|
17 oktober 2000/nr.
Z/F-2110977
De Minister
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
Gelet op artikel 3a,
eerste lid, eerste volzin, van de Ziekenfondswet
jº artikel II van de Wet van 28 oktober 1999, houdende uitbreiding van
de kring van verzekerden ingevolge de Ziekenfondswet met zelfstandigen
voor wie, gelet op hun inkomen, toegang tot de sociale
ziektekostenverzekering
is aangewezen en tijdelijke wijziging van de indexering van de loongrens
alsmede wijziging van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (zelfstandigen
in Zfw) (Stb. 1999, 461), en artikel
9, tweede lid, van de Coördinatiewet Sociale
Verzekering;
Gezien het rapport van het College
voor zorgverzekeringen van 28
september 2000 (VERZ/20048521);
Besluit:
Art. 1.
Het in artikel 3, eerste lid, onderdeel a,
van de Ziekenfondswet
genoemde bedrag wordt verhoogd tot ƒ65 700,00.
Art. 2.
Het in artikel 3c, eerste
lid, van de Ziekenfondswet genoemde
bedrag wordt verhoogd tot ƒ41 800,00.
Art. 3.
Het in artikel 3d, eerste
lid, van de Ziekenfondswet genoemde
bedrag wordt verhoogd tot ƒ42 000,00.
Art. 4.
Het in artikel 9, tweede
lid, van de Coördinatiewet Sociale
Verzekering genoemde bedrag
wordt
verhoogd tot ƒ226,00.
Art. 5.
Deze regeling treedt in
werking met ingang van 1 januari
2001.
Deze regeling zal met de
toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
De Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers.
TOELICHTING
[17 oktober 2000]
In de Wet van 28 oktober
1999, houdende uitbreiding van de kring
van verzekerden ingevolge de Ziekenfondswet met
zelfstandigen voor wie, gelet op hun
inkomen, toegang tot de sociale ziektekostenverzekering is aangewezen en
tijdelijke wijziging van de indexering van de loongrens alsmede wijziging van de
Wet op de
inkomstenbelasting 1964 (zelfstandigen in Zfw)
(Stb. 1999, 461) is geregeld dat zelfstandigen per 1 januari 2000 toegang
tot de ziekenfondsverzekering krijgen. De instroom van
zelfstandigen in de ziekenfondsverzekering zal worden gecompenseerd door een
even grote uitstroom van werknemers
en hun medeverzekerden uit de
ziekenfondsverzekering. In artikel II van de
Wet van 28 oktober 1999 is
daartoe een bepaling opgenomen die
regelt dat de gebruikelijke methodiek,
waarbij de loongrens van de ziekenfondsverzekering wordt aangepast op grond
van de ontwikkeling van de
loonindex, tijdelijk wordt vervangen door een indexering op grond van
de prijsindex (tabelcorrectiefactor).
In het algemeen is de ontwikkeling van de
prijsindex lager dan die van de
loonindex.
Deze tijdelijke wijziging
van de indexeringsmethodiek
wordt toegepast tot aan het jaar waarin
het beoogde evenwicht tussen
de instroom en de uitstroom
van ziekenfondsverzekerden wordt bereikt. In dat laatste jaar vindt
nog een zogenaamde "finetuning" plaats
door middel van een eenmalige
nominale aanpassing van het bedrag van de loongrens en wel zodanig
dat aan het einde van dat
kalenderjaar het beoogde nieuwe evenwicht zal zijn
bereikt. Eén en ander moet worden
toegepast op een zodanige wijze dat
er nooit een nominale verlaging
van de loongrens zal optreden.
Het College voor
zorgverzekeringen (CVZ) constateert in zijn
rapport van 28 september 2000 dat het
beoogde evenwicht nog niet is
bereikt. Dit betekent dat de
aanpassing van de loongrens niet mag
geschieden volgens de normale
aanpassingssystematiek, zoals neergelegd in
artikel 3a van de Ziekenfondswet. Artikel II
van
de Wet van 28 oktober 1999 zal derhalve net als voor het
jaar 2000 ook voor het jaar 2001
toegepast dienen te worden. Het CVZ
verwacht tevens dat in het jaar
2001 het beoogde evenwicht niet zal worden
bereikt. Dit betekent dat een
zogenoemde "finetuning" door
middel van een eenmalige nominale
aanpassing van het bedrag van de
loongrens nog niet aan de orde is. Voor het
jaar 2001 wordt derhalve wederom de tabelcorrectiefactor toegepast.
De loongrens voor het
jaar 2000 was onafgerond ƒ64 509,32. Verhoging van dat bedrag
met de tabelcorrectiefactor
(prijsindex) voor 2001 (1,7%) levert voor
het jaar 2001 een bedrag op van ƒ64 509,32 x 1,017 = ƒ65 605,98.
Op grond van
artikel 3a,
derde lid, van de Ziekenfondswet wordt dit bedrag op een veelvoud
van ƒ100,- naar boven
afgerond en dat leidt derhalve tot een
loongrens van ƒ65 700,- voor het jaar
2001.
Artikel II, zesde lid, van
de Wet van 28 oktober 1999 bepaalt dat de tabelcorrectiefactor ook
op de zogenaamde opt-in-grens voor
particulier verzekerden van 65 jaar of ouder en op de inkomensgrens voor
zelfstandigen dient te worden
toegepast.
De opt-in-grens voor
particulier verzekerden van 65 jaar of ouder voor het jaar 2000 was onafgerond
ƒ41 023,16. Verhoging
van dat bedrag met de
tabelcorrectiefactor voor 2001 (1,7%) levert
voor het jaar 2001 een bedrag op van ƒ41 023,16 x 1,017 = ƒ41 720,55. Ook
hier geldt
artikel 3a, derde lid,
van de Ziekenfondswet en derhalve wordt het bedrag afgerond op
ƒ41 800,-.
De inkomensgrens voor
zelfstandigen voor het jaar 2000 was ƒ41 200,-. Verhoging van dat bedrag
met de tabelcorrectiefactor voor
het jaar 2001 (1,7%) levert voor
het jaar 2001 een bedrag op van ƒ41 200,- x 1,017 = ƒ41 900,40. Met
toepassing van
artikel 3a, derde lid,
van de Ziekenfondswet wordt dit
bedrag afgerond op ƒ42 000,-.
Het maximumpremiedagloon, genoemd in artikel
9,
tweede lid, van de Coördinatiewet Sociale
Verzekering, wordt
jaarlijks geïndexeerd overeenkomstig de methode neergelegd in
artikel 3a van de Ziekenfondswet. Op
grond
van het genoemde artikel 9,
tweede lid, van de Coördinatiewet Sociale
Verzekering dient
aanpassing van het bedrag van de loongrens
zelf ook te leiden tot aanpassing van
het bedoelde maximumpremiedagloon. Artikel II van
de Wet van 28 oktober 1999
brengt hierin geen
verandering. Dit betekent dat het maximumpremiedagloon aangepast wordt aan de
hand van het indexcijfer van
CAO-lonen per maand, inclusief
bijzondere uitkeringen, sector particuliere bedrijven.
Vervolgens speelt bij het
vaststellen van het
maximumpremiedagloon voor het jaar 2001 het
vervallen van de overhevelingstoeslag
met ingang van 1 januari 2001 een
rol. In beginsel maken werkgevers en
werknemers (collectief of
individueel) afspraken over de gevolgen hiervan
voor het brutoloon. Als vangnet
voor het ontbreken van dergelijke afspraken wordt één algemeen
wettelijk bruteringspercentage vastgesteld. Dit percentage is vastgesteld op 1,9.
Voor het vaststellen van
het maximumpremiedagloon voor het jaar 2001 voor de overige werknemersverzekeringen
worden de huidige
maximumpremiedaglonen eerst verhoogd met het algemeen wettelijk bruteringspercentage
van 1,9 en vervolgens geïndexeerd. Het ligt
voor de hand om ook voor het maximumpremiedagloon voor de
ziekenfondsverzekering die handelwijze toe te
passen.
Het maximumpremiedagloon
was voor het jaar 2000 ƒ215,-. Toepassing van het
bruteringspercentage leidt tot: ƒ215,- x 1,019 = ƒ219,08. Het aanpassen van dit bedrag met het
loonindexcijfer voor 2001 (3,31%) levert voor het jaar 2001 een
bedrag op van ƒ219,08 x 1,0331 = ƒ226,33, afgerond ƒ226,- per dag.
De Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers.
|
|