsnog
niet via het gemeentefonds. De uitgaven voor rblz.|5|
woningaanpassingen
waarvan de kosten gelijk zijn aan of meer bedragen dan ƒ45 000,-
blijken per gemeente sterk uiteen te lopen. Deze verschillen kunnen tot op
heden onvoldoende verklaard worden. Het is vooralsnog daarom niet
mogelijk om een verdeelmodel te ontwikkelen dat goed aansluit bij
werkelijke uitgaven van gemeenten. Een inadequaat verdeelmodel heeft als
risico dat gemeenten via het gemeentefonds te veel of te weinig
gecompenseerd krijgen in verhouding tot de kosten waarmee zij zich
geconfronteerd zien. Bij de derde
Wvg-evaluatie zal nogmaals worden bezien of
er een dusdanig adequate verdeelmaatstaf ontwikkeld kan worden
dat een verantwoorde overheveling naar het gemeentefonds mogelijk
is.
In de
financieringssystematiek waarvoor vooralsnog is gekozen, betalen gemeenten een bedrag van
ƒ22 000,- per woningaanpassing waarvan de kosten gelijk
zijn aan of meer bedragen dan ƒ45 000,- zelf. Deze kosten die
gemeenten maken, worden vergoed door het Rijk middels een toevoeging
aan het gemeentefonds. Gemeenten kunnen het volgende declareren bij SZW: kosten van een woningaanpassing tot maximaal
ƒ100 000,- minus de betaling door gemeenten zelf (ad ƒ22 000,- per
woningaanpassing) en minus de eigen bijdrage van de gehandicapte.
Voorts heeft de regering
bepaald dat er een voorziening getroffen dient te worden die erin voorziet
dat de kosten voor kleinere gemeenten gemaximeerd worden. Deze voorziening
wordt ingevuld door het aantal eigen betalingen van ƒ22 000,- voor kleinere gemeenten te maximeren. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt de voorziening ten
aanzien van kleine
gemeenten nader uitgewerkt.
De uitraasruimten worden
gefinancierd uit het gemeentefonds.
Gemonitord zal worden wat
het financiële effect is van het brengen van de uitraasruimte onder de werkingssfeer van de
Wvg.
De middelen voor Wvg-doeleinden in het gemeentefonds zijn inclusief de kosten gemoeid met de
uitvoering voor zover het de huidige taken betreft. Voor zover sprake is van
taakintensiveringen als gevolg van deze wetswijziging, geldt artikel 2 van de
Financiële-verhoudingswet. Het Rijk zal in overleg met de VNG
bepalen wat de extra uitvoeringskosten van gemeenten als gevolg van
deze taaksintensivering belopen en op welke wijze deze eventuele
extra kosten worden gecompenseerd. Met de VNG is afgesproken dat dit
overleg zal plaatsvinden bij de uitwerking van de declaratieregeling, omdat
pas dan meer zicht is op de specifieke voorwaarden die voor
gemeenten zullen gelden en ook pas dan meer inzicht bestaat in de
taakverschuiving voor gemeenten en de daarmee samenhangende
uitvoeringskosten.
Artikelsgewijs
Artikel I, onderdeel A
Door middel van wijziging van
artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de
Wvg
wordt de gemeentelijke zorgplicht uitgebreid tot woonvoorzieningen
waarvan de kosten ƒ45 000,- of meer bedragen en uitraasruimten. Bij
een uitraasruimte is geen sprake van een ergonomische belemmering; de
belemmering wordt niet rechtstreeks ondervonden als gevolg van
lichamelijk functionele beperkingen. Door de expliciete toevoeging van
de uitraasruimte aan artikel 1, eerste lid, onderdeel
c, van de
Wvg is deze
thans als woonvoorziening aan te merken.
Omdat het begrip
uitraasruimte niet voor iedereen helder zal zijn, wordt in artikel
1, eerste lid,
onderdeel e, van de
Wvg een definitie opgenomen. Soms ondervinden gehandicapten
problemen met de woonruimte als zodanig, omdat zij niet alleen
gelaten kunnen worden zonder dat dit gevaar rblz.|6|
oplevert voor de
gehandicapte zelf. Voor deze groep gehandicapten is deze uitbreiding van de
zorgplicht van gemeenten bestemd. Met de uitbreiding van de
definitie van het begrip woningaanpassingen wordt beoogd aanpassingen
mogelijk te maken waardoor een ruimte wordt gecreëerd waar de
gehandicapte tot zichzelf kan komen, kan verblijven zonder dat hij zichzelf
verwondt, waar hij kan verblijven zonder dat toezicht nodig is of
waar toezicht beter mogelijk is. In de meeste eengezinswoningen hebben
de kinderen wel de beschikking over een slaapkamer op een
bovenverdieping, maar ontbreekt toezicht of toezicht op andere kinderen is
niet mogelijk.
De doelgroep betreft
gehandicapten die vanwege een gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag
vertonen. Het zal veelal gaan om al dan niet verstandelijk en/of
lichamelijk gehandicapten met een psychische component in de handicap
die leidt tot gedragsstoornissen, bijvoorbeeld hyperactiviteit,
dwangmatig en stereotiep handelen, contactbeperkingen, stemmingsschommelingen,
autisme, etc. Het ontremde gedrag dient ernstig te zijn, waarvan
sprake zal zijn als dit gedrag is te rangschikken binnen de reikwijdte van
de indicatie voor een opname in een inrichting als bedoeld in artikel 8
van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.
Het karakter van de
Wvg brengt met zich mee dat de uitraasruimte dienstig moet zijn aan de
belangen van de psychisch gehandicapte. Indien de gevolgen van de
gedragsproblemen niet de belangen van de psychisch gehandicapte maar die van
anderen aangaan, bijvoorbeeld doordat zij bestaan uit hinder voor
die anderen, is geen sprake van een uitraasruimte in de zin van artikel
1,
eerste lid, onderdel e, van de
Wvg.
Artikel I, onderdeel
B
Ingevolge artikel 150, eerste lid, van de
Gemeentewet moet het gemeentebestuur
een verordening vaststellen waarin regels worden gesteld met
betrekking tot de wijze waarop ingezetenen en in de gemeente
een belang
hebbende natuurlijke en rechtspersonen bij de voorbereiding van
gemeentelijk beleid worden betrokken. In deze verordening worden ten
minste geregeld:
a. de wijze waarop van de
beleidsvoornemens waarop inspraak zal worden verleend openbaar
wordt kennisgegeven;
b. de wijze waarop
ingezetenen en in de gemeente een belang hebbende natuurlijke en
rechtspersonen in staat worden gesteld hun mening omtrent de onder a
bedoelde beleidsvoornemens kenbaar te maken;
c. de rapportering over
de onder b bedoelde inspraak en over de uitkomsten daarvan;
d. de wijze waarop
ingezetenen en in de gemeente een belang hebbende natuurlijke en
rechtspersonen in de gelegenheid worden gesteld hun beklag te doen over de
uitvoering van de verordening.
Het voorgestelde artikel
1a van de
Wvg betekent op de hiervoor bedoelde inspraakverordening een aanvulling. In het nieuwe
artikel 1a van de
Wvg wordt bepaald dat het
gemeentebestuur bij verordening regels vaststelt die zijn gericht op de
realisatie en de vormgeving van cliëntenparticipatie bij de uitvoering van de
Wvg. De precieze wijze waarop cliëntenparticipatie wordt gerealiseerd en
vormgegeven is een zaak van de gemeente zelf.
Artikel I, onderdeel
C
Ingevolge
artikel 2 van de
Wvg moet het gemeentebestuur het gemeentelijke voorzieningenbeleid vastleggen in een
verordening. Deze
verordening moet in elk geval regels bevatten over de gevallen en de vorm
waarin voorzieningen kunnen worden verleend. Dit is vastgelegd in artikel
5, eerste lid, onderdeel a, van de
Wvg.
Bij de verruiming van de
gemeentelijke zorgplicht tot woonvoorzieningen waarvan de kosten ƒ45 000,-
of meer bedragen (zie artikel I, onderdeel
A, van dit wetsvoorstel) is, op basis van het de Regeling
Ziekenfondsraad
subsidiëring woningaanpassingen gehandicapten en de uitvoering van die
regeling in de praktijk, aangenomen dat de kosten van rblz.|7|
een woonvoorziening
doorgaans een bedrag van ƒ100 000,- niet te boven zullen gaan. Als
een woonvoorziening deze grens te boven gaat, dan is er, zoals blijkt
uit ervaringen van de Ziekenfondsraad, steeds sprake een bijzonder geval,
waarin het weigeren van die voorziening zou leiden tot onbillijkheden van
overwegende aard. De gemeente dient, ingevolge het voorgestelde artikel
5, eerste lid, onderdeel a, van de
Wvg, de aldaar geformuleerde
hardheidsclausule uitdrukkelijk in de gemeentelijke
Wvg-verordening vast te
leggen.
Artikel I, onderdeel
D
Ingevolge het voorgestelde
artikel 8, eerste lid, van de
Wvg dient het
gemeentebestuur alvorens op een aanvraag van een woonvoorziening waarvan
de kosten gelijk zijn aan of meer bedragen dan ƒ45 000,- te
besluiten, ervoor te zorgen dat het onafhankelijk indicatieorgaan, bedoeld
in artikel 9a van de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten, omtrent de
noodzaak van de voorziening advies heeft uitgebracht. Vooralsnog
gaat het bij deze verplichte advisering alleen om woonvoorzieningen waarvan
de kosten gelijk zijn aan of meer bedragen dan ƒ45 000,-; het is
evenwel mogelijk dat bij algemene maatregel van bestuur, op grond van
artikel 8, tweede lid, andere voorzieningen worden aangewezen.
Artikel I, onderdeel
E
Uit de uitbreiding van de zorgplicht met woningaanpassingen
van ƒ45 000,- of meer
vloeit voort dat de gemeenten voor hogere uitgaven
komen te staan.
De gemeente krijgt daarom
de mogelijkheid om de kosten van een woonvoorziening bij het
Rijk te declareren, voor zover deze kosten de hiervoor bedoelde grens
te boven gaan. Dit wordt nader uitgewerkt in bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur te stellen regels [zie Besluit
rijksvergoeding Wvg-woonvoorzieningen, red.]. In die regels zal een extra declaratiemogelijkheid worden opgenomen voor
gemeenten die niet meer
dan 25 000 inwoners hebben.
Het voorgestelde
artikel 10b van de
Wvg bevat een verplichting van het gemeentebestuur om
desgevraagd kosteloos aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
de gegevens te verstrekken die hij met betrekking tot de
Wvg nodig heeft. Allereerst moet bij deze gegevens gedacht worden aan de
noodzakelijke informatie aangaande de in artikel
10a van de
Wvg bedoelde
declaratieregeling met betrekking tot woningaanpassingen van ƒ45 000,-
of meer.
Daarnaast kan aan de gemeenten ook om beleidsmatige gegevens worden verzocht. Ten
behoeve van de evaluatie in de uitvoering van de Wvg voorziet de huidige
wet in een informatieverstrekking van gegevens met betrekking tot de
aantallen en kosten van Wvg-voorzieningen en de kosten van uitvoering
door de gemeenten. Deze evaluatie loopt echter tot en met het jaar 2000.
De gemeenten zijn,
behoudens een deel van de woningaanpassingen, binnen de landelijke
kaders van de wet volledig verantwoordelijk voor de vaststelling van het
lokaal te voeren beleid en de beslissingen die in individuele gevallen
worden genomen. Dat laat onverlet dat de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zich een beeld moet kunnen
vormen over de uitvoering
en effecten van de wet en zich moet kunnen verantwoorden tegenover
het parlement over het functioneren van de Wvg. Deze bepaling behoeft aldus aanpassing om ervoor zorg te dragen
dat de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid ook in de toekomst structureel op de hoogte
blijft van de uitvoering en effecten van de Wvg.
Artikel I, onderdeel
F
De in
onderdeel E voorgestelde informatieplicht van
het gemeentebestuur omvat
mede de informatieplicht die met betrekking rblz.|8|
tot de periodieke
evaluatie van de
Wvg, in artikel 22, tweede lid, van die
wet, is opgenomen. De
laatstgenoemde bepaling kan derhalve vervallen.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid
K.G. de Vries
|
|