|
29 september 2000/nr. ASEA/LIV/00/59781
Directie Algemene Sociaal-Economische Aangelegenheden
De Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op artikel 14, eerste lid, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag en artikel 5 van de Wet
brutering overhevelingstoeslag lonen;
Besluit:
Art.
1.
De bedragen, genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, b
en c, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, worden
met ingang van 1 januari 2001 onderscheidenlijk als volgt vastgesteld:
a. 2544,10;
b. 587,10;
c. 117,42.
Art.
2.
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2001.
s-Gravenhage, 29
september 2000.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
W.A. Vermeend.
TOELICHTING
[29 september 2000]
Uitgangspunt van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag (hierna te
noemen WML), zoals gewijzigd bij Wet van 14 november 1991, Stb.
1991, 624 (Wet koppeling met afwijkingsmogelijkheid, hierna te noemen
WKA), is dat de algemene welvaartsontwikkeling zo mogelijk ook tot
uitdrukking moet komen in de inkomens van werknemers en
uitkeringsgerechtigden op minimumniveau. Dit uitgangspunt is vervat in
de hoofdregel van de WML die bestaat uit een koppeling van het minimumloon
en de sociale uitkeringen aan de
gemiddelde contractloonontwikkeling.
Afwijking van de hoofdregel is mogelijk indien
sprake is van een bovenmatige loonontwikkeling dan wel een bovenmatige
volumeontwikkeling in de socialezekerheidsregelingen
(artikel 14, vijfde lid, WML). De
toelichting bij de WKA geeft aan dat de afwijkingsgronden actueel zijn
indien de verhouding tussen inactieven en actieven een norm van 82,6
overschrijdt. Voor 2001 geldt dat deze I/A-verhouding ruim onder de
geformuleerde norm blijft.
In artikel 14, eerste tot en met derde lid, van
de WML wordt de reguliere aanpassing van het minimumloon geregeld.
Hierbij wordt uitgegaan van het gemiddelde van de procentuele
ontwikkeling van de contractlonen in de marktsector, de gepremieerde en
gesubsidieerde sector, en bij de overheid, zoals dat door het CPB [Centraal Planbureau,
red.] wordt berekend.
Per 1 januari 2001 verdwijnt de
overhevelingstoeslag (OT). Alvorens de reguliere indexatie plaatsvindt
van het minimumloon, dient dit eerst voor dit effect gebruteerd te
worden. In de memorie van toelichting bij de Wet
brutering overhevelingstoeslag lonen is de wijze waarop dit moet gebeuren,
beschreven (Kamerstukken II 1992-1993, 23 269, nr. 3). Het wettelijk
minimumloon zoals dat geldt voor de tweede helft van 2000 wordt verhoogd
met het bedrag van de OT. Toepassing van het voorgaande leidt na
afronding tot een bruteringspercentage van 1,90.
Het reguliere aanpassingspercentage is, conform
hetgeen wettelijk is geregeld, als volgt vastgesteld. Uitgangspunt is de
helft van de CPB-raming voor de contractloonstijging in 2001 zoals deze
is gepubliceerd in de MEV 2001 [Macro Economische Verkenning
2001, red.]. Dit is 0,5 * 3,53
= 1,77. Hierbij wordt opgeteld het verschil in de contractloonraming
voor 2000 tussen hetgeen is gepubliceerd in de MEV 2001 en het CEP 2000
[Centraal Economisch Plan 2000, red.]. Dit verschil bedraagt 0,22
(3,39 minus 3,17), zodat het onafgeronde aanpassingspercentage 1,99
bedraagt. Dit wordt vermenigvuldigd met het (onafgeronde) wettelijk
minimumloon zoals berekend na de brutering per 1 januari 2001. Na
(wettelijke) afronding bedraagt het bruto wettelijk minimumloon per 1
januari 2001 2544,10 per maand, 587,10 per week en 117,42 per dag.
Het aanpassingspercentage na brutering en indexatie bedraagt na
afronding 3,93.
De hiermee corresponderende wettelijke
minimumjeugdlonen bedragen op grond van de staffeling geregeld in het
Koninklijk besluit van 29 juni 1983 (Stb. 1983, 300) per 1
januari 2001:
Wettelijke minimumjeugdlonen
per 1 januari 2001:
| Leeftijdxx| |
Percentage
minimumloon |
Per
maand |
Per
week |
Per
dag |
| 22
jaar |
85 |
2162,50 |
499,00 |
99,80 |
| 21
jaar |
72,5 |
1844,50 |
425,60 |
85,12 |
| 20
jaar |
61,5 |
1564,60 |
361,10 |
72,22 |
| 19
jaar |
52,5 |
1335,70 |
308,20 |
61,64 |
| 18
jaar |
45,5 |
1157,60 |
267,10 |
53,42 |
| 17
jaar |
39,5 |
1004,90 |
231,90 |
46,38 |
| 16
jaar |
34,5 |
x877,70 |
202,50 |
40,50 |
| 15
jaar |
30 |
x763,20 |
176,10 |
35,22 |
Volgens artikel 12 van de WML is bij een
kortere arbeidstijd dan de gebruikelijke het minimum(jeugd)loon
naar evenredigheid lager. Dit is bijvoorbeeld van toepassing als
werknemers in het kader van de partiλle leerplicht een aantal dagen per
week onderwijs volgen.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
W.A. Vermeend.
|
|